1253371 bijlage 1_ Woningbouw De Kleine Aarde Toelichting.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan Woningbouw De Kleine Aarde 7 sept 2020
Bestemmingsplan Woningbouw De Kleine Aarde Gemeente Boxtel Ontwerp
Rapportnummer:
P01741_2
IMRO-code:
NL.IMRO.0757.BP09DKA-OTW1
Datum:
7 september 2020
Opdrachtgever:
Gemeente Boxtel
Projectteam BRO:
WdR
Concept:
Juni 2019
Ontwerp:
Juni 2020
Vastgesteld: Trefwoorden:
--
Beknopte inhoud:
--
BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl
Toelichting
Inhoudsopgave
pagina
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Geldend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer
3 3 4 5 6
2. PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie 2.2 Voorgenomen ontwikkeling
7 7 9
3. BELEIDSTOETS 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid
12 12 16 18
4. MILIEUHYGIËNISCHE EN PLANOLOGISCHE VERANTWOORDING 4.1 Cultuurhistorie & Archeologie 4.2 Flora en fauna 4.3 Waterparagraaf 4.4 Bodem 4.5 Bedrijven en milieuzonering 4.6 Kabels en leidingen 4.7 Akoestiek 4.8 Verkeer en parkeren 4.9 Luchtkwaliteit 4.10 Externe veiligheid 4.11 M.e.r.-beoordeling
21 21 23 25 28 29 30 30 31 33 35 39
5. JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Algemene opzet 5.2 Toelichting op de verbeelding 5.3 Toelichting op de bestemmingen 5.4 Toelichting op de regels
41 41 41 41 42
6. ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
44
Inhoudsopgave
1
7. MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 7.1 Vooroverleg 7.2 Procedure 7.3 Beroep
45 45 46 46
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Archeologisch rapport Bijlage 2: Quickscan Flora en Fauna Bijlage 3: Nader ecologisch onderzoek Bijlage 4: Afschrift besluit ontheffing soorten WNB De Kleine Aarde Bijlage 5: Watertoets Bijlage 6: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 7: Akoestisch onderzoek Bijlage 8: Onderzoek externe veiligheid Bijlage 9: Aeriusberekening Bijlage 10: Aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r.beoordeling Bijlage 11: Advies Veiligheidsregio Brabant-Noord
Inhoudsopgave
2
1.
INLEIDING
1.1 Aanleiding De Kleine Aarde in Boxtel is een experimentele proeftuin waar bewoners, bedrijven en bezoekers zich op diverse manieren met duurzaamheid en ecologie bezighouden. In de hoogtijdagen in de jaren ’70 werd hier op een vooruitstrevende manier nagedacht over duurzaam bouwen, biologische landbouw en milieuvriendelijke energieopwekking. Later kwam de nadruk meer en meer te liggen op educatie. Na enkele onzekere jaren wordt er vanaf 2015 hard gewerkt om De Kleine Aarde weer te maken tot het spraakmakende living lab dat het eens was. Na een aantal vergeefse pogingen heeft vorig jaar een consortium van partijen de krachten gebundeld om De Kleine Aarde nieuw leven in te blazen. Diversiteit is het sleutelwoord in deze samenwerking. Deelnemers aan dit ambitieuze toekomstplan zijn de scholen Summa College, SintLucas en Helicon, de bedrijven Heijmans en Maris Projects, de gemeente Boxtel, woonstichting JOOST, Waterschap de Dommel en werkbedrijf WSD-groep. Gezamenlijk ontwikkelden ze een plan waar wonen, werken, leren en recreëren verweven zijn in een omgeving waarin duurzaamheid, milieubewustzijn en vernieuwing voorop staan. Hiermee treden ze in de voetsporen van de vroegere pioniers die De proeftuin de Kleine Aarde haar bekendheid hebben gebracht.
Vanuit een nieuwe visie zijn de partijen overeengekomen dat De Kleine Aarde plaats zal bieden aan uiteenlopende functies; een voedseltuin van ca. 700m², een horecagelegenheid en bed & breakfast, educatie en onderzoeksruimtes met bijbehorende kantoren, een voedsel- en wildernisbos van ca. 300m² met imker en duurzaam wonen. Woonstichting JOOST ontwikkelt het duurzaam wonen in de vorm van een circulair gebouw met 22 appartementen. Daarbij ligt niet alleen de nadruk op duurzaamheid van het gebouw en de materialisering, ook de bewoners worden uitgedaagd om hier op een milieuvriendelijke manier te leven. De Kleine Aarde is bestemd in het bestemmingsplan ‘Noord-Oost’ en heeft de bestemming ‘Maatschappelijk – 2’. Hierbinnen is het niet mogelijk om woningen te realiseren. Een partiele herziening van het vigerende bestemmingsplan is noodzakelijk om het appartementencomplex op het terrein van De Kleine Aarde te realiseren. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Boxtel heeft besloten in principe medewerking aan het plan te verlenen en de gemeente coördineert de bestemmingsplanprocedure. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in het nieuwe planologisch-juridische kader voor het plangebied. In het plan wordt aangetoond dat het initiatief op de verschillende ruimtelijk relevante onderdelen haalbaar is.
Hoofdstuk 1
3
1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied ligt op van het terrein van De Kleine Aarde en maakt onderdeel van de kadastrale percelen B 4037 (deels), 4038 (deels), 4039 en 4040 (deels). De omgeving bestaat uit de woonwijk Munsel, nieuwbouwwijk de Goede Aarde en de maatschappelijke functies van De Kleine Aarde. Het plangebied ligt tussen de Einsteinstraat, Planckpad en Munselse Hoeve. De ligging en begrenzing van het plangebied is indicatief weergegeven op de afbeeldingen op de volgende pagina. De exacte begrenzing volgt uit de verbeelding.
A 2
Boxtel
Figuur 1.1 Globale ligging en begrenzing van het plangebied Hoofdstuk 1
4
1.3 Geldend bestemmingsplan Voor het plangebied is het bestemmingsplan ‘Noord-Oost’ het geldende juridische kader. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de gemeenteraad van Boxtel op 29 september 2015. Conform het bestemmingsplan is voor het plangebied de enkelbestemming ‘Maatschappelijk-2’ geldend. In de zuidoostelijke hoek van het plangebied is een bouwvlak met de functieaanduiding ‘kas’ opgenomen. Voor een klein gedeelte van het plangebied geldt daarnaast de dubbelbestemming ‘Leiding – Gas’.
Figuur 1.2 Uitsnede vigerend bestemmingsplan met (globaal) het plangebied rood omlijnd
De gronden met de bestemming ‘Maatschappelijk-2’ zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen voor zover gericht op natuur, milieu en/duurzaamheid met daaronder begrepen cursus- en vergaderfaciliteiten, kunst, cultuur, onderwijs en bijbehorende voorzieningen. Agrarisch grondgebruik en tuinbouw is toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘kas’. De gronden ter plaatse van de dubbelbestemming ‘Leiding – Gas’ zijn tevens bedoeld voor ondergrondse aardgastransportleidingen met de daarbij horende belemmerende strook. Binnen de bestemming ‘Maatschappelijk-2’ ontbreken de juisten gebruiks- en bouwregels om het appartementencomplex te kunnen realiseren. Om dat te kunnen doen is het noodzakelijk een bestemmingsplanprocedure te doorlopen om het vigerende bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied te herzien.
