2021-R-553b RO Duurzaam energie park versie 3
Tekst van het document
Bijlagen bij besluitdocument
38
Duurzaam Energie Park Boxmeer
Bijlage 1 Overzicht elementen landschappelijke inpassing.
39
Duurzaam Energie Park Boxmeer
Bijlage 2 Indicatieve oppervlaktes LIP & zonnepanelen
46
2.73 ha
0.32 ha
0.03 ha
0.20 ha
4.47 ha
0.62 ha
10.1 ha 8.36 ha
2.64 ha
3.03 ha 2.58 ha
Esri Nederland, Jan Willem van Aalst - www.imergis.nl
Legenda
Gemeente Boxmeer Duurzaam Energie Park Boxmeer
Panelen in veldopstelling
Indicatie verdeling tussen elementen landschappelijke inpassing en zonneveld Verbeelding
Gemeentegrond / pad landschappelijke inpassing
da t u m :
17 - 0 9 - 2 0 2 1
st a t u s :
co n c e p t
sc h a a l : pr o j e ct n r. : ge z i e n : IM R O
1: 5 0 0 0
00 0 . 0 0 . 0 0 . 0 0 . 0 0 DM
BügelHajema Adviseurs bv, Bureau voor Ruimtelijke Ordening en Milieu BNSP
Postbus 2153, 3800 CD Amersfoort T 033 465 65 45 E amersfoort@bugelhajema.nl W www.bugelhajema.nl
Duurzaam Energie Park Boxmeer
Bijlage 3 Beknopte natuurtoets Duurzaam Energie Park Boxmeer
48
Beknopte natuurtoets Duurzaam Energie Park Boxmeer Opdrachtgever: Renewable Factory B.V. Onderwerp:
beknopte natuurtoets Duurzaam Energie Park Boxmeer
Datum:
14-07-2021
projectnummer: P000417
Inleiding KADER Renewable Factory B.V. is van plan een zonneveld in combinatie met natuurelementen te realiseren op twee kavels langs de A73 nabij Boxmeer. Om de uitvoerbaarheid van dit project te toetsen, is een beknopte natuurtoets uitgevoerd. Het doel hiervan is om na te gaan of aanvul1
lend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid noodzakelijk is. Naast het raadplegen van bronnen is het projectgebied en de directe omgeving ten behoeve van de inventarisatie op 14 juni 2021 bezocht door een ecoloog van BügelHajema Adviseurs. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren: onbewolkt, droog, circa 28 ˚C en een zwakke wind. PROJECTEBIED Het projectgebied ligt circa vijf kilometer ten zuiden van Boxmeer langs de A73. Het voornemen betreft twee deelgebieden die gezamenlijk gerealiseerd worden, met een totale oppervlakte van circa 35 hectare (figuur 1). Het zuidelijke deel (zuidlocatie) betreft circa 22 hectare tussen de A73 en de Oeffeltsche Raam. Het noordelijke deel (noordlocatie) betreft circa 13 hectare ter hoogte van de Kavelaersedijk, aan de westzijde van de A73. Deze natuurtoets beschrijft de effecten voor beide locaties samen, en waar nodig wordt dit voor ieder locatie afzonderlijk toegelicht. Het projectgebied ligt in agrarisch gebied, met akkerbouw en veeteelt, met verspreid houtsingels, kleine bosjes, en naar het westen toe een groter natuurgebied met voornamelijk bos.
1
De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en betreft zowel soortenbescherming als bescherming van (Europese) natuurgebieden.
Figuur 1. Ligging van het projectgebied (bron kaart OSM)
datum 14-07-2021
projectnummer P000417
2
Figuren 2 en 3 geven een impressie van het projectgebied. Het projectgebied bestaat uit agrarische percelen. Ten tijde van het veldbezoek was de zuidlocatie in gebruik voor de teelt van aardappels, mais en gras. De noordlocatie was in gebruik voor de teelt van mais en gras voor graszodenproductie. Binnen de noordlocatie zijn sloten, bebouwing en houtige beplanting afwezig Buiten de noordlocatie liggen langs de oost- en zuidrand wel houtige beplantingen, langs een deel van de noordrand ligt tevens een bosje. Aan de zuidoostrand bevindt zich een opgaand talud naar het viaduct over de A73, met struweel. Alleen langs de noordrand (langs de A73 en langs de oostrand van het daar gelegen bosje) bevindt zich een smalle waterhoudende watergang. Binnen de zuidlocatie loopt een watergang van noord naarzuid midden door dit gebied. En tevens is er een kleinere noord-zuid lopende watergang in het noordwestelijk deel van deze locatie Beide watergangen waren ten tijde van het veldbezoek slechts gedeeltelijk waterhoudend. Waarschijnlijk vallen deze regelmatig droog in de zomer. Langs de noordrand ligt een smalle waterhoudende watergang. Langs de middensloot zijn tevens twee grote bomen aanwezig, namelijk een zomereik en een kers. Andere houtige beplanting is niet aanwezig binnen het projectgebied. Er is ook geen bebouwing aanwezig.
