2021-R-553b RO Duurzaam energie park versie 3
Tekst van het document
Duurzaam Energie Park Boxmeer
Duurzaam Energie Park Boxmeer
Duurzaam Energie Park Boxmeer
Inhoudsopgave
Ruimtelijke onderbouwing
5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Projectgebied 1.3 Doelstelling
7 7 7 8
Hoofdstuk 2 Beleidskaders 2.1 Rijksbeleid 2.2 Provinciaal beleid 2.3 Gemeentelijk beleid
9 9 10 15
Hoofdstuk 3 Planbeschrijving 3.1 Geldende planologische situatie 3.2 Huidige situatie 3.3 Toekomstige situatie 3.4 Provinciaal afwegingskader
19 19 20 20 24
Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 Archeologie en cultuurhistorie 4.2 Bodem 4.3 Geluid 4.4 Ecologie 4.5 Milieuzonering 4.6 Geurhinder 4.7 Luchtkwaliteit 4.8 Water 4.9 Externe veiligheid 4.10 Verkeer 4.11 Reflectie 4.12 Vormvrije m.e.r.-beoordeling
27 27 28 28 28 30 30 31 31 33 35 35 35
Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
37 37 37
Bijlagen bij besluitdocument
38
Bijlage 1
Overzicht elementen landschappelijke inpassing.
39
Bijlage 2
Indicatieve oppervlaktes LIP & zonnepanelen
46
Bijlage 3
Beknopte natuurtoets Duurzaam Energie Park Boxmeer
48
3
Duurzaam Energie Park Boxmeer
4
Duurzaam Energie Park Boxmeer
Ruimtelijke onderbouwing
5
Duurzaam Energie Park Boxmeer
6
Duurzaam Energie Park Boxmeer
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Renewable Energy Factory heeft het voornemen om in de gemeente Boxmeer een zonnepark te realiseren. De beoogde locatie is gelegen aan weerszijden van de A73 op gronden die op dit moment bestemd zijn voor agrarisch gebruik. Het realiseren van een zonnepark en het opwekken van duurzame energie past niet binnen het vigerende bestemmingplan. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken dient een omgevingsvergunning aangevraagd te worden. Hiermee kan met een goede ruimtelijke onderbouwing afgeweken worden van het bestemmingsplan.
1.2
Projectgebied
Onderstaande afbeelding geeft de locatie van het plangebied weer. Het betreft twee velden langs de A73 ten noorden van Overloon en ten westen van Vlieringsbeek. Het noordelijke veld ligt ten westen van de A73 en is circa 8.4 ha. Het zuidelijke veld ligt ten oosten van de A73 en is circa 26.6 ha.
Afbeelding: plangebied (rood kader) met een topografische achtergrond (bron: OpenTopo)
7
Duurzaam Energie Park Boxmeer
1.3
Doelstelling
Het planvoornemen past niet binnen het vigerende bestemmingsplan. De ontwikkeling kan mogelijk worden gemaakt door middel van een omgevingsvergunning (uitgebreide procedure). Als onderdeel van de vergunningsaanvraag moet worden aangetoond dat de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Dit wordt door middel van de voorliggende ruimtelijke onderbouwing gemotiveerd.
8
Duurzaam Energie Park Boxmeer
Hoofdstuk 2 2.1
Rijksbeleid
2.1.1
Klimaatwet
Beleidskaders
Op 1 september is de Klimaatwet in werking getreden. De Klimaatwet is een wet waarin de afspraak van het Klimaatverdrag van Parijs is opgenomen. In 2050 moet de CO2 -uitstoot teruggedrongen zijn met 95% ten opzichte van 1990. Als tussendoel is in de Klimaatwet opgenomen 49% CO2-reductie ten opzichte van 1990 in 2030. Om die doelen te bereiken, bevat de Klimaatwet een aantal instrumenten. Het Rijk moet verplicht een Klimaatplan opstellen, waarin de hoofdzaken van het beleid voor de realisering van de doelstellingen zijn opgenomen, voor de komende tien jaar. Het klimaatplan moet onder andere maatregelen bevatten om de doelstellingen te realiseren. Ook moet een beschouwing worden gegeven over de verwachte besparing op het energiegebruik en het verwachte aandeel hernieuwbare energie. Het eerste klimaatplan is in 2019 vastgesteld en geldt voor de periode van 2021 tot 2030. Minimaal eens in de vijf jaar moet het plan herzien worden. Bij de voorbereiding van dit plan worden burgers, bedrijven en lokale overheden betrokken. Opwekking van duurzame energie is, hoewel onderdeel van het klimaatakkoord, vanwege ruimtelijke afweging grotendeels ondergebracht in regionaal beleid. Het kabinet acht het vanuit het oogpunt van voedselzekerheid, biodiversiteit, landschap en cultuurhistorie van belang dat zorgvuldig wordt omgegaan met landbouwgronden en natuur.
Tegelijk staat het kabinet voor de opgave om op kosteneffectieve wijze een CO2-reductie te realiseren van tenminste 49% in 2030. Het kabinet constateert dat zonneparken en windmolens een waardevolle bijdrage aan kunnen leveren en dat slimme aanleg van zonneparken samen kan gaan met de verbetering van de biodiversiteit en ontzien van natuur- en landbouwgronden. Tegelijk wil het kabinet het gebruik van landbouw- en natuurgronden niet als zodanig uitsluiten mits projecten binnen de huidige kaders kunnen worden ingepast. Bij de huidige kaders voor projecten in landbouwgebieden wordt gedacht aan landschappelijke inpassingsvereisten en voor natuur aan het vigerende natuurbeleid. Het voorliggende plan draagt bij aan de verduurzaming van energieopwekking, en daarmee een vermindering van CO2-uitstoot. 2.1.2
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden. In de SVIR is de visie van de rijksoverheid op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 aangegeven. Dit betreft een integraal kader dat de basis vormt voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de SVIR is gekozen voor een meer selectieve inzet van het rijksbeleid dan voorheen. Voor de periode tot 2028 zijn de ambities van het Rijk in drie doelen uitgewerkt: Vergroten van de concurrentiekracht door versterking van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland. Verbeteren van de bereikbaarheid. Zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden. Met de hiervoor genoemde doelen zijn 13 nationale belangen aan de orde die in de SVIR verder gebiedsgericht zijn uitgewerkt in concrete opgaven voor de diverse onderscheiden regio's. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden meer beleidsvrijheid op het terrein van de ruimtelijke ordening gekregen; het kabinet is van mening dat provincies en gemeenten beter op de hoogte zijn van de actuele situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties en daardoor beter kunnen afwegen welke (ruimtelijke) ingrepen in een gebied nodig zijn. Duurzame energie
9
Duurzaam Energie Park Boxmeer
De rol van de Rijksoverheid in het ruimtelijke beleid voor nationale elektriciteitsvoorziening is gelegen in het zorgen voor voldoende ruimte voor een adequate infrastructuur. Energiezekerheid is een belangrijk economisch goed. De verdere integratie van de Europese energiemarkt maakt dat er een steeds groter beroep op internationale verbindingen wordt gedaan en hoogspanningsverbindingen mogelijk om uitbreiding vragen. Het Rijk wijst daarbij de tracés van hoogspanningsverbindingen (vanaf 220 Kilovolt) en locaties voor de opwekking van elektriciteit (vanaf 500 Megawatt) aan en zorgt voor de inpassing hiervan. Het project valt hier niet onder, aangezien het maximum opwekkingsvermogen van het zonnepark niet meer dan 50 MWp zal bedragen. Het Rijk zet in op een transitie naar een duurzame, hernieuwbare energievoorziening en het geschikt maken van de elektriciteitsinfrastructuur op de langere termijn voor meer decentrale opwekking van elektriciteit. In de Structuurvisie wordt aangegeven dat het aandeel van duurzame energiebronnen als wind, zon, biomassa en bodemenergie in de totale energievoorziening omhoog moet. De ambitie is dat Nederland in 2040 een robuust internationaal energienetwerk kent en dat de energietransitie ver gevorderd is.
