CConstaterende datBorsele
Koppel je AI →
Document · PDF

9.1 Kamerbrief EZK met uitwerking afspraken in coalitieakkoord over kernenergie 9 december 2022 incl bijlage I tm IV

Besluitvormende raadsvergadering 2 februari 2023, gemeente BorseleBij agendapunt: Voorstel om in te stemmen met de gevormde raadswerkgroep om te komen tot een procesbeschrijving in het kader van grootschalige energietransitie & leefkwaliteit Borsele (portefeuille burgemeester Dijksterhuis)10.913 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

> Retouradres Postbus 20401 2500 EK Den Haag

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Prinses Irenestraat 6 2595 BD DEN HAAG

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Programmadirectie Kernenergie Bezoekadres Bezuidenhoutseweg 73 2594 AC Den Haag Postadres Postbus 20401 2500 EK Den Haag Overheidsidentificatienr 00000001003214369000 T 070 379 8911 (algemeen) F 070 378 6100 (algemeen) www.rijksoverheid.nl/ezk

Datum Betreft

9 december 2022 Nadere uitwerking van de afspraken uit het coalitieakkoord op het gebied van kernenergie

Geachte Voorzitter, Op weg naar een klimaatneutraal Nederland uiterlijk in 2050 heeft het kabinet de ambitie om de elektriciteitsproductie in ons land uiterlijk in 2040 CO2-neutraal te maken. Kernenergie kan een belangrijke bijdrage leveren aan die doelstelling. Daarom heeft het kabinet besloten om in te zetten op de voorbereiding van twee nieuwe generatie III+ kerncentrales, waarbij de locatie Borssele de voorkeur heeft. Lokaal draagvlak is hierbij essentieel. Ik heb op 3 oktober jl. bestuurlijk overleg gevoerd met de provincie Zeeland en de betrokken gemeenten. Daarbij heb ik de laatste maanden intensieve gesprekken gevoerd met potentiële private partners en diverse onderzoeken laten uitvoeren. Dit geeft mij het vertrouwen dat ik de benodigde instemming kan vinden en dat de realisatie van twee nieuwe kerncentrales rond 2035 afgerond kan zijn. Met deze brief informeer ik u over de onderbouwing van mijn keuzes en de verdere aanpak voor een voortvarende realisatie. Daarnaast informeer ik u over de stappen die ik heb gezet om de bedrijfsduurverlenging van de kerncentrale Borssele mogelijk te maken. Tot slot geef ik invulling aan verschillende toezeggingen, onder andere gedaan tijdens het Commissiedebat Kernenergie op 13 oktober jl. 1.

Rol van kernenergie in het systeem Om de rol van kernenergie beter te kunnen duiden, heeft het kabinet diverse studies uitgezet, zoals in mijn vorige brief van 1 juli jl. 1 aangekondigd. De inhoud van de huidige brief is gestoeld op een aantal studies, waaronder de scenariostudie van Witteveen+Bos, eRisk en HCSS, de studie naar financieringsmodellen van Baringa 2, de markconsultatie van KPMG 3, het advies van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) 4 en de planningsanalyse van Boston Consulting Group (BCG) 5. In mijn brief over de contouren voor het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) 6 heb ik geschetst hoe de ontwikkeling van het NPE moet leiden tot een meer Kamerstuknummer 32 645, nr. 98 Zoals eerder verstuurd aan uw Kamer (Kamerstuknummer 32 645, nr. 99) 3 Zoals eerder verstuurd aan uw Kamer (Kamerstuknummer 32 645, nr. 96) 4 Rli: Splijtstof? Besluiten over kenenergie vanuit waarden (2022). 5 Zie bijlage VI. 6 Kamerstuknummer 32 813, nr. 1053 1 2

Ons kenmerk DGKE-PK / 22488932 Bijlage(n) 06

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Programmadirectie Kernenergie

gecoördineerde aanpak van de energietransitie, waarbij het kabinet toe werkt naar een energiesysteem dat leunt op hernieuwbare en andere CO2-neutrale bronnen. Het NPE zal worden vormgegeven aan de hand van een aantal ontwerpprincipes met het oog op publieke belangen. De Rli heeft onlangs een onafhankelijk advies aangeboden waarin aanbevelingen worden gedaan om duidelijk te maken hoe publieke belangen in de besluitvorming omtrent kernenergie een rol zouden moeten krijgen. Daarbij wordt uitgegaan van vijf ethische waarden, die in hoge mate aansluiten bij de ontwerpprincipes van het NPE. 7 Ik wil recht doen aan de aanbevelingen van het Rli. Een uitgebreidere kabinetsreactie op dit advies kunt u lezen in bijlage II van deze brief. In bijlage I van de brief schets ik hoe ik de publieke belangen in de dialoog en besluitvorming over kernenergie heb gewogen en hoe ik dit ook in de toekomst zal blijven doen.

Ons kenmerk DGKE-PK / 22488932

Naast de publieke belangen is er nog één belangrijke voorwaarde voor een optimale inpassing van kernenergie in het systeem en dat is consistent overheidsbeleid rondom kernenergie. Kerncentrales vereisen namelijk forse investeringen en de totale ontwikkelperiode waarin er geen inkomsten zijn, is lang. Daarom is stabiel en consistent beleid ten aanzien van kernenergie een belangrijke randvoorwaarde voor private financiers, zoals blijkt uit de KPMG marktconsultatie. Uit het onderzoek van Baringa over de verschillende financieringsmodellen blijkt bovendien dat het tot lagere kosten voor consumenten leidt als de overheid actief participeert in de ontwikkelfases. In bijlage III, onder ‘financieringsmogelijkheden’, kunt u meer lezen over de mogelijke vorm van financiële betrokkenheid vanuit de overheid. In het kader van consistent beleid is het ook van groot belang dat de overheid beleid ontwikkelt om de nucleaire kennisbasis verder te versterken. Zoals u eerder in mijn Kamerbrief 8 uit november hebt kunnen lezen, heb ik toegelicht welke vervolgacties zijn ingezet om de nucleaire kennisbasis te versterken. In het voorjaar 2023 wordt u hierover verder geïnformeerd. 2.

Aanpak voorbereiding nieuw te bouwen centrales Routekaart De bouw van twee nieuwe centrales is een langjarig, complex en kostbaar traject en vraagt veelomvattende besluitvorming die gepaard gaat met zorgvuldige afwegingen. Het is van groot belang om een betrouwbaar en zorgvuldig proces in te richten. Dit zal ook de snelheid van de realisatie van twee nieuwe centrales ten goede komen. Daarom heb ik in samenwerking met het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW), het Ministerie van Financiën, en de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) een routekaart vormgegeven waarin op hoofdlijnen vier fases te onderscheiden zijn. Zie figuur 1 voor een schematische weergave hiervan. Ik heb hierbij ook advies ingewonnen van de International Atomic Energy Agency (IAEA). In bijlage III, onder ‘routekaart’, worden deze fases verder toegelicht.

7 Rli benoemt in haar rapport de volgende ethische waarden: 1) energiezekerheid, 2) betaalbaarheid, 3) veiligheid, 4) duurzaamheid, en 5) rechtvaardigheid. 8 Kamerstuknummer 32 645, nr. 101

Pagina 2 van 25

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Programmadirectie Kernenergie Ons kenmerk DGKE-PK / 22488932

Figuur 1: Routekaart nieuwbouw kerncentrales

In deze kabinetsperiode zal ik een aantal fases parallel doorlopen in plaats van volgordelijk. Dit is een risico dat ik bereid ben te nemen en waarbij ik, mede op basis van de BCG planningsanalyse, geloof dat het kabinet verantwoord snelheid kan maken. Door voorschot te nemen op de voorkeur voor techniek en locatie kunnen verschillende processen naar voren worden gehaald. Ook zorgt het voor meer focus in de inzet van schaarse kennis, capaciteit en middelen. De gekozen techniek is namelijk bepalend voor de locatiemogelijkheden en -voorkeur en daarmee voor de inrichting van het plan-milieueffectrapportage (m.e.r.). Daaropvolgend is de locatie belangrijk voor ontwikkelaars van kernreactoren, omdat zij zo tijdig technische haalbaarheidsstudies kunnen uitvoeren voor eventuele deelname aan het tenderproces. Er is een risico dat de ingezette voorkeursrichting moet worden bijgesteld, bijvoorbeeld wanneer de nadere bestudering van de ruimtelijke inpassing daarvoor aanleiding geeft. Ik acht dit risico verantwoord om te nemen op basis van de reeds verworven inzichten. In de volgende paragrafen over techniek, ruimtelijke inpassing en financieringsmogelijkheden zal ik een nadere toelichting geven over de voorlopige keuzes die ik heb gemaakt en mijn onderbouwing hiervoor.

