07.a - Bijlage 1 - Plantoelichting vast te stellen BP Nieuwstraat 96 SMG
Tekst van het document
Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten, zoals verwoord in de Woonvisie 2016-2021 en de Uitvoeringsnota Woningbouw 2021. De realisatie van zorgwoningen voor de beoogde doelgroep sluit aan bij de woonvisie. Klimaat en duurzaam De gemeente Sint-Michielsgestel wil zich naar de toekomst toe klimaatbestendig en duurzaam ontwikkelen. De gemeente Sint-Michielsgestel wil daarom graag van iedere bouwer een bijdrage in het milieuverantwoord bouwen en klimaat robuust inrichten. Het algemene ruimtelijke uitgangspunt van gemeenten is er verder op gericht om te komen tot ‘duurzaam bouwen’. Duurzaam bouwen verhoogt de gebruikswaarde (functioneel), belevingswaarde (vorm) en de toekomst (tijd) voor de bebouwde omgeving. Duurzaam bouwen is in dit geval te onderscheiden in stedenbouwkundig en bouwkundig duurzaam bouwen. Een goed stedenbouwkundig plan draagt bij aan een duurzame toekomst en voorkomt onder andere verloedering en leegstand. In ieder geval geldt voor het bouwplan dat niet-uitloogbare bouwmaterialen worden gebruikt en dat er, van overheidswege, steeds meer eisen worden gesteld aan duurzaam/milieubewust bouwen. Ruimtelijke kwaliteit vormt de voorwaarde voor een goed woon- en leefmilieu. Belangrijk hierbij is het om de stedenbouwkundige structuur op een goede manier kenbaar te maken en te behouden.
Initiatiefnemer streeft op de volgende manieren duurzaamheid na:
35
•
• •
Duurzame leefomgeving: Een omgeving waar mensen met dementie gedurende de laatste levensfase prettig kunnen verblijven. Dit kunnen we realiseren door een goed woonklimaat, een aantrekkelijk gebouw en een tuin waarin de bewoners veilig kunnen genieten van alles wat de natuur kan bieden; Betaalbaar wonen: Initiatiefnemer maakt kleinschalig wonen met particuliere zorg mogelijk voor een brede groep. Een toelichting over betaalbaarheid en toewijzing is in een memo opgenomen, bijlage 13; Fijne leefomgeving: Een zo natuurlijk mogelijke leefomgeving creëren voor de ouderen.
36
4. Milieu-hygiënische en planologische verantwoording Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De beleidsvelden groeien naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de afweging van het al dan niet toelaten van bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Tevens is het van belang milieubelastende functies, zoals bedrijfsactiviteiten, ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies, zoals woningen. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de milieu- en ruimtelijke aspecten die van belang zijn bij de transformatie van de woning naar een woonzorghuis aan de Nieuwstraat te Sint-Michielsgestel. De resultaten van de onderzoeken naar de milieukundige haalbaarheid worden beschreven en er wordt aan de andere – ruimtelijk relevante – waarden en omgevingsaspecten, zoals verkeer en mobiliteit, getoetst. De thema’s die aan bod komen, hebben direct of indirect betrekking op de voorgenomen planontwikkeling.
4.1 M.e.r.-beoordeling Toetsingskader Het Besluit Mer is per 1 juli 2017 gewijzigd. De nieuwe beoordelingssystematiek moet worden toegepast en worden omschreven. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die onder de drempelwaarden van kolom 2 vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Dit houdt in dat er voorafgaand aan de vaststelling van een bestemmingsplan een aparte mer-beoordelingsbeslissing moet worden genomen dat geen MER nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een m.e.r. nodig. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus altijd nodig als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst en die onder de drempelwaarden liggen. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling gelden twee voorwaarden: 1. het gaat over één of meer activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r.; 2. de omvang van al die activiteit(en) ligt onder de drempelwaarde (kolom 2 van de D-lijst).
Bij besluiten en plannen over activiteiten die niet op de D-lijst staan, is de vormvrije m.e.r.-beoordeling dus niet nodig. In de bijlage bij het Besluit MER is opgenomen welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst).
37
Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling kan aandacht worden besteed aan het volgende: • een globale beschrijving van de ingreep-effectrelaties en dosis-effectrelaties van de voorgenomen activiteit; • wat zijn maatgevende effecten van de voorgenomen activiteit? Is er sprake van emissies (bijvoorbeeld van geluid, lucht), verkeersaantrekkende werking e.d.? • wat is het ruimtebeslag? • wat is de afstand van de activiteit(en) tot gebieden die gevoelig zijn? • zijn er met betrekking tot de activiteit indicatieve invloedsafstanden bekend? (bijvoorbeeld uit het ‘groene boekje’) • waarvoor zijn de gebieden gevoelig? Heeft de voorgenomen activiteit daar invloed op? Doorwerking plan(gebied) Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit de D-lijst van het Besluit m.e.r. overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn. 1. In het plangebied wordt de realisatie van een woon-zorghuis mogelijk gemaakt. Er is daarmee geen sprake van een overschrijding van de drempelwaarden uit de D-lijst van het Besluit m.e.r. 2. In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een ‘gevoelig gebied’.
Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Het plangebied behoort niet tot een waterwinlocatie, waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Ook behoort het plangebied niet tot een gebied waarbinnen een Rijksmonument ligt of een Belvédèregebied. 3. In dit hoofdstuk worden de milieueffecten beschouwd, zoals geluid en luchtkwaliteit. Hieruit blijkt dat er door onderhavig bestemmingsplan geen sprake zal zijn van nadelige milieugevolgen. Conclusie Het realiseren van het woonzorghuis valt in beginsel onder onderdeel D (stedelijk ontwikkelingsproject, categorie D.11.2) van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Aangezien het gaat om de realisatie van 40 woonstudio’s binnen één complex binnen een bestaande woonbestemming wordt dit niet gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. Bovendien zullen, gelet op kleinschalige karakter van het plan in vergelijking met de plandrempels uit het Besluit m.e.r. en de kenmerken van de potentiele effecten, geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de milieutoets van de verschillende milieuaspecten, zoals deze in de overige paragrafen zijn opgenomen. Voor de aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt verwezen naar bijlage 11.
38
4.2 Archeologie en cultuurhistorie Toetsingskader Belangrijk bij de afweging of er gebouwd kan worden, is het nagaan of er in of rondom het plangebied belangrijke archeologische er cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Het voorkomen van deze waarden wil niet per definitie zeggen dat er ter plaatse niet gebouwd kan worden, maar geeft aan dat zorgvuldig omgaan met deze waarden vereist is. Doel van het archeologische onderzoek is het waar nodig beschermen van archeologische waarden en het streven naar behoud van de waarden in de bodem (in situ). De essentie van het archeologische onderzoek is het verkrijgen van gegevens over de archeologische resten in de bodem teneinde in een vroeg stadium een goede afweging te kunnen maken van alle bij een ruimtelijk besluit betrokken belangen. Het archeologische onderzoek is verankerd in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg uit 2007. De uitgangspunten van de wet zijn: • archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren en alleen opgraven als behoud in de bodem (in situ) niet mogelijk is; • de initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling moet in een vroegtijdig stadium aangeven hoe met eventuele archeologische waarden bij bodemverstorende ingrepen zal worden omgegaan.
