CConstaterende datboxtel
Koppel je AI →
Document · PDF

08.a - Bijlage 1 - Ontwerp-bestemmingsplan De Huif (toelichting en planregels)

Raadsvergadering Sint-Michielsgestel 23 november 2023, gemeente boxtelBij agendapunt: 8 Raadsvoorstel Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan De Huif22.352 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Hoofdstuk 4

28

Nutsvoorziening Ten zuiden van de Esscheweg ligt een nutsvoorziening (gasdrukregel- en meetstation). Het perceel heeft in het vigerend bestemmingsplan de bestemming Bedrijf met de aanduiding nutsvoorziening. Hiervoor geldt milieucategorie 1 met een richtafstand van 10 meter. Hier wordt ruim aan voldaan. 4.4.3 Conclusie Er wordt voldaan aan de geldende richtafstanden. Omgekeerd wordt er geen milieubelastende inrichting in het plangebied mogelijk gemaakt. Het parkeerterrein centraal in het plangebied is ten dienste van de toekomstige woningen en wordt derhalve gezien als onderdeel van de woonbestemming. Hiervoor geldt dan ook geen richtafstand. Enige mate van licht en geluid hoort bij het normaal functioneren van een woonwijk met bijbehorend parkeerterrein en valt niet geheel te voorkomen en wordt aanvaardbaar geacht. De verkeersintensiteiten zullen beperkt zijn gelet op de toevoeging van maximaal 39 woningen en de snelheid zal beperkt zijn mede omdat in-/uitrit stapvoets verloopt. Het geluid wordt hierdoor beperkt. Vanuit bedrijven en milieuzonering gelden geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.5 Geur 4.5.1 Toetsingskader Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking getreden. Deze wet vormt het toetsingskader voor vergunningen op grond van de Wet milieubeheer, waar het gaat om stank veroorzaakt door het houden van dieren. Daarnaast is de wet van belang in verband met de zogenoemde ‘omgekeerde werking’ in het kader van de ruimtelijke ordening. 4.5.2 Onderzoek In een straal van 500 meter rondom het plangebied zijn geen agrarische bedrijven aanwezig. Binnen het plangebied kan daarom uit het oogpunt van geur een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Tegelijkertijd zal de ontwikkeling geen belemmering opleveren voor de bedrijfsvoering van omliggende veehouderijbedrijven. 4.5.3 Conclusie Het aspect geurhinder vormt geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling.

4.6 Kabels en leidingen In het plangebied zijn geen kabels of leidingen gelegen die bescherming behoeven en daarom een belemmering van het initiatief vormen. Wanneer graafwerkzaamheden worden uitgevoerd zal een KLIC-melding worden aangevraagd om ervoor te zorgen dat geen kabels worden beschadigd.

Hoofdstuk 4

29

4.7 Externe veiligheid 4.7.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met:  activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;  transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;  transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.

Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

Hoofdstuk 4

30

4.7.2 Onderzoek De externe veiligheidsrisico's voor het plangebied zijn met behulp van de risicokaart geïnventariseerd.

Figuur 4.3 Uitsnede risicokaart (plangebied paars omlijnd)

Risicovolle inrichtingen Ten zuiden van de Esscheweg ligt een gasdrukregelstation. Dit is geen Bevi-inrichting maar heeft wel een afstand (PR 10-6) van 15 meter. Deze afstand moet gemeten worden vanaf het gebouw. De afstand van het gebouw tot de bestemmingsplangrens bedraagt circa 65 meter. Zodoende vormt het gasdrukregelstation geen belemmering. Het Zwembad Zegenwerp is aangeduid als risicovolle inrichting. Dit is vanwege de opslag van chloor ten behoeve van het zwembad. De chlooropslag is geen Bevi-inrichting, maar heeft wel een afstand ‘dodelijk’ (PR 10-6= 90 meter). De geprojecteerde woningen zijn gelegen buiten deze afstand. Voor de inrichting is slechts een ongevallenscenario van toepassing, namelijk de gebeurtenis dat het vloeibare chloorbleekloog in contact komt met zuren waarbij chloorgas vrij komt. De gaswolk die daarbij vrijkomt zal echter gelet op het volume van de opslagtank beperkt in omvang zijn en bovendien al sterk verdund zijn voor deze het plangebied bereikt. Bij tijdige waarschuwing kunnen omwonenden deuren en ramen sluiten, tot de oorzaak is weggenomen en de wolk voldoende is verdund. Transportroutes gevaarlijke stoffen Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van transportroutes van gevaarlijke stoffen. Buisleidingen In de omgeving van het plangebied zijn twee buisleidingen gelegen, buisleidingen Z-515-02-deel-1 en Z-515-06-deel-2.

Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van deze buisleidingen. Door K+ adviesgroep is daarom een kwantitatieve risicoanalyse5 opgesteld. Hierna zullen de belangrijkste aspecten van het onderzoek worden toegelicht. Voor een volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen.

