07.1 - Plantoelichting VAST Actualisatieplan Kommen Berlicum en Middelrode
Tekst van het document
bestemmingsplan
Actualisatieplan Kommen Berlicum en Middelrode
PLANTOELICHTING NL.IMRO.0845.BP2018BRLCMDLR-VA02
“Actualisatieplan Kommen Berlicum en Middelrode”
Titel: Datum: Projectnummer: Status: Initiatiefnemer: (Post)adres: Telefoon: Adviesbureaus: Contactpersoon: (Post)adres: Telefoon: E-mail: Website:
bestemmingsplan “Actualisatieplan Kommen Berlicum en Middelrode” 28 oktober 2022 2015.152 Vastgesteld Gemeente Sint-Michielsgestel Postbus 10100 5270 GA Sint-Michielsgestel (073) 553 16 17 Wintraecken Advies B.V. en BraGIS mr. David Wintraecken Harry Bolsiuslaan 13 5481 BN Schijndel (073) 850 51 29 / (06) 146 488 29 info@wintraeckenadvies.nl www.wintraeckenadvies.nl
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of Wintraecken Advies.
2
“Actualisatieplan Kommen Berlicum en Middelrode”
Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding .................................................................................................... 5 1.2 Plangebied ................................................................................................... 5 1.3 Vigerende plannen ........................................................................................ 6 1.4 Leeswijzer .................................................................................................... 6 2. Planbeschrijving ................................................................................................ 7 2.1 Huidige situatie............................................................................................. 7 2.2 Ontwikkelingen ........................................................................................... 10 2.3 Uitgangspunt / doelstelling bestemmingsplan ................................................. 10 3. Ruimtelijk beleidskader .................................................................................... 12 3.1 Inleiding .................................................................................................... 12 3.2 Rijksbeleid .................................................................................................
12 3.3 Provinciaal beleid ........................................................................................ 15 3.3 Gemeentelijk beleid..................................................................................... 16 4. Milieu- en ruimtelijke waardentoets ................................................................... 17 4.1 Inleiding .................................................................................................... 17 4.2 Bodem ....................................................................................................... 17 4.3 Geluid ....................................................................................................... 17 4.4 Bedrijven en milieuzonering ......................................................................... 18 4.5 Luchtkwaliteit ............................................................................................. 18 4.6 Externe veiligheid ....................................................................................... 18 4.7 Natuur ....................................................................................................... 24 4.8 Archeologie en cultuurhistorie ....................................................................... 24 4.9 Water ........................................................................................................
25 4.10 Vormvrije m.e.r.-beoordeling ...................................................................... 27 5. Juridische toelichting........................................................................................ 29 5.1 Het bestemmingsplan als juridisch instrument ................................................ 29 5.2 Systematiek van de regels ........................................................................... 29 5.3 Toelichting bestemmingen............................................................................ 30 6. Uitvoeringsaspecten ......................................................................................... 37 6.1 Economische uitvoerbaarheid ....................................................................... 37 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................. 37 Bijlagen: 1. Nota van Inspraakreacties geanonimiseerd 2. Nota van Zienswijzen geanonimiseerd 3. Beschermde Rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten of beeldbepalende bebouwing
3
“Actualisatieplan Kommen Berlicum en Middelrode”
4. (Tussen)uitspraak Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 1602-2022
4
“Actualisatieplan Kommen Berlicum en Middelrode”
1. Inleiding 1.1 Aanleiding De gemeente wil haar grondgebied voorzien van een moderne, planologisch-juridische regeling. Alle vigerende bestemmingsplannen zullen in dit kader worden geactualiseerd. De huidige bestemmingsplannen vigeren al geruime tijd en zijn daardoor niet altijd even actueel. Soms kunnen deze plannen ongewenste ontwikkelingen niet tegenhouden en voor gewenste ontwikkelingen is het vigerende bestemmingsplan niet toegerust. Tevens zijn in dit plan omissies uit het vorige plan hersteld. Voorliggend bestemmingsplan is op onderdelen ‘gerepareerd’ naar aanleiding van de (tussen)uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 februari 2022. Voor deze uitspraak wordt verwezen naar bijlage 4 van de plantoelichting. In subparagraaf 6.2.4 wordt nader ingegaan op de reparaties naar aanleiding van de uitspraak.
1.2 Plangebied Het plangebied betreft de kommen van Berlicum en Middelrode. De begrenzing van het plangebied van het bestemmingsplan wordt in onderstaande figuur weergegeven.
Figuur 1: Begrenzing plangebied bestemmingsplan
5
“Actualisatieplan Kommen Berlicum en Middelrode”
1.3 Vigerende plannen In het plangebied is een aantal ruimtelijke plannen van kracht. Het gaat om:
Figuur 2: Vigerende bestemmingsplannen Deze plannen komen, zoals in de Wet ruimtelijke ordening is bepaald, bij inwerkingtreding van dit bestemmingsplan te vervallen.
1.4 Leeswijzer In de volgende hoofdstukken wordt aandacht besteed aan de verschillende aspecten van het bestemmingsplan. In hoofdstuk 2 wordt een planbeschrijving gegeven vanuit de stedenbouwkundige en functionele structuur. Hoofdstuk 3 gaat in op het ruimtelijkplanologisch beleidskader. Voor een uitgebreide beschrijving van de milieuhygiënische en ruimtelijke aspecten wordt verwezen naar hoofdstuk 4. De juridische aspecten komen aan bod in hoofdstuk 5 en de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan in hoofdstuk 6.
6
“Actualisatieplan Kommen Berlicum en Middelrode”
2. Planbeschrijving In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van de ontwikkelingen die aanleiding zijn geweest voor het nieuwe bestemmingsplan. Eerst volgt een beschrijving van de huidige situatie, daarna van de nieuwe ontwikkelingen en tot slot een korte beschrijving van de doelstelling / het uitgangspunt van het bestemmingsplan. De juridische vertaling van de bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn verankerd op respectievelijk in de bij dit bestemmingsplan behorende verbeelding en regels. De ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van de voormelde plankeuzes worden gemotiveerd in de hoofdstuk 4.
2.1 Huidige situatie 2.1.1 Historie De gemeente Sint-Michielsgestel ligt in de provincie Noord-Brabant, ten zuiden van ’sHertogenbosch. De gemeente is in 1996 ontstaan door het samenvoegen van de gemeenten Den Dungen, Berlicum en Sint-Michielsgestel. De gemeente heeft een landelijk karakter en bestaat uit vijf kernen: Sint-Michielsgestel, Den Dungen, Berlicum, Middelrode en Gemonde. In totaal wonen er circa 28.500 mensen op een oppervlakte van 6.640 hectare. Tussen 600 en 800 na Christus vestigde een groep nomaden zich als eerste bewoners in Berlicum. Hun stamhoofd heette Beer en daarom werden zij de ‘volgelingen van de Beer’ genoemd. Zo is vermoedelijk de naam van het dorp ontstaan (Beerlinchem). Doordat Berlicum dicht bij ‘s-Hertogenbosch lag, kwam er veel ruilhandel op gang. Deze ruilhandel zorgde voor de komst van veel nieuwe ambachten, waardoor de welvaart van de bevolking flink toenam. Vooral de dienstensector en de bouwnijverheid bieden in het dorp nog werkgelegenheid, maar tegenwoordig is Berlicum een uitgesproken forensendorp. Het dorp Berlicum is ontstaan op de scheidslijn tussen de hoge (en droge) en de lage (en natte) gronden. Het plangebied is een deel van de overgangszone tussen de dekzandrug waar Berlicum op ligt en het stroomdal van De Aa. Vanouds is de structuur van het dorp een lintstructuur, met een centrale as die noordwest-zuidoost loopt.
