2021-R-546d Toelichting ontwerpbestemmingsplan Carmelveste
Tekst van het document
De geluidgevoelige bestemmingen zijn gelegen in de geluidszone van de Burgemeester Verkuijlstraat, die slechts deels gezoneerd is. De geluidsbelasting wordt als gevolg van de gehele weg getoetst.
De berekende geluidsbelastingen zijn per groep woningen beknopt in onderstaande tabel 4 weergegeven.
28
bestemmingsplan
Carmelveste
tabel 4:
geluidbelasting t.g.v. het wegverkeer
Uit het onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting op de nieuw te bouwen woningen maximaal 46 dB bedraagt. Er vindt geen overschrijding van het gemeentelijk ambitieniveau en de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB plaats. Er gelden vanuit akoestisch oogpunt derhalve geen belemmeringen voor de realisatie van het plan. 4.3.2
Industrielawaai en spoorweglawaai
Het plangebied is niet gelegen binnen een zone voor industrielawaai en/of spoorweglawaai. De aspecten industrielawaai en spoorweglawaai vormen daarom geen belemmering voor het planvoornemen.
4.4
Bedrijven en milieuzonering
Milieuzonering zorgt ervoor dat milieubelastende functies en gevoelige functies op een verantwoorde afstand van elkaar gesitueerd worden. Dit dient twee doelen: 1. 2.
het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; het tegelijk daarmee aan de bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Bij de planontwikkeling dient derhalve rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven, om de kwaliteit van het leefmilieu te garanderen en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde handreiking Bedrijven en milieuzonering. Hierin wordt per bedrijf aangegeven wat de milieu-invloed op de omgeving is en welke indicatieve richtafstand hierbij minimaal in acht moet worden genomen. Van deze indicatieve richtafstand kan worden afgeweken indien op basis van een onderzoek de daadwerkelijke afstand kan worden bepaald.
Indicatieve afstand op basis van Handreiking Bedrijven en milieuzonering De richtafstanden opgenomen in de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit, zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij milieu-inrichtingen of drukke wegen, al een hogere milieubelasting kent. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast gevoelige functies komen belastende functies voor, die om die reden een milieuzone kennen; zoals winkels, horeca en bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd, indien sprake is van het omgevingstype gemengd gebied. De VNG-publicatie merkt bij stap 1 op dat overwogen kan worden om de richtafstanden met één afstandstap te verlagen (50 meter wordt dan 30 meter) in het geval dat de omgeving van de woning als een “gemengd
bestemmingsplan
Carmelveste
29
gebied” kan worden beschouwd. Gezien de ligging van het plangebied in het centrum van Boxmeer nabij de centrumvoorzieningen wordt het plangebied aangemerkt als "gemengd gebied".
Toetsing effecten op omliggende functies Een woning wordt beschouwd als hindergevoelige functie en om deze reden zijn hinderveroorzakende functies in de omgeving van het plangebied nader beschouwd. Ten zuiden van het plangebied zijn hoofdzakelijk woningen gelegen. Woningen betreffen geen hinderveroorzakende functie en kennen daarom geen milieuzonering. Ten noorden en westen van het plangebied bevinden zich ook locaties waar op basis van het geldende bestemmingsplan 'Boxmeer Centrum' maatschappelijke funcies, dienstverlening, detailhandel en horeca in categorie 1 en 2 zijn toegestaan. Daarnaast is aan de Burgemeester Verkuijlstraat een supermarkt gevestigd. Al deze functies kunnen op basis van de VNG- publicatie worden ingeschaald in milieucategorie 1, met bijbehorende richtafstand van 10 m. De kortste afstand van het plangebied tot de gemengde functies bedraagt circa 15 m. Op basis hiervan kan worden vastgesteld dat voor alle mogelijkheden die het bestemmingsplan 'Boxmeer Centrum' biedt aan de richtafstand wordt voldaan. Ook zijn direct binnen de bestemmingen Gemengd en Centrum-2 op basis van het vigerende bestemmingsplan woningen toegestaan. Als gevolg hiervan kunnen woningen direct naast of boven de voorzieningen gerealiseerd worden. Deze mogelijkheden zijn maatgevend ten aanzien van uitbreidings- en vestigingsmogelijkheden van niet- woonfuncties.
De toevoeging van een gevoelige functie binnen het voorliggende plangebied leidt daarom niet tot belemmeringen in de duurzame bedrijfsontwikkeling van de niet- woonfuncties in de nabije omgeving.
Gevolg planvoornemen Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.5
Luchtkwaliteit
Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden, waarmee de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn beschreven in de Wet milieubeheer (Wm, hoofdstuk 5). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid:
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.
NIBM Hoofdstuk 5 van de Wet Milieubeheer maakt onderscheid tussen projecten die 'Niet in betekenende mate' (NIBM) en 'In betekenende mate' (IBM) bijdragen aan de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen. In de regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen die NIBM zijn. Deze NIBM-projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Als een project ervoor zorgt dat de concentratie fijn stof of CO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd, draagt het project in betekenende mate bij aan luchtvervuiling en dient er een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden. Deze regel komt voort uit het NSL. Deze 3%-grens is voor een aantal categorieën
30
bestemmingsplan
Carmelveste
projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen, bijvoorbeeld:
woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen; kantoorlocaties: 100.000 m² bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m² bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen.
Dit planvoornemen voorziet in het planologisch-juridisch mogelijk maken van de bouw van 19 woningen. Het mogelijk maken van 19 woningen valt binnen het niet in betekenende mate criterium van de Wet milieubeheer. Verder geldt dat het planvoornemen netto gezien leidt tot een toename van 147 verkeersbewegingen per etmaal (zie ook paragraaf 2.4.1). Hiermee wordt ruimschoots onder het NIBM-criterium gebleven.
Uitsnede NIBM-tool
Fijn stof Voor wat betreft de beoordeling van het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit dient er gelet te worden op de fijnstofconcentraties ter plaatse. Hiervoor is de NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) geraadpleegd. Direct nabij het plangebied zijn geen rekenpunten gelegen. Daarom is worstcase uitgegaan van het rekenpunt op de Julie Postelsingel. Om een beeld te krijgen van de luchtkwaliteit ter plaatse, zijn daarom de fijnstofconcentraties van deze rekenpunten beoordeeld. Uit de NSL-monitoringskaart blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarden voor NO2, PM10 (beide 40 ìg/m3) en PM2,5 (20 ìg/m3) ter plaatse van de rekenpunten niet worden overschreden. Ook het maximaal aantal toegestane overschrijdingsdagen van 35 dagen wordt niet overschreden. De concentratie fijnstof heeft geen negatieve gevolgen voor het woon- en leefklimaat ter plekke van de locatie. Het aspect fijnstof vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Verder geldt dat het plangebied niet is gelegen in de nabijheid van zware industrie of een concentratiegebied van intensieve veehouderijen. Derhalve wordt redelijkerwijs aangenomen dat ten aanzien van luchtkwaliteit sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor de te realiseren woningen op deze locatie.