5

K+ adviesgroep, Kwantitatieve risicoanalyse bouwplan De Huif, Hortensiastraat, Sint-Michielsgestel, d.d. 26 januari 2021

Hoofdstuk 4

31

Aangezien het plan is gelegen in de directe nabijheid van een aantal buisleidingen is op grond van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) onderzoek verricht. Uit het onderzoek naar personendichtheid is gebleken dat met de realisatie van het plan de personendichtheid in de toekomstige situatie zal toenemen. De berekeningen voor de buisleiding zijn uitgevoerd met het pakket CAROLA. Uit deze berekening is gebleken dat het plangebied is gelegen buiten de 10-6 plaatsgebonden risicocontour (PR) van een buisleiding. Er wordt voldaan aan de grenswaarde. Ten aanzien van het groepsrisico (GR) blijkt dat de oriëntatiewaarde in zowel de huidige als de toekomstige situatie niet zal worden overschreden. Er kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico (GR). Uit de berekening van K+ adviesgroep d.d. 26 januari 2021 met 36 woningen is gebleken dat deze toename van personendichtheid geen effect had op de uitkomsten en ruim onder de oriëntatiewaarde werd gebleven. Voor de extra drie woningen (totaal dus 39 woningen) mag verwacht worden dat de uitkomsten dan ook niet gaan veranderen en ruim onder de oriëntatiewaarde wordt gebleven. Beperkte verantwoording groepsrisico Een beperkte verantwoording van het GR bestaat uit: 1.

de aanwezige en de te verwachten personendichtheid vanwege de voorgenomen ontwikkelingen in het invloedsgebied van de buisleiding of buisleidingen die van invloed zijn op het groepsrisico; 2. het groepsrisico per kilometer buisleiding op het tijdstip waarop het besluit wordt vastgesteld en de bijdrage van de in dat besluit toegelaten kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten aan de hoogte van het groepsrisico, vergeleken met de lijn die de kans weergeeft op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-4 per jaar en de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-6 per jaar; 3. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval: a. Voor dit onderdeel en het onderdeel zelfredzaamheid wordt advies ingewonnen bij de Veiligheidsregio. De bestrijdbaarheid dient op twee aspecten te worden beoordeeld:  Is het rampscenario te bestrijden?  Is de omgeving voldoende ingericht om bestrijding te faciliteren? 4. de mogelijkheden voor personen die aanwezig zich begeven in het invloedsgebied van de buisleiding of buisleidingen die het groepsrisico mede veroorzaakt of veroorzaken, om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp of zwaar ongeval voordoet. Aspect 1 en 2 zijn in de kwantitatieve risicoanalyse behandeld.

Een advies van de Veiligheidsregio dient gevraagd te worden om aspect 3 en 4 te beantwoorden (zie hierna). Advies Veiligheidsregio Op 24 maart 2022 heeft de Veiligheidsregio Brabant-Noord een advies uitgebracht omdat een deel van de ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt in het invloedsgebied van de hoge drukaardgasleiding Z515-02-deel-1 en Z-515-06-deel-2. Conform artikel 12 BEVB dient het groepsrisico te worden verantwoord. Dit advies en de hieraan ten grondslag liggende overwegingen zijn hieronder opgenomen. Scenario Het relevante scenario is een fakkelbrand. Vanwege (graaf)werkzaamheden ontstaat een breuk in een hogedruk aardgasleiding. Het aardgas stroomt onder hoge druk uit. Het brandbare gas ontsteekt

Hoofdstuk 4

32

waardoor een fakkelbrand optreedt. De effecten van een fakkelbrand zijn hittestraling en rook. Hierdoor kunnen slachtoffers, schade en brand in de omgeving ontstaan. In onderstaande tabel worden de effecten zichtbaar gemaakt.

Tabel 4.4 Slachtoffer- en schadebeeld fakkelbrand

Uit de tabel blijkt dat er een reële kans bestaat dat de vier 2 onder een kap woningen het dichtst liggend bij de gasleidingen zullen ontbranden waardoor de bewoners de woningen moeten ontvluchten. Dit geldt in minder mate voor de meest zuidelijk gelegen woning van de aaneengebouwde woningen aan de Hortensiastraat. De gestapelde bouw ligt buiten de risicozone. De kans op het plaats vinden van dit type scenario's is als gevolg van veel veiligheidsmaatregelen rondom het transport van gevaarlijke stoffen erg klein. Beoordeling zelfredzaamheid Aangenomen mag worden gezien de aard van de woningen en de doelgroep dat de nieuwe bewoners zonder hulp van derden het plangebied kunnen ontvluchten. Een fakkelbrand is direct waarneembaar waardoor de bewoners zich direct bewust zullen zijn van het gevaar. De woningen kunnen via de achterzijde ontvlucht worden in de richting van de geprojecteerde parkeerplaatsen. Vanuit daar wordt bij voorkeur via de recreatieve route (zie figuur 2.1) verder afstand van de fakkelbrand genomen. Beoordeling bestrijdbaarheid Voor het scenario fakkelbrand bij de buisleiding is de bestrijdbaarheid slecht. Bij een incident met een buisleiding kan de fakkelbrand alleen worden bestreden door de toevoer dicht te draaien. Hiervoor dient contact opgenomen te worden met de leidingbeheerder en dit kost veel tijd.

