11.c - Bijlage 2 Toelichting ontwerpbestemmingsplan Heilig Hartplein-Grote Molenstraat (1269988)
Tekst van het document
Uitgaande van 140 te slopen woningen die zullen worden herbouwd, betekent dit een netto opgave van 985 toe te voegen woningen. In de woonvisie wordt gesteld dat voor 242 woningen nog geen harde afspraken zijn vastgelegd. Dat betekent dat het aantal woningen dat nog aan het huidige woningbouwprogramma kan worden toegevoegd beperkt is (242 in tien jaar). Met deze laatste ruimte in de woningbouwprogrammering wil de gemeente zorgvuldig omgaan. De gemeente streeft naar een woningbouwprogramma dat aansluit bij de actuele vraag, maar ook bij de toekomstige vraag naar woningen. Dit betekent concreet de resterende woningbouwruimte in te vullen op basis van de volgende uitgangspunten: • Probeer de bestaande plannen waar mogelijk programmatisch te optimaliseren; • Bouw voornamelijk betaalbare woningen voor de lage en midden inkomens (vooral gericht op huur); • Bouw in het centrum (nabij voorzieningen) van de twee grotere kernen (SintMichielsgestel en Berlicum) voor senioren (koop en huur in verschillende klassen); • Bouw met mogelijkheden voor een flexibele invulling voor verschillende doelgroepen (levensloopbestendig). Doorwerking plan(gebied) Het plan geeft invulling aan het uitgangspunt om te bouwen met mogelijkheden voor een flexibele invulling voor verschillende doelgroepen.
Onderhavig plan wordt onder meer gerealiseerd om plaats te bieden aan betaalbare koopwoningen in het dorpscentrum van Den Dungen. Daarnaast wordt op het zuidelijke deel de ontwikkeling van koopwoningen in het wat duurdere segment mogelijk gemaakt. Door hier te kiezen voor kleinere vrijstaande woningen met hier rondom heen een kavel/tuin kunnen makkelijker levensloopbestendige woningen worden gebouwd.
35
Er is verder een geconstateerd tekort aan appartementen ten behoeve van jongeren en ouderen ten behoeve van doorstroming. Ouderen en jongeren willen ook graag in of in de nabijheid van het centrum wonen en verhuizing van ouderen zorgt voor doorstroming Het appartementencomplex krijgt twee liften waardoor de appartementen bij uitstek geschikt zijn voor senioren en mindervaliden. De (oude) woningbouwprognose per gemeente is niet meer (geheel) leidend. Gezien de achterstanden in de regionale woningbouwopgave, is voor goede plannen binnen de regio ruimte. Hiertoe zijn dan ook in september 2019 nieuwe regionale VHV-afspraken gemaakt: Pilot regionale afstemming woningbouwplannen. Daarin wordt regionaal ruim baan gegeven aan inbreiding, herstructurering en transformatieplannen. Deze plannen liggen binnen het bestaand stedelijk gebied, zoals dat is aangegeven in de provinciale Interim Omgevingsverordening. Daarbij gaan inbreidings-, herstructurerings- en transformatieplannen in principe voor uitbreidingsplannen. Het project wordt opgenomen in de Uitvoeringsnota Woningbouw 2021 en wordt gedeeld in het RRO Wonen Noordoost Brabant West. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Woonvisie 2016-2021 en Uitvoeringsnota Woningbouw 2021.
Woningbouw- en toetsingskader voor de dorpen Toetsingskader Het ‘Woningbouw- en toetsingskader voor de dorpen’ bevat een analyse van bestaand beleid en beschikbare gegevens betreffende de woningmarkt met als doel enerzijds duidelijk maken wat de meer specifieke woonbehoeften per dorp zijn. Anderzijds moet worden bepaald wat nodig is aan woningbouw per dorp om aan de behoeften op lange en korte termijn tegemoet te komen. Voor de dorpen wordt een richtinggevend woningbouwkader meegegeven, gericht op de doelgroepen starters, doorstromers en ouderen. Het richtinggevend woningbouwkader is vertaald naar de verschillende dorpen. Eén van de belangrijkste kernkwaliteiten van Den Dungen is het feit dat het dorp naam en faam heeft: men kan er wonen in een landelijk, groen en ‘beschermd’ woonmilieu, ook nog eens in de nabijheid van belangrijke voorzieningen. Hierdoor is Den Dungen ook in staat vestigers aan te trekken en te concurreren met ’s-Hertogenbosch en woonplaatsen als Vught, met name op een gunstiger prijs- kwaliteitverhouding. Er is behoorlijk wat keuze op de lokale woningmarkt. Waarvoor opgelet moet worden is dat de prijssprongen niet te groot worden, waardoor de woonconsument noodgedwongen moet blijven zitten waar hij zit. De sprongen van een rijwoning naar een tweekapper, of tweekapper naar vrijstaand, zijn substantieel. Aandacht voor meer prijsdiversiteit is gewenst.
De nog op stapel staande plannen zijn vrijwel allemaal inbreidingslocaties
36
met als gevolg dat er gestapeld wordt gebouwd en hetgeen grondgebonden wordt gerealiseerd een stenig karakter krijgt. Dit staat in contrast met de overwegend groene woonmilieus. Van belang is dat deze wat meer stedelijk dorpse nieuwbouwkwaliteit (relatief nieuw voor de gemeente) ook goed tot uitdrukking komt en zo toch kan concurreren met aanbod in de bestaande woningvoorraad. In kwantitatieve zin is gesteld dat er in de periode 2012 tot 2025 in Sint-Michielsgestel circa 380 woningen aan de woningvoorraad moeten worden toegevoegd. Doorwerking plan(gebied) Voor onderhavig planvoornemen is het Woningbouw- en toetsingskader voor de dorpen niet of nauwelijks relevant, aangezien er een uitbreiding van wooneenheden plaatsvindt binnen de dorpskern met stedelijke functie aan het Heilig Hartplein en de Grote Molenstraat. Tevens heeft onderhavig planvoornemen betrekking op een deels bestaand woonbestemming, waarbij enkel een intensivering van het gebruik van een reeds voor stedelijke functie bestemde gronden mogelijk wordt gemaakt. Er wordt slechts ten dele een nieuwe stedelijke functie toegevoegd. Deze komt in plaats van een agrarische functie, welke op deze plek in feite niet meer gewenst is. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in het Woningbouw- en toetsingskader voor de dorpen.
