7.1 Toelichting ontwerpbestemmingsplan Oostgaarde 's Gravenpolder
Tekst van het document
Bestemmingsplan “Oostgaarde, gedeelte Magnoliastraat-Vuurdoornstraat, 2023”
Vastgesteld door de raad van de gemeente Borsele bij besluit van , voorzitter , griffier
gemeente titel
Projectnummer imro-idn voorontwerp ontwerp vastgesteld
Borsele Bestemmingsplan “Oostgaarde, gedeelte MagnoliastraatVuurdoornstraat, 2023” BS4472 NL.IMRO.0654.BPGPMSVS2023-0003 04-10-2022 01-03-2023 29-06-2023
Bestemmingsplan "Oostgaarde, gedeelte Magnoliastraat-Vuurdoornstraat, 2023"
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doel 1.2 Bestaande situatie en begrenzing 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Gekozen planopzet
7 7 7 8 9
Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Omgeving en huidige gebruik 2.2 Planbeschrijving
11 11 11
Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid
15 15 19 21
Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 Bodem 4.2 Archeologisch onderzoek 4.3 Cultuurhistorie 4.4 Geluid 4.5 Water 4.6 Bedrijven en milieuzonering 4.7 Externe veiligheid 4.8 Flora en Fauna 4.9 Lucht 4.10 M.e.r. - beoordeling
23 23 24 25 25 26 29 30 33 35 35
Hoofdstuk 5 Juridische aspecten 5.1 Planvorm 5.2 De opzet van de planregels
37 37 37
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Financiële uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
41 41 41
Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1
Eindrapport verkennend bodemonderzoek
Bijlage 2
Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek
Bijlage 3
Stikstofdepositieberekening en AERIUS berekening
Bijlage 4
Vormvrije aanmeldnotitie
Bijlage 5
Vooroverleg- en inspraakrapport
3
Bestemmingsplan "Oostgaarde, gedeelte Magnoliastraat-Vuurdoornstraat, 2023"
4
Bestemmingsplan "Oostgaarde, gedeelte Magnoliastraat-Vuurdoornstraat, 2023"
Toelichting
5
Bestemmingsplan "Oostgaarde, gedeelte Magnoliastraat-Vuurdoornstraat, 2023"
6
Bestemmingsplan "Oostgaarde, gedeelte Magnoliastraat-Vuurdoornstraat, 2023"
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding en doel
Het in 2009 vastgestelde bestemmingsplan 'Oostgaarde' maakt het mogelijk om aan de oost zijde van de kern 's-Gravenpolder een woonwijk te realiseren. Voornoemd bestemmingsplan staat de bouw van ongeveer 95 grondgebonden woningen in diverse typologieën met bijbehorende (erf)ontsluitingen, groen en water toe. Deze woonwijk, grenzend aan het buitengebied, betreft een uitbreiding van de kern en is grotendeels gerealiseerd. Momenteel staat de gemeente, door de veranderende economische omstandigheden en gewijzigde marktvraag, voor de opgave om voldoende woningen voor de juiste doelgroepen te realiseren. Hierbij staat afstemming op de wensen van de bewoners voorop en gaat de voorkeur uit naar inbreiding in plaats van uitbreiding. Bij inbreiding heeft als voorwaarde te gelden, dat de kwaliteit van de leefomgeving, zowel in ruimtelijk als functioneel opzicht, moet zijn gewaarborgd. Meer concreet: de gedachte nieuwbouw moet passen binnen het gebruik, de hoofdopzet en vormgeving van de omliggende bebouwing. Aan de rand van de woonwijk Oostgaarde liggen nog twee groene, onbebouwde percelen. Deze konden eerder niet ontwikkeld worden vanwege de aanwezigheid van een paardenhouderij in de nabijheid van de locatie. Door beëindiging van de bedrijfsactiviteiten is dat nu milieutechnisch wel mogelijk.
Door deze twee percelen als woningbouwlocatie aan te wijzen kunnen maximaal 11 extra grondgebonden woningen worden opgericht, welke qua type, positionering en massa aansluiten op de directe de omgeving. Op deze wijze wordt de woonwijk op een passende en natuurlijke wijze afgerond én wordt invulling gegeven aan de actuele vraag naar woningen in de kern 's-Gravenpolder. Op basis van het in 2009 vastgestelde bestemmingsplan kunnen deze woningen niet worden gerealiseerd. Vandaar dat een partiële herziening van het bestemmingsplan nodig is. 1.2
Bestaande situatie en begrenzing
Zoals aangegeven ligt het plangebied binnen de bebouwde kom, aan de oostzijde van de kern 's-Gravenpolder in de uitbreidingswijk Oostgaarde. Het plangebied betreft het perceel, kadastraal bekend, gemeente Borsele, sectie AG, nummer 4167 (gedeeltelijk), doch bestaat feitelijk uit twee delen; de Magnoliastraat doorsnijdt het kadastrale perceel. Het plangebied wordt ontsloten door de Seringestraat, Magnoliastraat en Vuurdoornstraat en ten westen en ten zuiden begrensd door woonpercelen. De woonwijk wordt gekarakteriseerd door grondgebonden woningen, voornamelijk uitgevoerd als vrijstaande of twee-onder-een kapwoningen. Direct ten noorden van het plangebied bevinden zich agrarisch bestemde gronden met aan de Langeweg 84 een burgerwoning met een loods, alwaar op het bijbehorende terrein hobbymatig drie paarden worden gehouden. Op onderstaande luchtfoto wordt het plangebied in groter verband weergegeven.
7
Bestemmingsplan "Oostgaarde, gedeelte Magnoliastraat-Vuurdoornstraat, 2023"
Figuur 1: Luchtfoto, rood omlijnde delen betreft plangebied 1.3
Vigerend bestemmingsplan
Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Oostgaarde', zoals vastgesteld op 1 oktober 2009. In dit bestemmingsplan zijn beide percelen bestemd voor 'Groen' en worden door de Magnoliastraat van elkaar gescheiden. Binnen deze bestemming is de realisatie van woningen niet toegestaan. Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken, zal het bestemmingsplan voor de gronden in het plangebied herzien moeten worden ex artikel 3.1 van de Wro. Verder kent het bestemmingsplan geen binnenplanse wijzigingsbevoegdheid om de woningen binnen het plangebied mogelijk te maken.