De brandweer kan tot de leiding is afgesloten niet handelend optreden waardoor personen aanwezig binnen een afstand van ca. 140 meter van de fakkelbrand op zich zelf zijn aangewezen. Advies Uit de beoordeling blijkt dat het beste ingezet kan worden op het optimaliseren van de mate van zelfredzaamheid.  informeer de bewoners actief over het risico en handelingsperspectief: vluchten via de parkeerplaats en de recreatieve route.  Voorkom of beperk het gebruik van brandbare constructiematerialen in de gevels gericht naar de buisleidingen en het dak. Hiermee wordt de kans op het ontstaan van een secundaire brand gereduceerd.

Hoofdstuk 4

33

4.7.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid zorgt niet voor belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling. Het advies van de Veiligheidsregio wordt meegenomen in de verdere uitwerking.

4.8 Ecologie 4.8.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staat. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Bij ruimtelijke ingrepen, waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen.

Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen.

Binnen de provincie Noord-Brabant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecologische Verbindingszones (EVZ). Daarnaast wordt ook de groenblauwe mantel beleidsmatig beschermd. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen

Hoofdstuk 4

34

toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Bescherende houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Soortenbescherming De Wnb onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden.

Hierdoor zijn er in de Wnb drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;  soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);  soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);  andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 van de Wnb zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10, niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer of gebruik dan wel ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.8.2 Onderzoek Er is door BRO een quickscan Flora en Fauna6 uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. In onderstaande tabel is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en/of gebieden, en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.

Voor het aspect stikstofdepositie wordt verwezen naar de volgende paragraaf.

6

BRO, Quickscan Flora en Fauna De Huif te Sint-Michielsgestel, d.d. 21 februari 2022

Hoofdstuk 4

35

Tabel 4.5. Overzicht (potentiele) aanwezigheid beschermde soorten/gebieden en te nemen vervolgstappen

Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen:  Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten;  In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. 4.8.3 Conclusie Vanuit het aspect flora en fauna zijn er geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.

4.9 Stikstofdepositie Het plangebied ligt niet binnen de grenzen van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is “Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek”, op een afstand van ongeveer 4,2 km. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het projectgebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van in totaal 39 woningen betreft, kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de gebruiksfase op omliggende Natura 2000-gebieden niet op voorhand worden uitgesloten.

Hoofdstuk 4

36

AERIUS-berekening gebruiksfase Om deze reden is een AERIUS-berekening voor de gebruiksfase uitgevoerd7. De belangrijkste conclusies zijn hieronder beschreven. Voor de gehele rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. Uit deze berekening blijkt dat bij de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Omdat significant negatieve gevolgen zijn uitgesloten, hoeft voor de ontwikkeling geen passende beoordeling opgesteld te worden. Omdat er van het project geen significant negatieve gevolgen te verwachten zijn, geldt ook geen vergunningplicht van de Wet natuurbescherming. In juli 2021 de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden waarbij een vrijstelling geldt voor stikstofuitstoot tijdens de bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten waardoor het makkelijker is een vergunning te krijgen voor de bouw van initiatieven waarbij in de gebruiksfase weinig stikstofuitstoot plaatsvindt. Op basis van voorgaande gaat de AERIUS-berekening uitsluitend in op de gebruiksfase van de woningen. AERIUS-berekening aanlegfase Gezien de recente ontwikkelingen op het gebied van stikstof is voor gekozen om zekerheidshalve ook een AERIUS-berekening voor de aanlegfase uit te voeren8. De belangrijkste conclusies zijn hieronder beschreven.

Voor de gehele rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. Uit deze berekening blijkt dat bij de aanlegfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Omdat significant negatieve gevolgen zijn uitgesloten, hoeft voor de ontwikkeling geen passende beoordeling opgesteld te worden. Omdat er van het project geen significant negatieve gevolgen te verwachten zijn, geldt ook geen vergunningplicht van de Wet natuurbescherming.

4.10 Bodem 4.10.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat, indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk.

7 8

BRO, AERIUS-berekening De Huif Sint-Michielsgestel, d.d. 18 februari 2022 BRO, AERIUS-berekening aanlegfase De Huif, Sint-Michielsgestel, d.d. 5 juli 2022

Hoofdstuk 4

37

4.10.2 Onderzoek Er is door Econsultancy een verkennend bodemonderzoek9 uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Op basis van een milieutechnisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie ‘onverdacht, niet lijnvormig’. Hierbij geldt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is. De bodem bestaat voornamelijk uit matig siltig, zeer fijn tot matig fijn zand. De bovengrond is bovendien zwak humeus en is plaatselijk zwak gleyhoudend. Ter plaatse van boring 03 is in het traject 0,3-0,6 m –mv een zwakke bijmenging met kolengruis aangetroffen. Er zijn verder zintuiglijk geen bijmengingen waargenomen. In de zintuiglijk schone bovengrond is een lichte verontreiniging met lood aangetoond. In de zintuiglijk met kolengruis verontreinigde bovengrond en in de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. In het grondwater is een lichte verontreiniging met barium en zink aangetoond. Gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er geen reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geen belemmering voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling op de ontwikkelingslocatie.