Klimaat en duurzaam De gemeente Sint-Michielsgestel wil zich naar de toekomst toe klimaatbestendig en duurzaam ontwikkelen. De gemeente Sint-Michielsgestel verlangt daarom van iedere bouwer een bijdrage in het milieuverantwoord bouwen. Uit ruimtelijk oogpunt bezien, is het belangrijk om te komen tot ‘duurzaam bouwen’. Duurzaam bouwen verhoogt de gebruikswaarde (functioneel), de belevingswaarde (vorm) en de toekomst (tijd) voor de bebouwde omgeving. Duurzaam bouwen is in dit geval te onderscheiden in stedenbouwkundig en bouwkundig duurzaam bouwen. Met het realiseren van het bouwplan wordt verder zoveel als mogelijk rekening gehouden met het uitgangspunt om te komen tot duurzaam bouwen. Dit komt onder meer tot uitdrukking in het gebruik van duurzame materialen bij nieuwbouw. Stedenbouwkundige duurzaamheid komt tot uitdrukking in de ruimtelijke opzet en inpassing van de bebouwing. Ruimtelijke kwaliteit vormt de voorwaarde voor een goed woonen leefmilieu. Belangrijk hierbij is het om de stedenbouwkundige structuur op een goede manier kenbaar te maken en te behouden. Slotconclusie gemeentelijk beleid Het plangebied aan het Heilig Hartplein-Grote Molenstraat is vanwege de ligging in een woonkern in beginsel bij uitstek geschikt voor het toevoegen van woningen.
Realisatie van de voorziene woningen betekent een verdere opvulling van het aanwezige bebouwingsstructuur, binnen een reeds bestaande woonkern. Er is sprake van verdichting van het centrumgebied van Den Dungen. Woningen zorgen voor draagvlak van (centrum)voorzieningen en vice versa (leefbaarheid).
37
5. Archeologie en cultuurhistorie Toetsingskader Doel van het archeologische onderzoek is het waar nodig beschermen van archeologische waarden en het streven naar behoud van de waarden in de bodem (in situ). De essentie van het archeologische onderzoek is het verkrijgen van gegevens over de archeologische resten in de bodem teneinde in een vroeg stadium een goede afweging te kunnen maken van alle bij een ruimtelijk besluit betrokken belangen. Het archeologische onderzoek is verankerd in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg uit 2007. De uitgangspunten van de wet zijn: • •
•
archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren en alleen opgraven als behoud in de bodem (in situ) niet mogelijk is; de initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling moet in een vroegtijdig stadium aangeven hoe met eventuele archeologische waarden bij bodemverstorende ingrepen zal worden omgegaan. Dit houdt in een verplichting tot vooronderzoek bij werkzaamheden die de grond gaan verstoren; bodemverstoorders betalen archeologisch onderzoek en mogelijke opgravingen. De kosten voor noodzakelijke archeologische werkzaamheden komen ten laste van de initiatiefnemer.
Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Bro gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. In de plantoelichting dient een beschrijving te worden opgenomen hoe rekening is gehouden met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De opsteller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Bij de afweging of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is, dient nagegaan te worden of er binnen of rondom het plangebied cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Het aanwezig zijn van deze waarden wil niet per definitie zeggen dat een bepaalde ruimtelijke
38
ontwikkeling niet realiseerbaar is, maar geeft wel aan dat zorgvuldig omgaan met deze waarden vereist is. Doorwerking plan(gebied) Cultuurhistorie Het cultuurhistorisch belang De bewoningsgeschiedenis en de inrichting van het gebied zijn in hoge mate bepaald door de natuurlijke terreingesteldheid. De indeling in agrarische gebruikseenheden (akkers, grasladen en woeste gronden) is op veel plaatsen nog goed herkenbaar. In combinatie met de dorpen en buurtschappen en de plaatselijk aanwezige kleinschaligheid verleent dit het gebied een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Twee andere aspecten die het landschap van de Meierij kenmerken zijn de landgoederen en buitenplaatsen en de populierenteelt. Landschappelijk gezien is Sint-Michielsgestel onderdeel van de Meierij en ten dele van het Groene Woud. Het gehele grondgebied van de gemeente bestaat uit cultuurhistorisch landschap. De Meierij is een gebied dat wordt getypeerd als een kleinschalige en afwisselend kampenlandschap met verspreide bebouwing, kleine essen en struwelen, akkers, grasland, afwaterings- sloten, veel houtsingels en laanbeplantingen. Vorengenoemde elementen maken integraal onderdeel uit van het historisch landschappelijk gebied. Archeologie Het plangebied valt binnen de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’.
Deze zone correspondeert grotendeels met een ‘hoge verwachting’, zoals aangegeven op de Archeologisch beleidsadvieskaart; zie navolgende uitsnede. De rode omlijningen geven de globale ligging van het plangebied weer.
39
Ten behoeve van het planvoornemen heeft Bureau voor Archeologie een archeologisch bureau- en inventariserend uitgevoerd. Aanbevolen wordt om in het oosten van deellocatie Heilig Hartplein graafwerkzaamheden dieper dan 80 cm -mv te vermijden. De betreffende zone is geel gemarkeerd in figuur 26 van het rapport. Bureau voor Archeologie adviseert de rest van deellocatie Heilig Hartplein en gehele deellocatie Grote Molenstraat vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. De integrale rapportage is als bijlage 1 opgenomen. Het selectieadvies is bijgevoegd als bijlage 1.1. Conclusie De boerderij aan de Grote Molenstraat 1a staat vermeld als MIP-pand. Dit pand wordt gesplitst en blijft voor het overige onaangetast. Het plangebied kent verder geen monumentale status of een anderszins vastgelegde beeldbepalende kwaliteit bezit. Daarmee kan worden geconcludeerd dat de aspecten archeologie en cultuurhistorie de realisatie van het bouwplan niet in de weg staan. Uit archeologisch en cultuurhistorisch perspectief zijn er – rekening houdend met het geen belemmeringen voor het (bouw)plan.
40
6. Flora en fauna en stikstofdepositie Toetsingskader Vanaf 1 januari 2017 geldt de Wet natuurbescherming (Wnb). In het Decentralisatieakkoord Natuur (PS2011-778) is afgesproken dat de wetgever de decentralisatie van rijkstaken in het landelijk gebied naar provincies formaliseert. Met de Wnb geeft het Rijk invulling aan de decentralisatieafspraken uit het Decentralisatieakkoord Natuur en het Natuurpact (PS2013-797). De Wnb is daarmee het sluitstuk van de decentralisatie van het natuurbeleid. Het huidige wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet, is vervangen door deze wet. Als (een wijziging van) een bestemmingsplan negatieve gevolgen heeft voor de Natura 2000-gebieden kan het plan in beginsel niet worden vastgesteld. In dat geval moet het bevoegd gezag volgens artikel 2.8 van de Wnb eerst een passende beoordeling opstellen. Uit de passende beoordeling moet blijken dat de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden niet aangetast worden door het plan. Eventueel worden maatregelen opgenomen die getroffen worden om dit te bereiken. Als niet aangetoond wordt dat aan de instandhoudingsdoelstellingen voldaan wordt, kan het plan geen doorgang vinden. Met behulp van een voortoets kan het bevoegd gezag bepalen of op voorhand negatieve gevolgen uit te sluiten zijn.