De eerste ontwikkelingen van het dorp hebben aansluitend hierop plaatsgevonden. Daardoor ontstond er een structuur van parallelstraten, een zogenaamd lintakkerdorp. De nieuwere uitbreidingen aan de noord- dan wel de zuidzijde hebben eigenschappen van het omringende landschap overgenomen. Aan de noordzijde van Berlicum overheersen de rechte lijnen, die ingegeven zijn door de landschapsstructuur met zijn grote open ruimten. Het gebied is een overgangszone tussen de oorspronkelijke lintbebouwing en het wijdse landschap te noorden daarvan. De wijdsheid is het gevolg van de ruilverkaveling. In de kern Berlicum wonen tegenwoordig circa 7.675 inwoners en in Middelrode circa 1.995 inwoners. Groene plekken liggen, net als in de kern Sint-Michielsgestel, verspreid door heel Berlicum en Middelrode. 2.1.2 Ruimtelijke hoofdstructuur De hoofdas van Berlicum is parallel gelegen aan de Aa en wordt gevormd door de straten Hoogstraat en Kerkwijk. Eigen aan de lintakkerdorpen zijn de straten loodrecht op deze as. Deze vormen een verbinding met de voormalige heide- en woeste gronden met de
7
“Actualisatieplan Kommen Berlicum en Middelrode”
verspreid gelegen hoevegebieden. Deze hiervoor geschetste principiële opbouw van het lintakkerdorp is nog duidelijk terug te vinden. Tevens is deze opbouw in het verleden steeds leidraad geweest voor de uitgroei van de kernen Berlicum en Middelrode. In het dorp Berlicum lopen alle interne en externe hoofdrelaties langs het lint Hoogstraat - Kerkwijk - Sassenheimseweg. Het hoofdverkeerssysteem wordt nagenoeg geheel door de hoofdopbouw van de kern gedragen. De ruimtelijke opbouw van het centrumgebied wordt sterk bepaald door de oorspronkelijke lintbebouwing van de Hoogstraat en de Kerkwijk. Het meest oorspronkelijke deel van Berlicum – het Raadhuisplein – is als ruimte duidelijk herkenbaar aan de entree van het dorp. Het Mercuriusplein is de centrale pleinruimte in het dorp waaraan de meeste centrumfuncties gelegen zijn. Het heeft daardoor in het dorp een eigen karakter. Aan de Kerkwijk in de omgeving van het bejaardenhuis, kerk en dorpshuis is de bebouwing grootschaliger van omvang. Deze grootschaligheid komt overeen met de functies welke die gebouwen herbergen. Ruimtelijk uitgangspunt is verder om het gebied tussen Berlicum en Middelrode zo ‘open’ mogelijk te houden, zodat er een duidelijke ruimtelijke scheiding blijft bestaan tussen deze twee dorpen. 2.1.3 Functionele structuur Wonen Wonen is vanzelfsprekend de meest voorkomende functie in Berlicum en Middelrode.
Wonen komt voor als een zelfstandige functie en als mengvorm (met winkels, bedrijven, kantoren, dienstverlening). Maatschappelijke voorzieningen Met name in Berlicum zijn de meest gangbare maatschappelijke voorzieningen aanwezig. Voor een dorp met deze omvang is dit een behoorlijk voorzieningenniveau. Ze liggen verspreid door het dorp met als zwaartepunt Kerkwijk. Onder maatschappelijke voorzieningen worden verstaan: scholen, sociaal-culturele voorzieningen, medische voorzieningen, ouderenhuisvesting, kerken, begraafplaats, overheidsinstellingen en sportvoorzieningen. Alle typen komen verspreid binnen het gehele plangebied voor. Dienstverlening Kantoren en andere dienstverlenende bedrijven komen verspreid binnen het gehele plangebied voor. Kantoren zijn bijvoorbeeld banken, postkantoor, notariskantoor e.d. Daarnaast vallen bijvoorbeeld een apotheek, kapper, ateliers, fysio e.d. ook onder de bestemming of aanduiding Dienstverlening. Buiten het centrumgebied (Mercuriusplein e.o.) komen de meeste kantoren en/of dienstverlenende bedrijven in combinatie met een woonfunctie voor. Detailhandel Detailhandelsfuncties komen vooral geconcentreerd voor rond het Mercuriusplein en het eerste gedeelte van de Kerkwijk. Het betreft winkels in zowel de food- als de non foodsector. Verder komen er verspreid langs de Hoogstraat en de Kerkwijk detailhandelsvestigingen voor.
Deze verspreide ligging is het gevolg van een historisch gegroeide situa-
8
“Actualisatieplan Kommen Berlicum en Middelrode”
tie. De Hoogstraat en de Kerkwijk zijn van oorsprong wegen waarlangs een bepaalde mate van menging van functies aanwezig is. Zowel bedrijfs- als winkelfuncties komen hier in combinatie met woonfuncties voor. De winkelfuncties buiten het centrale winkelgebied zijn over het algemeen specifieker van aard. Horeca Horeca komt verspreid binnen Berlicum en Middelrode voor. Er is sprake van enige concentratie van horeca in de Hoogstraat tussen het Godschalxplein en de Apollostraat. Aan het Mercuriusplein zijn twee horecavestigingen aanwezig. Recreatie De recreatieve betekenis van Berlicum en Middelrode zit vooral in de functie als doorkomstplaats van fietsroutes. De in het dorp aanwezige horeca heeft een ondersteunende functie als ‘aanlegplaats’. Bedrijven(terreinen) Verspreid over de dorpen ligt een aantal bedrijven(terreinen). De aard en omvang van de aanwezige bedrijven zijn zodanig dat deze geen of weinig overlast veroorzaken in het dorp. De meeste bedrijven zijn hier van oudsher gevestigd en dragen bij aan het gemengde karakter van Berlicum en Middelrode. 2.1.4 Verkeers- en groenstructuur Verkeer Autoverkeer De Hoogstraat en de Sassenheimseweg hebben een beperkte doorgaande functie voor bovenlokaal verkeer. Behalve een doorgaande functie hebben deze straten, samen met de Kerkwijk en de Milrooijseweg, een interne verdeelfunctie voor beide dorpen.