Hoofdstuk 1
5
1.4 Leeswijzer De toelichting bestaat uit 7 hoofdstukken. Na deze inleiding volgt een beschrijving van het plan in hoofdstuk 2. De beleidstoets is in hoofdstuk 3 van dit bestemmingsplan opgenomen. In hoofdstuk 4 worden alle relevante milieuonderwerpen behandeld en verantwoord. De juridische toelichting is in hoofdstuk 5 opgenomen en in hoofdstuk 6 is de economische uitvoerbaarheid beschreven. In hoofdstuk 7 is tenslotte de maatschappelijke haalbaarheid beschreven. Rapportages van uitgevoerde sectorale onderzoeken zijn als separate bijlage aan dit bestemmingsplan gevoegd.
Hoofdstuk 1
6
2.
PLANBESCHRIJVING
2.1 Huidige situatie Het plangebied ligt tussen de woongebieden Selissen, Munsel, In Goede Aarde en Zonnegolven. Deze woonwijken bieden tezamen een gevarieerd woonmilieu met veelal grondgebonden woningen uit de jaren ’90 en ’00. Kenmerkend zijn de duurzaamheiddoelstellingen die nagestreefd worden door energiezuinig en ecologisch verantwoord te ontwikkelen. In de oksel van de doorgaande wegen Schijndelseweg en Brederodeweg ligt het ruim opgezette terrein van zorginstelling De La Salle met diverse bouwvolumes los in een groene omgeving. Het terrein heeft een besloten karakter en is nauwelijks zichtbaar vanuit de omgeving door de aanwezige bomenrijen en andere opgaande groenelementen. Een kenmerkende straat in het gebied is het oude bebouwingslint Munselse Hoeve, deze ligt direct aan de zuidzijde van het plangebied. De Munselse Hoeve is een fietsstraat en wordt gebruikt als (doorgaande) fietsroute. De Munselse Hoeve is voor gemotoriseerd verkeer doodlopen en daarom geen doorgaande route. Ondanks het verstedelijken van de omgeving is de historische bebouwing en karakteristiek van het lint Munselse Hoeve goed bewaard gebleven. In het lint zijn diverse beeldbepalende langgevelboerderijen aanwezig die nog in goede staat verkeren. Ze zijn gesitueerd op ruime kavels die voorzien zijn van hoog opgaande erfbeplanting.
Het plangebied wordt voor autoverkeer via Het Klaverblad ontsloten op de Schijndelseweg. De Munselse Hoeve is als fietsroute behouden. Het bestemmingsverkeer vanwege de aanwezige woningen is verenigbaar met het fietsverkeer. Door belemmeringen in de route is doorgaand verkeer voor gemotoriseerd verkeer niet mogelijk. Het Planckpad (aan de westzijde van het plangebied) is een fietspad gecombineerd met een voetpad. Het plangebied is onderdeel van De Kleine Aarde. De Kleine Aarde in Boxtel is een centrum waar bewoners, bedrijven en bezoekers zich op verschillende manieren met duurzaamheid bezighouden. Dat wil onder meer zeggen dat aan hen de gelegenheid wordt geboden kennis te nemen van nieuwe technieken en inzichten om duurzaam om te gaan met voedsel, water en energie. Het terrein van De Kleine Aarde wordt ontwikkeld tot een kennis- en expertisecentrum op het gebied van duurzaamheid en circulaire economie. Schone energie en oneindig hergebruik van materialen staan hierin centraal. Verschillende partijen, verenigd in ’t Collectief, zetten zich daarvoor in. In de huidige situatie is het plangebied in gebruik als tuin van De Kleine Aarde. Er zijn solitaire bomen, bomengroepen, heesters, gras en enkele bouwwerken aanwezig. In de zuidoostelijke hoek van het plangebied heeft een kas gestaan maar deze is reeds gesloopt.
Figuur 2.1 geeft een impressie van de huidige situatie van het plangebied.
Hoofdstuk 2
7
Figuur 2.1 Weergave huidige situatie van het plangebied
Hoofdstuk 2
8
2.2 Voorgenomen ontwikkeling De doelstelling van alle samenwerkingspartners is om in de geest van De Kleine Aarde het terrein opnieuw te ontwikkelen tot een kennis- en expertisecentrum op het gebied van duurzaamheid, ecologie en circulaire economie. Een van de voorgenomen ontwikkelingen is de realisatie van een circulair woongebouw door Woonstichting JOOST. Zij zullen hier 22 appartementen realiseren voor een- of tweepersoonshuishoudens die hun steentje bij willen dragen aan de doelstelling en visie op De Kleine Aarde. Het gebouw bestaat uit een compact twee laags rechthoekig volume dat aan een zijde in een verhoogd dijklichaam is geschoven. Binnen de heldere structuur van de massief houten constructie liggen de appartementen rug aan rug geschakeld met een breedte van 7,5 meter. De huurappartementen zijn respectievelijk 60 m² en 49 m² groot. Doordat de appartementen op de verdieping minder diep zijn ontstaat ruimte voor een galerij rondom het gebouw die onderdeel is van de routing over het terrein. Hoogtepunt van deze route vormt het uitkijkpunt dat uitzicht biedt over het terrein. De maximale hoogte hiervan bedraagt 9 meter, ruim onder de maximaal toegestane bouwhoogte van 10 meter. Het ogenschijnlijk eenvoudige gebouw wordt voorzien van een integraal installatieconcept, dat volledig is toegespitst op de energievraag van het gebouw en haar bewoners.
Het gebouw zal volledig zelfvoorzienend zijn in de energiebehoefte door middel van zonnepanelen voor elektriciteit en powertubes voor de warmwatervoorziening. Zowel warmte als elektriciteit kunnen centraal opgeslagen worden. Warmte in boilervaten en elektriciteit in een (zeezout)accu. Door alle installatievoorzieningen centraal te regelen kan zeer goed op de energievraag ingespeeld worden. In basis wordt het gebouw verwarmd tot 18 graden en kunnen bewoners desgewenst individueel bijsturen. Al deze maatregelen zullen zichtbaar aanwezig zijn voor de bewoners en zij zullen ook terugkoppeling krijgen op hun energie gebruik. Een goed voorbeeld hiervan is de centrale wasruimte met wasmachines die weersafhankelijk draaien, afhankelijk van het energieaanbod. Er wordt nog onderzocht of hier gefilterd regenwater voor gebruikt kan worden. Het woonprogramma vormt zo een belangrijk onderdeel in het parkachtige gebied, naast het onderwijs-, energie-, en centrumprogramma. In het woonprogramma wordt geëxperimenteerd met het wonen van de toekomst. In het gebouw worden bekende technieken en processen gecombineerd met Innovaties. De woningen zullen energieleverend worden en gaan daarmee een stap verder dan de nul-op-de-meter lijn. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van duurzame biobased materialen, die perfect passen in de cradle to cradle-gedachte van een oneindige kringloop (circulaire economie).