Gevolg planvoornemen Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het planvoornemen.
bestemmingsplan
Carmelveste
31
4.6
Externe veiligheid
Algemeen Externe veiligheid is de kans om te overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Beleid en regelgeving op dit gebied is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege: a. b. c.
het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); het transport van gevaarlijke stoffen over wegen, waterwegen en spoorwegen; het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen twee risicomaten: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is het risico op een plaats buiten een risicobron. Het is uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die risicobron, waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is. Binnen de wet- en regelgeving zijn aan deze definitie grens- en richtwaarden toegekend ten aanzien van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Het groepsrisico is gedefinieerd als cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een risicobron en een ongewoon voorval binnen die risicobron, waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is. In wet- en regelgeving is aan het groepsrisico een oriënterende waarde toegekend als indicator voor de omvang van een ramp en een afwegingsproces gericht op zelfredzaamheid, beheersbaarheid, rampenbestrijding en resteffecten.
Wet- en regelgeving De wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid biedt geen absolute veiligheid. Een kleine kans op een zwaar ongeval met gevaarlijke stoffen wordt geacht tot het normaal maatschappelijk risico te behoren. De regelgeving voor inrichtingen met (over het algemeen) grotere hoeveelheden gevaarlijke stoffen is samengebracht in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In dit Besluit is aangegeven welke bedrijven bij het verlenen van een milieuvergunning of het nemen van een besluit op grond van de Wro nadere aandacht behoeven. In andere regelgeving kunnen ook risiconormen of aan te houden effectafstanden zijn opgenomen voor inrichtingen. Te denken valt aan regelgeving in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit voor propaantanks, benzine- en aardgastankstations en gasdrukregelstations. De regelgeving met betrekking tot het transport van gevaarlijke stoffen is opgenomen in het Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev) en de bijbehorende regeling Basisnet. Externe veiligheid in relatie tot transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is sinds 1 januari 2011 geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Inventarisatie risicobronnen Om risicobronnen in de omgeving van het plangebied inzichtelijk te maken, is de Risicokaart geraadpleegd. Zoals op onderstaand figuur 8 zichtbaar is, zijn er geen risicobronnen in of in de omgeving van het plangebied gelegen.
32
bestemmingsplan
Carmelveste
Figuur 8: Uitsnede Risicokaart
Gevolg planvoornemen Op basis van de Risicokaart wordt geconcludeerd dat het plangebied niet binnen de invloedssfeer van een risicovolle inrichting, een transportroute voor gevaarlijke stoffen of buisleidingen is gelegen. Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.7
Ecologie
Bij elk ruimtelijk plan moet, met het oog op beschermenswaardige natuurwaarden, rekening worden gehouden met de regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming en soortenbescherming. Dit wordt geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb) die op 1 januari 2017 in werking is getreden. Het natuurbeschermingsrecht is verder te vinden in verdragen, Europese en nationale regelgeving en in nationaal en provinciaal beleid. Vanuit de Europese regelgeving wordt met name nadruk gelegd op de bescherming van plant- en diersoorten (Vogelrichtlijn) en leefgebieden (Habitatrichtlijn). Ten behoeve hiervan zijn dan ook diverse beschermingsgebieden aangewezen. De belangrijkste beschermingszones zijn Natura 2000-gebieden. Om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep, is door Foreest Groen Consult een quickscan natuuronderzoek (d.d. 24 juli 2019) uitgevoerd. Tevens is in de quickscan beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op beschermde gebieden. Het rapport is bijgevoegd als Bijlage 3 quickscan natuuronderzoek. De conclusies van het rapport zijn in onderstaande paragrafen opgenomen. 4.7.1
Gebiedsbescherming
bestemmingsplan
Carmelveste
33
Het plan is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het Natura 2000-gebied 'Maasduinen' ligt op circa 3 kilometer afstand het meest nabij het plan. In de directe omgeving op circa 6 kilometer afstand ligt tevens het Natura 2000-gebied 'Oeffelter Meent, op 7 kilometer afstand ligt het Natura 2000-gebied 'Zeldersche Driessen' en op 10 kilometer afstand ligt het Natura 2000-gebied 'Sint Jansberg'. Het plangbied ligt daarnaast niet in de nabijheid van het Natuurnetwerk Brabant (NNB). NNb-gebieden liggen op enige afstand rondom de kern Boxmeer. Gezien de afstand tot beschermde gebieden, de inrichting van het tussenliggende gebied en de aard van de ontwikkeling, zijn met betrekking tot het voorgenomen planvoornemen geen negatieve effecten op het NNB te verwachten. Negatieve effecten ten aanzien van stikstof zijn op voorhand niet uit te sluiten. Om deze reden is door Econsultancy (rapport 11643.001, 28 april 2021) een onderzoek naar stikstofdepositie uitgevoerd. Het onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 4 onderzoek stikstofdepositie Uit het onderzoek blijkt dat het planvoornemen zowel in de aanlegfase als de gebruiksfase niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.
Negatieve effecten ten gevolge van stikstof op de instandhoudingsdoelen van Natura2000-gebieden kunnen op basis van het voorgaande worden uitgesloten, waardoor een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming niet vereist is. Vervolgonderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Conclusie Een nadere analyse in het kader van de gebiedsbescherming van de Wnb of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid is niet noodzakelijk. Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van natuurlijke habitats en soorten. Voor het planvoornemen is daarom geen vergunning op grond van de Wnb nodig. Het plan is daarnaast op het punt van provinciaal natuurbeleid niet in strijd met de provinciale Omgevingsverordening. 4.7.2
Soortenbescherming
De conclusies van de uitgevoerde quickscan zijn in onderstaande tabel samengevat.
tabel 5: conclusies quickscan natuuronderzoek
34
bestemmingsplan
Carmelveste
Op basis van de quickscan wordt geconcludeerd dat nader onderzoek naar de soorten steenmarter, huismus, gierzwaluw en vleermuizen noodzakelijk is. Op basis voor deze conclusie is door Foreest Groen Consult nader onderzoek uitgevoerd (d.d. 29 januari 2021). Het nadere onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 5 nader natuuronderzoek. Onderstaand zijn de conclusies van het nadere onderzoek weergegeven.
Vleermuizen De te slopen loods, met het rode pannen dak, heeft in de nok een zomerverblijfplaats van één gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus). Dit dier is op twee momenten waargenomen bij het in- of uitvliegen. Wordt de loods gesloopt, dan gaat dit verblijf verloren. Andere verblijfplaatsen zijn tijdens het onderzoek niet aangetroffen. De oude treurwilg in het plangebied is van geen belang voor vleermuizen. Slechts één keer is een ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) aangetroffen. Dit dier passeerde slechts de locatie. Andere boom bewonende soorten zijn niet aanwezig. De overige verblijfplaatsen liggen buiten de planlocatie en ondervinden op één na geen nadelige gevolgen van de werkzaamheden. Alleen de verblijfplaats in het appartementencomplex ten westen van de planlocatie kan tijdelijk nadelig worden beïnvloed. Dit verblijf wordt gebruikt als voorjaar, kraam en paarverblijf. Dit is de situatie op het moment dat bij de bouw veiligheidsverlichting wordt gebruikt of dat de verblijfplaats door steigers of andere hoge obstakels niet meer toegankelijk is. De verblijfplaats zelf blijft intact. Dit effect kan middels een werkprotocol worden voorkomen. Is het niet mogelijk deze verblijfplaats functioneel te houden tijdens de bouw van de woningen dan zal ook voor deze verblijfplaats een ontheffing moeten worden aangevraagd.
