2021-R-550a Toelichting ontwerpbestemmingsplan Burg. Verkuijlstraat-Bakelgeert e.o.
Tekst van het document
De Keur van het waterschap is onder andere van toepassing wanneer direct of indirect wordt geloosd naar een oppervlaktelichaam. De drie Brabantse waterschappen (Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta) hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt.
82/127
Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de 'Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'. Bij een toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m², en meer dan 500 m² (sinds de keur aanpassing op 1 april 2021). Wanneer de toename van het verhard oppervlak minder is dan 500 m² is er vanuit het waterschap geen compensatieverplichting. In deze gevallen is de gemeente het bevoegd gezag. Bergingscapaciteit: 'benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06' Het gebruik van uitlogende (bouw)materialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC wordt ten zeerste afgeraden in verband met de negatieve gevolgen voor de waterkwaliteit. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie.
Watertoets De volgende randvoorwaarden en uitgangspunten uit de Handreiking watertoets van waterschap Aa en Maas zijn van toepassing op eventuele nieuwe ontwikkelingen of ver(nieuw)bouw binnen het plangebied. Voor hemelwater vraagt het waterschap om onderstaande voorkeursvolgorde toe te passen, waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 5 het minst wenselijk is: 1. hergebruik; 2. vasthouden / infiltreren 3. bergen en afvoeren; 4. afvoeren naar oppervlaktewater (direct of indirect); 5. afvoeren naar de riolering. De initiatiefnemer dient deze voorkeursvolgorde te doorlopen en te beargumenteren voor welke optie wordt gekozen. 'Vasthouden' betekent infiltratie in de bodem. Als hergebruik en (volledige) infiltratie niet mogelijk zijn, is afvoer naar een oppervlaktewater/riolering mogelijk. In dit geval kan een compenserende berging noodzakelijk zijn. Bij een compenserende berging kan worden gedacht aan een vijver, een infiltratievoorziening of buffersloot met een geknepen afvoer naar een watergang. Gemeenten stellen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid eisen aan de afvoer van hemelwater. Voor hemelwaterafvoer naar oppervlaktewater gelden de bepalingen uit de Keur 2015 van het Waterschap; artikel 15 van de Algemene regels respectievelijk artikel 13 van de Beleidsregels.
In de waterparagraaf dient duidelijk te worden welk type infiltratie- en/of bergingsvoorziening wordt toegepast. Middels een tekening kan inzicht worden gegeven in de locatie en het ruimtebeslag van de voorziening(en). Hierbij dient aandacht te worden besteed aan de leegloop en overstort van de voorziening. Tevens dient inzichtelijk te worden gemaakt dat door de nieuwe ontwikkeling geen problemen elders worden veroorzaakt. Bij de inrichting, bouw en beheer dienen zo min mogelijk vervuilende stoffen te worden toegevoegd aan de
83/127
bodem en het grond- en oppervlaktewatersysteem. Conform de waterkwaliteitstrits: (1) schoonhouden (2) scheiden (3) zuiveren, dienen de mogelijkheden voor bronmaatregelen (schoonhouden) te worden onderzocht. Daarbij kan gedacht worden aan zorgvuldige materiaalkeuze (pakket duurzaam bouwen), geen blootstelling van uitloogbare bouwmaterialen zoals zink, koper en lood aan hemelwater en een verantwoord beheer van de openbare ruimte (weg- en groenbeheer). Huidige situatie Het plangebied rondom de Burgemeester Verkuijlstraat ligt ten westen van de centrum bebouwing aan de Steenstraat en ten zuiden van de grote ontsluitingsweg de Spoorstraat, centraal gelegen in Boxmeer. De planlocatie wordt als volgt begrensd: aan de noordzijde door de Bakelgeertstraat waar (half) vrijstaande woningen, appartementen en enkele voorzieningen zijn gesitueerd; aan de oostzijde door de Burgemeester Verkuijlstraat; aan de zuidzijde door de Bilderbeekstraat; aan de westzijde door de Irenestraat. Op de locatie waar de woningen zijn beoogd lag voorheen een groot verhard speelterrein van de basisschool waardoor het plangebied grotendeels verhard is. Ook de locaties waar de reconstructies plaatsvinden zijn volledig verhard en bestaan in de huidige situatie uit wegen. Bodem en grondwater Het plangebied maakt geen deel uit van een grondwaterbeschermings- of waterwingebied.
Vanwege de ligging in de bebouwde kom is het plangebied niet gekarteerd op de Bodemkaart van Nederland. In de omgeving van het plangebied bestaat de grond uit enkeerdgronden; fijn zand. Met betrekking tot grondwater is ten zuiden van het plangebied sprake van grondwatertrap VIII. Dit betekent dat de hoogste gemiddelde grondwaterstand (GHG) op 140 centimeter onder maaiveld ligt. De gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) ligt op 160 centimeter onder maaiveld. Het maaiveld ligt op circa 13 meter +NAP. Waterkwantiteit en waterkeringen Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig en bevindt zich hiermee ook niet in een beschermingszone. In figuur 6.5 is een uitsnede te zien van het plangebied in relatie tot de informatie beschikbaar via de Legger van het waterschap Aa en maas.