En is er sprake van een stevige reductie van het waterverbruik. Er wordt water gezuiverd. Dit biedt voor alle betrokken partners in De Kleine Aarde een onderzoeksveld om te experimenteren en te pionieren met de ontwikkelingen van de toekomst. Naast de ontwikkeling van het appartementencomplex wordt het gehele plangebied opnieuw ingericht waarbij aandacht wordt besteed aan de ecologische functie die het gebied vervult. Zo wordt het plangebied ingericht als leef- en foerageergebied voor de poelkikker en wezel. Daarnaast wordt een aarden wal aangelegd en beplant langs de westzijde van het plangebied en wordt een voedselbos en
Hoofdstuk 2
9
grasland aangelegd. De natuurlijke waarden van het terrein worden door onderhavige ontwikkeling versterkt. Onderdeel van de duurzaamheidsdoelstelling is ook het stimuleren van alternatieve vervoersmiddelen en het ontmoedigen van eigen autobezit en gebruik. Bij de realisatie van de nieuwe functies zullen daarom geen nieuwe parkeerplaatsen op het terrein aangelegd worden. Wel wordt de mogelijkheid geborgd dat op de gronden van de voormalige kas voldoende parkeerplaatsen te realiseren zijn volgens de gemeentelijke normen mocht dit in de toekomst toch nodig blijken. Figuur 2.2 geeft een impressie van de terreininrichting van het plangebied en figuur 2.3 geeft een impressie van het beoogde appartementencomplex.
Hoofdstuk 2
10
Figuur 2.2 Weergave toekomstige situatie van het plangebied
Figuur 2.3 Impressie van het beoogde appartementencomplex.
Hoofdstuk 2
11
3.
BELEIDSTOETS
3.1 Rijksbeleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (vastgesteld op 13 maart 2012) staan de plannen van de Rijksoverheid voor ruimte en mobiliteit. Het Rijk stelt dat een aanpak dient te ontstaan waarmee Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig wordt gemaakt. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeenten) en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem van ruimtelijke ordening. Daarnaast kan een Rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien: een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt. Bijvoorbeeld ruimte voor militaire activiteiten en opgaven in de stedelijke regio’s rondom de mainports, brainports, greenports en valleys; over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan. Bijvoorbeeld voor biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of werelderfgoed; een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is en ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bijvoorbeeld de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners.
Het Rijk kiest drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; het verbeteren en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Uit bovenstaande drie doelen zijn de dertien nationale belangen naar voren gekomen. Deze zijn geografisch weergegeven via de Nationale hoofdstructuur. Doorwerking plangebied Het plangebied ligt niet binnen een van de Nationale hoofdstructuren. De SVIR heeft geen specifieke betekenis voor dit bestemmingsplan. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om
Hoofdstuk 3
12
beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. Doorwerking plangebied Zoals al in voorgaande paragraaf bij de SVIR is aangegeven, is er geen sprake van nationale belangen in het plangebied. Het Barro bevat daarom ook geen kaderstellende uitspraken voor het plangebied. Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt.
Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.1 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Doorwerking plangebied Gelet op het programma van het initiatief (22 woningen), moet het plan beschouwd worden als een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ en is de toets aan de Ladder wettelijk verplicht.
Dat betekent: eerst bepalen of een nieuwe ontwikkeling een nieuwe stedelijke ontwikkeling betreft, vervolgens kijken of er vraag is naar een bepaalde nieuwe ontwikkeling, en daarna analyseren of het bestaande stedelijk ge-
1
O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).
Hoofdstuk 3
13
bied of bestaande bebouwing kan worden hergebruikt. Hierna wordt allereerst ingegaan op de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte voor woningbouw, vervolgens wordt ingegaan op de mogelijkheden om in het bestaand stedelijk gebied te voorzien in de behoefte. Kwantitatieve behoefte Toetsingskader bij woningbouwplannen in de provincie Noord-Brabant is de Brabantse Agenda Wonen en de hieruit voortvloeiende Regionale Agenda Wonen. De Brabantse Agenda Wonen stippelt de koers uit voor (verdere) regionale samenwerking en regionale afspraken. Op basis van de provinciale bevolkingsprognoses worden in regionaal overleg afspraken gemaakt over het aantal te bouwen woningen per gemeente. Het afsprakenkader dat in een regionaal perspectief op bouwen en wonen wordt opgenomen dient duidelijkheid te geven hoe het regionale woningbouwprogramma – in kwantitatieve, kwalitatieve én ruimtelijke zin – de komende jaren wordt ingezet. De kwantitatieve woningbouwafspraken worden bepaald door de verwachte vraag op basis van de provinciale bevolkingsprognose te confronteren met de bestaande woningvoorraad (aanbod). Het residu is de woningbehoefte. De ontwikkelingsruimte voor nieuwbouwplannen wordt bepaald door de woningbehoefte (incl. verwachte sloop) te verminderen met de harde plancapaciteit (woningbouwtitels in vastgestelde bestemmingsplannen).
De meest recente woningbouwafspraken voor de regio ’s-Hertogenbosch e.o., waartoe ook Boxtel behoord, zijn vastgesteld op 8 december 2016 en gelden voor de periode 2016-2025. Voor Boxtel is vastgesteld dat er behoefte is aan 1.450 woningen tot 2026. Door de geringe harde plancapaciteit (13% van de behoefte) kan worden geconcludeerd dat in Boxtel een aanzienlijke behoefte aan nieuwe woningen bestaat.
Figuur 3.1 Woningbouwafspraken regio ’s-Hertogenbosch e.o. 2016-2025
Hoofdstuk 3
14
Om het ‘accent op de aantallen’ verder te verminderen en de focus meer te leggen op ruimtelijk-kwalitatieve afspraken en de urgentie rond tal van opgaven op de regionale woningmarkt, stuurt de provincie de komende periode aan op een werkwijze die niet zozeer gericht is op het jaarlijks maken van regionale kwantitatieve woningbouwafspraken, maar waarbij wordt aangesloten op ‘het ritme’ van actualiseren van de provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose. Hiertoe is de ‘Monitor bevolking en wonen’ in het leven geroepen zodat tijdig knelpunten op de woningmarkt kunnen worden geconstateerd. De monitor wordt elk kwartaal geactualiseerd en bevat onder andere gegevens over de ontwikkeling en prognose van de bevolking, een actuele stand van de woningvoorraad en een inventarisatie van de plancapaciteit. Aan de hand van de ‘Monitor bevolking en wonen’ (januari 2018) is de kwantitatieve woningbehoefte voor Boxtel geactualiseerd. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat de woningbehoefte geconfronteerd met de harde planvoorraad een ontwikkelingsruimte aantoont van minimaal 880 tot 1.240 woningen in Boxtel. Uit de capaciteitsindicator1 en de stagnatie-indicator blijkt daarnaast dat Boxtel de gemeente is met de grootste achterstand in de ontwikkeling van de woningvoorraad in relatie tot de verwachte bevolkingsgroei van de provincie Noord-Brabant.