Dit houdt in een verplichting tot vooronderzoek bij werkzaamheden die de grond gaan verstoren; • bodemverstoorders betalen archeologisch onderzoek en mogelijke opgravingen. De kosten voor noodzakelijke archeologische werkzaamheden komen ten laste van de initiatiefnemer. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Bro gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. In de toelichting van de ruimtelijke onderbouwing dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller van de ruimtelijke onderbouwing is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie.
Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Bij de afweging of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is, dient nagegaan te worden of er binnen of rondom het plangebied cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Het eventueel aanwezig zijn van deze waarden wil niet per definitie zeggen dat een bepaalde
39
ruimtelijke ontwikkeling niet realiseerbaar is, maar geeft wel aan dat zorgvuldig omgaan met deze waarden vereist is. Doorwerking plan(gebied) Ter plaatse van het plangebied ligt een archeologische dubbelbestemming:
Artikel 25 Waarde - Archeologie De voor ‘Waarde – Archeologie’ aangewezen gronden zijn, behalve voor andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden. 25.2 Bouwregels In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mag niet worden gebouwd, anders dan ten behoeve van deze bestemming, met uitzondering van: a.
ver-/nieuwbouw van bestaande gebouwen, waarbij de bestaande oppervlakte van het gebouw niet wordt vergroot of veranderd en niet dieper dan ter plaatse van de bestaande fundering wordt gebouwd; b. de bouw van een bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding van een bestaand hoofdgebouw met ten hoogste 100 m² en dieper dan 0,5 meter; c. activiteiten waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist;
Voor de oprichting van het woonzorghuis vinden wel bodemingrepen plaats die wellicht van archeologische invloed zijn. Derhalve heeft Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie een archeologisch bureau- en inventariserend booronderzoek uitgevoerd. Hierna is het onderzoeksadvies letterlijk overgenomen. De integrale rapportage is als bijlage 1 opgenomen.
Binnen het plangebied is sprake van een tweetal zones met een hoge archeologische verwachting; een zone aan de noordwestzijde van het plangebied waar zich in de ondergrond naar verwachting de resten van historische bebouwing bevinden zoals aangegeven op de Kadasterkaart 1811-1832 (muurwerk, kelders, vloeren, etc.), en een zone waar op basis van de boringen sprake is van een intact bodemprofiel met een verwachting vanaf de prehistorie. Geadviseerd wordt om de mogelijk aanwezige archeologische waarden zoveel mogelijk door middel van planaanpassing te beschermen en in de bodem (“in situ”) te bewaren. Hier kan aan voldaan worden door de geplande verstoringen rond de boringen 4619003 en 4619004 te beperken tot maximaal 5,9 meter boven NAP (of het gebruik van heipalen met een maximum oppervlak van 5% van het nieuwbouwplan), en op de locatie van de historische bebouwing geen ingrepen plaats te laten vinden dieper dan de huidige bouwvoor. Indien hier niet aan voldaan kan worden dan adviseert Vestigia om als vervolgstap in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven uit te voeren, of een archeologische begeleiding. Voor aanvang van een dergelijk onderzoek dient eerst een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld.
40
Het is aan het bevoegd gezag, de gemeente Sint-Michielsgestel, om op basis van dit rapport en het daarin verwoorde advies, een besluit te nemen ten aanzien van het beëindigen van het archeologisch onderzoeksproces. Ook wanneer het bevoegd gezag op basis van het vooronderzoek besluit dat vervolgonderzoek niet noodzakelijk is en het plangebied wordt vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkelingen, blijft de meldingsplicht archeologische toevalsvondst of waarneming van kracht (Erfgoedwet, artikel 5.10 Archeologische toevalsvondst). Aangezien het nooit volledig is uit te sluiten dat tijdens eventueel grondverzet een archeologische ‘toevalsvondst’ wordt gedaan, is het wenselijk de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht om hiervan zo spoedig mogelijk melding te doen bij het bevoegd gezag, de gemeente Sint-Michielsgestel, en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed
Uit het selectieadvies – zie bijlage 1.1 – blijkt dat de gemeente Sint-Michielsgestel kan instemmen met het archeologisch bureau- en inventariserend booronderzoek. In het selectieadvies staat nog wel dat, ook wanneer het bevoegd gezag op basis van het vooronderzoek besluit dat vervolgonderzoek niet noodzakelijk is en het plangebied wordt vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkelingen, de meldingsplicht archeologische toevalsvondst of waarneming van kracht blijft (Erfgoedwet, artikel 5.10 Archeologische toevalsvondst). Aangezien het nooit volledig is uit te sluiten dat tijdens eventueel grondverzet een archeologische toevalsvondst wordt gedaan, is het wenselijk de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht om hiervan zo spoedig mogelijk melding te doen bij het bevoegd gezag, de gemeente Sint-Michielsgestel, en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Conclusie In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is reeds een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksbureau adviseert om, waar mogelijk, de aanwezige archeologische waarden 'in situ' te conserveren. Indien dit geen optie is dient er een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven uitgevoerd te worden, of er dient archeologische begeleiding aanwezig te zijn. Er is inmiddels een Programma van Eisen opgesteld dat als bijlage 1.2 bij het bestemmingsplan is gevoegd.
Vanuit het oogpunt van archeologie en cultuurhistorie zijn er – na het treffen van de noodzakelijke vervolgacties en -maatregelen – geen belemmeringen voor het (bestemmings)plan.
4.3 Flora en fauna en stikstof(depositie) Toetsingskader Wet natuurbescherming (Wnb) Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. In deze wet worden drie eerdere wetten vervangen. Het gaat om de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbwet) inclusief het Programma Aanpak Stikstof, de Boswet en de Flora- en faunawet. De
41
bescherming van de Natura 2000-gebieden is ondervangen in onderdeel gebiedsbescherming (vervangt Nb-wet). Voor bestemmingsplannen is het toetsingskader voor deze gebieden in de basis ongewijzigd gebleven ten opzichte van de Nb-wet. Als (een wijziging van) een bestemmingsplan negatieve gevolgen heeft voor de Natura 2000-gebieden kan het plan in beginsel niet worden vastgesteld. In dat geval moet het bevoegd gezag volgens artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming (Wnb) eerst een passende beoordeling opstellen. Uit de passende beoordeling moet blijken dat de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden niet aangetast worden door het plan. Eventueel worden maatregelen opgenomen die getroffen worden om dit te bereiken. Als niet aangetoond wordt dat aan de instandhoudingsdoelstellingen voldaan wordt, kan het plan geen doorgang vinden. Met behulp van een voortoets kan het bevoegd gezag bepalen of op voorhand negatieve gevolgen uit te sluiten zijn. Hierbij moet voor de gewenste situatie worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden. Voor plannen die ten opzichte van de uitgangssituatie op het referentiemoment geen significante toename in stikstofdepositie veroorzaken, zijn negatieve effecten ten aanzien van dit aspect uit te sluiten. In dat geval hoeft geen passende beoordeling te worden opgesteld.
