11.c - Bijlage 2 Toelichting ontwerpbestemmingsplan Heilig Hartplein-Grote Molenstraat (1269988)
Tekst van het document
Bestemmingsplan Heilig Hartplein-Grote Molenstraat PLANTOELICHTING NL.IMRO.0845.BP2021HHpleinGMstr-ON01
1
Titel: Datum: Projectnummer: Status: Adviesbureau: Auteurs: Contactpersoon: (Post)adres: Telefoon: E-mail: Website:
Bestemmingsplan Heilig Hartplein-Grote Molenstraat 14-04-2021 2020.155 Ontwerp Wintraecken Advies B.V. Teun van de Camp Msc. en mr. David Wintraecken David Wintraecken Harry Bolsiuslaan 13 5481 BN Schijndel (073) 850 51 29 / (06) 146 488 29 info@wintraeckenadvies.nl www.wintraeckenadvies.nl
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of Wintraecken Advies.
2
Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................... 5 1.1 Achtergrond, planbeschrijving en doel van het plan ........................................... 5 1.2 Ligging en begrenzing plangebied ................................................................... 6 1.3 Vigerend bestemmingsplan ............................................................................ 8 1.4 Leeswijzer .................................................................................................. 12 2. Bestaande situatie ........................................................................................... 13 3. Ruimtelijke structuur, welstand en beeldkwaliteit ................................................ 15 4. Beleidskader ................................................................................................... 20 4.1 Inleiding .................................................................................................... 20 4.2 Rijksbeleid ................................................................................................. 20 4.3 Provinciaal beleid ........................................................................................ 25 4.4 Gemeentelijk beleid..................................................................................... 31 5.
Archeologie en cultuurhistorie ........................................................................... 38 6. Flora en fauna en stikstofdepositie ..................................................................... 41 7. Water ............................................................................................................ 44 8. Milieu-hygiënische verantwoording .................................................................... 46 8.1 Inleiding .................................................................................................... 46 8.2 M.e.r.-beoordeling ...................................................................................... 46 8.3 Bodem ....................................................................................................... 48 8.4 Geluid (wegverkeerslawaai) ......................................................................... 49 8.5 Milieuzonering (geur en industrielawaai) ........................................................ 51 8.6 Luchtkwaliteit ............................................................................................. 53 8.7 Externe veiligheid, kabels en leidingen .......................................................... 56 9. Mobiliteit; verkeer en parkeren ......................................................................... 59 10.
Juridische opzet ............................................................................................. 61 10.1 Het bestemmingsplan als juridisch instrument .............................................. 61 10.2 Systematiek van de regels ......................................................................... 61 11. Uitvoeringsaspecten ....................................................................................... 62 11.1 Economische uitvoerbaarheid ..................................................................... 62 11.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................ 62
3
Bijlagen 1. Bureau voor Archeologie, Rapport 990, Heilig Hartplein 12 en 14 en Grote Molenstraat 1A, Den Dungen, gemeente Sint-Michielsgestel: een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen in de verkennende fase, 12 februari 2021 1.1 Selectieadvies archeologisch monumentenzorg 2. BRO, Quickscan flora en fauna Heilig Hartplein 12+14 te Den Dungen, projectnummer: P02960, 26 augustus 2020 3. BRO, Quickscan flora en fauna Grote Molenstraat 1A te Den Dungen, projectnummer: P03997, 8 januari 2021 4. De Roever Omgevingsadvies, Stikstofdepositieonderzoek Grote Molenstraat 1-1a & Heilig Hartplein 12-14 Sint-Michielsgestel, referentie: 20201456.v01, 30 november 2020 5. MILON, Watertoets ter plaatse van Heilig Hartplein en Grote Molenstraat Den Dungen, projectnummer: 20203575, 3 november 2020 6. Wintraecken Advies, Vormvrije m.e.r. aanmeldnotitie, 4 maart 2021 7. Terra Milieu, Verkennend bodemonderzoek Conform NEN 5740, projectnummer: 20-093, 7 oktober 2020 8. Terra Milieu, Verkennend bodemonderzoek Conform NEN 5740, projectnummer: 20-372, 20 november 2020 9. De Roever Omgevingsadvies, Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Grote Molenstraat 1-1a & Heilig Hartplein 12-14 Sint-Michielsgestel, referentie: 20201455.v04, 4 maart 2021 9.1 Ontwerp besluit hogere grenswaarden Wet geluidhinder 9.2 Aanvraagformulier hogere grenswaarden Wet geluidhinder 10.
De Roever Omgevingsadvies, Onderzoek bedrijven en milieuzonering Grote Molenstraat 1-1a Sint-Michielsgestel woningbouw, referentie: 20201457.v01, 25 november 2020
4
1. Inleiding 1.1 Achtergrond, planbeschrijving en doel van het plan Het noordelijke deel van het plangebied is reeds in gebruik als detailhandel met opslagruimte en enkele (boven)woningen. Het deel aan de zuidzijde kent een semi-agrarisch karakter met bijvoorbeeld een kippenschuur en ruimte voor opslag en distributie van groente en fruit. Het planvoornemen betreft de oprichting van 16 betaalbare koopappartementen op het noordelijke deel van het plangebied. Deze oprichting gaat gepaard met de tenietdoening van de bestaande bebouwing ter plaatse. Concreet vindt deze ontwikkeling plaats aan het Heilig Hartplein 12 en 14. Voor het zuidelijke deel geldt dat een deel van de bebouwing intact blijft, dat functies/bestemmingen worden gewijzigd en de ontwikkeling feitelijk betrekking heeft op de oprichting van woningen en het mogelijk maken van een winkel en opslag met koeling in groenten en fruit, middels een functieaanduiding. Wat betreft de woningen worden er twee nieuwe woonkavels opgericht (Sint Jacobusstraat), wordt de bestaande bedrijfswoning gesplitst in twee burgerwoningen en wordt een bestaande opslagruimte getransformeerd tot woning. Op kaart ziet de tweedeling met voorgestane ontwikkelingen er als volgt uit (bron: maps.google.nl):
Een (planologisch/bestemd) agrarisch bedrijf in het centrumgebied wordt ontmanteld. Hierbij wordt enerzijds duurzaam/cultuurhistorisch een nieuwe (in het centrum) passende woningbouwinvulling gegeven. De bedrijfswoning, het bestaande karakteristieke langgevelboerderijtje wordt gesplitst en het bestaande koelhuisje wordt getransformeerd
5
tot woning. Anderzijds, qua vervanging/nieuwbouw, worden er oude agrarische schuren gesloopt en komen er twee vrijstaande woningen. Door hier te kiezen voor kleinere vrijstaande woningen met hier rond omheen een kavel/tuin, kunnen makkelijk levensloopbestendige woningen worden gebouwd. Het planvoornemen heeft een herstructurering tot gevolg, welke niet tot uitvoering kan worden gebracht zonder een (gedeeltelijke) bestemmingplanherziening. De gemeente Sint-Michielsgestel heeft – onder voorwaarden – ingestemd met een herziening van het bestemmingsplan “Den Dungen/Maaskantje” om enkele functies en bestemmingen te herzien en de nieuwe woningen planologisch-juridisch te regelen. Initiatiefnemer dient het plan te onderbouwen met een toelichting op de herziening, waaruit blijkt dat het bouwplan geen negatieve ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieuhygiënische gevolgen heeft voor het plangebied en de directe omgeving ervan. Onderhavig notitie voorziet hierin. Doelstelling van deze partiële herziening van het bestemmingsplan “Den Dungen/Maaskantje” is om de realisatie van het onderliggende planvoornemen planologisch en juridisch mogelijk te maken. Het bestemmingsplan besteedt aandacht aan de ruimtelijke en milieu-hygiënische effecten van de voorgenomen ontwikkeling.