Om nieuwbouw te realiseren en hierin voldoende voortgang te boeken, is het essentieel om op dit moment drie besluiten te nemen. Dit zijn: 1. Er wordt gekozen voor twee generatie III+ reactoren Hierbij verwacht ik dat iedere reactor een vermogen zal hebben in de bandbreedte van 1000 tot 1650 MW. Het realiseren van het concrete voornemen uit het coalitieakkoord met betrekking tot de bouw van twee nieuwe centrales heeft een significante bijdrage aan het aandeel kernenergie in de Nederlandse energiemix. De scenariostudie schat dat de totale elektriciteitsproductie in Nederland tussen de 186 en 259 TWh per jaar zal liggen in 2035. Twee nieuwe centrales met een gezamenlijk vermogen van ongeveer 3 GW en een capaciteitsfactor van 90% Pagina 3 van 25

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Programmadirectie Kernenergie

leveren daarmee circa 24 TWh op. Onder deze aannames is dit goed voor een aandeel tussen de 9 en 13% van het elektriciteitsaanbod in 2035. Deze verwachtingen zijn afhankelijk van de vraag-, aanbod-, flex- en opslagontwikkeling in deze periode, alsook van prijsontwikkelingen van verschillende andere energietechnologieën, en ontwikkelingen in het buitenland. De eerste generatie III+ reactoren zijn inmiddels in bedrijf genomen, waardoor realistische planningen en kosteninschattingen kunnen worden gemaakt en gehaald. Daarmee is dit de snelste route naar een significante bijdrage van kernenergie aan een stabiel, CO2-neutraal en divers energiesysteem. Omdat generatie IV reactoren naar verwachting pas na 2040 op de markt komen en de bouw van de eerste reactoren te maken zal krijgen met First-of-a-Kind (FOAK)problematiek, heb ik ervoor gekozen om voor de nieuwbouw niet te kiezen voor deze vierde generatie reactoren.

Ons kenmerk DGKE-PK / 22488932

2. De locatie Borssele is de voorkeurslocatie voor nieuwe kerncentrales Bij het bepalen van een voorkeurslocatie van nieuwe kerncentrales zijn verschillende factoren van belang, zoals ik die schetste in mijn vorige brief omtrent kernenergie. De locatie binnen de gemeente Borsele scoort goed op de aanwezige factoren of heeft de potentie om hieraan te voldoen. Daarnaast biedt deze locatie vanwege de reeds aanwezige nucleaire infrastructuur kansen voor optimale inrichting en bedrijfsvoering van twee nieuwe centrales. Ook lijkt er fysieke ruimte beschikbaar te zijn waar de kerncentrales ingepast kunnen worden. Deze combinatie van elementen maakt dat Borssele uniek is ten opzichte van andere locaties. Om tot een definitief besluit te komen over de locatie voor de twee voorgenomen centrales moet ook worden gekeken naar andere dan technische factoren. Lokaal draagvlak is daar één van. Dit is voor mij zeer belangrijk omdat ik inzie hoe groot de impact is van de inpassing van twee nieuwe centrales voor de lokale bevolking, ook met oog op de reeds lopende energieprojecten. Dit geldt niet alleen voor de situatie als de kerncentrales er eenmaal staan, maar ook voor de periode tijdens de bouw, bijvoorbeeld door de bouwlogistiek. Bij het realiseren van kerncentrales komt de wisselwerking tussen landelijke belangen en regionale impact duidelijk naar voren.

Uit de gesprekken die ik heb gevoerd, maak ik op dat er kansen worden gezien voor de regio. De realisatie van twee centrales kan andere industrie aantrekken en tot verstedelijking leiden. Het draagvlak zal uiteindelijk worden bepaald door de randvoorwaarden die gesteld zullen moeten worden. Daarbij is extra aandacht voor de leefbaarheid in het gebied nodig. Via de benodigde lokale besluitvorming van in ieder geval de gemeente Borsele en de provincie Zeeland zal hierover meer duidelijkheid ontstaan. Vervolgens wil ik met de lokale partijen een samenwerking opzetten om lokaal draagvlak zeker te stellen. Versterking van de lokale leefkwaliteit en de regionale sociaaleconomische structuur zijn voorbeelden die daaraan kunnen bijdragen. Ik realiseer me dat dit proces veel vraagt van de gemeente Borsele en de provincie Zeeland en ik ben bereid de benodigde ambtelijke dienst hierin financieel ondersteunen. Het kabinet wil onder meer inzetten op een dialoog, in samenwerking met de gemeente en de provincie, met bewoners en gebruikers van het gebied over de randvoorwaarden. De samenwerking met zowel overheden als burgers, moet Pagina 4 van 25

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Programmadirectie Kernenergie

vorm krijgen in het participatieplan, dat ik samen met de Staatssecretaris van IenW begin 2023 gereed zal hebben. Dit participatieplan ziet daarnaast toe op lokale inspraak, afspraken over in te zetten communicatiemiddelen, en rol- en taakverdeling tussen de verschillende overheden. Een eerste stap die ik heb gezet, is de organisatie van verschillende stakeholdersessies in november en december 2022. Ook vinden rondom de publicatie van deze brief de eerste gesprekken met de bewoners in Zeeland plaats. Door nu al een voorkeurslocatie uit te spreken, zorgt het kabinet ervoor dat inspraak gericht plaats kan vinden.

Ons kenmerk DGKE-PK / 22488932

Naast lokaal draagvlak, acht het kabinet draagvlak in de Nederlandse samenleving van belang. In het participatieplan zal het kabinet beschrijven op welke wijze de samenleving buiten de voorziene regio wordt betrokken. Op deze manier wordt ook invulling gegeven aan aanbeveling 5 van het Rli advies. Ten slotte zijn in ieder geval de milieueffecten, de inpassing van de centrales in het hoogspanningsnet, en de inpassing in het energiesysteem belangrijke aspecten die nader onderzocht moeten worden. 3.

Voor financiering worden in ieder geval het RAB-model en een combinatie van het RAB-model en het PPP-model verder uitgewerkt De verschillende studies, de werkbezoeken aan landen met (recente) ervaring met kernenergie, en eerdere ervaringen (zoals de zoektocht naar private investeerders voor de PALLAS-reactor) laten zien dat het uitgesloten is dat de bouw van nieuwe centrales uitsluitend door de markt wordt gefinancierd. Als gevolg van de complexiteit en hoge investeringskosten is actieve participatie van de Rijksoverheid essentieel. Het is hierbij belangrijk om op een verantwoorde manier om te gaan met de financiële inbreng van de Rijksoverheid. Daarnaast hebben marktpartijen aangegeven dat maatschappelijk draagvlak en stabiel overheidsbeleid randvoorwaardelijk zijn voor private financiering. Op basis van de onderzoeken lijkt het Regulated Asset Base (RAB)-model een serieus te overwegen optie voor Nederland. Dit betekent echter niet dat er geen uitdagingen zijn. Het model is immers nog in ontwikkeling en zal nader onderzocht moeten worden. De scenariostudie suggereert dat een combinatie tussen het Public Private Partnership (PPP)-model en het RAB-model ook een mogelijkheid kan zijn. In het vervolgtraject zal nader worden bekeken welke modellen passend zijn bij de Nederlandse situatie.

