2021-R-544d Toelichting ontwerpbestemmingsplan Lange Heggen West
Tekst van het document
Gevolg planvoornemen Er geldt dat bij de concrete uitwerking van het bouwplan voor de woningen een invulling wordt gegeven om te komen tot energiezuinige woningen. Het streven daarbij is om te komen tot een zo hoog mogelijk energielabel. Daarnaast wordt invulling gegeven aan principes ten aanzien van klimaatbestendig bouwen.
bestemmingsplan Lange Heggen West te Beugen
27
28
bestemmingsplan Lange Heggen West te Beugen
Hoofdstuk 4 4.1
Milieu- en omgevingsaspecten
Inleiding
Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien de beleidsvelden naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Het is daarnaast van belang om milieubelastende functies (zoals bepaalde bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies zoals woningen. Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende situaties moeten voorkomen worden. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op verschillende onderzoeks- en milieuaspecten welke van belang zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening.
4.2
Bodem
Het planvoornemen betreft het planologisch-juridisch mogelijk maken van 27 woningen. Conform de Wet ruimtelijke ordening is het noodzakelijk inzichtelijk te maken of de kwaliteit van de bodem geschikt is voor het voorgenomen gebruik. In dit kader is door Ingenieursbureau Land een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (rapport R01-77945-JVO, 13 januari 2019). De resultaten van het bodemonderzoek zijn in deze paragraaf kort weergegeven. Het volledige onderzoek is als Bijlage 2 verkennend bodemonderzoek bij deze toelichting gevoegd.
Voorzonderzoek asbest Omdat uit het vooronderzoek is gebleken dat er geen bebouwing op het terrein aanwezig is of is geweest, is het plangebied niet verdacht op asbest. Tijdens de veldinspectie is geen asbestverdacht (plaat)materiaal aangetroffen. Het plangebied is derhalve niet verdacht op asbest.
Verkennend bodemonderzoek Uit de beschikbare voorinformatie blijkt dat de onderzoekslocatie onverdacht is op aanwezigheid van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Bij eerder uitgevoerde onderzoeken in de omgeving zijn in het grondwater wel diverse metalen (cadmium, nikkel, zink, barium en arseen) boven de streefwaarde aangetoond. Tijdens het verkennend bodemonderzoek zijn er licht verhoogde gehalten barium, cadmium, zink en nikkel aangetoond in het grondwater. Vermoedelijk hebben de verhoogde gehalten een natuurlijke oorsprong, aangezien de verhoogde gehalten bij diverse onderzoeken in de omgeving waargenomen zijn. Er is geen geval van ernstige bodemverontreiniging aangetoond. Op basis van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de aangetoonde gehaltes in de bodem geen aanleiding geven tot het uitvoeren van nader onderzoek. De milieuhygienische kwaliteit van de onderzoekslocatie is vastgelegd. De locatie is milieuhygienisch gezien geschikt voor de bestemming wonen. Op basis van het onderzoek wordt aanbevolen om, als graafwerkzaamheden worden uitgevoerd, rekening te houden met de te nemen veiligheidsmaatregelen conform CROW protocol 400. Naar verwachting kunnen de werkzaamheden onder het regime van de basisklasse worden uitgevoerd. De veiligheidskundige van de aannemer zal de definitieve veiligheidsklasse dienen te bepalen. Indien er van de locatie grond moet worden
bestemmingsplan Lange Heggen West te Beugen
29
afgevoerd, dient dit te gebeuren conform de regels van het Besluit bodemkwaliteit en het tijdelijke handelingskader PFAS.
Gevolg planvoornemen Op basis van het verkennend onderzoek wordt geconcludeerd dat de bodemkwaliteit en asbest in de bodem geen belemmering voor het planvoornemen vormen.
4.3
Geluid
Het wettelijk kader bij ruimtelijke procedures is de Wet geluidhinder (Wgh). Deze wet biedt geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen, bescherming tegen geluidhinder van geluidsbronnen: wegverkeer, spoorwegen, industrie en luchtvaart. De bescherming vindt primair plaats door middel van zonering. De zonering betreft een afstand, uitgaande van een geluidsbron, waarbinnen het normenstelsel uit de Wgh van toepassing is. Deze normen mogen niet verward worden met de normen die gelden in geval van een milieuvergunning. Hiervoor gelden andere normen en procedures, welke niet vergelijkbaar zijn met het normenstelsel uit de Wgh. Op grond van de Wgh gelden grenswaarden op basis waarvan de bouw van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen de geluidszone wordt beperkt of wordt verboden. Wegverkeerslawaai, spoorweglawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai kennen ieder afzonderlijke normen. 4.3.1 Wegverkeerslawaai In de Wgh is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. De kern Beugen is aangemerkt als 30 km-gebied. Dit betekent dat de Wet geluidhinder niet van toepassing is.
Wel dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening te worden aangetoond dat er sprake is van een aanvaarbaar akoestisch klimaat. Door de omgevingsdienst Brabant- Noord (rapport Z/140088, 18 mei 2021) is akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting op de gevels van de nieuw te bouwen woningen ten gevolge van het verkeer dat van en naar de woningen zal rijden. De rapportage is bijgevoegd in Bijlage 3 Akoestisch onderzoek. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting vanwege het verkeer op de gevels van de woningen maximaal 48 dB Lden bedraagt. De berekende waarde is lager dan de voorkeursgrenswaarde als bedoeld in de Wet geluidhinder. Volgens de GES score is dan sprake van een goed tot redelijk woon- en leefklimaat. Het onderdeel wegverkeerlawaai vormt derhalve geen belemmering voor het planvoornemen. 4.3.2 Industrielawaaien spoorweglawaai Het plangebied is niet gelegen binnen een zone voor industrielawaai en/of spoorweglawaai. De aspecten industrielawaai en spoorweglawaai vormen daarom geen belemmering voor het planvoornemen.
30
bestemmingsplan Lange Heggen West te Beugen
4.4
Ecologie
Bij elk ruimtelijk plan moet, met het oog op beschermenswaardige natuurwaarden, rekening worden gehouden met de regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming en soortenbescherming. Dit wordt geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb) die op 1 januari 2017 in werking is getreden. Het natuurbeschermingsrecht is verder te vinden in verdragen, Europese en nationale regelgeving en in nationaal en provinciaal beleid. Vanuit de Europese regelgeving wordt met name nadruk gelegd op de bescherming van plant- en diersoorten (Vogelrichtlijn) en leefgebieden (Habitatrichtlijn). Ten behoeve hiervan zijn dan ook diverse beschermingsgebieden aangewezen. De belangrijkste beschermingszones zijn Natura 2000-gebieden. Om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep, is door Econsultancy een quickscan flora en fauna (rapport 9472.001, d.d. 16 april 2019) uitgevoerd. Tevens is in de quickscan beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op beschermde gebieden. Het rapport is bijgevoegd als Bijlage 4 Quickscan flora en fauna. Tevens zijn conclusies van het rapport in onderstaande paragrafen opgenomen. 4.4.1 Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen Natura 2000-gebied.
Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft 'Maasduinen'. Dit gebied is gelegen op een afstand van 3,8 km tot het plangebied. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Brabant (NNB) ligt op 800 m afstand van het plangebied. Het betreft nog om te vormen landbouwgrond naar natuur. Gezien de terreinomstandigheden, de afstand tot beschermde gebieden, de inrichting van het tussenliggende gebied en de aard van de ontwikkeling, zijn met betrekking tot het voorgenomen planvoornemen geen negatieve effecten op Natura 2000-gebieden en het NNB te verwachten. Negatieve effecten ten aanzien van stikstof zijn op voorhand niet uit te sluiten. Om deze reden is door Econsultancy (rapport 11598.001, 2 juni 2021) een onderzoek naar stikstofdepositie uitgevoerd. Het onderzoek is bijgevoegd in Bijlage 5 rapport stikstofdepositie, Bijlage 6 aeriusberekening aanlegfase en Bijlage 7 Aeriusberekening gebruiksfase. Uit het onderzoek blijkt dat het planvoornemen zowel in de aanlegfase als de gebruiksfase niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten ten gevolge van stikstof op de instandhoudingsdoelen van Natura2000-gebieden kunnen op basis van het voorgaande worden uitgesloten, waardoor een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming niet vereist is. Vervolgonderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
Conclusie Een nadere analyse in het kader van de gebiedsbescherming van de Wnb of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid is niet noodzakelijk. Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van natuurlijke habitats en soorten. Voor het planvoornemen is daarom geen vergunning op grond van de Wnb nodig. Het plan is daarnaast op het punt van provinciaal natuurbeleid niet in strijd met de provinciale Omgevingsverordening. 4.4.2 Soortenbescherming De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in onderstaande tabel 5. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.
bestemmingsplan Lange Heggen West te Beugen
31
Tabel 5:samenvatting soortenbescherming
Conclusie Overtredingen ten aanzien van algemene broedvogels kunnen worden voorkomen door eventuele nesten in het veld te verwijderen buiten het broedseizoen. Daarnaast dient bij werkzaamheden te allen tijde de zorgplicht in acht te worden genomen ten aanzien van onder andere algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Indien bovengenoemde maatregelen in acht worden genomen, wordt geen overtreding van de Wet natuurbescherming verwacht. Het plan heeft derhalve geen negatieve gevolgen voor de plant- en diersoorten.
4.5
Bedrijven en milieuzonering
Milieuzonering zorgt ervoor dat milieubelastende functies en gevoelige functies op een verantwoorde afstand van elkaar gesitueerd worden. Dit dient twee doelen: 1. 2.
32
het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; het tegelijk daarmee aan de bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
bestemmingsplan Lange Heggen West te Beugen
Bij de planontwikkeling dient derhalve rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven, om de kwaliteit van het leefmilieu te garanderen en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde handreiking Bedrijven en milieuzonering. Hierin wordt per bedrijf aangegeven wat de milieu-invloed op de omgeving is en welke indicatieve richtafstand hierbij minimaal in acht moet worden genomen. Van deze indicatieve richtafstand kan worden afgeweken indien op basis van een onderzoek de daadwerkelijke afstand kan worden bepaald.
Indicatieve afstand op basis van Handreiking Bedrijven en milieuzonering De richtafstanden opgenomen in de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit, zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij milieu-inrichtingen of drukke wegen, al een hogere milieubelasting kent. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast gevoelige functies komen belastende functies voor, die om die reden een milieuzone kennen; zoals winkels, horeca en bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd, indien sprake is van het omgevingstype gemengd gebied. De VNG-publicatie merkt bij stap 1 op dat overwogen kan worden om de richtafstanden met één afstandstap te verlagen (50 meter wordt dan 30 meter) in het geval dat de omgeving van de woning als een “gemengd gebied” kan worden beschouwd.
Gezien de ligging van het plangebied wordt het plangebied aangemerkt als "gemengd gebied".
Toetsing effecten op omliggende functies Een woning wordt beschouwd als hindergevoelige functie en om deze reden zijn hinderveroorzakende functies in de omgeving van het plangebied nader beschouwd. Ten noorden en oosten van het plangebied zijn hoofdzakelijk woningen gelegen. Woningen betreffen geen hinderveroorzakende functie en kennen daarom geen milieuzonering.
Sportpark De Slatert Ten westen van het plangebied is sportpark De Slatert gelegen. De sportvelden met verlichting grenzen vrijwel direct aan het plangebied. Uit de VNG- publicatie bedrijven en milieuzonering blijkt dat de grootste richtafstand ten gevolge van een veldsportcomplex met verlichting (SBI2008 931, categorie 3.1) 50 m bedraagt tot een rustige woonwijk en 30 m tot gemengd gebied. De richtafstand wordt bepaald vanuit het aspect geluid. Voor lichthinder kan ook een afstand van 50 m aangehouden worden. De afstand van de meest nabijgelegen gevels van de geprojecteerde woningen tot het sportpark bedraagt circa 15 m. Dit betekent dat de nieuw te bouwen woningen vallen binnen de zone, ook als deze met 1 afstandstap wordt verkleind naar 30 m. Derhalve is nader akoestisch onderzoek uitgevoerd om vast te stellen of een goed woon- en leefmilieu ter plaatse van de nieuw te realiseren woningen kan worden gegarandeerd (rapport Z/140088, 18 mei 2021). De conclusies uit de rapportage zijn onderstaand overgenomen. Het akoestisch onderzoek is opgenomen in Bijlage 3 Akoestisch onderzoek.
bestemmingsplan Lange Heggen West te Beugen
33
Resultaten akoestisch onderzoek Ten behoeve van de planontwikkeling is akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het doel van het onderzoek is tweeledig. Enerzijds om na te gaan of de bouw van de woningen resulteert in een beperking van de recreatiemogelijkheden binnen het sportpark De Slatert. Anderzijds is onderzocht of bij de nieuwe woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gerealiseerd kan worden. Uit de berekeningen blijkt dat tijdens een trainingsavond sprake is van geluidniveaus die vooral worden bepaald door de trainingsactiviteiten op het zuidelijk trainingsveld. De rekenresultaten tonen aan dat binnen het bouwplan in het algemeen sprake is van een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 40 dB(A) tijdens de avondperiode. De richtwaarde voor een rustige woonwijk wordt hiermee gerespecteerd. Bij een beperkt aantal woningen in het noordwestelijk deel van het plangebied is sprake van een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau tot 42 dB(A) op de westelijk georiënteerde gevels. Verder blijkt uit de berekeningen dat het maximale geluidniveau op de gevels van de nieuw te bouwen woningen maximaal 65 dB(A) in de avondperiode bedraagt. De grenswaarden volgens stap 3 uit de VNG-publicatie worden gerespecteerd. Uit de berekeningen blijkt verder dat tijdens een wedstrijddag sprake is van een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van maximaal 47 dB(A) bij een waarneemhoogte van 1,5 meter.