Het slopen van de gebouwen en de herontwikkeling leiden wel tot een overtreding van de Wet natuurbescherming voor wat betreft een zomerverblijfplaats van één gewone dwergvleermuis. De aangetroffen vleermuizen foerageren op veel plekken in en rondom het plangebied. In de met bomen begroeide tuin zelf wordt vrijwel niet gefoerageerd. De meeste activiteit vindt plaats aan de randen en op de parkeerplaats die ten zuiden van de bouwvallige woning en de loods ligt. Ook de tuin naast het appartementencomplex aan de westzijde van de planlocatie wordt gebruikt om te jagen. De aangetroffen dieren jagen hier korte tijd om vervolgens door te vliegen. Het betreft vooral gewone dwergvleermuizen (Pipistrellus pipistrellus) en af en toe een laatvlieger (Eptesicus serotinus). De planlocatie maakt deel uit van het foerageergebied maar het vormt geen essentieel onderdeel van het foerageergebied. De aangetroffen verblijfplaatsen van vleermuizen in en rondom het plangebied blijven functioneel als dit gebied wordt bebouwd. Het slopen van de gebouwen en de herontwikkeling leiden niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming voor wat betreft het foerageergebied van vleermuizen. Zwermende vleermuizen zijn niet aangetroffen. Potentieel toegankelijke objecten, de loods, de bouwvallige woning en de oude treurwilg worden niet door vleermuizen gebruikt als massa winterverblijf.
Het slopen van de gebouwen en de herontwikkeling leiden niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming voor wat betreft een massawinterverblijf van vleermuizen.
Huismus De te slopen gebouwen zijn voor de huismus van geen belang. Huismussen zijn aanwezig in woningen op enige afstand van de planlocatie. In de haag tussen de openbare parkeerplaats en de informele parkeerplaats in het plangebied verblijven veelvuldig huismussen. De dieren zoeken op de grote parkeerplaats naar voedsel en vluchten bij onraad de haag in. Deze haag is hiermee een onderdeel van de functionele leefomgeving van de huismus. De tweede haag tussen de parkeerplaats en Potjes Pedje is te dun en te open om als vluchtplek te dienen en daarmee van geen belang. Het slopen van de gebouwen en de herontwikkeling leiden wel tot een overtreding van de Wet natuurbescherming voor wat betreft de huismus indien de haag wordt gerooid.
Gierzwaluw
bestemmingsplan
Carmelveste
35
Gierzwaluwen zijn niet in de te slopen gebouwen van de planlocatie aangetroffen. Gierzwaluwen zijn wel in de omgeving aanwezig, maar onderhavig planvoornemen heeft geen invloed op deze vaste rust- en verblijfplaatsen. Het slopen van de gebouwen en de herontwikkeling leiden niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming voor wat betreft de gierzwaluw.
Steenmarter De steenmarter is niet op de planlocatie aangetroffen. De locatie maakt geen deel uit van een territorium van de steenmarter. Het slopen van de gebouwen en de herontwikkeling leiden niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming.
Conclusie Voor één zomerverblijf van de gewone dwergvleermuis dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden bij het bevoegde gezag. Door tijdig een ontheffing aan te vragen kan ook op tijd worden begonnen met de mitigerende maatregelen en kan de gewone dwergvleermuis langzaam wennen aan de veranderingen in zijn leefgebied. Indien de haag aan de rand van het gebied moet worden verwijderd, wordt geadviseerd om voor deze, voor de huismus, belangrijke haag een ontheffing aan te vragen. Geadviseerd wordt tot slot om voor de omgang met de verblijfplaats van de gewone dwergvleermuis in het naastgelegen appartementen complex een werkprotocol op te stellen om hiermee de functionaliteit van dit verblijf tijdens de ontwikkeling te borgen.
Gevolg planvoornemen Op grond van het nadere natuuronderzoek dient een ontheffing op grond van de Wnb bij het bevoegde gezag aangevraagd te worden voor 1 zomerverblijf van de gewone dwergvleermuis. Ook voor de huismus kan een ontheffing noodzakelijk zijn indien de haag in het plangebied verwijderd wordt. Door de gemeente Boxmeer zal een ontheffing op grond van de Wnb worden aangevraagd. Indien deze ontheffing verleend wordt en mitigerende maatregelen worden genomen, staat de Wnb de uitvoering van het planvoornemen niet in de weg.
4.8
Archeologie en cultuurhistorie
4.8.1 Archeologie Wettelijk kader Als wettelijk toetsingskader in Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. Deze wet is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta uit 1992. De Wamz is in zijn geheel opgenomen in de Monumentenwet 1988 (Mw art. 38 t/m 60). In de Wamz is vastgelegd dat Rijk, provincies en gemeenten in ruimtelijke plannen rekening houden met het aspect 'archeologie'. De wet beoogt het archeologische erfgoed in hoofdzaak in situ te beschermen.
36
bestemmingsplan
Carmelveste
De op 1 juli 2016 in werking getreden Erfgoedwet heeft de Monumentenwet 1988 deels vervangen als het gaat om archeologie. In de Erfgoedwet is vastgelegd wat onder cultureel erfgoed (waar archeologie onder valt) wordt verstaan. Onderdelen van de Monumentenwet 1988 die de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving betreffen, gaan naar de Omgevingswet. Voor een aantal onderdelen (onder andere bestemmingsplannen) is voor de periode tot inwerkingtreding van de Omgevingswet een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen. Het plangebied is op basis van de archeologische beleidskaart van gemeente Boxmeer gelegen in een zone met de waarde 'Archeologie 2'. Voor deze zone geldt een onderzoeksplicht bij plangebieden groter dan 100 m² en bodemingrepen dieper dan 30 cm-mv ten behoeve van de ontheffing alvorens gebouwd of gewerkt kan worden. Omdat het plangebied een grotere oppervlakte heeft, is daarom sprake van een onderzoeksplicht en in dit kader rekening gehouden met archeologie in de vorm van meerdere onderzoeken.