4.10.3 Conclusie Vanuit het aspect bodem zijn er geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.

4.11 Water 4.11.1 Toetsingskader Rijksoverheid Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding, die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling, die mogelijk wordt gemaakt. Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau vertaald via rijks-, provinciaal en waterschapsbeleid, naar gemeentelijk beleid om samen de waterproblematiek in Nederland aan te pakken. Dit resulteert in de verplichting een watertoets uit (te) laten voeren. De voorschriften zijn vastgelegd in onder andere de Europese Kaderrichtlijn Water (22 december 2004) en zijn verder geïmplementeerd in het rijksbeleid. Dit om door samenwerking van organen met de verschillende bevoegdheden tot een duurzaam watersysteem te komen. Naast dit beleidskader is in het provinciaal Milieu- en waterplan Noord-Brabant 2016-2021 (PNWP) ook het toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water opgenomen. Dit plan staat voor "samenwerken aan Brabant, waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving".

9

Econsultancy, Verkennend bodemonderzoek Hortensiastraat 2 te Sint-Michielsgestel, d.d. 25 januari 2021

Hoofdstuk 4

38

Voor het grotere oppervlaktewaterstelsel zijn er in Nederland diverse waterschappen actief die zich richten op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. De waterbeheerders werken daarom integraal samen met gemeenten, die het beheer over de ruimtelijke ordening en openbare ruimte hebben, om deze doelstellingen te halen. Waterschap de Dommel Het plangebied valt onder het beheer van waterschap De Dommel. Het waterschap is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. In het Waterbeheerprogramma staat hoe het waterschap haar taken in die periode uitvoert. Het waterschap bepaalt hiermee de koers voor de komende zes jaar. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie.

Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. Het waterschap toetst een ruimtelijk plan op 8 onderwerpen: 1. Voorkomen van vervuiling. 2. Wateroverlast vrij bestemmen. 3. Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen (HNO). 4. Vuil water en hemelwater scheiden. 5. Hergebruik > infiltratie > buffering > afvoer. 6. Waterschapsbelangen. 7. Meervoudig ruimtegebruik. 8. Water als kans. In de keur van het waterschap is opgenomen dat het is in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van het verhard oppervlak of door afkoppelen van de bestaande oppervlakte, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen (Artikel 3.6 ‘Verbod afvoer door verhard oppervlak’). De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgen omen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater’. Het verbod uit artikel 3.6 van de keur is van toepassing tenzij:  het afkoppelen van het verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of;  de toename van het verhard oppervlak maximaal 500 m² is, of;  de toename van het verhard oppervlak bestaat uit een groen dak.

 de toename van het verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel. Benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06. Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften:  de bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen;

Hoofdstuk 4

39

de afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen.

Bij ontwikkelingen waarbij de toename van het verhard oppervlak 500 m² of groter is, wordt vanuit het waterschap retentie geëist. Gemeente Sint-Michielsgestel In 2020 is het verbreed gemeentelijk rioleringsplan 2020 - 2024 (VGRP) vastgesteld. In dit VGRP is een strategie beschreven met betrekking tot hemelwater. De strategie uit het VGRP is onderstaand in het kort omschreven. Schoon houden, scheiden, zuiveren Vertrekpunt is het principe dat bij nieuwbouw stedelijk afval- en hemelwater gescheiden worden ingezameld. Indien wijkreconstructies en rioolvervanging/verbetering aan de orde zijn, dient de meest doelmatige manier van hemelwaterverwerking te worden onderzocht. Afkoppelen is hierbij geen doel op zich, maar een middel om doelen te bereiken. Bij bedrijventerreinen en evenemententerreinen is over het algemeen sprake van grote dakoppervlakten en veel terreinverharding met een mogelijk hoge vervuilingsgraad. De voorkeur voor dergelijke bedrijventerreinen is derhalve rechtstreekse lozing van dakwater op oppervlaktewater of indien mogelijk met behulp van plaatselijke infiltratie in de bodem. Voor het overige hemelwater wordt een verbeterd gescheiden stelsel als uitgangspunt gehanteerd. Hydrologisch neutraal ontwikkelen (waterschappen) Ondanks dat de Keur 2015 in werking is getreden blijft voor de afvoer van hemelwater het uitgangspunt ‘hydrologisch neutraal ontwikkelen’ gelden.

Dit houdt in dat het hemelwater dat op daken en verhardingen valt, niet versneld mag worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Voor behandeling van dit water wordt de waterkwantiteitstrits gehanteerd, waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 5 het minst wenselijk is: 1. hergebruik; 2. vasthouden / infiltreren; 3. bergen; 4. afvoeren naar oppervlaktewater; 5. afvoeren naar de riolering. De initiatiefnemer dient de trits te doorlopen en te beargumenteren voor welke optie wordt gekozen. ‘Vasthouden’ betekent infiltratie in de bodem. Nummer 1 en 2 zijn overeenkomstig met vasthouden uit de trits vasthouden → bergen → afvoeren van de stichting Rioned, nummer 3 met bergen en nummer 4 en 5 met afvoeren. Als hergebruik en (volledige) infiltratie niet mogelijk zijn, is afvoer naar een oppervlaktewater / riolering mogelijk. In dit geval kan een compenserende berging noodzakelijk zijn. Bij een compenserende berging kan worden gedacht aan een vijver, een infiltratievoorziening of buffersloot met een geknepen afvoer naar een watergang. Bergingsvoorzieningen dienen te worden gedimensioneerd conform de richtlijnen van de waterschappen De Dommel en/of Aa en Maas.