Onderzocht is hoe het initiatief zich verhoudt tot de aanwezige functies en waarden van het plangebied en de directe omgeving ervan. In dit kader zijn, behalve het ruimtelijk-planologische beleid, alle ruimtelijke en milieu-hygienische aspecten alsmede de landschappelijke inpassing en beeldkwaliteit nader beschouwd. Aan de volgende deels juridische voorwaarden dient te worden voldaan: • het motiveren van het wijzigen van de geldende bestemming middels het opstellen van een bestemmingsplan; • het met een bestemmingsplan aantonen van de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid; • het in procedure brengen van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan geeft een planologisch-juridische regeling ten behoeve van de realisatie van het onderliggende bouwplan. De met dit bestemmingsplan aangetoonde ruimtelijke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid heeft betrekking op het bouwplan voor de ontwikkeling van woningen ter plaatse van het plangebied aan het Heilig Hartplein en de functiewijziging en oprichting van woningen ter plaatse van de Grote Molenstraat te Den Dungen, gemeente Sint-Michielsgestel.
1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied betreft een noordelijk deel en een zuidelijk deel. De directe omgeving bestaat hoofdzakelijk uit woningen. Op het noordelijke deel zijn nu enkele winkels met bovenwoningen en opslagruimte aanwezig. Deze bebouwing zal ten behoeve van het planvoornemen volledig teniet worden
6
gedaan. De directe omgeving bestaat hoofdzakelijk uit woningen. Navolgende afbeelding betreft een weergave van de kadastrale gegevens op luchtfoto met de bestaande percelen. Tezamen hebben ze een oppervlakte van 1.279 m2.
Op het zuidelijke deel zijn nu enkele gebouwen aanwezig welke dienst doen als woning, opslagruimte, stalling en kippenschuur. Deze bebouwing zal ten behoeve van het planvoornemen deels teniet worden gedaan en deels opnieuw worden ingevuld. Navolgende afbeelding betreft een weergave van de kadastrale gegevens op luchtfoto met het bestaande perceel. Het perceel heeft een oppervlakte van 2.440 m2.
Op de hierna volgende luchtfoto’s (bron: maps.google.nl) is de globale ligging van het plangebied in relatie tot haar omgeving weergegeven. Het plangebied ligt ten zuiden van het centrum van Den Dungen.
7
1.3 Vigerend bestemmingsplan Op grond van het vigerende bestemmingsplan “Den Dungen/Maaskantje” gelden voor het plangebied de bestemmingen ‘Centrum’ en ‘Agrarisch’. Het plangebied is dubbelbestemd als zijnde ‘Waarde – Archeologie 1’ en ‘Waarde – Archeologie 4’. Binnen het plangebied zijn bouwvlakken, met daarmee gepaard gaande maatvoering opgenomen. Met onderhavig planvoornemen wordt primair ingezet op het oprichten van woningen op een voor woning bestemde grond. Daarbij worden bouwvakken en maatvoering op onderdelen overschreden. Een herziening van het bestemmingsplan zal dus moeten plaatsvinden om het voornemen doorgang te laten vinden.
8
Op de uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan “Den Dungen/Maaskantje“ – zie navolgende afbeelding – is de ligging van het plangebied rood omlijnd aangegeven (bron: ruimtelijkeplannen.nl).
De voor 'Centrum' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen in bestaande woningen al dan niet in combinatie met een aan-huis-verbonden beroep; b. bestaande detailhandel; c. bestaande horeca; d. bestaande dienstverlenende bedrijven/instellingen; e. parkeervoorzieningen; f. niet van toepassing; met de daar bijbehorende: g. tuinen, erven en terreinen; h. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; met daaraan ondergeschikt: i. ontsluitingswegen en paden; j. (open) water en waterhuishoudkundige voorzieningen; k. groen en groenvoorzieningen; l. speelvoorzieningen. Voor de toelaatbaarheid van bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. ter plaatse van het bouwvlak mag worden gebouwd: 1. gebouwen ten behoeve van het bepaalde in 7.1 onder a t/m d; 2. bijbehorende bouwwerken;
9
3. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; b. buiten het bouwvlak mag worden gebouwd: 1. bijbehorende bouwwerken; 2. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. c. het aantal bestaande woningen mag niet worden uitgebreid. Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen: a. een gebouw mag uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd, met uitzondering van bijbehorende bouwwerken, die ook buiten het bouwvlak gebouwd mogen worden; b. de goot- en bouwhoogte mag per bouwvlak niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven; c. de voorgevel moet worden gesitueerd in de voorgevelrooilijn of op een afstand van niet meer dan 3 m daarachter; d. voor de dakhelling gelden de volgende bepalingen: vanaf de maximaal toegestane goothoogte dienen de gebouwen te worden afgedekt met hellende dakvlakken, waarvan de helling niet meer mag bedragen dan 60o, met dien verstande dat: 1. tussen de aldus bepaalde (denkbeeldige) maximale contouren van het dak ook platte afdekkingen, dakvlakken met een helling van meer dan 60 o en rechtopgaande gevelconstructies, waaronder ook topgevels, zijn toegestaan; 2. overschrijding van de (denkbeeldige) 60o -lijn is toegestaan voor dakkapellen, schoorstenen en andere uitstekende bouwdelen van ondergeschikte betekenis.
Bij dakvlakken, met uitzondering van dakvlakken die van de weg af zijn gekeerd, wordt een overschrijding daarbij in ieder geval als 'niet ondergeschikt' aangemerkt, wanneer de uitstekende bouwdelen meer dan de helft van de breedte van het dakvlak beslaan. Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak gelden de volgende bepalingen: a. bijbehorende bouwwerken dienen op een afstand van ten minste 3 meter achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw te worden gebouwd. b. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bij een hoofdgebouw mag: 1. op bouwpercelen tot 300 m² niet meer bedragen dan 65 m²; 2. op percelen gelijk aan of groter dan 300 m² niet meer bedragen dan 65 m², vermeerder met 10% van het aantal vierkante meters dat het perceel groter is dan 300 m², met dien verstande dat de totale bebouwde oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken niet meer mag bedragen dan 250 m²; c. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 3 m bedragen; d. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 6 m bedragen. De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. een agrarisch bedrijf met een in hoofdzaak grondgebonden agrarische bedrijfsvoering; b. agrarische bedrijfsuitoefening;
10
c. d. e. f. g. h. i. j.
extensief dagrecreatief medegebruik; paden, wegen en parkeervoorzieningen; niet van toepassing; bestaande bedrijfswoning; niet van toepassing; (open) water en waterhuishoudkundige voorzieningen; gebruik in combinatie met agrarisch natuurbeheer en/of landschapsbeheer; niet van toepasing.