84/127
Figuur 6.5: uitsnede Legger Oppervlaktewater waterschap Aa en Maas Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied is niet gelegen binnen de kern- of beschermingszone van een waterkering. Afvalwaterketen en riolering Op terrein van de voormalige Bakelgeertschool is alleen verharding aanwezig in de vorm van een parkeerplaats, maar er staat geen bebouwing op welke is aangesloten op het gemeentelijke rioolstelsel. De bestaande bebouwing aan de Marijkestraat zal gesloopt worden. Toekomstige situatie Op de locatie Bakelgeert wordt een levensloopbestendige wijk met bergingsvoorzieningen voor de opvang van water gecreëerd. Daarnaast vinden er wegreconstructies plaats. Bodem en grondwater De voorgenomen ontwikkeling heeft geen gevolgen voor bodem en grondwater. Waterkwantiteit en compensatie Bakelgeert en omgeving Op de locatie Bakelgeert stond voorheen bebouwing en er lag een verhard speelterrein van de basisschool welke samen tot een oppervlak van circa 20.220 m2 aan verharding vormden.
Met de beoogde ontwikkeling is het nieuwe verhard oppervlak 18.790 m2 inclusief openbare verharding, de appartementen en uitgeefbare percelen.
85/127
Voor de percelen is uitgegaan van 100% verharding. Er is voor dit gedeelte van het plangebied derhalve sprake van een afname van 1.430 m2 aan verhard oppervlak. Burgemeester Verkuijlstraat In de huidige situatie is het oppervlak circa 10.410 m2, waarvan 2.450 m2 groen is. In de beoogde situatie wordt het groenoppervlak verkleind naar 1.950 m2, waardoor er sprake is van een toename in verharding van 500 m2. Voor de totale ontwikkeling is er derhalve sprake van een afname van verharding van 930 m2. Voor de locatie Bakelgeert ontstaat een bergingsopgave van 1.430 m2 x 0,6 mm = 858 m3. Daarnaast komt van buiten het plangebied een waterbergingsopgave van 1.100 m3 dat geborgd dient te worden in het plangebied. Dit brengt de totale waterbergingsopgave op 1.958 m3. In de planlocatie worden er 9 wadi's gerealiseerd die het regenwater kunnen opvangen. Het plangebied loopt van west in oostelijke richting af. Het verschil in straatniveau tussen de Irenestraat en de Burgemeester Verkuijlstraat bedraagt wel 1,5 m. In de uiteindelijke realisatie van het plan kunnen de exacte inhoudsmaten verschillen, desalniettemin zal voldaan worden aan de compensatieopgave. Waterveiligheid De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Deze vallen ook niet in het plangebied.
Watersysteemkwaliteit en ecologie Bij het gebruik van uitlogende bouwmaterialen (lood, zink en zacht PVC) kunnen deze stoffen zich ophopen in het water(bodem)systeem. Hierdoor kan het gebruik hiervan een zeer nadelige invloed hebben op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem worden milieuvriendelijke bouwmaterialen gebruikt, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; (in-) filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. Het verhard oppervlak tussen de twee rotondes bij de wegreconstructie van de Burgemeester Verkuijlstraat wordt voor 50% opgevangen in het wadipark naast de sporthal met een noodaansluiting op het bestaande gemengde rioolstelsel. Hiermee kan het water sneller weggevoerd worden bij een extreme bui waarbij water op straat komt te staan.
De andere 50% wordt opgevangen in de nieuw te realiseren wadi op de hoek van de
86/127
Burgemeester Verkuijlstraat en de Bakelgeertstraat. Het verhard oppervlak van de nieuw te realiseren rotonde Koorstraat tot de aansluiting op de Bilderbeekstraat en de Julie Postelsingel zal afwateren op de nog te realiseren wadi op de hoek van Burgemeester Verkuijlstraat en de Bilderbeekstraat. Conclusie Het plangebied bevindt zich niet in een beschermingszone van een watergang of waterkering. Er is sprake van een waterbergingseis van in totaal 1.958 m3 inclusief een externe waterbergingsopgave van 1.100 m3 dat binnen het plangebied geborgd dient te worden. Compensatie zal plaatsvinden door middel van de aanleg van wadi's. Hiermee heeft ontwikkeling geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
6.3
Bodem
Algemeen De tijd dat elke vervuiling moest worden aangepakt ligt achter ons. Belangrijkste criterium hierbij is of de vervuiling zodanig is dat er sprake is van risico's voor gezondheid of milieu. In de praktijk blijken er vrijwel nooit risico's te zijn voor de gezondheid van mensen. Milieurisico's (verspreiding en ecologie) komen wel voor, maar meestal gaat het erom dat eventuele vervuilingen afstemming vereisen met bepaalde ontwikkelingen. Op dit moment is er sprake van een omslag van saneren naar beheren en behoeven alleen de zogeheten "ernstige vervuilingen" in meer of mindere mate aangepakt te worden. De maatregelen worden daarbij afgestemd op de functie. Regelgeving Het nationale bodembeleid is geregeld in de Wet bodembescherming (Wbb). Het doel van de Wbb is om te voorkomen dat nieuwe gevallen van bodemverontreinigingen ontstaan. Voor bestaande bodemverontreinigingen is aangegeven in welke situaties (omvang en ernst van verontreiniging) en op welke termijn sanering moet plaatsvinden. Hierbij dient de bodemkwaliteit tenminste geschikt te worden gemaakt voor de functie die erop voorzien is, waarbij verspreiding van verontreiniging zoveel mogelijk wordt voorkomen. Het beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit.