Tijdens wedstijddagen wordt de richtwaarde van 45 dB(A) bij een beperkt aantal woningen overschreden. De grenswaarde volgens stap 3 uit de VNG-publicatie wordt wel gerespecteerd. De berekeningen laten daarnaast zien dat het maximale geluidniveau op de gevels van woningen ten hoogste 70 dB(A) bedraagt. Dit betekent dat de grenswaarden volgens stap 3 uit de VNG-publicatie worden gerespecteerd.
Lichthinder Als toetsingskader voor lichthinder is de Richtlijn Lichthinder (2014), opgesteld door de NSVV gehanteerd. Deze richtlijn beschrijft grenswaarden voor onder meer sportverlichting ter plaatse van woningen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen een viertal omgevingszones. In onderstaande tabel zijn de relevante grenswaarden voor de verschillende omgevingszones opgenomen.
Hierbij geldt dat de verticale verlichtingssterkte een maat is voor de hoeveelheid licht dat in het verticale vlak valt (lees: een raam van een woning), uitgedrukt in lux. De lichtsterkte is een maat voor de hoeveelheid licht die in een bepaalde richting door een armatuur wordt uitgestraald, oftewel de intensiteit van het licht die wordt waargenomen, uitgedrukt in candela. Er geldt voor beide parameters dat getoetst wordt aan de normstelling bij lichtgevoelige bestemmingen zoals woningen. Naast bovenstaande regels geldt dat de sportverenigingen vallen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer. In het Activiteitenbesluit zijn geen normen met betrekking tot lichthinder opgenomen. Wel wordt verwezen naar de bovenstaande richtlijnen van de NSVV. Verder zijn in artikel 3.148 van het Activiteitenbesluit de tijden opgenomen waarop sportverlichting uitgeschakeld dient te zijn (tussen 23.00 en 07.00 uur). De verlichting dient daarnaast direct na beëindiging van de sport- en/of
34
bestemmingsplan Lange Heggen West te Beugen
onderhoudsactiviteiten uit te worden geschakeld. Door deze regels uit het Activiteitenbesluit zal geen lichthinder ten gevolge van veldverlichting in de nachtperiode optreden, aangezien de verlichting dan uitgeschakeld dient te zijn.
Conclusie Bij de meeste woningen wordt voldaan aan de richtwaarden zoals genoemd in stap 2 van de VNG-publicatie "Bedrijven en milieuzonering". Bij een beperkt aantal woningen in het noordwestelijk deel van het plan wordt de richtwaarde met maximaal 2 dB overschreden. Bij deze woningen wordt wel voldaan aan de grenswaarden zoals genoemd in stap 3 uit de VNG Publicatie. Op basis van de onderzoeksresultaten kan worden geconcludeerd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de voorgenomen ontwikkeling. Daarnaast toont het onderzoek aan dat het planvoornemen niet leidt tot een inperking van de activiteiten van sportpark de Slatert. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ter hoogte van de nieuw te bouwen woningen is lager dan 50 dB(A) etmaalwaarde en het maximale geluidniveau is lager dan 70 dB(A) etmaalwaarde. Het aspect vormt derhalve geen belemmering voor het planvoornemen. Omdat de verlichting op basis van het Activiteitenbesluit tussen 23.00 en 7.00 uur uitgeschakeld moet zijn en de lichtbron in de richting van het sportveld gericht is, wordt er vanuit gegaan dat het aspect lichthinder geen belemmering vormt voor het planvoornemen.
Bedrijvenpark Sterkwijck Ten zuiden van het plangebied is het bedrijven-, zorg- en Leerpark Sterckwijck Boxmeer gelegen. Aan de Lange Heggen is ter hoogte van het plangebied rekening gehouden met de ontwikkeling van woon-werk locaties. Op basis van het bestemmingsplan bedrijven-, zorg- en Leerpark Sterckwijck Boxmeer (vastgesteld 22 oktober 2009, onherroepelijk) zijn ter plaatse bedrijven tot en met categorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten toegestaan. Voor bedrijven tot en met categorie 2 geldt op basis van de de VNG- publicatie bedrijven en milieuzonering een richtafstand van 30 m. Omdat ter plaatse sprake is van 'gemengd gebied' mag de richtafstand met een afstandsstap verkleind worden. Er kan derhalve uitgegaan worden van een richtafstand van 10 m. De geprojecteerde woningen liggen op een afstand van circa 20 m van het bouwvlak van de bedrijfsbestemmingen. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat aan stap 2 van de VNG-publicatie voldaan wordt. Langs de Romeinenstraat zijn op basis van het bestemming bedrijven-, zorg- en Leerpark Sterckwijck bedrijven tot en met categorie 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten toegestaan. Op basis van de VNG- publicatie bedrijven en milieuzonering geldt een richtafstand van 50 m. Het plangebied ligt op minimaal 50 m afstand van dit bestemmingsvlak.
Langs de Laan de Wijze en Vuursteenstraat zijn op basis van het vigerende bestemmingsplan bedrijven tot en met categorie 3.2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten toegestaan. Op basis van de VNG- publicatie geldt voor deze categorie een richtafstand van 100 m. Omdat sprake is van een gemengd gebied, kan de richtafstand met 1 afstandstap worden verkleind. Op basis daarvan dient rekening te worden gehouden met een richtafstand van 50 m. De afstand van het bestemmingsvlak met deze milieucategorie tot de geprojecteerde woningen in het plangebied bedraagt circa 85 m. Er kan derhalve voldaan worden aan stap 2 van de VNG-publicatie. Aan de Vuursteenstraat 9 is het bedrijf BK Transport gevestigd. Dit bedrijf ligt op ruim 100 m afstand van de planlocatie. Er wordt voor dit bedrijf derhalve aan de richtafstand van 100 m voldaan. Het bedrijf valt voor de milieuregels onder het Activiteitenbesluit waarin is geregeld aan welke geluidsregels BK Transport moet voldoen ten opzichte van het dichtst bijgelegen geluidsgevoelig object (burgerwoning). Omdat aan de richtafstanden voldaan wordt en er momenteel al op een kortere afstand meerdere woningen ten opzichte van het bedrijf zijn gelegen, zal BK transport door de voorgenomen ontwikkeling niet belemmerd worden in zijn
bestemmingsplan Lange Heggen West te Beugen
35
bedrijfsactiviteiten.