Voor de toelaatbaarheid van bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. ter plaatse van het bouwvlak mag worden gebouwd: 1. gebouwen ten behoeve van het bepaalde in 3.1 onder a, b, e en f; 2. bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen; 3. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; b. buiten het bouwvlak mag worden gebouwd: 1. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Ten aanzien van gebouwen geldt: a. de gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; b. het bebouwingspercentage , goot- en bouwhoogte bedraagt niet meer dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte, maximum bouwhoogte, maximum bebouwingspercentage' is weergegeven. Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende bepalingen: a. nieuwbouw van bedrijfswoningen is niet toegestaan, uitgezonderd vervangende nieuwbouw; b. de inhoud van een bedrijfswoning mag niet meer dan 750 m³ bedragen; c. de goothoogte van een bedrijfswoning mag niet meer dan 6 m bedragen; d. de bouwhoogte van een bedrijfswoning mag niet meer dan 10 m bedragen. De voor 'Waarde - Archeologie - 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden. In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mag niet worden gebouwd, anders dan ten behoeve van deze bestemming, met uitzondering van: a.
ver-/nieuwbouw van bestaande gebouwen, waarbij de bestaande oppervlakte van het gebouw niet wordt vergroot of veranderd en niet dieper dan ter plaatse van de bestaande fundering wordt gebouwd; b. de bouw van een bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding van een bestaand hoofdgebouw met ten hoogste 30 m²; c. activiteiten waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist; d. activiteiten welke niet gepaard gaan met ingrepen in de bodem, dieper dan 0,3 meter; e. bouwen binnen het bouwvlak, tenzij er sprake is van vastgestelde archeologische resten of dat er sprake is van een cultuurhistorisch waardevol object of monument.
11
De voor 'Waarde - Archeologie - 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden. In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mag niet worden gebouwd, anders dan ten behoeve van deze bestemming, met uitzondering van: a. ver-/nieuwbouw van bestaande gebouwen, waarbij de bestaande oppervlakte van het gebouw niet wordt vergroot of veranderd en niet dieper dan ter plaatse van de bestaande fundering wordt gebouwd; b. de bouw van een bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding van een bestaand hoofdgebouw met ten hoogste 100 m²; c. activiteiten waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist; d. activiteiten welke niet gepaard gaan met ingrepen in de bodem, dieper dan 0,5 meter; e. bouwen binnen het bouwvlak, tenzij er sprake is van vastgestelde archeologische resten of dat er sprake is van een cultuurhistorisch waardevol object of monument. Het voornemen dat initiatiefnemer voor ogen heeft, past niet binnen de huidige plankaders. Om de ontwikkeling planologisch-juridisch toch mogelijk te maken, dient het bestemmingsplan te worden herzien.
1.4 Leeswijzer In de volgende hoofdstukken wordt aandacht besteed aan de verschillende aspecten van het bestemmingsplan. In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de bestaande situatie. Hoofdstuk 3 geeft de visie op het plan in relatie tot het plangebied en de directe omgeving. Hoofdstuk 4 behandelt het beleidskader. De hoofdstukken 5 tot en met 9 gaan in op de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aspecten. De juridische aspecten worden toegelicht in hoofdstuk 10 en de onderdelen economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid in hoofdstuk 11.
12
2. Bestaande situatie Het noordelijke perceel ligt aan het Heilig Hartplein is op het moment in gebruik als winkel met opslagruimte en bovenwoning en een vrijstaande woning. Onderstaande foto is de situatie bezien vanaf de voorzijde van het perceel. De woning aan de rechterzijde betreft Heilig Hartplein 10.
Het perceel waarop de ontwikkeling van de 16 koopappartementen betrekking heeft, wordt omsloten door het Heilig Hartplein aan de oostzijde, de Grote Molenstraat aan de zuidzijde, de Donksestraat aan de westzijde en woningen aan de noordzijde. Het zuidelijke perceel ligt aan de Grote Molenstraat en heeft momenteel een agrarische bedrijfsfunctie met daartoe behorende bijgebouwen en een bedrijfswoning. Navolgende foto is de situatie bezien vanaf de voorzijde van het perceel, aan de Grote Molenstraat. Het linker bouwwerk betreft de bestaande bedrijfswoning, welke zal worden gesplitst in twee woningen. Het rechter bouwwerk betreft een bijgebouw welke zal worden verbouwd tot een vrijstaande woning. Verder worden ook nog twee nieuwe woningen gebouwd aan de Sint Jacobusstraat.
13
Het perceel waarop de ontwikkeling plaatsvindt, wordt omsloten door de Grote Molenstraat aan de noordzijde, agrarisch gerelateerde bebouwing een de oostzijde en zuidzijde en de Sint Jacobusstraat aan de westzijde.
14
3. Ruimtelijke structuur, welstand en beeldkwaliteit De hoofdmassa en hoofdvorm van de nieuwe bebouwing worden afgestemd op de omliggende c.q. naastgelegen bebouwing, maar vormen wel een eigen architectonische eenheid. Er wordt voor wat betreft de beeldkwaliteit van de nieuwbouw en de maatvoering aangesloten bij de stedenbouwkundige uitgangspunten van de gemeente Sint-Michielsgestel, zoals vastgelegd in het vigerende bestemmingsplan “Den Dungen / Maaskantje” en de “Structuurvisie Ruimtelijke Ontwikkeling Den Dungen”. Dit alles conform het welstandsbeleid. Zo blijven de goot- en nokhoogte en massa bescheiden en het materiaalen kleurgebruik terughoudend. De architectonische uitstraling van nieuwe bouwwerken is in ieder geval ingetogen. Door de grootte van het plangebied blijft de afstand tot de in naaste omgeving gelegen functies voldoende groot. Navolgende afbeelding is een weergave van de diverse zijden van de te ontwikkelen appartementen op het noordelijke deel van het plangebied (bron: Deux Architecten).
15
Op navolgende afbeelding zijn de plattegronden van begane grond en de twee verdiepingen van de op te richten appartementen aan het Heilig Hartplein weergegeven (bron: Deux Architecten).
Op navolgende afbeelding zijn 3D-visualisaties van de op te richten appartementen aan het Heilig Hartplein weergegeven (bron: Deux Architecten).