Het is primair de taak van provincies en gemeenten om voldoende ruimte te bieden voor duurzame energievoorzieningen (zoals zonne-energie en biomassa). Het ruimtelijk rijksbeleid voor (duurzame) energie beperkt zich daarom enkel tot grootschalige windenergie op land en op zee, gelet op de grote invloed op de omgeving en de omvang van deze opgave. Voor andere energiefuncties is geen nationaal ruimtelijk beleid nodig, naast het faciliteren van ontwikkelingen door het aanpassen van wet- en regelgeving en het delen en ontwikkelen van kennis. Het voorliggende project moet ruimte gaan bieden aan de realisatie van een zonnepark. Het project levert daarmee een bijdrage aan de doelstelling voor 2040 uit het rijksbeleid. 2.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking
Met het doel de ruimte zorgvuldig en duurzaam te gebruiken, is de Ladder voor Duurzame Verstedelijking opgesteld. Deze is verankerd in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen moet worden aangetoond dat deze voorzien in een behoefte, en moet - in geval de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied plaatsvindt - een motivering worden opgenomen waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Zonneparken worden op basis van jurisprudentie niet als stedelijke ontwikkeling gezien. Een nadere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is derhalve niet nodig. In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan het alsnog van belang zijn de behoefte van de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied in kaart te brengen. De gemeente Boxtel heeft op basis van verschillende landschapstypen en wenselijkheid van locaties een aantal kansrijke gebieden aangewezen waar grootschalige grondgebonden zonneparken ontwikkeld kunnen worden. Hiermee heeft de gemeente op basis van meerdere criteria een afweging gemaakt of deze buitenstedelijke ontwikkeling wenselijk is. Voorliggend initiatief ligt in een van de voorkeursgebieden. De kaders zijn verder uitgewerkt in paragraaf 2.3.2.
2.2
Provinciaal beleid
2.2.1
Omgevingsvisie kwaliteit van Brabant
De Omgevingsvisie start met een 'Foto van Brabant 2018' en kijkt vanuit daar naar de toekomst (2050). In de 'Foto van Brabant 2018' wordt duurzame energie behandeld onder het 'Natuurlijk & Historisch kapitaal': De provincie ligt op schema als het gaat om de doelstelling voor 2020 (14% duurzame energie opwekken). Echter, willen we onze doelstellingen voor 2030/2050 halen, dan vraagt dat nog een zeer grote inspanning van alle partijen. Hieruit blijkt de noodzaak voor duurzame energiebronnen.Daarbij streven we
10
Duurzaam Energie Park Boxmeer
ernaar dat deze energie grotendeels afkomstig is uit Noord-Brabant. De omgevingsvisie schetst een toekomstbeeld van de provincie Noord-Brabant in 2050: Het gebied heeft op het gebied van economie, duurzaamheid en innovatie geprofiteerd van de gunstige ligging in de corridor Rotterdam-Antwerpen. Verderop zien we windparken en zonnevelden die een eigen karakter toevoegen aan het landschap. Om tot het toekomstbeeld te komen wordt voor verschillende doelstellingen de houding/rol van de provincie gedefinieerd. In de Omgevingsvisie worden de hoofdopgaven voor de toekomst geformuleerd. De basisopgave bestaat uit het werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Daarnaast worden vier hoofdopgaven naast de basisopgave gesteld, om zo specifieke aandachtspunten per opgave onder de aandacht te brengen. De vier hoofdopgaven zijn: Werken aan... de Brabantse energietransitie (1), een klimaatproof Brabant (2), de slimme netwerkstad (3) en een concurrerende, duurzame economie (4). Voorliggend initiatief sluit aan bij de eerste van de vier hoofdopgaven; Werken aan de Brabantse energietransitie. De Brabantse doelen zijn in lijn met het nationale doelen uit het Klimaatakkoord. Dit wordt vertaald in een eigen ambitie voor duurzame energieopwekking, besparing en beperking van CO2-uitstoot.
De provincie zet actief in op een tweesporenbeleid, gericht op: verminderen van energieverbruik en verduurzaming energie. Deze opgave wordt in beginsel niet afgewenteld op de omgeving of andere provincies. Voor duurzame energie kiest de provincie voor een richtinggevende en stimulerende rol. Het actief zoeken naar meerwaarde is daarbij uitgangspunt. Voor de feitelijke realisering spelen gemeenten en initiatiefnemers de hoofdrol. De meerwaarde wordt verder toegelicht in paragraaf 2.3.2.2 en de paragraaf 3.3 (planbeschrijving). Realisatie van een zonneveld draagt bij aan de doelstelling die de provincie Noord-Brabant in de visie heeft opgesteld. 2.2.2
Interim Omgevingsverordening
De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze van de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is ervoor gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een Interim omgevingsverordening. Uitgangspunt van deze Interim omgevingsverordening is dat de huidige regels met het huidige beschermingsniveau zijn gehandhaafd. In het algemeen geldt daarbij dat de inzet van de verordening in de provincie Noord-Brabant is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor het vanuit provinciale belangen nodig is om regels in te zetten of waarvoor het vanuit de wet verplicht is om regels te stellen in de verordening.
2.2.2.1 Thematische kaarten Om plaatsgebonden regels te duiden, werkt de Interim omgevingsverordening met acht verschillende thematische kaarten. Twee van deze kaarten hebben betrekking tot rechtstreeks werkende regels. De overige zes kaarten bevatten instructieregels voor gemeenten. Het plangebied wordt in deze paragraaf aan de hand van de verschillende relevante kaarten beschouwd.
11
Duurzaam Energie Park Boxmeer
Kaart 2: Rechtstreeks werkende regels: landbouw Het gehele plangebied is gelegen in 'Landelijk gebied'. Het noordelijke plangebied heeft aanvullend de aanduiding 'Verbod uitbreiding veehouderij'.
12
Duurzaam Energie Park Boxmeer
Kaart 4: Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden Enkele randen van het zuidelijke plangebied is aangeduid als 'Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone' en 'Behoud en herstel van watersystemen'. Deze stroken zijn daarmee aangeduid om te voorkomen dat het gebied minder geschikt wordt voor de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone. Het oprichten van bebouwing, het aanbrengen van oppervlakteverharding en verharde oppervlakten en het ophogen van gronden moet binnen deze zones beperkt blijven. In voorliggend planvoornemen, zoals beschreven in paragraaf 3.3, wordt geen van deze acties beoogd binnen deze zone.