Gevolg planvoornemen Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.6
Milieuhinder agrarische bedrijven
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is volgt: voor diercategorieen waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld in de Regeling geurhinder en veehouderij geldt een maximale geurbelasting op een geurgevoelig object; voor andere diercategorieeen geldt een minimaal afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten. In de nabijheid van het plan zijn geen veehouderijen gelegen. Het aspect milieuhinder agrarische bedrijven vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.7
Luchtkwaliteit
Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden, waarmee de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn beschreven in de Wet milieubeheer (Wm, hoofdstuk 5). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. NIBM Hoofdstuk 5 van de Wet Milieubeheer maakt onderscheid tussen projecten die 'Niet in betekenende mate' (NIBM) en 'In betekenende mate' (IBM) bijdragen aan de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen. In de regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen die NIBM zijn. Deze NIBM-projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden.
Als een project ervoor zorgt dat de concentratie fijn stof of CO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd, draagt het project in betekenende mate bij aan luchtvervuiling en dient er een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden. Deze regel komt voort uit het NSL. Deze 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen, bijvoorbeeld: woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen; kantoorlocaties: 100.000 m² bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m² bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen.
36
bestemmingsplan Lange Heggen West te Beugen
Dit planvoornemen voorziet in het planologisch-juridisch mogelijk maken van de bouw van 27 woningen. Het mogelijk maken van 27 woningen valt binnen het niet in betekenende mate criterium van de Wet milieubeheer. Verder geldt dat het planvoornemen netto gezien leidt tot een toename van 223 verkeersbewegingen per etmaal (zie ook paragraaf 2.4.1). Hiermee wordt ruimschoots onder het NIBM-criterium gebleven.
Uitsnede NIBM-tool
Fijn stof Voor wat betreft de beoordeling van het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit dient er gelet te worden op de fijnstofconcentraties ter plaatse. Hiervoor is de NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) geraadpleegd. Direct nabij het plangebied zijn geen rekenpunten gelegen. Daarom is worstcase uitgegaan van het rekenpunt op de rotonde Lange Heggen/ provinciale weg. Om een beeld te krijgen van de luchtkwaliteit ter plaatse, zijn daarom de fijnstofconcentraties van deze rekenpunten beoordeeld. Uit de NSL-monitoringskaart blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarden voor NO2, PM10 (beide 40 ìg/m3) en PM2,5 (20 ìg/m3) ter plaatse van de rekenpunten niet worden overschreden. Ook het maximaal aantal toegestane overschrijdingsdagen van 35 dagen wordt niet overschreden (deze bedraagt 6,5). De concentratie fijnstof heeft geen negatieve gevolgen voor het woon- en leefklimaat ter plekke van de locatie. Het aspect fijnstof vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Verder geldt dat het plangebied niet is gelegen in de nabijheid van zware industrie of een concentratiegebied van intensieve veehouderijen. Derhalve wordt redelijkerwijs aangenomen dat ten aanzien van luchtkwaliteit sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor de te realiseren woningen op deze locatie.
Gevolg planvoornemen Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het planvoornemen.
4.8
Externe veiligheid
bestemmingsplan Lange Heggen West te Beugen
37
Inleiding Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt.
Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.
Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= '1'). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.
Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Tot slot wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening ' (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit en effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations'.
38
bestemmingsplan Lange Heggen West te Beugen
Beleidsvisie externe veiligheid gemeenten Land van Cuijk De gemeente Boxmeer heeft samen met de gemeenten in het Land van Cuijk een regionale beleidsvisie externe veiligheid opgesteld. De beleidsvisie richt zich op het beheersen van externe veiligheidsrisico's in de gemeenten Boxmeer, Cuijk, Grave, Mill en Sint Hubert en Sint Anthonis. De gemeenten hebben gekozen voor een gezamenlijke aanpak bij het opstellen van deze beleidsvisie omdat externe veiligheid veelal grensoverschrijdend is. Wanneer geen goede ruimtelijke scheiding van risico's en risico-ontvangers wordt bereikt kunnen nieuwe knelpunten ontstaan. De gemeenten zetten daarom in op het maken van keuzes ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit en streven naar een logische en verantwoorde scheiding tussen de risicovolle activiteiten en kwetsbare groepen. Bij de verantwoording van het groepsrisico wordt een brede afweging van belangen van diverse beleidsvelden verwacht. Het integrale karakter van deze groepsrisicoverantwoording maakt dat nadrukkelijk afstemming moet plaatsvinden tussen de beleidsvelden ruimtelijke ordening, milieubeheer en de rampenbestrijding. In de visie van de gemeenten in het Land van Cuijk moeten groepsrisicovraagstukken daarom integraal, dat wil zeggen in onderlinge afstemming tussen alle betrokken beleidsvelden, worden beoordeeld.
Pas wanneer de verantwoording met de volwaardige inbreng van alle beleidsvelden heeft plaatsgevonden, kan sprake zijn van integrale besluitvorming. Voorwaarde om dit te bereiken is dat alle aspecten vroeg in het planvormingsproces worden meegenomen.
Beoordeling Om de risico's in de omgeving van het plangebied te inventariseren is de nationale Risicokaart geraadpleegd. In onderstaande figuur 6 is door middel van een uitsnede van de Risicokaart weergegeven welke risicobronnen in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn.
Figuur 6: uitsnede risicokaart met plangebied aangegeven (groen omcirkeld)
bestemmingsplan Lange Heggen West te Beugen
39
Uit de inventarisatie blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende risicobronnen aanwezig zijn: Basisnet traject Maascorridor Transportweg A77 Knooppunt Rijkevoort- afrit 2 (Gennep) Hogedrukaardgasleiding Z-518-03 Er zijn geen andere relevante risicobronnen aanwezig in de omgeving van het plangebied.