Om hier goed zicht op te krijgen zal ik vroegtijdig met potentiële ontwikkelaars in gesprek gaan in een marktconsultatie en parallel daaraan een vervolgstudie laten uitvoeren. Ik ben voornemens om begin 2023 te starten met een technische haalbaarheidsstudie, waarin de relevante ontwikkelaars een analyse kunnen maken naar de technische mogelijkheden, de businesscase en de tijdlijn van het project. Ik zal uw Kamer eind volgend jaar informeren over de uitkomsten van de marktconsultatie, de vervolgstudie naar financiële modellen, en een technische haalbaarheidsstudie. In bijlage III ga ik verder in op mogelijke financieringsmodellen en de financiële betrokkenheid van de overheid. Mogelijkheden tot versnelling Om zo snel mogelijk de benodigde zekerheden en commitment te kunnen bieden, heb ik gekeken in welke volgorde bepaalde acties en onderzoeken kunnen worden uitgevoerd en wat parallel kan, met als doel de doorlooptijd te verkorten zonder in Pagina 5 van 25

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Programmadirectie Kernenergie

te boeten op zorgvuldigheid. Ik heb BCG gevraagd te helpen bij deze planningsanalyse. Daaruit kwam onder meer de aanbeveling om bepaalde processen, zoals de marktconsultatie en de technische haalbaarheidsstudie, eerder te starten. De resultaten van de planningsanalyse zijn als bijlage VI toegevoegd en worden in bijlage III nader toegelicht. Hiermee geef ik invulling aan de aangenomen motie Hermans en Heerma. 9

Ons kenmerk DGKE-PK / 22488932

Het lid Erkens (VVD) heeft mij in oktober 2022 een versnellingsplan kernenergie overhandigd, dat ik met interesse heb gelezen. Ik ben van mening dat de hieronder toegelichte aanpak leidt tot de kortst mogelijke doorlooptijd, en daarbij oog houdt voor veiligheid, de omgeving, kosten, risico’s en de bijdrage aan het Nederlandse energiesysteem. Veel van de punten uit het versnellingsplan komen overeen met de gekozen aanpak. Zo geef ik in deze brief de voorkeurslocatie voor de nieuwe kerncentrales aan en werk ik (samen met mijn collega’s van VWS, IenW, OCW, SWZ en de ANVS) aan het versterken en behouden van een goede kennisinfrastructuur. Ook voor innovatie, zoals onderzoek naar Small Modular Reactors (SMRs) en gesmolten-zout-reactoren, wordt reeds budget beschikbaar gesteld. Met betrekking tot het actiepunt van radioactief afval, informeert de Staatssecretaris van IenW u gelijktijdig met deze brief over mogelijke ontwikkelingen. In bijlage III zal ik ook toelichten hoe ik toewerk naar een financieringsconstructie en samenwerkingsvorm tussen marktpartijen en de overheid. Ik vind het te voorbarig om hier nu al definitieve keuzes over te maken. 3. Bedrijfsduurverlenging kerncentrale Borssele Op dit moment heeft Nederland de Kerncentrale Borssele (KCB) beschikbaar voor elektriciteitsproductie uit kernenergie. Op grond van het per 1 juli 2010 ingevoegde art.

15a lid 1 van de Kernenergiewet mag de KCB na 31 december 2033 geen elektriciteit meer opwekken. De KCB heeft een elektrisch vermogen van 481 MW, waarmee zij jaarlijks ongeveer 3,8 TWh aan CO2-neutrale elektriciteit produceert. Dit betekent dat een voortgezette bedrijfsvoering van de KCB na 2033 aanzienlijke CO2-reductie oplevert vergeleken met elektriciteit uit gas. De bedrijfsduurverlenging van de KCB kan daarmee een belangrijke overbrugging zijn in ieder geval tot de bouw van nieuwe kerncentrales in Nederland is gerealiseerd en mogelijk langer, temeer om tussentijds geen verder verlies te lijden op het behalen van de klimaatdoelstellingen. Daarbij blijkt uit de KPMG marktconsultatie dat het behoud van specifieke nucleaire kennis en ervaring van essentieel belang is om in de toekomst meer kernenergie aan de energiemix toe te kunnen voegen. Deze kennis is momenteel voor een groot deel gevestigd in de exploitatie van de KCB, maar ook in de toelevering, advies en nucleair onderzoek. Dit onderschrijft het belang van bedrijfsduurverlenging verder. Daarnaast is de stabiele bijdrage van de KCB aan de leveringszekerheid welkom in het licht van de recente geopolitieke ontwikkelingen. Ik ben dan ook blij dat ik een intentieverklaring heb kunnen ondertekenen met EPZ en haar aandeelhouders PZEM en RWE.

In deze verklaring hebben de ondertekenaars uitgesproken op constructieve wijze in overleg te treden over afspraken die nodig zijn om bedrijfsduurverlenging na 2033 mogelijk te maken. In de verklaring is ook opgenomen dat ik voornemens ben om de kosten van de 9

Kamerstuknummer 36 200, nr. 18 Pagina 6 van 25

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Programmadirectie Kernenergie

benodigde technische haalbaarheidsonderzoeken te subsidiëren, omdat de bedrijfsvoering van de kerncentrale Borssele gericht is op het buiten bedrijf stellen na 31 december 2033 en de aandeelhouders van EPZ gezien de marktrisico’s in verband met bedrijfsduurverlenging niet bereid zijn om de onderzoeken te bekostigen. Deze onderzoeken zijn noodzakelijk om de technische haalbaarheid van bedrijfsduurverlenging te kunnen beoordelen. De benodigde middelen hiervoor lopen mee met het meerjarenprogramma Klimaatfonds waarover in het voorjaar besloten wordt. In verband met staatssteunaspecten zal ik de voorgenomen subsidie ook met de Europese Commissie bespreken. De intentieverklaring is bijgevoegd in bijlage V.

Ons kenmerk DGKE-PK / 22488932

Routekaart In bijlage IV geef ik u aan wat de voortgang is voor de bedrijfsduurverlenging van de Kerncentrale Borssele en welke stappen daarvoor moeten worden gezet. In figuur 2 is de routekaart schematisch weergegeven.

Figuur 2: Routekaart bedrijfsduurverlenging Borssele

4. Vervolg Met deze brief hoop ik u voldoende geïnformeerd te hebben over de nadere uitwerking van de afspraken uit het coalitieakkoord op het gebied van kernenergie. Ik heb beschreven hoe kernenergie een belangrijke bijdrage kan leveren aan de doelstelling om de elektriciteitsproductie in ons land uiterlijk in 2040 CO2-neutraal te maken. Zoals aangegeven, kan ik hierbij op bepaalde onderdelen verantwoord versnellen. In de bijlage ga ik verder in op de onderbouwing van de gemaakte keuzes. Daar kunt u meer lezen over de publieke belangen bij kernenergie (bijlage I), de appreciatie op het Rli advies (bijlage II), de aanpak voorbereiding nieuw te bouwen centrales (bijlage III), de bedrijfsduurverlenging kerncentrale Borssele (bijlage IV), de bijbehorende intentieverklaring (bijlage V), en de planningsanalyse van BCG (bijlage VI). In het voorjaar zal ik uw Kamer middels een volgende brief informeren over de voortgang op het gebied van kennisinfrastructuur, over de bedrijfsduurverlenging van de KCB, en over de inrichting van het vervolgproces voor nieuwbouw. Pagina 7 van 25

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Programmadirectie Kernenergie

Het kabinet voert door middel van meerdere programma’s en beleidsagenda’s regie op de verduurzaming van het energiesysteem. Zo is in juni 2022 de brief over de brief over de aanvullende Routekaart 2030 voor Wind op Zee 10 gestuurd. Zoals eerder aan uw Kamer gemeld ziet het Programma Energiesysteem 11 en het daaruit voortvloeiende Nationaal Plan Energiesysteem 12 toe op een meer gecoördineerde ontwikkeling van de energietransitie, waarbij de verschillende schakels in het energiesysteem zo goed mogelijk op elkaar worden afgestemd. Het NPE draagt ook bij aan het kunnen afwegen van de belangen van de verschillende sectoren en activiteiten, en wat dit betekent voor de inrichting van het energiesysteem. Dit najaar wordt uw Kamer geïnformeerd over de tussenrapportage zoals deze is uitgebracht voor het Expertteam energiesysteem. Voor de zomer volgt het concept van het NPE, dat een beeld van het energiesysteem in 2050 geeft en de verschillende ontwikkelpaden en beleidsinzet daar naar toe.