Hierbij moet voor de gewenste situatie worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden. Voor plannen die ten opzichte van de uitgangssituatie op het referentiemoment geen significante toename in stikstofdepositie veroorzaken, zijn negatieve effecten ten aanzien van dit aspect uit te sluiten. In dat geval hoeft geen passende beoordeling te worden opgesteld. Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019, kan de het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet meer worden gehanteerd als toetsingskader op grond van de Wet natuurbescherming. Inmiddels is een nieuwe versie van het rekenprogramma AERIUS uitgebracht. Met deze nieuwe tool is de depositie op natuurgebieden berekend. Hoe de resultaten worden beoordeeld is aan het bevoegd gezag. Doorwerking plan(gebied) Ten behoeve van het planvoornemen heeft BRO een oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna aan het Heilig Hartplein 12 en 14 uitgevoerd. Hierna zijn de conclusie en aanbevelingen uit het oriënterend onderzoek letterlijk overgenomen. De integrale rapportage is als bijlage 2 opgenomen. Op basis van de quickscan wordt vervolgonderzoek naar het voorkomen van verschillende soortgroepen of effecten op beschermde gebieden niet noodzakelijk geacht. Evenmin is er sprake van een noodzaak tot het indienen van een ontheffingsaanvraag voor
41
overtreding van verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming ten aanzien van soorten dan wel een vergunningsaanvraag in het kader van gebiedsbescherming. Het onderdeel houtopstanden is bij dit plan niet aan de orde. •
Ten behoeve van (incidenteel) aanwezige algemene soorten dient de zorgplicht in acht te worden genomen.
Op basis van onderhavige quickscan wordt vervolgonderzoek naar effecten op beschermde gebieden (Natura 2000/NNB niet noodzakelijk geacht. Evenmin is er sprake van een noodzaak tot het indienen van een ontheffingsaanvraag ten aanzien van houtopstanden dan wel een vergunningsaanvraag in het kader van gebiedsbescherming. Aanbevelingen Het te slopen gebouw biedt in de huidige situatie geen vaste nest- en verblijfsmogelijkheden voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen, terwijl de ligging en omgeving van het plangebied zich hier wel voor lenen. Met een geringe inspanning, bijvoorbeeld door het inbouwen van neststenen of vleermuiskasten en/of de dakranden/spouwmuren toegankelijk te maken, kan de nieuwbouw wel gaan fungeren als vaste rust- en verblijfplaats voor huismussen, gierzwaluwen en/of vleermuizen. Gelet op het steeds verder verdwijnen van broed- en verblijfsgelegenheid kunnen relatief eenvoudige maatregelen een positief effect hebben op de lokale populatie van een soort. Vogelbescherming Nederland heeft samen met BAM Utiliteitsbouw een checklist ontwikkeld, waarmee een bouwonderneming zijn projecten en de directe omgeving natuurvriendelijker kan maken. Door middel van het beantwoorden van enkele ja/nee vragen, kunnen eenvoudige maatregelen worden toegepast die goed zijn voor de stadsnatuur en speciaal voor vogels.
Deze checklist is voor iedereen gratis te downloaden van de website van Vogelbescherming (www.vogelbescherming.nl/checklist/). Daarnaast is er tevens een brochure beschikbaar omtrent het vleermuisvriendelijk bouwen. Deze brochure is onder andere te vinden op de website van de Zoogdiervereniging (www.zoogdiervereniging.nl/brochureverschenen-over-vleermuisvriendelijk-bouwen/).
Ten behoeve van het planvoornemen heeft BRO een oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna aan de Grote Molenstraat 1A uitgevoerd. Hierna is de conclusie uit het oriënterend onderzoek letterlijk overgenomen. De integrale rapportage is als bijlage 3 opgenomen.
Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale na-tuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen: • Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van opgaand groen en de sloop van de gebouwen buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten;
42
•
In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.
Ten aanzien van een mogelijke stikstofdepositie door toedoen van als gevolg van de aanleg- en gebruiksfase in het kader van onderhavige ontwikkeling, heeft De Roever Omgevingsadvies een onderzoek uitgevoerd naar de met de ontwikkeling samengaande mogelijke stikstofdepositie. In dit stikstofdepositie-onderzoek is, voor de aanleg- en gebruiksfase van het gewenste plan de te verwachten stikstofdepositie ter plaatse van de Natura 2000-gebieden berekend. Uit de berekening blijkt dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn. De integrale rapportage is als bijlage 4 opgenomen. Conclusie De realisatie van het bouwplan leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Vanuit het oogpunt van flora en fauna en stikstofdepositie zijn er geen belemmeringen voor het (bestemmings)plan.
43
7. Water Toetsingskader Bij de watertoets gaat het om het verantwoorden van de waterhuishoudelijke aspecten bij ruimtelijke plannen en besluiten. Met behulp van de watertoets wordt er naar gestreefd om het waterhuishoudkundig aspect in combinatie met het ruimtelijke beleid toe te passen op het beoogde plangebied, waarbij op basis van de voorgenomen ontwikkelingen gezocht is naar een hydrologisch neutrale oplossingsrichting. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 5.1.3 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit besluit verplicht tot het opnemen van ‘een beschrijving van de wijze waarop in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding’ in de toelichting van ruimtelijke plannen van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening. Het uiteindelijke doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Het waterschap heeft een beleidsnota met uitgangspunten ten behoeve van de watertoets.
Hierbij staan de volgende principes centraal: • wateroverlastvrij bestemmen; • gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater; • doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer’; • hydrologisch neutraal bouwen; • water als kans; • meervoudig ruimtegebruik; • voorkomen van vervuiling • rekening houden met waterschapsbelangen. De voornoemde principes liggen in lijn met het landelijke beleid ten aanzien van de watertoets. Gestreefd dient te worden naar een waterhuishoudkundig minimaal gelijkwaardige situatie. Het belangrijkste gegeven is het geohydrologisch compenseren van een eventuele toename van verharde oppervlakte, waardoor hemelwater versneld kan worden afgevoerd. Het Waterschap Aa en Maas maakt gebruik van recent waterrelevant beleid en regelgeving. De huidige en toekomstige situatie van het plangebied en gebiedsspecifieke waterbelangen zijn van belang voor de waterparagraaf. Doorwerking plan(gebied) Ten behoeve van het planvoornemen heeft MILON een watertoets uitgevoerd. Hierna zijn de samenvatting en conclusies uit het onderzoek letterlijk overgenomen. De integrale watertoets is als bijlage 5 opgenomen.