Langzaam verkeer De hoofdwegen hebben eveneens een functie voor het langzame verkeer. Fietsverbindingen zijn gelegd door middel van suggestiestroken (Hoogstraat en Kerkwijk) of vrijliggende paden (Sassenheimseweg). Parkeren Van belang voor het functioneren van het centrumgebied zijn de hierin aanwezige parkeervoorzieningen. Deze zijn met name gelegen op het Mercuriusplein, de Minervaplaats, de Vestaplaats en Sporthal De Run en komen als langs-parkeerplaatsen voor aan de Kerkwijk, op de parallelweg van de Sassenheimseweg en op enkele plaatsen langs de Hoogstraat. Daarnaast komen op diverse plaatsen parkeerplaatsen op eigen terrein voor. Openbaar groen Het aantal openbare groenplekken in het centrumgebied is beperkt. Plekken van enige omvang en importantie zijn het Raadhuisplein, het Godschalxplein en het Processiepark. De relatief beperkte hoeveelheid groen binnen het centrumgebied wordt gecompenseerd door de directe relatie met buitengebied. 2.1.5 Cultuurhistorie Verspreid binnen de kern liggen tevens een aantal Rijks- en gemeentelijke monumenten als ook andersoortige cultuurhistorische panden.
9
“Actualisatieplan Kommen Berlicum en Middelrode”
Op de verbeelding is op diverse plaatsen de aanduiding ‘specifieke vorm van waarde – cultuurhistorie’ opgenomen. Deze aanduiding met bijbehorende regels gelden voor de instandhouding en bescherming van Rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten of beeldbepalende bebouwing met bijbehorende onbebouwde gronden. In Bijlage 2 bij de planregels is een overzicht opgenomen van beschermde Rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten en beeldbepalende bebouwing met bijbehorende onbebouwde gronden.
2.2 Ontwikkelingen In onderhavig bestemmingsplan worden enkele ontwikkelingen, direct of middels een wijzigingsbevoegdheid, mogelijk gemaakt. Gekozen is om een gewenste verruiming van bouwrechten (bouwvlak en hoogtes) direct mogelijk te maken waar dit niet op stedenbouwkundige of andersoortige bezwaren stuit. Dit om tegemoet te komen aan de maatschappelijke wens om langer thuis te kunnen blijven wonen door op de begane grond extra woon-/verblijfsmogelijkheid mogelijk te maken. Met het opnemen van deze mogelijkheid wordt aangesloten bij de systematiek, zoals die door de Gemeenteraad is vastgesteld in de Actualisatieplannen voor de kommen van Gemonde en Den DungenMaaskantje. Een wijziging in functies, aanduidingen en bestemmingen vraagt nader onderzoek en een nadere afweging op milieutechnische, beleidsmatige en stedenbouwkundige aspecten. Tenzij ondergeschikt, zijn deze verruimingen alleen mogelijk gemaakt middels een wijzigingsbevoegdheid. Wanneer voldaan wordt aan de bij de wijzigingsbevoegdheid opgenomen voorwaarden kan pas medewerking worden verleend aan de beoogde ontwikkeling. In paragraaf 5.3 van deze plantoelichting is een toelichting van de in artikel 27 van de planregels opgenomen ontwikkelingen welke middels een wijzigingsbevoegdheid mogelijk gemaakt kunnen worden.
2.3 Uitgangspunt / doelstelling bestemmingsplan Het uitgangspunt van het bestemmingsplan is het actualiseren van de vigerende plannen. Hierdoor ontstaat er een actuele planologische regeling. Een ander uitgangspunt is het terugbrengen van het aantal vigerende plannen. Bij deze actualisering worden de bouwrechten uit de vigerende plannen overgenomen en daarnaast worden enkele omissies hersteld. Verder is er ook een aantal ontwikkelingen opgenomen welke middels wijzigingsbevoegdheden gerealiseerd kunnen worden. De bestaande ruimtelijke situatie is uitgangspunt voor de in het bestemmingsplan opgenomen bebouwings- en gebruiksregeling. Evenals de bestaande functies is ook de bestaande bebouwing positief bestemd. Er is een relatief globale bebouwingsregeling opgenomen voor hoofdgebouwen. Voor wat betreft de ruimtelijke invulling is het van belang dat deze de na te streven functionele invulling ondersteunt. Een voornaam functioneel uitgangspunt is dat de hoofdfuncties zich manifesteren naar de aanwezige hoofdstraten. In dit bestemmingsplan wordt er verder naar gestreefd de historisch waardevolle ruimten en gebouwen te handhaven en te beschermen.
10
“Actualisatieplan Kommen Berlicum en Middelrode”
De bestaande ruimtelijke karakteristiek vormt de leidraad voor de in het plan op te nemen bebouwingsregeling. Evenals de bestaande functies zal ook de bestaande bebouwing positief bestemd worden. Voor het centrum van Berlicum (Mercuriusplein/Kerkwijk) is een apart bestemmingsplan opgesteld welk bestemmingsplan, in tegenstelling tot het onderhavige bestemmingsplan, wel ontwikkelingsgericht is en waarin wordt ingezet op versterking van de detailhandel, commerciële activiteiten en maatschappelijke ontwikkelingen. Voor het centrum van Berlicum is een Distributie Planologisch Onderzoek (DPO) en een Gebiedsvisie opgesteld.
11
“Actualisatieplan Kommen Berlicum en Middelrode”
3. Ruimtelijk beleidskader 3.1 Inleiding Wat betreft de verantwoordelijkheidstoedeling en bevoegdheidsverdeling zijn het Rijk, de provincies en de gemeenten voortaan verantwoordelijk voor hun eigen belangen. Er kan slechts sprake zijn van bemoeienis van Rijk of provincie met de gemeente, indien dat noodzakelijk is vanwege een nationaal respectievelijk provinciaal belang. Rijk en provincies beschikken in de nieuwe Wet ruimtelijke ordening over dezelfde bevoegdheden als gemeenten om hun eigen ruimtelijke belangen te kunnen uitvoeren. Daarnaast kunnen het Rijk en de provincies algemeen verbindende regels uitvaardigen en aanwijzingen geven om hun belangen veilig te stellen.
3.2 Rijksbeleid 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) betreft een actualisatie van het ruimtelijk beleid en het mobiliteitsbeleid. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is op 13 maart 2012 in werking getreden. De SVIR zet twee zaken helder neer. Een scherp kader voor prioritering in het Infrafonds en een selectief ruimtelijk beleid, dat meer overlaat aan provincies en gemeenten. Minder nationale belangen en eenvoudigere regelgeving. Zo laat het Rijk de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Daarmee wordt bijvoorbeeld het aantal regimes in het landschaps- en natuurdomein fors ingeperkt. Het beleid ten aanzien van landschap is niet langer een rijksverantwoordelijkheid en laat het Rijk over aan de provincies. Voor de Stelling van Amsterdam en de Nieuwe Hollandse waterlinie als (voorlopig) UNESCO werelderfgoedgebied blijft het Rijk in het kader van de internationale afspraken hierover verantwoordelijk. De (boven)lokale afstemming en uitvoering van verstedelijking wordt overgelaten aan (samenwerkende) gemeenten binnen provinciale kaders. Afspraken over percentages voor binnenstedelijk bouwen, Rijksbufferzones en doelstellingen voor herstructurering laat het Rijk los.