16
17
Het initiatief heeft een toegevoegde waarde aan het ruimtelijke omgevingskader en levert daarmee tevens een positieve invulling aan de waarborging van de stedenbouwkundige karakteristiek en identiteit ter plaatse. Met het realiseren van het bouwplan wordt verder zoveel als mogelijk rekening gehouden met het uitgangspunt om te komen tot duurzaam bouwen. Dit komt onder meer tot uitdrukking in het gebruik van duurzame materialen bij nieuwbouw. Ten aanzien van het zuidelijk deel geldt dat hier bestaande bebouwing deels wordt getransformeerd naar nieuw gebruik en dat er een woningsplitsing plaatsvindt. Daarnaast wordt er ruimte gecreëerd voor twee kavels waarop twee vrijstaande woningen kunnen worden opgericht. Aan deze laatste zal in een later stadium invulling gegeven. Ook blijft de detailhandel in groenten en fruit behouden, met inbegrip van een koelcel.
Er wordt voor wat betreft de beeldkwaliteit van de nieuwbouw en de maatvoering aangesloten bij de stedenbouwkundige uitgangspunten van de gemeente Sint-Michielsgestel, zoals vastgelegd in het vigerende bestemmingsplan “Den Dungen / Maaskantje”. Dit alles conform het welstandsbeleid. Zo blijven de goot- en nokhoogte en massa bescheiden en het materiaal- en kleurgebruik terughoudend. De architectonische uitstraling van nieuwe bouwwerken is in ieder geval ingetogen. Door de grootte van het plangebied blijft de afstand tot de in naaste omgeving gelegen functies voldoende groot. Geconcludeerd kan worden dat het bouwplan bijdraagt aan een ruimtelijke en visuele koppeling met de bestaande omliggende bebouwing en daarmee een positieve functionele invulling vormt. Er vindt als het ware een logische koppeling plaats met de omliggende c.q. naastgelegen bebouwing. De voorgestane ontwikkeling steunt de waarborging
18
van de stedenbouwkundige en architectonische, en daarmee de ruimtelijke, karakteristiek en identiteit ter plaatse.
19
4. Beleidskader 4.1 Inleiding Wat betreft de verantwoordelijkheidstoedeling en bevoegdheidsverdeling zijn het Rijk, de provincies en de gemeenten verantwoordelijk voor hun eigen belangen. Er kan slechts sprake zijn van bemoeienis van Rijk of provincie met de gemeente, indien dat noodzakelijk is vanwege een nationaal respectievelijk provinciaal belang. Rijk en provincies beschikken in de Wet ruimtelijke ordening over dezelfde bevoegdheden als gemeenten om hun eigen ruimtelijke belangen te kunnen uitvoeren. Daarnaast kunnen het Rijk en de provincies algemeen verbindende regels uitvaardigen en aanwijzingen geven om hun belangen veilig te stellen. Het beleid van de gemeente Sint-Michielsgestel vormt dus het kader waarbinnen de functionele en ruimtelijke ontwikkeling wordt vastgesteld. De ruimtelijke ontwikkelingsplannen van Rijk, provincie en regio vormen randvoorwaarden voor het gemeentelijke beleid. Voor zover relevant voor de plannen worden in de volgende paragrafen het Rijks, provinciaal en gemeentelijk beleid toegelicht.
4.2 Rijksbeleid De voorliggende planontwikkeling sluit aan bij de doelstellingen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) / AMvB Ruimte om te komen tot de bevordering van krachtige dorpen en steden en duurzaam en zuinig ruimtegebruik. Het voldoet aan de eis om ruimtelijke ontwikkelingen integraal te bezien en zorgvuldig om te gaan met de leefomgeving. Aspecten als water, veiligheid, cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit vormen onderdeel van de planologische toets. Daarmee is het initiatief niet in strijd met het rijksbeleid. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), 2012 Toetsingskader Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden. Deze structuurvisie vormt de uitwerking van de ambities van het Rijk, op basis van haar verantwoordelijkheden, in Rijksdoelen en daarmee samenhangende nationale belangen op het gebied van een samenhangend ruimtelijk en mobiliteitsbeleid. Het Rijk heeft tot doel Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te maken in een periode van economische conjunctuurschommelingen, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen.
Aanleiding voor het vaststellen van de visie is de constatering dat het voorheen geldende ruimtelijke Rijksbeleid onvoldoende bijdroeg aan het behalen van deze doelen, onder meer door het veroorzaken van bestuurlijke drukte, ingewikkelde regelgeving en een te sectorale blik op vraagstukken. Om dit te keren brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij diegene die het aangaat en laat het meer over aan gemeenten en provincies.
20
Het Rijk onderscheidt thans nog dertien nationale belangen. Uitsluitend op basis van deze belangen intervenieert het Rijk in de ruimtelijke ordening. Een groot deel van deze belangen leidt tot het reserveren van ruimte voor functies. Dit betreft dan bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor waterberging, militaire activiteiten en de uitbreiding van het hoofdwegennet. Deze belangen zijn vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Eén van de belangen die niet leidt tot een ruimtereservering is het belang van een ‘zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten’. In het kader van dit belang heeft het Rijk besloten om, ten behoeve van het verminderen van de bestuurlijke drukte en het neerleggen van verantwoordelijkheden bij decentrale overheden, de verstedelijkingsstrategie te wijzigen. Dit houdt in dat het bundelingsbeleid, verdichtingsbeleid, locatiebeleid voor bedrijven en voorzieningen, beleid voor basiskwaliteit, stedelijke netwerken, nationale landschappen en rijksbufferzones is afgeschaft en dat daar slechts één beleidslijn voor terug komt: de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’.
Deze ‘ladder’ heeft tot doel het principe van vraaggericht programmeren en het principe van zorgvuldig ruimtegebruik bindend voor te schrijven bij de afwegingen van gemeenten en provincies. Dit belang is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Grondgedachte van de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is dat een activiteit op meerdere locaties zou kunnen plaatsvinden en dat vervolgens de planologisch meest juiste locatie gekozen moet worden. Dat gaat uit van de activiteit. Hiermee wordt beoogd om de voorheen bestaande praktijk, waarbij in veel gevallen een bestemming wordt gezocht voor een bepaalde locatie om te vormen. Doorwerking plan(gebied) Het voorliggende plangebied is niet gelegen in een gebied waarvoor van rijkswege een (relevante) ruimtereservering geldt. Uitsluitend het nationale belang van een ‘zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten’, als vervat in de ladder voor duurzame verstedelijking, is van toepassing op het onderhavige bestemmingsplan. Aan dit belang wordt navolgend getoetst. Conclusie Aspecten als water, veiligheid, cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit vormen onderdeel van de planologische toets. Daarmee is het plan niet in strijd met het rijksbeleid.
Geconcludeerd kan verder worden dat het onderhavige plangebied niet gelegen is in een gebied waarvoor van Rijkswege een relevante ruimtereservering geldt. Aan de ladder voor duurzame verstedelijking wordt navolgend getoetst. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), 2012 Toetsingskader Het Rijk heeft in de hiervoor genoemde SVIR vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet. De SVIR bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op provinciaal en gemeentelijk niveau. Ten aanzien daarvan is een borging door middel van
21
normstelling, gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening, gewenst. Die uitspraken onderscheiden zich in die zin dat van de provincies en de gemeenten wordt gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmings- en wijzigingsplannen. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Op 30 december 2011 is het Barro in werking getreden met daarin een regeling voor een beperkt aantal onderwerpen. Op 1 oktober 2012 is het besluit aangevuld met regels voor de andere beleidskaders uit de SVIR en tevens uit het Nationaal Waterplan en het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Een aantal onderwerpen is geregeld in de bij het Barro behorende Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Doorwerking plan(gebied) Het plangebied is niet gelegen in een gebied waarvoor op basis van het Barro en Rarro een relevante ruimtereservering geldt.