13
Duurzaam Energie Park Boxmeer
Kaart 5: Instructieregels gemeenten: grondwaterbescherming, waterveiligheid en -berging Een deel van het zuidelijke plangebied heeft de aanduiding 'Reservering waterberging'. Ontwikkeling van nieuwe functies dienen het waterbergend vermogen van het aangeduide gebied niet te beperken. Het realiseren van een zonnepark heeft geen negatieve gevolgen voor het waterbergend vermogen. Dit is nader onderbouwd in paragraaf 4.8. In de toelichting van de Interim Omgevingsverordening worden zonneparken in landelijk gebied behandeld onder artikel 3.41: "In toenemende mate worden er initiatieven ontwikkeld voor het opwekken van zonne-energie. Hiervoor bestaan mogelijkheden op daken. Daarnaast zijn er mogelijkheden voor grondgebonden zonneparken in stedelijk gebied, in zoekgebieden verstedelijking en op bestaande bebouwde locaties in het landelijk gebied zoals rioolzuiveringsinstallaties, stortplaatsen maar ook op vrijkomende agrarische locaties tot een omvang van 5.000 m2. Vanuit het beleid bestaat er een voorkeur voor plaatsing van zonnepanelen op daken of op braakliggende gronden in of aansluitend op stedelijk gebied. Dat heeft het voordeel dat ze dicht bij de gebruiker en energiesystemen worden geplaatst wat bijdraagt aan zorgvuldig ruimtegebruik en effectief is vanuit kostenminimalisatie." Het provinciale beleid met betrekking tot zonneparken is gericht op afstemming, maatschappelijke
14
Duurzaam Energie Park Boxmeer
meerwaarde en tijdelijkheid. Bovendien moet de noodzaak van de ontwikkeling volgen uit een onderzoek waaruit blijkt dat de mogelijkheden voor de opwekking van duurzame energie binnen Stedelijk gebied en op daken onvoldoende is. Hierbij ligt uiteraard ook een relatie met de mogelijkheden van duurzame energie door wind. Dit is vertaald in de regels van de Interim Omgevingsverordening.
2.2.2.2 Regels zonneparken In de regels wordt vervolgens nader ingegaan op de provinciale vereisten met betrekking tot zonneparken in landelijk gebied in art. 3.41: Lid 1 Binnen Landelijk gebied is nieuwvestiging mogelijk van zelfstandige opstellingen van zonnepanelen om te kunnen voldoen aan de doelstellingen voor het opwekken van duurzame energie als: a.
b. c. d. e.
uit onderzoek blijkt dat de capaciteit voor het opwekken van duurzame energie in Stedelijk gebied, op bestaande bouwpercelen en rekening houdend met de ontwikkelingsmogelijkheden van windenergie onvoldoende is; de nieuwvestiging past in het onderzoek naar geschikte locaties voor zelfstandige opstellingen van zonnepanelen, gelet op zorgvuldig ruimtegebruik en omgevingskwaliteit; de ontwikkeling qua omvang inpasbaar is in de omgeving; de ontwikkeling een maatschappelijke meerwaarde geeft; de ontwikkeling op regionaal niveau is afgestemd met omliggende gemeenten en de netwerkbeheerder, gelet op de ontwikkeling van overige duurzame energie initiatieven in de omgeving.
Lid 2 De maatschappelijke meerwaarde wordt onderbouwd vanuit de volgende criteria: a. b. c.
de mate van meervoudig ruimtegebruik; de maatregelen die getroffen worden om de impact op de omgeving te beperken; de bijdrage die wordt geleverd aan andere maatschappelijke doelen.
Lid 3 Er kan uitsluitend toepassing gegeven worden aan het eerste lid met een omgevingsvergunning waarbij door toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2 of 3, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt afgeweken van een bestemmingsplan, waarbij aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden: a. b. c.
de omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde termijn, die ten hoogste 25 jaar bedraagt; na het verstrijken van de termijn wordt de vóór de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand hersteld en wordt de opstelling voor zonne-energie verwijderd; voor het gestelde onder b. wordt financiële zekerheid gesteld.
De regels, in relatie tot het planvoornemen, worden nader behandeld in 3.4. Voorliggend initiatief draagt bij aan de doelen van de provincie.
2.3
Gemeentelijk beleid
2.3.1
Structuurvisie Boxmeer 2030
De gemeente Boxmeer heeft op 4 november 2010 een structuurvisie vastgesteld voor de gehele gemeente. De structuurvisie bevat één gewenst eindbeeld. Voor sommige aspecten zijn meerdere (ruimtelijke) richtingen denkbaar. Door middel van scenario's zijn de verschillende mogelijkheden tegen elkaar afgewogen: wat zijn de voor- en nadelen, wat levert het scenario op voor het landschap, welzijn, economie. Het meest wenselijke scenario is uitgewerkt en opgenomen in de structuurvisie Boxmeer 2030.
15
Duurzaam Energie Park Boxmeer
De ontwikkeling van duurzame energie wordt in de structuurvisie geconstateerd onder de trends. De gemeente stelt dat dit een autonome ontwikkeling is, waar wel rekening mee gehouden dient te worden. Maar waar op moment van vaststelling weinig sturing aan gegeven kan worden. Vanuit deze constatering zijn dan ook geen kaders geschept die relevant zijn voor voorliggend planvoornemen. 2.3.2
Beleids- en afwegingskader zonneparken
2.3.2.1 Algemeen Op 12 december 2019 heeft de gemeenteraad van Boxmeer het 'Beleidskader zonneparken' vastgesteld. De gemeente heeft de ambitieuze doelstelling om in 2045 een energieneutrale gemeente te worden. Op basis van een verkenning van de energieopgave en de potenties van de gemeente Boxmeer is gebleken dat het niet haalbaar is om zonder grondgebonden zonne-energie te voldoen aan de doelstelling. Grondgebonden zonneparken zijn dus nodig voor het behalen van de Boxmeerse energiedoelstellingen. Het beleidskader gaat nader in op de vraag 'waar en hoe' zonneparken in Boxmeer mogelijk kunnen zijn en geeft het afwegingskader voor de initiatieven. Op 17 februari 2021 is het afwegingskader nog verder aangescherpt. In het Beleidskader Zonneparken zijn een aantal kansrijke gebieden voor grondgebonden zonneparken opgenomen. Er wordt onderscheid gemaakt in de volgende vier gebieden: Voorkeursgebieden. De middelgrote landschappen waar kleinere zonneparken onder voorwaarden mogelijk kunnen zijn. De gebieden waar zonneparken niet passend worden geacht, omdat deze gebieden reeds een andere (conflicterende) functie vervullen. De kleinschalige landschappen die eigenlijk niet geschikt zijn voor (grootschalige) grondgebonden zonneparken (Nee, tenzij). Uitgangspunt voor de kansenkaart (onderstaande afbeelding) is het op lange termijn kunnen voldoen aan de doelstelling energieneutraal 2045.
Wat betekent dat naast de groene, ook de gele en oranje gebieden niet uitgesloten worden. Behalve de indicatie van kansen op de kansenkaart, moeten initiatieven ook voldoen aan randvoorwaarden om initiatieven kansrijk te maken. Het planvoornemen ligt in een voorkeursgebied grootschalige infrastructuur.
16
Duurzaam Energie Park Boxmeer
Afbeelding: kansenkaart grondgebonden zonnepark
2.3.2.2 Randvoorwaarden Op basis van de randvoorwaarden en de locatie wordt de afweging gemaakt of een initiatief goedkeuring kan krijgen. De randvoorwaarden zijn onderverdeeld in drie subcategorieën: 1. 2. 3.