Het Rijk stelt heldere ambities voor Nederland in 2040 die inspelen op de (inter)nationale ontwikkelingen die de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven bepalen richting 2040. Het Rijk zet het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid in voor een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Het Rijk formuleert drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): • het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; • het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; • het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. De SVIR vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
12
“Actualisatieplan Kommen Berlicum en Middelrode”
3.1.2 EHS (ecologische hoofdstructuur) De herijkte nationale EHS wordt uiterlijk in 2018 door provincies gerealiseerd. De robuuste verbindingen zijn geschrapt. Voor de langere termijn ontwikkelt het Rijk in overleg met de provincies een visie op natuur. De Natura 2000-gebieden (met natuurwaarden van Europees belang) en de twintig Nationale Parken maken deel uit van de EHS, evenals de Noordzee en de grote wateren. Bij de realisatie van de EHS zal aandacht zijn voor de toegankelijkheid, de recreatieve waarde en de cultuurhistorische en landschappelijke waarden. De herijkte nationale EHS is de belangrijkste Nederlandse bijdrage aan het keren van de internationale achteruitgang van biodiversiteit. De mogelijkheid voor soorten om zich tussen natuurgebieden te verplaatsen wordt vooral gerealiseerd via landbouwgebied en ander particulier beheerd groengebied. De EHS vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. 3.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het ‘Besluit algemene regels ruimtelijke ordening’ (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Het besluit is op 17 december 2011 in werking getreden. Het kabinet heeft in de SVIR vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet.
Het gaat om de volgende nationale belangen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Ecologische hoofdstructuur, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament en IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte). Het Rijk beëindigt de rol bij nationale landschappen, rijksbufferzones en het verstedelijkingsbeleid. In de structuurvisie worden de rijksdoelen en nationale belangen limitatief beschreven. Per 1 oktober 2012 is aan het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening een aantal onderwerpen toegevoegd. Het gaat om de eerder aangekondigde onderwerpen Ecologische hoofdstructuur, elektriciteitsvoorziening, toekomstige uitbreiding hoofd(spoor)wegennet, veiligheid rond rijksvaarwegen, verstedelijking in het IJsselmeer, bescherming van primaire waterkeringen buiten het kustfundament en toekomstige rivierverruiming van de Maastakken. Aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is op 1 oktober 2012 in artikel 3.6.1 de ladder voor duurzame verstedelijking toegevoegd. Omdat de het bestemmingsplan niet voorziet in nieuwe ontwikkelingen is deze 'ladder' niet relevant.
Het Barro vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. 3.1.4 Waterbeleid voor de 21e eeuw (2000) Directe aanleiding voor het kabinetsstandpunt ‘Anders omgaan met water, waterbeleid in de 21e eeuw’ (WB21) is de zorg over het toenemende hoogwater in de rivieren, wateroverlast en de versnelde stijging van de zeespiegel. Het kabinet is van mening dat er een aanscherping in het denken over water dient plaats te vinden. Nadrukkelijker zal rekening moeten worden gehouden met de (ruimtelijke) eisen die het water aan de inrichting van Nederland stelt. Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. In de Waterwet zijn alle vergunningen betreffende ‘water’ opgenomen. Met de Waterwet zijn Rijk, waterschappen,
13
“Actualisatieplan Kommen Berlicum en Middelrode”
gemeenten en provincies beter uitgerust om wateroverlast, waterschaarste en waterverontreiniging tegen te gaan. Ook voorziet de wet in het toekennen van functies voor het gebruik van water zoals scheepvaart, drinkwatervoorziening, landbouw, industrie en recreatie. Afhankelijk van de functie worden eisen gesteld aan de kwaliteit en de inrichting van het watersysteem. Onderdeel van het rijksbeleid is de invoering van de watertoets. De watertoets dient te worden toegepast op nieuwe ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen, beheersverordeningen, inpassingsplannen, projectbesluiten en buitentoepassingsverklaringen. Als een gemeente een ruimtelijk plan wil opstellen, stelt zij de waterbeheerder vroegtijdig op de hoogte van dit voornemen. De waterbeheerders stellen dan een zogenaamd wateradvies op. Het ruimtelijk plan geeft in de waterparagraaf aan hoe is omgegaan met dit wateradvies. Het Watertoetsproces is verankerd in artikel 3.1.6 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (2003). Toetsingscriteria in de watertoets zijn: veiligheid, regionale- en lokale wateroverlast, rioleringssysteem, watervoorziening, volksgezondheid, bodemdaling, grondwateroverlast, oppervlaktewaterkwaliteit, grondwaterkwaliteit, verdroging en natte natuur (Handreiking watertoets2, 2003).
Op basis van sectorale wetgeving en de algemene onderzoeksverplichting van artikel 3.2 Awb moet in het kader van de besluitvorming binnen de ruimtelijke ordening onderzoek naar de relevante omgevingsaspecten worden gedaan, zoals water. Het bestemmingsplan kent vanuit waterbeleid geen belemmeringen. De wet- en regelgeving omtrent het waterbeleid vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. 3.1.5 Archeologie en cultuurhistorie Het Verdrag van Malta heeft tot doel het archeologisch erfgoed in Europa te beschermen. Als de bodem wordt verstoord, moeten volgens het verdrag belangrijke archeologische resten intact worden gehouden, bij voorkeur op locatie in de bodem en, als het niet anders kan, door opgraving en archivering. De archeologische monumentenzorg is conform het Verdrag van Valletta inmiddels geregeld in de Wet op de Archeologische monumentenzorg. Inmiddels is dit geheel in breder perspectief geplaatst in het kader van de Modernisering van de Monumentenzorg. Hiermee is bepaald dat niet alleen rekening gehouden moet worden met archeologische waarden in bestemmingsplannen maar ook rekening gehouden moet worden met (andere) cultuurhistorische waarden. In paragraaf 4.8 wordt nader ingegaan op de onderdelen archeologie en cultuurhistorie.