Buiten het projectgebied bevindt zich langs de oostrand de Oeffeltsche Raam, een natuurstrook van circa 20 meter breed met een kronkelende watergang, poelen, houtige beplanting en ruigte. Langs de noord- en westrand bevinden zich verder brede houtsingels. De zuidzijde van het projectgebied grenst aan agrarische percelen met boomteelt en mais.
Figuur 2. Impressie van het projectgebied, noordlocatie (14 juni 2021)
datum 14-07-2021
projectnummer P000417
3
Figuur 3. Impressie van het projectgebied, zuidlocatie (14 juni 2021)
HET VOORNEMEN Het voornemen betreft de realisatie van een zonnepark en een aantal natuurelementen. De totale oppervlakte bedraagt circa 35 hectare. Daarbij blijft de kavelstructuur vrijwel geheel intact, alleen de kortere watergang in de noordwesthoek van de zuidlocatie zal waarschijnlijk worden gedempt. De twee alleenstaande bomen in de zuidlocatie blijven behouden. Op de agrarische percelen zelf worden zonnevelden aangelegd, met rondom een 10 meter brede strook met een haag en kruidenrijk gras die tevens als onderhoudspad dienst doet. Voor het opstellen van de zonnepanelen is licht graafwerk nodig. Het plan is verder om op een deel van de noordlocatie in te richten met struweel en een biologische groentetuin. Zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase zal geen verlichting worden aangebracht. Er komt een raster rondom de zonnevelden die passeerbaar is voor dieren tot de grootte van een das. SOORTENBESCHERMING Onderdeel van de Wnb is soortenbescherming van planten en dieren. Deze betreffen: -
alle van nature in Nederland in het wild voorkomende vogels die vallen onder de Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1-3.4);
datum 14-07-2021
projectnummer P000417
4
-
dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (Wnb art. 3.5-3.9);
-
nationaal beschermde dier- en plantensoorten genoemd in de bijlage van de wet (Wnb art. 3.10-3.11).
Van deze laatst genoemde groep beschermde soorten mogen provincies een zogenaamde ‘lijst met vrijstellingen’ opstellen (Wnb art. 3.11). Voor de soorten op deze lijst geldt een vrijstelling van de verboden genoemd in art. 3.10 eerste lid van de Wnb. INVENTARISATIE 2
Uit het raadplegen van de Nationale Database Flora en Fauna (© NDFF 11 juni 2021 10:20:04) blijkt dat in de afgelopen vijf jaar in de omgeving van het projectgebied (0 - 5 km) verschillende beschermde planten- en diersoorten bekend zijn. Het betreft voornamelijk vaatplanten, vogels met jaarrond beschermde nesten en zoogdieren, en verder enkele soorten amfibieën, reptielen en vlinders. Indien van toepassing worden relevante soorten in de onderstaande tekst besproken. Tijdens het veldbezoek is vastgesteld dat het projectgebied een beperkte natuurwaarde heeft, vanwege het intensieve agrarische grondgebruik en grotendeels ontbreken van water en houtige beplanting. Figuren 2 en 3 geven een impressie van het projectgebied. Vaatplanten De agrarische percelen zijn intensief in gebruik voor akkerbouw. Natuurlijke begroeiing van de akkers is beperkt tot kleine aantallen van zeer algemene kruiden zoals kweek en Europese hanenpoot. Het grasland wordt gedomineerd door Engels raaigras en witte klaver. In de perceelsranden en de slootkanten zijn vooral soorten te vinden zoals kropaar, glanshaver en grote brandnetel. Pleksgewijs zijn kruiden zoals egelboterbloem en veldlathyrus aangetroffen. In de watergangen binnen het projectgebied is geen echte watervegetatie aanwezig. Er groeit wel grote lisdodde en liesgras. De plantensoorten duiden op zeer voedselrijke omstandigheden.