Programma Aanpak Stikstof (PAS) Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019, kan de PAS niet meer worden gehanteerd als toetsingskader op grond van de Wet natuurbescherming. Inmiddels is een nieuwe versie van het rekenprogramma AERIUS uitgebracht. Met deze nieuwe tool is de depositie op natuurgebieden berekend. Hoe de resultaten worden beoordeeld is aan het bevoegd gezag. Doorwerking plan(gebied) Ten behoeve van het geplande woon-zorghuis heeft Staro Natuur en Buitengebied een oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna uitgevoerd. Hierna zijn de conclusie en aanbevelingen uit onderzoek letterlijk overgenomen. De integrale rapportage is als bijlage 2 opgenomen. 5.1 Beschermde gebieden Gezien de relatief grote afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (3,9 kilometer) is het redelijkerwijs uit te sluiten dat negatieve effecten ontstaan op Natura 2000gebieden als gevolg van de voorgenomen plannen. Een negatief effect als gevolg van stikstof is op voorhand niet uit te sluiten. Derhalve dient een AERIUS calculatie te worden uitgevoerd om te berekenen hoeveel stikstofdepositie ontstaat op Natura 2000-gebieden. Een deel van het plangebied ligt binnen de begrenzing van het NNB, Voor dit deel geldt het natuurbeheertype ‘Droog bos met productie’.
In de huidige situatie bestaat dit deel van het plangebied uit tuin met een boskarakter. In de voorgenomen plannen blijft het grootste deel van het NNB binnen het plangebied in gebruik als tuin en is een natuurinclusieve tuin beoogd. Wanneer het boskarakter van dit deel van de tuin behouden blijft, dan kunnen de (beperkte) natuurwaarden blijven bestaan. Er is dan geen sprake van
42
aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van het NNB. Het nieuwe gebouw komt met circa 120m2 binnen het NNB. Doordat de ecologische waarden en kenmerken niet worden aangetast en het plangebied binnen Stedelijk gebied ligt, kunnen de voorgenomen plannen worden uitgevoerd onder toepassing van artikel 3.18 lid 3 van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (en het overeenkomstige artikel 4.33 lid 3 van de Ontwerp Omgevingsverordening Noord-Brabant). 5.2 Beschermde soorten In het plangebied komen mogelijk verschillende soorten voor die zijn beschermd onder paragrafen 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. Het is uit te sluiten dat in het plangebied beschermde flora, vlinders, libellen, kevers, weekdieren, reptielen en vissen voorkomen. Wel geldt voor alle aanwezige soorten in het plangebied de algemene zorgplicht, zie §1.4 van dit rapport. Tabel 1 geeft een overzicht van de mogelijk aanwezige en aangetroffen beschermde soorten in de omgeving van het plangebied. Soorten van paragraaf 3.1 van de Wet natuurbescherming In de vele bomen en struiken in het plangebied is geschikte nestgelegenheid aanwezig voor algemene vogelsoorten waarvan het nest niet jaarrond beschermd is. Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor algemene vogelsoorten. Bij het snoeien of kappen van bomen en struiken kunnen nesten worden vernietigd en broedende vogels worden verstoord.
Gedurende het broedseizoen zijn nesten strikt beschermd. Kapwerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd wanneer geen broedgeval aanwezig is en buiten de periode van half maart tot en met juli. Bij het herinrichten van de tuin is deze tijdelijk minder geschikt als foerageergebied voor vogels. In de omgeving van het plangebied is en blijft voldoende geschikt foerageergebied aanwezig. Na afronding van de werkzaamheden is het plangebied opnieuw geschikt als foerageergebied. De werkzaamheden hebben geen significant negatief effect op foerageergebied van vogels. Soorten van paragraaf 3.2 van de Wet natuurbescherming Vleermuizen kunnen het plangebied gebruiken als foerageergebied. Mogelijk worden de bomen langs de randen van het plangebied gebruikt als vliegroute. In het woonhuis zitten veel open stootvoegen, hierdoor kunnen vleermuizen in de spouwmuur kruipen waar ze verblijven. Bij het slopen van het woonhuis kunnen verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen worden vernietigd en individuen worden verstoord. Derhalve dient nader onderzoek te worden uitgevoerd naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in het plangebied. Dit onderzoek wordt uitgevoerd in de periode van 15 mei tot en met 30 september. Bij het herinrichten van de tuin is deze tijdelijk minder geschikt als foerageergebied voor vleermuizen.
In de omgeving van het plangebied is en blijft voldoende geschikt foerageergebied aanwezig. Na afronding van de werkzaamheden is het plangebied opnieuw geschikt als foerageergebied. De werkzaamheden hebben geen significant negatief effect op foerageergebied van vleermuizen. De bomen langs de randen van het plangebied blijven behouden, derhalve treden geen negatieve effecten op voor de mogelijk aanwezige vliegroutes.
43
Soorten van paragraaf 3.3 van de Wet natuurbescherming Bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en bastaardkikker kunnen land- en overwinteringshabitat vinden in het plangebied. Deze soorten planten zich mogelijk voort in de vijvers in het plangebied. Voor bovengenoemde amfibiesoorten geldt in provincie Noord-Brabant een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Wel geldt altijd de Algemene zorgplicht. Om het verwonden van dieren te voorkomen kan bij het verwijderen van de vegetatie in één richting worden gewerkt, zodat aanwezige dieren kunnen vluchten. Het verwijderen van de vijvers kan worden uitgevoerd buiten de voortplantingsperiode van deze soorten. Deze soorten hebben een voortplantingsperiode van 1 maart tot 1 september. Algemene muizensoorten en egel kunnen het plangebied gebruiken als leefgebied en als verblijfplaats. Doordat de tuin ommuurd is, is het slecht toegankelijk voor andere soorten grondgebonden zoogdieren. Mogelijk foerageren deze soorten incidenteel in het plangebied. Tijdens de werkzaamheden is het plangebied tijdelijk minder geschikt als leefgebied voor grondgebonden zoogdieren. Echter, na afronding van de werkzaamheden is het opnieuw geschikt. In de directe omgeving van het plangebied is en blijft voldoende geschikt leefgebied aanwezig voor grondgebonden zoogdieren.
De werkzaamheden hebben geen significant negatief effect op het leefgebied van grondgebonden zoogdieren. Bij de werkzaamheden kunnen verblijfplaatsen van algemene muizensoorten en egel worden vernietigd en individuen worden verstoord. Voor deze soorten geldt in provincie Noord-Brabant een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Wel geldt altijd de Algemene zorgplicht. Om het verwonden van dieren te voorkomen kan bij het verwijderen van de vegetatie en opgeslagen materialen in één richting worden gewerkt, zodat aanwezige dieren kunnen vluchten. Tabel 1. Overzicht mogelijk aanwezige en aangetroffen beschermde soorten in de omgeving van het plangebied
44
Advies en aanbevelingen Overtreding van de Wet natuurbescherming dient te worden voorkomen door het nemen van de volgende vervolgstappen en maatregelen: 1. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient nader onderzoek te worden uitgevoerd naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in het woonhuis. 2. Bomen en struiken worden gekapt buiten het broedseizoen van vogels en wanneer geen broedgeval aanwezig is. 3. De vijvers worden gedempt buiten de voortplantingsperiode van bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en bastaardkikker. De voortplantingsperiode van deze soorten loopt van 1 maart tot 1 september 5.4 Gevolgen voor (het tijdpad van) de voorgenomen plannen Nader onderzoek Vleermuisonderzoek wordt uitgevoerd in de periode van 15 mei tot en met 30 september.