Hiervoor is in subparagraaf 2.1.5 reeds een overzicht gegeven van de verspreid binnen de kernen van Berlicum en Middelrode liggende Rijks- en gemeentelijke monumenten als ook de andersoortige cultuurhistorische panden. De wet- en regelgeving omtrent het archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
14
“Actualisatieplan Kommen Berlicum en Middelrode”
3.3 Provinciaal beleid 3.3.1 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening (SVRO) Op 1 oktober 2010 hebben Provinciale Staten de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening (SVRO) voor de provincie Noord-Brabant vastgesteld, die op 1 januari 2011 in werking is getreden. In de structuurvisie zijn de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040) opgenomen. Sinds de vaststelling van de structuurvisie in 2010 hebben Provinciale Staten diverse besluiten genomen die een verandering brengen in de provinciale rol en sturing, of van provinciaal beleid. Deze besluiten zijn nu vertaald in de ‘Structuurvisie RO 2010 – partiele herziening 2014’ die op 7 februari 2014 vastgesteld. Er is bewust niet gekozen om een geheel nieuwe visie op te stellen. Dit omdat de bestaande structuurvisie recentelijk is vastgesteld en de visie en sturingsfilosofie voor het overgrote deel nog actueel zijn. Op onderdelen vindt er bijsturing plaats. De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie, maar bindt gemeenten niet rechtsreeks. Het vormt de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet, die de Wet ruimtelijke ordening biedt. Eén van deze instrumenten is de provinciale verordening.
In de Verordening ruimte Noord-Brabant 2014 zijn de kaderstellende elementen uit de structuurvisie vertaald in concrete regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen (zie verder subparagraaf 3.2.2). De provincie stuurt door middel van vier ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. Binnen deze structuren worden de belangrijkste, maatschappelijke ontwikkelingen opgevangen en kiest de provincie voor een bepaalde ordening van functies. Hiermee wil de provincie een gevarieerd en aantrekkelijk woon-, werk- en leefklimaat ontwikkelen waarin een kennisinnovatieve economie het meest van belang is voor een duurzaam Brabant. Het principe van ‘behoud en ontwikkeling’ staat hierbij centraal. De SVRO vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan. 3.2.2 Verordening ruimte Noord-Brabant De beleidsaanpassingen uit de Verordening ruimte Noord-Brabant zijn gebaseerd op de Structuurvisie RO 2010 – partiële herziening 2014. De regels van de provinciale verordening ruimte zijn er, in lijn met het beleid van de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening, op gericht om de stedelijke ontwikkelingen plaats te laten vinden in de stedelijke regio’s en in het bestaand stedelijk gebied.
De begrenzingen van de stedelijke en landelijke regio’s zijn vastgelegd in kaarten behorende bij de Verordening ruimte. In de verordening zijn ook het bestaande stedelijk gebied, de zoekgebieden voor stedelijke ontwikkeling en de ecologische hoofdstructuur begrensd. In de Verordening ruimte zijn regels opgenomen waaraan ruimtelijke plannen dienen te voldoen. Nieuwe stedelijke ontwikkelingen dienen in principe plaats te vinden in bestaand stedelijk gebied of in een zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling. De Verordening ruimte Noord-Brabant vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
15
“Actualisatieplan Kommen Berlicum en Middelrode”
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Beleidsregel planologische kruimelgevallen Op 15 juli 2011 heeft de gemeente een beleidsregel planologische kruimelgevallen vastgesteld. Deze regeling is geactualiseerd en op 31 januari 2015 inwerking getreden. Deze regeling geldt voor het gehele plangebied van de gemeente, met uitzondering van het buitengebied. In deze notitie zijn beleidsregels opgenomen voor de planologische afwijkingsmogelijkheden die de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) biedt. De regeling is overgenomen in onderhavig bestemmingsplan. 3.3.2 Archeologie Sinds de invoering van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) heeft de gemeente via haar Erfgoedverordening al invulling gegeven aan de verplichtingen die de wet met zich meebrengt. Gezien de Wamz aan gemeenten nu meer (en op een andere wijze dan voorheen) beleidsruimte biedt om naar eigen behoefte invulling te geven aan archeologische monumentenzorg, is het doel van de beleidsnota het vastleggen van het gemeentelijke archeologiebeleid. In 2009 heeft de gemeente een archeologische verwachtingskaart vervaardigd. Deze kaart vormt de basis van het archeologische monumentenzorgbeleid, in samenhang met het selectiebeleid, ten aanzien van archeologische vindplaatsen.
Waardevolle archeologische vondsten wil de gemeente het liefst in de bodem oftewel ‘in situ’ behouden of, indien dat niet mogelijk is, laten opgraven en vervolgens de onderzoeksresultaten publiekelijk maken (behoud ‘ex situ’). Het archeologiebeleid is vertaald in de regels van dit bestemmingsplan middels het opnemen van de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 1’ en ‘Waarde – Archeologie 4’. 3.3.3 Bomenverordening De gemeente maakt binnen de Bomenverordening gebruik van een Lijst Waardevolle bomen Sint-Michielsgestel (Bomenlijst). Voor een belangrijk deel van deze bomen is aanvullende bescherming vanuit het bestemmingsplan wenselijk (zie artikel 25.2.3 van de planregels). Deze bescherming betreft met name de standplaats. Individueel opgenomen bomen krijgen standaard een standplaats met een straal van 7,5 meter. Hierbinnen valt voor veel bomen de kroonprojectie, het gebied waarbinnen de boom gevoelig is voor negatieve invloeden. Voor bomen die aantoonbaar groter zijn, kan een grotere standplaats opgenomen worden.
16
“Actualisatieplan Kommen Berlicum en Middelrode”
4. Milieu- en ruimtelijke waardentoets 4.1 Inleiding Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De beleidsvelden groeien naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de afweging van het al dan niet toelaten van bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Tevens is het van belang milieubelastende functies, zoals bedrijfsactiviteiten, ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies, zoals woningen. Voorafgaand aan het opstellen van dit bestemmingsplan heeft een scan plaatsgevonden van relevante omgevingsaspecten, met uitzondering van bodemkwaliteit, flora en fauna en geur in het gebied. Dit onderzoek is beperkt van aard geweest, omdat het bestemmingsplan gericht is op instandhouding van de bestaande situatie. Het onderzoek richtte zich erop te bepalen of in het gebied, vanuit het oogpunt van milieu, verkeer of water, aanleiding bestond tot het treffen van maatregelen. De resultaten van de onderzoeken naar de milieukundige haalbaarheid worden beschreven en er wordt aan de andere – ruimtelijk relevante – waarden en omgevingsaspecten, zoals verkeer en mobiliteit, getoetst.
Er is geen scan verricht naar de bodemkwaliteit, de aanwezige flora en fauna en eventuele geurbelasting. In het geval van sloop- of bouwwerkzaamheden moet voor de bodemkwaliteit en de beschermde soorten uit de Flora- en faunawet in het kader van de omgevingsvergunning alsnog een onderzoek worden verricht. Bij werkzaamheden op of in de bodem (zoals afgraven of afvoeren van grond of grondwateronttrekkingen) moet aan de regels uit het Besluit bodemkwaliteit en de Wet bodembescherming worden voldaan.
4.2 Bodem Aangezien het bestemmingsplan betrekking heeft op vastlegging van de bestaande situatie is in beginsel geen bodemonderzoek noodzakelijk. In het geval van sloop- of bouwwerkzaamheden moet voor de bodemkwaliteit in het kader van de omgevingsvergunning alsnog een bodemonderzoek worden verricht.