Omdat er wel een signaalfunctie van het onderzoek uit kan gaan, wordt een onderzoek naar de kwaliteit van de bodem in het plangebied uitgevoerd. Beoordeling Voor locaties waar nieuwe (woning)bouwmogelijkheden zijn opgenomen, is een bodemonderzoek (conform NEN 5740) nodig om eventuele bodem- en/of grondwaterverontreinigingen in kaart te brengen. Wanneer een ontwikkeling geen bestemmingswijziging tot gevolg heeft, is geen bodemonderzoek in het kader van het bestemmingsplan nodig; de bodem wordt in dat geval geschikt geacht voor de toegestane functie. Het bodemonderzoek wordt in die gevallen uitgevoerd in het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen. Onderzoek Bodemonderzoeksrapport 16 augustus 2019 In het bodemonderzoeksrapport van 16 augustus 2019, bijgevoegd in Bijlage 9, zijn de resultaten van diverse (milieukundige) onderzoeken te lezen, die met name inzicht geven in de opbouw van de wegconstructie/bodem
87/127
en de milieuhygiënische kwaliteit/hergebruiksmogelijkheden van de tijdens de reconstructie vrijgekomen materiaalstromen, als mede de mogelijk te nemen veiligheidsklasse (CROW 400) voor het werken in verontreinigde grond. Deellocatie A1: Openbare weg 'Bakelgeertstraat' Aangezien de oppervlakte van het met asfalt verhard gedeelte van de openbare weg 'Bakelgeertstraat' relatief beperkt is, de dikte van het asfalt zelf ook beperkt is en het feit, dat het asfalt een teerhoudende tussenlaag bevat, wordt het selectief frezen van de aanwezige asfaltverharding niet kosteneffectief geacht en wordt het aanwezige asfalt derhalve geheel als teerhoudend aangemerkt. Tijdens de veldwerkzaamheden ter plaatse van deellocatie A1 zijn in het opgegraven materiaal van de volledige slakkenlaag en de zwak zandhoudende, volledige puinlaag zintuiglijk géén asbestverdachte (plaat)-materialen aangetroffen. De vooraf gestelde hypothese, dat deellocatie A1 als "verdacht" dient te worden beschouwd voor de parameter asbest, wordt op basis van de onderzoeksresultaten verworpen. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt gesteld, dat ter plaatse géén aanleiding bestaat tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in puin in de volledige slakkenlaag en de zwak zandhoudende, volledige puinlaag. Geadviseerd wordt om het fundatiemateriaal in het werk toe te passen of af te voeren naar een erkende verwerker.
In het opgegraven en opgeboorde bodemmateriaal ter plaatse van deellocatie A1 zijn zintuiglijk géén asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. Deellocatie A2: Openbare weg 'Bernhardstraat', 'Hendrikstraat' en 'Bilderbeekstraat' Tijdens de veldwerkzaamheden ter plaatse van deellocatie A2 zijn in het opgegraven materiaal van de volledige puinlaag zintuiglijk géén asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. De vooraf gestelde hypothese, dat deellocatie A2 als "verdacht" dient te worden beschouwd voor de parameter asbest, wordt op basis van de onderzoeksresultaten verworpen. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt gesteld, dat ter plaatse géén aanleiding bestaat tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in puin in de volledige puinlaag. Geadviseerd wordt om het fundatiemateriaal in het werk toe te passen of af te voeren naar een erkende verwerker. In het opgegraven en opgeboorde bodemmateriaal ter plaatse van deellocatie A2 zijn zintuiglijk géén asbestverdachte (plaat)-materialen aangetroffen. Deellocatie A3: Openbare weg 'Irenestraat' Het in asbestinspectiegat A19 (traject 0,08 - 0,30 m -mv) aangetroffen asbestverdacht (plaat)-materiaal bestaande uit gresbuis is volgens het laboratorium niet asbesthoudend en wordt door het laboratorium gekarakteriseerd als cement, golfplaat.