8
Bestemmingsplan "Oostgaarde, gedeelte Magnoliastraat-Vuurdoornstraat, 2023"
Figuur 2: weergave verbeelding bestemmingsplan 'Oostgaarde', met daarop rood omlijnd aangegeven het plangebied 1.4
Gekozen planopzet
Het bestemmingsplan sluit qua juridische opzet aan op het vigerende bestemmingsplan en wordt door de gemeenteraad vastgesteld. De juridisch-planologische regeling geschiedt door middel van de bindende planstukken, te weten de planregels en de verbeelding. Zij omvatten enerzijds een vertaling van de beleidsvoorwaarden en anderzijds een juridisch kader voor de ontwikkellocatie. De bindende planstukken worden nader onderbouwd met de toelichting op de planregels en de verbeelding. Wat betreft planopzet sluit het bestemmingsplan aan op de gehanteerde systematiek van het bestemmingsplan 'Ooostgaarde'. Het plan is met inachtneming van de standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen (SVBP 2012) en het Informatie Model Ruimtelijke Ordening (IMRO 2012) vormgegeven.
9
Bestemmingsplan "Oostgaarde, gedeelte Magnoliastraat-Vuurdoornstraat, 2023"
10
Bestemmingsplan "Oostgaarde, gedeelte Magnoliastraat-Vuurdoornstraat, 2023"
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
Omgeving en huidige gebruik
In paragraaf 1.2 is reeds aangegeven, dat het plangebied is gelegen aan de oostkant van de kern 's-Gravenpolder en onderdeel uitmaakt van de bestaande woonwijk 'Oostgaarde', grenzend aan het buitengebied. Momenteel zijn beide percelen onbebouwd als grasveld ingericht. De woningen zullen, gelet op hun ligging aan de rand van de woonwijk, een natuurlijke afronding en overgang van de kern met het buitengebied vormen. Het welstandsbeleid is sinds januari 2013 door de gemeente Borsele verwoord in de in de "Beelkwaliteitsnota Borsele". Voor de wijk Oostgaarde is een separaat beeldkwaliteitsplan opgesteld, die hiervan onderdeel uitmaakt. Voor de nieuwe ontwikkeling wordt hierop aangesloten. In het beeldkwaliteitsplan zijn eisen gesteld met betrekking tot de ruimtelijke samenhang, openbare ruimte, massa en vorm, kleur en materiaalgebruik de gevels, erfafscheidingen en openbare ruimte. Het beeldkwaliteitsplan had onder andere het doel de bestaande stedenbouwkundige en architectonische kwaliteiten te borgen in de doorvertaling naar het nieuwbouwplan. Bij de ontwikkeling is hiermee zorgvuldig omgegaan en vormt ook voor deze kavels de basis voor nadere uitwerking. Zo gelden voor onderhavige delen de voorwaarden zoals gesteld voor het bebouwingscluster 1 en 3.
In dit deel van de woonwijk mag onder meer de bouwhoogte van de woningen uit maximaal 2 lagen met kap in de vorm van een zadeldak bestaan. De hellingshoek van de daken ligt daarbij voorkeur tussen de 40 en 55 graden. Bijgebouwen staan minimaal 6 meter achter de voorgevel, zodat het mogelijk is twee parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren. 2.2
Planbeschrijving
Beide percelen worden herzien van de bestemming 'Groen' naar 'Wonen'. Op grond van de bestemmingsplanmethodiek zoals gehanteerd in het bestemmingsplan 'Oostgaarde' wordt aan beide percelen binnen het op de verbeelding aangeduide bestemmingsvlak een bouwtitel met specifiek bouwaanduiding qua type toegekend. Op deze wijze wordt de ontwikkeling van maximaal 11 grondgebonden woningen mogelijk gemaakt. Dit bestemmingsplan biedt de juridisch-planologische randvoorwaarden voor die ontwikkeling. Aan de zijde van zowel de Seringestraat als de Vuurdoornstraat, welke door de Magnoliastraat van elkaar worden gescheiden, mogen vrijstaande en/of geschakelde woningen met een goothoogte van 3,50 meter en een bouwhoogte 9 meter worden opgericht. De woningen aan de Seringestraat zullen, daar de kavels daar minder diep zijn, een afwijkende bouwdiepte hebben. Evenwijdig aan de Magnoliastraat mogen zowel vrijstaande als geschakelde en tweeaaneen gebouwde woningen met een goothoogte van 3,5 meter en een nokhoogte van 10 meter worden opgericht. Concreet betekent dit dat er aan de zijde van de Magnoliastraat óf maximaal 6 twee-aaneen gebouwde woningen, óf maximaal 5 geschakelde óf 4 maximaal vrijstaande woningen kunnen worden gerealiseerd.
Verder gelden voor de beoogde nieuwe woningen de standaard bouwbepalingen uit het nu geldende bestemmingsplan 'Oostgaarde', zoals die ook gelden voor alle andere woningen in de kern.
11
Bestemmingsplan "Oostgaarde, gedeelte Magnoliastraat-Vuurdoornstraat, 2023"
Figuur 3: Verkavelingsopzet Oostgaarde, rode contour betreft plangebied Verkeer Binnen het plangebied wordt de ontsluiting verzorgd via het bestaande wegennet. Alle wegen betreffen 30 km/uur wegen. Aan de westzijde kan men de woonwijk via 3 wegen, de Kamperfoeliestraat, de Lavendelstraat en de Magnoliastraat, in en uitrijden. Daarnaast is de woonwijk voor het gemotoriseerd verkeer ook aan de oostzijde, via de Magnoliastraat te bereiken. De Magnoliastraat vormt daarmee de belangrijkste ontsluiting van de woonwijk en leidt het verkeer in noordelijke richting verder naar de N666 en A58. Deze wegenstructuur wordt in de nieuwe situatie niet gewijzigd. Door het realiseren van maximaal 11 extra woningen neemt het verkeer op de direct aangrenzende wegen rondom de geprojecteerde woningen toe. Deze toename is niet echter merkbaar, daar deze zich over de bestaande wegen zal verdelen en vervolgens snel in het heersende verkeersbeeld zal worden opgenomen. Verder blijft de toename van verkeersbewegingen binnen de marges van de capaciteit en maatvoering van de bestaande wegen en levert derhalve geen problemen op voor de verkeersafwikkeling op het bestaande wegennet. Meer concreet: de huidige wegprofielen kunnen deze verkeersgeneratie goed verwerken en de ontwikkeling levert daarmee verkeerskundig geen knelpunten op.