Ruimtelijke randvoorwaarden Procesmatige randvoorwaarden Financiële randvoorwaarden
In voorliggende ruimtelijke onderbouwing wordt met name ingegaan op de de ruimtelijke randvoorwaarden. Hierin wordt onder andere ingegaan op de onderbouwing van de locatiekeuze, de omvang, de hoogte, de afstand tot woningen, de beveiliging, de maatschappelijke meerwaarde en de landschappelijke inpassing. In paragraaf 3.3 wordt de toekomstige situatie beschreven, waaronder de landschappelijke inpassing en de locatiekeuze. In hoofdstuk 4 wordt per omgevingsaspect nader toegelicht op welke wijze het planvoornemen past op de beoogde locatie. De procesmatige- en financiële randvoorwaarden voor het planvoornemen wordt deels toegelicht in hoofdstuk 5. Proces Voordat het zonnepark in zijn definitieve vorm is uitgewerkt heeft initiatiefnemer met verschillende belanghebbenden gesproken om te komen tot de meest wenselijke indeling. Het plan is besproken met: Commissie ruimtelijke Kwaliteit Rijkswaterstaat
17
Duurzaam Energie Park Boxmeer
Waterschap Aa en Maas Dorpsraad Overloon Energie coöperatie Duurzaam Overloon Direct omwonenden van zonnepark (Overloonsweg weg en Kevelaersedijk) Buurtschap Schafferden ZLTO Land van Cuijk Deze gesprekken hebben geleid tot een aantal aanpassingen t.a.v. de eerste schetsen: Minimaal 200 meter tot woning Kevelaersedijk, zicht afschermen met winterhard groen. 34 meter afstand tot rijstrook van de A73 Grotere afstand hanteren t.o.v. Overloonsweg 4, waarmee vrije zicht behouden blijft. Financieel De financiële participatie wordt op verschillende manieren gefaciliteerd: De initiatiefnemer stelt jaarlijks een bedrag ter hoogte van 50% van de cashflow beschikbaar is voor dividend uitkering, welke wordt uitgekeerd aan de energie coöperatie Overloon. Renewable Factory heeft Energie Coöperatie Overloon een voorstel gedaan dat zij 50% van de aandelen kunnen verkrijgen en dat zij zorgt voor het duurzaam investeringen van de zonnepark revenuen rondom het projectgebied, uitstel van betaling van de financiële gemeentelijke verplichtingen en bijdragen aan procesparticipatie met de omgeving In het beleidskader van de gemeente is opgenomen dat er per opgewekt MWh € 0,50 zal worden gestort in een omgevingsfonds. Dit kan eventueel beheerd worden door de coöperatie. Op basis van een indicatieve productie van 50.000 MWh betekent dit een jaarlijkse storting van € 25.000,-.
Overig Overige randvoorwaarden betreffen het materiaalgebruik, de netaansluiting, onderzoek naar milieu- en omgevingseffecten en de tijdelijkheid van het zonnepark. De te gebruiken materialen voor het zonnepark zullen zo veel mogelijk duurzaam en milieuvriendelijk zijn. In ieder geval zullen geen uitlogende materialen toegepast worden. De geselecteerde materialen/producten worden voorafgaand aan de realisatie aan de gemeente voorgelegd om aan te tonen dat wordt voldaan aan deze randvoorwaarde. De initiatiefnemer heeft reeds een overeenkomst met Enexis om het park aan te sluiten op het station in Venray. Er is 48 MWh gereserveerd, wat voldoende ruimte biedt voor het planvoornemen. Onderzoek naar milieu- en omgevingseffecten wordt uitgebreid behandeld in hoofdstuk 4. Middels een anterieure overeenkomst wordt vastgelegd dat het zonnepark maximaal 25 jaar geëxploiteerd kan worden. En dat de betreffende gronden opgeruimd worden achtergelaten zodat deze geschikt zijn voor het agrarisch gebruik.
18
Duurzaam Energie Park Boxmeer
Hoofdstuk 3 3.1
Planbeschrijving
Geldende planologische situatie
Binnen het plangebied gelden de bestemmingsplannen 'Veegplan Buitengebied 2018' (vastgesteld 2020) en 'Buitengebied 2018' (vastgesteld 2019). Binnen het plangebied hebben nagenoeg alle gronden de bestemming 'Agrarisch'. Aan de randen van de percelen zijn de bestemming 'Natuur' en 'Water' aanwezig. De dubbelbestemmingen in het gebied zijn: 'Waarde - Archeologie 3', 'Waarde Archeologie 4' en 'Leiding'. Aanvullend zijn er enkele gebiedsaanduidingen in het gebied: 'overige zone - beperkingen veehouderij', 'overige zone - teelt ondersteunende kassen', 'overige zone - zoekgebied behoud en herstel watersystemen' en aan weerszijden van de A73 zijn 'vrijwaringszone - weg 1' en 'vrijwaringszone - weg 2' aanwezig. Onderstaand is een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan weergegeven.
Afbeelding: verbeelding vigerende bestemmingen binnen plangebied. Plangebied aangeduid met rode kaders. (bron: ruimtelijkeplannen.nl/ESRI)
19
Duurzaam Energie Park Boxmeer
3.2
Huidige situatie
Het plangebied bestaat uit meerdere percelen, verdeeld in over twee velden. Het noordelijke veld beslaat circa 8,4 ha en het zuidelijke veld circa 26.6 ha. Deze gronden worden in de huidige situatie gebruikt voor agrarische doeleinden.
Afbeelding: zicht op het noordelijke veld vanaf de Groeningsedijk
Het noordelijke veld ligt ten zuidwesten van de A73 en grenst aan een klein bosje. Het zuidelijke deel ligt tussen de A73 en de Oeffeltse Raam. Ten noorden van het veld ligt een strook bebossing. Het zuidelijke veld is slecht zichtbaar vanaf de A73 vanwege bestaande begroeiing.
3.3
Toekomstige situatie
Het planvoornemen betreft een initiatief voor het realiseren van een zonnepark langs de A73. Het plangebied ligt in zijn geheel in een voorkeursgebied zoals aangeduid in het gemeentelijk beleids- en afwegingskader. De ligging van het gebied langs de snelweg maakt het uitermate geschikt als locatie voor zonnevelden, omdat hier een bundeling van infrastructuren ontstaat. Onderstaand wordt via schetsen de landschappelijke inpassing van het planvoornemen getoond. Alle schetsen en doorsneden zijn samengevoegd in Bijlage 1. Op basis van het landschappelijk inpassingsplan zijn indicatief de oppervlaktes berekend die worden gebruikt ten behoeve van energieopwekking door zonnepanelen en landschappelijke inpassing. Dit is inzichtelijk gemaakt in Bijlage 2.
20
Duurzaam Energie Park Boxmeer
Afbeelding: schetsontwerp noordelijk veld (t.h.v. Kevelaerse dijk)
Het noordelijke veld beslaat circa 8,6 ha. Langs de noordzijde/A73 ligt een gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - weg 1'. Deze zone dient in principe vrij te blijven van bebouwing en/of bouwwerken. Na een strook van 34 meter (vanaf de rechterrijstrook) vrij te laten. Hiermee is volgens de wegbeheerder voldoende borging van de verkeersveiligheid (reflectie). Er is gekozen voor een lineair element aangevuld met struweel, in aansluiting op het lineaire karakter van de snelweg. Er is voor gekozen om het noordelijke zonneveld deels zichtbaar te houden, zodat het landschap leesbaar blijft. Deze zone zal tevens een migratiezone kunnen vormen voor de das. Aan de perceelsranden wordt conform het gemeentelijk beleid een zone van 10 meter aangehouden die vrij is van zonnepanelen. Langs de overige plangrenzen wordt een afwijkende maat (6 meter) aangehouden, welke voldoende ruimte biedt voor begroeiing en een onderhoudspad.