Er zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Geschikt biotoop voor deze soorten ontbreekt vanwege het intensieve grondgebruik en de zeer voedselrijke omstandigheden.
2
De NDFF is de meest omvangrijke landelijke informatiebron van verspreidingsgegevens en bevat betrouwbare
waarnemingen van planten en dieren in Nederland. Nieuwe gegevens worden met regelmaat toegevoegd. Alle gegevens in de NDFF zijn door soortexperts gevalideerd.
datum 14-07-2021
projectnummer P000417
5
Vogels Uit de omgeving van het projectgebied is het voorkomen van verschillende soorten vogels met jaarrond beschermde nesten bekend zoals huismus, gierzwaluw en enkele soorten roofvogels en uilen (NDFF). In het projectgebied ontbreken gebouwen waarin zich nest- of verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten kunnen bevinden. In de enige twee bomen die aanwezig in het projectgebied zijn geen nesten of holten aanwezig die nestplaats kunnen bieden aan vogelsoorten met jaarrond beschermd nesten. Het projectgebied is wel geschikt als foerageergebied voor enkele vogels met jaarrond beschermde nesten, zoals buizerd, sperwer en ransuil. Vooral de randen langs de houtige elementen zijn hiervoor aantrekkelijk. Voor steenuil is het projectgebied weinig geschikt als foerageergebied, omdat elementen van hoge kwaliteit zoals knotbomen, fruitbomen, ruigtehoekjes en begraasd grasland ontbreken. Een geschikte broedplaats voor deze soort is niet in het projectgebied aanwezig. In het projectgebied zijn enkele algemene soorten van akkers te verwachten. Tijdens het veldbezoek zijn gele kwikstaart, wulp en kievit waargenomen. Deze soorten kunnen hier broeden en foerageren. Mogelijk broeden ook soorten zoals fazant of wilde eend in de slootkanten.
Tijdens het veldbezoek werden in de houtige beplantingen grenzend aan het projectgebied onder andere roodborsttapuit, braamsluiper en grote bonte specht waargenomen. Dit betreft alle soorten waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn. Vleermuizen Volgens de NDFF zijn uit de omgeving van het projectgebied (0-5 km) verschillende soorten vleermuizen bekend, die alle beschermd zijn, zoals gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger. In het gehele projectgebied ontbreken gebouwen waarin zich verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen bevinden. In de enige twee bomen in het projectgebied zijn geen holtes, spleten of repen loszittende schors aangetroffen die vleermuizen toegang kunnen bieden tot verblijfplaatsen. Mogelijk gebruiken vleermuizen het projectgebied als foerageergebied. Vooral de randen langs de houtige elementen zijn hiervoor zeer geschikt. Mogelijk maken de noord-zuid lopende randen van de zuidlocatie (zowel west- als oostzijde) deel uit van een lijnvormige structuur die mogelijk fungeert als essentiële (onmisbare) vliegroute voor vleermuizen. Grondgebonden zoogdieren Uit de gegevens van NDFF blijkt dat binnen een straal van vijf kilometer rond het projectgebied verschillende beschermde grondgebonden zoogdiersoorten bekend zijn.
Voor een aantal algemene soorten geldt in de provincie Noord-Brabant een vrijstelling van de verbodsbepalingen genoemd in artikel 3.10 eerste lid Wnb bij ruimtelijke ontwikkelingen. De niet-vrijgestelde soorten betreffen de marterachtigen das, bunzing, wezel en steenmarter, en verder bever, wolf, damhert, en eekhoorn.