12
Bestemmingsplan "Oostgaarde, gedeelte Magnoliastraat-Vuurdoornstraat, 2023"
Parkeren Binnen het plangebied worden verschillende typen woningen gerealiseerd. Deze woningen worden ontsloten aan de voorzijde van de nieuwbouwwoningen langs de Seringestraat, de Magnoliastraat en Vuurdoornstraat. Conform de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' geldt voor vrijstaande en twee-onder-kapwoningen een parkeernorm van respectievelijk 2 en 2,1 parkeerplaats per woning. Met de realisatie van maximaal 11 woningen dienen daarmee minimaal 23 parkeerplaatsen te worden aangelegd. De voor de woningen benodigde parkeerbehoefte zal op eigen terrein en in de openbare ruimte worden opgelost. Zo wordt bij iedere woning op eigen perceel één parkeerplaats gerealiseerd en beschikt de openbare ruimte over voldoende capaciteit om het bezoekersparkeren op te vangen. Op deze wijze wordt aan de parkeernormen voldaan. Conclusie De ontsluiting van het plangebied is goed te noemen. De omliggende wegen hebben voldoende capaciteit om de toename van verkeer te verwerken. Parkeren wordt binnen het plangebied en aangrenzende openbare ruimte opgelost. Geconcludeerd wordt dat de aspecten verkeer en parkeren de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
13
Bestemmingsplan "Oostgaarde, gedeelte Magnoliastraat-Vuurdoornstraat, 2023"
14
Bestemmingsplan "Oostgaarde, gedeelte Magnoliastraat-Vuurdoornstraat, 2023"
Hoofdstuk 3
Beleidskader
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het voor de beoogde ontwikkeling relevante beleid van Rijk, provincie en gemeente. Per beleidsdocument worden de relevante aspecten behandeld. 3.1
Rijksbeleid
Nationale Omgevingsvisie Per 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. Hierin zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. In de Nationale Omgevingsvisie wordt door het Rijk een langetermijnvisie op 2050 gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk.
Figuur 4: Afwegen met de NOVI (bron: Nationale Omgevingsvisie) De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met ambities. Ook worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. De vier prioriteiten De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten. De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie Duurzaam economisch groeipotentieel Sterke en gezonde steden en regio's Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied
15
Bestemmingsplan "Oostgaarde, gedeelte Magnoliastraat-Vuurdoornstraat, 2023"
Drie afwegingsprincipes Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: '(a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften'. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: Combineren boven enkelvoudig Kenmerken & identiteit Afwentelen voorkomen In de NOVI zijn de volgende nationale belangen genoemd die het project raken: Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften.
Voor wat betreft de volgende nationale belangen “Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit” en “Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving” wordt verwezen naar de milieuonderzoeken, zoals die in Hoofdstuk 4 Milieuaspecten aan de orde komen. Het realiseren van een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften behelst een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming. Vraaggericht programmeren en realiseren van verstedelijking door provincies, gemeenten en marktpartijen is nodig om groei te faciliteren, te anticiperen op stagnatie en krimpregio's leefbaar te houden. Ook dient de ruimte zorgvuldig te worden benut en overprogrammering te worden voorkomen. Om beide te bereiken, is een ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro)en Besluit ruimtelijke ordening Voor de doorwerking van de rijksbelangen in plannen van lagere overheden, is het Barro opgesteld. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 (grotendeels) in werking getreden en omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen.
Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. De 'ladder voor duurzame verstedelijking' is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro (artikel 3.1.6 lid 2) bepaalt dat voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen de treden van de ladder moeten worden doorlopen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte. Met de ladder voor duurzame verstedelijking wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.'
16
Bestemmingsplan "Oostgaarde, gedeelte Magnoliastraat-Vuurdoornstraat, 2023"
Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Uit de 'overzichtsuitspraak' van de ABRvS blijkt dat wanneer een ruimtelijk besluit voorziet in méér dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie zijn aan te merken, deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. Op de planlocatie worden maximaal 11 extra vrijstaande woningen mogelijk gemaakt. Dit is minder dan de gestelde 12, waarmee de ontwikkeling formeel op basis van de rechtspraak niet ladderplichtig is. Alhoewel de planvorming formeel niet ladderplichtig is, is er wel een motivering nodig waaruit blijkt dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In het kader van de uitvoerbaarheid moet onder andere aandacht worden besteedt aan de behoefte, nut en noodzaak van het plan. Hiertoe is het planvoornemen, ofschoon dit niet is vereist, langs de ladder gelegd. De behoefte wordt onderbouwd en afgewogen op het niveau van het verzorgingsgebied van de ontwikkeling. Dit betekent dat de aard en omvang van de ontwikkeling bepalend zijn voor de reikwijdte van het onderzoek naar, de beschrijving van en het overleg over de behoefte, waarvan de uitkomsten dienen te zijn opgenomen in de plantoelichting.
Het is primair aan de bestuursorganen om op basis van het ruimtelijke verzorgingsgebied van de nieuwe stedelijke ontwikkeling te bepalen hoe uitgebreid het onderzoek moet plaatsvinden, met welke bestuursorganen en diensten het overleg over de nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt gevoerd en tot welk gebied de onderbouwing van de behoefte zich uitstrekt. Dit gebied kan verschillen naar gelang de aard en de omvang van de voorziene stedelijke ontwikkeling in relatie tot de context. Behoefte Uit de 'overzichtsuitspraak' van de ABRvS blijkt dat, indien sprake is van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling', de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling in het ruimtelijk besluit dient te worden beschreven. Het kan hierbij zowel gaan om een kwantitatieve behoefte als een kwalitatieve behoefte. De beschrijving van de behoefte dient te worden gebaseerd op voldoende actuele, concrete en zo mogelijk cijfermatige gegevens. Het is niet in strijd met art. 3.1.6, lid 2 Bro als voor de onderbouwing van de behoefte in het ruimtelijk besluit wordt verwezen naar een of meer onderzoeksrapporten of beleidsdocumenten. Kwantiteit De behoefte aan woningbouw wordt in Zeeland bepaald aan de hand van de Bevelandse woningmarktafspraken. Het beleid van de gemeenten binnen deze regio is om zoveel mogelijk in te spelen op woonwensen die leven.