Ons kenmerk DGKE-PK / 22488932

In aanloop naar dit lange termijn beeld neem ik tot eind dit jaar in aanvulling op de nadere uitwerking van het coalitieakkoord op het gebied van kernenergie aanvullende besluiten die richting geven aan ons energiesysteem van de toekomst. Dit gaat onder andere over: • • • • •

de uitkomsten van het Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat; de inhoudelijke invulling en governance van Programma Groen Gas; de routekaart waterstof, waarin beschreven wordt wat de mogelijke rol van waterstof is in het systeem; de inrichting van het Programma Energie Hoofdstructuur als basis voor de ruimtelijke inpassing van projecten van nationaal belang op land; de voortgang van de regionale energiestrategieën, met de uitwerking van de doelstelling van 35 TWh hernieuwbare elektriciteit uit zon en wind op land.

In het voorjaar volgt vervolgens onder nadere het maatschappelijk prioriteringskader ten behoeve van prioritering van netuitbreidingsinvesteringen, een visie burgerparticipatie energietransitie, het Nationaal Programma Verduurzaming Industrie en het versnellen van vergunningverlening. Ook de brieven over de aanvullende maatregelen in het beleidsprogramma klimaat en een brief naar aanleiding van de motie Segers en Marijnissen 13 over de publieke belangen bij de Nederlandse energievoorziening worden verwacht. Deze brieven hangen samen en dragen bij aan onze inzet voor een geschikt energiesysteem voor de verduurzaming van Nederland.

R.A.A. Jetten Minister voor Klimaat en Energie

Kamerstuknummer 33 561, nr. 53 Kamerstuknummer 32 813, nr. 965 12 Kamerstuknummer 32 813, nr. 1053 13 Kamerstuknummer 36 200, nr. 31 10 11

Pagina 8 van 25

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Programmadirectie Kernenergie

Bijlage I: Publieke belangen bij kernenergie Hieronder zal ik schetsen hoe ik de publieke belangen uit het NPE in de dialoog en besluitvorming over kernenergie heb meegewogen.

Ons kenmerk DGKE-PK / 22488932

Betrouwbaarheid In mijn brief over de contouren van het NPE schreef ik dat elektriciteit in het toekomstige systeem de belangrijkste energiedrager zal worden. De precieze vraag naar elektriciteit in het toekomstige systeem is nog erg onzeker. Wel duidelijk is dat het aanbod van elektriciteit flink zal moeten groeien, ook na 2030. Kernenergie zal in een deel van die latere groei voorzien en daarmee de toekomstige leveringszekerheid versterken. De agressieve aanval van Rusland op Oekraïne maakt nogmaals duidelijk dat Europa te sterk afhankelijk is van de import van fossiele energiedragers en het onderstreept de noodzaak om de klimaat- en energietransitie te versnellen. Deze ontwikkeling laat zien dat de behoefte aan een stabiel en divers systeem met voldoende mate van onafhankelijkheid is gegroeid. Vanuit betrouwbaarheid acht ik het van belang dat kernenergie bijdraagt aan de invulling van deze behoefte. De diversificatie van het Nederlandse energiesysteem zorgt op zichzelf ook voor een toenemende uitwisselbaarheid van verschillende energiebronnen en hiermee een verminderde kwetsbaarheid van onze leveringszekerheid. Dit blijkt ook uit de scenariostudie. Kernenergie vormt in de energiemix een goede aanvulling op meer variabele bronnen zoals zon en wind, aangezien de elektriciteitsproductie onafhankelijk is van weersomstandigheden. Toonaangevende internationale organisaties (o.a.

IPCC, IEA, OECD-NEA, IAEA, en MIT) zien kernenergie als complementair aan zonne- en windenergie. Het maakt ons minder afhankelijk van elektriciteitsimport. De scenariostudie toont scenario’s waarbij het bouwen van meerdere kerncentrales, naast de twee hiervoor aangekondigde nieuwe centrales, eraan kan bijdragen dat Nederland op jaarbasis een overschot aan elektriciteit heeft. Zonder kernenergie zou Nederland daarvoor meer andere bronnen moeten inzetten, of netto-importeur van elektriciteit zijn en daarmee afhankelijker van andere landen. Het IPCC rapport “Climate Change 2022: Impact, Mitigation and Vulnerability” noemt kernenergie als een van de opwekkingsbronnen om CO2-emissies te verminderen. Het rapport stelt dat kernenergie, naast zon, wind, water en andere bronnen, een significante bijdrage kan leveren aan wereldwijde CO2-reducties. Hierbij moet wel gelet worden op potentiële positieve en negatieve invloeden van kernenergie op andere duurzame ontwikkelingsdoelen. De potentiële negatieve invloeden kunnen volgens het IPCC met goed beleid gemitigeerd worden. Deze appreciatie is een toevoeging aan mijn eerdere brief waarin de kabinetsappreciatie op verschillende IPCC-rapporten werd gegeven. 14 Hiermee voldoe ik aan de toezegging om nader in te gaan op de rol van kernenergie in relatie tot de eerdere kabinetsappreciatie op het IPCC-rapport.

Dat kernenergie bijdraagt aan een stabiel en divers systeem is ook internationaal een belangrijk gegeven. Hoewel enkele Europese lidstaten ervoor kiezen hun centrales te sluiten, zien we ook dat verschillende Europese lidstaten op dit moment kiezen voor bedrijfsduurverlenging van bestaande kerncentrales, onder 14

Kamerstuknummer 31 793, nr. 207 Pagina 9 van 25

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Programmadirectie Kernenergie

andere om hun importafhankelijkheid te verkleinen en de leveringszekerheid te vergroten. Bovendien zijn er meerdere landen in Europa die concrete plannen hebben voor het bouwen van nieuwe kerncentrales of deze reeds aan het uitvoeren zijn.

Ons kenmerk DGKE-PK / 22488932

De geopolitieke risico’s op het gebied van materiaalverwerving zijn op termijn relatief beperkt bij kernenergie. Er zijn wereldwijd voldoende uraniumvoorraden en er is diversiteit aan leveranciers. Daarnaast is het mogelijk om uranium geruime tijd op te slaan zonder degradatie van het materiaal. De risico’s voor Europa bij de import van uranium zijn dus beperkt. In de uraniumbrandstofcyclus worden conversie, verrijking en productie van splijtstofstaven deels verzorgd door verschillende Europese bedrijven op Europees grondgebied, waarbij op de langere termijn nu geen geopolitieke risico’s worden voorzien. De directe en indirecte grondstoffenbehoefte van Nederland is groot. Deze grondstoffen zijn noodzakelijk om de energietransitie te kunnen realiseren. Op grond van de scenariostudie wordt verwacht dat deze grondstoffen, en ook andere nu nog niet-kritische grondstoffen, schaarser en daarmee duurder worden omdat andere landen ook de energietransitie ingaan. Kernenergie heeft vergelijkbare grondstoffen als andere energiebronnen nodig, maar per kWh aanzienlijk minder. Naarmate het relatieve aandeel van kernenergie in het systeem toeneemt zal de afhankelijkheid van deze grondstoffen dus afnemen. Betaalbaarheid Er is geen consensus over de precieze systeemkosten die kernenergie met zich meebrengt.

Dit is namelijk afhankelijk van een aantal onzekere factoren, zowel rond de kosten van kernenergie als rond de kosten van alternatieven. Ook de vormgeving van het omgevende energiesysteem in binnen- en buitenland speelt een rol. In de situatie dat een energiesysteem met kernenergie duurder uitvalt dan een energiesysteem zonder kernenergie, kan de diversificatie van het aanbod er alsnog voorzorgen dat de voordelen opwegen tegen eventuele hogere kosten. De scenariostudie concludeert dat wanneer kerncentrales binnen kostenspecificatie en bouwtijd kunnen worden gerealiseerd, de systeemkosten vergelijkbaar zijn tussen systemen met en zonder kernenergie. Vanuit betaalbaarheid acht ik het van belang dat nieuwe kerncentrales zo kostenefficiënt mogelijk worden gerealiseerd. Een belangrijke afweging is hierbij de wijze waarop kernenergie wordt gefinancierd. Bovendien moet worden gewaakt voor potentiële budgetoverschrijdingen. De scenariostudie wijst er op dat met name overschrijding van de bouwduur kan leiden tot significante kostenoverschrijding. Ik zal daarom dit risico met een zorgvuldig voorbereidingstraject beperken. Veiligheid Het is van groot belang dat de veiligheid wordt gewaarborgd bij de uitvoering van deze plannen. De bedrijfsvoering van een kerncentrale kent veiligheidsrisico’s die weliswaar miniem in kans, maar zeer groot in gevolg kunnen zijn.