Daarnaast wordt niet in een ontwikkeling voorzien die raakt aan een van de nationale belangen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het Barro en Rarro niet van toepassing zijn op onderhavig plan. Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 lid 2 Bro) Toetsingskader Met de inwerkingtreding op 1 oktober 2012 van artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) – de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ – geldt voor alle juridisch verbindende ruimtelijke plannen van decentrale overheden die (planologisch) nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken een bijzonder procesvereiste. Het procesvereiste van het doorlopen van de Ladder is gebaseerd op één van de nationale belangen als opgenomen in de SVIR, opgesteld door het Rijk. Dit nationale belang houdt in dat, ten behoeve van een goed systeem van ruimtelijke ordening, een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten plaats dient te vinden. Deze zorgvuldige afweging heeft tot doel om, vanuit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, planologisch ongewenste versnippering en een onaanvaardbare leegstand te voorkomen. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt.
Artikel 3.1.6, tweede lid, luidt nu als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
22
De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt volgens de overzichtsuitspraak dat 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. Voor wonen is daarmee de lijn dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De Laddertoets geldt alleen voor ‘nieuwe’ stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was of kon worden gerealiseerd.
Daarnaast volgt uit jurisprudentie dat wanneer het een functiewijziging betreft, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij moet ook het ruimtebeslag betrokken worden. In de nieuwe Ladder is het woord 'regionale' niet meer aanwezig. De Ladder bepaalt niet nader voor welk gebied de behoefte in beeld moet worden gebracht. Het is primair aan het bevoegd gezag om op basis van het ruimtelijk verzorgingsgebied van de stedelijke ontwikkeling te bepalen tot welk gebied de beschrijving van de behoefte zich moet uitstrekken. De aard en omvang van de stedelijke ontwikkeling bepaalt op welk niveau de afweging moet worden gemaakt. De toelichting van het bestemmingsplan moet een beschrijving bevatten van de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij is het niet relevant of het plangebied binnen of buiten bestaand stedelijk gebied ligt. In beide gevallen dient de plantoelichting een beschrijving van de behoefte te bevatten. In artikel 1.1.1 onder h van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip 'bestaand stedelijk gebied' vastgelegd.
Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Uit de definitie volgt dat er sprake moet zijn van een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing. In de Nota van Toelichting wordt opgemerkt dat de kwalificatie bestaand stedelijk gebied afhangt van de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het bestemmingsplan en de aard van de omgeving. Doorwerking plan(gebied) Het doel van de ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten.
23
Marktsituatie De gemeente Sint-Michielsgestel streeft naar een evenwichtige woningmarkt met voldoende, goede, betaalbare, gevarieerde en passende woningen. Dit streven komt onder meer terug in haar beleid ten aanzien van wonen en woningbouw. Zowel het provinciale als gemeentelijke beleid is gericht op het behouden van de leefbaarheid in kleine kernen. Dat is ook waar dit plan aan bijdraagt. Zo wordt met dit plan de mogelijkheid gecreëerd om te blijven wonen in de eigen dorpsgemeenschap. Tevens wordt een woonmilieu geboden dat door prijszetting, landelijk dorps en groen karakter ook een aantrekkelijke optie kan zijn voor woningzoekenden binnen het stedelijk gebied als geheel. Samengevat kunnen we stellen dat in dit plan de woonconsument centraal staat. Het aanbod is afgestemd op de vraag die er is vanuit de lokale bevolking. En daarbij is er ruimte voor opvang van de regionale behoefte om doorstromers binnen de regio te houden. Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied? De locatie ligt binnen bestaand stedelijk gebied conform de definitie in artikel 1.1.1 onder h van het Bro. Is de behoefte op te vangen binnen het bestaand stedelijk gebied? Zoals hiervoor reeds opgemerkt, is het woningbouwplan in eerste instantie bedoeld voor de groeibehoefte van de kern Den Dungen, als onderdeel van de totale regionale behoefte aan woningen.
Aangezien de nieuwe woningen gesitueerd worden in de bestaande kern van Den Dungen is hier sprake van een (her)ontwikkeling op een inbreidingslocatie. Het bestaand stedelijk gebied wordt niet in oppervlakte uitgebreid. Het betekent ook dat voldoende gemotiveerd is dat dit plan en de ontwikkeling zien op zorgvuldig ruimtegebruik en niet leiden tot over-programmering. Het plan doet geen afbreuk aan de doelstellingen en uitgangspunten, zoals verwoord in de beleidsstukken van de gemeente Sint-Michielsgestel. Het voorliggende woningbouwplan is derhalve in overeenstemming met de gemeentelijke prioriteiten, beleidsdoelstellingen en uitgangspunten. Verwezen wordt naar paragraaf 4.4 (gemeentelijk beleid). Conclusie Onderhavige planontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten en doelstellingen van de ladder voor duurzame ontwikkeling om, vanuit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, planologisch ongewenste versnippering en een ongewenste leegstand te voorkomen.
24
4.3 Provinciaal beleid Toetsingskader Omgevingsvisie Noord-Brabant In voorbereiding op de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de provincie de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld (14 december 2018). Deze omgevingsvisie bevat de visie van het provinciale bestuur op de Brabantse leefomgeving van de toekomst (2050). Naar de uitgangspunten van de Omgevingswet zijn daarbij geen routes naar de gestelde doelen vastgelegd, omdat daarmee een beter samenspel en draagvlak kunnen ontstaan. De Omgevingsvisie zal onder meer de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening gaan vervangen. De Omgevingsvisie kent één basisopgave: ‘werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit’. Elke ruimtelijke ontwikkeling moet - ongeacht de omvang – hieraan bijdragen. In vier hoofdopgaven worden nadere accenten gelegd: 1. werken aan de Brabantse energietransitie; 2. werken aan een klimaatproof Brabant; 3. werken aan een slimme netwerkstad; 4. werken aan een concurrerende, duurzame economie. Doorwerking plan(gebied) Onderhavige ontwikkeling draagt op de volgende wijze bij aan de 'grote' hoofdopgaven. • ad 1. De energietransitie houdt enerzijds in het verminderen van het energieverbruik en anderzijds de verduurzaming van de energie.