In dat kader is de keuze gemaakt om op verschillende aantrekkelijke locaties aanbod te creëren, zodat er keuzemogelijkheden zijn. Dit is ook verwerkt in de Bevelandse woningmarktafspraken. Onderhavige ontwikkellocatie is in deze afspraken opgenomen en daarmee in regionaal verband afgestemd met de gemeenten Noord-Beveland, Goes, Kapelle en Reimerswaal en met de provincie Zeeland. Kwaliteit Op basis van de woonwensen/marktvraag zijn de Bevelandse woningmarktafspraken opgesteld. Onder andere het 'Kwalitatief Woningmarkt Onderzoek Zeeland 2019' (KWOZ) ligt ten grondslag aan de Bevelandse woonvisie en de Bevelandse woningmarktafspraken. Voor de gemeente Borsele is een Factsheet opgesteld als lokale verdieping op de KWOZrapportage.
17
Bestemmingsplan "Oostgaarde, gedeelte Magnoliastraat-Vuurdoornstraat, 2023"
Uit deze rapportage blijkt dat: Tot 2040 er een toename is van circa +1.000 huishoudens, de groei zit overwegend in 65-plusdoelgroep en beperkt in de groep gezinnen, Een sterke verschuiving gesignaleerd wordt in behoefte van reguliere grondgebonden woningen naar nultredenwoningen als gevolg van aanhoudende vergrijzing, Circa 490 woningen in kwetsbare woningsegmenten zitten waar ook theoretische overschotten in ontstaan: vooral kleine sociale huurwoningen en kleine goedkope reguliere grondgebonden koop. De Stec-groep heeft daarbij voor de opgaven 2019-2029 een doorstroommodel opgesteld. Dit doorstroommodel geeft de Borselse woonopgave weer (de behoefte en de theoretische overschotten). Het model houdt rekening met de huidige woonsituatie, verhuisgeneigdheid en woonwensen van bestaande huishoudens, maar ook met de ontwikkeling van doelgroepen. De gemeente wil zo veel mogelijk rekening houden met het doorstroommodel en de woningbouwopgave zoals opgenomen in de Factsheet 2019-2029 en de Bevelandse Woonvisie 2019-2023 bij het toevoegen van nieuwe woningen. De gemeente toetst zowel het huidige woningbouwprogramma als nieuwe initiatieven op de passendheid bij de behoefte. Uit het doorstroommodel komt naar voren, dat er onder meer een specifieke vraag is naar grondgebonden koopwoningen.
Voorliggend plan, waarbij een variatie van woningtypen, omvang en prijsklassen, aansluitend op de kwalitatieve vraag wordt geboden, voorziet daarin. Hiermee wordt aan de kwalitatieve behoefte voldaan en zorgt voor bevordering van de woningdifferentiatie. Bestaand stedelijk gebied Uit de wetstekst en de 'overzichtsuitspraak' van de ABRvS blijkt dat indien de 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' buiten 'bestaand stedelijk gebied' is gelegen, de verantwoording in het ruimtelijke besluit een motivering dient te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het onderhavige plangebied is gelegen binnen het 'bestaand stedelijk gebied' van de kern 's-Gravenpolder. De “ladder” hoeft niet verder te worden doorlopen. Conclusie Los van het feit, dat onderhavige ruimtelijke ontwikkeling formeel niet is aan te merken als een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling', is aangetoond dat deze voorziet in een behoefte aan grondgebonden woningen. Verder is de ontwikkeling gelegen binnen 'bestaand stedelijk gebied'. Er wordt efficiënt gebruik gemaakt van de beschikbare ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied van 's-Gravenpolder.
Verder wordt door de gemeente met betrekking tot het beleidsveld 'wonen' ingezet op het aanbieden van voldoende en kwalitatief goede huisvesting voor diversedoelgroepen, waarbij het aanbod – zowel nu als in de toekomst – moet aansluiten op de vraag. Door het realiseren van maximaal 11 grondgebonden woningen in binnenstedelijk gebied wordt bijgedragen aan het creëren van doorstroming op de woningmarkt, waar uitdrukkelijk behoefte aan bestaat én waardoor wooncarrière kan worden gemaakt. Hiermee sluit de ontwikkeling, niet alleen kwantitatief maar ook kwalitatief, naadloos op de Bevelandse woonvisie en meest recente woningmarktanalyse aan. Daarmee past het initiatief binnen de kaders van de ladder voor duurzame verstedelijking.
18
Bestemmingsplan "Oostgaarde, gedeelte Magnoliastraat-Vuurdoornstraat, 2023"
3.2
Provinciaal beleid
Zeeuwse Omgevingsvisie Op 12 november 2021 hebben gedeputeerde staten van Zeeland de Zeeuwse Omgevingsvisie vastgesteld. Op 1 januari 2023 treedt naar verwachting de Omgevingswet in werking. In de Omgevingswet worden alle bestaande wetten die te maken hebben op de fysieke leefomgeving samengevoegd. In de Zeeuwse Omgevingsvisie legt de Provincie Zeeland al haar doelen en ambities voor de lange termijn vast. In de Omgevingsvisie worden verschillende onderwerpen benoemd. Denk daarbij aan wonen, landbouw en circulaire economie, maar bijvoorbeeld ook cultureel erfgoed, recreatie en leefbaarheid. Het uitgangspunt van de provincie voor de Omgevingsvisie is, beleid en regels die hun waarde hebben bewezen, alleen worden gewijzigd als er betere alternatieven zijn. De Provinciale Omgevingsverordening 2018 is daarom hierbij als uitgangspunt genomen. Verder bestaat de visie uit twee delen: deel A en deel B. In Deel A staan de strategische doelen voor de periode tot 2050 onderverdeeld in vier centrale ambities verwoord. De uitdagingen en ambities voor Zeeland, alsmede de Zeeuwse kernkwaliteiten worden daarin beschreven en geven richting aan de beleidsdoelstellingen en acties voorde kortere termijn (tot 2030). In Deel B wordt het beleid voor de periode tot 2030 vormgegeven.