4.3 Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) heeft tot doel de mensen te beschermen tegen geluidoverlast. Op basis van deze wet dient bij ruimtelijke ontwikkelingen aandacht te worden besteed aan het aspect ‘geluid’. In de Wet geluidhinder is een zonering van industrieterreinen, wegen en spoorwegen geregeld. Enerzijds betekent dit dat (geluid)eisen worden gesteld aan de milieubelastende functies, anderzijds betekent dit dat beperkingen worden opgelegd aan milieugevoelige functies. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe geluidgevoelige objecten mogelijk en er vindt geen aanpassing van de (spoor-)wegen plaats. Er is geen wettelijke geluidzonering vanwege een industrieterrein. Daarmee blijft de huidige situatie gehandhaafd. Het is niet
17
“Actualisatieplan Kommen Berlicum en Middelrode”
noodzakelijk een hogere grenswaarde-procedure te doorlopen. Daarmee is akoestisch onderzoek in het kader van dit bestemmingsplan niet noodzakelijk.
4.4 Bedrijven en milieuzonering In het kader van dit bestemmingsplan zijn in de directe nabijheid van de bedrijvigheid geen nieuwe milieugevoelige bestemmingen opgenomen. Ook vinden er geen nieuwe ontwikkelingen plaats die leiden tot een gewijzigde situatie in milieutechnische zin. De bestaande milieutechnische situatie blijft gehandhaafd en vanuit het oogpunt van milieuhygiëne bestaan er derhalve geen problemen.
4.5 Luchtkwaliteit Met betrekking tot luchtkwaliteit moet rekening worden gehouden met het gestelde in de Wet milieubeheer (Wm), hoofdstuk 5, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen en de bijbehorende bijlagen. Op basis van artikel 5.16 Wm kan, samengevat, een bestemmingsplan worden vastgesteld, indien: • aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, niet leiden tot het overschrijden van een in bijlage 2 van de Wet Milieubeheer opgenomen grenswaarde, of; • aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, leiden tot een verbetering per saldo van de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof dan wel, bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, de luchtkwaliteit per saldo verbetert door een samenhangende maatregel of een optredend effect, of; • aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen, of; • het project is genoemd of beschreven dan wel past binnen een programma van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (in werking getreden per 01-08-2009). Voorliggend bestemmingsplan is conserverend van aard. Het bestemmingsplan legt de bestaande situatie vast.
Samenvattend wordt geconcludeerd dat de luchtkwaliteit niet zal verslechteren ten gevolge van de vaststelling van het bestemmingsplan. Op grond van het bepaalde in de Wet milieubeheer is in dat geval geen onderzoek naar de luchtkwaliteit vereist. Er wordt immers voldaan aan het gestelde in artikel 5.16 lid b: de luchtkwaliteit blijft ten minste gelijk ten gevolge van de vaststelling van het bestemmingsplan.
4.6 Externe veiligheid Inleiding Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb);
18
“Actualisatieplan Kommen Berlicum en Middelrode”
•
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).
Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico: Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.
Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de veiligheidsregio. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb) Spoor- rijks- en waterwegen (Bevt)
Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen. Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde.
Bij het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn.
19
“Actualisatieplan Kommen Berlicum en Middelrode”
Overige wet- en regelgeving Tot slot moet in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening‘ (art. 3.1 Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’, enz. Inventarisatie Met behulp van de nationale risicokaart is gekeken, welke risicobronnen in de nabijheid van het plangebied zijn gelegen. Een uitsnede van de risicokaart met het plangebied vindt u hieronder. Het plangebied is groen omkaderd en gearceerd.
Figuur: Uitsnede risicokaart
20
“Actualisatieplan Kommen Berlicum en Middelrode”
Uit de gegevens van de nationale risicokaart blijkt, dat het plangebied gedeeltelijk ligt binnen de 100% letaliteitscontour van een hoge druk aardgasleiding en ook binnen de 100% letaliteitscontour van een LPG-tankstation. Ondanks dat het gaat om een conserverend bestemmingsplan, dienen deze risico’s opnieuw te worden beschouwd. Toetsing Hoge druk aardgasleiding Een gedeelte van het plangebied ligt in de veiligheidszone van 3 hoge druk aardgasleidingen.
De werkelijke afstand van het plangebied tot de leiding A527 bedraagt ongeveer 100 meter. De afstand tot de beide andere leidingen bedraagt ongeveer 300 meter. Toetsing aan de risiconormen voor de HD-aardgasbuisleidingen, welke onder de werkingssfeer van het Bevb vallen, is gebeurd met behulp van de gegevens risicokaart en de verbeelding en regels van het bestemmingsplan. Door de Omgevingsdienst Brabant Noord in 2017-2018 een onderzoek uitgevoerd naar het plaatsgebonden risico en het groepsrisico van de HD-aardgasleidingen binnen de gemeente Sint-Michielsgestel. Plaatsgebonden risico Uit de rapportage blijkt, dat binnen de gemeente Sint-Michielsgestel geen HDaardgasleidingen aanwezig zijn met een PR 10-6-contour, die buiten de leiding zelf is gelegen. Aan de grens- en richtwaarde voor het PR wordt dus voor alle HDaardgasleidingen voldaan. Groepsrisico De oriëntatiewaarde van het GR wordt op dit moment bij geen van de HDaardgasleidingen binnen de gemeente Sint-Michielsgestel overschreden. LPG-tankstations In de nabijheid van het plangebied bevindt zich een LPG-tankstation:
De afstand voor de bepaling van de hoogte van het groepsrisico (invloedsgebied) is voor alle LPG-tankstations ongeacht de doorzet aan LPG per jaar 150 meter (tabel 1, bijlage 2, Revi).
21
“Actualisatieplan Kommen Berlicum en Middelrode”
In de Circulaire effectafstanden LPG-tankstations zijn effectafstanden voor (beperkt) kwetsbare objecten opgenomen van 60 meter en voor zeer kwetsbare objecten van 160 meter. De effectafstanden uit de Circulaire effectafstanden LPG-tankstations zijn alleen van toepassing op nieuwe (zeer) (beperkt) kwetsbare objecten (na 1 juli 2016). Aangezien het een conserverend bestemmingsplan betreft, is dit niet van toepassing. In onderstaande tabel zijn de resultaten van de toetsing aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico, de oriënterende waarde voor het groepsrisico en de effectafstanden uit de circulaire LPG weergegeven.