21
Duurzaam Energie Park Boxmeer
22
Duurzaam Energie Park Boxmeer Afbeelding: schetsontwerp zuidelijk veld (t.h.v. Overloonsweg)
Het zuidelijke veld beslaat circa 26.6 ha en wordt ingepast binnen de lijnen van het rechthoekige perceel. De bestaande bomen in het midden van het veld worden behouden. Aan de westzijde van het plangebied wordt met kruidenrijk grasland de afstand vanaf de A73 behouden, zoals afgestemd met Rijkswaterstaat. Aan de zuidzijde wordt het zicht op het zonnepark afgeschermd met een combinatie van struweel en kruidenrijk grasland. De Oeffeltse Raam heeft als A-watergang en als ecologische verbindingszone een belangrijke functie voor de omgeving. Het waterschap heeft hier onlangs aanpassingen gemaakt om de ecologische meerwaarde van het water te versterken. Met de realisatie van het zonnepark wordt daar nog waarde aan toegevoegd door pluksgewijs struweel toe te voegen. Ten behoeve van de energieontsluiting wordt aan de zuidzijde van het zuidelijke veld een inkoopstation gerealiseerd. Waar het inkoopstation precies komt wordt geplaatst is nog onduidelijk. Hiervoor is er een zoekgebied ingetekend. Dit zoekgebied is nu 10 meter breed en 50 meter lang. Deze afmetingen moeten ruim voldoende zijn om het inkooptstation te realiseren. Kleur- en materiaalgebruik moet passend zijn binnen het landschap en binnen het zonnepark. Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld donkergroene- en/of grijstinten. (Bijvoorbeeld RAL 7016)
Afbeelding: doorsnede B-B' aan de noordzijde van het zuidelijke veld.
Aan de noordzijde van het zonneveld wordt tegen de bosstrook een natuurvriendelijke oever aangelegd met rietkragen en kruidenrijk grasland (zie ook doorsnede B-B'). Deze zone is 10 meter breed, waarbij de watergang minimaal 3 meter breed wordt. Vermoedelijk zal deze vaker droog komen te staan. De oevers kunnen bloemrijk worden, en goed leefgebied bieden aan vlinders, libellen en amfibieën. Het flauwe talud loopt over in een onderhoudspad. De minimale verhouding van het talud is 1:4 en max. 1:6. Aan de binnenzijde van het hekwerk komt een onderhoudspad van 3 meter. Het hekwerk is ongeveer 2 meter hoog. Afstand ten opzichte van woningen Aan de oostzijde van het noordelijke veld is een uitsparing gemaakt in het plangebied ten opzichte van het perceel. Hiermee wordt voldaan aan de afstand van 200 meter tussen woningen en het zonnepark. De vorm van de uitsparing biedt de grondeigenaar de ruimte om efficiënt gebruik te maken van de grond voor agrarische doeleinden. Er wordt onderzocht wat de mogelijkheden zijn voor duurzame landbouw, natuurontwikkeling of een voedselbos ten behoeve van lokaal gebruik. Ten westen van het zuidelijke plangebied liggen enkele woningen (Maarsven) binnen een straal van 200 meter vanaf het zonnepark. Hiermee wordt afgeweken van het gemeentelijke afwegingskader.
Het wordt in deze situatie aanvaardbaar geacht, omdat deze de A73 en aanwezige hoge begroeiing tussen de woningen en het beoogde zonneveld liggen. Het zonneveld zal dan ook niet zichtbaar zijn.
23
Duurzaam Energie Park Boxmeer
3.4
Provinciaal afwegingskader
In paragraaf 2.2.2 wordt het provinciaal afwegingskader voor zonneparken al kort behandeld. In deze paragraaf wordt nader toegelicht hoe het planvoornemen invulling geeft aan artikel 3.41 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Lid 1 Binnen Landelijk gebied is nieuwvestiging mogelijk van zelfstandige opstellingen van zonnepanelen om te kunnen voldoen aan de doelstellingen voor het opwekken van duurzame energie als: a.
uit onderzoek blijkt dat de capaciteit voor het opwekken van duurzame energie in Stedelijk gebied, op bestaande bouwpercelen en rekening houdend met de ontwikkelingsmogelijkheden van windenergie onvoldoende is;
De gemeente Boxmeer heeft 9 januari 2020 een energieverkenning vastgesteld. In het kader van verschillende doelstellingen (o.a. op nationaal en regionaal niveau) dient de gemeente in beeld te hebben welke opties voor duurzame energieopwekking mogelijk zijn binnen de gemeentegrens. Uitgaande van een scenario zonder zonnevelden in de energiemix wordt het volgende geconcludeerd: "Wanneer ervan uit wordt gegaan dat alle potentie van zon op dak wordt benut, twintig windmolens worden gerealiseerd, een waterkrachtcentrale wordt gebouwd en energie uit biomassa wordt gewonnen, dan voldoet de gemeente in 2045 nog niet aan de energie neutrale opgave (nog 417 TJ over). Het is dus niet haalbaar om zonder grondgebonden zonne-energie te voldoen aan de doelstelling."
b.
de nieuwvestiging past in het onderzoek naar geschikte locaties voor zelfstandige opstellingen van zonnepanelen, gelet op zorgvuldig ruimtegebruik en omgevingskwaliteit;
Op gemeentelijk niveau is een beleids- en afwegingskader voor zonneparken opgesteld. In dit kader heeft de gemeente Boxmeer op basis van een analyse geschikte en minder geschikte locaties aangewezen voor de realisatie van zelfstandige opstellingen van zonnepanelen (cq. zonneparken). In paragraaf 2.3.2 wordt hier nader op ingegaan. Het planvoornemen bevindt zich op een voorkeurslocatie in het gemeentelijk beleid. En op basis van de aanwezige milieuaspecten en kwaliteiten is een landschappelijke inpassing opgesteld, waardoor een verbetering van omgevingskwaliteit wordt gerealiseerd. c.
de ontwikkeling qua omvang inpasbaar is in de omgeving;
De landschappelijke inpasbaarheid van het planvoornemen wordt behandeld in paragraaf 3.3. d.
de ontwikkeling een maatschappelijke meerwaarde geeft;
De maatschappelijke meerwaarde wordt behandeld in 5.2. e.
de ontwikkeling op regionaal niveau is afgestemd met omliggende gemeenten en de netwerkbeheerder, gelet op de ontwikkeling van overige duurzame energie initiatieven in de omgeving.
Het planvoornemen wordt met met omliggende gemeenten besproken in het kader van het vooroverleg. Netwerkbeheerder Enexis is eveneens in een vroegtijdig stadium op de hoogte gebracht van het planvoornemen. De noodzakelijke netaansluiting is al vastgelegd en is vanaf augustus 2022 beschikbaar. Lid 2 De maatschappelijke meerwaarde wordt onderbouwd vanuit de volgende criteria: a. b. c.
de mate van meervoudig ruimtegebruik; de maatregelen die getroffen worden om de impact op de omgeving te beperken; de bijdrage die wordt geleverd aan andere maatschappelijke doelen.