In aard zijn deze risico’s daarmee anders dan andere CO2-neutrale elektriciteitsbronnen. Uit publieksonderzoek blijkt dat het veiligheidsaspect zwaar weegt bij veel burgers. Ik Pagina 10 van 25

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Programmadirectie Kernenergie Ons kenmerk

vind het van het grootste belang dat de nucleaire veiligheid en DGKE-PK / 22488932 stralingsbescherming in Nederland aan de hoogste eisen voldoen. De toezichthouder ANVS ziet er op toe dat deze hoogste eisen worden nageleefd. Het Ministerie van IenW is hoofdverantwoordelijk voor het beleid omtrent nucleaire veiligheid en stralingsbescherming. Ik verwijs in dat kader naar de Kamerbrief van de Staatsecretaris van IenW die u gelijktijdig met deze brief wordt aangeboden. Duurzaamheid Vanuit duurzaamheidsoogpunt gezien vind ik het van belang dat het inpassen van kernenergie bijdraagt aan het bereiken van een klimaatneutraal Nederland. De uitkomsten van de Klimaat- en Energieverkenning 2022 laten ook zien dat we elke stap nodig hebben. We kunnen het ons, gezien de doorgroei van de vraag naar elektriciteit en groene waterstof in de tweede helft van het volgende decennium, niet veroorloven om CO2-neutrale opties buiten beschouwing te laten. De Staatsecretaris van IenW gaat in haar brief verder in op de wijze waarop duurzaamheid wordt gewaarborgd door de hele keten en middels verschillende instrumenten, zoals vergunningverlening voor de Kernenergiewet (Kew). Duurzaamheid wordt daarbij in de brede zin van het woord benaderd, en omvat bijvoorbeeld ook het maatschappelijk verantwoord ondernemen in relatie tot uraniumwinning.

Het kabinet is zich ervan bewust dat de omgang met radioactief afval tot zorgen in de maatschappij kan leiden en dat de omvang van het afval zal toenemen als gevolg van de bouw van twee nieuwe centrales en de bedrijfsduurverlenging van de centrale in Borssele. Daarom werkt het kabinet aan een actualisatie van het Nationaal Programma Radioactief Afval (uiterlijk 2025 gereed) en wordt er – ook in multinationaal verband – gewerkt aan de doorontwikkeling van veilige beheeroplossingen. Leefomgevingskwaliteit Wat betreft leefomgevingskwaliteit wil ik de belangen van de regionale en lokale omgeving meenemen. Het directe ruimtebeslag van kerncentrales is relatief laag. Op de lokale omgeving kan de realisatie van kerncentrales en de bijbehorende transportverbindingen desondanks grote impact hebben. Daarom vind ik het van groot belang dat de zorgen van omwonenden worden meegewogen. Hiervoor ben ik voornemens een dialoog op te zetten met bewoners en gebruikers van het gebied over de voorwaarden waaronder realisatie mogelijk is. Daarom zorg ik, in samenwerking met de Staatsecretaris van IenW, voor een helder participatieplan met betrekking tot maatschappelijke betrokkenheid. Maatschappelijke betrokkenheid Het kabinet vindt het belangrijk om open en transparant te zijn over de keuze voor kernenergie als onderdeel van de energiemix.

Hoewel er met de bedrijfsduurverlenging en de voorbereiding van de bouw van twee nieuwe centrales een concrete weg wordt ingeslagen, luister ik ook naar de kritische geluiden in de maatschappij en naar de voorwaarden die vanuit de omgeving worden ingebracht. Juist door een concrete voorkeurslocatie te benoemen, kan ik hier ook gerichter gehoor aan geven. Het kabinet zet dan ook in op een dialoog met de samenleving zodat er voldoende oog is voor de eerder genoemde publieke Pagina 11 van 25

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Programmadirectie Kernenergie Ons kenmerk

waarden. Dat geldt voor de energietransitie in zijn geheel, maar zeker ook voor DGKE-PK / 22488932 kernenergie. Naast verschillende studies en adviezen die op het belang daarvan wijzen, zoals de scenariostudie en het recente Rli advies, wordt dit ook benadrukt in de gesprekken met de buitenlandse ervaringsdeskundigen. Hiervoor heb ik het eerder genoemde participatieplan in voorbereiding, dat ook aandacht besteedt aan het nationale debat. Op lokaal niveau zal het publieke debat betrekking hebben op de voorwaarden waaronder realisatie van de twee nieuwe centrales mogelijk is. Op nationaal niveau zal het publieke debat betrekking hebben op de rol van kernenergie in het energiesysteem op aanvulling van de twee voorgenomen centrales. Op deze manier wordt invulling gegeven aan aanbeveling 5 uit het Rli advies. Kernenergie is ook onderdeel van de Participatieve Waarde Evaluatie (PWE) die wordt uitgevoerd in het kader van het Programma Energiehoofdstructuur. Middels de PWE zorg ik ervoor dat de vervolgstappen in dialoog met de samenleving en met uw Kamer worden gezet. Daarbij moet het voor burgers en belanghebbenden duidelijk zijn wanneer, op welke manier en door wie zij geïnformeerd en betrokken zullen worden, en waarop hun inbreng invloed kan hebben.

Pagina 12 van 25

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Programmadirectie Kernenergie

Bijlage II: Appreciatie Rli advies Hieronder vindt u de kabinetsreactie op het Rli advies “Splijtstof? Besluiten over kernenergie vanuit waarden”. Rli heeft dit advies op eigen initiatief opgesteld. In het advies staan de volgende vragen centraal: 1) Welke afwegingen moeten worden gemaakt bij de besluitvorming over de mogelijke rol van nieuwe kerncentrales binnen het CO2-neutrale energiesysteem dat Nederland op korte termijn moet vormgeven? 2) En welke aanbevelingen volgen daaruit voor het proces van gedachtevorming en uitwisseling dat regering en parlement voorafgaand aan de besluitvorming zouden moeten doorlopen?

Ons kenmerk DGKE-PK / 22488932

Het kabinet heeft met belangstelling kennis genomen van het advies van de Rli en de conclusies en aanbevelingen voor de besluitvorming over kernenergie die hieruit volgen. Het kabinet herkent het belang om besluitvorming over kernenergie in de bredere context van het energiesysteem van de toekomst te bezien. Conform het coalitieakkoord neemt dit kabinet de benodigde stappen voor de bouw van twee nieuwe kerncentrales. Bij de voorbereiding van deze stappen is van belang dat – naast technische en financiële overwegingen – belangrijke aspecten uit het advies, zoals afweging tussen publieke waarden, participatie, kennis en integrale besluitvorming, worden meegenomen. Dit sluit aan bij de aanbeveling om besluitvorming over kernenergie mee te nemen in de beleidskeuzes en de besluitvorming over het energiesysteem als geheel. Ik kan deze aanbeveling zeer onderschrijven. Kernenergie kan een bijdrage leveren aan een CO2-neutraal en stabiel en divers energiesysteem in de toekomst. Bij de voorbereiding van besluitvorming over kernenergie zal dan ook nadrukkelijk worden meegenomen welke rol en welke effecten kernenergie in het energiesysteem van de toekomst zal hebben. Hieronder vindt u, namens het kabinet, mijn reactie op de conclusies en aanbevelingen uit het advies.