De resterende (acute) behoefte kan in grote mate worden voorzien met de zachte planvoorraad in de gemeente Boxtel. Dit zijn de lopende ontwikkelingsplannen waarvan de woningbouwcontingenten nog niet zijn vastgesteld in bestemmingsplannen. Deze capaciteit bedraagt 995 woningen. Voorliggend bestemmingsplan behoort tot de zachte planvoorraad van de gemeente Boxtel en voorziet na vaststelling direct en op de langere termijn (vanwege de fasering) in een actuele behoefte aan woningen. Kwalitatieve behoefte De kwalitatieve prioriteiten voor de ontwikkeling van de woningvoorraad zijn vastgelegd in de ‘Woonvisie 2016-2025’, vastgesteld door de gemeenteraad op 28 juni 2016. Om de beleidsdoelstellingen te kunnen bepalen is onder andere in 2015 een woonwensen onderzoek uitgevoerd. Op basis hiervan zijn in de woonvisie prioriteiten gesteld die worden nageleefd bij de ontwikkeling van de woningvoorraad. Deze prioriteiten zijn nader toegelicht in paragraaf 3.3. Het woningprogramma dat voorliggend bestemmingsplan mogelijk maakt is qua verdeling in typologieën nauwgezet afgestemd tussen gemeente in initiatiefnemer. Het woningbouwprogramma bestaat voor 30% uit woningen in het sociale segment, 10% in het goedkope segment, 40% in het middeldure segment en 20% in het dure segment. Daarnaast is er een evenredige verdeling tussen koop- en huurwoningen.
Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld met inachtneming van de gemeentelijke woningbouwprioriteiten en voorziet dus over een breedspectrum in de kwalitatieve behoefte aan woningen.
Hoofdstuk 3
15
Bestaand stedelijk gebied In lid twee van artikel 3.1.6. van het Besluit ruimtelijke ordening dient te worden gemotiveerd of de beoogde ontwikkeling plaats kan vinden binnen het bestaand stedelijk gebied. In het kader van duurzaam ruimtegebruik wordt de ruimtelijke ontwikkeling bij voorkeur opgevangen in het bestaand stedelijk gebied. Dit kan door op lege plekken de ruimte ‘in te vullen’, een andere bestemming te geven aan een gebied, door herstructurering van bestaande terreinen of door transformatie van bestaande gebouwen of gebieden. Gelet op de ligging van het plangebied binnen het bestaand stedelijk gebied en de ruimtelijke structuren kan tevens geconcludeerd worden dat er sprake is van duurzaam ruimtegebruik. Via dit initiatief wordt immers voldaan aan de wens en ambitie om nieuwe ontwikkelingen waar mogelijk te ontwikkelen binnen bestaand stedelijk gebied. Gezien het voorgaande wordt geconcludeerd dat onderhavig initiatief wordt passend wordt geacht binnen de Ladder voor duurzame verstedelijking, gezien er wordt gezien in een behoefte op de langere termijn binnen de afgebakende regio en het geen nadelige effecten heeft voor de regio en gemeente.
3.2 Provinciaal beleid Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ Provinciale Staten hebben op 14 december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor elk van deze opgaven geeft de omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? Doorwerking plangebied De provincie wil het gesprek over stedelijke ontwikkeling dat in de afgelopen decennia werd gedomineerd door de vraag: ‘wat moeten we nog toevoegen’, ombuigen naar het gesprek over: ‘welke opgave en kansen liggen er in het bestaand stedelijk gebied en de bestaande gebouwenvoorraad?’ Duurzame verstedelijking De toenemende verschillen binnen Brabant maken het des te belangrijker om op het niveau van het daily urban system goed samen te werken en keuzes te maken. Het daily urban system is het gebied waarin een inwoner zich dagelijks verplaatst vanwege werk, voorzieningen en sociale contacten. Uitbreiding van het bestaande stedelijk gebied in steden en dorpen is alleen wenselijk vanuit kwalitatieve overwegingen en bij een concrete marktvraag.
Herbestemmen is het nieuwe bouwen: Als gevolg van economische, technologische en maatschappelijke ontwikkelingen staan de steden en dorpen van Brabant steeds vaker voor (omvangrijke) herbestemmings- en transformatieopgaven in hun bebouwde gebied. Hier liggen interessante kansen voor het toekomstbestendig maken van het stedelijk gebied
Hoofdstuk 3
16
en ook voor het creëren van ruimte voor nieuwe economische ontwikkelingen en voor woningbouw! De komende 10 jaar ligt er een forse woningbouwopgave (ca 120.000 woningen), daarna loopt de woningbouwopgave in omvang terug. Dat betekent dat we komende 10 jaar dé kans hebben om de kwaliteit van het stedelijk gebied op orde te brengen en de leegstand aan te pakken. We brengen met onze partners de transformatiepotenties in beeld en onderzoeken gezamenlijk hoe we deze opgaven kunnen aanpakken. We dragen bij aan de realisering van grote, complexe transformatieopgaven. Met onderhavig planvoornemen wordt gebruik gemaakt van een locatie om in het bestaand stedelijk gebied plangebied nieuwe, toekomstbestendige woningen te realiseren. Er is derhalve sprake van zorgvuldig ruimtegebruik en het plan past binnen het gedachtegoed van herstructurering van het bestaand stedelijk gebied. Interim Omgevingsverordening De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze van de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is ervoor gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een Interim omgevingsverordening. Provinciale Staten hebben op 25 november 2019 deze verordening vastgesteld.
Het is een ‘Interim’ omgevingsverordening om zo te benadrukken dat dit een tussenstap is naar de ‘definitieve’ omgevingsverordening gebaseerd op de Omgevingswet. De Interim omgevingsverordening is gebaseerd op de huidige wetgeving en moet aan de wettelijke bepalingen van die wetgeving voldoen. Dat betekent dat nieuwe mogelijkheden uit de Omgevingswet nog niet zijn verwerkt. Er is wel zo veel als mogelijk aansluiting gezocht bij de Omgevingswet en de voorwaarden voor een omgevingsverordening (bijvoorbeeld bij de opbouw en de digitale vormgeving). De Interim omgevingsverordening vervangt zes provinciale verordeningen, waaronder de Verordening ruimte 2014. In de omgevingsverordening staan onderwerpen uit de provinciale omgevingsvisie, waarbij is aangegeven welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. Deze verordening bestaat uit kaartmateriaal en regels waarmee gemeenten rekening moeten houden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Doorwerking plangebied De Interim omgevingsverordening heeft het plangebied aangewezen als landelijke kern in Stedelijk gebied (artikel 3.42). Artikel 3.42 duurzame stedelijke ontwikkeling Lid 1 Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a.
de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is.
Hoofdstuk 3
17
Lid 2 Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; f. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie. Het plangebied ligt in bestaand stedelijk gebied waardoor stedelijke ontwikkelingen zijn toegestaan. De Interim omgevingsverordening bepaalt dat het initiatief moet voorzien in de ruimtelijke kwaliteit en bij een stedelijke ontwikkeling de ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen te worden. Met deze ruimtelijke onderbouwing worden 22 wooneenheden in het plangebied mogelijk gemaakt, in de vorm van appartementen. In paragraaf 3.3 is de ladder van duurzame verstedelijking beschouwd. Het plan past binnen de regionale woningbouwopgaven. Het appartementencomplex wordt op een inbreidingslocatie met oog op toekomstige, natuurvriendelijke en energiezuinige manier ontwikkeld. Er is derhalve sprake van zorgvuldig en efficiënt ruimtegebruik.
