7.2 Bijlage ontwerpbestemmingsplan Oostgaarde 's Gravenpolder
Tekst van het document
13 Vos and Van Heeringen: 1997; Delporte, 2021: 16 14 Vos and van Heeringen: 1997; Delporte, 2021: 16 15 Delporte, 2021: 16 16 Dekker, 1971: 20. 17 Vlam, 1944; Coen, 2008; Delporte, 2021: 16
16
ARTEFACT RAPPORT 684
’S-GRAVENPOLDER, SERINGESTRAAT-MAGNOLIASTRAAT-VUURDOORNSTRAAT
Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) Ten behoeve van dit onderzoek is ook het DINO-loket (TNO Geologische Dienst Nederland) geraadpleegd. Dit bevat de data van een groot aantal in Nederland uitgevoerde boringen (GeoTOP 1.4). Binnen het plangebied bevinden zich geen boringen. Wel zijn er vier boringen in de nabije omgeving gezet die 32 tot 172 meter van het onderzoeksareaal verwijderd liggen (figuur 5). In de dichtstbijzijnde boring B48H1059, ten noordoosten van het plangebied, komt vanaf het maaiveld tot op een diepte van 2,50 m -mv (1,80 m -NAP) een pakket klei van het Laagpakket van Walcheren voor met daartussen een zandlaag van circa één meter dik (vanaf 1,60 m -NAP). Volgens de Geologische Kaart (figuur 4) is deze boring gesitueerd in een gebied waar jonge afzettingen van Duinkerke 3a op oudere afzettingen van Duinkerke gelegen zijn. Het zandige pakket wijst op een meer dynamische fase die de beide afzettingen van Duinkerke van elkaar onderscheidt. De boring is namelijk geplaatst aan de rand van een kreek. Onder het Laagpakket van Walcheren ligt het Hollandveen, gevolgd door de kleiafzettingen van het Laagpakket van Wormer (4 m -mv/3,30 m -NAP) en het Basisveen (8,90 m -mv/8,20 m -NAP). Boring B48H1056 laat een soortgelijke profielopbouw zien die tevens aan de rand van een kreek is gezet.
Hier bestaat de ondergrond uit kleiafzettingen van het Laagpakket van Walcheren, met eveneens een zandlaag ertussen van circa 0,70 meter dik, op het Hollandveen (2,30 m -mv/1,50 m -NAP) op zandige kleiafzettingen van het Laagpakket van Wormer (3,10 m -mv/2,30 m -NAP). Het profiel in boring B48H1060 bevindt zich op grotere afstand van het krekensysteem en het Laagpakket van Walcheren bestaat hier enkel uit kleiafzettingen. Hieronder ligt het Hollandveen (2,10 m -mv/1,50 m -NAP) op kleiafzettingen van het Laagpakket van Wormer (3,50 m -mv/2,90 m -NAP) op dekzand (8,30 m -mv/7,70 m -NAP). Tenslotte kan boring B48H1057 worden aangehaald die, volgens de Geologische Kaart, in de kreek zelf is geplaatst en overeenkomt met de ondergrond in het noordoostelijke gedeelte van deel B van het plangebied. In het profiel rusten hier kleiafzettingen van het Laagpakket van Walcheren op kleiafzettingen van het Laagpakket van Wormer (2,50 m -mv/2,50 m -NAP) op dekzand (7,90 m -mv/7,90 m -NAP). Het Hollandveen is hier volledig weg geërodeerd.
Figuur 5 Uitsnede van de Geologische Kaart. Bron: van Rummelen, 1978.
17
ARTEFACT RAPPORT 684
’S-GRAVENPOLDER, SERINGESTRAAT-MAGNOLIASTRAAT-VUURDOORNSTRAAT
Bodem Het plangebied ligt op de Bodemkaart van Nederland 18 (figuur 6) in een zone met kalkrijke poldervaaggronden bestaande uit lichte zavel (Mn15A). Deze gronden hebben een grondwatertrap VI. Dit houdt in dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand tussen de 40 en 80 cm beneden maaiveld en de gemiddeld laagste grondwaterstand meer dan 120 cm beneden maaiveld ligt. De gronden zijn hierdoor zeer goed ontwaterd.