Appreciatie op de conclusies De Rli stelt dat voor de besluitvorming over kernenergie niet alleen technische kennis maar ook ethische weging en reflectie nodig is. Kernenergie is een onderwerp dat, net als de energietransitie als geheel, discussie en emoties oproept. Onder ethische weging en reflectie verstaat de Rli het wegen van aan kernenergie verbonden publieke waarden. De vijf publieke waarden die de Rli signaleert zijn energiezekerheid, betaalbaarheid, veiligheid, duurzaamheid en rechtvaardigheid. De Rli stelt dat voor toekomstbestendige besluitvorming over nieuwe kerncentrales het noodzakelijk is om burgers te betrekken en procedures transparant te maken. De besluitvorming over en de daadwerkelijke bouw van nieuwe kerncentrales zal meerdere kabinetsperiodes beslaan. De Rli geeft aan dat dit voor de huidige regeerperiode betekent dat het kabinet transparant zal moeten zijn over de voorbereidende stappen die het wil gaan zetten door marktpartijen te faciliteren bij hun investeringsverkenningen. De Rli stelt dat in de besluitvorming over de toekomstige rol van kernenergie expliciet moet worden gemaakt hoe wordt omgegaan met de in het advies opgenomen publieke waarden. Deze waarden leiden niet direct tot overeenstemming, maar maken het wel makkelijker om overwegingen van anderen te begrijpen. Dit helpt bij het voeren van het debat Pagina 13 van 25

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Programmadirectie Kernenergie

en het komen tot zorgvuldige besluitvorming. Het is belangrijk om in de afweging over eventuele uitbreiding van kernenergie in het Nederlandse energiesysteem goed te bekijken hoe dit de snelheid van het ‘transitiepad’ zou beïnvloeden. Voor dat transitiepad geldt: sneller is beter.

Ons kenmerk DGKE-PK / 22488932

Ik onderschrijf de conclusie van de Rli dat voor de besluitvorming over kernenergie alle publieke waarden in acht moeten worden genomen. Het energiebeleid gaat uit van de publieke belangen betrouwbaarheid, betaalbaarheid, veiligheid en duurzaamheid. Met de Kamerbrief Contouren Nationaal Plan Energiesysteem 15 trekt het kabinet dit breder door leefomgevingskwaliteit en maatschappelijke betrokkenheid toe te voegen en rekening te houden met een rechtvaardige verdeling van lusten en lasten. Het afwegingskader van het kabinet komt daarmee voor een groot deel overeen met de vijf publieke waarden die de Rli benoemt. Ik heb in mijn brief aangegeven wat ik bij iedere waarde van belang acht en wat ik in mijn afweging mee zal nemen. Het kabinet ziet deze conclusie dan ook als ondersteuning van het reeds ingezette energiebeleid. Het kabinet streeft naar een zo breed mogelijk maatschappelijk draagvlak. Daartoe zoekt het kabinet actief samenwerking met medeoverheden, bedrijven, wetenschap, energiecoöperaties, maatschappelijke organisaties en mensen in het land bij het ontwikkelen van het NPE. Zoals ook hiervoor aangekondigd, zal het kabinet komende periode met een participatieplan komen waarmee invulling wordt gegeven aan deze conclusie. Aanbevelingen die volgen uit het advies Het kabinet kan zich in grote lijnen vinden in de aanbevelingen van de Rli.

De ambitie van het klimaatbeleid is duidelijk: Nederland klimaatneutraal in 2050. Om hier te komen zullen binnen relatief korte tijd keuzes moeten worden gemaakt en stappen worden genomen die op elkaar inwerken. Gezien de complexiteit en urgentie van de opgave is regie vanuit de Rijksoverheid noodzakelijk. Het Rijk doet dit met het NPE. Dit plan zal een beeld geven van het energiesysteem van de toekomst. Door het plan iedere vijf jaar te actualiseren blijft het aansluiten op ontwikkelingen op bijvoorbeeld het gebied van maatschappelijke voorkeuren, economische activiteiten, technologieën en mondiale gebeurtenissen. Ook de beleidskeuzes over kernenergie zullen onderdeel uitmaken van dit plan. Het kabinet acht het van belang om het perspectief van burgers mee te wegen in de besluitvorming over kernenergie. Daarbij is het belangrijk om niet alleen naar de uitgesproken voor- en tegenstanders in het debat te kijken, maar om ook de brede middengroep mee te nemen. Om geen valse verwachtingen te wekken, zal vooraf goed in beeld moeten worden gebracht welke ruimte er is voor participatie en wat er met de uitkomsten gedaan zal worden. Hieraan wordt invulling gegeven door het eerder genoemde participatieplan.

15

Kamerstuknummer 31 239, nr. 1053 Pagina 14 van 25

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Programmadirectie Kernenergie

Bijlage III: Aanpak voorbereiding nieuw te bouwen centrales

Ons kenmerk DGKE-PK / 22488932

Routekaart Fase 1: voorbereiden besluitvorming (2022-2024) Fase 1 is de fase waar het kabinet zich op dit moment in bevindt. Deze fase is gericht op een aantal belangrijke besluiten dat nodig is om te komen tot de realisatie van kerncentrales. Ik streef ernaar om deze kabinetsperiode definitieve besluitvorming aan uw Kamer voor te leggen over techniek, locatie, invulling van de m.e.r.-procedure, financiering, rol van de overheid, en inrichting van het tenderproces. Ik zal deze periode ook gebruiken voor de verkenning en uitvoering van eerste concrete stappen naar een mogelijk op te richten programma-organisatie. Het is namelijk zeer aannemelijk dat de Nederlandse overheid een belangrijke rol speelt in de verdere ontwikkeling en uitvoering van het proces rond de nieuw te bouwen centrales. Daarom is een fit-for-purpose organisatie, met relevante competenties en vaardigheden, nodig om het proces door alle volgende fases te brengen en efficiënt en effectief de betrokkenheid met alle relevante contractpartners te organiseren. Een dergelijke organisatie kan bijvoorbeeld worden ontworpen naar het voorbeeld van een Nuclear Energy Programme Implementing Organization (NEPIO) zoals geschetst door de IAEA. 16 Hiervoor ben ik ook met PALLAS in gesprek om te leren van hun ervaringen en adviezen.

PALLAS heeft eerder een programma-organisatie opgericht die door de ANVS als voldoende betrouwbaar, bekwaam en volwassen wordt beschouwd. Fase 2: uitvoeren tender (2023-2025) In de tweede fase ben ik voornemens het tenderproces voor te bereiden en uit te voeren. Een belangrijk advies uit de planningsanalyse is het vroegtijdig betrekken van ontwikkelaars van kerncentrales. Ik ben voornemens om begin 2023 te starten met een technische haalbaarheidsstudie om vroegtijdig en gestructureerd in interactie te komen met technologieleveranciers en onzekerheden rondom benodigde projectkosten en de tijdlijn te verkleinen. Ik maak voor deze omvangrijke technische haalbaarheidsstudie middelen vrij in 2023, om zo een prikkel te creëren voor relevante ontwikkelaars om hieraan deel te nemen. Er is een beperkt aantal geschikte ontwikkelaars met verschillende voorkeuren voor financierings- en samenwerkingsvormen. Daarom ga ik parallel aan de haalbaarheidsstudies in een marktconsultatie de dialoog aan met geschikte ontwikkelaars over mogelijke financierings- en samenwerkingsvormen. Door in een vroegtijdige fase een gestructureerde interactie met technologieleveranciers aan te gaan kan in de loop van 2023 een realistisch beeld gevormd worden van de voorwaarden waaronder het project commercieel levensvatbaar kan zijn.

Parallel hieraan zal een vervolgstudie op de financieringsmodellen worden uitgevoerd. Door dit parallel uit te voeren, worden de risico’s op vertragingen en budgetoverschrijdingen verminderd, en wordt de kans van slagen van de uiteindelijke tender om tot één partij te komen vergroot. Dit leidt tot een passende opzet van het financierings- en samenwerkingsmodel, met een afname 16 International Atomic Energy Agency: Responsibilities and Functions of a Nuclear Energy Programme Implementing Organization, IAEA Nuclear Energy Series No. NG-T-3.6 (2019).

Pagina 15 van 25

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Programmadirectie Kernenergie

van het uitvoeringsrisico als gevolg. Aan de hand van al deze onderzoeken kan vervolgens begin 2024 het uiteindelijke tenderproces starten om tot een partij te komen die uiteindelijk het project gaat uitvoeren.