Daarmee is dit planvoornemen in lijn met de Verordening ruimte.
3.3 Gemeentelijk beleid Structuurvisie Verfrissend Boxtel In juli 2011 heeft de gemeenteraad van Boxtel de Structuurvisie Verfrissend Boxtel voor het gemeentelijk grondgebied vastgesteld. Hierin wordt een integrale visie gegeven op de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente. De visie bestaat ten eerste uit een Atlas, hierin wordt een inventarisatie van het huidige beleid gemaakt en een beschrijving van het huidige Boxtel gegeven. Vervolgens is een analyse gemaakt op vier integrale thema’s: wonen en leven, beleven, ondernemen en verbinden. Daaropvolgend zijn een agenda, welke de belangrijkste vraagstukken bevat, en een bedrijfsplan gemaakt. De vier thema’s vormen de rode draad van de visie. In het thema ‘wonen en leven’ wordt een voorwaardenkaart voor aangenaam leven geschetst, in het thema ‘beleven’ wordt een troevenkaart van Boxtel gegeven, in het thema ‘ondernemen’ wordt een kansenkaart voor vitaliteit geschetst en in het thema ‘verbinden’ wordt een vervlechtingskaart van duurzame relaties gegeven. In de structuurvisie wordt de nadruk gelegd op de ligging van Boxtel en de omringende dorpen in het Nationale Landschap Het Groene Woud. Beide entiteiten zijn onmiskenbaar aan elkaar gekoppeld, het wonen en werken kunnen daar direct van profiteren. Ondanks de wenselijke verschillen tussen de bebouwde kommen en het buitengebied, wordt juist ook gezocht naar overeenkomsten.
Hierbij wil de gemeente Boxtel de omgeving niet grondig in aanzien veranderen, maar de bestaande sterke punten
Hoofdstuk 3
18
van de gemeente beter benutten. Hiertoe worden in de structuurvisie onder andere een aantal concentratiegebieden aangegeven waar de voor de visie belangrijke projecten worden geplaatst. De woonomgeving in Boxtel is gevarieerd. De opgave voor het woningaanbod is te komen tot meer differentiatie en variatie. Onder andere via het organiseren van goed verspreide zorgvoorzieningen. De woningvraag in Boxtel leidt niet tot grootschalige uitbreidingen, maar eerder tot ‘afronden’ (met kleinschalige uitbreidingen) en ‘inbreiden’ en herstructureren. De leefomgeving kan nog beter worden uitgenut, onder andere door de openbare ruimte direct in te richten op het wonen. Doorwerking plangebied Met dit bestemmingsplan wordt een passende invulling gegeven aan een inbreidingslocatie in Boxtel. Het gebouw wordt met oog voor de kwaliteiten en waarden van De Kleine Aarde ontwikkeld. Stedenbouwkundig past het gebouw in de bouwwijze van In De Goede Aarde en Zonnegolven. Het plan komt tegemoet aan de beleidsdoelstellingen zoals opgenomen in de structuurvisie van de gemeente Boxtel. Boxtel 2020, duurzaam en dynamisch centrum in het Groene Woud In deze strategische visie (29 juni 2009) is aangegeven in welke richting Boxtel zich in de periode 2010-2020 verder wil ontwikkelen. De strategische visie is verwoord in zes ambities.
De ambities zijn ondersteund in de vele gesprekken die hebben plaatsgevonden en moeten worden voortgezet. De zes ambities zijn: 1. Boxtel blijft voorop met duurzaamheid; 2. Boxtel ontwikkelt toerisme en recreatie tot een volwaardige bedrijfstak; 3. Boxtel versterkt zijn positie als werkgelegenheidsgemeente; 4. Boxtel werkt aan een sterk centrum; 5. Boxtel is ook in 2020 een prima woongemeente; 6. Boxtel heeft een modern bestuur. Deze ambities zijn toegelicht in de zes hoofdstukken. Voor dit bestemmingsplan is ambitie vijf van belang. In de navolgende alinea wordt deze ambitie nader toegelicht. Boxtel, een prima woongemeente Tot 2020 groeit de eigen bevolking van Boxtel nog met 700 inwoners tot een totaal van 30.900. Voor deze groei alleen zijn ongeveer 300 woningen nodig. Een veel groter aantal, plusminus 900 woningen, is nodig om de nog steeds doorgaande gezinsverdunning op te vangen. De gemiddelde woningbezetting bedroeg in 2008 namelijk 2,47 en zal dalen naar ongeveer 2,30 in 2020. Voor de eigen bevolking zijn er dus opgeteld zo'n 1.200 woningen nodig. Doorwerking plangebied Met dit bestemmingsplan wordt invulling gegeven aan de eerste vijf pijlers van de visie. In het plangebied worden woningen van de toekomst gebouwd. Er wordt gebruik gemaakt van duurzame materialen en het gebouw wekt energie op. Daarnaast wordt de omgeving op een ecologisch verantwoorde manier ingericht.
Het initiatief is in lijn met de strategische visie.
Hoofdstuk 3
19
Woonvisie 2016-2025 Deze woonvisie vormt het vervolg op de woonvisie 2010-2014. Voor een belangrijk deel zijn de doelen bereikt door nieuwbouw en locatieontwikkeling, zij het niet altijd volledig door de economische crisis, stagnatie op de woningmarkt en tijd die het vroeg om plannen vlot te trekken. Boxtel legt in de nieuwe woonvisie de prioriteiten van het woonbeleid vast voor de periode 2016-2025. Naast een beschrijving van de plancapaciteit in de gemeente Boxtel analyseert de woonvisie ook de ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid van de verschillende wijken. In de Regionale Agenda Wonen wordt de netto-behoefte aan toevoeging van woningen in Boxtel in de periode 2015 tot 2025 geraamd op 1.315. Inclusief compensatie voor sloop zijn dat er 145 per jaar. Gemiddeld lag de bouwproductie in Boxtel de afgelopen tien jaar daar ruim onder. Zonder extra inspanningen kan Boxtel niet in de geraamde woningvraag voorzien, omdat plancapaciteit vooralsnog ontoereikend is. De gemeente is daarom altijd op zoek naar voldoende geschikte bouwlocaties en er is ruimte voor particuliere wooninitiatieven. De gemeente wil daarnaast met name inzetten op goedkope sociale huurwoningen voor starters, zodat de woningen beschikbaar blijven voor de doelgroep, en op het bouwen van innovatieve woonvormen.
Doorwerking plangebied Voor de wijken Munsel, In Goede Aarde en Selissen is het accent van nieuwe woningbouwprogrammering onder andere gelegd op ‘betaalbare koopwoningen voor starters met een middeninkomen’. Munsel wordt ervaren als ruim opgezette wijk met een accent voor duurdere koopwoningen. In Boxtel zelf is een te kort aan woningen en behoefte aan betaalbare sociale huurwoningen. Het beleid van woonstichting Joost is erop gericht om de huren van de nieuwbouw zo laag mogelijk te houden. Hierdoor worden in het plangebied kansen geboden voor starters, jongere alleenstaande en doorstromers. Daarnaast draagt het initiatief bij aan een verbetering van de ruimtelijke waarden ter plaatse. Gezien het voorgaande is het initiatief in lijn met de woonvisie. Beeldkwaliteit Het plangebied ligt volgens de Welstandsnota volledig in het gebied met thema ‘Historische kernen, linten en gemengde bebouwing, waar toetsingsniveau 1 geldt. Eén van de criteria gaat over de kapvorm: “Kappen vergelijkbaar met de omgeving”. De Munselse Hoeve als historisch lint wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van zadeldaken en een enkele mansardekap. Het beoogde appartementencomplex wat met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt wijkt af van de bebouwingstypologie aan de Munselse Hoeve en heeft daardoor niet een vergelijkbaar dak met de woningen aan deze straat.