44
Onderzoekslocatie Het project betreft twee deellocaties. De eerste locatie is gelegen aan de Grote Molenstraat 1A (deellocatie zuid) en betreft het perceel kadastraal bekend als gemeente SintMichielsgestel, sectie K met nummer 200. Deze locatie heeft een oppervlakte van circa 600 m². De tweede locatie betreft het Heilig Hartplein 12-14 (deellocatie noord) en betreft de percelen die kadastraal bekend zijn als gemeente Den Dungen, sectie D met nummers 656 en 657. De locatie heeft een oppervlakte van circa 951 m². Beide locaties zijn in de huidige situatie volledig verhard. Watertoets Tabel: verhardingssituatie huidige en toekomstige situatie deellocatie zuid
Voor de berekening is als uitgangpunt gehanteerd dat de helft van de toekomstige woonkavels onverhard zullen zijn. De ontwikkeling op de onderzoekslocatie heeft, zoals blijkt uit de tabel, tot gevolg dat het verhard oppervlak afneemt met 219 m2. Tabel: verhardingssituatie huidige en toekomstige situatie deellocatie noord
Het perceel is zowel in de huidige als toekomstige situatie volledig verhard. Het aantal vierkante meters verhard oppervlak blijft dus 951 m2. Gezien het verhard oppervlak in de toekomstige situatie niet toeneemt hoeft er vanuit de gemeente Sint-Michielsgestel geen invulling te worden gegeven aan de bergingsopgave.
Conclusie Er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Aanvullende maatregelen of voorzieningen zijn niet nodig. Vanuit hydrologisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor het (bestemmings)plan.
45
8. Milieu-hygiënische verantwoording 8.1 Inleiding Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De beleidsvelden groeien naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de afweging van het al dan niet toelaten van bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Tevens is het van belang milieubelastende functies, zoals bedrijfsactiviteiten, ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies, zoals woningen. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de milieu- en ruimtelijke aspecten die van belang zijn voor de te ontwikkelen gronden. De resultaten van de onderzoeken naar de milieukundige haalbaarheid worden beschreven en er wordt aan de andere – ruimtelijk relevante – waarden en omgevingsaspecten, zoals verkeer en mobiliteit, getoetst. Tot slot wordt inhoudelijk ingegaan op de ruimtelijke inpassing en de beeldkwaliteit van het plan. De thema’s die aan bod komen, hebben direct of indirect betrekking op de voorgenomen planontwikkeling.
8.2 M.e.r.-beoordeling Toetsingskader Het Besluit Mer is per 1 juli 2017 gewijzigd. De nieuwe beoordelingssystematiek moet worden toegepast en worden omschreven. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die onder de drempelwaarden van kolom 2 vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een m.e.r. nodig. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus altijd nodig als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst en die onder de drempelwaarden liggen. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling gelden twee voorwaarden: 1. het gaat over één of meer activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r.; 2. de omvang van al die activiteit(en) ligt onder de drempelwaarde (kolom 2 van de D-lijst). Bij besluiten en plannen over activiteiten die niet op de D-lijst staan, is de vormvrije m.e.r.-beoordeling dus niet nodig.
46
In de bijlage bij het Besluit MER is opgenomen welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling kan aandacht worden besteed aan het volgende: • een globale beschrijving van de ingreep-effectrelaties en dosis-effectrelaties van de voorgenomen activiteit; • wat zijn maatgevende effecten van de voorgenomen activiteit? Is er sprake van emissies (bijvoorbeeld van geluid, lucht), verkeersaantrekkende werking e.d.? Wat is het ruimtebeslag? • wat is de afstand van de activiteit(en) tot gebieden die gevoelig zijn? • zijn er met betrekking tot de activiteit indicatieve invloedsafstanden bekend? (bijvoorbeeld uit het ‘groene boekje’) • waarvoor zijn de gebieden gevoelig? Heeft de voorgenomen activiteit daar invloed op? Doorwerking plan(gebied) In de bijlage bij het Besluit MER is opgenomen welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn. 1. In het plangebied worden woningen mogelijk gemaakt.
Er is echter geen sprake van een overschrijding van de drempelwaarden uit lijst C en D van het Besluit m.e.r. Een m.e.r.-beoordeling is immers pas noodzakelijk voor de bouw van meer dan 2.000 woningen in aaneengesloten gebied (lijst D, categorie 11.2). 2. In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Het plangebied behoort niet tot een dergelijk gebied. 3. In dit hoofdstuk, ‘Milieu-hygiënische verantwoording’, worden de verschillende milieueffecten beschouwd, zoals geluid en luchtkwaliteit. Hieruit blijkt dat er door onderhavig bestemmingsplan geen sprake zal zijn van nadelige milieugevolgen. Zoals in bovenstaande opsomming blijkt, is het niet noodzakelijk om een m.e.r.-beoordeling uit te voeren in het kader van dit project. Conclusie Gelet op kleinschalige karakter van het plan in vergelijking met de plandrempels uit het Besluit m.e.r. en de ligging van het plangebied (niet in de buurt van een Natura 2000 gebied) en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de milieutoets van de verschillende milieuaspecten, zoals deze in de overige paragrafen zijn opgenomen.
In het kader van de planprocedure is dan ook geen m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r. Wel is een vormvrije m.e.r.-aanmeldnotitie noodzakelijk. Deze is als bijlage 6 bij het bestemmingsplan gevoegd.
47
8.3 Bodem Toetsingskader Het doel van de bodemtoets bij ruimtelijke plannen is de bescherming van de bodem. Een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de bodem geschikt is voor de geplande functie en of er sprake is van een eventuele saneringsnoodzaak. De wet bepaalt dat bij een ruimtelijk plan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Doorwerking plan(gebied) Ten behoeve van het planvoornemen heeft Terra Milieu – ter plaatse van de locatie Heilig Hartplein 12+14 – een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de conclusies en aanbevelingen uit het onderzoek letterlijk overgenomen. De integrale rapportage is als bijlage 7 opgenomen.