De nieuwe woningen binnen het plangebied zullen minstens aan de in het Bouwbesluit en het gemeentelijke duurzaamheidsbeleid opgenomen energieprestatie-eisen moeten voldoen. • ad 2. Eén van de onderdelen van een klimaatproof Brabant is het zorgen voor een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting. Onderhavig plan wordt gerealiseerd op een plek die hoog en droog genoeg is. Door infiltratie van het hemelwater ter plaatse wordt voorkomen dat er een versnelde afvoer naar de directe omgeving plaatsvindt. Het ontwerp van de woning en de inrichting van het woonperceel kunnen voorts een bijdrage leveren aan de klimaatadaptatie. Dit wordt in het bouwplan nader uitgewerkt. • ad 3. Een duurzame verstedelijking draagt bij aan het komen tot een slimme netwerkstad. Uitbreiding van het bestaand stedelijk gebied is alleen wenselijk vanuit kwalitatieve overwegingen en bij een concrete marktvraag. De woning wordt gerealiseerd binnen de stedelijke kern, op gronden die reeds voor woningen zijn bestemd. Met onderhavig planvoornemen wordt de bestaande ruimte binnen de kern, beter en intensiever benut, waarmee een feitelijke uitbreiding van de kern en afname van onbebouwd gebied buiten de kern, wordt voorkomen. • ad 4. Onderdeel van een concurrerende en duurzame economie is het voorzien in een aantrekkelijk vestigingsklimaat.
De woningen wordt zorgvuldig ingepast binnen de huidige bebouwings- en landschapsstructuur. Er is sprake van verdichting van een centrumgebied. Woningen zorgen voor draagvlak van (centrum)voorzieningen en vice versa. Het initiatief doet daarmee geen afbreuk aan de huidige kwaliteiten en is passend binnen het huidige vestigingsklimaat. Conclusie Het plan geeft invulling aan de opgaven van de Omgevingsvisie Noord-Brabant.
25
Toetsingskader Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Het beleid uit de Omgevingsvisie Noord-Brabant is verwerkt in de regels die zijn opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie. De onderwerpen die in de verordening staan komen dus uit de provinciale omgevingsvisie. Daarin staat welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. De verordening is daarbij één van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen. In de verordening is een aantal aspecten opgenomen die van toepassing zijn op onderhavig plan. Deze zullen hierna worden besproken. De provincie wil de ruimtelijke kwaliteit van Noord-Brabant bevorderen. Dit betekent dat nieuwe ontwikkelingen een bijdrage moeten leveren aan de kernkwaliteiten van NoordBrabant. De provincie onderscheidt een achttal thema’s waarin beleidsuitgangspunten zijn opgenomen. Deze thema’s zijn tevens in kaart gebracht. Onderstaande tabel illustreert welke thematische kaarten in principe van toepassing zijn op het plangebied en welke niet. Thema / kaartnaam Milieubescherming Landbouw Stedelijke ontwikkeling en erfgoed Natuur en stiltegebieden Grondwaterbescherming, waterveiligheid en –berging Basiskaart Landelijk gebied. Specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen Watersystemen, -veiligheid en -berging
Van toepassing Nee Ja Ja Nee Nee Nee Ja Ja
Rechtstreeks werkende regels: landbouw Binnen het kaartbeeld ‘Rechtstreeks werkende regels: landbouw’ is het plangebied aangeduid als ‘Verbod uitbreiding veehouderij’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.
26
In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant worden algemene regels gegeven waaraan de toelichting bij een gemeentelijk planologisch wonen mogelijk maakt, moet voldoen. Uiteraard dient gekeken te worden naar de bestaande harde plancapaciteit. Tevens moet uitdrukkelijk een relatie gelegd worden met de afspraken die in het regionaal planningsoverleg zijn gemaakt over de nieuwbouw van woningen. Deze afspraken worden jaarlijks gemaakt en zo nodig herzien. Zij worden gebaseerd op de provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose. De afspraken hebben in ieder geval betrekking op de aantallen te bouwen woningen. Zij kunnen daarnaast betrekking hebben op de aard van de woningen. Daaronder worden onder meer begrepen woningen voor bijzondere doelgroepen, zoals ouderen, personen met een zorgvraag, jongeren en starters op de woningmarkt, in het bijzonder voor zover deze groepen behoren tot de lagere inkomensgroepen. De aanduiding ‘Verbod uitbreiding veehouderij’ heeft enkel invloed op bestaande agrarische bedrijven. Onderhavig plan betreft de oprichting van woningen binnen de kern van Den Dungen. De uitgangspunten en regeling ten aanzien van het verbod op uitbreiding van veehouderijen hebben hier geen directe invloed op. Wel geldt dat met onderhavig plan een agrarisch bedrijf in het centrumgebied wordt ontmanteld (met milieuvergunning pluimvee).
Onderhavige ontwikkeling betreft intensiever ruimtegebruik van een stedelijke functie en is passend binnen de diverse beleidsuitgangspunten waaronder de doelstellingen wat betreft de kwantitatieve en kwalitatieve doeleinden met betrekking tot de woningbouw. Doorwerking plan(gebied) De woonwensen en de leefbaarheid in de dorpen en steden, de behoefte aan gebiedseigenheid en identiteit van stad, dorp en landschap en klimaatverandering staan in de volle aandacht. De provincie Noord-Brabant wil blijven ontwikkelen, maar de provincie stelt ook meer eisen aan de kwaliteit van de leefomgeving. Vanwege een zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik worden woningen op de eerste plaats binnen de bestaande bebouwde kom geconcentreerd. Voorliggend initiatief ziet op inbreiding en verdichting en op herstructurering, herontwikkeling en transformatie van in gebruik zijnde gronden binnen de komgrenzen. Hiermee streeft het plan zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik na. Voorts moeten bestaande waarden en kwaliteiten behouden blijven en waar mogelijk worden versterkt. Het provinciale beleid, opgenomen in de provinciale structuurvisie en de verordening, is gericht op het concentreren van stedelijke ontwikkelingen in het bestaand stedelijk gebied.
De voorgestane ontwikkeling beantwoordt aan de provinciale ruimtelijke doelstellingen om te komen tot zuinig ruimtegebruik en concentratie van verstedelijking (inbreiden, transformeren, herstructureren en intensiveren). Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed’ is het plangebied aangeduid als ‘Concentratiegebied’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.
27
De provincie verwacht van gemeenten dat zij bij de ontwikkeling van woningbouwlocaties en het opstellen van gemeentelijke ruimtelijke plannen daarvoor rekening houden met de afspraken in het regionaal ruimtelijk overleg. Dit artikel bevat regels over de verantwoording bij bestemmingsplannen en andere planologische besluiten. Hierbij is het nodig ook een relatie te leggen naar de bestaande harde plancapaciteit. Tevens moet uitdrukkelijk een relatie gelegd worden met regionale afspraken over de nieuwbouw van woningen. Voor gebieden aangeduid als ‘Concentratiegebied’ in het stedelijke gebied geldt dat hierbinnen meer mogelijkheden zijn voor ontwikkelingen dan de gebieden met een andere aanduiding, binnen of buiten een bestaande woonkern. De provincie vraagt gemeenten om het principe van zorgvuldig ruimtegebruik toe te passen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het doel hierbij is om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten. Pas als dat niet kan, wordt gezocht naar de beste plek in het buitengebied om nieuwe ruimte te gebruiken. Daarnaast wil de provincie verouderde locaties in stedelijk gebied opnieuw invullen en ongewenste functies in het buitengebied saneren. Voorbeelden van dergelijke ongewenste functies zijn glastuinbouwbedrijven in kwetsbare gebieden of veehouderijen rondom de natuur en stedelijke gebieden.