45
Ontheffing Wet natuurbescherming Indien verblijfplaatsen aanwezig zijn in het plangebied dient voorafgaand aan de werkzaamheden een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd bij provincie Noord-Brabant. De aanvraag kan pas worden ingediend als het nader onderzoek helemaal is afgerond. De gemeente of Omgevingsdienst heeft 26 weken nodig om uw vergunning in orde te maken, gerekend vanaf het moment dat u uw aanvraag heeft ingestuurd. Als u niet alle gevraagde informatie bij uw aanvraag meestuurt, duurt de afhandeling langer. Voor het aanvragen van een ontheffing dient een mitigatieplan/activiteitenplan te worden opgesteld ten behoeve van de verblijfplaatsen van de beschermde soort(en). Daarnaast dienen mitigerende maatregelen genomen te worden om een ontheffing te kunnen verkrijgen indien noodzakelijk
Voor de Bomen Effect Analyse wordt verwezen naar bijlage 2.1. Tijdens de nulmeting zijn 82 bomen beoordeeld. 3 bomen (nummer 1, 37 en 40) hebben de vastgestelde gemeentelijke beleidsstatus ‘waardevolle boom’. De overige bomen hebben geen vastgestelde gemeentelijke beleidsstatus. Op basis van de nulmeting is beoordeeld of de bomen vanuit boomtechnisch oogpunt behoudenswaardig zijn. Hierbij is gekeken naar de kwaliteit (conditie, gebreken, aantastingen), de boomtechnische levensverwachting, de verschijningsvorm, boomsoort en de omlooptijd op de standplaats (hoe oud kan een boom nog worden gezien de huidige groeiruimte). Zo kan een boom met gebreken zoals boom 31, vanwege de verschijningsvorm het behouden waard zijn. Door Pouderoyen Tonnaer is een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd. Op basis van het onderzoek kan worden geconcludeerd dat significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000 gebieden op voorhand kunnen worden uitgesloten. Het planvoornemen is niet vergunningplichtig in het kader van de Wet Natuurbescherming. Vleermuisonderzoek is inmiddels uitgevoerd in de periode van 15 mei tot en met 30 september 2022, dit in het kader van de Wet natuurbescherming voor de sloop van een woning en schuur ten behoeve van de bouw van een woon-zorgcomplex en bijbehorende infrastructuur.
Voor de afgegeven ontheffing Wet natuurbescherming ex artikel 3.8, eerste lid, en artikel 3.10, tweede lid, van de Wet natuurbescherming voor de sloop van een woning en schuur ten behoeve van de bouw van een woon-zorgcomplex en bijbehorende infrastructuur wordt verwezen bijlage 2.2. De integrale rapportage is als bijlage 3 opgenomen. Conclusie Vanuit het oogpunt van flora en fauna en stikstofdepositie zijn er – na het treffen van de noodzakelijke vervolgacties en -maatregelen, zoals het plaatsen van vleermuiskasten op een bepaalde plek binnen de planlocatie – geen belemmeringen voor het (bestemmings)plan.
46
4.4 Waterparagraaf Toetsingskader Bij de watertoets gaat het om het verantwoorden van de waterhuishoudelijke aspecten bij ruimtelijke plannen en besluiten. Met behulp van de watertoets wordt er naar gestreefd om het waterhuishoudkundig aspect in combinatie met het ruimtelijke beleid toe te passen op het beoogde plangebied, waarbij op basis van de voorgenomen ontwikkelingen gezocht is naar een hydrologisch neutrale oplossingsrichting. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 5.1.3 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit besluit verplicht tot het opnemen van ‘een beschrijving van de wijze waarop in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding’ in de toelichting van ruimtelijke plannen van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten in het kader van de Wro. Vanuit verschillende overheidsniveaus zijn beleid en uitgangspunten geformuleerd voor wat betreft de omgang met afstromend hemelwater. De belangrijkste uitgangpunten hierbij zijn het hydrologisch neutraal ontwikkelen en het doorlopen van de volgorde ‘hergebruik-vasthouden-berging-afvoer’. Het plangebied valt binnen het beheersgebied van Waterschap De Dommel. Ook voor het Waterschap De Dommel is hydrologisch neutraal ontwikkelen speerpunt bij ruimtelijke ingrepen in haar beheersgebied. Het waterschap heeft een beleidsnota met uitgangspunten ten behoeve van de watertoets.
Hierbij staan de volgende principes centraal: • wateroverlastvrij bestemmen; • gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater; • doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer’; • hydrologisch neutraal bouwen; • water als kans; • meervoudig ruimtegebruik; • voorkomen van vervuiling • rekening houden met waterschapsbelangen. De voornoemde principes liggen in lijn met het landelijke beleid ten aanzien van de watertoets. Gestreefd dient te worden naar een waterhuishoudkundig minimaal gelijkwaardige situatie. Doorwerking plan(gebied) Ten behoeve van het plan heeft Econsultancy een watertoets uitgevoerd. Conform het beleid van waterschap De Dommel en de gemeente Sint-Michielsgestel is ten aanzien van de ontwikkeling en de toename in het toekomstig verhard oppervlak een compenserende berging benodigd van circa 120 m3.
47
In de toekomstige situatie zal het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) niet op het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) worden aangesloten maar separaat binnen de planlocatie worden verwerkt. Dit betekent dat bij de verdere planuitwerking water expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing wordt genomen en dat hemelwater op een duurzame wijze wordt verwerkt. De ontwikkeling zal daarmee hydrologisch positief zijn. De toepassing van een bovengrondse hemelwatervoorziening zoals een wadi wordt, mede uit veiligheidsoverweging van de toekomstige bewoners, niet wenselijk geacht. Hierdoor zal gezocht moeten worden naar een ondergrondse voorziening. Afhankelijk van het type voorziening en de belastbaarheid hebben ondergrondse systemen een bepaalde gronddekking nodig. De GHG en de benodigde gronddekking zijn bepalend of een ondergrondse bergingsvoorziening zonder verlies van berging kan worden aangelegd. Om inzicht te krijgen in het ruimtebeslag die bij een (potentiële) ondergrondse voorziening hoort, is een alternatief uitgewerkt waarbij het hemelwater wordt geborgen middels infiltratiekratten onder de parkeerplaatsen. Om de wateropgave van 120 m3 met kratten te kunnen bergen zijn in totaal ca. 280 kratten benodigd (Wavin, QBIC+). Wanneer de kratten niet worden gestapeld, is een minimaal oppervlak benodigd van ca. 200 m 2 (1,2 m x 0,6 m x 280 st).