Deellocatie A: Openbare weg 'Bakelgeertstraat', 'Bernhardstraat', 'Hendrikstraat', 'Bilderbeekstraat' en 'Irenestraat' In het geanalyseerde grondmengmonster van de zintuiglijk verontreinigde bodem zijn analytisch (fractie < 20 mm) nergens gehalten aan (niet-)-hechtgebonden asbest aangetoond. Ook in het geanalyseerde grondmengmonster van de zintuiglijk schone bovengrond ter plaatse van deellocatie A zijn analytisch (fractie < 20 mm) géén gehalten aan (niet-)-hechtgebonden asbest aangetoond. De vooraf gestelde hypothese, dat deellocatie A als "verdacht" dient te worden beschouwd voor de parameter asbest, wordt op basis van de
88/127
onderzoeksresultaten verworpen. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt gesteld, dat er ter plaatse van deellocatie A géén aanleiding bestaat tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in bodem. De zintuiglijk sterk met slakken verontreinigde bovengrond ter plaatse van boring A08 (traject 0,4-0,5 m -mv) is licht verontreinigd met minerale olie, PCB en PAK. De te verwachten bodemkwaliteitsklasse voor deze sterk met slakken verontreinigde bovengrond is 'niet toepasbaar' op basis van het aangetroffen gehalte aan minerale olie. In de zintuiglijk zwak met kolengruis, baksteen en/of beton verontreinigde bodem zijn geen verontreinigd aangetroffen. De te verwachten bodemkwaliteitsklasse voor de zintuiglijk zwak met kolengruis, baksteen en/of beton verontreinigde bodem is 'vrij toepasbaar'. De zintuiglijk schone bovengrond direct onder de volledige slakkenlaag en puinlaag is licht verontreinigd met minerale olie. De te verwachten bodemkwaliteitsklasse voor deze bovengrond betreft 'industrie'. De overige, zintuiglijke schone bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met kwik. De te verwachten bodemkwaliteitsklasse voor deze overige, zintuiglijk schone bovengrond betreft 'vrij toepasbaar' tot 'wonen'. In de zintuiglijk schone ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetroffen.
De te verwachten bodemkwaliteitsklasse voor deze zintuiglijk schone ondergrond is 'vrij toepasbaar'. Deellocatie B: Irenestraat 1-3 Tijdens de veldwerkzaamheden zijn zowel op het maaiveld van deze deellocatie, als in de bodem zintuiglijk géén asbestverdachte (plaat)-materialen aangetroffen. Hierbij wordt opgemerkt, dat gelet op de doelstelling van het onderzoek de veldwerkzaamheden ter plaatse van deze deellocatie niet conform de NEN 5707 ("Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond") zijn uitgevoerd. De uitkomst van het onderzoek is met betrekking tot de parameter asbest derhalve indicatief. In de zintuiglijk zwak met kolengruis, baksteen en/of beton verontreinigde bodem zijn geen verontreinigd aangetroffen. De zintuiglijk schone bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met PAK. De te verwachten bodemkwaliteitsklasse voor zowel de zintuiglijk zwak met kolengruis, baksteen en/of beton verontreinigde bodem als de zintuiglijk schone bovengrond is 'vrij toepasbaar'. Deellocatie C: Explotatiegebied 'Bakelgeert' De zwak grindige, zwak tot matig siltige, matig grove zandlagen, welke plaatselijk ook zwak tot matig gleyhoudend is, voldoen aan de eisen voor 'zand in aanvulling of ophoging', 'draineerzand', 'zand in zandbed' en 'straatzand'.
De matig siltige, zeer fijne tot matig fijne zandlagen voldoen alleen aan de eisen voor 'zand in aanvulling of ophoging'. De vooraf gestelde hypothese, dat deellocatie C als "verdacht" dient te worden beschouwd voor de parameter asbest, wordt op basis van de onderzoeksresultaten verworpen. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt gesteld, dat er ter plaatse van deellocatie C géén aanleiding bestaat tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in bodem. De te verwachten bodemkwaliteitsklasse voor de gehele bodem is 'vrij toepasbaar'. Deellocatie D: Openbare weg 'Burgemeester Verkuijlstraat' en Burgemeester Verkuijlstraat 60 Uit de boorprofielen blijkt, dat er ter plaatse van deellocatie D zandlagen voorkomen, die mogelijk civieltechnisch herbruikbaar zijn. Deze lagen betreffen zeer plaatselijk zwak grindige, zwak tot matig siltige, matig grove zandlagen. Deze zandlagen voldoen alleen aan de eisen voor 'zand in aanvulling of ophoging'. De vooraf gestelde hypothese, dat deellocatie D als "verdacht" dient te worden beschouwd voor de parameter asbest, wordt op basis van de onderzoeksresultaten verworpen. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt
89/127
gesteld, dat er ter plaatse van deellocatie D géén aanleiding bestaat tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in bodem. Advies rapport 16 augustus 2019 Teerhoudend asfalt afvoeren naar erkende verwerker en fundatiemateriaal in het werk toe passen of ook afvoeren naar een erkende verwerker. De tijdens de reconstructie vrijkomende materialen kunnen binnen het werk worden teruggeplaatst, dan wel worden afgevoerd naar een hiertoe geschikte locatie/erkende verwerker. De eisen van het Besluit Bodemkwaliteit zijn hierop mogelijk van toepassing. Er bestaan met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit géén belemmeringen voor de voorgenomen plannen ter plaatse van de onderzoekslocatie. Bodemonderzoeksrapport 24 augustus 2020 Dit rapport is bijgevoegd in Bijlage 10. Barium-verontreiniging fundering Bilderbeekstraat In het funderingsmateriaal ter plaatse van de Bilderbeekstraat (boring B15) is een sterk verhoogd gehalte aan barium aangetoond. Omdat het materiaal bestaat uit zand met minder dan 50% bodemvreemde bijmengingen wordt de fundering beschouwd als grond. Het verhoogd gehalte aan barium is waarschijnlijk te relateren aan antropogene bijmengingen van slakken, waardoor ter plaatse mogelijk sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging (meer dan 25 m3 sterk verontreinigde grond).