Figuur 6 Uitsnede van de bodemkaart van Nederland. Bron: Bazen, 1987.
Een enkele decennia oudere bodemkaart van de Stichting voor Bodemkartering (figuur 7) geef de code D weer voor de zone waarin het plangebied is gesitueerd. Dat wil zeggen dat het hier om Nieuwland schorgronden gaat. 19 .Dit voormalige schorgebied is tot minstens 120 cm lutumhoudend (12 tot 18%) en is licht zavelig.
18 Bazen, 1987. 19 Zie ook Dekker, 1971, 84
18
ARTEFACT RAPPORT 684
’S-GRAVENPOLDER, SERINGESTRAAT-MAGNOLIASTRAAT-VUURDOORNSTRAAT
Figuur 7 Uitsnede bodemkaart van Nederland. Bron: Stichting voor Bodemkartering, Afdeling Zeeland, 1959-1960.
Op de Geomorfologische Kaart van Nederland20 (figuur 8) ligt het plangebied in een vlakte van getijafzettingen (code 2M35).
20 Brus en de Lange, 1985.
19
ARTEFACT RAPPORT 684
’S-GRAVENPOLDER, SERINGESTRAAT-MAGNOLIASTRAAT-VUURDOORNSTRAAT
Figuur 8 Geomorfologische kaart. Bron: Brus en de Lange, 1986.
Actueel Hoogtebestand Nederland Het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN4) illustreert de zojuist besproken geologische situatie. Een bewerkte uitsnede van het AHN is te zien in de figuren 9 en 10. De lager gelegen gebieden zijn aangegeven met een blauwe kleur en de hoger gelegen delen van het landschap met een gele tot rode kleur. Het Actueel Hoogtebestand Nederland toont aan dat het plangebied op een overgang ligt tussen het laaggelegen komgebied en een hoger gelegen geulrug. De maaiveldhoogte van het plangebied ligt tussen 0,78 en 1,00 m +NAP. Richting het noordoosten, daar waar het komgebied gesitueerd is, loopt deze af tot 1,00 m -NAP. Op het deel van de inversierug, waar ’s-Gravenpolder op is gelegen, is de maaiveldhoogte moeilijker te achterhalen door vele bebouwing hier, maar deze varieert tussen de 0,60 en 1,00 m +NAP. Op de weergave van figuur 9 is te zien dat het plangebied ligt in een zone die onderdeel uitmaakt van een grote inversierug van een getijdengeul. Een restantje van dit geulensysteem is ten zuiden van ’s-Gravenpolder nog in het landschap waarneembaar als een duidelijk lager gelegen gebied. De Zwaakse Weel, ten zuidwesten van ’sGravenpolder gelegen, is het nog hedendaagse actieve deel van deze restgeul. Ten noordwesten en noordoosten van het plangebied liggen twee grote komgebieden.
20
ARTEFACT RAPPORT 684
’S-GRAVENPOLDER, SERINGESTRAAT-MAGNOLIASTRAAT-VUURDOORNSTRAAT
Figuur 9 Bewerkte uitsnede Actueel Hoogtebestand Nederland. Bron: www.pdok.nl (AHN4 0,5 meter raster DTM).
Het zojuist geschetste beeld van het landschap stemt overeen met de Geologische Kaart van Van Rummelen, de profielen die zijn beschreven in de DINO-boringen (figuur 5), de Bodemkaart uit 1987 (figuur 6) en met de Geomorfologische Kaart van Brus en de Lange uit 1986 (figuur 8).