Effectafstanden Op 28 juni 2016 publiceerde de Staatscourant een circulaire over externe veiligheid. Het gaat om "Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de externe veiligheid". Deze circulaire vraagt ook actie van gemeenten bij het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan rondom LPG-tankstations. De circulaire vraagt gemeenten uitdrukkelijk ook een effectbenadering toe te passen bij besluiten rondom LPG-tankstations. Daarnaast blijft een risicobenadering in het kader van het Bevi (plaatsgebonden risico en groepsrisico) nodig. De effectbenadering is van toepassing als de gemeente een nieuw bestemmingsplan vaststelt. Het gaat om een bestemmingsplan op grond waarvan kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten nabij een LPG-tankstation gerealiseerd kunnen worden. Het plangebied is gelegen binnen de effectafstand van 60 meter voor (beperkt) kwetsbare objecten en de effectafstand van 160 meter voor zeer kwetsbare objecten. Binnen deze laatste effectafstand zullen dan ook geen zeer kwetsbare objecten gerealiseerd mogen worden. Dit wordt uitgesloten middels de planregels. Op de verbeelding zal het effectgebied van de 60 en 160 meter worden weergegeven. In beginsel geen zeer kwetsbare objecten binnen een afstand van 160 meter Voor de zeer kwetsbare objecten moet rekening worden gehouden met een effectzone van 160 meter.
Deze afstand is gebaseerd op het ongevalsscenario met de grootste effectafstand. Dit is een warme BLEVE van de tankwagen. Op de afstand van 160 meter is de stralingsbelasting 35 kW/m2. Op deze afstand zijn (beperkt zelfredzame) personen die zich binnen een gebouw bevinden voldoende beschermd. Voor zelfredzame personen is er bij dit ongevalsscenario voldoende tijd om te vluchten naar een veilige locatie. Dit komt omdat een warme BLEVE pas na 75 minuten kan plaatsvinden als een tankwagen is voorzien van een hittewerende bekleding. In beginsel geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen een afstand van 60 meter Zijn (beperkt) kwetsbare objecten geen zeer kwetsbare objecten? Houd dan rekening met een effectzone van 60 meter. Deze afstand is gebaseerd op het ongevalsscenario dat het meest bijdraagt aan het plaatsgebonden risico. Dat is namelijk slangbreuk gevolgd door een fakkelbrand. Dit scenario kan onmiddellijk (dus zonder ontwikkeltijd) optreden. Op de afstand van 60 meter gaat men uit van een warmtestraling van 10 kW/m2
22
“Actualisatieplan Kommen Berlicum en Middelrode”
(1% letaliteitsgrens voor onbeschermde personen). Zelfredzame personen zijn vanaf 60 meter afstand voldoende beschermd tegen de effecten van dit scenario. Gemotiveerd afwijken van effectafstanden. In de circulaire wordt het bevoegd gezag gevraagd rekening te houden met de genoemde effectafstanden. Dit wil zeggen dat gevraagd wordt deze afstand in beginsel aan te houden. Afwijken van deze afstanden kan gemotiveerd plaatsvinden als er veiligheidsmaatregelen zijn getroffen. Volgens de circulaire moeten de argumenten dan veiligheidsgerelateerd zijn. In het kort: • Voor zeer kwetsbare objecten geldt een effectafstand van 160 meter. • Voor overige (beperkt) kwetsbare objecten geldt een effectafstand van 60 meter. • Afwijking van deze afstanden kan alleen plaatsvinden als dat met veiligheidsgerelateerde argumenten is onderbouwd. Conclusie Het onderhavige plan betreft een conserverend bestemmingsplan en voldoet aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico. De planlocatie ligt binnen het invloedgebied van hoge druk aardgasleidingen en een LPG-tankstation. Het groepsrisico is onderzocht en wordt aanvaardbaar geacht. Het betreft een bestaande situatie die eerder is onderzocht en acceptabel is bevonden. Er worden geen nieuwe ontwikkelingen toegestaan en het groepsrisico blijft daardoor gelijk.
Doorwerking effectafstanden in de verbeelding Op de navolgende wijze worden de effectgebieden opgenomen in de regels en verbeelding. Op de verbeelding worden de volgende aandachtsgebieden weergegeven: 1. Plasbrandaandachtsgebied 60 meter; 2. Explosieaandachtsgebied 160 meter. Voor de ligging van het vulpunt wordt de volgende kaart opgenomen.
23
“Actualisatieplan Kommen Berlicum en Middelrode”
In de bestemmingsplanregels moet voor het LPG-tankstation aanvullend op het Besluit externe veiligheid inrichtingen worden geborgd dat aan de effectafstanden uit de Circulaire LPG-tankstations wordt voldaan. Dit betekent dat in de regels naast beperkt kwetsbaar en kwetsbaar ook een definitie van zeer kwetsbare objecten wordt opgenomen. Brandaandachtsgebied LPG (160 meter vanuit LPG vulpunt) Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone – LPG 1' zijn de gronden mede bestemd voor de bescherming van het woon- en leefmilieu in verband met de aanwezigheid van een brandaandachtsgebied van een activiteit met externe veiligheidsrisico’s. Het is niet toegestaan om ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone – LPG 1’: a. Nieuwe zeer kwetsbare gebouwen te bouwen of in gebruik te nemen; b. Nieuwe (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties te bouwen of in gebruik te nemen; c. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in sub a en sub b, met dien verstande dat de argumenten veiligheids-gerelateerd zijn. De argumenten voor (beperkt) kwetsbare objecten richten zich erop slachtoffers door een fakkelbrand te voorkomen. De argumenten voor zeer kwetsbare objecten richten zich erop slachtoffers door een fakkelbrand te voorkomen.
Explosieaandachtsgebied LPG (160 meter vanuit LPG vulpunt) Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone – LPG 2' zijn de gronden mede bestemd voor de bescherming van het woon- en leefmilieu in verband met de aanwezigheid van een explosieaandachtsgebied van een activiteit met externe veiligheidsrisico’s. Het is niet toegestaan om ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone – LPG 2’: a. Nieuwe zeer kwetsbare gebouwen te bouwen of in gebruik te nemen; b. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in sub a, met dien verstande dat de argumenten veiligheids-gerelateerd zijn. De argumenten richten zich erop om slachtoffers in de groep zeer kwetsbare personen door een warme BLEVE te voorkomen. Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om het plan te wijzigen in die zin dat de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone- LPG 1' en/of 'veiligheidszone – LPG 2' geheel of gedeeltelijk komt te vervallen, onder voorwaarde dat het gebruik van de gronden en bouwwerken voor de activiteit met externe veiligheidsrisico’s is beëindigd of een wijziging in regelgeving of vergunningverlening daartoe aanleiding geeft.
4.7 Natuur Aangezien het bestemmingsplan een conserverend plan is en er geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt is een nader onderzoek naar natuurwaarden en flora en fauna niet noodzakelijk.