Conclusies en aanbevelingen Op basis van het uitgevoerde onderzoek en de analyseresultaten kan worden geconcludeerd dat in de bodem verhogingen van kobalt, koper, kwik, lood, zink en PAK ten opzichte van de achtergrondwaarde worden aangetroffen. In het grondwater worden geen verhogingen van de onderzochte parameters ten opzichte van de streefwaarde aangetroffen. De locatie kan daarom niet meer als onverdacht worden beschouwd, de resultaten van het bodemonderzoek geven echter geen aanleiding om een nieuw onderzoek met een gewijzigde onderzoeksstrategie uit te voeren. Verhogingen ten opzichte van de achtergrondwaarde, respectievelijk de streefwaarde worden vaker aangetroffen tijdens bodemonderzoeken en geven geen bezwaar voor het geplande gebruik van de locatie. Op basis van dit bodemonderzoek zijn er geen belemmeringen met betrekking tot huidige en/of toekomstige gebruik van locatie. Ten behoeve van het planvoornemen heeft Terra Milieu – ter plaatse van de locatie Grote Molenstraat 1 – een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de conclusies en aanbevelingen uit het onderzoek letterlijk overgenomen. De integrale rapportage is als bijlage 8 opgenomen.
Op basis van het uitgevoerde onderzoek en de analyseresultaten kan worden geconcludeerd dat in de grond verhogingen van lood ten opzichte van de achtergrondwaarde worden aangetroffen. In het grondwater worden verhogingen van barium en cadmium ten opzichte van de streefwaarde aangetroffen. De locatie kan daarom niet meer als onverdacht worden beschouwd, de resultaten van het bodemonderzoek geven echter geen aanleiding om een nieuw onderzoek met een gewijzigde onderzoeksstrategie uit te voeren. Verhogingen ten opzichte van de achtergrondwaarde, respectievelijk de streefwaarde worden vaker aangetroffen tijdens bodemonderzoeken en geven geen bezwaar
48
voor het geplande gebruik van de locatie. Op basis van de resultaten van dit bodemonderzoek zijn er geen bezwaren voor het huidige en/of toekomstige gebruik van de locatie.
▪
▪
▪
Wat betreft de asbestverdachte dakbeplating. Onder deze afwatering zijn voor een groot deel tegels aanwezig. Hier is wel beplanting aanwezig, dus mogelijk is er een minimale strook onverhard. Het is zo dat deze afwateringszone buiten de onderzoekslocatie is gelegen, de onderzoekslocatie is bepaald op basis van de verkregen tekeningen. Op het noordelijke pand is ook asbestverdacht plaatmateriaal aanwezig. Deze locatie valt binnen de onderzoekslocatie waardoor hier mogelijk asbest ter plaatse van de afwatering in de bodem terecht is gekomen. Het is zinvol om eerst middels een benodigde inventarisatie na te gaan of het asbest betreft, voordat hier een onderzoek naar asbest uitgevoerd wordt. De rapportage had melding moeten maken van de zichtbaar aanwezige lekkage. De betreffende veldwerker heeft deze opgemerkt en heeft hier een tegel verwijderd van waaruit zichtbaar was dat de lekkage de bodem niet had bereikt. Vervolgens heeft hij de bodem zeer zorgvuldig beoordeeld middels een olie-water reactie waar ook geen bijzonderheden uit naar voren zijn gekomen. Helaas heeft hij deze stappen per abuis niet genoteerd waardoor ze niet in het rapport terug komen. De bovengrond van de betreffende boring B02 is vervolgens ongemengd in het mengmonster van de bovengrond.
Mocht het noordelijke pand welke eveneens geen dakgoot lijkt te hebben, een asbest houdend dak hebben en daarbij de druppelzone onverhard zijn, dan moet dat wel nader worden onderzocht. Dat nader onderzoek kan dan worden uitgevoerd in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning.
Conclusie Het aspect bodem(kwaliteit) staat – rekening houden met voormelde punten – niet in de weg aan de verdere planvorming.
8.4 Geluid (wegverkeerslawaai) Toetsingskader Bij de realisatie van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen, in de nabijheid van wegen dient in het bestemmingsplan aandacht besteed te worden aan de akoestische omstandigheden. De gevels van de woningen ondervinden namelijk een geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer in de omgeving. De verplichting tot uitvoering van een akoestisch onderzoek is vastgelegd in de Wet geluidhinder. De Wet geluidhinder bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. De Wet geluidhinder geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan, indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van een bestaande geluidbron of indien het plan een nieuwe geluidbron mogelijk maakt.
49
De Wet geluidhinder bepaalt in hoeverre het bouwen op een locatie is toegestaan, het Bouwbesluit bevat onder meer eisen die aan de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van het gebouw worden gesteld. Deze worden onder meer bepaald door de hoogte van de geluidbelasting, het type buitengeluid en de gebruiksfunctie. Doorwerking plan(gebied) Wegverkeerslawaai De volgende objecten worden in Wet geluidhinder beschermd: • woningen; • andere geluidgevoelige gebouwen; • geluidgevoelige terreinen. Wegverkeerslawaai Ten behoeve van het planvoornemen heeft De Roever Omgevingsadvies een onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hierna zijn de conclusies van het onderzoek letterlijk overgenomen. De integrale rapportage is als bijlage 9 opgenomen.
In dit onderzoek is de geluidbelasting vanwege het wegverkeerslawaai berekend voor het gewenste appartementencomplex op het Heilig Hartplein 12+14 en drie woningen aan de Grote Molenstraat 1 en 1A in Den Dungen. Hogere waarden Een hogere waarde is nodig voor het appartementencomplex door het wegverkeersgeluid afkomstig van het Maaskantje. De berekende geluidbelasting bedraagt maximaal 55 dB. Maatregelen worden niet doelmatig geacht, zie paragraaf 3.7. Het verlenen van hogere waarden wordt mogelijk geacht wanneer aangetoond wordt dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat binnen de gewenste appartementen. Voor de woningen is er geen hogere waarde nodig. Bouwbesluit en woon- en leefklimaat Benodigde gevelwering (wegverkeerslawaai) De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt ten hoogste 67 dB voor het gewenste appartementencomplex en ten hoogste 53 dB voor de woningen. Voor de geveldelen van het gewenste appartementencomplex bedraagt de vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k dan maximaal 67 - 33 = 34 dB. Het bevoegd gezag zal bepalen of een nader onderzoek naar de geluidwering van de desbetreffende gevels noodzakelijk is. Voor de geveldelen van de gewenste woningen bedraagt de vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k dan maximaal 53 - 33 = 20 dB. Deze geluidwering wordt in het Bouwbesluit standaard geëist.
Een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels is niet nodig.