21
ARTEFACT RAPPORT 684
’S-GRAVENPOLDER, SERINGESTRAAT-MAGNOLIASTRAAT-VUURDOORNSTRAAT
Figuur 10 Bewerkte uitsnede Actueel Hoogtebestand Nederland. Bron: www.pdok.nl (AHN4 0,5 meter raster DTM).
2.3
Historie
2.3.1
Historisch-geografische ontwikkeling
Om de historisch-geografische ontwikkeling van de ’s-Gravenpolder goed te kunnen begrijpen, zal hieronder eerst een algemene situatie van Zuid-Beveland geschetst worden zoals deze zich voordeed ten tijde en na de grote stormvloeden van 1014 en 1134. Grote delen van Zeeland werden geïnundeerd na de stormvloed van 1014. Het gebied tussen het huidige Middelburg en ’s-Heer Arendskerke en in de gebieden ter plaatse van Heinkenszand, Ovezande en ’s-Heerenhoek kwamen onder water te staan. Tussen de hoger gelegen delen van Zuid-Beveland werd een brede geul uitgesleten die de naam de Zwake heeft gekregen. Ten zuiden van deze geul bleven na de vloed drie eilanden bestaan, namelijk Borsele, Oudelande en Baarland. 21 De impact van de gebeurtenis uit 1014 zorgde er wel voor dat men kunstmatige woonhoogten ging opwerpen en lokaal dijkjes ging aanleggen ter bescherming tegen het water. De verschillende kreken, die tijdens de stormvloed waren ontstaan, verzanden langzaamaan en werden vervolgens afgedamd, waardoor het verzandingsproces van de waterlopen sneller in gang trad. Op deze wijze werden de drie eilanden Borsele, Oudelande en Baarland met elkaar verbonden. 22
21 Dekker, 1971, 86-87 22 Dekker, 1971, 89-91 en 124-127
22
ARTEFACT RAPPORT 684
’S-GRAVENPOLDER, SERINGESTRAAT-MAGNOLIASTRAAT-VUURDOORNSTRAAT
Na de grote stormvloed van 1134 ging in Zuid-Beveland veel land verloren in de gebieden ten westen van Goes, OostZuid-Beveland en ten noorden van Kattendijke, Wemeldinge en Yerseke. Ook bij deze vloed zijn verschillende nieuwe kreken ontstaan.23 In plaats van een lokale defensieve aanpak ter bescherming tegen het water, zoals dat voor de vloed van 1134 werd toegepast, werd nu overgegaan op systematische grootschalige defensieve, maar ook offensieve bedijking. Een eerste fase van bedijking kan worden geplaatst vanaf het midden van de 12 e eeuw tot het begin van de 13e eeuw. Hierbij werd geïnundeerd land opnieuw ingepolderd.24 De grotere gebieden werden in deze tijdsperiode samengebracht door het aanleggen van grote ringdijken. Zo werden onder andere de drie eilanden Borsele, Oudelande en Baarland samengevoegd tot één omsloten geheel (het eiland Borssele), maar ook het zuiden van westelijk ZuidBeveland en de omgeving van Reimerswaal (figuur 11 en 12).25
Figuur 11 Reconstructietekening van de bedijking van Borsele, Baarland en Oudelande. Bron: Dekker, 1971.
Het plangebied en daarmee ook het dorp ’s-Gravenpolder zelf vallen net buiten het gebied van de ringdijk dat bekend staat als de Brede Watering bewesten Yerseke (figuur 12). Dit land werd pas ingepolderd in de tweede fase van het systematisch aanleggen van dijken vanaf de tweede helft van de 13e eeuw.26 Men ging toen over tot het inpolderen van nieuwe gronden.27 De nieuwe polders hadden niet enkel het doel voor het vergroten van het landbouwareaal, maar konden ook als buffer dienen voor de oudere polders tegen overstromingen.