24
Duurzaam Energie Park Boxmeer
In het planvoornemen wordt in ieder geval rekening gehouden met begrazing door schapen ten behoeve van het meervoudig ruimtegebruik. Gezien de ontwikkelingen rondom (transparante) zonnepanelen wordt ook de optie open gehouden om gewassenteelt onder de panelen mogelijk te maken. Aanvullend wordt het plangebied landschappelijk ingepast (zie paragraaf 3.3). In paragraaf 2.3.2.2 wordt nader onderbouwd hoe volgens provinciale en gemeentelijke kaders wordt bijgedragen aan maatschappelijke doelen. Lid 3 Er kan uitsluitend toepassing gegeven worden aan het eerste lid met een omgevingsvergunning waarbij door toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2 of 3, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt afgeweken van een bestemmingsplan, waarbij aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden: a. b. c.
de omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde termijn, die ten hoogste 25 jaar bedraagt; na het verstrijken van de termijn wordt de vóór de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand hersteld en wordt de opstelling voor zonne-energie verwijderd; voor het gestelde onder b. wordt financiële zekerheid gesteld.
Voorliggende ruimtelijke onderbouwing dient ter onderbouwing van een omgevingsvergunning als bedoeld in Lid 3. Door middel van een anterieure overeenkomst tussen initiatiefnemer en de gemeente worden afspraken in lijn met Lid 3 onder a t/m c vastgelegd.
25
Duurzaam Energie Park Boxmeer
26
Duurzaam Energie Park Boxmeer
Hoofdstuk 4 4.1
Omgevingsaspecten
Archeologie en cultuurhistorie
De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het projectgebied te bevatten. Voor zover in een projectgebied sprake is van erfgoed, dient op grond van het voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden. 4.1.1
Archeologie
Het plangebied wordt doorkruist door twee verschillende archeologische beschermingsregimes: "Waarde Archeologie 3 & 4". Deze aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor behoud en bescherming van waardevolle verwachte archeologische informatie in de bodem. Uitgaande van het strengste regime wordt de volgende bouwregel gesteld: Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en dieper dan 50 centimeter, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die zullen worden verstoord, naar oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld. Het planvoornemen bestaat uit het realiseren van meerdere bouwwerken, zonnepanelen op palen (zgn. tafels). De palen die in de grond geplaatst worden hebben een kleine diameter en worden gespreid over het gehele plangebied. Hiermee wordt de grens van 2.500 m2 niet gehaald. Er is geen sprake van een onderzoeksplicht in het kader van archeologie. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 4.1.2
Cultuurhistorie
In het projectgebied zijn geen cultuurhistorische gebouwen of Beeldbepalende bomen zijn in het plangebied niet aanwezig.
andere
Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
27
elementen aanwezig.
Duurzaam Energie Park Boxmeer
4.2
Bodem
Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het project. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen, als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. De ontwikkeling en realisatie van een zonnepark is niet aan te merken als een gevoelige functie. Tevens zal er door de voorgenomen ontwikkeling geen grond uit het projectgebied worden afgevoerd. Voor de omgevingsvergunning ten behoeve van uitvoering/realisatie van het project zal voldaan worden aan de vereiste onderzoeksplicht. Een onderzoek naar de bodemkwaliteit in het kader van de ruimtelijke onderbouwing is niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect bodem vormt daarmee geen belemmering voor het planvoornemen.
4.3
Geluid
In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) bevinden zich langs alle wegen zones. In geval van het realiseren van geluidgevoelige bebouwing binnen deze zones dient een akoestisch onderzoek plaats te vinden. Een zonnepark is geen geluidgevoelig object. Akoestisch onderzoek is in dit kader dan ook niet noodzakelijk. De wijziging van akkergrond (zachte bodem) naar zonneakker (hard oppervlak) kan met de ligging langs de autosnelweg effect hebben op de beleving van wegverkeerslawaai. Dit zal echter in niet betekenende mate zijn. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.4
Ecologie
4.4.1
Inleiding
In de ruimtelijke plannen is in het kader van de uitvoerbaarheid inzicht gewenst in de aanwezigheid van beschermde flora en fauna. Met andere woorden, in het ruimtelijke ordeningstraject dient te worden aangetoond dat het plan, het aanleggen van een zonnepark, uitvoerbaar is. In dit kader is een beknopte natuurtoets uitgevoerd. Het doel hiervan is om na te gaan of aanvullend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid noodzakelijk is. Het volledige rapport is toegevoegd als Bijlage 3. Onderstaand wordt een beknopte samenvatting gegeven van de bevindingen. 4.4.2
Gebiedsbescherming
Voor onderhavig plangebied is de volgende wet- en regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming relevant: de Wnb en de provinciale omgevingsvisie en -verordening. Wet natuurbescherming In de Wnb is de bescherming van Natura 2000-gebieden, geregeld. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied.
28
Duurzaam Energie Park Boxmeer
Het projectgebied ligt niet in een in het kader van de Wnb beschermd gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, “Maasduinen”, ligt op ongeveer 4 km ten oosten van het projectgebied. Het projectgebied ligt niet in provinciaal beschermde natuurgebieden. Op circa 50 m afstand van het projectgebied, juist tussen de noord- en zuidlocatie in, liggen als NNB aangewezen gronden, die teven de functie Attentiezone waterhuishouding hebben. Grotere NNB terreinen liggen circa 500 m ten westen en zuiden van de noordlocatie. Het projectgebied ligt op grote afstand ten opzichte van in het kader van Wnb beschermde gebieden. Er vinden geen aanpassingen aan de waterhuishouding plaats ten behoeve van het project, zodat negatieve effecten voor dit aspect kunnen worden uitgesloten. Vanwege de grote afstand zijn negatieve effecten door licht, geluid, optische verstoring of verontreiniging uit te sluiten. 4.4.3
Soortenbescherming
Onderdeel van de Wnb is soortenbescherming van planten en dieren. Dit betreffen: alle van nature in Nederland in het wild voorkomende vogels die vallen onder de Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1-3.4); dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (Wnb art. 3.5-3.9); nationaal beschermde dier- en plantensoorten genoemd in de bijlage van de wet (Wnb art. 3.10-3.11). Van deze laatst genoemde groep beschermde soorten mogen provincies een zogenaamde 'lijst met vrijstellingen' opstellen (Wnb art. 3.11). Voor de soorten op deze lijst geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van de verboden genoemd in art. 3.10 eerste lid van de Wnb. Tijdens het veldbezoek is vastgesteld dat het projectgebied een beperkte natuurwaarde heeft, vanwege het intensieve agrarische grondgebruik en grotendeels ontbreken van water en houtige beplanting. Das Er zijn binnen zowel de noord- als zuidlocatie van het projectgebied geen geschikte plaatsen voor verblijf- of nestplaatsen van das aangetroffen. Op de zuidlocatie zijn geen sporen van das aangetroffen. Op de noordlocatie zijn wel wroetsporen van das aangetroffen in het maisveld nabij het bosje. In het bosje zelf zijn enkele dassenlatrines (kuiltjes met uitwerpselen) aangetroffen.