Maascorridor De Maascorridor is een onderdeel van het Basisnet en ligt op circa 1950 meter afstand van het plangebied. Over deze binnenvaartroute worden gevaarlijke stoffen vervoerd uit de categorieen LF1, LF2, LT1, GF3 en GT3. De Maascorridor heeft een PR 10-6 contour van 0 meter. Derhalve vormt het plaatsgebonden risico geen belemmering voor het plan. De Maascorridor heeft daarnaast een invloedsgebied van 1070 meter door het vervoer van gevaarlijke stoffen uit de categorie GT32. Het invloedsgebied reikt niet over het plangebied en vormt derhalve geen belemmering voor het plan.
A77 In de nabijheid van het plangebied liggen enkele routes waar transporten van gevaarlijke stoffen over plaatsvinden. Op circa 880 meter afstand ligt de A77 Knooppunt Rijkevoort- afrit 2 (Gennep), wegvak B97. Over dit wegvak vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats uit de categorieën LF1, LF2, GF3, GF2, LT1 en LT23. LT2 is de stofcategorie met het grootste invloedsgebied, namelijk 880 meter4. Derhalve reikt het invloedsgebied van de A77 wegvak B97 niet over het plangebied.
Hogedrukaardgasleiding Z-518-03 Op circa 1 km van het plangebied af ligt hogedrukaardgasleiding Z-518-03. Deze buisleiding heeft een uitwendige diameter van 7 inch en een maximale druk van 40 bar. De 1% letaliteitsgrens is 75 meter en de 100% letaliteitsgrens is 40 meter. Derhalve reikt het invloedsgebied van de hogedrukaardgasleiding niet over het plangebied.
Gevolg planvoornemen De beoogde ontwikkeling voldoet aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico en aan de kaders die zijn vastgelegd in de beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente Boxmeer. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een risicobron. Derhalve vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor het planvoornemen.
4.9
Archeologie en cultuurhistorie
4.9.1 Archeologie Wettelijk kader Als wettelijk toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid
40
bestemmingsplan Lange Heggen West te Beugen
moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. Deze wet is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta uit 1992. De Wamz is in zijn geheel opgenomen in de Monumentenwet 1988 (Mw art. 38 t/m 60). In de Wamz is vastgelegd dat Rijk, provincies en gemeenten in ruimtelijke plannen rekening houden met het aspect 'archeologie'. De wet beoogt het archeologische erfgoed in hoofdzaak in situ te beschermen. De op 1 juli 2016 in werking getreden Erfgoedwet heeft de Monumentenwet 1988 deels vervangen als het gaat om archeologie. In de Erfgoedwet is vastgelegd wat onder cultureel erfgoed (waar archeologie onder valt) wordt verstaan. Onderdelen van de Monumentenwet 1988 die de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving betreffen, gaan naar de Omgevingswet. Voor een aantal onderdelen (onder andere bestemmingsplannen) is voor de periode tot inwerkingtreding van de Omgevingswet een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen.
figuur 7: uitsnede archeologische beleidskaart Het plangebied is op basis van de archeologische beleidskaart van gemeente Boxmeer gelegen in een zone met de waarde 'Archeologisch onderzoeksgebied A'. Voor deze zone geldt een onderzoeksplicht bij plangebieden groter dan 2.500 m² en bodemingrepen dieper dan 50 cm-mv ten behoeve van de ontheffing alvorens gebouwd of gewerkt kan worden. Omdat het plangebied een grotere oppervlakte heeft, is daarom sprake van een onderzoeksplicht en in dit kader is een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek archeologie uitgevoerd.
Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek The Missing Link heeft binnen het plangebied een bureauonderzoek uitgevoerd (rapport 412, 25 november 2019). De bevindingen en het advies uit het onderzoek zijn onderstaand weergegeven. Het onderzoek is tevens
bestemmingsplan Lange Heggen West te Beugen
41
als Bijlage 8 Archeologisch bureauonderzoek bij de toelichting toegevoegd. Op basis van het uitgevoerde bureauonderzoek wordt het volgende geconcludeerd. Uit de gegevens van de landelijke archeologische database Archis blijkt dat in de directe nabijheid van het plangebied diverse meldingen zijn van vindplaatsen. Tevens zijn direct ten zuiden van het plangebeid in de afgelopen jaren verschillende archeologische onderzoeken uitgevoerd. Uit de resultaten van deze onderzoeken is gebleken dat de omgeving van Beugen rijk is aan vindplaatsen van uiteenlopende aard en uit verschillende perioden. Op de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden heeft het plangebied dan ook de status van een terrein met een hoge archeologische waarde. Uit de landschappelijke ligging blijkt daarnaast dat het plangebied vanaf het Laat-Paleolithicum gunstig is geweest voor jagers-verzamelaars en vanaf het Neolithicum voor landbouwers. In het hele plangebied kunnen archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden. De kans op het voorkomen van archeologische resten is hoog. Op basis van de conclusie is geadviseerd om in het plangebied een inventariserend veldonderzoek uit te voeren in de vorm van een booronderzoek (IVO-O). Verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel.
Op deze manier kan de in dit bureauonderzoek gespecificeerde verwachting worden getoetst om te bepalen of er in het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn. Naar aanleiding van dit advies is door ArcheoPro het inventariserend veldonderzoek (IVO-O) uitgevoerd (rapport 19134, 15 januari 2020). Het onderzoek is als Bijlage 9 inventariserend veldonderzoek (IVO-O) bij de toelichting toegevoegd. Op basis van de resultaten van het verkennende booronderzoek moet worden geconcludeerd dat binnen het plangebied vanaf een diepte van ongeveer veertig centimeter beneden het maaiveld archeologische sporen aanwezig kunnen zijn zoals ook op korte afstand ten zuiden en zuidoosten van het plangebied zijn aangetroffen. Om na te gaan of dergelijke sporen binnen het plangebied aanwezig zijn, wordt aanbevolen om in de zones waarin bodemingrepen gepland zijn die dieper zullen reiken dan veertig centimeter, een proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Dit proefsleuvenonderzoek zal in de zomer van 2021 worden uitgevoerd. Om deze reden is de dubbelbestemming Waarde- Archeologie- 3 op de verbeelding opgenomen.
4.9.2 Cultuurhistorie Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is vastgelegd dat bij het maken van ruimtelijke plannen, zoals een bestemmingsplan, beheersverordening of ruimtelijke onderbouwing rekening moet worden gehouden met cultuurhistorische waarden. Daarnaast moet op grond van het Bro in de toelichting op het bestemmingsplan worden beschreven hoe deze cultuurhistorische waarden zijn meegewogen. Het is daarom van belang dat voorafgaand aan het opstellen van een ruimtelijk plan de aanwezige cultuurhistorische waarden bekend zijn. Voorafgaand aan de planontwikkeling moet een inventarisatie worden uitgevoerd naar de cultuurhistorische waarden die binnen het plangebied aanwezig zijn en naar de waarden in de directe omgeving daarvan. Daarnaast moet worden afgewogen hoe deze waarden in het plan meegenomen worden.