Om de omvang van de barium-verontreiniging binnen het plangebied nader te bepalen, wordt geadviseerd om ter plaatse van de rijbaan van de Bilderbeekstraat nader bodemonderzoek uit te voeren. Grondwater Het grondwater is tijdens het veldwerk aangetroffen vanaf een diepte van circa 1,7 m –mv. Indien de (graaf-) werkzaamheden zich beperken tot een diepte van circa 1,2 à 1,3 m –mv behoeft geen aanvullend grondwateronderzoek uitgevoerd te worden. Echter indien (graaf-)werkzaamheden (of bemaling) zijn voorzien in of met het grondwater, dan wordt geadviseerd om aanvullend (chemisch) grondwateronderzoek uit te voeren. De opzet voor het aanvullend grondwateronderzoek is afhankelijk alwaar werkzaamheden in of met het grondwater worden voorzien. Bij de opzet voor het grondwateronderzoek dient extra aandacht te worden besteed aan de grondwaterverontreiniging met minerale olie en benzeen ter hoogte van de Burgemeester Verkuijlstraat en de Spoorstraat. Asbest Ter plaatse van de groenvoorziening (boring B208, 209 en B218) zijn in de ondergrond (vanaf 0,5 m –mv) matige tot sterke bijmengingen met baksteenresten aangetroffen. Tijdens het veldwerk zijn in de opgeboorde grond geen asbestverdachte materialen aangetroffen. De boringen B208 en B209 zijn uitgevoerd ter plaatse van en nabij het voormalige pand aan de Burgemeester Verkuijlstraat nr. 60.
Hoewel tijdens de sloop en het milieukundig onderzoek geen asbest verdachte materialen in de grond zijn waargenomen, wordt geadviseerd om indien (graaf-) werkzaamheden dieper dan 0,5 m –mv ter plaatse worden uitgevoerd om aanvullend onderzoek uit te voeren. Omdat de matige en sterke bijmengingen zich dieper dan 0,5 m –mv bevinden, wordt geadviseerd om inspectiesleuven te graven, waarbij de boven- en ondergrond goed inspecteerbaar is op asbest. Vrijkomend asfalt
90/127
Geadviseerd wordt om het vrijkomende niet-teerhoudend asfalt af te voeren naar een door de Wet milieubeheer erkende acceptant of naar een asfaltcentrale. Vrijkomende fundering (grond) Aan de gemeente wordt geadviseerd om het vrijkomend funderingsmateriaal bestaande uit zand en puin (minder dan 50%) ter plaatse van de Burgemeester Verkuijlstraat en de Bilderbeekstraat binnen het werk te hergebruiken (tijdelijke uitname). Indien het materiaal civieltechnisch niet geschikt is, wordt geadviseerd om overtollig materiaal elders binnen de gemeente her te gebruiken of als een afvalstof* af te voeren naar een door de Wet milieubeheer erkende acceptant of verwerker. Vrijkomende grond Geadviseerd wordt om bij werkzaamheden de te ontgraven grond weer ter plaatse te hergebruiken (tijdelijke uitname). De zandgrond is deels geschikt voor ‘zand in zandbed’ en al het zand is geschikt voor ‘voor zand in sleufvulling’. Indien vrijkomende (met name de zandige leem) grond niet kan worden hergebruikt binnen het werk, dan wordt geadviseerd om deze af te voeren. Vooralsnog wordt geadviseerd om de overtollige grond als een afvalstof* af te voeren naar een door de Wet milieubeheer erkende verwerker of acceptant. Na partijkeuring zal de grond op basis van de onderhavige resultaten naar alle waarschijnlijkheid voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Achtergrondwaarde’ (AW).