Verder is bij de zuidpunt van de noordlocatie, in het zuidelijke talud nabij het viaduct over de A73, een vluchtpijp gevonden met verse vergraven grond en diverse recent belopen wissels. Overig In het projectgebied is geen geschikt leefgebied voor andere beschermde niet-vrijgestelde soorten grondgebonden zoogdieren zoals bever, wolf, damhert en eekhoorn aanwezig. Negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. In het projectgebied zijn geen beschermde niet-vrijgestelde soorten reptielen, amfibieën of soorten van overige diergroepen aangetroffen. Op basis van de aard van het gebied, het intensieve grondgebruik en de verspreidingsgegevens volgens NDFF zijn deze ook niet te verwachten. Negatieve effecten zijn daarom uitgesloten. Analyse Omdat de begroeiing in de aangrenzende natuurelementen hoog is en de akkers ten tijde van het veldbezoek in juni minder aantrekkelijk zijn als voedselbron, is nader onderzoek nodig. Dit is nodig om vast te stellen of de zuidlocatie wordt gebruikt als foerageergebied, en hoe intensief de noordlocatie wordt gebruikt. Nu al is duidelijk dat een ontheffing Wnb voor das noodzakelijk is, op basis van het nader onderzoek kan worden bepaald welke maatregelen noodzakelijk zijn om negatieve effecten te voorkomen.
29
Duurzaam Energie Park Boxmeer
Conclusie Op basis van de beschikbare informatie is het niet aannemelijk dat het aspect ecologie onoverkomelijke belemmeringen veroorzaakt voor het planvoornemen. Aanvullend onderzoek naar de das en een AERIUS-berekening zullen hier meer duidelijkheid in verschaffen.
4.5
Milieuzonering
Het voorliggende initiatief maakt geen nieuwe milieugevoelige functies mogelijk die invloed kunnen hebben op de omliggende functies. Zonneparken zijn niet opgenomen in de VNG-brochure, daarmee is geen richtafstand voor zonneparken voor handen. Zonnepanelen zelf hebben ook geen milieubelastende effecten. Echter zijn de elektrische omvormers en transformatorgebouwen die gebruikt worden om de energie te winnen wel milieubelastende functies. Hierbij is geluid het bepalende aspect voor de richtafstanden. Een transformatorstation zet de opgewekte zonne-energie om van laagspanning naar middenspanning. De grootste hinder wordt veroorzaakt door zgn. inkoopstations, de grootste richtafstand is op basis van geluid. Op basis van vermogen worden deze in de VNG-brochure ingedeeld. Voor voorliggend initiatief zal het vermogen niet boven de 10 MVA komen. Derhalve wordt gerekend met een richtafstand van 30 m (SBI-35 nr. C1) Omvormers kunnen op zonnige dagen een licht zoemend geluid maken, maar dit is op een afstand van 30 m niet meer hinderlijk. Op grond van de geluidsvoorschriften uit het Activiteitenbesluit is geen akoestisch onderzoek noodzakelijk. De meest nabije milieugevoelige functie ligt op 190 meter afstand van de plangrens. Vanwege de landschappelijke inpassing is de afstand tussen de tafels met zonnepanelen en de functie meer dan 200 meter.
Elektromagnetische straling Vanwege de gelijkstroom waarmee de energie wordt opgewekt bij de PV-panelen is de mate van elektromagnetische straling bij het gehele park minimaal. Bij de omvormers wordt deze energie omgezet naar een wisselspanning, hierdoor ontstaat een groter elektromagnetisch veld. Echter is dit in zulke beperkte mate dat het stralingsniveau verwaarloosbaar is. De afstand van de omvormers tot woningen in het kader van geluid is daarom meer dan voldoende. Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.6
Geurhinder
Bij het verlenen van omgevingsvergunningen, voor de activiteit milieu voor veehouderijen en in de ruimtelijke ordening moet rekening worden gehouden met geuroverlast veroorzaakt door veehouderijen. De op 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt hiervoor het beoordelingskader. De Wgv stelt eisen aan de maximale geurbelasting die de veehouderij mag veroorzaken op een gevoelig object zoals een woning. De geuremissie en -belasting worden uitgedrukt in zogenaamde Odour Units (OU’s). De in de wet opgenomen maximale geurbelastingsnormen zijn maximaal 14 OU/m³ voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom en maximaal 3 OU/m³ voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom (dit bij 98% percentiel, oftewel 98% van de tijd). Voor bepaalde veehouderijbedrijven (geen intensieve veehouderij, zoals melkrundveebedrijven) geldt een vaste afstand. Deze afstand tot geurgevoelige objecten is binnen de bebouwde kom 100 m en buiten de bebouwde kom 50 m. Onverminderd de bovengenoemde geurbelastingsnormen en vaste afstanden bedraagt de afstand van
30
Duurzaam Energie Park Boxmeer
de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object ten minsten 50 m binnen de bebouwde kom en 25 m buiten de bebouwde kom. Conclusie Een zonnepark is geen geurgevoelige functie en dus worden omliggende veehouderijen niet beperkt in hun functioneren. Het aspect geur vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.7
Luchtkwaliteit
Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. De ministerraad heeft op voorstel van de minister van VROM ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit, hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 Ng/m3 NO2 of PM10 ) als ‘niet in betekenende mate’ wordt beschouwd.
De voorliggende ruimtelijke onderbouwing biedt de mogelijkheid tot het realiseren van een zonnepark. Een dergelijke functie heeft, met uitzondering van verkeer in verband met onderhoudswerkzaamheden, geen verkeersaantrekkende werking. De verkeersgeneratie van de nieuwe functie is dan ook nihil. Het project moet derhalve worden beschouwd als een nibm-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan om deze reden achterwege blijven. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.8
Water
4.8.1
Beleidskader
De Europese Kaderrichtlijn Water (2003) De Europese Kaderrichtlijn Water gaat er vanuit dat water geen gewone handelswaar is, maar een erfgoed dat moet worden beschermd en verdedigd. Het hoofddoel van de richtlijn is daarop gebaseerd. De Kaderrichtlijn Water geeft het kader voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwater en grondwater. Dat moet ertoe leiden dat: aquatische ecosystemen en gebieden die rechtstreeks afhankelijk zijn van deze ecosystemen, voor verdere achteruitgang worden behoed; emissies worden verbeterd; duurzaam gebruik van water wordt bevorderd op basis van bescherming van de beschikbare waterbronnen op lange termijn; er wordt gezorgd voor een aanzienlijke vermindering van de verontreiniging van grondwater. Vierde Nota Waterhuishouding (Ministerie van Verkeer en Waterstaat, 1998) De Vierde Nota Waterhuishouding geeft het kader voor het waterbeheer voor Nederland, nu en in de
31
Duurzaam Energie Park Boxmeer
toekomst. De hoofddoelstelling is "een veilig en goed bewoonbaar land en het in stand houden / versterken van gezonde en veerkrachtige watersystemen, waarmee een duurzaam gebruik blijft gegarandeerd". Om de veerkracht van de watersystemen te vergroten dient de waterconservering en buffering te worden bevorderd en de afwenteling van (water-) problemen op naastgelegen gebieden te worden beperkt. Waterbeleid in de 21e eeuw (2000) De hoge waterstanden in de rivieren in 1995 en 1996 en de klimaatscenario's waarin naast de zeespiegelstijging ook meer en heviger buien worden voorspeld hebben geleid tot vernieuwde aandacht voor water. Nederland is met zijn lage ligging en hoge verstedelijkingsgraad kwetsbaar voor wateroverlast en de veiligheid is in de toekomst in het geding. Maar ook door de drogere zomers is er het risico van watertekorten en verdroging. De commissie "Waterbeheer 21e eeuw" heeft in opdracht van de regering duidelijk gemaakt dat we anders moeten omgaan met water en ruimte. Ruimte die nu beschikbaar is voor de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast moet ten minste behouden blijven. De aanwezige ruimte mag niet sluipenderwijs verloren gaan bij de uitvoering van nieuwe projecten voor infrastructuur, woningbouw, landbouw of bedrijventerreinen. 4.8.2
Algemeen
Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van het Rijk, provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. 4.8.3
Planspecifiek
Zonnepanelen in veldopstelling zorgen niet voor een toename van verharding of een verslechtering van het waterbergend vermogen van het plangebied. In de ontwikkeling wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende materialen zoals zink of koper. De ontwikkeling vergroot het waterbergend vermogen van het plangebied.