Cultuurhistorische waardering Binnen het plangebied bevindt zich geen bebouwing. Er is uitsluitend sprake van agrarisch gebruik van de gronden. Er is derhalve geen sprake van cultuurhistorische waarden in het plangebied. Ook bevinden zich in de nabije omgeving van het plangebied geen cultuurhistorische waarden. Het aspect cultuurhistorie vormt derhalve geen belemmering voor het plan.
42
bestemmingsplan Lange Heggen West te Beugen
4.10
Water
Water vormt een steeds belangrijker aspect bij ontwikkelingen. Belangrijke thema’s zijn: het vasthouden in plaats van direct afvoeren van hemelwater, het hergebruik van water, het zuinig omgaan met drinkwater en het beperken van de onttrekking van grondwater. Het is dan ook verplicht om bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de toelichting aan te geven op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Deze verantwoording wordt ook wel de waterparagraaf genoemd. Deze paragraaf kan als waterparagraaf worden beschouwd. 4.10.1 Beleid Rijksbeleid - Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie De relevante beleidsontwikkelingen op het gebied van water worden bij het Rijk opgenomen in het Deltaprogramma. Hierin is voor verschillende thema's beschreven wat het beleid is en hoe het Rijk dat in overleg met overige partners wil gaan bereiken. Het Deltaprogramma bestaat uit verschillende onderwerpen op het gebied van water. Voor ruimtelijke ontwikkelingen is het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie het meest relevant, omdat hierin de consequenties van de klimaatontwikkelingen voor Nederland zijn opgenomen, evenals de maatregelen die we moeten nemen om 'klimaatadaptief' te worden. Een deel van deze maatregelen zal ruimtelijke impact hebben.
Met 'klimaatadaptief' wordt bedoeld: het klimaatrobuust en klimaatbestendig inrichten van Nederland, gegeven de klimaatontwikkelingen die op ons afkomen. Op basis van de internationale en nationale klimaatmodellen is de verwachting dat het weer in Nederland extremer gaat worden. Dat betekent: meer hevige regenbuien (veel neerslag in korte tijd) en langere periodes met droogte en hitte. Dit heeft consequenties voor de leefbaarheid in steden en dorpen en voor bijna alle (economische) sectoren in Nederland. Met het nemen van klimaatrobuuste maatregelen wordt ingespeeld op deze veranderingen waarmee we steden en dorpen leefbaar houden en (economische) schade door wateroverlast, droogte en hitte beperken.
Provinciaal beleid - Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 (PMWP 2016-2021) Het PMWP bevat het strategische milieu- en waterbeleid van de provincie Noord-Brabant voor de periode 2016-2021. Daarnaast is voor het waterdomein ook toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water, met name voor waterschappen. De beleidsdoelen zijn ondergebracht in drie integrale thema's: gezonde fysieke leefomgeving, veilige fysieke leefomgeving en groene groei. De verschillende wateronderwerpen zijn ondergebracht bij deze drie integrale thema's. Deze onderwerpen zijn: Voldoende en schoon water voor mens, dier en plant Aanvaardbare risico's vanuit hoogwater Duurzame zoetwatervoorziening Belangrijke thema's hierbij zijn de verbetering van de waterkwaliteit, de verdrogingsbestrijding en een meer natuurlijke inrichting van de watersystemen (waaronder beekherstel en de aanleg van ecologische verbindingszones). Ook vanuit het provinciale beleid is steeds meer aandacht voor een klimaatbestendige stedelijke en landelijke ontwikkeling. Het PMWP fungeert voor een aantal ruimtelijk relevante wateronderwerpen tevens als structuurvisie.
bestemmingsplan Lange Heggen West te Beugen
43
Provinciaal beleid - Waterbeheerplan waterschap Aa en Maas 2016-2021 Het waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas is in afstemming met het PMWP 2016-2021 tot stand gekomen. In het Waterbeheerplan van het waterschap wordt het PMWP verder uitgewerkt en geconcretiseerd. Het waterbeheerplan is opgedeeld in een aantal waterthema's, waarvoor doelen en ambities zijn opgesteld. Deze thema's zijn: Zorgen voor een veilig en bewoonbaar beheergebied. Dit wordt bereikt door toepassing van drie pijlers: preventie, duurzame ruimtelijke planning en een accurate rampenbeheersing. In onze regio valt de aanleg en inrichting van regionale waterbergingsgebieden en het voldoen aan de stedelijke wateropgave onder dit thema. Zorgen voor voldoende water en een robuust watersysteem. De inrichting en het beheer van het watersysteem worden afgestemd op de aanwezige functies en de watervraag van deze functies. Zorgen voor gezond en natuurlijk water: hieronder vallen onder andere inrichtingsmaatregelen aan watersystemen en verbetering van de waterkwaliteit. Zorgen voor schoonwater: Hieronder vallen de bevoegdheden van het waterschap op grond van de Waterwet (eisen aan kwaliteit van lozingen op oppervlaktewater), evenals de zuiveringstaak van het waterschap. In aanvulling daarop is ook het waterschap bezig het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie te vertalen naar haar eigen beleid.
Het waterschap heeft tevens zijn regels vastgelegd in de Keur. Het geeft aan welke plichten er zijn voor activiteiten met betrekking tot het oppervlaktewater, grondwater, en kunstwerken. De Keurregels voor afvoeren van hemelwater bevatten richtlijnen voor het waterhuishoudkundig onderzoek en kunnen worden gebruikt voor het uitvoeren daarvan.Plannen met een verhardingstoename tot 500 m2 worden vrijgesteld van compensatie door waterberging.
Gemeentelijk beleid - VGRP Gemeente Boxmeer 2020-2024 Het VGRP is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het VGRP legt de gemeente vast wat zij wil bereiken en wat de rol van burgers en bedrijven is ten aanzien van afval-, hemel-, en grondwater. De gemeente Boxmeer heeft wettelijke zorgplichten ten aanzien van afval-, hemel- en grondwater. De gemeente heeft de ambitie om in het verlengde hiervan bij te dragen aan gemeenschappelijke doelen zoals een klimaatbestendige en duurzame omgeving en een doelbewuste samenwerking met inwoners/bedrijven en regionale waterpartners. Om invulling te geven aan deze ambities zijn voor de aankomende planperiode de volgende speerpunten geformuleerd: 1. 2. 3. 4.