datum 14-07-2021
projectnummer P000417
6
In NDFF zijn enkele waarnemingen van das dichtbij het projectgebied bekend, dit betreft enkele dode exemplaren nabij de A73. In de naaste omgeving zijn bij NDFF geen verblijfplaatsen bekend van das. De dichtstbijzijnde gemelde verblijfplaats ligt circa 1 km ten westen van de noordlocatie. Er zijn binnen zowel de noord- als zuidlocatie van het projectgebied geen geschikte plaatsen voor verblijf- of nestplaatsen van das aangetroffen. Op de zuidlocatie zijn geen sporen van das aangetroffen. Op de noordlocatie zijn wel wroetsporen van das aangetroffen in het maisveld nabij het bosje. In het bosje zelf zijn enkele dassenlatrines (kuiltjes met uitwerpselen) aangetroffen. Verder is bij de zuidpunt van de noordlocatie, in het zuidelijke talud nabij het viaduct over de A73, een vluchtpijp gevonden met verse vergraven grond en diverse recent belopen wissels (figuur 4). En deel van het talud is dicht begroeid met braamstruweel. Hier lopen geen herkenbare wissels, maar het kan niet kan worden uitgesloten dat zich hier nog een vluchtpijp bevindt. Ook is ter plekke onder het viaduct een faunapassage die regelmatig belopen wordt, door das of andere grotere dieren.
Figuur 4. Wroetsporen van das in maisakker in het projectgebied, en vluchtpijp in talud net naast het projectgebied, noordlocatie (14 juni 2021).
Van steenmarter en kleine marterachtigen (wezel, bunzing) zijn tijdens het veldbezoek geen sporen aangetroffen. Op de akkers zijn geen rommelhoeken, houtstapels of opslag van materialen aangetroffen die kunnen dienen als verblijfplaats voor deze soorten. De houtige beplantingen langs de randen buiten het projectgebied zijn wel geschikt als verblijfplaats voor kleine marterachtigen, de steenmarter is meer gebonden aan erven en rommelhoekjes en wordt dus niet verwacht. Wel kunnen de perceelsranden, met name waar ze grenzen aan houtige elementen dienen als foerageergebied voor deze soorten. De intensief gebruikte agrarische percelen zelf zijn van lage kwaliteit als foerageergebied. Eekhoorn is een strikt aan houtige beplanting gebonden diersoort en hiervoor ontbreekt geschikt leefgebied binnen het projectgebied. Wolf heeft uitgestrekte natuurterreinen als leefgebied en is hier hooguit incidenteel als zwerver te verwachten. Bever heeft als leefgebied grotere wateren en moerassen met veel houtige begroeiing. Dit biotoop is niet aanwezig in en nabij het projectgebied. Nabij
datum 14-07-2021
projectnummer P000417
7
de noordpunt van de zuidlocatie werden tijdens het veldbezoek weliswaar enkele door bever afgeknaagde boompjes aangetroffen, maar voor langduriger verblijf is dit gebied niet geschikt voor bever. Damhert leeft in grotere bos- en natuurgebieden, en vrijwel uitsluitend binnen afgerasterde terreinen. Het projectgebied is niet geschikt voor deze soort. Tijdens het veldbezoek zijn drie reeën en een haas waargenomen. Van deze en enkele andere algemene grondgebonden zoogdiersoorten, zoals veldmuis en bosmuis zijn in het projectgebied verblijfplaatsen te verwachten. Voor deze soorten geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie NoordBrabant een vrijstelling van de verbodsartikelen van de Wet natuurbescherming. Amfibieën Uit de omgeving van het projectgebied (0-5 kilometer) is het voorkomen van enkele beschermde amfibieënsoorten bekend (NDFF). Een aantal betreft algemene soorten zoals bruine kikker en gewone pad. Voor deze soorten geldt in de provincie Noord-Brabant een vrijstelling van de verbodsartikelen van de Wnb bij ruimtelijke ontwikkelingen. De beschermde niet-vrijgestelde soorten die bekend zijn uit de omgeving betreffen alpenwatersalamander, vinpootsalamander, kamsalamander, heikikker, poelkikker, boomkikker en rugstreeppad en knoflookpad (NDFF).
Voor deze soorten vormen de smalle deels droogvallende watergangen in en langs het projectgebied geen geschikt voortplantingsbiotoop. Evenmin zijn de intensief gebruikte agrarische percelen geschikt als landbiotoop voor deze soorten. Beschermde soorten uit overige diergroepen Uit de naaste omgeving van het projectgebied (0-5 km) zijn waarnemingen bekend van enkele soorten uit andere diergroepen (NDFF). Dit betreft de reptielensoorten hazelworm en levendbarende hagedis, de vlindersoorten bruine eikenpage, grote weerschijnvlinder, kleine ijsvogelvlinder, grote vos en teunisbloempijlstaart en de libellen beekrombout en gevlekte witsnuitlibel. Al deze soorten leven in natuurterreinen met bossen, moerassen, beken en vennen. De intensief gebruikte agrarische percelen en de smalle watergangen in het projectgebied zijn niet geschikt voor deze soorten. Andere beschermde soorten van de overige diergroepen zijn niet in het projectgebied te verwachten gezien het ontbreken van geschikt biotoop en het ontbreken van waarnemingen in de omgeving van het projectgebied. TOETSING In het projectgebied zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Gezien de zeer voedselrijke omstandigheden in de percelen zelf en het intensieve gebruik zijn beschermde soorten ook niet te verwachten. Negatieve effecten op deze soortengroep als gevolg van de ontwikkelingen zijn uitgesloten.