4.8 Archeologie en cultuurhistorie Archeologie In 2009 is de archeologische verwachtingskaart voor de gemeente Sint-Michielsgestel opgesteld. Deze kaart vormt de basis voor het archeologiebeleid van de gemeente. Het
24
“Actualisatieplan Kommen Berlicum en Middelrode”
beleid is opgesteld op basis van alle bekende (en toegankelijke) bronnen. Tevens heeft de gemeente Sint-Michielsgestel rekening gehouden met lokale situaties daar het beschikt over uitgebreide historie van het eigen grondgebied. Op deze afgeleide beleidskaart staan gebieden aangegeven met respectievelijk een lage, middelhoge en hoge verwachting. Tevens staan hier de terreinen op waarvan de archeologische waarde reeds is vastgesteld (zogenaamde AMK-terreinen). Op basis van de beleidskaart is in het bestemmingsplan aangegeven welke gebieden een archeologische dubbelbestemming krijgen en waarvoor randvoorwaarden aan een vergunning gesteld kunnen worden. Op basis van deze kaart zijn de bestemmingen dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 1’ en ‘Waarde – Archeologie 4’ met bijbehorende regels opgenomen. Cultuurhistorie Vanaf 1 januari 2012 is het verplicht in bestemmingsplannen met overige cultuurhistorische waarden rekening te houden. Aangezien het in het onderhavig bestemmingsplan gaat om een conserverende regeling zijn de aanwezige cultuurhistorische waarden hierdoor beschermd. Er worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. In de tot nu toe vigerende bestemmingsplannen wordt melding gemaakt van een aantal Rijksmonumenten en een aantal gemeentelijke monumenten.
Deze vinden op grond van de Monumentenwet of gemeentelijke Monumentenverordening al enige bescherming, maar op de onderhavige verbeelding is daarnaast op diverse plaatsen de aanduiding ‘specifieke vorm van waarde – cultuurhistorie’ opgenomen. Deze aanduiding met bijbehorende regels gelden voor de instandhouding en bescherming van Rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten of beeldbepalende bebouwing met bijbehorende onbebouwde gronden. In Bijlage 3 is een overzicht opgenomen van beschermde Rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten en beeldbepalende bebouwing met bijbehorende onbebouwde gronden.
4.9 Water Doelstelling en wettelijk kader Sinds juli 2003 is de watertoets wettelijk verankerd in artikel 5.1.3 van het Besluit op de Ruimtelijke Ordening. Het besluit verplicht tot het opnemen van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding in de toelichting van alle ruimtelijke plannen van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten in het kader van de Wro. Het doel van de watertoets is dat water een volwaardige rol speelt in ruimtelijke plannen. Het middel dat de watertoets daarvoor gebruikt, is het zo vroeg mogelijk betrekken van de waterbeheerder bij een nieuw ruimtelijk plan. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Eerste aanspreekpunt voor de gemeente is in principe het waterschap. Naast het waterschap zijn er nog andere waterbeheerders zoals de provincie (grondwaterbeheerder), Brabant Water (grondwaterbeschermingsgebieden) en Rijkswaterstaat (kanalen). Bij de watertoets gaat het om het verantwoorden van de waterhuishoudelijke aspecten bij ruimtelijke plannen en besluiten.
Met behulp van de watertoets wordt er naar gestreefd om het waterhuishoudkundig aspect in combinatie met het ruimtelijke beleid toe te passen op het beoogde plangebied, waarbij op basis van de voorgenomen ontwikkelingen gezocht is naar een hydrologisch neutrale oplossingsrichting.
25
“Actualisatieplan Kommen Berlicum en Middelrode”
Het waterschap coördineert het wateradvies. De waterparagraaf moet het bewijs leveren dat water inderdaad een volwaardige plaats heeft gekregen in het maken van het ruimtelijk plan. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk en daarmee vinden er geen activiteiten plaats die de waterhuishouding beïnvloeden. Beleidskader Vanuit verschillende overheidsniveaus zijn beleid en uitgangspunten geformuleerd voor wat betreft de omgang met afstromend hemelwater. De belangrijkste uitgangpunten hierbij zijn het hydrologisch neutraal ontwikkelen en het doorlopen van de volgorde ‘hergebruik-vasthouden-berging-afvoer’. De planlocatie valt binnen het beheersgebied van Waterschap Aa en Maas. Ook voor het Waterschap Aa en Maas is hydrologisch neutraal ontwikkelen speerpunt bij ruimtelijke ingrepen in haar beheersgebied. Het waterschap heeft een beleidsnota met uitgangspunten ten behoeve van de watertoets. Hierbij staan de volgende principes centraal: • wateroverlastvrij bestemmen; • gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater; • doorlopen van de afwegingsstappen: 'hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer'; • hydrologisch neutraal bouwen; • water als kans; • meervoudig ruimtegebruik; • voorkomen van vervuiling • rekening houden met waterschapsbelangen. De voornoemde principes liggen in lijn met het landelijke beleid ten aanzien van de watertoets.
Gestreefd dient te worden naar een waterhuishoudkundig minimaal gelijkwaardige situatie. Het belangrijkste gegeven is het geohydrologisch compenseren van een eventuele toename van verharde oppervlakte, waardoor hemelwater versneld kan worden afgevoerd. Waterbeheerplan 2016-2021 Het Waterbeheerplan ‘Werken met water, voor nu en later’ is een strategisch document. Het waterschap geeft daarin aan wat haardoelstellingen zijn voor de periode 2016-2021 en hoe zij die doelstellingen willen realiseren. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Stroomgebiedsbeheerplan Maas 2, het Nationaal Waterplan 2 en het Provinciaal Milieu en Waterplan. Er is in het waterbeheerplan een indeling gemaakt in de volgende vijf waterthema's: 1. droge voeten; 2. voldoende water; 3. natuurlijk water; 4. schoon water; 5. mooi water. Keur Waterschap Aa en Maas 2015 De ‘Keur Waterschap Aa en Maas 2015’ bevat regels met daarin verboden en verplichtingen ten aanzien van oppervlaktewater en grondwater binnen het gebied van Waterschap Aa en Maas. Hierin wordt het beheer en het onderhoud van watergangen geregeld (bijvoorbeeld betreffende onderhoudsstroken) en is aangegeven wanneer een vergunning of algemene regels van toepassing zijn voor ingrepen in de waterhuishouding.
Zo is het verboden om binnen 5 meter (beschermingszone) breedte uit de insteek aan beide zijden van leggerwateren obstakels te plaatsen of te hebben. Verder zijn er beleidsregels
26
“Actualisatieplan Kommen Berlicum en Middelrode”
hoe om te gaan met beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden, beekdalen en overige gebieden. Voorbeelden van situaties waarbij een watervergunning nodig is: • het dempen of wijzigen van een watergang; • het aanleggen van een kabel of leidingen; • het planten van bomen en struiken; • het brengen van water in een watergang. Tot slot geldt dat op de plannen en de ontwikkelingen die middels een wijzigingsbevoegdheid mogelijk gemaakt worden, het beleid van het Waterschap van toepassing blijft. Handreiking watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan, de gemeente en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. Het doel van de watertoets is het voorkomen van waterproblemen, zoals wateroverlast en verdroging. In de Handreiking Watertoets geeft Waterschap Aa en Maas aan welke onderwerpen zei graag in de waterparagraaf beschreven zien worden. Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) Op 22 januari 2015 heeft de gemeenteraad het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP) voor de periode 2015 - 2019 vastgesteld.