Vrijkomende grond met bodemvreemde bijmenging zal mogelijk na partijkeuring voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Wonen’. Aanvullend bodemonderzoek 18 januari 2021 Dit rapport is bijgevoegd in Bijlage 11. Funderingsmateriaal Bilderbeekstraat In het funderingsmateriaal ter plaatse van de Bilderbeekstraat zijn sterk verhoogde gehalten aan barium aangetoond. Omdat het materiaal op basis van het aanvullend onderzoek merendeel bestaat uit meer dan 50% puin wordt de fundering beschouwd als een bouwstof. Het verhoogd gehalte aan barium is waarschijnlijk te relateren aan bijmenging in het puin van slakken/sintels. Geadviseerd wordt om vrijkomend funderingsmateriaal (indien civieltechnisch geschikt) ter plaatse als funderingsmateriaal te hergebruiken (tijdelijke uitplaatsing). Indien het funderingsmateriaal niet ter plaatse kan worden hergebruikt, dan wordt geadviseerd om het materiaal als een afvalstof af te voeren naar een door Wet milieubeheer erkende verwerker of acceptant. Vrijkomende grond Geadviseerd wordt om bij werkzaamheden de te ontgraven grond weer ter plaatse te hergebruiken (tijdelijke uitplaatsing). Indien vrijkomende (met name de zandige leem of klei) grond niet kan worden hergebruikt binnen het werk, dan wordt geadviseerd om deze af te voeren.
Vooralsnog wordt geadviseerd om de overtollige grond als een afvalstof* af te voeren naar een door de Wet milieubeheer erkende verwerker of acceptant. Na partijkeuring zal de grond op basis van de onderhavige resultaten naar alle waarschijnlijkheid voldoen aan de kwaliteitsklasse 'Achtergrondwaarde (AW) of kwaliteitsklasse 'Wonen'. Asbesonderzoeksrapport 15 maart 2021 Dit rapport is bijgevoegd in Bijlage 12. Vrijkomende grond (met asbest en puin) - saneringswerkzaamheden
91/127
Vanwege de geplande civieltechnische werkzaamheden (aanleg rotonde en de voorafgaande aan- en verleg van kabels en leidingen) wordt geadviseerd om de grond met bijmenging van puin en asbest te saneren. De oppervlakte van de saneringslocatie bedraagt circa 50 m2 (zie tekening bijlage B2). Geadviseerd wordt om de met asbest verontreinigde puinlaag laag (van 1,0 tot 1,5 m -mv) separaat te ontgraven en direct op te laden en als een asbesthoudende afvalstof af te voeren naar een grondreiniger of een door de Wet milieubeheer erkende acceptant/verwerker. In overleg met de bodemadviseur van de gemeente Boxmeer is bepaald, dat ter voorbereiding op het realisatieproces van de civieltechnische uitvoering wordt geadviseerd om de werkzaamheden uit te voeren middels een BUS-melding (immobiel) en de melding in te dienen bij het bevoegd gezag (voor bodemsanering is dit de Omgevingsdienst Zuid-Oost Brabant). De BUS-melding kent een proceduretijd van 5 weken. Kwalibo saneringswerkzaamheden De werkzaamheden dienen uitgevoerd te worden door een daartoe gecertificeerde aannemer (BRL SIKB 7000 protocol 7001 gecertificeerd). De graafwerkzaamheden dienen onder milieukundige begeleiding (|MKB) te worden uitgevoerd. De milieukundig begeleider dient gecertificeerd te zijn conform BRL SIKB 6000 protocol 6001.
Na afronding van de werkzaamheden dient de MKB-er de BUS-evaluatie bij het bevoegd gezag in te dienen. De sanering wordt als afgerond beschouwd indien het bevoegd gezag heeft ingestemd met de BUS-evaluatie. Vrijkomende grond (met puin) Vanwege de geplande werkzaamheden in verband met de aanleg van een nieuwe rotonde (inclusief aan- en verleg van kabels en (riool-) leidingen wordt geadviseerd om de vrijkomende grond met puin in het werk te scheiden (uitzeven). Geadviseerd wordt om de vrijkomende grond (zand) indien mogelijk in het werk te hergebruiken of anders als een afvalstof af te voeren naar een erkend verwerker. Het puinmateriaal dient als een afvalstof afgevoerd te worden naar een erkend verwerker of erkende acceptant. Verkennend bodemonderzoek Burgemeester Verkuijlstraat 4 maart 2021 De Omgevingsdienst Brabant Noord heeft verzocht een verkennend bodemonderzoek uit te voeren op de locatie Burgemeester Verkuijlstraat in het kader van de bestemmingsplanwijziging. Dit rapport is bijgevoegd in Bijlage 13. Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "onverdacht, niet lijnvormig" (ONV). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is. De bodem bestaat voornamelijk uit zwak tot matig siltig, zeer fijn tot zeer grof zand.