datum 14-07-2021
projectnummer P000417
8
Als gevolg van de ontwikkeling gaan geen mogelijke nest- of verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten of verblijfplaatsen van vleermuizen verloren. De agrarische percelen zijn geschikt als foerageergebied voor vleermuizen, uilen en roofvogels zoals sperwer, ransuil of buizerd, maar van lage kwaliteit. De randen van het projectgebied en de slootkanten vormen hoogwaardiger foerageergebied. Het projectgebied vormt slecht een klein onderdeel van het foerageergebied voor individuen van deze soorten, daarbij is in de omgeving veel meer geschikt foerageergebied aanwezig met deels hogere kwaliteit. Het projectgebied verandert van karakter als foerageergebied maar gaat niet verloren. De randen van het projectgebied en de slootkanten blijven behouden, met uitzondering van een kleine sloot in de zuidlocatie over een lengte van circa 300 meter. Daarnaast wordt door de inrichting met natuurelementen (stroken langs de randen met hagen en kruidenrijk grasland) juist hogere kwaliteit foerageergebied toegevoegd. De verwachting is dat het projectgebied in kwaliteit als foerageergebied verbetert. De lijnvormige structuren die noord-zuid lopen langs de randen van de zuidlocatie blijven behouden, zodat geen negatief effect optreedt ten aanzien van vliegroutes van vleermuizen.
Negatieve effecten ten aanzien van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten en vleermuizen kunnen daarom worden uitgesloten. Voor de overige vogelsoorten geldt dat, indien de werkzaamheden tijdens het broedseizoen worden uitgevoerd, in gebruik zijnde nesten van vogels kunnen worden verstoord of vernietigd. Dit is bij wet verboden. Vernietiging en verstoring van in gebruik zijnde nestplaatsen kan voorkomen worden door bij de planning en uitvoering van de werkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen. Een standaardperiode voor het broedseizoen is er niet; van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Voor de meeste vogels geldt dat het broedseizoen ongeveer van 15 maart tot 15 juli duurt. Van das zijn wroetsporen gevonden in de noordelijke locatie van het projectgebied. Tevens zijn een vluchtpijp (die gebruikt kan worden voor kortstondig verblijf) en wissels nabij de zuidpunt van de noordelijke locatie aangetroffen. Er zijn geen aanwijzingen voor grotere en meer permanente verblijfplaatsen direct rond het gebied. Door de aanwezigheid van wroetsporen is het duidelijk dat de noordlocatie wel wordt gebuikt als foerageergebied. In de zuidlocatie zijn geen sporen aangetroffen van das. Ook zijn geen wissels aangetroffen die das kan gebruiken om van de akker naar aangrenzende natuurelementen lopen.
Deze aangrenzende natuurelementen zijn wel potentieel geschikt voor verblijfplaatsen van das. Omdat de begroeiing in deze elementen hoog is en de akkers ten tijde van het veldbezoek in juni minder aantrekkelijk zijn als voedselbron, is nader onderzoek nodig. Dit is nodig om vast te stellen of de zuidlocatie wordt gebruikt als foerageergebied, en hoe intensief de noordlocatie wordt gebruikt. Nu al is duidelijk dat een ontheffing Wnb voor das noodzakelijk is, op basis van het nader onderzoek kan worden bepaald welke maatregelen noodzakelijk zijn om negatieve effecten te voorkomen.