De parkeerplaats heeft een oppervlak van ca. 455 m 2. Het benodigd aantal infiltratiekratten kunnen derhalve zonder problemen geplaatst worden. Op basis van de bodemopbouw en textuur worden geen problemen verwacht met de lediging van het toekomstige systeem. Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten is de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd waterneutraal uit te voeren. Er worden dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de bestemmingswijziging en de uitvoering van het plan.
48
In navolgende figuur is de potentiële locatie voor de realisatie van de waterberging weergegeven. De waterberging dient te worden voorzien van een overstort.
De integrale watertoets is als bijlage 4 opgenomen. Conclusie Vanuit het oogpunt van hydrologie zijn er – na het treffen van de noodzakelijke vervolgacties en -maatregelen – geen belemmeringen voor het (bouw)plan.
4.5 Bodem Toetsingskader Het doel van de bodemtoets bij ruimtelijke plannen is de bescherming van de bodem. Een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de bodem geschikt is voor de geplande functie en of er sprake is van een eventuele saneringsnood-
49
zaak. De wet bepaalt dat bij een ruimtelijk plan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Doorwerking plan(gebied) Ten behoeve van het plan heeft SGS Search een verkennend bodemonderzoek, een asbestinventarisatie en een nader bodemonderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de conclusies en aanbevelingen van deze rapportages letterlijk overgenomen uit de onderzoeksrapportages. Het integrale rapporten zijn als bijlage 5, 5.1 en 5.2 opgenomen.
Verkennend bodemonderzoek Door middel van het uitgevoerde onderzoek is inzicht verkregen in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en of de verdenking van een bodemverontreiniging met asbest op de locatie Nieuwstraat 96 te Sint Michielsgestel terecht is. Milieuhygiënische situatie grond en grondwater Resultaten De bovengrond is licht verontreinigd met zink, lood en PAK . De ondergrond ter plaatse van boring 06 is matig verontreinigd met zink en lood. Het gehalte aan koper wordt licht verhoogd aangetroffen. In het grondwater zijn geen verhoogde gehaltes gemeten. De verontreiniging met zink en lood in de ondergrond is waarschijnlijk te relateren aan de bijmengingen met metselpuin en kolengruis. Uit de resultaten blijkt dat de onderzochte grond, bij toetsing aan het Tijdelijk Handelingskader PFAS (versie 2 juli 2020, bij toepassing boven grondwaterniveau), gekwalificeerd kan worden als klasse ‘Landbouw / Natuur’. Conclusie en aanbevelingen Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de opgestelde hypothese “niet verdachte locatie” strikt genomen onjuist is. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek hoeven er vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien geen beperkingen te worden gesteld aan het huidig gebruik van de locatie. Echter bij herontwikkeling en/of graafwerkzaamheden dient er een nader bodemonderzoek uitgevoerd te worden.
Met het nader onderzoek wordt inzicht verkregen in de omvang van de verontreiniging met zink en lood in de ondergrond ter plaatse van boring 06. Indien er sprake is van > 25 m3 verontreinigde grond is er sprake van een saneringsplicht volgens de wet Bodembescherming. De urgentie van de sanering (bepaald door de Provincie) wordt bepaald door de risico’s. Het risico van de verontreiniging wordt bepaald door de humane risico’s, ecologische risico’s en het verspreidingsrisico. Asbest in grond Asbesthoudende materialen op het maaiveld
50
Uit de visuele inspectie blijkt dat op het maaiveld zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal is aangetroffen. Asbesthoudende materialen in de bodem Uit de visuele inspectie van het vrijgekomen bodemmateriaal blijkt dat zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal in de bodem is aangetroffen. In de fijne fractie is eveneens geen asbest aangetroffen in een verhoogd gehalte ten opzichte van de detectiegrens. Conclusies en aanbevelingen Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de opgestelde hypothese “onverdachte locatie” strikt genomen juist is. Tevens kan gesteld worden dat de doelstelling van het onderzoek, om na te gaan of de verdenking met asbest terecht is, is behaald. Op de locatie is geen asbest aangetroffen waardoor de locatie onverdacht is op het voorkomen van een bodemverontreiniging met asbest. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek hoeven er geen beperkingen te worden gesteld aan het huidig en toekomstig gebruik van de locatie.
Asbestinventarisatie conform Certificatieschema voor de Procescertificaten Asbestinventarisatie en Asbestverwijdering als bedoeld in de artikelen 4.27 en 4.28 van de Arbeidsomstandighedenregeling Tijdens het onderzoek zijn er 22 toepassingen en 3 installaties aangetroffen. De zolder, toepassing 1, 2, 4, 6, 7 en 8 is afgesloten en het advies is om de ruimtes niet te betreden tot nader onderzoek.In de tuin bevindt zich de oude wijnkelder. Er zijn geen verdachte materialen aangetroffen. Wanneer er werkzaamheden uitgevoerd gaan worden daar waar vermoedens van asbest zijn, dient eerst een vervolgonderzoek plaats te vinden om de in dit rapport omschreven vermoedens in kaart te brengen of uit te sluiten. Binnen de 5 meter zone van de asbesthoudende bronnen zijn geen verdachte hechtgebonden of niet hechtgebonden materialen waargenomen. Om de rapportage geschikt te maken voor sloop van het woonhuis, adviseren wij om een aanvullend onderzoek uit te laten voeren van de liftschacht en destructief onderzoek betreft de vermoedens en aanvullende kleefmonsters op de zolder te laten nemen. SGS Search Ingenieursbureau B.V. heeft de werkzaamheden met de nodige zorg en vakmanschap uitgevoerd, waarbij aan de inspanningsverplichting is voldaan.
Het bereikte resultaat is echter niet uitsluitend afhankelijk van de inspanning, maar ook van factoren die buiten de invloedsfeer van SGS Search Ingenieursbureau B.V. liggen. SGS Search Ingenieursbureau B.V. heeft, conform Certificatieschema voor de Procescertificaten Asbestinventarisatie en Asbestverwijdering als bedoeld in de artikelen 4.27 en 4.28 van de Arbeidsomstandighedenregeling, tijdens het asbestinventarisatie project gestreefd naar een zo volledig mogelijke detectie en registratie van aanwezige asbesthoudende materialen. Desondanks adviseren wij de te benaderen asbestsaneringsbedrijven een opname van de saneringslocatie te laten doen teneinde een indruk te krijgen van de situatie ter plaatse.