50
Woon- en leefklimaat De milieukwaliteit voor het appartementencomplex wordt geclassificeerd als ‘zeer goed’ tot ‘zeer slecht’. Op basis van de toelichting in paragraaf 3.8.1 en 3.8.2 kan gesteld worden dat er toch sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat wanneer voldaan wordt aan de benodigde gevelwering zoals weergegeven in tabel 5. De milieukwaliteit voor de woningen wordt geclassificeerd als ‘zeer goed’ tot ‘redelijk. Het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de woningen kan als acceptabel worden aangemerkt. Op basis van de toelichting in paragraaf 3.8.1 en 3.8.2 kan gesteld worden dat de cumulatieve geluidbelasting (wegverkeer) een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de woningen niet in de weg staat.
Industrielawaai In de directe omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven gelegen die geluidhinder kunnen veroorzaken. Het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van het plangebied is derhalve gewaarborgd. De akoestische gevolgen van overige bedrijfsactiviteiten in de omgeving van het plangebied komen in paragraaf 8.5 (milieuzonering) aan de orde. Spoorweglawaai In de directe omgeving van het plangebied is geen actieve spoorlijn gelegen. Nader onderzoek naar de gevolgen van spoorweglawaai is derhalve niet noodzakelijk. Vliegtuiglawaai Het plangebied is niet gelegen nabij een (militair) vliegveld. Nader onderzoek naar de gevolgen van vliegtuiglawaai is derhalve niet noodzakelijk. Stiltegebieden Blijkens de kaarten, behorend bij de Milieuverordening Noord-Brabant, is het plangebied niet gelegen in of nabij een stiltecentrum. Conclusie Vanuit akoestisch oogpunt levert het (bestemming)plan – na het doorlopen van een hogere waarden procedure – geen belemmeringen op. Het ontwerp besluit hogere grenswaarden en de aanvraag hiertoe zijn respectievelijk als bijlage 9.1 en bijlage 9.2 opgenomen.
8.5 Milieuzonering (geur en industrielawaai) Toetsingskader Het doel van milieuzonering is om te komen tot een optimale kwaliteit van de leefomgeving. Instrumenten van ruimtelijke ordening en milieu kunnen elkaar daarbij ondersteunen. Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen, onderscheidt de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in haar brochure Bedrijven en Milieuzonering (2009) twee omgevingstypen: 1. omgevingstype rustige woonwijk of rustig buitengebied; 2. omgevingstype gemengd gebied.
51
Ad. 1 Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. Ad. 2 Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Vervolgens worden in de brochure, op basis van een aantal factoren (geur, stof, geluid en gevaar), richtafstanden genoemd tussen verschillende bedrijfstypen en omgevingstype ‘rustige woonwijk’ of ‘rustig buitengebied’, waarmee gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening kunnen houden. Indien sprake is van het omgevingstype ‘gemengd gebied’, dan kunnen de richtafstanden – zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat en het functioneren van bedrijven – met één afstandsstap worden verlaagd.
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een intensieve veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object, bijvoorbeeld een woning. De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Doorwerking plan(gebied) Geurhinder (Wgv) en milieuzonering (categorie-indeling bedrijven) Ten behoeve van het planvoornemen heeft De Roever Omgevingsadvies een onderzoek bedrijven en milieuzonering uitgevoerd. Hierna zijn de conclusies van het onderzoek letterlijk overgenomen. De integrale rapportage is als bijlage 10 opgenomen.
In dit onderzoek zijn de richtafstanden van de milieubelastende functies rondom het plangebied aan Grote Molenstraat 1 en 1A Sint-Michielsgestel onderzocht. In hoofdstuk 3 is toegelicht dat het plangebied buiten de richtafstanden behorende bij alle milieubelastende functies in de omgeving ligt. Gesteld kan worden dat ten aanzien van milieubelastende functies in de omgeving sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied en dat door het plan de belangen van die functies niet worden geschaad.
52
In en nabij het plangebied zijn geen bedrijven gelegen die conform de richtafstanden uit de voormelde VNG-brochure een belemmering zouden kunnen vormen voor de planvorming (en andersom). Naast de ruimtelijke ordeningaspecten is verder het Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer (Barim/Wm/Bor) van toepassing. In dit besluit zijn voorschriften opgenomen waaraan de bedrijven zich dienen te houden om schade, gevaar of hinder naar de omgeving te voorkomen of zo veel mogelijk te beperken. Op relatief korte afstand van het plangebied bevinden zich fruitteeltbedrijven. Belemmeringen in verband met de aanwezigheid van spuitzones zijn niet aan de orde vanwege reeds aanwezige representatieve gevoelige bestemmingen/woonbebouwing. Op basis van bovenstaande constatering kan worden gesteld dat in de nabijheid van het plangebied geen sprake is van geen bedrijvigheid welke een mogelijke belemmering vormt voor het initiatief. Daarnaast levert het initiatief ook geen belemmering op voor omliggende bedrijven en woonfuncties. Conclusie Dit betekent dat er vanuit het aspect milieuzonering geen belemmeringen zijn voor het bestemmingsplan.
8.6 Luchtkwaliteit Toetsingskader Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen decennia in Nederland is verbeterd, voldoet ze nog steeds niet overal aan de normen. Met name fijn stof en stikstofdioxiden leveren problemen op. Het doel van het luchtkwaliteitsonderzoek is het geven van inzicht in de gevolgen van een plan voor de luchtkwaliteit om een goede luchtkwaliteit te kunnen garanderen. Daarom moet luchtkwaliteit al in een vroeg stadium van de planvorming worden meegewogen. Gegevens over de luchtkwaliteit worden verzameld om vervolgens te kunnen bepalen of er voor het doorgaan van het project al dan niet aanvullende maatregelen nodig zijn. In de praktijk zullen met name fijn stof en stikstofdioxiden moeten worden onderzocht. Daarnaast kan een goede ruimtelijke ordening met zich brengen dat een afweging wordt gemaakt rondom de aanvaardbaarheid van een project op een bepaalde locatie.
De luchtkwaliteit hoeft (artikel 5.16 Wet milieubeheer) geen belemmering te vormen voor ruimtelijke ontwikkelingen als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een plan of project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt; • een project per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) dat tevens voorziet in maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren.