datum 14-07-2021
projectnummer P000417
9
In het gehele projectgebied zijn geen plekken die geschikt zijn als verblijfplaats voor bunzing, wezel en steenmarter. Wel vormen de randen van het projectgebied en de slootkanten vormen geschikt foerageergebied voor deze soorten. Deze randen en slootkanten blijven behouden, met uitzondering van een kleine sloot in de zuidlocatie over een lengte van circa 300 meter. Daarnaast wordt door de inrichting met natuurelementen (stroken langs de randen met hagen en kruidenrijk grasland) juist hogere kwaliteit foerageergebied toegevoegd. De verwachting is dat het projectgebied in kwaliteit als foerageergebied verbetert. Negatieve effecten op bunzing, wezel en steenmarter kunnen daarom worden uitgesloten. In het projectgebied is geen geschikt leefgebied voor andere beschermde niet-vrijgestelde soorten grondgebonden zoogdieren zoals bever, wolf, damhert en eekhoorn aanwezig. Negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. In het projectgebied zijn geen beschermde niet-vrijgestelde soorten reptielen, amfibieën of soorten van overige diergroepen aangetroffen. Op basis van de aard van het gebied, het intensieve grondgebruik en de verspreidingsgegevens volgens NDFF zijn deze ook niet te verwachten. Negatieve effecten zijn daarom uitgesloten. Als gevolg van het plan kunnen enkele verblijfplaatsen van enkele algemene soorten zoogdieren en amfibieën worden verstoord en vernietigd.
Ook kunnen hierbij enkele exemplaren worden gedood. De te verwachten algemene soorten worden niet in hun voortbestaan bedreigd en vallen in de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ontwikkelingen van de provincie Noord-Brabant. Voor deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Wel geldt voor deze soorten de zorgplicht van de Wet natuurbescherming. Als gevolg van de ontwikkeling zal de kwaliteit van het projectgebied na de aanlegfase naar verwachting verbeteren voor deze soorten.
GEBIEDSBESCHERMING Voor onderhavig projectgebied is de volgende wet- en regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming relevant: de Wnb en de provinciale structuurvisie en verordening. BELEIDSKADER Wet natuurbescherming In de Wnb is de bescherming van Natura 2000-gebieden, geregeld. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningsplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied.
datum 14-07-2021
projectnummer P000417
10
Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) ) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing, ontwikkeling en bescherming van het NNN. De begrenzing en ruimtelijke bescherming van het NNN is voor provincie Noord-Brabant uitgewerkt in de Interim Omgevingsverordening Ruimte Noord-Brabant (geconsolideerd 1 maart 2020). Deze verordening onderscheidt meerdere beschermingscategorieën. De kern hiervan is het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en de Groenblauwe mantel. In het NNB worden wezenlijke ecologische kenmerken en waarden van de natuurterreinen beschermd, deze mogen in principe niet worden aangetast. Voor het NNB geldt tevens een externe werking: als een ontwikkeling buiten NNB die een aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken in het Natuur Netwerk Brabant, dienen de negatieve effecten waar mogelijk te worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd. De Groenblauwe mantel vormt de verbinding tussen de ecologische hoofdstructuur en het landelijk gebied.
In deze zone zijn ontwikkelingen mogelijk mits deze gepaard gaan met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken. Aanvullend zijn ecologische verbindingszones aangewezen. Deze zijn gericht op verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone met een breedte van 25 tot 50 meter. Na realisatie van de ecologische verbindingszone is de bescherming van NNB ook hier van toepassing, Tevens zijn gebieden aangewezen als Attentiezone waterhuishouding en Behoud en herstel van watersystemen. Deze zones overlappen grotendeels met NNB en Groenblauwe mantel. De Attentiezone waterhuishouding strekt tot bescherming van de waterhuishouding en sluit functies en activiteiten uit die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant. In zones aangewezen als Behoud en herstel van watersystemen zijn beperkingen gesteld aan bebouwing, verharding en ophogen van gronden. INVENTARISATIE Het projectgebied ligt niet in een in het kader van de Wnb beschermd gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, “Maasduinen”, ligt op ongeveer 4 km ten oosten van het projectgebied. De provinciaal beschermde natuurgebieden zijn aangegeven in figuur 5. Het projectgebied ligt niet in provinciaal beschermde natuurgebieden.
Op circa 50 m afstand van het projectgebied, juist tussen de noord- en zuidlocatie in, liggen als NNB aangewezen gronden, die teven de functie Attentiezone waterhuishouding hebben. Grotere NNB terreinen liggen circa 500 m ten westen en zuiden van de noordlocatie.
datum 14-07-2021
projectnummer P000417
11
De zuidlocatie grenst aan de oost-, noord- en een deel van de westrand aan een Ecologische Verbindingszone, die tevens is aangewezen als Behoud en herstel van watersystemen. Dit betreft de beek de Oeffeltsche Raam en zijtakken.