Dit beleid is onderverdeeld in doelen voor 2030, de huidige situatie, acties voor de periode tot 2030 én afwegingsfactoren voor de uitvoering. Er zijn 27 thema's (bouwstenen) uitgewerkt die samen met onze omgeving geselecteerd zijn. Bij deze thema's is het beleid voor de komende 10 jaar weergegeven. Deel A De uitdagingen voor Zeeland bestaan voornamelijk uit de klimaatverandering, stijging van de zeespiegel, afname van biodiversiteit, andere bevolkingssamenstelling door vergrijzing. Deels is het de uitdaging te behouden wat er is, deels is het de uitdaging in te spelen op de ontwikkelingen die komen gaan. Om deze uitdagingen het hoofd te bieden en tegelijkertijd te werken aan brede welvaart, beschrijft de Zeeuwse Omgevingsvisie vier Zeeuwse Ambities voor 2050. Deze ambities betreffen: 1. uitstekend wonen en werken in Zeeland; 2. balans in grote wateren en het landelijk gebied; 3. een duurzame en innovatieve economie; 4. een klimaatbestendig en CO2-neutraal Zeeland. Deel B In deel B staat per thema aangegeven welke instrumenten worden ingezet om de doelen tot 2030 te bereiken. Gezien de grootte en de complexiteit van de uitdagingen, zijn de ambities echter alleen te halen als iedereen de keuze maakt die zoveel mogelijk bijdraagt aan deze ambities. Hiervoor zijn afwegingsfactoren beschreven en wordt een 'beste keuze hulp' gemaakt.
De afwegingsfactoren sluiten aan op het NOVI van het Rijk en verwijzen onder meer naar de Zeeuwse kernkwaliteiten. Deze zijn vertaald naar vier afwegingsfactoren voor Zeeland: Doe meer met minder grond; Werk samen en deel kosten en baten; Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten; Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld.
19
Bestemmingsplan "Oostgaarde, gedeelte Magnoliastraat-Vuurdoornstraat, 2023"
Kernkwaliteiten zijn herkenbare, fysieke kenmerken. De Zeeuwse kernkwaliteiten betreffen: genieten en opladen; waarderen en beschermen van het landschap; verbondenheid met de historie; passende werkgelegenheid en ontwikkelingsmogelijkheden voor iedereen. In de visie komen een aantal ambities en doelstellingen terug welke relevant zijn voor dit bestemmingsplan, waarbij sommige doelen onder verschillende ambities vallen. Deze worden in onderstaande paragrafen toegelicht. Bij woningbouw staan een toekomstbestendige en CO2-neutrale woningvoorraad die in kwaliteit en kwantiteit aansluit op de vraag centraal. Hiertoe werken de Zeeuwse gemeenten en de Provincie aan een Zeeuwse Woonagenda, waarbinnen gezamenlijk wordt opgetrokken om de woningvoorraad toekomstbestendig te maken en te houden. Er wordt ingezet op het saneren of vervangen van woningen waar geen behoefte aan is, het stimuleren van verduurzaming van de woningvoorraad, het realiseren van een flexibele schil en de ondersteuning van gemeenten bij de realisatie van woningbouw die voorziet in een behoefte op de juiste plaats. Provincie en gemeenten stellen de kaders vast waarbinnen de afspraken worden uitgevoerd. Verder staan de ruimtelijke doelen van bundeling en zorgvuldig ruimtegebruik hoog op de agenda. Het is van provinciaal belang dat Zeeuwse steden de sociaaleconomische motor blijven van de provincie.
Gezien de ruimtelijke doelen, de klimaat en demografische opgave, de uitgangssituatie van de woningvoorraad en de toekomstverwachtingen, is woningbouwbeleid essentieel. Woningbouwprojecten, zeker de omvangrijke, hebben een gemeentegrensoverschrijdend impact. Er moet daarom op regionaal niveau gekozen worden voor de woningbouwplannen die qua omvang, locatie en type aansluiten bij de woonwensen van de Zeeuwse burger. Deze keuzes worden gemaakt in regionale woningmarktafspraken door de vijf Zeeuwse woningmarktregio's (De Bevelanden, Schouwen-Duiveland, Tholen, Walcheren en Zeeuws-Vlaanderen). Provinciale Omgevingsverordening Met de vaststelling van het Omgevingsplan Zeeland 2018, welke thans is vervangen door de Zeeuwse Omgevingsvisie 2021, is ook de Omgevingsverordening Zeeland 2018 vastgesteld (21 september 2018). Slechts een select aantal onderdelen uit het voormalige Omgevingsplan is geregeld in de verordening. Onderwerpen opgenomen in deze Omgevingsverordening zijn bijvoorbeeld bestaande natuur en ecologische hoofdstructuur, agrarische gebieden van ecologische betekenis, molenbiotopen, glastuinbouw en intensieve veehouderij. Van gemeenten wordt een loyale bijdrage verwacht aan de uitvoering van de beleidsdoelen van het plan, ook ten aanzien van die onderdelen van het plan die niet in de verordening zijn opgenomen.
Het onderwerp wonen in de bebouwde kom maakt geen onderdeel uit van de provinciale verordening. Verder streeft de provincie naar realisering van beleidsdoelen met de inzet van andere instrumenten. De eerder vastgestelde algemene regels voor duurzame verstedelijking zijn in 2016 komen te vervallen omdat die nu zijn geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening. Voor onderbouwing van de ladder wordt verwezen naar paragraaf 3.1. Voor wat betreft de voorgenomen ontwikkeling is de regeling uit de verordening aangaande het volgende aspect van belang: Bufferzones (artikel 2.7 van de verordening); In een bestemmingsplan waarin voor de eerste maal woon- of verblijfsrecreatieve bestemmingen worden aangewezen worden nieuwe woon- of verblijfsrecreatieve functies niet toegelaten binnen een afstand van: 100 meter tot buiten de bebouwde kom gesitueerde gronden waarop agrarische gebouwen anders dan kassen zijn toegelaten.
20
Bestemmingsplan "Oostgaarde, gedeelte Magnoliastraat-Vuurdoornstraat, 2023"
50 meter vanaf buiten de bebouwde kom gesitueerde kassen en, primair, vanaf daarvoor aangewezen bouwvlakken alsmede vanaf buiten de bebouwde kom gesitueerde gronden waarop fruitteelt is toegelaten.