De bovengrond is bovendien zwak tot matig humeus. De ondergrond is plaatselijk zwak gley- of oerhoudend. Zintuiglijk is de bodem zwak tot sterk baksteenhoudend en plaatselijk zwak tot matig kolengruishoudend. Tevens is de bodem plaatselijk beton- en plastichoudend. In de zintuiglijk schone bovengrond (MM1) zijn analytisch geen verontreinigingen geconstateerd. De baksteenen kolengruishoudende bovengrond (MM2) blijkt analytisch licht verontreinigd met lood en zink. Verder blijkt de baksteen- en betonhoudende bovengrond (MM3) licht verontreinigd met PAK. In de ondergrond (MM4 en MM5) zijn analytisch geen verontreinigingen aangetoond. In het grondwater zijn geen verontreinigingen geconstateerd. In de bovengrond zijn licht verhoogde gehalten aan PFOS en PFOA boven de detectielimiet aangetroffen. In de ondergrond zijn de gehalten PFOS en PFOA niet boven de detectielimiet aangetroffen. Getoetst aan het
92/127
“Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecies” en de bodemkwaliteitskaart PFAS voldoet de onderzochte bovengrond voor de parameter PFOS en PFOA op indicatieve basis aan de kwaliteitsklasse “Landbouw/Natuur”. De onderzochte ondergrond voldoet op indicatieve basis aan de kwaliteitsklasse “Landbouw/Natuur”. De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "onverdacht, niet lijnvormig" kan worden beschouwd wordt, op basis van de lichte verontreinigingen, verworpen. Echter, gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de bestemmingsplanwijzing van de onderzoekslocatie. Asbest Er zijn tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten. Conclusie Vanuit milieuhygiënisch oogpunt (de kwaliteit van de bodem) zijn er géén belemmeringen voor dit bestemmingsplan (de voorgenomen bestemmingplanwijziging). Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAShoudende rond en baggerspecie (d.d. 2 juli 2020) of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing.
6.4
Natuur en ecologie (flora en fauna)
Regelgeving De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet Natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven. Gebiedsbescherming Het hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" heeft betrekking op de Natura 2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. In Nederland zijn ruim 160 Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Handelingen of activiteiten binnen en buiten beschermde natuurgebieden die schadelijk kunnen zijn voor de doelstellingen van het gebied zijn verboden, tenzij door het bevoegd gezag hier vergunning voor is verleend. Hierbij wordt het ‘Nee, tenzij’ principe gebruikt. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn opgenomen in Natura 2000-beheerplannen.
93/127
Voor de Natura 2000-gebieden zijn vanuit het Rijk instandhoudingsdoelstellingen opgenomen voor: de leefgebieden van vogels; de natuurlijke habitats of habitats van soorten. De provincie dient voor deze Natura 2000-gebieden een Natuurbeheerplan op te stellen. De provincie Noord-Brabant heeft dit gedaan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. Dit plan beschrijft de beleidsdoelen en de subsidiemogelijkheden voor ontwikkeling en beheer van natuurgebieden, agrarische natuur en landschapselementen in de provincie. Daarnaast staan in het beheerplan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Als door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Natuurnetwerk Nederland (voorheen ecologische hoofdstructuur) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden. Het netwerk laat natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied.
Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur wordt aangelegd; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; grotere wateren: meren, rivieren, de kustlijn van de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden. De verantwoordelijkheid van het natuurnetwerk ligt bij de provincies. Het Natuurnetwerk Nederland moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen het aaneengesloten pan-Europese Ecologische Netwerk (Peen) vormen. Het Nationaal Natuurnetwerk van het Rijk (geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ 1990) is op provinciaal niveau vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Interim omgevingsverordening Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen.
De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor
94/127
stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw. Soortenbescherming Het hoofdstuk "Soorten" heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden boven op de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën: vogels met een jaarrond beschermde nestplaats; overige inheemse broedvogels; soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn; nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling; nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling. Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen.
Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode. Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rusten voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode.
Onderzoek In het kader van de beoogde ontwikkelingen aan de Marijkestraat en omgeving, is door middel van een verkennend flora- en fauna onderzoek (quickscan) een beoordeling gemaakt van de mogelijke effecten die het plan kan hebben op beschermde natuurwaarden. Hierdoor wordt duidelijk of het plan in overeenstemming is met de natuurwetgeving. Dit rapport is bijgevoegd in Bijlage 14. Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen: Voor de sloop van de appartementencomplexen aan de Bernhardstraat en de Marijkestraat dient een
95/127
ontheffing te worden verkregen met betrekking tot de aanwezigheid van verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis; Een AERIUS-berekening dient de toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door de werkzaamheden te berekenen; Indien een of meerdere beschermde bomen gekapt worden dient een omgevingsvergunning te worden aangevraagd; Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Soortenbescherming Bij het verwijderen van een deel van het opgaand groen binnen het plangebied gaat essentieel leefgebied van de huismus verloren. Het verwijderen hiervan betreft een overtreding van de Wet natuurbescherming. Om dit te voorkomen dienen maatregelen te worden getroffen om ten alle tijden voldoende geschikt leefgebied in de directe omgeving te houden. Deze werkzaamheden dienen te worden vastgelegd in een ecologisch werkprotocol. Hierdoor blijven nestlocaties in de directe omgeving bruikbaar voor de huismus en wordt een overtreding voorkomen.