De gemeente Boxtel heeft daarom het besluit genomen het plangebied welstandsvrij te maken. Het plangebied maakt namelijk onderdeel uit van De Kleine Aarde. De bebouwing die op dit terrein aanwezig is wijkt al reeds af van de bebouwing aan de Munselse Hoeve. Het bezoekerscentrum van de Kleine Aarde bijvoorbeeld, is voorzien van lessenaarsdaken met een flauwe helling. Om op de gewenste duurzame wijze het appartementencomplex te bouwen is de beoogde bouwvorm het meest gunstig. In groter verband past het appartementencomplex wel bij de (duurzame) ontwikkeling van Munsel, zoals de nieuwbouw aan Zonnegolven en Morgenstond.
Hoofdstuk 3
20
4.
MILIEUHYGIËNISCHE EN PLANOLOGISCHE VERANTWOORDING
Er bestaat een duidelijke relatie tussen het milieubeleid en de ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien het ruimtelijk en milieubeleid naar elkaar in de vorm van omgevingsbeleid. De milieukwaliteit is derhalve een belangrijke afweging bij de ontwikkeling van ruimtelijke functies. In dat verband dient bij de afweging bij de ontwikkeling van het al dan niet toelaten van bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen te worden onderzocht welke milieuaspecten daarbij een rol (kunnen) spelen. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op alle milieuaspecten.
4.1 Cultuurhistorie & Archeologie De kaders voor bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden wordt gevormd door de Erfgoedwet en het Bro. De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. In het Bro is bepaald dat in een ruimtelijk plan een beschrijving dient te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Het is daarmee dus verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. Cultuurhistorie De Kleine Aarde In 1972 werd het centrum De Kleine Aarde werd gesticht naar aanleiding van de zorgen die mensen hadden over de toenmalige toestand van het milieu en de verwachtingen voor de toekomst. Zij vonden dat er iets moest veranderen in hoe de mens met zijn omgeving omgaat en dat daartoe concrete alternatieven nodig waren.
Het was een centrum dat kleinschalige technieken ontwikkelde om het milieu te ontlasten. Het centrum ontwikkelde projecten op het gebied van wonen, energieopwekking, voedselproductie, afvalverwerking en besparingen op grondstoffen. Verder kon men er cursussen volgen op deze gebieden en onder meer leren hoe een windmolen te bouwen. Ook beheerde het centrum biologische tuinen en een vegetarische keuken. Door de jaren heen is verschillende bebouwing op het terrein ontwikkeld en beheerd. De bebouwing en het gebruik van het terrein zijn niet aangemerkt als cultuurhistorisch waardevolle elementen. Echter is het verhaal van De Kleine Aarde en de vroegere landelijke bekendheid van het centrum een wezenlijk en belangrijk onderdeel van Boxtel en de ontwikkeling van de omliggende nieuwbouwwijken. Onderhavig initiatief –de ontwikkeling van een duurzaam
Hoofdstuk 4
21
appartementsgebouw- biedt een groep nieuwe initiatiefnemers de financiële middelen om De Kleine Aarde weer een nieuw leven in te blazen. Het gebruik en de bebouwing van De Kleine Aarde kan hierdoor in stand worden gehouden en krijgt weer betekenis in Boxtel. Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Brabant De provincie Noord-Brabant heeft haar cultuurhistorische waardevolle gebieden en elementen aangegeven in de Cultuurhistorische Waardenkaart. Volgens deze kaart is de Munselse Hoeve aangemerkt als lijn van redelijk hoge waarden. Verder ligt het plangebied in de regio ‘De Meijerij’. De Meijerij bestaat uit verschillende dekzandruggen, beekdalen en dekzandvlaktes. Over grote oppervlakten ligt Brabants leem in de ondergrond. Het water van de beken (Essche Stroom, Beerze, Dommel en Aa) stroomt in de richting van 's-Hertogenbosch, waar een doorgang in de dekzandrug aanwezig is. In het verleden leidde deze situatie hier en daar tot problemen met de waterafvoer, waardoor natte broekgebieden, vennen en kleine veengebieden ontstonden. De Meierij wordt gekenmerkt door een kleinschalig mozaïek van oude en jonge ontginningslandschappen en woeste gronden. De Meierij wordt gekarakteriseerd door veel kleine dorpen, met ieder hun eigen karakter en relatie met het landschap. Ook zijn een aantal plattelandsdorpen uitgegroeid tot middelgrote steden of industriekernen.
Het plangebied betreft een onbebouwd gedeelte van het terrein van De Kleine Aarde. De te realiseren woningen met parkeerplaats passen binnen het karakter van het gebied en zoeken aansluiting bij de bestaande ruimtelijke bebouwingsstructuur in de omgeving. Het planvoornemen heeft derhalve geen negatieve invloed op de lijn van redelijk hoge waarden. Om deze reden zal het initiatief de cultuurhistorische waarden van de regio ook niet belemmeren. Archeologie De gemeente Boxtel heeft een Nota vastgesteld waarin het archeologisch beleid is opgenomen. In deze nota (Nota gemeentelijk archeologiebeleid Boxtel) is een kaart met een classificatie opgenomen. De classificatie gaat in op de mogelijkheid tot het aantreffen van archeologische vondsten. Voor het plangebied geldt een archeologische waarde 4. De gemeente Boxtel heeft deze classificatie doorvertaald in dubbelbestemmingen: bij bodemingrepen met een verstoringsoppervlakte groter dan 250 m 2 en dieper dan 0,4 meter beneden maaiveld is archeologisch onderzoek noodzakelijk. De verstoringsoppervlakte wordt met dit bestemmingsplan overschreden. In februari 2014 is daarom door ArcheoPro een verkennend archeologisch onderzoek voor het gehele terrein van De Kleine Aarde uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 1 bij deze toelichting gevoegd. Uit het onderzoek blijkt dat de bodem van het terrein op verschillende plekken is vestoord.
ArcheoPro heeft in onderstaande figuur de verstoringsdiepte in beeld gebracht. De locatie van het plangebied is blauw omlijnd. Daar bedraagt de verstoringsdiepte ca. 1 tot 1,5 m-mv. De fundering van het beoogde gebouw reikt tot ca. 0,6 m-mv. De voorgenomen ontwikkeling is derhalve niet van negatieve invloed op mogelijk aanwezige archeologische waarden. Mogelijk dat in de toekomst er initiatieven zijn om binnen het plangebied de gronden dieper te verstoren dan tussen de 1 en 1,5 m-mw. Ter bescherming van de archeologische waarden is daartoe een
Hoofdstuk 4
22
dubbelbestemming opgenomen in het plangebied. Die initiatieven dienen eerst archeologisch onderzocht te worden.