Aan deze voorwaarden wordt voldaan. Binnen genoemde afstanden zijn geen agrarische gebouwen, noch fruitboomgaarden aanwezig. In het Omgevingsplan Buitengebied Borsele 2018 is het provinciale bufferbeleid ook vastgelegd. Conclusie Zoals uit de conclusie in paragraaf 3.1 blijkt, wordt aan de ladder voor duurzame verstedelijking voldaan. Verder voldoet voorliggende plan aan de provinciale regelgeving, doelen van bundeling en zorgvuldig ruimtegebruik. 3.3
Gemeentelijk beleid
Structuurvisie gemeente Borsele 2015-2020 Op 11 december 2014 heeft de gemeenteraad de Structuurvisie 2015-2020 vastgesteld. De structuurvisie geeft een beeld van de gewenste toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente, met als achterliggend doel behoud en ontwikkeling van een aantrekkelijke gemeente, zowel om te wonen, te werken als te recreëren. De structuurvisie dient niet alleen als toetsingskader voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente Borsele, maar ook als inspiratiebron voor mogelijke nieuwe ontwikkelingen en kansen. Het gaat er om de bestaande en toekomstige kwaliteiten van de gemeente in duurzaam evenwicht met elkaar te behouden en te versterken. De woningbehoefte wordt in grote mate bepaald door de demografische ontwikkelingen (vergrijzing, ontgroening, inwonersdaling, aantal huishoudens). Uitgangspunt is dat woningen in eerste De woningbehoefte wordt in grote mate bepaald door de demografische ontwikkelingen (vergrijzing, ontgroening, inwonersdaling, aantal huishoudens). Uitgangspunt is dat woningen in eerste instantie binnen bestaande dorpsgebieden worden gerealiseerd door middel van inbreiding en herstructurering. In lijn daarmee is in het dorpsprofiel 'sGravenpolder opgenomen, dat voor deze kern onder meer de aandacht ligt op inbreiding en herstructurering. De inbreiding voor de kern ligt aan de oostzijde (plan Oostgaarde).
Het planvoornemen sluit daarmee naadloos aan op de structuurvisie.
21
Bestemmingsplan "Oostgaarde, gedeelte Magnoliastraat-Vuurdoornstraat, 2023"
22
Bestemmingsplan "Oostgaarde, gedeelte Magnoliastraat-Vuurdoornstraat, 2023"
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien de beleidsvelden naar elkaar toe. Bij nieuwe plannen vormt de milieukwaliteit een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsfuncties. In deze paragraaf worden de hier aan de orde zijnde relevante milieuaspecten behandeld die binnen de ruimtelijke ordening en daarmee voor het voorliggende planvorming van belang zijn. 4.1
Bodem
Wettelijk kader De Wet bodembescherming (Wbb) vormt het wettelijk kader bij de bepaling van de mate en de ernst van een bodemverontreiniging. Conform de Wbb wordt op grond van de mate en omvang van een verontreiniging in grond en/of grondwater bepaald of sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Hierop is de principiële noodzaak tot sanering gebaseerd. In de Wbb wordt op basis van risico's voor mens en ecosysteem onderscheid gemaakt tussen spoedeisende en niet spoedeisende sanering. Bij eerst genoemde dient binnen vier jaar aangevangen te worden met de sanering; bij laatstgenoemde kan gewacht worden totdat op de locatie een herinrichting en/of bestemmingswijziging aan de orde is. Onderzoek Er is door Sagro Milieu Advies Zeeland B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (SMA, Bijlage 1, Verkennend bodemonderzoek). De doelstelling van het onderzoek is inzicht te krijgen in de actuele milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem. Op basis van de resultaten van het bodemonderzoek dient te worden vastgesteld of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem een belemmering vormt voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling op de locatie. De gemeente heeft het onderzoek ontvangen, beoordeeld en akkoord bevonden. Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat: In de bovengrond is een lichte verontreiniging met heptachloorepoxide aangetoond.
In het grondwater is een lichte verontreiniging met arseen aangetoond welke hoogst waarschijnlijk een natuurlijke oorsprong heeft; De op de onderzoekslocatie geconstateerde verhoogde gehalten in de grond en het grondwater geven geen aanleiding tot het uitvoeren van aanvullend of nader bodemonderzoek. Afhankelijk van de bestemming en toepassing zal bij afvoer van (potentieel herbruikbare) grond om een partijkeuring conform het protocol uit het Besluit bodemkwaliteit worden gevraagd. Conclusie Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het plangebied geschikt voor de toekomstige bestemming. De aanwezige bodemkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde nieuwbouw.
23
Bestemmingsplan "Oostgaarde, gedeelte Magnoliastraat-Vuurdoornstraat, 2023"
4.2
Archeologisch onderzoek
De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals die in de oude wetten en regelingen golden, blijven gehandhaafd. De Erfgoedwet vormt straks samen met de nieuwe nog vast te stellen Omgevingswet het wettelijke fundament voor de archeologie in Nederland. Onderdelen van de voormalige Monumentenwet over archeologie worden te zijner tijd overgeheveld naar de Omgevingswet. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Zo ook de gemeentelijke plicht om bij het vaststellen van nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de aanwezige archeologische waarden. Ten behoeve hiervan heeft de gemeente Borsele reeds op 11 oktober 2011 het gemeentelijk archeologiebeleid vastgesteld. In 2016 heeft een evaluatie van het archeologiebeleid plaatsgevonden. Op basis hiervan heeft de Borselse gemeenteraad op 6 april 2017 besloten dat gebieden met een lage verwachtingswaarde worden vrijgesteld van archeologisch onderzoek en dat voor deze gebieden geen beschermende maatregelen meer hoeven te worden opgenomen in het bestemmingsplan.
Met het archeologisch beleid wil de gemeente niet alleen voldoen aan de wettelijke verplichtingen omtrent archeologie, maar ook een formeel afwegingskader bieden bij ruimtelijke ontwikkelingen. Bij de invulling van het gemeentelijk archeologiebeleid wordt onderscheid gemaakt tussen gewaardeerde terreinen en archeologische verwachtingszones. Op terreinen met een archeologische waarde is de aanwezigheid van archeologische sporen en resten bekend. De archeologische verwachtingszones doen een voorspelling over de kans dat er archeologische waarden voorkomen. De waarden- en verwachtingenkaart bestaan uit vier op elkaar te projecteren kaartbeelden die corresponderen met elkaar in tijd opvolgende landschappen waaraan archeologische betekenis kan worden gehecht: Kaartlaag 1 Walcheren: Nieuwe Tijd, Late Middeleeuwen en Vroege Middeleeuwen Kaartlaag 2 Hollandveen: Romeinse Tijd, IJzertijd en Bronstijd Kaartlaag 3 Wormer: Neolithicum Kaartlaag 4 Pleistoceen: Neolithicum, Mesolithicum, Paleolithicum. Volgens kaartlaag 3 geldt voor deze locatie een hoge verwachting wat impliceert dat archeologisch onderzoek vereist is bij werkzaamheden die groter zijn dan 250 vierkante meter en dieper reiken dan 0,40 meter beneden maaiveld.