51
Nader bodemonderzoek Conclusies en aanbevelingen Door middel van het uitgevoerde onderzoek is inzicht verkregen in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem op de onderzoekslocatie. Tevens kan gesteld worden dat de doelstelling van het onderzoek, het vaststellen van de ernst en omvang van de verontreiniging, nog niet is behaald. De grond ter plaatse van de kern van de verontreiniging (boring 101) is van 0,75 tot 1,00 m-mv sterk verontreinigd met lood en zink. De bodemlaag onder de verontreiniging is licht verontreinigd met lood en zink. Hiermee is de verontreiniging met lood en zink verticaal afgeperkt. De verontreining is in noordelijke en zuidwestelijke richting doormiddel van M102.3, M107A.2, M108A.2 en boring 05 (uit het verkennend onderzoek) afgeperkt. In de monsters M104C.4 en M105.2 worden nog matig tot sterk verhoogde gehalten met lood en zink aangetroffen (traject 0,5 tot 1,0 m-mv). De aanvullende monsters M109.3 en M110.2 zijn hoogstens licht verontreinigd. Hiermee is de verontreiniging in horizontale richting afgeperkt. Echter heeft er geen onderzoek onder het terras kunnen plaatsvinden. Onbekend is of daar een fundatie aanwezig is. Geadviseerd wordt om na verwijdering van het terras / bebouwing nog een enkele boring te plaatsen om te verifiëren of de verontreiniging nog daaronder aanwezig is.
Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt het oppervlak van de verontreiniging geschat op circa 75 m2. De verontreiniging is aangetroffen in het traject van 0,5 tot 1,0 m-mv. De omvang van de verontreiniging wordt geschat op circa 40 m3. De aangetroffen verontreiniging is te relateren aan de aanwezigheid van een bijmenging met baksteen en metselpuin. Gezien het jaartal van de bebouwing 1970 is de verwachting dat de verontreiniging voor 1987 is ontstaan. Derhalve wordt geconcludeerd dat er sprake is van een historisch geval van bodemverontreiniging. Omdat de verontreiniging in de ondergrond is aangetroffen zijn er vanuit milieuhygiënisch oogpunt niet direct risico’s voor het huidig gebruik als tuin. Echter gezien de voorgenomen herontwikkeling op locatie adviseren wij om de verontreiniging tijdens de werkzaamheden te saneren. De sanering dient te worden uitgevoerd door een BRL 7000, protocol 7001 gecertificeerde aannemer. De milieukundige begeleiding dient onder BRL 6000 met bijbehorend protocol 6001 te worden uitgevoerd.
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de aspecten bodem en asbest geen belemmering vormen voor onderhavige ontwikkeling. Wel dienen opgestelde adviezen hierbij in acht te worden genomen.
4.6 (Ondergrondse) infrastructuur / kabels en (buis)leidingen Toetsingskader
52
Transport van gevaarlijke stoffen vindt plaats over de weg, het spoor, het water en door buisleidingen. Tijdens het transport kunnen dingen misgaan waardoor de gevaarlijke lading kan ontbranden of exploderen of waardoor er bijvoorbeeld giftige gassen ontsnappen via een lek of breuk. Bij risicovolle buisleidingen kan gedacht worden aan (hogedruk) transport van aardgas, maar ook van olie, benzine, kerosine, chemische producten en industriële gassen. Deze stoffen kunnen giftig, licht ontvlambaar, of brandbaar zijn. Buisleidingen lopen meestal ondergronds, maar kunnen soms ook bovengronds voorkomen. De grootste kans op een beschadiging aan een buisleiding ontstaat door graafwerkzaamheden. Denk hierbij aan werkzaamheden aan gas-, olie- en waterleidingen in de grond, of kabels voor stroom, TV, telefoon en internet. De risicokaart toont alle aardgasleidingen vanaf een diameter van 50 mm en een druk van 16 bar, alle buisleidingen voor brandbare vloeistoffen vanaf een diameter van 100 mm en alle overige buisleidingen waarvan geldt dat er een overschrijding van de wettelijke norm is op 5 meter afstand van de buis: de belemmeringenstrook. De belemmeringenstrook is een beschermingszone voor de buis om beschadiging door graafwerkzaamheden te voorkomen en schade door diepwortelende beplanting en biedt tevens werkruimte ten behoeve van onderhoud van de leiding.
Het Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen (Bevb) is op 1 januari 2011 in werking getreden. In het Besluit externe veiligheid buisleidingen zoals dit per 1 januari 2011 geldt, staan veiligheidseisen voor de exploitant en de gemeente. Exploitanten hebben een zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat hun buisleidingen veilig zijn. Gemeenten moeten buisleidingen in hun bestemmingsplan opnemen en bij nieuwbouw zorgen voor genoeg afstand tot de buisleidingen. Doorwerking plan(gebied) Teneinde een goede belangenafweging mogelijk te maken voor de voorgenomen functiewijziging is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de ligging en eigenschappen van binnen het plangebied voorkomende kabels en leidingen. Sommige van deze kabels en leidingen vereisen een bepaalde afstand tot gevoelige functies. Voor onderhavig plan zijn er geen belemmeringen aan de orde, zodat er in dit opzicht geen gevolgen zijn voor dit plan. Besluit externe veiligheid buisleidingen Er bevindt zich geen (hoge druk) gasleiding binnen of op korte afstand van het plangebied. Overige kabels en (buis)leidingen Nutsbedrijven eisen dat kabels en leidingen in het openbaar gebied (komen te) liggen. De initiatienemer van onderliggend bouwplan is verplicht zorg te dragen voor een door gemeente en nutsbedrijven geaccordeerde wijze van aansluiting.
Overige zonering Op het plangebied liggen geen ondergrondse leidingen, waterkeringen, straalpaden, molenbiotopen of invliegfunnels waarvan de aanwezigheid van invloed kunnen zijn op de voorgenomen ontwikkeling. Verder ligt het plangebied niet in de nabijheid van een 150 kV hoogspanningslijn.
53
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het voorgenomen plan, beschouwd vanuit de aspecten ondergrondse infrastructuur, kabels en (riolerings)leidingen, geen problemen oplevert. Nader onderzoek is na deze quickscan niet nodig.
4.7 Milieuzonering (geur en industrielawaai) Toetsingskader Het doel van milieuzonering is om te komen tot een optimale kwaliteit van de leefomgeving. Instrumenten van ruimtelijke ordening en milieu kunnen elkaar daarbij ondersteunen. Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen, onderscheidt de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in haar brochure Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009) twee omgevingstypen: 1. omgevingstype rustige woonwijk of rustig buitengebied; 2. omgevingstype gemengd gebied. Ad. 1 Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een ‘rustig buitengebied’ (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. Ad. 2 Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.
Vervolgens worden in de brochure, op basis van een aantal factoren (geur, stof, geluid en gevaar), richtafstanden genoemd tussen verschillende bedrijfstypen en omgevingstype ‘rustige woonwijk’ of ‘rustig buitengebied’, waarmee gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening kunnen houden. Indien sprake is van het omgevingstype ‘gemengd gebied’, dan kunnen de richtafstanden – zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat en het functioneren van bedrijven – met één afstandsstap worden verlaagd. Doorwerking plan(gebied) Geurhinder (Wgv) In de directe omgeving van het plangebied zijn geen (intensieve) veehouderijen en andersoortige agrarische bedrijven gelegen. Gesteld kan worden dat de individuele hinder van veehouderijen geen belemmeringen oplevert. De cumulatieve geurbelasting bedraagt minder dan 3 odour units, wat neerkomt op een ‘goed’ woon- en verblijfsklimaat. Aan het gestelde in de ‘Verordening geurhinder en veehouderij 2017 gemeente Sint-Michielsgestel’ en de ‘Beleidsregel geur en ruimtelijke plannen 2017 gemeente Sint-Michielsgestel’ kan worden voldaan.