Energieneutraal rioolbeheer; Klimaatbestendig Land van Cuijk 2030 (3e uitvoeringsprogramma); Samen aan de slag met inwoners en bedrijven; Harmonisatie riool- en watertaken gemeente Land van Cuijk.
Op basis van de speerpunten zijn o.a. de volgende ontwerpprincipes opgenomen in het VGRP: Nieuwe riolering wordt aangelegd volgens de geldende richtlijnen. Voor nieuwe ontwikkelingsgebieden binnen de bebouwde kom betekent dit een gescheiden rioolsysteem. Het riool- en watersysteem van de openbare ruimte van een nieuwbouwontwikkeling moet minimaal een bui van 60 mm in een uur kunnen verwerken. Hiervoor wordt 45 mm/m2 berging boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand gerealiseerd in rioolbuizen en groenstroken, en de overige 15 mm/m2 berging wordt binnen het straatprofiel gerealiseerd.
44
bestemmingsplan Lange Heggen West te Beugen
4.10.2 Toepassingwaterbeleid op het plangebied Ruimte maken voor water: dat is de kern van het waterbeleid voor de 21e eeuw. Met de ondertekening van de Startovereenkomst Waterbeheer op 14 februari 2001 door Rijk, provincie, gemeenten en waterschappen, werd de watertoets van toepassing verklaard op ruimtelijke plannen. Vanaf 1 november 2003 is deze juridisch verankerd in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). De watertoets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijke beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Het doel van de watertoets is het evenwichtig meewegen van de waterbelangen in het ruimtelijke planvormingsproces om te komen tot een veilig, gezond en duurzaam watersysteem. Zowel waterkwantiteits- als waterkwaliteitsaspecten zijn daarbij belangrijk. Het benutten van kansen en het combineren van functies wordt hierbij nagestreefd. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen hanteert het waterschap een aantal beleidsuitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient de initiatiefnemer invulling te geven aan onder andere deze beleidsuitgangspunten:
Gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater. Het vuile water wordt via de gemeentelijke riolering afgevoerd. Het schone water wordt verwerkt volgens de hierna genoemde afwegingsstappen. 1.
2. 3.
Doorlopen van de afwegingsstappen 'hergebruik, infiltratie, buffering en afvoer'. Hergebruik van hemelwater in een zogenaamd grijswatersysteem kan overwogen worden bij grootschalige projecten, zoals scholen en bedrijfsgebouwen. De mogelijkheden voor infiltratie hangen af van onder andere de kwaliteit van het te infiltreren water, de grondwaterstand, de opbouw van de bodem en eventuele bodemverontreiniging. Als het schone water niet geïnfiltreerd kan worden, dan kan het gebufferd worden in (te realiseren) oppervlaktewater. Als ook bufferen niet kan, is afvoer de laatste optie. Hiermee wordt bedoeld het transporten van schoon water via een open of gesloten waterloop naar het watersysteem buiten het plangebied.
Hydrologisch neutraal bouwen. De gemeente hanteert een eigen berekeningssystematiek om te bepalen of en zo ja, hoe groot de berging moet zijn. Water als kans. In nieuwe plannen voor grotere gebieden kunnen vijver, waterpartijen worden opgenomen. Meervoudig ruimtegebruik. Flauwe taluds geven bij voorbeeld ruimte voor buffering, maar zijn ook te gebruiken voor recreatieve doeleinden. Voorkomen van vervuiling. Om verontreiniging van bodem of oppervlaktewater te voorkomen, worden zo weinig mogelijk uitlogende of uitspoelbare materialen toegepast. Wateroverlastvrij bestemmen. Nieuwe locaties worden in eerste instantie 'hoog en droog' gezocht. Is dit niet mogelijk, dan zal gezocht moeten worden naar maatregelen die het gewenste beschermingsniveau tegen wateroverlast helpen realiseren. Belangen van het Waterschap.
bestemmingsplan Lange Heggen West te Beugen
45
1. 2. 3.
Ruimteclaims voor de aanleg van natte EVZ's en beekherstel: een EVZ moet gemiddeld 25 meter breed zijn. Aanwezigheid en ligging watersysteem: oppervlaktewateren worden bestemd als Water. Aanwezigheid en ligging waterkeringen: de kernzone krijgt de dubbelbestemming 'waterkering'.
Regenwater Het plangebied is geen wateroverlast gebied. Voor voorliggend plan gelden de volgende oppervlaktes op basis van het stedenbouwkudig plan: percelen (aanname 50% verhard): 3.693 m2 (7.385 m2 * 0,5); wegen en parkeren: 2.190 m2. De totaal verharde oppervlakte bedraagt 5.883 m2. De waterbergingsopgave bedraagt derhalve circa 264 m3 (5.883 m2 * 0,045). Tijdens de civieltechnische uitwerking van het stedenbouwkundige plan zal de waterbergingsopgave nader bepaald worden. Er worden in de openbare ruimte robuuste waterbergingen aangelegd van tenminste 45mm/m² verhard oppervlak. De groene ruimte in de twee hofjes wordt hiervoor gebruikt en tevens de watergang aan de westzijde van het plangebied. Daarnaast streven we naar voldoende hoogteverschil tussen het bouw- en wegpeil waarbij de woningen minimaal 150 mm boven aanliggend straatpeil gebouwd worden om zo wateroverlast vanuit openbaar gebied/vanaf de weg tegen te gaan. Afvalwater Het afvalwater kan worden afgevoerd naar de bestaande riolering in de Lange Heggen. 4.10.3
Conclusie
Conform het waterbeleid wordt alle toekomstige verharding binnen het plangebied gecompenseerd. Het hemelwater wordt binnen het plangebied opgevangen en verwerkt, waarbij rekening is gehouden met de bergingseis van 45 mm/m2 . Vervuiling wordt zoveel als mogelijk voorkomen en er zullen geen uitlogende bouwmaterialen worden gebruikt, waardoor geen negatieve gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater worden verwacht. Ten aanzien van het aspect 'Water' worden geen belemmeringen verwacht.
4.11
Conventionele explosieven
Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen (blindgangers), granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Ook in de gemeente Boxmeer hebben delen van het gemeentelijke grondgebied in de Tweede Wereldoorlog onder vuur gelegen. De omgeving van Beugen maakte onderdeel uit van de Maaslinie en de Market Garden Frontlinie. Daarnaast hebben in Beugen in het verleden al meerdere munitieruimingen plaatsgevonden. Op het aangrenzende bedrijvenpark Sterckwijck is eerder een OCE onderzoek uitgevoerd. Die locatie is vrijgegeven voor de infra- en bouwwerkzaamheden. Het onderhavige plangebied wordt derhalve niet als verdachte locatie gezien.