Ons kenmerk DGKE-PK / 22488932

Fase 3: vergunningverlening (2025-2028) Voor de bouw van een kerncentrale dient een vergunningaanvraag te worden gedaan bij de ANVS op basis van de Kernenergiewet (Kew). Gerede kandidaten zullen parallel met het tenderproces in vooroverleg kunnen treden met de ANVS. In dit vooroverleg gaat de ANVS met kandidaten in gesprek over de wijze waarop een vergunning onder de Kew kan worden aangevraagd en wat daarbij de verwachtingen zijn richting de aanvrager. Dit vergt een flinke investering van ANVS, omdat zij met meerdere partijen in overleg zullen treden, maar dit is essentieel om het proces met voldoende snelheid te doorlopen. Dat betekent dat de capaciteit van ANVS hiervoor moet worden uitgebreid. Inmiddels is in samenspraak met IenW en de ANVS een raming gemaakt wat qua capaciteit en middelen nodig is naar aanleiding van de ambitie van het kabinet op het nucleaire dossier. Ik ben samen met de Staatssecretaris van IenW de budgettaire mogelijkheden hiervoor aan het verkennen. Naast een vergunning op basis van de Kew, zullen ook verschillende vergunningen nodig zijn in het kader van ruimtegebruik en milieu. Om besluitvorming hierover te versnellen en te stroomlijnen, zal daarom gebruik worden gemaakt van de Rijkscoördinatieregeling. Dit is ook verplicht voor energiecentrales met een capaciteit van ten minste 500 MW.

Naar mijn huidige inschatting zal deze fase vanaf het indienen van de aanvraag tot aan de bouw ongeveer drie jaar duren. Dit is onder voorbehoud van de duur van eventuele bezwaar- en beroepsprocedures. Fase 4: bouw en ingebruikname (2028-2035) Over de duur van het feitelijke bouwen van een kerncentrale van een bewezen ontwerp bestaan verschillende schattingen. In de marktconsultatie door KPMG wordt gesproken over een bouwtijd variërend van zes tot acht jaar. De precieze duur is daarbij onder andere afhankelijk van de ervaring die ontwikkelaars hebben opgedaan met het ontwerpen en bouwen van kerncentrales in het buitenland. In de scenariostudie wordt een bouwperiode van zes jaar realistisch genoemd, uitgaande van de bouw van een grootschalige generatie III+ reactor. In dit stadium ga ik uit van een periode van ongeveer zes tot acht jaar vanaf de start van de bouw tot aan de feitelijke ingebruikname van de eerste kerncentrale. De duur van deze periode is medeafhankelijk van eventuele bezwaar- en beroepsprocedures. Uitgangspunt hierbij is dat er twee generatie III+ reactoren, in seriebouw, op één locatie zullen worden gebouwd. Dit leidt namelijk tot verschillende voordelen, met name kostenefficiëntie. Deze fase eindigt met de aanvraag van de exploitatievergunning bij de ANVS.

Hier kunnen eventuele bezwaar- en beroepsprocedures invloed hebben op het moment van de feitelijke ingebruikname. Uitgangspunten techniekkeuze Ik heb drie uitgangspunten om tot een techniekkeuze te komen: 1) Het vermogen: Hoe meer vermogen een centrale heeft, des te groter de bijdrage aan een stabiel en divers energiesysteem. Meer vermogen uit Pagina 16 van 25

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Programmadirectie Kernenergie

2)

3)

kernenergie levert een grotere bijdrage aan de doelstelling van het coalitieakkoord om minder afhankelijk van import te worden. Daarbij is de regelbaarheid van het vermogen ook belangrijk vanuit systeemperspectief. Hoe beter regelbaar het vermogen is, hoe stabieler het energiesysteem zal zijn. Vanuit economisch oogpunt ligt het voor de hand dat kerncentrales als basislast worden ingezet. De studie van Witteveen+Bos, eRisk en HCSS toont dat dit in de door hen berekende scenario’s realistisch is. Andere studies komen op basis van andere aannames echter niet zonder meer tot deze conclusie. Dit punt heeft daarom mijn aandacht bij het maken van vervolgkeuzes rond de markten systeeminpassing van de centrales. Om wel de mogelijkheid te hebben om de kerncentrales op of af te kunnen regelen, mocht hier vanuit de balans in het elektriciteitssysteem behoefte aan zijn, wordt dit als voorwaarde meegenomen bij de techniekkeuze voor de nieuwe centrales. De ‘haalbaarheid’ van de techniek: Voor reactoren die zich niet meer in een ontwikkelings- of experimenteerfase bevinden, is het aannemelijk dat ze gerealiseerd kunnen worden zonder grote afwijkingen in tijds- en kostenplanning. Dit soort technieken zijn reeds ontworpen, gebouwd en in gebruik genomen voor de productie van elektriciteit. Dit betekent tevens dat voor het gekozen reactorontwerp een toepasselijk regulerend kader bestaat.

De veiligheid: Reactoren moeten voldoen aan de technische eisen die gelden op grond van Europese en Nederlandse regelgeving. Voor het vaststellen van de technische randvoorwaarden geldt dat de laatste inzichten zullen worden gehanteerd. Hiervoor verwijs ik uw Kamer ook naar de brief van de Staatssecretaris van IenW, die gelijktijdig met deze brief wordt verstuurd.

Ons kenmerk DGKE-PK / 22488932

Afweging Reactortechnologie kan grofweg in vier generaties worden onderverdeeld. De eerste twee generaties zijn echter voor de techniekkeuze meteen uit te sluiten. De eerste generatie (Gen I) zijn prototype en proof-of-principle reactoren geweest. Moderne, gestandaardiseerde ontwerpen van de tweede generatie (Gen II) kunnen weliswaar economisch aantrekkelijk zijn, maar voldoen niet aan de extra veiligheidseisen die worden gesteld sinds grootschalige ongevallen. Generatie drie reactoren (Gen III en III+) zijn een technische doorontwikkeling van generatie II, met verbeteringen op het gebied van bedrijfsduur, brandstoftechnologie, thermische efficiëntie en gestandaardiseerde ontwerpen. Voor generatie III+ reactoren geldt dat de extra veiligheidseisen al zijn geïncorporeerd in het ontwerp. Deze moderne centrales zijn tevens in staat om flexibel te produceren en kunnen dus effectiever en efficiënter ingepast worden in een systeem met zonne- en windenergie. Concreet betekent dit dat een kerncentrale meermaals per dag lastvariaties kan opvangen tussen 50 en 100% van het nominale vermogen in een tempo van 3 tot 5% per minuut. De mate waarin hier gebruik van gemaakt zal worden is afhankelijk van hoe economisch rendabel dit zal zijn.

Pagina 17 van 25

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Programmadirectie Kernenergie

Sommige van deze reactoren hebben te maken gehad met typische FOAKproblemen die tot kostenoverschrijdingen en vertragingen hebben geleid. Hieruit zijn lessen geleerd, bijvoorbeeld dat het belangrijk is om te starten met een uitgerijpt ontwerp dat tijdens de bouw geen grote technische aanpassingen vereist. Dit zorgt ervoor dat het aannemelijk is dat deze reactoren gerealiseerd kunnen worden zonder grote afwijkingen in tijds- en kostenplanning

Ons kenmerk DGKE-PK / 22488932

Tot slot zijn er nog de vierde generatie reactoren (Gen IV). Dit zijn de reactoren van de toekomst en deze bevatten een breed spectrum aan technieken die nu nog niet operationeel zijn. De ontwerpen zijn bijvoorbeeld gebaseerd op een andere koeltechniek (zoals gesmolten zout) of maken gebruik van een andere energiebron (zoals thorium). Van deze generatie reactoren worden grote voordelen verwacht op het gebied van veiligheid en mogelijk verminderde productie van radioactief afval. Deze indeling in verschillende generaties is goed toepasbaar op conventionele reactoren die door hun ontwikkeling en schaalvergroting inmiddels vermogens produceren in de orde van grootte >1 GW. Parallel is sinds het begin van dit millennium een ontwikkeling op gang gekomen van zogenaamde Small Modular Reactors (SMRs). Onder deze noemer is een veelvoud aan ontwerpen in verschillende stadia van ontwikkeling gevangen. Vergeleken met conventionele reactoren hebben SMRs vaak een kleiner vermogen, hoewel er ook reactorontwerpen te vinden zijn met dezelfde orde van grootte als de huidige kerncentrale in Borssele. Het modulaire aspect wordt in sommige ontwerpen uitgewerkt in de vorm van meerdere kleine reactoren die samen een grote centrale vormen. In andere concepten worden onderdelen van de centrale in kleine modules geconstrueerd, die vervolgens ter plaatse worden samengesteld.