Onderzoek Artefact heeft in april 2022 een bureau- en inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd op de gronden, alwaar de nieuwbouw is voorzien. Het volledige onderzoek is als Bijlage 2 aan deze toelichting gehecht. Uit het bureau- en booronderzoek is gebleken, dat er binnen het plangebied een lage tot geen verwachting geldt op het aantreffen van vindplaatsen uit het Neolithicum tot in de Nieuwe Tijd. De kans dat eventuele vindplaatsen verstoord zullen worden door de toekomstige bodemingrepen is aldus vrij klein. Dit betekent verder dat archeologisch vervolgonderzoek niet noodzakelijk wordt geacht voor plangebied. Omdat er een uniform advies geformuleerd is voor het volledige plangebied wordt in het voorliggende rapport geen verwachtings- of advieskaart opgenomen. Geadviseerd wordt om het plangebied, waar de nieuwbouw is voorzien vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling en geen dubbelbestemming op te nemen. Het is altijd mogelijk dat tijdens grondwerkzaamheden onverwacht archeologische vondsten aan het licht komen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van de grondwerkzaamheden in het
24
Bestemmingsplan "Oostgaarde, gedeelte Magnoliastraat-Vuurdoornstraat, 2023"
uitvoeroingsbestek te wijzen op de plicht deze zogenoemde toevalsvondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. De melding dient behalve bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) tevens plaats te vinden bij de gemeente Borsele. Conclusie Het aspect archeologie staat de beoogde planontwikkeling op voorhand niet in de weg. 4.3
Cultuurhistorie
In het kader van het project 'modernisering monumentenzorg' (MoMo) hebben per 1 januari 2012 enkele wijzigingen in de wet- en regelgeving plaatsgevonden. Voor het bestemmingsplanproces is de wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) de belangrijkste: gemeenten dienen in hun bestemmingsplannen rekening te houden met de aanwezige cultuurhistorische waarden. Hierdoor is een verplichting ontstaan om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het plangebied is niet aangemerkt als een beschermd dorpsgezicht. Daarnaast bevinden zich in (de directe nabijheid van) het plangebied geen (rijks)monumenten, voormalige kasteelterreinen, beschermingswaardige binnendijken en/of andere cultuurhistorisch waardevolle objecten. Conclusie Het aspect cultuurhistorie staat de uitvoering van het plan niet in de weg. 4.4
Geluid
Wettelijk kader Geluidhinder kan ontstaan door verschillende activiteiten. In de Wet geluidhinder zijn geluidsnormen opgenomen voor wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Deze normen geven de hoogst acceptabele geluidsbelasting bij geluidsgevoelige functies zoals woningen. De Magnoliastraat, Seringestraat en de Vuurdoornstraat, waaraan het plangebied is gelegen, betreft woonstraten met een snelheidsregime van 30 km/h. In het kader van de Wgh hoeft de geluidsbelasting op woningen aan 30km/h-straten niet te worden beoordeeld. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening wel inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen. Onderzoek Alle straten, waaronder de Magnoliastraat, wordt uitsluitend gebruik gemaakt voor bestemmingsverkeer van de woonwijk(en). Voor het overige zijn er geen verkeersaantrekkende functies in de omgeving aanwezig. Daarmee is de verkeersintensiteit ter plaatse relatief laag en zal ten aanzien van de geluidbelasting sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat.
25
Bestemmingsplan "Oostgaarde, gedeelte Magnoliastraat-Vuurdoornstraat, 2023"
Overige geluidsbronnen Het plangebied is verder niet gelegen binnen de toetsingszone van een gezoneerde spoorweg en ook niet binnen de geluidszone van een gezoneerd industrieterrein. Toetsing aan de betreffende grenswaarden uit de Wet geluidhinder is dan ook niet aan de orde. Luchtvaart- en scheepvaartlawaai zijn evenmin aan de orde. Conclusie Uit het onderzoek blijkt, dat geen geluidshinder vanwege verkeer is te verwachten. Vanuit akoestisch oogpunt zijn er dan ook geen belemmeringen voor de realisatie van een nieuwe woning. 4.5
Water
Wettelijk kader Waterbeheer en watertoets Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Scheldestromen, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van deze ruimtelijke motivering wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. Eventuele opmerkingen van de waterbeheerder worden meegenomen in de totstandkoming van de definitieve versie. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, alle met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW). Nationaal: Nationaal Waterplan (NW). Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21). Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). Waterwet. Provinciaal: Zeeuwse Omgevingsvisie; Omgevingsverordening Zeeland 2018. Waterschapsbeleid Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Rijkswaterstaat, twee waterschappen, twee provincies en zestien gemeenten zijn samen verantwoordelijk voor het waterbeheer in het stroomgebied Schelde.
De Algemene Vergadering van het waterschap Scheldestromen heeft op 19 november 2015 het Waterbeheerplan 2016 - 2021 vastgesteld. In het Waterbeheerplan 2016 – 2021 laat het waterschap de hoofdlijnen zien van het beleid op het gebied van watersystemen en afvalwaterketen. In het plan zijn doelen gesteld voor de thema's watersysteem en afvalwaterketen.
26
Bestemmingsplan "Oostgaarde, gedeelte Magnoliastraat-Vuurdoornstraat, 2023"
Concreet betekent dat voor het watersysteem de volgende doelen: Watersystemen zijn zo ontworpen dat ernstige en langdurige wateroverlast zoveel mogelijk wordt voorkomen: oppervlaktewater treedt niet vaak buiten zijn oevers. De gehanteerde waterpeilen zijn afgestemd op het grondgebruik oftewel de functies landbouw, natuur en wonen: goed waterpeil onder normale omstandigheden. Zorgen voor waterkwaliteit die nodig is voor mens, plant en dier: gezond oppervlaktewater. Faciliteren van een verantwoord gebruik van het beschikbare zoetwater. Voor de afvalwaterketen is het volgende doel van belang: In de afvalwaterketen van de toekomst wordt afvalwater op een duurzame en efficiënte manier ingezameld en gezuiverd, zodat het geen bedreiging vormt voor volksgezondheid en omgevingskwaliteit. Gemeentelijk beleid Gemeentelijk rioleringsplan Borsele 2018-2022 Het vijfde Gemeentelijk rioleringsplan (GRP5) heeft als hoofddoel: het continueren van de hoofddoelen van de eerdere gemeentelijke rioleringsplannen zoals het bereiken van een goede waterkwaliteit en het voorkomen van wateroverlast. Het rioleringssysteem moet tegen zo laag mogelijke kosten klimaatbestendig worden gemaakt waarbij er gestreefd wordt naar het te allen tijde voorkomen van waterschade.