Onderzoeken In het kader van de eerdere plannen voor het plangebied is in 2006 door Synthegra al een bureau- en (verkennend) booronderzoek uitgevoerd. Vervolgens is door Synthegra in 2008 een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd, waarbij sporen en vondsten zijn aangetroffen uit de Vroege- en Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd. Ter plaatse van het noordwestelijke deel van het plangebied is in het kader van het 'Plangebied Kerckenzicht' in 2009 door Archeopro een booronderzoek uitgevoerd. Bij de daarop volgende planrealisatie is in 2010, direct ten noorden van het noordwestelijke deel van het plangebied, een bouwput uitgegeraven tot een diepte van 3,5 m beneden het maaiveld. Bij deze graafwerkzaamheden zijn, naast enkele losse vondsten uit de Prehistorie, veel archeologische sporen en vondsten aangetroffen uit de Vroege Middeleeuwen, de Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd. Op basis van het bovenstaande moet worden geconcludeerd dat er ter plaatse van het plangebied archeologische resten aanwezig zijn uit de Vroege- en late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd en dat deze resten als gevolg van de planonwikkeling ten dele zullen worden verstoord. Daarom is door de gemeente Boxmeer besloten dat voorafgand aan de civieltechnische werkzaamheden er ter plaatse van de zones waar diepere bodemverstoringen worden voorzien er eerst een archeologische opgraving moet worden uitgevoerd.
Door SOB Research is een programma van eisen voor deze archeologische opgraving opgesteld. Dit programma van eisen is opgenomen in Bijlage 6 Programma van Eisen Archeologische Opgraving 'plangbied Carmelveste' Burgemeester Verkuijlstraat Boxmeer. Namens de gemeente Boxmeer heeft The Missing Link op 30 maart 2020 het programma van eisen goedgekeurd. Het meest zuidelijk deel van het plangebied is door de gemeente Boxmeer in het kader van de huidige planontwikkeling vrijgesteld van nader archeologisch onderzoek. 4.8.2 Cultuurhistorie Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is vastgelegd dat bij het maken van ruimtelijke plannen, zoals een bestemmingsplan, beheersverordening of ruimtelijke onderbouwing rekening moet worden gehouden met cultuurhistorische waarden. Daarnaast moet op grond van het Bro in de toelichting op het bestemmingsplan worden beschreven hoe deze cultuurhistorische zijn meegewogen. Het is daarom van belang dat voorafgaand aan het opstellen van een ruimtelijk plan de aanwezige cultuurhistorische waarden bekend zijn. Voorafgaand aan de planontwikkeling moet een inventarisatie worden uitgevoerd naar de cultuurhistorische waarden die binnen het plangebied aanwezig zijn en naar de waarden in de directe omgeving daarvan. Daarnaast moet worden afgewogen hoe deze waarden in het plan meegenomen worden.
Cultuurhistorische waardering Boxmeer is in de late Middeleeuwen ontstaan als een straatdorp waarin de route van Beugen naar Sambeek en die naar Sint Anthonis bij elkaar komen. In de dorpskern is nog een aantal objecten en patronen aanwezig die verwijzen naar het verleden en de ontstaansgeschiedenis zichtbaar maken:
bestemmingsplan
Carmelveste
37
het Boxmeerse landschap is bepaald door de oude loop van de Maas en door de hoge en lage gronden; Boxmeer is een straatdorp, met de historische lintbebouwing in de Steenstraat als meest herkenbare component; ontwikkelingsassen komen in de Steenstraat uit, herkenbaar zijn de oude bebouwingslinten richting Kasteel Boxmeer en de Carmelietenstraat; kloostercomplex in de Steenstraat uit de 17e eeuw en de naastgelegen Sint Petrusbasiliek.
In en om de kern Boxmeer zijn nog enkele oude structuurbepalende lijnen en patronen aanwezig. De Steenstraat wordt als historisch geografische lijn met zeer hoge waarden aangeduid. De oude historische bebouwing, de nog zichtbare historische bebouwingsas en het Noord-Brabantse karakter van het gebied dragen hiertoe bij. In het zuidelijke centrumgebied bevinden zich de meeste historische bouwwerken. Nabij het plangebied is een aantal monumenten aanwezig. Deze zijn voornamelijk gelegen in de Steenstraat (waaronder de Sint Petrus Basiliek en het naastgelegen klooster).
Gevolg planvoornemen In het voorgenomen plan wordt met respect omgegaan met de cultuurhistorische waarden in de nabijheid van het plangebied. In het stedenbouwkundig plan is rekening gehouden met het behoud van de zichtlijn van de Sint Petrusbasiliek. Daarnaast wordt in het plan het Potje Pedje meegenomen als belangrijk historiserend element. Tot slot zijn de historische structuren als uitgangspunt meegenomen in het stedenbouwkundig plan en is er zo veel mogelijk aansluiting gezocht bij deze structuren. In oktober 2020 is het stedenbouwkundig plan gepresenteerd aan de Commissie ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Boxmeer. De commissie heeft ingestemd met het stedenbouwkundig plan en het ontwerp van de woningen. Het aspect cultuurhistorie is derhalve volwaardig meegenomen in de planvorming.
4.9
Water
Water vormt een steeds belangrijker aspect bij ontwikkelingen. Belangrijke thema’s zijn: het vasthouden in plaats van direct afvoeren van hemelwater, het hergebruik van water, het zuinig omgaan met drinkwater en het beperken van de onttrekking van grondwater. Het is dan ook verplicht om bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de toelichting aan te geven op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Deze verantwoording wordt ook wel de waterparagraaf genoemd. Deze paragraaf kan als waterparagraaf worden beschouwd. 4.9.1 Beleid Rijksbeleid - Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie De relevante beleidsontwikkelingen op het gebied van water worden bij het Rijk opgenomen in het Deltaprogramma. Hierin is voor verschillende thema's beschreven wat het beleid is en hoe het Rijk dat in overleg met overige partners wil gaan bereiken. Het Deltaprogramma bestaat uit verschillende onderwerpen op het gebied van water. Voor ruimtelijke ontwikkelingen is het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie het meest relevant, omdat hierin de consequenties van de klimaatontwikkelingen voor Nederland zijn opgenomen, evenals de maatregelen die we moeten nemen om 'klimaatadaptief' te worden. Een deel van deze maatregelen zal ruimtelijke impact hebben.
Met 'klimaatadaptief' wordt bedoeld: het klimaatrobuust en klimaatbestendig inrichten van Nederland, gegeven de klimaatontwikkelingen die op ons afkomen. Op basis van de internationale en nationale klimaatmodellen is de verwachting dat het weer in Nederland extremer gaat worden. Dat betekent: meer hevige regenbuien (veel neerslag in korte tijd) en langere periodes met droogte en hitte. Dit heeft consequenties voor de leefbaarheid in steden en dorpen en voor bijna alle (economische) sectoren in Nederland.
38
bestemmingsplan
Carmelveste
Met het nemen van klimaatrobuuste maatregelen wordt ingespeeld op deze veranderingen waarmee we steden en dorpen leefbaar houden en (economische) schade door wateroverlast, droogte en hitte beperken.