Hoofdstuk 4

40

Gezien de geohydrologische omstandigheden binnen de gemeente is het uitgangspunt dat perceeleigenaren in nieuw-, her- en verbouw situaties bij zowel in- als uitbreidingen hun hemelwater altijd redelijkerwijs zelf verwerken. Dit betekent het kunnen bergen/verwerken van de neerslaggebeurtenissen uit de Keur (bergingseis van 60mm). Als ondergrens wordt een toename van 250 m², in plaats van 500 m² uit de Keur gehanteerd. In incidentele gevallen, zoals in bestaand stedelijk gebied en/of in lokaal minder geschikte geohydrologische omstandigheden (hoge grondwaterstand en/of slechte doorlatendheid), kan hemelwaterafvoer via een openbare voorziening een doelmatiger oplossing vormen. De afweging hiervoor wordt door de gemeente gemaakt. 4.11.2 Onderzoek Er is door Econsultancy een watertoets10 opgesteld. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. De planlocatie was tot begin 2020 bebouwd met dorpshuis ‘De Huif’ en is momenteel braakliggend. Op de percelen 4526 en 4539, Theerestraat 7 en 9, staat een schuur. Om een indicatie te geven van het toekomstig verhard oppervlak is uitgegaan het verkavelingsplan.

Bij de berekening van het verhard oppervlak is op basis van de perceel oppervlakten 75% van het netto perceeloppervlak (perceeloppervlak - bebouwing) van de rijwoningen beschouwd als aanname voor het toekomstig verhard oppervlak van bijbouwen en tuin/erfverharding. Voor de hoekwoning op de Hortensiastraat-Esscheweg is uitgegaan van een percentage van 40%, voor de twee-onder-een-kap woningen een percentage van 60% en voor de hoekwoning aan de Esscheweg een percentage van 30%. Het verhard oppervlak in de toekomstige situatie bedraagt 3.080 m². Op basis van de toekomstig verhard oppervlak en de bergingseis bedraagt de waterbergingsopgave voor het plangebied in totaal circa 185 m³ (3.080 m² x 60 mm / 1.000). In de toekomstige situatie zal het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer) niet op het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer) worden aangesloten maar separaat binnen het plangebied worden verwerkt. Dit betekent dat bij de verdere planuitwerking water expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing wordt genomen en dat hemelwater op een duurzame wijze wordt verwerkt. De ontwikkeling zal daarmee hydrologisch neutraal zijn. Om inzicht te krijgen in het ruimtebeslag die bij een (potentiële) voorziening hoort, is als alternatief een variant uitgewerkt waarbij het hemelwater wordt geborgen in of onder de bestratingen bijvoorbeeld in de fundering.

Voor de bestratingselementen en funderingslaag kunnen verschillende materialen worden toegepast zoals lava, (drain)zand, waterdoorlatende bestrating en/of bergende bestratingselementen. Het vullen van het systeem kan op conventionele wijze middels kolken en verbuizing, waterdoorlatende verhardingsconstructies (steen of voeg), permeoblokken en/of lijn,- molgoten. Het Aquaflow® systeem is een systeem waarbij regenwater via de voeg, steen of op conventionele wijze op een snelle en veilige manier wordt gebufferd in een laag drainagezand dat wordt aangebracht onder de weg. In het systeem wordt een filterdoek tussen de bestrating de bergende wegfundering aangebracht. Deze zorgt ervoor dat zware metalen, PAK en minerale oliën worden afgebroken. De funderingslaag waarin 40% aan holle ruimte aanwezig is, heeft een bergingscapaciteit van 140 liter per m². Om het regenwater tijdelijk te bufferen en vertraagt af te voeren is een oppervlak van ca. 1.325 m² benodigd (185 m³ / 0,14 m³). Op basis van het huidige planvoornemen, hebben de wegen en

10

Econsultancy, Watertoets Hortensiastraat 2 te Sint-Michielsgestel, d.d. 4 juli 2022

Hoofdstuk 4

41

parkeerplaatsen een gezamenlijk oppervlak van 1.020 m². Dit oppervlak is niet groot genoeg om de gehele wateropgave in een standaard Aquaflowpakket te kunnen bergen. Om de bergingscapaciteit per m² te vergoten kan ervoor gekozen worden om lokaal de dikte van het waterbergende fundatiepakket te verhogen. Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten is de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd hydrologisch positief uit te voeren. Er worden dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmeringen verwacht ten aanzien van de ruimtelijke procedure en de uitvoering van het plan. 4.11.3 Conclusie Vanuit het aspect water zijn er geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.

4.12 Archeologie 4.12.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Volgens de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Sint-Michielsgestel ligt de gehele onderzoekslocatie in een gebied met een hoge archeologische verwachting voor Neolithicum tot en met Middeleeuwen. In deze gebieden dient bij planvorming en voorafgaand aan vergunningverlening bij bodemingrepen groter dan 100 m² en dieper dan 50 cm -mv er vroegtijdig inventariserend archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Het initiatief is daarmee onderzoeksplichting. 4.12.2 Onderzoek Er is door Econsultancy een archeologisch bureau- en booronderzoek11 uitgevoerd.