Het is van belang dat ontwikkelaars van SMRs de komende tijd tot bewezen en goedgekeurde concepten komen. Ruimtelijke inpassing Waarborgbeleid Nederland beschikt over een waarborgbeleid voor kernenergie. Hierin is het beleid ter waarborging van vestigingsplaatsen voor het gebruik van kernenergie vastgelegd. In Nederland zijn drie locaties aangewezen waar restricties gelden op de ruimtelijke ontwikkeling, de zogeheten waarborglocaties. Voor deze locaties geldt dat zij voldoen aan de randvoorwaarden zoals genoemd in mijn brief van juli jl. Voor waarborglocaties geldt dat er geen ontwikkelingen plaats mogen vinden die de eventuele bouw van kerncentrales onmogelijk maken of ernstig belemmeren. Deze bepalingen zijn opgenomen in het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening (SEV III) en verder uitgewerkt in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). De waarborglocaties betreffen de vestigingsplaatsen Eemshaven, Maasvlakte I, en Borssele. Tijdens een Wetgevingsoverleg op 4 maart 2021 is een motie van Tweede Kamerlid Beckerman 17 aangenomen die uitspreekt dat Eemshaven als waarborglocatie geschrapt moet worden. Daarnaast is een motie van de leden 17

Kamerstuknummer 35 603, nr. 51 Pagina 18 van 25

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Programmadirectie Kernenergie

Sienot en Mulder 18 aangenomen die oproept geen kerncentrale te realiseren in de provincie Groningen. Eemshaven wordt niet overwogen voor de twee nieuw te bouwen centrales en het kabinet is voornemens Eemshaven als waarborglocatie uit het wettelijk kader te schrappen. 19

Ons kenmerk DGKE-PK / 22488932

De tweede locatie binnen het waarborgbeleid is de Maasvlakte I. De KPMG marktconsultatie laat zien dat de gemeente Rotterdam bij voorkeur prioriteit geeft aan het benutten van de schaarse ruimte voor het realiseren van projecten uit het Rotterdams Klimaatakkoord 2019. Dit betreft voornamelijk ambities op het gebied van waterstof. Wat betreft ruimtelijke inpassing lijkt het ingewikkeld om zowel de waterstofambities van de gemeente en het Rijk als de bouw van twee kerncentrales te realiseren in het havengebied van Rotterdam. 20 Voor de m.e.r. wordt Maasvlakte I in ieder geval beschouwd als redelijk alternatief. Ik heb dit met de gemeente Rotterdam en de provincie Zuid-Holland besproken in een bestuurlijk overleg op 1 december jl. Ik zal hen en de omgeving in goed overleg betrekken bij het vervolgproces van de m.e.r. Op de derde waarborglocatie, Borsele, staat de enige kerncentrale van Nederland die momenteel in bedrijf is voor elektriciteitsproductie. Dit betekent dat veel nucleaire kennis momenteel is gevestigd in de exploitatie van de kerncentrale in de gemeente Borsele. Ook andere nucleaire infrastructuur, zoals de opslagplaats voor radioactief afval bij COVRA, is in de provincie Zeeland gevestigd. Om deze redenen is Borssele de voorkeurslocatie voor de twee nieuw te bouwen centrales.

Hierboven heb ik al uiteengezet hoe ik het belang van lokaal draagvlak weeg en hoe ik hiermee met bewoners en lokale bestuurders aan de slag wil gaan. Vervolg richting definitief locatiebesluit Voordat een definitief locatiebesluit kan worden genomen, moet eerst een m.e.r. worden opgesteld. Deze is bedoeld om zo snel mogelijk inzicht te verkrijgen in de milieutechnische afwegingen en belangen die spelen rond de potentiële locaties. Bovendien geeft deze procedure aan burgers, lokale overheden, private partijen en andere geïnteresseerden ook de mogelijkheid tot gedegen inspraak. Inspraak is daarbij niet alleen relevant op nationaal, maar ook op internationaal niveau. Het Verdrag van Espoo schrijft namelijk voor dat bij eventueel grensoverschrijdende milieueffecten van besluiten in Nederland ook zienswijzen worden meegewogen van burgers en partijen in het buitenland. In het Verdrag van Aarhus staat tevens dat burgers in het buitenland ook inspraak en toegang tot de rechter verleend moet worden in de besluitvorming omtrent milieuaangelegenheden. De ervaringen bij de bedrijfsduurverlenging van de kerncentrales Doel I en II in België leren dat er van de internationale mogelijkheden tot inspraak veel gebruik wordt gemaakt.

Dit traject, dat ik vanaf 2023 zal inrichten en starten, leidt ertoe dat ik verwacht dat het kabinet op zijn vroegst eind 2024 een definitieve locatiekeuze kan maken. Daarnaast moet de inpassing van eventuele nieuwe kerncentrales in het hoogspanningsnet worden bezien in samenhang met verschillende energieKamerstuknummer 35 603, nr. 59 Op deze manier wordt invulling gegeven aan de motie Beckerman (Kamerstuknummer 35 603, nr. 51) en de motie Sienot en Mulder (Kamerstuknummer 35 603, nr. 59) 20 SmartPort: Kernenergie: Stand der techniek, ruimtelijke inpassing en de organisatie van besluitvorming (2021). 18 19

Pagina 19 van 25

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Programmadirectie Kernenergie Ons kenmerk

infrastructuur projecten, zoals aanlandingen van wind op zee en voorziene DGKE-PK / 22488932 netversterkingen voor de verduurzaming van de plaatselijke industrie. Ik heb daarom TenneT gevraagd nader te onderzoeken of de realisatie van twee conventionele kerncentrales op één bepaalde locatie kan leiden tot eventuele knelpunten op het hoogspanningsnet. Dit zal samen met ons en in samenspraak met lokale partijen worden uitgewerkt en ik zal u daarover nader informeren. Naast deze potentiële knelpunten, vind ik het belangrijk mogelijke problemen voor omwonenden rondom de bouw van eventuele centrales te inventariseren, gezien de reeds aanwezige grote infrastructuur projecten. Tot slot heeft de uitbreiding van kernenergie een bredere systeemcomponent. Het hangt samen met ontwikkelingen op het gebied van elektrificatie in de industrie en in het gehele land, de doorontwikkeling van wind op zee, de locaties voor aanlanding daarvan en de algehele elektriciteitsinfrastructuur. Er is een maximum aan het elektriciteitsvolume dat transportnetten kunnen vervoeren. Dit geldt overigens ongeacht de vorm van energieopwekking, ook op andere plekken in het land. Voordat antwoord kan worden gegeven op de vraag wat dit betekent ten aanzien van de ontwikkeling van het transportnet moeten ook de ontwikkeling van de lokale (grootschalige) elektriciteitsvraag in beeld zijn gebracht.

De allocatie van de ambities voor de productie van waterstof zijn daarbij bijvoorbeeld van groot belang. Gegeven de schaarste aan waarborglocaties waar conventionele kerncentrales op korte termijn kunnen worden ontwikkeld, en gegeven het belang van onder andere diversificatie van het energiesysteem, zal er een bewuste afweging moeten worden gemaakt over de verdeling van potentieel van het toekomstige transportnet. Toekomstige inpassing kernenergie in het energiesysteem Gezien de doorgroei van de elektriciteitsvraag na 2035 zou het vanuit systeemperspectief waardevol kunnen zijn om te onderzoeken of eventuele verdere uitbouw van kernenergie, dus in aanvulling op de twee geplande centrales, ook mogelijk is op andere plaatsen dan de waarborglocaties. Of er in de toekomst daadwerkelijk meer vermogen aan kernenergie nodig is, zal moeten blijken uit het NPE. Het NPE wordt eind tweede kwartaal 2023 verwacht. Er zijn al regio’s in Nederland die hebben aangegeven dat er ruimte in hun bestemmingsplan kan komen voor de realisatie van kernenergie. Dit gaat onder andere om de provincie Noord-Brabant en de provincie Limburg. Het bestuursakkoord van de Provincie Noord-Brabant (2020-2023) geeft aan dat productiefaciliteiten voor kernenergie welkom zijn in de provincie. Noord-Brabant heeft TNO een verkennend onderzoek laten uitvoeren naar de mogelijke rol van kernenergie in de provincie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12364508/1