In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is verder bepaald dat ruimtelijke plannen die voorzien in een stedelijke ontwikkeling, in principe alleen in bestaand stedelijk gebied mogen vallen. Onder voorwaarden zijn ontwikkelingen in hiermee samenhangende zoekgebieden mogelijk. Uit onderhavige toelichting blijkt dat aan deze voorwaarden wordt voldaan. Doorwerking plan(gebied) Onderhavig planvoornemen betreft een functieverandering c.q. intensivering van het gebruik van een locatie binnen de stedelijke zone. Hiermee wordt dus aangesloten bij het uitgangspunt van de provincie om zorgvuldig om te gaan met de beschikbare ruimte bin-
28
nen een stedelijke kern en het toevoegen van woningen binnen stedelijke concentratiegebieden. Verder geldt dat sprake is van een stedelijke (her)ontwikkeling waarbij verouderde gebouwen worden vervangen. Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen’ is het plangebied aangeduid als ‘stalderingsgebied’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.
De aanduiding ‘stalderingsgebied’ heeft enkel invloed op bestaande agrarische bedrijven. Onderhavig plan betreft de oprichting van vier grondgebonden woningen in de dorpskern. De uitgangspunten en regeling ten aanzien van staldering heeft hier geen invloed op, en andersom doet onderhavig planvoornemen geen afbreuk aan deze beleidsregels. Doorwerking plan(gebied) De aanduidingen binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen’ zijn niet van toepassing op onderhavige ontwikkeling. Instructieregels voor waterschappen: watersystemen, -veiligheid en -berging Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels voor waterschappen: watersystemen, -veiligheid en -berging’ is het plangebied aangeduid als ‘Norm wateroverlast buiten stedelijk gebied’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.
29
Elke plek heeft een aanduiding welke iets regelt ten aanzien van omgang met water. Binnen ‘Norm wateroverlast Stedelijk gebied’, met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, als norm een overstromingskans van: a. 1/100 per jaar voor gebieden die in een ruimtelijk plan bestemd zijn voor de doeleinden bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen; b. 1/10 per jaar voor overige gebieden. Doorwerking plan(gebied) Deze norm betreft een inspanningsverplichting. De genoemde inspanningsverplichting is van toepassing op onderhavige ontwikkeling, in die zin dat er bebouwd oppervlak / verharding aan de bestaande situatie zal worden toegevoegd, en dat inspanningsverplichtingen ten aanzien van bergings- en afvoercapaciteit een plek heeft gekregen in de uitgevoerde watertoets betrekking hebbende op de voorgestane ontwikkeling. De watertoets krijgt aandacht in hoofdstuk 7 van deze plantoelichting. Conclusie De gemeente Sint-Michielsgestel streeft naar een evenwichtige woningmarkt met voldoende, goede, betaalbare, gevarieerde en passende woningen. Het plan komt tegemoet aan een actuele behoefte en wordt in bestaand stedelijk gebied gerealiseerd. Dus herstructurering en transformatie vóór uitleg. Onderhavige ontwikkeling vindt plaats in een bestaande woonkern, betreft herstructurering c.q.
intensiever ruimtegebruik met een stedelijke functie en is passend binnen de diverse beleidsuitgangspunten waaronder de doelstellingen wat betreft de kwantitatieve en kwalitatieve doeleinden met betrekking tot de woningbouw. De planontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor de ambities die de provincie nastreeft en heeft geformuleerd in de Omgevingsvisie Noord-Brabant en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Er wordt met onderhavige ontwikkeling derhalve geen
30
afbreuk gedaan aan de beleidsdoelstellingen en ambities, zoals opgenomen in de structuurvisie en de verordening. Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van onderhavige ontwikkeling wordt gemotiveerd in hoofdstukken 5 tot en met 9.
4.4 Gemeentelijk beleid Het planologisch-juridische beleidskader van het vigerende bestemmingsplan “Den Dungen/Maaskantje” is reeds in paragraaf 1.3 aan bod gekomen. In het verdere vervolg van deze paparagraaf worden de gevolgen van de beleidslijnen uit achtereenvolgens de ‘Structuurvisie Sint-Michielsgestel 2025’, de ‘Structuurvisie Ruimtelijke ontwikkeling Den Dungen’, de ‘Woonvisie 2016-2021’ en de ‘Uitvoeringsnota Woningbouw 2021’, het ‘Woningbouw- en toetsingskader voor de dorpen’ en het beleid ten aanzien van klimaat en duurzaamheid beschreven. Structuurvisie Sint-Michielsgestel 2025 (2011) Toetsingskader Op basis van de gemeentelijke toekomstvisie ‘Zieners van 2025’ is de ‘Structuurvisie Sint-Michielsgestel 2025’ opgesteld. Doel van de structuurvisie is het toekomstbeeld te vertalen in een ruimtelijk plan met status, dat voldoet aan de eisen uit de Wet ruimtelijke ordening. Tegelijk met de structuurvisie is de Woonvisie opgesteld. Dit document word later in deze paragraaf behandeld. De hierna volgende afbeelding betreft een uitsnede van de visiekaart van de gemeente weergegeven.
31
Op basis van een analyse van de huidige situatie worden in de structuurvisie een aantal belangrijke kwaliteiten, maar ook knelpunten onderscheiden. Belangrijke kwaliteiten betreffen de ligging van gemeente Sint-Michielsgestel binnen de invloedssfeer van met name de stad ’s-Hertogenbosch, maar ook Eindhoven en Tilburg, de landschappelijke en groene kwaliteiten zowel binnen de gemeente als daar net buiten (Groene Woud), de hiermee samenhangende recreatieve potentie en het prettig leefklimaat. De belangrijkste knelpunten betreffen de beperkte toegankelijkheid en bereikbaarheid van de natuur en recreatiegebieden, de lage differentiatie in woonmilieus, het ontbreken van een sterke ruimtelijke kwaliteit en identiteit van de dorpscentra en de ongeschikte locatie van bedrijven die qua aard en schaal niet op die specifieke plek thuis horen. De beperkte variatie in woonmilieus laat zich voelen in het beperkte woningaanbod voor starters/jongeren en senioren. Om de kwaliteiten uit te bouwen, de kansen te benutten en de knelpunten en bedreigingen zo adequaat mogelijk te bestrijden, is een ruimtelijk structuurbeeld vervaardigd waaraan een aantal speerpunten is gekoppeld. Eén van de speerpunten betreft de bouwopgave.