Figuur 5. Ligging van het projectgebied ten opzicht van provinciaal aangewezen natuurgronden (groen = Natuur Netwerk Brabant en Attentiezone waterhuishouding, paars en paarse arcering = Ecologische Verbindingszone en Behoud en herstel watersystemen). Bron: ruimtelijkeplannen.nl, aangevuld met projectlocatie.
datum 14-07-2021
projectnummer P000417
12
TOETSING Het projectgebied ligt op grote afstand ten opzichte van in het kader van Wnb beschermde gebieden. Er vinden geen aanpassingen aan de waterhuishouding plaats ten behoeve van het project, zodat negatieve effecten voor dit aspect kunnen worden uitgesloten. Vanwege de grote afstand zijn negatieve effecten door licht, geluid, optische verstoring of verontreiniging uit te sluiten. Op deze afstand is in potentie alleen een effect van stikstofdepositie op beschermde Natura 2000gebieden te verwachten. Daarom moet een AERIUS-berekening uitgevoerd worden om te bepalen of het project leidt tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Op basis daarvan kan worden bepaald of vervolgstappen nodig zijn, zoals het aanvragen van een vergunning van de Wnb. De geplande ontwikkeling leidt niet directe aantasting van provinciaal beschermde natuurgebieden omdat de ontwikkeling daarbuiten plaatsvindt. Wat betreft mogelijke externe werking is van belang dat een smalle sloot in de zuidlocatie wordt gedempt. Deze sloot heeft geen wezenlijke functie voor de waterhuishouding, en demping zal niet leiden tot verdroging of versnelde waterafvoer. Verder vindt in de gebruiksfase extensief onderhoud van de zonnepanelen en de groenelementen plaats, wat minder activiteit en bedrijvigheid met zich meebrengt dan het huidige agrarische gebruik. Negatieve effecten zijn niet te verwachten.
In de aanlegfase zal gedurende enkele maanden rijdend materieel in het projectgebied aanwezig zijn, en daarnaast werken arbeidskrachten met klein gereedschap aan de opstelling en aansluiting van de zonnepanelen. Dit vindt steeds in kleine delen van het projectgebied plaats. Door dit werk zo veel mogelijk buiten de broedtijd van vogels uit te voeren wordt verstoring al vergaand voorkomen. Op basis hiervan kan worden uitgesloten dat de voorgenomen ontwikkeling leidt tot verandering van de waterhuishouding, vervuiling of andere vormen van verstoring van aangrenzende natuurterreinen. Negatieve effecten op in het kader van het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid beschermde gebieden kunnen op voorhand worden uitgesloten.
CONCLUSIE Voor dit plan is op 14 juni 2021 een veldbezoek uitgevoerd gedaan en daarnaast zijn verspreidingsgegevens van beschermde soorten in en om het projectgebied uit de NDFF geraadpleegd. Op basis hiervan is ten aanzien van das een onvoldoende beeld van de natuurwaarden ontstaan om de toetsing aan de Wnb op te baseren. Uit de toetsing komt naar voren dat als gevolg van de plannen mogelijk foerageergebied van das verloren gaat. Nader onderzoek is nodig om vast te stellen hoe het projectgebied door das wordt gebruikt. Op basis van de resultaten van dit onderzoek wordt bepaald of een ontheffing voor de Wnb nodig is en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om negatieve effecten te voorkomen.
datum 14-07-2021
projectnummer P000417
13
Voor de overige beschermde soorten is voldoende beeld van de natuurwaarden ontstaan voor toetsing aan de Wnb en is geen ontheffing voor de Wnb nodig. Wel moet bij de werkzaamheden rekening worden gehouden met het broedseizoen van vogels. Negatieve effecten ten aanzien van in het kader van de Wnb beschermde Natura 2000-gebieden kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. Een AERIUS-berekening moet uitwijzen of de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden toeneemt. Op basis hiervan kan worden bepaald of vervolgstappen nodig zijn, zoals het aanvragen van een vergunning van de Wnb. Het plan is niet in strijd met het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid.
datum 14-07-2021
projectnummer P000417
14