Provinciaal beleid - Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 (PMWP 2016-2021) Het PMWP bevat het strategische milieu- en waterbeleid van de provincie Noord-Brabant voor de periode 2016-2021. Daarnaast is voor het waterdomein ook toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water, met name voor waterschappen. De beleidsdoelen zijn ondergebracht in drie integrale thema's: gezonde fysieke leefomgeving, veilige fysieke leefomgeving en groene groei. De verschillende wateronderwerpen zijn ondergebracht bij deze drie integrale thema's. Deze onderwerpen zijn: Voldoende en schoon water voor mens, dier en plant Aanvaardbare risico's vanuit hoogwater Duurzame zoetwatervoorziening Belangrijke thema's hierbij zijn de verbetering van de waterkwaliteit, de verdrogingsbestrijding en een meer natuurlijke inrichting van de watersystemen (waaronder beekherstel en de aanleg van ecologische verbindingszones). Ook vanuit het provinciale beleid is steeds meer aandacht voor een klimaatbestendige stedelijke en landelijke ontwikkeling. Het PMWP fungeert voor een aantal ruimtelijk relevante wateronderwerpen tevens als structuurvisie.
Provinciaal beleid - Waterbeheerplan waterschap Aa en Maas 2016-2021 Het waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas is in afstemming met het PMWP 2016-2021 tot stand gekomen. In het Waterbeheerplan van het waterschap wordt het PMWP verder uitgewerkt en geconcretiseerd. Het waterbeheerplan is opgedeeld in een aantal waterthema's, waarvoor doelen en ambities zijn opgesteld. Deze thema's zijn:
Zorgen voor een veilig en bewoonbaar beheergebied. Dit wordt bereikt door toepassing van drie pijlers: preventie, duurzame ruimtelijke planning en een accurate rampenbeheersing. In onze regio valt de aanleg en inrichting van regionale waterbergingsgebieden en het voldoen aan de stedelijke wateropgave onder dit thema. Zorgen voor voldoende water en een robuust watersysteem. De inrichting en het beheer van het watersysteem worden afgestemd op de aanwezige functies en de watervraag van deze functies. Zorgen voor gezond en natuurlijk water: hieronder vallen onder andere inrichtingsmaatregelen aan watersystemen en verbetering van de waterkwaliteit. Zorgen voor schoonwater: Hieronder vallen de bevoegdheden van het waterschap op grond van de Waterwet (eisen aan kwaliteit van lozingen op oppervlaktewater), evenals de zuiveringstaak van het waterschap. In aanvulling daarop is ook het waterschap bezig het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie te vertalen naar haar eigen beleid. Het waterschap heeft tevens haar regels vastgelegd in de Keur. Het geeft aan welke plichten er zijn voor activiteiten met betrekking tot het oppervlaktewater, grondwater, en kunstwerken. De Keurregels voor afvoeren van hemelwater bevat richtlijnen voor het waterhuishoudkundig onderzoek en kan worden gebruikt voor het uitvoeren daarvan.
Plannen met een verhardingstoename tot 500 m 2 worden vrijgesteld van compensatie door waterberging. Het bepalen van de compensatie wordt gedaan conform de rekenregel: benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m). Deze rekenregel is ook gebruikt voor deze watertoets.
bestemmingsplan
Carmelveste
39
Gemeentelijk beleid - VGRP Gemeente Boxmeer 2020-2024 Het VGRP is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het VGRP legt de gemeente vast wat zij wil bereiken en wat de rol van burgers en bedrijven is ten aanzien van afval-, hemel-, en grondwater. De gemeente Boxmeer heeft wettelijke zorgplichten ten aanzien van afval-, hemel- en grondwater. De gemeente heeft de ambitie om in het verlengde hiervan bij te dragen aan gemeenschappelijke doelen zoals een klimaatbestendige en duurzame omgeving en een doelbewuste samenwerking met inwoners/bedrijven en regionale waterpartners. Om invulling te geven aan deze ambities zijn voor de aankomende planperiode de volgende speerpunten geformuleerd: 1. 2. 3. 4.
Energieneutraal rioolbeheer; Klimaatbestendig Land van Cuijk 2030 (3e uitvoeringsprogramma); Samen aan de slag met inwoners en bedrijven; Harmonisatie riool- en watertaken gemeente Land van Cuijk.
Op basis van de speerpunten zijn o.a. de volgende ontwerpprincipes opgenomen in het VGRP:
Nieuwe riolering wordt aangelegd volgens de geldende richtlijnen. Voor nieuwe ontwikkelingsgebieden binnen de bebouwde kom betekent dit een gescheiden rioolsysteem. Op particuliere percelen dient een berging boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand van 45 mm/m2 voor alle verhard oppervlak worden gerealiseerd. Uitgangspunt hierbij is het totale dakvlak en 20% van het overige perceeloppervlakte. Deze bergingsvoorziening moet een bovengrondse overloop hebben, welke mag afvoeren naar openbaar terrein.
4.9.2
Toepassing waterbeleid op het plangebied
Ruimte maken voor water: dat is de kern van het waterbeleid voor de 21e eeuw. Met de ondertekening van de Startovereenkomst Waterbeheer op 14 februari 2001 door Rijk, provincie, gemeenten en waterschappen, werd de watertoets van toepassing verklaard op ruimtelijke plannen. Vanaf 1 november 2003 is deze juridisch verankerd in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). De watertoets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijke beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Het doel van de watertoets is het evenwichtig meewegen van de waterbelangen in het ruimtelijke planvormingsproces om te komen tot een veilig, gezond en duurzaam watersysteem. Zowel waterkwantiteits- als waterkwaliteitsaspecten zijn daarbij belangrijk. Het benutten van kansen en het combineren van functies wordt hierbij nagestreefd. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen hanteert het waterschap een aantal beleidsuitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient de initiatiefnemer invulling te geven aan onder andere deze beleidsuitgangspunten: Gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater. Het vuile water wordt via de gemeentelijke riolering afgevoerd.
Het schone water wordt verwerkt volgens de hierna genoemde afwegingsstappen. 1.
2. 3.
40
Doorlopen van de afwegingsstappen 'hergebruik, infiltratie, buffering en afvoer'. Hergebruik van hemelwater in een zogenaamd grijswatersysteem kan overwogen worden bij grootschalige projecten, zoals scholen en bedrijfsgebouwen. De mogelijkheden voor infiltratie hangen af van onder andere de kwaliteit van het te infiltreren water, de grondwaterstand, de opbouw van de bodem en eventuele bodemverontreiniging. Als het schone water niet geïnfiltreerd kan worden, dan kan het gebufferd worden in (te realiseren) oppervlaktewater. Als ook bufferen niet kan, is afvoer de laatste optie. Hiermee wordt bedoeld het transporten van schoon water via een open of gesloten waterloop naar het watersysteem buiten het plangebied.
bestemmingsplan
Carmelveste
Hydrologisch neutraal bouwen. De gemeente hanteert een eigen berekeningssystematiek om te bepalen of en zo ja, hoe groot de berging moet zijn.
Water als kans. In nieuwe plannen voor grotere gebieden kunnen vijver, waterpartijen worden opgenomen.