In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. In het bijzonder verhoogt de mogelijke ligging van het plangebied op hoger gelegen gronden bij een beekdal de kans daarop. Uit het booronderzoek blijkt dat de aangetroffen bodemopbouw is verstoord tot in de Cg-horizont. De gespecifieerde archeologische verwachting zoals deze is weergegeven tijdens het bureauonderzoek,

11

Econsultancy, Archeologisch bureau- en booronderzoek Hortensiastraat 2 te Sint-Michielsgestel, d.d. 19 januari 2021

Hoofdstuk 4

42

dient door het booronderzoek te worden bijgesteld naar laag voor alle perioden. Op basis van de waargenomen bodemverstoringen kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek wordt geadviseerd om het plangebied vrij te geven. 4.12.3 Conclusie Vanuit het aspect archeologie zijn er geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.

4.13 Cultuurhistorie 4.13.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. De gemeente Sint-Michielsgestel heeft een erfgoedverordening (Erfgoedverordening Sint-Michielsgestel 2017). Deze heeft met name betrekking op gemeentelijke en archeologische monumenten.

4.13.2 Onderzoek De Esscheweg is in de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van Noord-Brabant aangeduid als een lijn met redelijk hoge historische geografie. Op circa 65 meter, aan de Theerestraat 10, is een cultuurhistorisch woonhuis gelegen. Verder zijn er in de omgeving van het plangebied geen cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de cultuurhistorische waarde van de Esscheweg en het woonhuis aan de Theerestraat 10. De betrokken percelen en objecten zijn op basis van de Erfgoedverordening van de gemeente niet aangemerkt als monument of beschermd dorpsgezicht. 4.13.3 Conclusie Vanuit het aspect cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.

Hoofdstuk 4

43

4.14 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.14.1 Toetsingskader Bij besluit van 21 februari 2011 zijn het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht gewijzigd. De belangrijkste wijziging betreft het meer in lijn brengen van het besluit m.e.r. met de Europese richtlijn m.e.r. Dit houdt in dat onder andere de zogenaamde drempelwaarde voor activiteiten een indicatief karakter heeft gekregen. Met dit wijzigingsbesluit is bepaald dat voor activiteiten, die op de bij het besluit behorende C- en D-lijst zijn opgenomen, altijd aandacht aan m.e.r. geschonken dient te worden. Dit strekt tot het bepalen of een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat voor activiteiten die behoren tot de C-lijst een m.e.r.-plicht volgt en voor activiteiten op de D-lijst volgt dan wel een m.e.r.(beoordeling). Hierbij is (onder meer) de bij de activiteit behorende drempelwaarde van belang. Op 16 mei 2017 is een herziening van de m.e.r- wetgeving in werking getreden. Als een project (activiteit die voorkomt in Bijlage D van het Besluit m.e.r.) nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben moet een initiatiefnemer dit melden bij het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag moet dan binnen 6 weken beslissen of een m.e.r.-plicht geldt. 4.14.2 Aanmeldingsnotitie m.e.r. Voor de beoogde ontwikkeling is een aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling12 opgesteld.

Het bevoegd gezag beslist of er een m.e.r.-plicht geldt. De conclusie van de m.e.r.-beoordeling is dat het plan geen belangrijke negatieve gevolgen zal hebben voor de kenmerken van het gebied en voor het woon- en leefmilieu in de omgeving. Er worden geen negatieve effecten verwacht vanwege de ligging van het plangebied ten opzichte van gevoelige gebieden. Geconcludeerd wordt dat geen belangrijke nadelige milieugevolgen worden verwacht en dat het opstellen van een MER niet noodzakelijk wordt geacht. In de notitie wordt het bevoegd gezag geadviseerd te besluiten dat er geen MER behoeft te worden vastgesteld.

12

BRO, Aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling, bestemmingsplan De Huif Sint-Michielsgestel, d.d. 5 juli 2022

Hoofdstuk 4

44

5.

JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.

5.2 Plansystematiek Het bestemmingsplan bestaat uit de juridisch bindende regels en verbeelding en gaat vergezeld van een toelichting. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, regels omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij de harde randvoorwaarden. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Hieronder wordt de systematiek, opbouw en indeling van de regels kort toegelicht. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

Hoofdstuk 5

45

Hoofdstuk 1: Inleidende regels In artikel 1 wordt een omschrijving van de in de regels gehanteerde begrippen gegeven. Artikel 2 geeft de meet- en rekenwijze aan:  Begrippen: In deze regels zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begrippen zijn alleen nodig wanneer die gebruikt worden in de regels en wanneer deze tot verwarring kunnen leiden of op meerdere manieren te interpreteren zijn.  Wijze van meten: Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels In het tweede hoofdstuk komt de bestemming aan de orde. De opbouw van de bestemming ziet er als volgt uit:  Bestemmingsomschrijving: de omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functie.  Bouwregels: in de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd.

Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart).  Afwijken van de bouwregels: burgemeester en wethouders kunnen door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning bepaalde oppervlaktematen van bijgebouwen en herbouw van een woning buiten het bouwvlak, die conform de bouwregels niet zijn toegestaan, toch toestaan. De criteria, die bij toepassing van deze bevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.  Specifieke gebruiksregels: in dit artikel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die, waarvan het op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de in de bestemmingsomschrijving genoemde doeleinden. Hoofdstuk 3: Algemene regels In het derde hoofdstuk zijn de regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het gehele plan. De algemene regels zijn (evenals de inleidende regels) van belang voor een juiste interpretatie van de bestemmingsregels.

 Anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.  Algemene gebruiksregels: deze regels geven algemene regels over wat onder een strijdig gebruik wordt verstaan. Ook is een regeling opgenomen ter waarborging van voldoende parkeergelegenheid.  Algemene afwijkingsregels: in deze regels is aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.

Hoofdstuk 5

46

Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregel(s) In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en de slotregel opgenomen:  Overgangsrecht: bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsregel houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet. Een hardheidsclausule is opgenomen zodat het bevoegd gezag kan afwijken van het overgangsrecht voor gebruik.  Slotregel: deze regel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald (de naam van het bestemmingsplan).

5.3 Toelichting op de bestemmingen Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit de volgende bestemmingen. Tuin Deze bestemming is gelegd op de gronden die in beginsel niet mogen worden bebouwd. Het betreft in dit geval de voortuinen bij woningen aan de zijde van de Esscheweg en de zijde van het perceel grenzend aan de Hortensiastraat. Uit ruimtelijk oogpunt is het gewenst dat deze delen niet worden bebouwd. Slechts erf- en terreinafscheidingen zijn toegestaan, alsmede met name in voortuinen zeer ondergeschikte bouwdelen als erkers. Binnen de bestemming ‘Tuin’ zijn in- en uitritten alsmede eventuele de daarbij behorende parkeervoorzieningen toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding ‘ontsluiting’ is één ontsluitingsweg toegestaan naar het achterliggende parkeerterrein. Wonen De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor alle woningen in het plangebied met bijbehorende gebouwen en bouwwerken, erven, tuinen, parkeervoorzieningen en verhardingen. Ter plaatse van de aanduiding ‘ontsluiting’ is één ontsluitingsweg toegestaan naar het achterliggende parkeerterrein. Voor het beoogde parkeerterrein is de aanduiding ‘parkeerterrein’ opgenomen. Gebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak en binnen het aangeduide bebouwingstype. Bijbehorende bouwwerken, carports, veranda’s, overkappingen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn zowel binnen als buiten het bouwvlak toegestaan.

De maximum goot- en bouwhoogte van de woningen is opgenomen op de verbeelding, alsmede het maximum aantal toegestane wooneenheden. Voor de regeling van bijgebouwen is aangesloten bij de standaard van de gemeente Sint-Michielsgestel. De aan-huis-verbonden bedrijven en beroepen zijn rechtstreeks mogelijk en middels een specifieke gebruiksregel geregeld. Belangrijke voorwaarde daarbij is dat de parkeersituatie goed is geregeld en dat het beroep of de bedrijfsmatige activiteit door de hoofdbewoner(s) wordt uitgeoefend. Er is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de realisatie en instandhouding van voldoende waterberging.

Hoofdstuk 5

47

Envelop-principe Qua dakhelling is aangesloten bij de envelopprincipe die de gemeente Sint-Michielsgestel aanhoudt in komgebieden. In beginsel is een dak met een helling van 0° tot 60° voorgeschreven. Binnen de maximale grenzen, die het dak kan hebben, is het bouwen met een afwijkende dakvorm echter toegestaan. Bij een afwijkende kapvorm valt bijvoorbeeld te denken aan een rond dak, een topgevel of een andere rechtopgaande gevelconstructie, mits de voorgestelde dakoplossing van het bouwplan blijft binnen de denkbeeldige lijnen van deze dakhelling. Om dergelijke constructies mogelijk te maken, is in de regels gebruik gemaakt van het zogenaamde ‘envelop-principe’. Zolang het bouwplan blijft binnen de maximale contouren van de dakhelling, die de vorm heeft van een opengevouwen envelop, kan de bouwvergunning worden verleend, voor zover het de toetsing van het bestemmingsplan betreft.

Figuur 5.1 Envelop-principe in beeld gebracht

Overschrijding van de denkbeeldige lijnen van de dakhelling is mogelijk voor dakkapellen, schoorstenen en andere uitstekende delen van ondergeschikte betekenis. De formulering ‘van ondergeschikte betekenis’ is nader ingevuld door de bepaling dat de uitstekende delen niet meer dan de helft van de breedte van het dakvlak mogen beslaan. Om ongewenste discussies te voorkomen ten aanzien van platte afdekkingen is in de planregels opgenomen dat voor gestapelde woningen het envelop principe niet geldt, wat inhoudt dat platte afdekkingen zijn toegestaan voor gestapelde woningen.

Hoofdstuk 5

48

6.