4.12
Kabels en leidingen
In of nabij het plangebied zijn geen kabels en leidingen gelegen die ten behoeve van het gebruik en/of de veiligheid planologische bescherming behoeven en daarmee een belemmering voor het planvoornemen betekenen.
46
bestemmingsplan Lange Heggen West te Beugen
Wel bevindt zich langs de Lange Heggen een (niet planologisch relevante) zware rioolleiding. Op deze rioolleiding en haar beschermingszone zal niet gebouwd worden. Dit is geborgd in de vorm van een groenstrook in het stedenbouwkundig plan. De nieuwe woningen zullen worden aangesloten op de nutsvoorzieningen (electra, water en telefonie/internet).
4.13
vormvrije m.e.r.- beoordeling
In de Wet milieubeheer (Wm) en het bijbehorende Besluit m.e.r. zijn activiteiten genoemd waarvoor een milieueffectrapportage (MER) dient te worden opgesteld. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in activiteiten waarvoor een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen (m.e.r.-plicht) en activiteiten waarvoor het bevoegd gezag dient te beoordelen of een m.e.r.-procedure al dan niet nodig is (m.e.r.-beoordelingsplicht). De beoogde ontwikkeling komt in de lijst C van de bijlage van het Besluit m.e.r. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit milieueffectrapport (Besluit m.e.r.) het volgende opgenomen: "de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen." De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Er is voor de activiteit derhalve geen sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Er dient wel een vormvrije m.e.r.- beoordeling te worden uitgevoerd.
De wettelijke regeling voor de m.e.r.-beoordeling gaat uit van het principe 'nee, tenzij': een m.e.r.-procedure is alleen nodig als er sprake is van 'belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu'. Op grond van de Wm houdt het bevoegd gezag bij haar besluit rekening met de omstandigheden zoals aangegeven in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling, te weten: Kenmerken van het project; Locatie van het project; Kenmerken van de potentiële effecten (in samenhang met de eerste twee criteria). De kenmerken en locatie van het project zijn weergegeven in Hoofdstuk 2 Planbeschrijving. Gelet op de kenmerken van het plan, zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiele effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de vorige paragrafen zijn opgenomen. Voor dit bestemmingsplan is dan ook geen mer- procedure
bestemmingsplan Lange Heggen West te Beugen
47
of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het besluit m.e.r.
48
bestemmingsplan Lange Heggen West te Beugen
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische opzet
Inleiding
In een bestemmingsplan zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor een bepaald gebied opgenomen. Het onderhavige bestemmingsplan regelt de inrichting van het gebied op hoofdlijnen door voor de gronden bestemmingen aan te wijzen. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding (kaart) in samenhang met de regels. In deze paragraaf wordt het juridische deel van het bestemmingsplan nader toegelicht.
5.2
Uitgangspunten
5.2.1 Wettelijk kader Het wettelijk kader wordt sinds 1 juli 2008 gevormd door de Wet ruimtelijke ordening (Wro). De wettelijke regeling voor bestemmingsplannen is vervolgens verder ingevuld door het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012. Het bestemmingsplan dient te voldoen aan de als bijlage bij de voornoemde Regeling opgenomen Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Dit betekent dat bestemmingsplannen kwalitatief gelijkwaardig zijn en uniform in aanpak, uitvoering, uitwisseling van gegevens en raadpleging daarvan. 5.2.2
Planonderdelen
Onderhavig bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, de regels en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden opgenomen en toegepast. Op de verbeelding krijgen alle gronden binnen het plangebied een bestemming. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. De juridische betekenis van deze bestemmingen en aanduidingen zijn terug te vinden in de regels. Een gedeelte van de informatie op de analoge verbeelding heeft geen juridische betekenis, maar is slechts opgenomen om de leesbaarheid van en oriëntatie op de verbeelding te vergroten, zoals een kadastrale/GBKN ondergrond. Alle letters, aanduidingen en lijnen worden verklaard in de legenda op de verbeelding. Bij eventuele verschillen tussen de digitale en analoge verbeelding is de digitale verbeelding juridisch bindend. De regels bepalen de gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied en geven tevens de gebruiks- en bouwmogelijkheden met betrekking tot bouwwerken aan. De regels van het bestemmingsplan zijn opgebouwd conform de door het SVBP2012 voorgeschreven systematiek en gebaseerd op de regels uit het vigerende bestemmingsplan. De regels omvatten inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en ten slotte de overgangs- en slotregels.
5.3
Toelichting op de planregels
5.3.1 Inleidende regels In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om onduidelijkheid door interpretatieverschillen te voorkomen. Er zijn alleen begripsbepalingen opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Een gedeelte van de begrippen is omschreven in het SVBP en dient letterlijk daaruit te worden overgenomen. Deze begrippen en de voorgeschreven omschrijvingen zijn overgenomen. Ook over de bepaling van afstanden, hoogtes en oppervlaktes kunnen interpretatieverschillen ontstaan. Om
bestemmingsplan Lange Heggen West te Beugen
49
op een eenduidige manier afstanden, hoogtes en oppervlakten te bepalen, wordt in de 'wijze van meten' uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Ook voor de wijze van meten worden in de SVBP2012 regels gegeven, welke in het plan letterlijk zijn overgenomen. 5.3.2 Bestemmingsregels Per bestemming, die op de verbeelding wordt gebruikt, worden gebruiks- en bouwregels opgenomen. De opbouw van de bestemmingen ziet er in beginsel als volgt uit: Bestemmingsomschrijving; Bouwregels; Nadere eisen; Afwijken van de bouwregels; Specifieke gebruiksregels; Afwijken van de gebruiksregels; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden; Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; Wijzigingsbevoegdheid; Niet alle onderdelen komen bij elke bestemming voor. Van de meest gebruikte onderdelen volgt hieronder een korte toelichting.
Bestemmingsomschrijving In de bestemmingsomschrijving wordt een omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functie(s). De hoofdfunctie(s) worden als eerste genoemd. Indien van toepassing worden ook de aan de hoofdfunctie ondergeschikte functies genoemd. De ondergeschiktheid kan worden aangegeven door de woorden 'met daaraan ondergeschikt'. De ondergeschikte functies staan ten dienste van de hoofdfunctie binnen de betreffende bestemming.