Meervoudig ruimtegebruik. Flauwe taluds geven bij voorbeeld ruimte voor buffering, maar zijn ook te gebruiken voor recreatieve doeleinden.
Voorkomen van vervuiling. Om verontreiniging van bodem of oppervlaktewater te voorkomen, worden zo weinig mogelijk uitlogende of uitspoelbare materialen toegepast.
Wateroverlastvrij bestemmen. Nieuwe locaties worden in eerste instantie 'hoog en droog' gezocht. Is dit niet mogelijk, dan zal gezocht moeten worden naar maatregelen die het gewenste beschermingsniveau tegen wateroverlast helpen realiseren.
1. 2. 3.
Belangen van het Waterschap. Ruimteclaims voor de aanleg van natte EVZ's en beekherstel: een EVZ moet gemiddeld 25 meter breed zijn. Aanwezigheid en ligging watersysteem: oppervlaktewateren worden bestemd als Water. Aanwezigheid en ligging waterkeringen: de kernzone krijgt de dubbelbestemming 'waterkering'.
Regenwater Het plangebied is geen wateroverlast gebied. Er worden in de openbare ruimte robuuste waterbergingen aangelegd van tenminste 45mm/m² verhard oppervlak. Het regenwater wordt binnen het plangebied verzameld en verzameld onder het Titus Brandsmaplein. Dit plein wordt nadat de woningen gereed zijn aangepakt waarbij ook de wateropgave uit de omgeving aangepakt wordt. Daarnaast streven we naar voldoende hoogteverschil tussen het bouw- en wegpeil waarbij de woningen minimaal 150 mm boven aanliggend straatpeil gebouwd worden om zo wateroverlast vanuit openbaar gebied/vanaf de weg tegen te gaan.
Afvalwater Het afvalwater kan worden afgevoerd naar de bestaande riolering. Het afvalwater wordt in het plangebied verzameld en via een leiding onder het Titus Brandsmaplein afgevoerd naar de bestaande riolering onder de Burgemeester Verkuijlstraat.
4.9.3 Conclusie Conform het waterbeleid wordt alle toekomstige verharding binnen het plangebied gecompenseerd. Het hemelwater wordt binnen het plangebied opgevangen en verwerkt, waarbij rekening is gehouden met de bergingseis van 45 mm/m2. Voor de afvoer van het afvalwater wordt (gescheiden) riolering aangebracht.
bestemmingsplan
Carmelveste
41
Vervuiling wordt zoveel als mogelijk voorkomen en er zullen geen uitlogende bouwmaterialen worden gebruikt, waardoor geen negatieve gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater worden verwacht. Ten aanzien van het aspect Water
4.10
worden geen belemmeringen verwacht.
Kabels en leidingen
In of nabij het plangebied zijn geen kabels en leidingen gelegen die ten behoeve van het gebruik en/of de veiligheid planologische bescherming behoeven en daarmee een belemmering voor het planvoornemen betekenen. De nieuwe woningen zullen worden aangesloten op de nutsvoorzieningen (electra, water en telefonie/internet).
42
bestemmingsplan
Carmelveste
4.11
vormvrije m.e.r.- beoordeling
In de Wet milieubeheer (Wm) en het bijbehorende Besluit m.e.r. zijn activiteiten genoemd waarvoor een milieueffectrapportage (MER) dient te worden opgesteld. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in activiteiten waarvoor een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen (m.e.r.-plicht) en activiteiten waarvoor het bevoegd gezag dient te beoordelen of een m.e.r.-procedure al dan niet nodig is (m.e.r.-beoordelingsplicht). De beoogde ontwikkeling komt in de lijst C van de bijlage van het Besluit m.e.r. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit milieueffectrapport (Besluit m.e.r.) het volgende opgenomen: "de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen." De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Er is voor de activiteit derhalve geen sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Er dient wel een vormvrije m.e.r.- beoordeling te worden uitgevoerd.
De wettelijke regeling voor de m.e.r.-beoordeling gaat uit van het principe 'nee, tenzij': een m.e.r.-procedure is alleen nodig als er sprake is van 'belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu'. Op grond van de Wm houdt het bevoegd gezag bij haar besluit rekening met de omstandigheden zoals aangegeven in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling, te weten:
Kenmerken van het project; Locatie van het project; Kenmerken van de potentiële effecten (in samenhang met de eerste twee criteria).
De kenmerken en locatie van het project zijn weergegeven in hoofdstuk 2 van deze plantoelichting. Gelet op de kenmerken van het plan, zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiele effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de vorige paragrafen zijn opgenomen. Voor dit bestemmingsplan is dan ook geen mer- procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het besluit m.e.r.
bestemmingsplan
Carmelveste
43
44
bestemmingsplan
Carmelveste
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische opzet
Inleiding
In een bestemmingsplan zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor een bepaald gebied opgenomen. Het onderhavige bestemmingsplan regelt de inrichting van het gebied op hoofdlijnen door voor de gronden bestemmingen aan te wijzen. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding (kaart) in samenhang met de regels. In deze paragraaf wordt het juridische deel van het bestemmingsplan nader toegelicht.
5.2
Uitgangspunten
5.2.1 Wettelijk kader Het wettelijk kader wordt sinds 1 juli 2008 gevormd door de Wet ruimtelijke ordening (Wro). De wettelijke regeling voor bestemmingsplannen is vervolgens verder ingevuld door het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012. Het bestemmingsplan dient te voldoen aan de als bijlage bij de voornoemde Regeling opgenomen Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Dit betekent dat bestemmingsplannen kwalitatief gelijkwaardig zijn en uniform in aanpak, uitvoering, uitwisseling van gegevens en raadpleging daarvan. 5.2.2
Planonderdelen
Onderhavig bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, de regels en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden opgenomen en toegepast. Op de verbeelding krijgen alle gronden binnen het plangebied een bestemming. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. De juridische betekenis van deze bestemmingen en aanduidingen zijn terug te vinden in de regels. Een gedeelte van de informatie op de analoge verbeelding heeft geen juridische betekenis, maar is slechts opgenomen om de leesbaarheid van en oriëntatie op de verbeelding te vergroten, zoals een kadastrale/GBKN ondergrond. Alle letters, aanduidingen en lijnen worden verklaard in de legenda op de verbeelding. Bij eventuele verschillen tussen de digitale en analoge verbeelding is de digitale verbeelding juridisch bindend. De regels bepalen de gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied en geven tevens de gebruiks- en bouwmogelijkheden met betrekking tot bouwwerken aan. De regels van het bestemmingsplan zijn opgebouwd conform de door het SVBP2012 voorgeschreven systematiek en gebaseerd op de regels uit het vigerende bestemmingsplan. De regels omvatten inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en ten slotte de overgangs- en slotregels.