Afbeelding: uitsnede legger t.h.v. het plangebied. Links de noordelijke veld, rechts het zuidelijke veld.
32
Duurzaam Energie Park Boxmeer
De ontwikkeling is met het Waterschap Aa en Maas besproken in het kader van het vooroverleg. Het noordelijke veld heeft geen waterelementen die van dusdanig belang zijn voor het waterschap om in de legger te verwerken. Aan de oostzijde van het zuidelijke veld ligt een A-watergang (Oeffeltse Raam) met aan weerszijden een beschermingszone en een profiel van vrije ruimte. Aan de noordzijde van het zuidelijke veld ligt een B-watergang. Het profiel van vrije ruimte valt deels over het plangebied. Het Waterschap Aa en Maas heeft aangegeven dat de Oeffeltse Raam reeds ontwikkeld is. Daarmee kan het profiel van vrije ruimte nu benut worden voor het zonnepark. Binnen deze ruimte worden in het kader van de landschappelijke inpassing enkele natuurelementen (o.a. struweel) toegevoegd. Aanvullend zal binnen deze zone ook hekwerken geplaatst worden ter bescherming van het zonnepark. Aan de noordzijde van het zuidelijke veld worden ook enkele waterpoelen toegevoegd. Dit voegt toe aan de ecologische meerwaarde van het project.
4.8.4
Conclusie
Het aspect water vormt geen onoverkomelijke belemmering voor het planvoornemen.
4.9
Externe veiligheid
Externe veiligheid houdt zich bezig met de risico's als gevolg van ongevallen met gevaarlijke stoffen. In dat kader zijn vier onderwerpen van belang: bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); bedrijven die op grond van overige milieuwetgeving afstandsnormen voor veiligheid bezitten, zoals het Vuurwerkbesluit of het Activiteiten-besluit (bv. propaantanks); het vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, spoor en water; het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Om te bepalen of in de nabijheid van het projectgebied sprake is van de vier bovenstaande onderwerpen is de Risicokaart geraadpleegd. Kaartmateriaal is te zien op de onderstaande afbeelding.
33
Duurzaam Energie Park Boxmeer
Afbeelding: Uitsnede risicokaart.nl (d.d. 29-06-2021)
In bovenstaande afbeelding is te zien dat er ten westen van het zuidelijke veld, aan de overzijde van de A73, een inrichting aanwezig is. Dit bedrijf aan de Maarsven betreft een rundveehouderij. Op het terrein is een bovengrondse propaantank (<5 m3 ) aanwezig. De risicoafstand voor deze tank is 20 m. Ten noordwesten van het noordelijke veld is nog een inrichting aanwezig aan de Radioweg. Dit betreft een varkenshouderij. Op het terrein is een bovengrondse propaantank (<5 m3 ) aanwezig. De risicoafstand voor deze tank is 20 m. Deze risicoafstanden van beide inrichtingen reiken niet tot het plangebied. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
34
Duurzaam Energie Park Boxmeer
4.10 Verkeer Voorliggend initiatief heeft betrekking op de realisatie van een zonnepark. In het gemeentelijk beleid is geen specifieke norm opgenomen ten behoeve van een dergelijke ontwikkeling. Ook zijn er geen normen vanuit instanties zoals het CROW waar naar verwezen kan worden. Een zonnepark behoeft geen intensief beheer en er wordt ook geen woon-werkverkeer door gegenereerd, omdat er ook geen verblijfsfunctie wordt gerealiseerd. Het zonnepark functioneert grotendeels passief. In het kader van verkeersgeneratie kan gesteld worden dat het vergelijkbaar is aan dat van het huidige agrarische gebruik. Het parkeren ten behoeve van onderhoud of andere redenen tot bezoek, kan ruimschoots op het zonnepark zelf plaatsvinden. Conclusie Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.11 Reflectie Dit initiatief betreft de realisatie van een zonnepark langs de A73. Omdat het verkeer geen hinder mag ondervinden van het initiatief heeft overleg plaatsgevonden met Rijkswaterstaat over kaderstelling. In dit overleg heeft Rijkswaterstaat aangegeven dat nader onderzoek naar reflectie niet nodig is, mits de zonnepanelen op minimaal 34 meter afstand van de meest rechterrijstrook van de A73 gerealiseerd worden. Conclusie Het aspect reflectie vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.12 Vormvrije m.e.r.-beoordeling De Raad van State heeft bij uitspraak van 14 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2770) geoordeeld dat een zonnepark niet valt onder de reikwijdte van het Besluit milieurapportage (Besluit Mer). Het uitvoeren van een vormvrije m.e.r.-beoordeling is dan ook niet noodzakelijk.
35
Duurzaam Energie Park Boxmeer
36
Duurzaam Energie Park Boxmeer
Hoofdstuk 5 5.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
De kosten die gepaard gaan met de bijbehorende uitvoeringskosten zijn voor rekening van de initiatiefnemers. De kosten voor het opstellen van deze ruimtelijke onderbouwing zijn eveneens voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten van de ruimtelijk-juridische procedure zullen door middel van leges worden verrekend met de initiatiefnemer. Overige financiële afspraken in het kader van grondexploitatie (afd. 6.4 Wro) worden middels een anterieure overeenkomst vastgelegd. Het project is hiermee vanuit gemeentelijk perspectief financieel en economisch uitvoerbaar.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Overleg De voorbereiding van het zonnepark heeft plaatsgevonden in nauw overleg met de gemeente, inwoners en maatschappelijke organisaties. Op grond van de artikelen 6.18 Bor en 3.1.1. Bro wordt een projectoverleg gepleegd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van de provincie en het Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Dit vooroverleg dient nog plaats te vinden. De conclusie hieruit is dat het zonnepark maatschappelijk uitvoerbaar is en in samenspraak met de omgeving tot stand is gekomen. Ook genereert het zonnepark middelen die via de energiecoöperatie en het omgevingsfonds terugvloeien naar de omgeving en waarmee nieuwe of bestaande maatschappelijke doelen (deels) kunnen worden bereikt. Terinzagelegging Om voorliggend initiatief mogelijk te maken is een buitenplanse afwijking van het bestemmingsplan nodig. Dit wordt met een uitgebreide omgevingsvergunning mogelijk gemaakt. Voorafgaand aan het besluit om dit (ontwerp)plan ter inzage te leggen, wordt door de gemeenteraad een zogenoemde 'verklaring van geen bedenkingen' afgegeven in het kader van een goede ruimtelijke ordening (art. 6.5 Bor). De verklaring van geen bedenkingen wordt als bijlage bij het projectbesluit gevoegd. Het Wabo-projectbesluit zal vanaf n.t.b.
datum voor een periode van 6 weken ter inzage liggen, zoals dit is voorgeschreven in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Algemene wet bestuursrecht. Een ieder kan gedurende deze periode een zienswijze indienen.
37
Duurzaam Energie Park Boxmeer