23 Dekker, 1971, 95-97 24 Dekker, 1971, 131
23
25 Dekker, 1971, 129 26 Dekker, 1971, 131 27 Bij Dekker worden deze polders ook wel met de term nieuwland aangeduid. Dit zijn schorren, slikken en hoge plaatgronden die
sinds de Late Middeleeuwen door bedijking aan de zee zijn onttrokken (Dekker, 1971, 218).
ARTEFACT RAPPORT 684
’S-GRAVENPOLDER, SERINGESTRAAT-MAGNOLIASTRAAT-VUURDOORNSTRAAT
Figuur 12 De Brede Watering bewesten Yerseke met aanduiding van de kreekruggen (ongearceerde zones). Brok: Dekker, 1971.
Gebieden buiten de dijken kwamen pas in aanmerking voor inpoldering wanneer deze gronden voldoende waren opgeslibd.28 De zone waarin het plangebied ligt kwam aan het begin van de 14e eeuw hiervoor in aanmerking. Het bevindt zich in de oudste en grootste polder (ongeveer 260 ha) ten oosten van de Zwake en droeg de naam de Oude Polder van Voortrappen (figuur 13).29 Deze heeft zijn naam te danken aan het gelijknamige gehucht dat bij de grens gelegen was tussen de Heerlijkheid van Kloetinge en ’s-Heer Abtskerke.30 De polder verkreeg in de eerste eeuw na de inpoldering van het gebied de naam ’s-Gravenpolder, omdat het in handen viel van de graven van Holland. 31 Wat betreft de datering van de Oude Polder van Voortrappen, moet deze worden gezocht rond 1316. 32 In de loop van de 14e en ook 15e eeuw werden de gebieden rondom de ’s-Gravenpolder ingepolderd (figuur 12). Door het verzandingsproces van de Zwake en mede ook door de offensieve dijkenaanleg, boette deze meer en meer aan belang in totdat deze geul in 1445 werd afgedamd. De dam werd aangelegd tussen de Oude Polder van Voortrappen en de Nieuwe 28 Hier kan een onderscheid worden gemaakt tussen aanwas en opwas. Wanneer de slikken en schorren aan het bedijkte land
24
vastzaten, wordt dit als aanwas gezien. Vrijgelegen slikken en schorren, die van het bedijkte gebied gescheiden waren door water, worden daarentegen met de term opwas aangeduid. In het gebied van de polder waarin ’s-Gravenpolder is gelegen is er sprake van aanwas (Dekker, 1971, 219). 29 Een document uit 1318, een grafelijke rekening van Frederik van Valencijn, spreekt over dit gebied als het Nuweland van Vortrap (Dekker, 1971, 251). 30 De oudste verwijzing naar Voortrappen stamt uit een oorkonde uit 922 betreffende het bezit van de abdij van Egmond. In dit document werd de naam van de woonkern nog geschreven als Fortrapa (Dekker, 1971, 79). 31 Dekker, 1971, 250; Wilderom III, 1991, 155 32 De inpoldering kan niet later dan 1316 zijn geweest, aangezien in een document wordt vermeld dat het jaar daarna het land al geoogst kon worden (Dekker, 1971, 251).
ARTEFACT RAPPORT 684
’S-GRAVENPOLDER, SERINGESTRAAT-MAGNOLIASTRAAT-VUURDOORNSTRAAT
Hoondertpolder, zodat het eiland Borssele met het zich ten noorden daarvan gelegen stuk Zuid-Beveland werd verbonden. In 1474, 1510 en 1554 volgden nog een tweede, derde en vierde Zwakedam die de beide gebieden aaneensloten.33
Figuur 13 Aanleg van de polders ten oosten van de Zwake in de Late Middeleeuwen. Bron: Dekker, 1971.