5.3
Toelichting op de planregels
5.3.1
Inleidende regels
In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om onduidelijkheid door interpretatieverschillen te voorkomen. Er zijn alleen begripsbepalingen opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Een gedeelte van de begrippen is omschreven in het SVBP en dient letterlijk daaruit te worden overgenomen. Deze begrippen en de voorgeschreven omschrijvingen zijn overgenomen.
bestemmingsplan
Carmelveste
45
Ook over de bepaling van afstanden, hoogtes en oppervlaktes kunnen interpretatieverschillen ontstaan. Om op een eenduidige manier afstanden, hoogtes en oppervlakten te bepalen, wordt in de 'wijze van meten' uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Ook voor de wijze van meten worden in de SVBP2012 regels gegeven, welke in het plan letterlijk zijn overgenomen. 5.3.2 Bestemmingsregels Per bestemming, die op de verbeelding wordt gebruikt, worden gebruiks- en bouwregels opgenomen. De opbouw van de bestemmingen ziet er in beginsel als volgt uit:
Bestemmingsomschrijving; Bouwregels; Nadere eisen; Afwijken van de bouwregels; Specifieke gebruiksregels; Afwijken van de gebruiksregels; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden; Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; Wijzigingsbevoegdheid;
Niet alle onderdelen komen bij elke bestemming voor. Van de meest gebruikte onderdelen volgt hieronder een korte toelichting.
Bestemmingsomschrijving In de bestemmingsomschrijving wordt een omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functie(s). De hoofdfunctie(s) worden als eerste genoemd. Indien van toepassing worden ook de aan de hoofdfunctie ondergeschikte functies genoemd. De ondergeschiktheid kan worden aangegeven door de woorden 'met daaraan ondergeschikt'. De ondergeschikte functies staan ten dienste van de hoofdfunctie binnen de betreffende bestemming.
Bouwregels In de bouwregels is bepaald welke bouwwerken mogen worden opgericht, waarbij in ieder geval een onderscheid wordt gemaakt tussen de regeling van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde en daar waar van toepassing ook tussen hoofdgebouwen en bijgebouwen. Voorts bevatten de bouwregels, voor zover van toepassing, minimale en maximale maatvoeringen voor de diverse bouwwerken zoals goothoogtes, bouwhoogtes, oppervlaktes en dakhellingen.
Afwijken van de bouwregels Door het opnemen van afwijkingsbevoegdheden wordt flexibiliteit in bestemmingsregels gecreëerd door mogelijkheden te bieden om in beperkte mate af te wijken van de algemeen toegestane bouwregelingen. Deze bevoegdheden zijn niet bedoeld voor afwijkingen van de bouwregels, waarvan de verwachting is, dat ze veelal kunnen worden verleend. In dat geval zijn de bouwregels hierop aangepast. Voor elke afwijking is aangegeven waarvan een omgevingsvergunning voor het afwijken van de bouwregels wordt verleend, de maximale afwijking die met de omgevingsvergunning kan worden toegestaan en meestal de situaties of voorwaarden waaronder een omgevingsvergunning wordt verleend. Het gaat hier om afwijkingsbevoegdheden voor specifieke bestemmingen. Indien afwijkingsbevoegdheden gelden voor meerdere bestemmingen dan wel een algemene strekking hebben, zijn ze opgenomen in hoofdstuk 3 van de regels (zijnde algemene regels).
46
bestemmingsplan
Carmelveste
Specifieke gebruiksregels Met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is artikel 7.10 Wet ruimtelijke ordening vervallen. In dit artikel was het verbod opgenomen om gronden te gebruiken op een manier die in strijd is met het bestemmingsplan. Derhalve moeten in de specifieke gebruiksregels bepaalde functies concreet worden genoemd als zijnde verboden gebruik. Ook het laten gebruiken moet specifiek worden genoemd.
Afwijken van de gebruiksregels Door middel van een omgevingsvergunning voor het afwijken van de gebruiksregels kan van de gebruiksregels in het plan worden afgeweken ten behoeve van een concrete vorm van grondgebruik. Dit mag echter niet leiden tot een feitelijke wijziging van de bestemming. Dat wil zeggen dat wel kan worden afgeweken van de gebruiksregels ten behoeve van functies die inherent zijn aan de in de bestemmingsomschrijving opgenomen functies, maar dat via het afwijken geen 'nieuwe' functies kunnen worden toegestaan. Het afwijken van de gebruiksregels dient te zien op kleinere, planologisch minder ingrijpende onderwerpen. Functiewijzigingen en grotere, ruimtelijke ingrepen dienen te worden geregeld via een wijzigingsbevoegdheid of een afzonderlijke bestemmingsplanherziening.
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen gebouwen zijnde, of werkzaamheden Met een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden kunnen specifieke inrichtingsactiviteiten aan een werk of werkzaamheid worden verbonden. Onder deze inrichtingsactiviteiten valt niet het bouwen en het gebruiken. Een vergunningenstelsel wordt opgenomen om extra bescherming aan een specifieke waarde van de bestemming te bieden, zoals landschappelijke of natuurlijke waarden, ecologische waarden of de groen- en/of waterstructuur. Een vergunningenstelsel kan in specifieke en bijzondere situaties worden opgenomen in verband met bijvoorbeeld het verwijderen van waardevolle boombeplanting.
5.4
Toelichting op bestemmingen
Hierna zijn de binnen het plangebied gelegen bestemmingen afzonderlijk toegelicht. Daarbij wordt ingegaan op de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen de desbetreffende bestemming. 5.4.1
Bestemming Verkeer
De bestemming 'Verkeer' is opgenomen ter plaatse van de ontsluitingswegen met bijbehorende parkeer- en groenvoorzieningen binnen het plangebied. De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor openbare nuts- en verkeersvoorzieningen, wegen en paden, voet- en rijwielpaden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen. Alleen gebouwen ten behoeve van openbare, nuts- en verkeersvoorzieningen zijn binnen deze bestemming toegestaan, waarbij geldt dat de inhoud niet meer mag bedragen dan 50 m3 n de nokhoogte niet meer mag bedragen dan 3 meter.
bestemmingsplan
Carmelveste
47
5.4.2
Bestemming Wonen
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor de 19 grondgebonden woningen, inclusief bijbehorende tuinen en erven, groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en parkeervoorzieningen. De woningen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – bouwvvlak’ worden gebouwd. Ter plaatse van het bouwvlak mogen niet meer woningen worden gerealiseerd dan aangeduid ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden'. Ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot-, bouwhoogte (m)' mag de goot- en bouwhoogte van gebouwen niet meer bedragen dan is aangeduid. Daar waar de aanduiding 'maximum bouwhoogte' is voorzien, geldt ter plaats uitsluitend de aangegeven maximale bouwhoogte.