54
De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling vindt plaats buiten de geurcontouren van 14,0 ouE/m3 van alle veehouderijen in de omgeving. Als norm voor de afstanden geldt 50 meter. Binnen 50 meter van de ruimtelijke ontwikkelingen liggen geen veehouderijen. Voor de achtergrondbelasting bestaan geen normen, maar kan de mate van geurhinder worden beoordeeld op basis van geurhinderpercentages. Deze percentages zijn bedoeld om een vertaalslag te maken tussen de waarden voor de geurbelasting en de milieukwaliteit. De percentages zijn afkomstig uit het ‘Geuronderzoek stallen intensieve veehouderij’ (PRA Odournet, 2001). De geursituatie beschrijven wij in termen van milieukwaliteit, onderverdeeld in acht categorieën van ‘zeer goed’ tot ‘extreem slecht’. Deze termen zijn afkomstig uit de ‘GGD-richtlijn geurhinder (oktober 2002)’. Dit is beschreven in bijlage 7 van de Handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij. De voorziene ruimtelijke ontwikkeling vindt plaats in een gebied met een ‘goed’ woon- en verblijfsklimaat (op basis van de achtergrondbelasting). De voorgrondbelasting, afstanden en achtergrondbelasting vormen geen knelpunt voor de ruimtelijke ontwikkeling. Milieuzonering (categorie-indeling bedrijven) Het plangebied en de omgeving ervan kunnen worden aangemerkt als het omgevingstype ‘gemengd gebied’.
Een gemengd gebied is gekenmerkt als een gebied met matige tot sterke functiemenging, waarbij direct naast woningen andere functies voorkomen. Onderhavige situatie (zie figuur 2.1) wordt omsloten door diverse geluidproducerende functies en kan aangemerkt worden als een ‘gemengd gebied’ om een aantal redenen: − Het vigerende bestemmingsplan laat ten noorden van de locatie dienstverlenende bedrijven/instellingen toe. − Het vigerende bestemmingsplan laat ten noordoosten van de nieuwbouwlocatie horeca toe. − Ten oosten (overzijde Molenbergstraat) is conform het vigerende bestemmingsplan woningbouw toegestaan, maar in werkelijkheid is hier sinds lange tijd horeca aanwezig. − Tot slot is het nieuwbouwplan gelegen aan de doorgaande verkeersroutes Nieuwstraat/Ruwenbergstraat (ten westen) en de Sint Michielsstraat (ten noorden). Daarmee is reeds sprake van een forse geluidbelasting wegverkeerslawaai. Samengevat betekent dit dat het plangebied volledig omsloten is door diverse (geluidproducerende) functies, waardoor het gebied als een ‘gemengd gebied’ kan worden omschreven.
55
Figuur 2.1:
Functies in de omgeving van de projectlocatie
Volgens vaste jurisprudentie biedt de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering de mogelijkheid de richtafstand met één afstandsstap te verlagen indien sprake is van het omgevingstype gemengd gebied. Als daarvan wordt uitgegaan, kan voor een horeca-inrichting als een café of bar worden uitgegaan van een richtafstand van 0 meter in plaats van 10 meter. Bij muziekcafé (of discotheek) kan worden uitgegaan van een richtafstand van 10 meter in plaats van 30 meter. In deze situatie is er sprake van horeca-inrichting waarbij de richtafstand van 0 meter aangehouden mag worden. Er is in deze situatie gekozen om de richtafstand van 10 meter te hanteren. Hierna is een overzicht van de bedrijven in de directe omgeving, inclusief de SBI-code, de milieucategorie en de bijbehorende richtafstand alsmede de werkelijke afstand tot het dichtstbijzijnde milieugevoelige object binnen het projectgebied: Sint-Michielsgestel 2: café, cat. 1, richtafstand: 10 m, werkelijke afstand: 11 m Sint-Michielsgestel 1: café, cat. 1, richtafstand: 10 m, werkelijke afstand: 25 m Sint-Michielsgestel 4: restaurant, cat. 1, richtafstand: 10 m, werkelijke afstand: 35 m
56
Ten behoeve van het planvoornemen is door Cauberg Huygen een akoestisch onderzoek naar de gevolgen van de geluiduitstraling van het nieuwbouwplan op de omgeving uitgevoerd. Het integrale rapport is als bijlage 6 toegevoegd. De conclusies luiden letterlijk als volgt:
Conclusies: - Het nieuwbouwplan is gelegen in ‘gemengd gebied’. Binnen de richtafstand behorende bij dit gebied zijn geen woningen derden gesitueerd. Hiermee wordt voldaan aan stap 1 van de VNG-publicatie. Desondanks is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. - Uit de toets van de berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus volgt dat voldaan wordt aan de grenswaarden volgens stap 2 van de VNG-publicatie voor het gebiedstype ‘gemengd gebied’. Daarmee wordt tevens voldaan aan de normstelling uit het Activiteitenbesluit. Uitgangspunt hierbij is dat de buitenunit van de te plaatsen luchtwarmtepompen over een maximaal bronvermogenniveau van 74 dB(A) mogen beschikken. - Uit de rekenresultaten betreffende de maximale geluidniveaus (pieken) blijkt dat voldaan wordt aan de grenswaarden volgens stap 2 van de VNG-publicatie voor het gebiedstype ‘gemengd gebied’. Daarmee wordt tevens voldaan aan de normstelling uit het Activiteitenbesluit. - Uit de rekenresultaten blijkt tot slot dat het geluidniveau als gevolg van de verkeersaantrekkende werking (indirecte hinder) voldoet aan de voorkeursgrenswaarde uit de Circulaire indirecte hinder en VNG. Volgens de beoordelingssystematiek is er dan geen sprake van indirecte hinder.
Op basis van voorgaande beoordeling wordt een ruimtelijke inpassing mogelijk geacht en is er ter plaatse van de omliggende bestaande woningen sprake van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat.
Naast de ruimtelijke ordeningaspecten is verder het Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer (Barim/Wm/Bor) van toepassing. In dit besluit zijn voorschriften opgenomen waaraan de bedrijven zich dienen te houden om schade, gevaar of hinder naar de omgeving te voorkomen of zo veel mogelijk te beperken. Bezien vanuit het oogpunt van ‘inwaartse milieuzonering’ komt er in de nabijheid van het plangebied dus geen bedrijvigheid voor welke een mogelijke belemmering vormt voor het onderliggende initiatief. Daarnaast levert het initiatief, vanuit het oogpunt van ‘uitwaartse zonering, ook geen belemmering op voor omliggende bedrijven. Dit betekent dat er vanuit de aspecten milieuzonering en hinderlijke bedrijvigheid geen belemmeringen zijn voor het plan. Conclusie Vanuit de aspecten geurhinder en milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het plan.