53
De luchtkwaliteit komt voort uit Europese wet- en regelgeving en de hoofdlijnen van de regelgeving zijn opgenomen in de Wet milieubeheer. In de Nederlandse wetgeving is opgenomen dat in het geval van ruimtelijke ontwikkelingen beoordeelt moet worden welk effect de gewenste ontwikkeling heeft op de luchtkwaliteit. Er zijn echter situaties waarin een ontwikkeling ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan (de verslechtering) van de luchtkwaliteit. In het besluit ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en in de regeling ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (Regeling NIBM) is aangegeven in welke gevallen hiervan sprake is. Concreet is in het Besluit NIBM vastgelegd in welke gevallen een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een ontwikkeling is NIBM als aannemelijk is gemaakt dat de ontwikkeling een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die sowieso niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. Op 15 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden die toeziet op het beschermen van bepaalde gevoelige groepen mensen (bijvoorbeeld kinderen, ouderen en zieken). De intentie van het Besluit gevoelige bestemmingen is dat bepaalde gebouwen (bijvoorbeeld scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en verzorgingstehuizen) niet meer worden gebouwd in gebieden waar de normen worden overschreden. Doorwerking plan(gebied) Plannen hebben pas een negatief effect op de luchtkwaliteit, zodra de verkeersgeneratie in ruime mate toeneemt. Ter vergelijking; een effect op de luchtkwaliteit hoeft pas aangetoond te worden als de bouw van 1.500 woningen of 66.667 m² kantoor en de daarmee gepaard gaande verkeersgeneratie plaatsvindt. Onderhavig plan heeft uiteraard een veel lagere verkeersaantrekkende functie dan 1.500 nieuwe woningen of 66.667 m² nieuw kantooroppervlakte. Hierdoor valt het plan ruim onder de 3% grens voor PM10 of NO2. Het plan draagt dan ook ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging.
Gesteld kan worden dat de luchtkwaliteit zal voldoen aan de grenswaarden en dat de luchtkwaliteit verder geen belemmeringen vormt voor de te volgen procedure. Het plan voldoet aan de uitvoeringsregels uit het Besluit Nibm en de Regeling Nibm. Aanvullende berekeningen zijn in het kader van het aspect luchtkwaliteit niet aan de orde. Het aspect luchtkwaliteit levert derhalve geen beperking en/of belemmeringen op voor de planontwikkeling.
54
Verder geldt dat het plangebied niet is gelegen binnen een zone van 300 meter vanaf de rand van een Rijksweg en ook niet (meer) binnen een zone van 50 meter vanaf de rand van een provinciale weg. Hier kan nog aan worden toegevoegd dat woningen niet als ‘gevoelige bestemmingen’ gezien, zodat het Besluit gevoelige bestemmingen niet van toepassing is. Het plan heeft geen negatieve invloed op de heersende achtergrondconcentraties luchtverontreinigende stoffen in de directe omgeving van het plangebied. Andersom hebben de heersende achtergrondconcentraties luchtverontreinigende stoffen in Den Dungen ook geen negatieve invloed op het plangebied. Ter toelichting kan worden vermeld dat de huidige luchtkwaliteit nabij het plangebied globaal afgeleid kan worden uit beschikbare informatie aan de hand van: • het aantal dagen met een daggemiddelde concentratie fijnstof (PM10) boven 50 μg/m3; • de grenswaarde voor jaargemiddelde fijnstofconcentratie van 40 μg/m 3; • de jaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide (40 μg NO2/m 3). Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het plan.
(bron: www.rivm.nl) Conclusie Het bestemmingsplan zelf biedt daarmee geen mogelijkheden om overschrijdingen teniet te doen, noch staat het plan het bereiken van de algemene doelstelling voor luchtkwaliteit in de weg. De realisatie van het bestemmingsplan houdt geen juridisch relevante verslechtering in voor de luchtkwaliteit.
55
8.7 Externe veiligheid, kabels en leidingen Toetsingskader Het externe veiligheidsbeleid is bedoeld om de risico’s voor de omgeving ten aanzien van handelingen met gevaarlijke stoffen te beperken en te beheersen. De wetgeving is gericht op het gebruiken, opslaan en productie van gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen, als wel het transport van gevaarlijke stoffen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn de richtlijnen ten aanzien van inrichtingen opgenomen. Daarnaast zijn er richtlijnen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. In deze regelgeving is de verplichting opgenomen om in ruimtelijke plannen de ontwikkelingen te toetsen op het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Externe veiligheid heeft dus betrekking op situaties waar iets mis zou kunnen gaan met gevaarlijke stoffen, waardoor mensen gevaar lopen. Voorbeelden van risicobronnen en risicovolle activiteiten zijn: productie, gebruik of opslag en transport van gevaarlijke stoffen (LPG-tankstations en fabrieken, routes voor gevaarlijke stoffen, leidingen). Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat een onbeschermd individu overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit plaatsgebonden risico wordt vertaald naar een risicocontour rondom een risicobron (bijvoorbeeld een inrichting of een weg).
De maatgevende grens is de 10-6 contour, dit is de kans van 1 op 1 miljoen dat een onbeschermd persoon omkomt per jaar. Groepsrisico Het groepsrisico is de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico is bedoeld om een inschatting te maken ten aanzien van de maatschappelijke ontwrichting in het geval van een calamiteit. Voor het groepsrisico geldt een oriëntatiewaarde in de verantwoording (dit betekent dat er gemotiveerd van mag worden afgeweken). Elke verandering van het groepsrisico in het invloedsgebied van een risicobron moet verantwoord worden. Hierbij moet ingegaan worden op de wijze waarop deze verandering in het groepsrisico is betrokken bij de besluitvorming. Tevens moeten kwalitatieve aspecten beoordeeld worden, zoals zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Kabels en (buis)leidingen Transport van gevaarlijke stoffen vindt plaats over de weg, het spoor, het water en door buisleidingen. Tijdens het transport kunnen dingen misgaan waardoor de gevaarlijke lading kan ontbranden of exploderen of waardoor er bijvoorbeeld giftige gassen ontsnappen via een lek of breuk. Bij risicovolle buisleidingen kan gedacht worden aan (hogedruk) transport van aardgas, maar ook van olie, benzine, kerosine, chemische producten en industriële gassen. Deze stoffen kunnen giftig, lichtontvlambaar, of brandbaar zijn.