5.5
Algemene regels
5.5.1
Anti-dubbeltelregeling
Overeenkomstig het Besluit ruimtelijke ordening is de anti-dubbeltelregel opgenomen. Deze regel wordt opgenomen om bijvoorbeeld te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel of een bepaalde oppervlakte van een bouwperceel mogen beslaan, het resterende onbebouwde terrein ook nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. 5.5.2
Algemene bouwregels
Voor het hele plangebied, en dus alle bestemmingen, geldt eveneens een aantal algemene bouwregels. Deze zijn dus niet opgenomen in de afzonderlijke bestemmingen. 5.5.3 Algemene afwijkingsregels Behalve de specifieke afwijkingsregels, opgenomen binnen de bestemmingsregels, kent het plan ook een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden. Deze bevoegdheden hebben als doel om flexibel te kunnen inspelen op afwijkingen en overschrijdingen van beperkte aard of omvang. 5.5.4
Algemene procedureregels
De algemene procedureregels gelden voor Burgemeester en Wethouders ten aanzien van de te voeren procedure in geval er gebruik wordt gemaakt van nadere eisen danwel een wijzigingsbevoegdheid. 5.5.5 Parkeernormen In de regels ten aanzien van de parkeernormen is bepaald dat gronden en gebouwen waarop dit bestemmingsplan betrekking heeft slechts mogen worden bebouwd en/of gebruikt, indien op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd. Tevens zijn regels opgenomen ten aanzien van laden en lossen.
5.6
Overgangs- en slotregels
5.6.1
Overgangsrecht
In deze regels wordt het overgangsrecht, zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening, overgenomen.
48
bestemmingsplan
Carmelveste
5.6.2
Slotregel
Als laatste wordt de slotregel opgenomen, ook zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening. Deze regel schrijft voor hoe het plan kan worden aangehaald.
bestemmingsplan
Carmelveste
49
50
bestemmingsplan
Carmelveste
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Inleiding
Naast het toetsen van een bestemmingsplan aan diverse omgevingsaspecten, dient het bestemmingsplan ook getoetst te worden aan de uitvoerbaarheid van het plan. Hierbij wordt gekeken naar de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.
6.2
Economische uitvoerbaarheid
In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening is gesteld dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan/wijzigingsplan onderzoek moet worden uitgevoerd naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. In de Wet ruimtelijke ordening is opgenomen dat een gemeente de gemaakte kosten op een particuliere grondeigenaar moet verhalen in het geval deze eigenaar tot ontwikkeling van een bouwplan overgaat. Daarnaast kan de gemeente eisen stellen met betrekking tot de te ontwikkelen locatie, zoals beeldkwaliteitseisen. Voor de realisatie van de plan is een anterieure en exploitatieovereenkomst gesloten tussen de gemeente en de ontwikkelende partij. Hiermee is de uitvoerbaarheid van het plan geborgd.
6.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Dit planvoornemen ziet toe op de ontwikkeling van 19 grondgebonden woningen. In juni 2021 heeft de ontwikkelaar gesprekken gevoerd met de direct omwonenden over de voorgenomen ontwikkeling. Daarnaast is er op 23 juni 2021 een digitale inloopavond georganiseerd waarin het stedenbouwkundig plan is toegelicht aan belangstellenden. Omdat de bebouwingsmogelijkheden met voorliggend bestemmingsplan fors worden teruggebracht ten opichte van het vigerende bestemmingsplan, en omdat reeds een digitale inloopavond georganiseerd is, wordt er geen voorontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd.
Het ontwerpbestemmingsplan wordt conform de gebruikelijk procedure met ingang van 6 juli 2021 gedurende zes weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode kan eenieder zijn of haar zienswijzen kenbaar maken. Het ontwerpbestemmingsplan zal tevens aangeboden worden aan de Provincie Noord- Brabant en Waterschap Aa en Maas.
6.4
Handhaafbaarheid
Het ontwikkelen van beleid en de vertaling daarvan in een bestemmingsplan heeft geen zin, indien na de vaststelling van het bestemmingsplan geen handhaving plaatsvindt. Daarom is het belangrijk om reeds ten tijde van het opstellen van een bestemmingsplan aandacht te besteden aan de handhaafbaarheid van de voorgeschreven regels. Vier factoren zijn van wezenlijk belang voor een goed handhavingsbeleid: 1. Voldoende kenbaarheid van het plan Een goed handhavingsbeleid begint bij de kenbaarheid van het bestemmingsplan bij degenen die het moeten naleven. De Wro bevat enkele waarborgen ten aanzien van de te volgen procedure: in de bestemmingsplanprocedure zijn een aantal inspraakmomenten ingebouwd. 2. Voldoende draagvlak voor het beleid en de regeling in het plan De inhoud van het plan kan slechts gehandhaafd worden indien het beleid en de regeling in grote kring ondersteund wordt door de gebruikers van het plangebied. Uiteraard kan niet iedereen zich vinden in elk onderdeel van het plan. Een algemene positieve benadering van het bestemmingsplan is echter wel wenselijk.
bestemmingsplan
Carmelveste
51
3. Realistische en inzichtelijke regeling Een juridische regeling dient inzichtelijk en realistisch te zijn; dat wil zeggen niet onnodig beperkend of inflexibel. Bovendien moeten de bepalingen goed controleerbaar zijn. De regels moeten derhalve niet meer regelen dan noodzakelijk is. 4. Actief handhavingsbeleid Het sluitstuk van een goed handhavingsbeleid is voldoende controle van de feitelijke situatie in het plangebied. Daarnaast moeten adequate maatregelen worden getroffen indien de voorschriften worden overtreden. Indien dit wordt nagelaten, ontstaat een grote mate van rechtsonzekerheid. De gemeente voert een actief handhavingsbeleid. Medewerkers van de gemeente houden zich bezig met het toezicht op de naleving van de Woningwet en de Wro. Het hoofddoel is de controle van de naleving van de verleende vergunningen en het opsporen van illegale bouw.
52
bestemmingsplan
Carmelveste
Hoofdstuk 7 7.1
Procedure
Te volgen procedure
Het bestemmingsplan doorloopt als ontwerp respectievelijk vastgesteld en onherroepelijk bestemmingsplan de volgende procedure, te weten:
1. 2.
3.
Ontwerp: a. 1e ter inzage legging (ontwerp bestemmingsplan) Vaststelling: a. Vaststelling door de Raad b. 2e ter inzage legging (vastgesteld bestemmingsplan) Beroep: a. (Gedeeltelijk) onherroepelijk bestemmingsplan b. Reactieve aanwijzing c. Beroep bij Raad van State
In het kader van deze procedure kunnen gedurende de ter inzageligging van het ontwerp bestemmingsplan door een ieder zienswijzen worden ingediend. In publicaties met betrekking tot de diverse stappen die het plan moet doorlopen wordt daarvan steeds melding gemaakt. Uiteindelijk besluit de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, indien nodig, over het plan in zijn onherroepelijke vorm.
7.2
Ontwerp en vaststelling
Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 7 juli 2021 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is iedereen in de gelegenheid gesteld om zijn/haar zienswijze kenbaar te maken. In totaal zijn er PM zienswijzen ingediend. Er zijn enkele zienswijzen geheel of gedeeltelijk gegrond verklaard en deze leiden tot aanpassingen van het bestemmingsplan. Dit betreft ...