UITVOERBAARHEID In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

6.1 Economische uitvoerbaarheid Uitgangspunt voor de beoogde ontwikkelingen is dat de kosten voor het bestemmingsplan door de gemeente worden betaald. Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) in samenhang met artikel 6.12 lid 4 Wro is de gemeenteraad van Sint-Michielsgestel verplicht om de kosten te verhalen en voor het plangebied gelijktijdig met het bestemmingsplan een exploitatieplan vast te stellen, waarop het gebied betrekking heeft. Niet in alle gevallen is de gemeenteraad verplicht een exploitatieplan vast te stellen. Op grond van artikel 6.12 lid 2 kan de gemeenteraad van de gemeente besluiten geen exploitatieplan vast te stellen als het kostenverhaal verzekerd is. Met onderhavig bestemmingsplan wordt een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro mogelijk gemaakt. Momenteel is de gemeente Sint-Michielsgestel eigenaar van alle gronden in het plangebied. Momenteel worden de definitieve uitgangspunten voor de verkoop van het kavel opgesteld en vervolgens wordt de grond in een openbare verkoopprocedure aan een selectie van partijen aangeboden. Er zal dan een anterieure overeenkomst gesloten zoals is bepaald in artikel 6.24 Wro. Hierdoor geldt geen verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan. In deze anterieure overeenkomst zijn de afspraken tot verhaal van kosten goed vastgelegd.

Ook is vooraf een overeenkomst tot verhaal van kosten tegemoetkoming planschade aangegaan.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Er zijn wettelijke eisen met betrekking tot de voorbereiding en totstandkoming van een bestemmingsplan. Artikel 3.8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan de in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. Dit houdt in dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het gewenst dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dientengevolge zijn de volgende stappen te onderscheiden:  Vooroverleg;  Inspraak;  Vaststellingsprocedure.

Hoofdstuk 6

49

6.2.1 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan zijn geïnformeerd. Er zijn in het kader van het vooroverleg twee reactie binnen gekomen van het Waterschap de Dommel en de Veiligheidsregio. Het plan is aangemeld bij de provincie. De provincie heeft geen opmerkingen. Waterschap de Dommel geeft aan in te stemmen met het concept ontwerpbestemmingsplan. Er wordt in dit plan op een goede manier omgegaan met de waterhuishoudkundige belangen. Het waterschap heeft nog een aantal toevoegingen.  Aanpassing planregels: o Om bij de diverse bestemmingen, de bestemmingsomschrijving als nevenfunctie “water en waterhuishoudkundige voorzieningen” toe te voegen, zodat hemelwaterberging en -infiltratie mogelijk wordt gemaakt. -> Was al opgenomen in de bestemmingsomschrijvingen; geen aanpassing. o Het begrip ´water en waterhuishoudkundige voorzieningen´ in de begrippenlijst op te nemen. > begrip was al opgenomen; geen aanpassing.

o Een voorwaardelijke verplichting op te nemen voor de waterbergingsopgave en verwerking van het hemelwater. -> voorwaardelijke verplichting opgenomen.  Opnemen Waterbeheerprogramma 2022-2027 -> nieuwe waterbeheerprogramma opgenomen. Het advies van de Veiligheidsregio is opgenomen in de paragraaf externe veiligheid in de toelichting. In het advies wordt ingegaan op de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. 6.2.2 Inspraak De Wro zelf bevat geen bepalingen omtrent inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze en aan wie de mogelijkheid wordt geboden hun mening kenbaar te maken. Dit plan wordt niet voor inspraak in procedure gebracht. In het voortraject heeft reeds participatie plaatsgevonden met Bewonerscollectief “Buren van De Huif”. 6.2.3 Vaststellingsprocedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvinden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Als onderdeel van deze procedure wordt het bestemmingsplan gedurende een termijn van 6 weken ter inzage gelegd voor zienswijzen.

Te zijner tijd zullen de uitkomsten van de ter inzagelegging en de consequenties voor het bestemmingsplan worden beschreven in deze paragraaf.

Hoofdstuk 6

50

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Ladder voor duurzame verstedelijking Bijlage 2: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 3: Kwantitatieve risicoanalyse Bijlage 4: Quickscan flora en fauna Bijlage 5: AERIUS-berekening gebruiksfase Bijlage 6: AERIUS-berekening aanlegfase Bijlage 7: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 8: Watertoets Bijlage 9: Archeologisch bureau- en booronderzoek Bijlage 10: Aanmeldingsnotitie m.e.r. Bijlage 11: Beeldkwaliteitsplan Bijlage 12: Ontwerpbesluit Hogere waarden

De Huif

Inhoudsopgave

Regels

3

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

4

Artikel 1 Artikel 2

Begrippen Wijze van meten

4 11

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

12

Artikel 3 Artikel 4

Tuin Wonen

12 13

Hoofdstuk 3

Algemene regels

16

Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7

Anti-dubbeltelregel Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels

16 17 18

Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

19

Artikel 8 Artikel 9

Overgangsrecht Slotregel

19 20

2

Bestemmingsplan "De Huif" (ontwerp)

Regels

Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1

Inleidende regels

Begrippen

het plan

het bestemmingsplan 'De Huif' van de gemeente Sint-Michielsgestel; 1.2

bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0845.BP2022SMGDEHUIF-ON01 met de bijbehorende regels en bijlage; 1.3

aanbouw

een aan een hoofdgebouw toegevoegd afzonderlijk gebouw dat in functioneel opzicht een integrerend onderdeel van het hoofdgebouw vormt en in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.4

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=MijnGemeenteDichtbij&id=2c7626a1-3342-4f1a-9809-14a13a5a20f6