Kort na het ontstaan van de ’s-Gravenpolder34 werd het gelijknamige dorp gesticht. De precieze stichtingsdatum is niet gekend, echter is wel bekend dat deze reeds een parochiekerk bezat in 1351. Zoals al eerder vermeld was het land in de eerste eeuw na de inpoldering in bezit van de Graven van Holland. Dit duurde tot 1430. Het overgrote deel van de polder werd vervolgens aan derden in cijns gegeven. In 1430 werd de ambachtsheerlijkheid ’s-Gravenpolder geschonken aan de hofmeester van Jacoba van Beieren, Willem de Bye. Deze had het gebied maar 7 of 8 jaar in bezit en moest deze vervolgens verkopen aan Frank van Borsele en Wolfert van de Maalstede. Na eerst rentmeester te zijn benoemd door Frank van Borsele voor een deel van de ’s-Gravenpolder, werd Willem Bolle uiteindelijk ook ambachtsheer van het gebied.35 Na het ontstaan van de ’s-Gravenpolder werd Zeeland nog met enige regelmaat getroffen door stormvloeden, met name in de 14e, 15e en 16e eeuw.36 De enorme schade die enkele van deze gebeurtenissen met zich meebrachten bleef 33 Dekker, 1971, 255; Wilderom III, 1991, 148 en 155-156
25
34 Door sommige auteurs ook wel Voortrappen genoemd (Dekker, 1971, 253; Wilderom III, 1991, 350), maar niet te verwarren met
het gehucht waaraan de Oude Polder van Voortrappen zijn naam dankt. 35 Dekker, 1971, 253; Van der Aa, 1855, 1681 36 Zie voor een kort overzicht van al deze stormvloeden: Kuipers, 2004, 27-37.
ARTEFACT RAPPORT 684
’S-GRAVENPOLDER, SERINGESTRAAT-MAGNOLIASTRAAT-VUURDOORNSTRAAT
de polder waarin het plangebied is gesitueerd meestal gespaard. Aan het begin van het jaar 1341 kregen vele Zeeuwse eilanden te maken met overstromingen door een hevige stormvloed. Op Zuid-Beveland was het met name het gebied rond Yerseke die veel leed te verduren kreeg. De daarop volgende waterramp vond plaats in 1404, die ook wel bekend staat als de Eerste St.-Elisabethsvloed. Deze had met name grote verwoestingen aangericht in (Zeeuws-)Vlaanderen, maar ook in delen van Walcheren en Zuid-Beveland. De gevolgen van de Tweede St.-Elisabethsvloed in 1421 waren daarentegen voor Zuid-Beveland beperkt. Met name Noord-Beveland en delen van Zuid-Holland en Noord-Brabant moesten het ontzien. In 1477 vond de Eerste Cosmas en Damianusvloed plaats. Net als de Eerste St.-Elisabethsvloed bracht ook deze veel schade aan op de meeste Zeeuwse eilanden. De daaropvolgende Tweede Cosmas en Damianusvloed in 1509 was eveneens van beperktere omvang en Zuid-Beveland bleef hierbij gespaard.37 Een van de meest bekende en catastrofale stormvloed is de St. Felixvloed in 1530, ook wel bekend als Sint Felix quade saterdach. Voor Zuid-Beveland betekende dit dat het oosten van Borsele en de Brede Watering Beoosten Yerseke (ook wel bekend als het Verdronken Land van Zuid-Beveland) permanent aan de zee werden prijsgegeven. Daarnaast werd het gebied rond Reimerswaal geïnundeerd. 38
Figuur 14 Verkleinde uitsnede van de Overzichtskaart van Zuid-Beveland vóór 1530 door Dekker (1971). Het plangebied is aangegeven met een zwarte stip. De kustlijn uit circa 1250 is met een rode stippellijn weergegeven, de kustlijn uit 1530 met een donkerblauwe lijn. Een overzichtskaart uit het werk van Dekker (figuur 14) schetst de situatie van Zuid-Beveland net voor de vloed van 1530 (blauwe lijn). Daarnaast wordt met een rode stippellijn de kustlijn rond circa 1250 weergegeven. Aan de hand van 37 Kuipers, 2004, 29-30 38 Wilderom III, 1991, 210; Kuipers, 2004, 31
26