Er wordt geconcludeerd dat de woningaantallen uit het gemeentelijk woningbouwprogramma tot 2020 (inmiddels tot en met 2021) in principe toereikend zijn om te bouwen voor migratiesaldo nul. Er is echter een bouwachterstand, waardoor de wachtlijsten zijn opgelopen. Bovendien worden er verdere vertragingen verwacht. Er wordt voor gekozen de bouwopgave ook af te stemmen op de woningbehoefte uit ’s-Hertogenbosch, omdat de gemeente deze stedelingen een goed woonmilieu op korte afstand van de stad te bieden heeft. Dit leidt tot de keuze te bouwen bij alle dorpen. Dit heeft de wens als achtergrond om toekomst te bieden aan de dorpen, de dorpsgemeenschappen, de dorpsvoorzieningen en kleine werkgelegenheid. Dit heeft een sociale en humane achtergrond. De dorpen moeten de gelegenheid krijgen om op een waardige en respectvolle wijze en voor alle bevolkingsgroepen te bouwen aan hun eigen toekomst. Verder ligt de nadruk sterk op de kwalitatieve woningbehoefte. Er moet meer worden gebouwd naar de wensen en behoeften van de inwoners. Hiertoe is onder meer een woonwensenonderzoek uitgevoerd. Duidelijk is in elk geval dat kleinschalig wonen van belang is voor de dorpse uitstraling van de kernen. Doorwerking plan(gebied) Aansluitend op het kaartbeeld op de vorige pagina kan gesteld worden dat er geen expliciete waarden of kwaliteiten aan het plangebied zijn toegedicht.
Bovendien wordt aan de ‘hoofdroute’, ‘groenstructuur’ en ‘maatregel groenstructuur’, voor zover aanwezig, geen afbreuk gedaan. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Structuurvisie Sint-Michielsgestel 2025.
32
Structuurvisie Ruimtelijke ontwikkeling Den Dungen (vastgesteld d.d. 31-102019) Toetsingskader Om de verdere planvorming in het centrum van Den Dungen en het gebied Grienselhof in Den Dungen meer handen en voeten te geven, heeft het Gemeentebestuur van de Gemeente Sint Michielsgestel opdracht gegeven om de mogelijkheden voor (her)ontwikkeling van de genoemde plangebieden te onderzoeken en een breed gedragen ontwikkelingsvisie op hoofdlijnen te ontwikkelen waar betrokken eigenaren en inwoners nauw bij betrokken zijn. Daarnaast heeft het Gemeentebestuur gevraagd om te onderzoeken hoe een mogelijke westelijke uitbreiding van Den Dungen, als dat aan de orde is, zoals aangegeven in het streekplan van de provincie Brabant, volgens bewoners het beste kan plaatsvinden. De inhoud van deze rapportage gaat in belangrijke mate over het centrumgebied en het gebied Grinsel/Grienselhof. Onderhavig plangebied behoort tot het centrumgebied. Compact, compleet en comfortabel zijn de basisbegrippen waar het centrum van Den Dungen aan moet voldoen, wil het voldoen aan de wensen van de inwoners. Van compactheid (begrenzing) is nu geen sprake. Van compleetheid qua functies evenmin en bewoners beoordelen het centrum niet als comfortabel. Deze aspecten zullen derhalve in het centrumplan zoveel als mogelijk moeten worden verwezenlijkt.
Diverse gebiedsdelen bieden mogelijkheden ten behoeve van een herontwikkeling, de schuren van voormalige veehouderij aan de Grote Molenstraat 1 is er daar een van. Om compactheid te realiseren wordt het centrum afgebakend tussen de bestaande functies die een bijdrage leveren aan het centrum. Binnen dit gebied wordt gezocht naar een verdichting van centrumgerelateerde functies binnen een acceptabele loopafstand van elkaar en van het parkeren. Om compleetheid te realiseren wordt binnen het compacte centrum gezocht naar een versterking van de winkelfuncties in de dagelijkse verzorging en aanvullende dienstverlenende functies. Er dient bij die versterking zeker gedacht te worden aan een (verplaatste) supermarkt in het centrum. Een comfortabel centrum bereiken we door de verschillende gebruikers beter te begeleiden dan nu het geval is (nu met shared space) en zorg te dragen voor een veilige situatie. Comfortabel wil ook zeggen dat goede bereikbaarheid van het centrum voor alle verkeerssoorten van wezenlijk belang is. Derhalve ook goede parkeerplekken op acceptabele loopafstand. Comfortabel gaat er ook van uit dat er in het centrum verblijfsplekken aanwezig zijn waar een groene inrichting de dorpse sfeer mede bepaalt. Verdere uitgangspunten: De zichtlijnen vanuit het centrum naar het westelijk gelegen weidelandschap moeten behouden blijven.
Groen loopt derhalve door tot in het centrum. In onderstaande schetsen is de verdere planvorming voor het centrum weergegeven uitgaande van de hiervoor geformuleerde uitgangspunten. Onderhavige plantonwikkeling is hierin opgenomen als locatie voor mogelijk herontwikkeling (noordelijk deel) en nieuwbouw (zuidelijk deel).
33
Uit bovenstaand kaartbeeld blijkt tevens dat de gemeente voor de kern Den Dungen een mogelijke stedelijke uitbreiding naar het westen toe voor ogen heeft. In de Structuurvisie Ruimtelijke ontwikkeling Den Dungen wordt tevens ingezet op eventuele nieuwbouw tussen Donksestraat en Heilig Hartplein (deelgebied noord van onderhavig bestemmingsplan), welke is uit te voeren in twee lagen met een kap. Eventueel kan hier een klein accent geplaatst worden op de hoek Heilig Hartplein en Grote Molenstraat (volledige derde laag). Doorwerking plan(gebied) Het plangebied is aangewezen als ontwikkel-/herstructureringslocatie. Er is een geconstateerd tekort aan appartementen ten behoeve van jongeren en ouderen ten behoeve van doorstroming. Ouderen en jongeren willen ook graag in of in de nabijheid van het centrum wonen en verhuizing van ouderen zorgt voor doorstroming.
34
De beoogde herontwikkeling van de projectlocatie geeft mede invulling aan de doelstelling van de Structuurvisie Ruimtelijke ontwikkeling Den Dungen. Daarbij wordt geen afbreuk gedaan aan genoemde kwaliteiten en worden overige ontwikkelingen niet belemmerd bij het doorgang laten vinden van de ontwikkeling omschreven in dit bestemmingsplan. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Structuurvisie Ruimtelijke ontwikkeling Den Dungen. Woonvisie 2016-2021 en Uitvoeringsnota Woningbouw 2021 Toetsingskader Tijdens de raadsvergadering van 23 juni 2016 heeft de raad de Woonvisie vastgesteld. In de Woonvisie legt de gemeente Sint-Michielsgestel de prioriteiten van het woonbeleid voor de komende jaren vast. De Uitvoeringsnota Woningbouw 2021 bevat een verdere uitwerking van de Woonvisie. De Uitvoeringsnota wordt jaarlijks geactualiseerd. Daarbij wordt concreet ingezet op de komende vijf jaar, met een doorkijk naar de jaren daarna op het gebied van lange termijn ontwikkelingen die de gemeente in het oog wil houden. Gesteld wordt dat tot en met 2025 er binnen de gemeente 1.125 woningen moeten worden gebouwd om in de huisvestingsvraag op basis van demografische ontwikkeling van de huidige bevolking te kunnen voorzien.