Buisleidingen lopen meestal ondergronds, maar kunnen soms ook bovengronds voorkomen. De grootste kans op een beschadiging aan een buisleiding ontstaat door graafwerkzaamheden. Denk hierbij aan werkzaamheden aan gas-, olie- en waterleidingen in de grond,
56
of kabels voor stroom, TV, telefoon en internet. De risicokaart toont alle aardgasleidingen vanaf een diameter van 50 mm en een druk van 16 bar, alle buisleidingen voor brandbare vloeistoffen vanaf een diameter van 100 mm en alle overige buisleidingen waarvan geldt dat er een overschrijding van de wettelijke norm is op 5 meter afstand van de buis. Deze wettelijke norm is het plaatsgebonden risico 10 -6. Het Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen (Bevb) is op 1 januari 2011 in werking getreden. In het Besluit externe veiligheid buisleidingen zoals dit per 1 januari 2011 geldt, staan veiligheidseisen voor de exploitant en de gemeente. Exploitanten hebben een zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat hun buisleidingen veilig zijn. Gemeenten moeten buisleidingen in hun bestemmingsplan opnemen en bij nieuwbouw zorgen voor genoeg afstand tot de buisleidingen. Doorwerking plan(gebied) Externe veiligheid inrichtingen Op basis van de Risicokaart van de provincie Noord-Brabant kan worden geconcludeerd dat in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichting ligt. Het plangebied ligt derhalve niet binnen PR-contouren en GR-invloedsgebieden van risicovolle (Bevi)inrichtingen. Externe veiligheid vervoer Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de Regeling Basisnet in werking getreden.
Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het inwerking treden van het BEVT vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden.
Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 meter vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Het plangebied ligt aan het Heilig Hartplein / Grote Molenstraat te Den Dungen. Deze wegen zijn echter niet beschouwd in onderzoek naar vervoersstromen van gevaarlijke stoffen over provinciale wegen in Noord-Brabant (Arcadis, 2010). Dit wijst erop dat hierover geen significant vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De weg heeft dan ook geen PR 10-6 contour. Ook is het groepsrisico lager dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Een en ander heeft dan ook geen (nieuwe of nadelige) gevolgen voor het veiligheidsrisico.
57
Dit houdt in dat voor dit aspect geen knelpunt aanwezig is. De oriënterende waarde van het groepsrisico wordt niet overschreden. Er ontstaan geen groter veiligheidsrisico en ook geen extra belemmeringen naar de omgeving toe. Besluit externe veiligheid buisleidingen De risicokaart toont geen aanwezigheid van een (hoge druk) gasleiding op korte afstand van het plangebied. Overige kabels en (buis)leidingen Nutsbedrijven eisen dat kabels en leidingen in het openbaar gebied (komen te) liggen. De initiatienemer van onderliggend bouwplan is verplicht zorg te dragen voor een door gemeente en nutsbedrijven geaccordeerde wijze van aansluiting. De kleinere leidingen worden voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden middels een KLIC-melding in kaart gebracht. Overige zonering Er zijn in en nabij het plangebied geen ondergrondse leidingen, waterkeringen, straalpaden, invliegfunnels of molenbiotopen aanwezig waarvan de aanwezigheid van invloed kan zijn op de ontwikkelingen in het plangebied. Conclusie Gesteld kan worden dat het voorgenomen (bestemmings)plan zelf geen extern veiligheidsrisico vormt. Voor wat betreft externe veiligheid zijn er naar de omgeving toe geen belemmeringen te verwachten. Uitgebreid onderzoek naar externe veiligheid is na deze quickscan dan ook niet nodig.
58
9. Mobiliteit; verkeer en parkeren Wat betreft mobiliteit en infrastructuur zal het noordelijke deel een nieuwe ontsluiting krijgen, welke plaatsvindt vanaf de Grote Molenstraat (zuidzijde van het deelgebied). Onderstaande afbeelding geeft weer op welke manier de ontsluiting zal plaatsvinden. Auto’s bereiken via een overheaddeur met af te sluiten hekwerk het binnenplein. De poort vormt een onderdoorgang onder de appartementen op de eerste en tweede verdieping. Uit de afbeelding blijkt tevens een ruim aantal parkeerplekken dat op het binnenterrein en aan de zuidzijde van het plan wordt opgericht. Met de 21 voorziene parkeerplekken, wordt voldaan aan de geldende ‘Parkeernormen Sint-Michielsgestel’ – koop, etage, goedkoop / centrum: 1,3 – ten aanzien van 16 koopappartementen.
59
Voor de vier nieuwe woningen op het zuidelijke deel van het plangebied geldt dat parkeerplekken in voldoende mate op eigen terrein worden gerealiseerd. Reeds aanwezige parkeerplaatsen worden daarbij in stand gehouden. Wat betreft de ontsluiting geldt dat alle woningen worden ontsloten op de straat waaraan deze zijn gelegen. Verder wordt de Grote Molenstraat terplekke verbreed en wordt tweerichtingsweg met langsparkeerplekken. Na realisatie van het bouwplan zal de verkeersintensiteit/-druk op de aanwezige infrastructuur niet significant toenemen ten opzichte van het huidige niveau, in ieder geval niet in die mate dat sprake zal zijn van een onaanvaardbare situatie.
60
10. Juridische opzet 10.1 Het bestemmingsplan als juridisch instrument Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. Op de verbeelding is aangegeven welke bestemmingen in het plan voorkomen en waarop deze betrekking hebben. De regels geven aan wat de doeleinden zijn van elke bestemming. In aansluiting hierop bevatten de regels bepalingen met betrekking tot de toegelaten bebouwing. Dit alles gerelateerd aan de desbetreffende bestemming. De regels en de verbeelding vormen samen het deel van het bestemmingsplan dat voor een ieder bindend is. De toelichting is niet bindend, maar heeft wel een belangrijke functie voor de onderbouwing van het bestemmingsplan en voor de uitleg van bestemmingen en regels. Het bestemmingsplan dient verder te voldoen aan de Wro , het Bro en de RO-Standaarden 2012: • IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening 2012); • SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012); • STRI2012 (Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten 2012). Het onderhavige bestemmingsplan is uitgevoerd conform de Wabo en deze standaarden.
10.2 Systematiek van de regels Aansluiting is gezocht bij de regels van het vigerende bestemming “Den Dungen/Maaskantje”. De Wet ruimtelijke ordening bepaalt een drietal zaken met betrekking tot de opzet en inrichting van de bestemmingsplanregels, te weten: • de digitale raadpleegbaarheid; • de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen2012; De regels zijn volgens de SVPB2012 in vier hoofdstukken als volgt opgesteld: 1. inleidende regels; 2. bestemmingsregels; 3. algemene regels; 4. overgangs- en slotregels. De structuur van het plan is zodanig dat de verbeelding de primaire informatie geeft over waar en hoe gebouwd mag worden. Bij het raadplegen van het bestemmingsplan dient dan ook eerst naar de verbeelding gekeken te worden. Vervolgens kan men in de regels teruglezen welk gebruik en welke bouwmogelijkheden zijn toegestaan. Op de verbeelding zijn de volgende zaken aangegeven: • de bestemmingen van de in het plangebied gelegen gronden; • de grens van het plangebied; • de aanduidingen.