57
4.8 Akoestiek Toetsingskader Bij de realisatie van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen, in de nabijheid van wegen dient in het bestemmingsplan aandacht besteed te worden aan de akoestische omstandigheden. De gevels van de woningen ondervinden namelijk een geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer in de omgeving. De verplichting tot uitvoering van een akoestisch onderzoek is vastgelegd in de Wet geluidhinder. De Wet geluidhinder bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. De Wet geluidhinder geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan, indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van een bestaande geluidbron of indien het plan een nieuwe geluidbron mogelijk maakt. De Wet geluidhinder bepaalt in hoeverre het bouwen op een locatie is toegestaan, het Bouwbesluit bevat onder meer eisen die aan de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van het gebouw worden gesteld. Deze worden onder meer bepaald door de hoogte van de geluidbelasting, het type buitengeluid en de gebruiksfunctie.
Doorwerking plan(gebied) Wegverkeerslawaai Ten behoeve van het planvoornemen is door Cauberg Huygen een akoestisch onderzoek naar de gevolgen van het wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het integrale rapport is als bijlage 7 toegevoegd. De conclusies luiden letterlijk als volgt:
Uit de berekeningen kunnen de volgende conclusies worden getrokken: - De berekeningen laten zien dat ten gevolge van het wegverkeer op de Nieuwstaat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden. De hoogst berekende geluidbelasting bedraagt 55 dB, waarmee de maximaal te ontheffen waarde van 63 dB niet wordt overschreden. - Ten gevolge van het wegverkeer op de Sint Michielsstraat wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden. De hoogst berekende geluidbelasting bedraagt 56 dB, waarmee de maximaal te ontheffen waarde van 63 dB niet wordt overschreden. - Maatregelen ter reductie van het geluid ten gevolge van de relevante geluidbronnen zijn in relatie tot het onderhavige project vanwege overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige of financiële aard, niet realiseerbaar. Er dient een hogere waarde procedure te worden doorlopen. In tabel 5.1 en bijlage IV is een overzicht gegeven van de aan te vragen hogere waarden. - Niet alle zorgappartementen hebben direct een geluidluwe gevel. Wel hebben beide gastenhuizen een geluidluwe, gemeenschappelijke buitenruimte en heeft de gemeenschappelijke woonkamer ook direct meerdere geluidluwe gevels. Daar hebben de bewoners de mogelijkheid om in rust, zonder geluidhinder te verblijven. Geconcludeerd wordt dat daarmee sprake is van een acceptabel akoestisch woon- en leefklimaat.
Tot slot heeft ook het woonzorgappartement voor een echtpaar in gastenhuis 1 direct een geluidluwe gevel én een geluidluwe buitenruimte.
58
- De realisatie van het woonzorgcomplex leidt niet tot een noemenswaardige toename van het geluidniveau op de gevels van de omliggende woningen. De maximaal berekende toename bedraagt 1 dB bij een geluidbelasting hoger dan 53 dB wegverkeerslawaai. Een dergelijke toename is niet waarneembaar, in lijn met de beoordelingssystematiek voor reconstructies volgens de Wet geluidhinder.
Spoorweglawaai In de directe omgeving van het plangebied is geen actieve spoorlijn gelegen. Nader onderzoek naar de gevolgen van spoorweglawaai is derhalve niet noodzakelijk. Vliegtuiglawaai Het plangebied is niet gelegen nabij een (militair) vliegveld. Nader onderzoek naar de gevolgen van vliegtuiglawaai is derhalve niet noodzakelijk. Stiltegebieden Het plangebied is niet gelegen in of nabij een stiltegebied. Conclusie Vanuit akoestisch oogpunt levert het plan geen belemmeringen op. Echter dient er wel een procedure tot hogere waarde te worden doorlopen. Uit de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan en het bijbehorende akoestische onderzoek blijkt dat vanwege de aangrenzende weg de voorkeursgrenswaarden op een deel van het woon-zorgcomplex worden overschreden. Op grond van de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder is het mogelijk om hiervoor een ontheffing te verlenen. Burgemeester en wethouders van de gemeente Sint-Michielsgestel maken bekend dat zij voornemens zijn de aangevraagde hogere grenswaarden voor geluid te verlenen. Voor het ontwerpbesluit hogere grenswaarde Wet geluidhinder wordt verwezen naar bijlage 7.1. Dit ontwerpbesluit heeft van 6 januari 2023 tot en met 16 februari 2023 ter inzage gelegen.
4.9 Luchtkwaliteit Toetsingskader Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen decennia in Nederland is verbeterd, voldoet ze nog steeds niet overal aan de normen. Met name fijn stof en stikstofdioxiden leveren problemen op. Het doel van het luchtkwaliteitsonderzoek is het geven van inzicht in de gevolgen van een plan voor de luchtkwaliteit om een goede luchtkwaliteit te kunnen garanderen. Daarom moet luchtkwaliteit al in een vroeg stadium van de planvorming worden meegewogen. Gegevens over de luchtkwaliteit worden verzameld om vervolgens te kunnen bepalen of er voor het doorgaan van het project al dan niet aanvullende maatregelen nodig zijn. In de praktijk zullen met name fijn stof en stikstofdioxiden moeten worden onderzocht. Daarnaast kan een goede ruimtelijke ordening met zich brengen dat een afweging wordt gemaakt rondom de aanvaardbaarheid van een project op een bepaalde locatie. De luchtkwaliteit hoeft (artikel 5.16 Wet milieubeheer) geen belemmering te vormen voor ruimtelijke ontwikkelingen als:
59
• • • •
er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een plan of project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt; een project per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) dat tevens voorziet in maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren.
De luchtkwaliteit komt voort uit Europese wet- en regelgeving en de hoofdlijnen van de regelgeving zijn opgenomen in de Wet milieubeheer. In de Nederlandse wetgeving is opgenomen dat in het geval van ruimtelijke ontwikkelingen beoordeelt moet worden welk effect de gewenste ontwikkeling heeft op de luchtkwaliteit. Er zijn echter situaties waarin een ontwikkeling ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan (de verslechtering) van de luchtkwaliteit. In het besluit ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en in de regeling ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (Regeling NIBM) is aangegeven in welke gevallen hiervan sprake is. Concreet is in het Besluit NIBM vastgelegd in welke gevallen een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een ontwikkeling is NIBM als aannemelijk is gemaakt dat de ontwikkeling een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die sowieso niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. De regeling geeft concrete getallen voor plannen die gaan over bijvoorbeeld de bouw van woningen en/of kantoren. De grens voor woningbouwplannen ligt bij 3%. Als er twee ontsluitingswegen zijn, mag een grens van 3.000 woningen worden gehanteerd. Op 15 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden die toeziet op het beschermen van bepaalde gevoelige groepen mensen (bijvoorbeeld kinderen, ouderen en zieken). De intentie van het Besluit gevoelige bestemmingen is dat bepaalde gebouwen (bijvoorbeeld scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en verzorgingstehuizen) niet meer worden gebouwd in gebieden waar de normen worden overschreden. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. In de context van het besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als ‘gevoelige bestemming’ gezien. Doorwerking plan(gebied)