Figuur 4.1 Weergave verstoringsdiepte De Kleine Aarde met de locatie van de nieuwbouw in het plangebied blauw omlijnd.
4.2 Flora en fauna Bij ruimtelijke planvorming is een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Vanaf 1 januari 2017 geldt de nieuwe Wet natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. Er is een verschuiving opgetreden in de tabellen voor soortenbescherming. Sommige soorten worden beter beschermd, sommige soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft daarbij bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur). Doorwerking plangebied Aangezien het plangebied momenteel onbebouwd is kunnen de beoogde bouwmogelijkheden negatief effect hebben op eventuele natuurwaarden. Door middel van een verkennend flora- en faunaonder-
Hoofdstuk 4
23
zoek is een beoordeling gemaakt van de effecten die het plan zal hebben op beschermde natuurwaarden2. Hierdoor wordt duidelijk of het plan in overeenstemming is met de natuurwetgeving. De complete quickscan is opgenomen als bijlage 2. Gebiedsbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op ongeveer 3,6 kilometer afstand ten zuidwesten van het plangebied ligt. Dit betreft het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen. Doordat het plangebied buiten een Natura 2000-gebied ligt, kunnen alleen effecten optreden als gevolg van externe werking. Gezien de relatief grote afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en de (lokale) aard van de voorgenomen plannen binnen de kern van Boxtel is het redelijkerwijs uit te sluiten dat negatieve effecten ontstaan op Natura 2000-gebieden. Echter, vanwege de actuele stikstofproblematiek (uitspraak Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 23 mei 2019) is dit niet op voorhand uit te sluiten. Om deze reden is voor onderhavige ontwikkeling een Aerius berekening uitgevoerd voor de gebruiks- en aanlegfase van het beoogde appartementencomplex. Deze berekening is als separate bijlage bij dit bestemmingsplan opgenomen. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j.
Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura-2000 gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Het plangebied maakt geen deel uit van het NNB. Het dichtstbijzijnde gebied dat tot de NNB behoort ligt ongeveer 220 meter ten oosten van het plangebied; het Afwateringskanaal Boxtel. Het Afwateringskanaal Boxtel loopt parallel aan de A2 en dient als back-up bij een te veel aan water in Boxtel. De A2 bevindt zich tussen het plangebied en het afwateringskanaal. De Dommel, een laaglandbeek welke ook tot de NNB behoort, ligt ongeveer 700 meter ten noordenwesten van "De Kleine Aarde". De voorgenomen plannen zullen niet leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNB in de omgeving van het plangebied. De natuurdoelen die gelden voor de NNB-gebieden kunnen verwezenlijkt worden. Soortbescherming Het plangebied is mogelijk een geschikt woon- en verblijfsgebied van verschillende beschermde soorten. Het gaat hierbij om kleine marters (steenmarter, bunzing en wezel), reptielen (hagedis en hazelworm), amfibieën (alpenwatersalamander, kamsalamander, rugstreeppad en poelkikker) en vleermuizen. Om de impact van de plannen op het leefgebied van de marters, reptielen, amfibieën en vleermuizen in beeld te brengen is een nader ecologisch onderzoek uitgevoerd 3.
Uit het onderzoek (zie bijlage 3) is gebleken dat binnen het plangebied (onderdelen van) het leefgebied van beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming aanwezig zijn: land- en winterhabitat van poelkikker; voortplantings-, land- en winterhabitat van Alpenwatersalamander en leefgebied van wezel. 2 3
Quickscan Flora en Fauna De Kleine Aarde, Staro, kenmerk 18-0072 d.d. maart 2018 Nader ecologisch onderzoek De Kleine Aarde, Staro, kenmerk 18-0113, d.d. augustus 2018
Hoofdstuk 4
24
Door het uitvoeren van de voorgenomen plannen worden delen van het leefgebied van de beschermde soorten aangetast of vernietigd en worden mogelijk dieren verwond of gedood. Hiervoor is het verkrijgen vaneen ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Daarnaast is het noodzakelijk om voor de verschillende soorten een mitigatieplan op te stellen waarin de te nemen maatregelen worden opgenomen om de negatieve effecten op de soorten te kunnen voorkomen of verzachten. Dit mitigatieplan vormt een onderdeel van de ontheffingsaanvraag Wet natuurbescherming. De mitigerende maatregelen moeten zijn genomen en "werken" voordat het bestaande leefgebied of de verblijfplaats mag worden vernietigd. Door Gedeputeerde Staten is een ontheffing verleend (d.d. 31 mei 2019) voor onderhavige ontwikkeling. De ontheffing is als bijlage bij dit bestemmingsplan opgenomen. De Wet natuurbescherming vormt hierdoor geen belemmering voor onderhavige bestemmingsplanprocedure en voor de uiteindelijke omgevingsvergunning voor de (bouw)werkzaamheden.
4.3 Waterparagraaf Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets te doorlopen. Hierin dient inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente wateradvies in te winnen bij de waterbeheerder. De gemeente en het waterschap kunnen praktische afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. Voor ieder ruimtelijk plan is een formele watertoets noodzakelijk. De watertoets is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Door samenwerking met de verschillende bevoegdheden (Gemeente, Provincie, Waterschap, Rijk) wordt gestreefd naar een duurzaam watersysteem. Waterschap De Dommel Sinds maart 2015 is een gezamenlijke Keur door de Brabantse Waterschappen opgesteld. Op grond van de Keur zijn Algemene regels (Algemene regels Keur Waterschap De Dommel 2015) en een aantal Beleidsregels opgesteld. Door samenwerking met de verschillende bevoegdheden (Gemeente, Provincie, Waterschap, Rijk) wordt gestreefd naar een duurzaam watersysteem.
Waterbeheerplan ‘Waardevol Water’ Naast het beleidskader is in het Provinciaal Milieu- en Waterplan Noord-Brabant (2016 – 2021) ook het toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water opgenomen. Het ‘PMWP’ staat voor samenwerken aan Brabant waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving. Voorts zijn er in Nederland diverse waterschappen die zich richten op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. De waterbeheerders werken daarom integraal samen met gemeenten, die het beheer over de ruimtelijke ordening en openbare ruimte hebben, om deze doelstellingen te halen.
Hoofdstuk 4
25
Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap De Dommel. De doelen van het waterschap voor de periode van 2016 tot 2021 staan beschreven in het waterbeheerplan “Waardevol Water” en zijn gericht op een veilig en bewoonbaar beheergebied, voldoende, schoon, natuurlijk en recreatief water. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder nieuwbouwplannen, hanteert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Het Waterschap is verantwoordelijk voor het waterkeringenbeheer, het waterbeheer en het transporteren en zuiveren van afvalwater. In aansluiting op het landelijke beleid hanteert het Waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen onderzocht dient te worden hoe omgegaan wordt met het schone hemelwater. Het uitgangspunt is om ontwikkelingen hydrologisch neutraal uit te voeren. Kortom, het initiatief mag niet leiden tot een verandering in de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse en in de directe omgeving. Daarnaast is het streven om het schone en het verontreinigde water zoveel mogelijk te scheiden. Gemeente Boxtel Het gemeentelijk beleid van Boxtel is overeenkomstig met het beleid van het waterschap. Het gemeentelijk water en rioleringsbeleid van Boxtel is vastgelegd in het Gemeentelijk Rioleringsplan 2015-2019.