Daarnaast dient voor het verwijderen van de huidige verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis een ontheffing te worden aangevraagd bij de betreffende provincie of omgevingsdienst, in dit geval de Omgevingsdienst Brabant Noord (ODBN). Een ontheffingsaanvraag dient te worden onderbouwd met een activiteitenplan waar juridische en ecologische aspecten als de specifieke maatregelen en werkzaamheden, de gunstige staat van instandhouding, het wettelijk belang, een alternatievenafweging en de planning in zijn opgenomen. Na het verkrijgen van de ontheffing kunnen de werkzaamheden ter plaatse van de aangetroffen verblijfplaats worden uitgevoerd, mits aan alle voorwaarden uit de ontheffing wordt voldaan en de gevoelige periodes worden ontzien. De ODBN neemt normaliter binnen 13 weken een besluit over de aanvraag. Indien nodig kan dit termijn met 7 weken worden verlengd. In figuur 6.6 is een overzicht te zien van alle (potentiële) aanwezige beschermde soorten en de te nemen vervolgstappen.
Figuur 6.6: Overzicht (potentiële) aanwezigheid beschermde soorten en te nemen vervolgstappen (Bron: quickscan flora en fauna BRO) Houtopstanden Wet Natuurbescherming
96/127
De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Het plangebied is geheel gelegen binnen de bebouwde kom. Hierdoor is een overtreding van de Wnb met betrekking tot het onderdeel houtopstanden niet aan de orde. Wel staan enkele bomen binnen het plangebied op de 'Bomenlijst beschermde bomen' zoals opgesteld door Gemeente Boxmeer. Voor het kappen van deze bomen is een kapvergunning aangevraagd. De gekapte bomen zullen ruim gecompenseerd worden door het planten van een bomenrij langs de Burgemeester Verkuijlstraat en circa 150 nieuwe bomen op het voormalige terrein van de Bakelgeertschool.
In vergelijking met de voorgaande bebouwing op het terrein van de voormalige Bakelgeertschool zal het plangebied aanzienlijk groener worden. Gebiedsbescherming NNB Het plangebied is niet gelegen binnen het NNB, zoals is weergegeven in figuur 6.7. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNB ligt ongeveer 650 meter ten noorden van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNB wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
97/127
Figuur 6.7: uitsnede Interim Omgevingsvisie Noord-Brabant, kaart 4: natuur en stiltegebieden Gebiedsbescherming Natura 2000-gebied Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied, zoals is weergegeven in figuur 6.8. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, "Maasduinen", bevindt zich op circa 3,1 kilometer afstand ten oosten van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Aangezien binnen de voorgenomen ontwikkeling meerdere grootschalige nieuwbouw- projecten zijn voorzien, is een toename aan stikstof uitstoot te verwachten. Een toename van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied is niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in de vorm van een AERIUS-berekening dient uit te wijzen of er een toename van stikstofdepositie plaatsvindt.
Figuur 6.8: uitsnede natura 2000-gebieden kaart, plangebied aangegeven met ster (Bron: natura2000.nl) De voorgesteld stikstofdepositie berekeningen zijn in april en mei van 2021 in drie rapporten aangeleverd. In Bijlage 15 is de rapportage van de berekening aan de Burgemeester Verkuijlstraat toegevoegd en in Bijlage 16 de AERIUS bijlage. De berekeningsresultaten zijn weergegeven in figuur 6.9. Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden ten gevolge van de aanlegfase is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijk projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen
98/127
negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen vergunning Wet natuurbescherming (gebiedsbescherming) benodigd is voor het aspect stikstof.
Figuur 6.9: berekeningsresultaat AERIUS, Burgemeester Verkuijlstraat (Bron: onderzoek stikstofdepositie Econsultancy) In Bijlage 17 is de rapportage van de stikstofdepositie berekening op het terrein van de van de voormalige Bakelgeertschool toegevoegd Bijlage 18, Bijlage 19, Bijlage 20 en Bijlage 21 de AERIUS bijlagen. De berekeningsresultaten zijn weergegeven in figuur 6.10. Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden ten gevolge van de aanlegfase is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijk projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen vergunning Wet natuurbescherming (gebiedsbescherming) benodigd is voor het aspect stikstof.
Figuur 6.10: berekeningsresultaat AERIUS, terrein voormalige Bakelgeertschool (Bron: onderzoek stikstofdepositie Econsultancy) In Bijlage 22 is de rapportage van de stikstofdepositie berekening voor de werkzaamheden aan de Beatrix-, Irene- en Bakelgeertstraat en in Bijlage 23 de AERIUS bijlage. De berekeningsresultaten zijn weergegeven in figuur 6.11. Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden ten gevolge van de aanlegfase is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijk projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen vergunning Wet natuurbescherming (gebieds- bescherming) benodigd is voor het aspect stikstof.
99/127