De belangrijkste aanpassing hierin ten opzichte van voorgaande gemeentelijke rioleringsplannen komt voort uit het in werking treden van de Wet verankering en bekostiging Gemeentelijk Watertaken. Gemeenten hebben daarin de verplichting om naast de zorgplicht voor inzamelen en transporteren van huishoudelijk afvalwater, ook de grondwater- en hemelwaterzorgplicht uit te werken en een plaats te geven. In de gemeente Boxtel wordt afvalwater en hemelwater in de meeste gebieden gemengd via de riolering afgevoerd. In nieuwere gebieden wordt neerslag bij hoge neerslagintensiteiten via een verbeterd gescheiden stelsel afgevoerd naar het oppervlaktewater. Bij lage intensiteiten wordt het afgevoerd naar de zuivering. In enkele gebieden in Boxtel is (een deel van) het verhard oppervlak afgekoppeld van het rioolstelsel en wordt het opgevangen regenwater geïnfiltreerd in de bodem of gebufferd in oppervlaktewater. Samen met de gemeente Sint-Michielsgestel en Waterschap De Dommel heeft de gemeente Boxtel een Watervisie opgesteld. Het plan biedt een overzicht van de maatregelen die genomen moeten worden voor een goed waterbeheer. Daarbij gaat het om maatregelen op de korte en de lange termijn. De Watervisie Boxtel is een afgeleide van het Waterplan en vormt als zodanig het kader voor de nadere uitwerking van onderliggende plannen, waaronder het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP).
De thema’s en streefbeelden uit het Waterplan zijn geëvalueerd en waar nodig in de visie geactualiseerd. Dit betekent onder meer dat er ‘hydrologisch neutraal’ moet worden gebouwd, conform de Hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen. Op planniveau geldt voor de herontwikkeling met een bijkomend verhard oppervlak kleiner dan 2.000 m² een vrijstelling voor de realisatie van de compensatie vanuit het waterschap maar kan door de gemeente een specifieke invulling afhankelijk van de mogelijkheden ter plaatse geëist worden.
Hoofdstuk 4
26
De gemeente kiest er bewust voor hemelwater lokaal te verwerken en te kiezen voor verwerking van hemelwater op particulier terrein. Op deze manier wordt goed gebruik gemaakt van de lokale deskundigheid en blijft het systeem in beheer bij de eigenaar. Compensatie geëist door de gemeente dient plaats te vinden volgens de voorkeursvolgorde: infiltreren, retentie binnen plangebied, retentie buiten plangebied of berging in bestaand watersysteem. Deze watertoets dient derhalve aangeleverd te worden ter goedkeuring aan het waterschap. Als een voorziening wordt aangelegd, kan een (indicatief) onderzoek naar de infiltratiecapaciteit van de bodem noodzakelijk zijn. In eerste instantie is de perceeleigenaar zelf verantwoordelijk voor de verwerking op zijn/haar terrein. Doorwerking plangebied Door Econsultancy is een rapportage watertoets opgesteld 4. Het rapport is als bijlage 4 bij dit bestemmingsplan opgenomen, hier volgen de resultaten van dit onderzoek. In deze waterparagraaf wordt nader ingegaan op de wijze waarop met de voorgenomen ontwikkeling op wateraspecten wordt omgegaan. Grondwater Het huidige maaiveld is gemiddeld gelegen op een hoogte van circa 7,3 m +NAP. De GHG is ingeschat op 6,5 m +NAP. De ontwatering zal ten aanzien van de (bouw)peilen in de toekomstige situatie voldoende zijn.
Geadviseerd wordt om de toekomstige bouwpeilen circa 20 cm hoger aan te leggen dan het naastgelegen wegpeil. Op basis van de grondwaterstanden en fluctuatie zullen inzake de ontwikkeling zowel voor, tijdens als wellicht na realisatie maatregelen genomen worden. Hemelwater Ten aanzien van het toekomstig verhard oppervlak wordt vooralsnog uitgegaan van een oppervlak van ± 1.150 m2 (met inbegrip van bijgebouwen, erf verharding en/of bestrating). De gronden ter plaatse van de nieuw te realiseren parkeerplaats in de zuidoostelijke hoek van het plangebied zijn nog reeds verhard. Die zijn dus niet meegenomen in deze berekening. Op basis van het toekomstig af te koppelen verhard oppervlak en de bergingseis bedraagt de waterbergingsopgave voor het plangebied in totaal circa 70 m3 (1.150 m2 x 0,06 m). In de toekomstige situatie zal het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) niet direct op het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) worden aangesloten maar separaat binnen het plangebied worden verwerkt. In de toekomstige situatie is een groendak voorzien ten aanzien van de buffering van hemelwater. Het dakoppervlak waar het groendak is voorzien bedraagt circa 670 m2. Dit komt neer op een beschikbare berging van circa 17 m 3. De resterende waterbergingsopgave welke elders in het plangebied geborgen dient te worden bedraagt nog 53 m3 (70 m3 - 17 m3).
Om inzicht te krijgen in het ruimtebeslag die bij een (potentiële) voorziening hoort, is een alternatief uitgewerkt waarbij het hemelwater wordt geborgen middels een wadi. Vanuit het groendak kan het overtollig hemelwater worden afgevoerd naar de wadi. Wanneer een wadi wordt aangelegd met een diepte van 0,5 meter en een talud van 1 op 3 is, uitgaande van
4
Rapportage watertoets Munselse Hoeve te Boxtel, Econsultancy, kenmerk 6920.003, d.d. 22 juni 2018
Hoofdstuk 4
27
een volledige vulling, 150 m 2 benodigd om de volledige wateropgave te kunnen bergen. In het plangebied is voldoende ruimte aanwezig om deze wateropgave te verwerken. Op basis van de bodemopbouw, textuur alsmede de resultaten van het doorlatendheidsonderzoek worden geen problemen verwacht met de lediging van het toekomstige systeem. Wel dient rekening te worden gehouden met de aanwezige leemlagen welke op circa 1,30 m -mv zijn gelegen. Afvalwater Bij nieuwbouw dient hemelwater en afvalwater gescheiden aangeleverd te worden. Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater toe nemen. Voor de berekening van het toekomstige aanbod en eventuele toename hierin, is voor de berekening uitgegaan van een gemiddeld verbruik van 120 liter per dag geproduceerd per IE. Per appartement wordt uitgegaan van een gemiddelde woningbezetting van 1,5 bewoners (bron: schetsontwerp en duurzaamheidsstudie De Kleine Aarde Boxtel). Dit betekent dat er dus 1,5 x 120 liter = 180 liter per dag per woning wordt geloosd. Conform het planontwerp zullen er in totaal 22 appartementen worden gerealiseerd. Dit komt overeen met een aanbod c.q. toename van circa 4 m 3 /dag. De berekening is gebaseerd op basis van aannames en betreft derhalve een indicatie van hoeveelheden.