Het hoofddoel is uitgewerkt in vier subdoelen: een doelmatige inzameling en transport van afvalwater; tegengaan van waterhinder, overlast of schade en vasthouden water; het voorkomen van grondwateroverlast; schoon oppervlaktewater, grondwater en een schone waterbodem. Het voorliggende voldoet aan de richtlijnen van het GRP5. In het gemeentelijke rioleringsplan wordt meer dan voorheen aandacht besteed aan de eigen verantwoording van de lozers. Watertoets De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het uitvoeren van een watertoets betrekt de waterbeheerders actief bij ruimtelijke besluitvormingsprocessen en geeft water een duidelijke plek binnen de ruimtelijke ordening. Het beheer van het watersysteem is in handen van het Waterschap Scheldestromen. In onderstaande tabel wordt aangegeven, welke invloed de voorgenomen ontwikkeling heeft op de diverse wateraspecten. Onderstaand is de watertoetstabel opgenomen. Thema en water(beheer)doelstelling
Uitwerking
Veiligheid waterkeringen De ontwikkeling ligt niet binnen de keurzone van primaire Waarborgen van het veiligheidsniveau en rekening of regionale waterkeringen. Omdat het bouwen van gebouwen buiten deze zones op grond van de Keur van houden met de daarvoor benodigde ruimte. het waterschap zonder meer is toegestaan, treedt geen strijdigheid met de beleidsregels van het waterschap op. Het plangebied ligt daarnaast niet in of nabij transportroutes gevaarlijke stoffen over water. Het aspect veiligheid/waterkering is derhalve niet aan de orde. Voorkomen overlast door oppervlaktewater De ontwikkeling en realisatie van de extra woningen en Het plan biedt voldoende ruimte voor het daarmee de toename aan verhard oppervlak en vasthouden, bergen en afvoeren van water. benodigde watercompensatie is reeds in het Waarborgen van voldoende bouwpeil om bestemmingsplan 'Oostgaarde' uit 2009meegenomen. overstroming vanuit oppervlaktewater in Deze waterberging is reeds volledig gerealiseerd. Verder maatgevende situaties te voorkomen. Rekening houden wordt nog een overloopgreppel vanuit de waterpartij in de met de gevolgen van klimaatverandering en de kans op speeltuin naar de sloot aan de zuidkant van de extreme weersituaties. Magnoliastraat gerealiseerd.
27
Bestemmingsplan "Oostgaarde, gedeelte Magnoliastraat-Vuurdoornstraat, 2023"
Voorkomen overlast door hemel- en afvalwater De beoogde nieuwe woningen worden aangesloten op de Waarborgen optimale werking van de zuiveringen/ RWZI's bestaande riolering. Regenwater wordt afgekoppeld, en van de (gemeentelijke) rioleringen. zodat het ter plaatse kan infiltreren of kan worden Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in afgevoerd naar omliggende oppervlaktewateren (sloten, verband met de reductie van hydraulische belasting van vijvers e.d.). de RWZI, het transportsysteem en het beperken van overstorten. Grondwaterkwantiteit en verdroging Er wordt geen grondwater onttrokken. De beoogde Voorkomen en tegengaan van grondwateroverlast en - ontwikkeling is niet nadelig voor de watervoorziening. De tekort. Rekening houdend met de gevolgen van ontwikkeling heeft derhalve geen negatieve gevolgen klimaatverandering. Beschermen van infiltratiegebieden voor de waterkwaliteit. en –mogelijkheden. De ontwikkeling leidt niet tot het onttrekken van grondwater of het infiltreren van grondwater met als doel het later weer op te pompen. Verdroging is dan ook niet aan de orde. Grondwaterkwaliteit Door het gebruik van duurzame niet uitlogende Behoud of realisatie van een goede grondwaterkwaliteit. bouwmaterialen heeft het plan geen nadelige gevolgen Denk aan grondwaterbeschermingsgebieden. voor de oppervlaktewaterkwaliteit.
Het plan veroorzaakt geen nadelige gevolgen voor of door het oppervlaktewatersysteem of grondwaterbeschermingsgebieden in de omgeving. Oppervlaktewaterkwaliteit Er wordt niet gebouwd in een infiltratiegebied of Behoud of realisatie van goede oppervlaktewaterkwaliteit. natuurgebied. De beoogde ontwikkeling heeft derhalve Vergroten van de veerkracht van het watersysteem. geen nadelige gevolgen voor de waterkwaliteit. Door het Toepassing van de trits schoonhouden, scheiden, gebruik van duurzame niet uitlogende bouwmaterialen zuiveren. wordt voorkomen dat het te infiltreren hemelwater de bodem en het grondwater verontreinigt. Ingrepen voortkomend uit dit plan tasten geen bodemlagen aan als gevolg waarvan het grondwatersysteem verandert. Volksgezondheid Er is geen sprake van open water. Er worden geen water Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en plagen. gerelateerde consequenties voor de volksgezondheid Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico's via o.a. de verwacht. daarvoor benodigde ruimte. Bodemdaling Het peilregiem van het plangebied is afgestemd op Voorkomen van maatregelen die (extra) bebouwd gebied. Er is geen sprake van een peilverlaging maaiveldsdalingen in zettinggevoelige gebieden kunnen en/of bodemdaling. Derhalve is deze problematiek niet veroorzaken. aan de orde.
Er wordt geen grondwater onttrokken en hemelwater wordt zoveel als mogelijk naar het omliggende oppervlaktewater teruggevoerd. Bodemdaling wordt dan ook niet verwacht. Natte natuur Het plangebied grenst niet aan natte natuurgebieden. Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde en Derhalve zijn er geen bijzondere maatregelen te treffen of natuurlijk karakteristieke aquatische natuur. beperkingen te verwachten. Onderhoud oppervlaktewater Er liggen geen waterlopen langs de projectlocatie, er Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden worden geen nieuwe waterlopen voorzien. worden. Rekening houden met obstakelvrije onderhoudsstroken vrij van bebouwing en opgaande (hout)beplanting. Andere belangen waterbeheer
Uitwerking
Relatie met eigendom waterbeheerder Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van objecten (terreinen, milieuzonering) van de waterbeheerder niet belemmeren.
Er zijn geen objecten in of nabij het plangebied aanwezig.
Wegen in beheer bij het waterschap (alleen invullen voor zover van toepassing) * in de bouwfase: Vinden er transporten (grond/bouwmaterialen) plaats over Nee. waterschapswegen? *na realisatie: verkeersaantrekkende werking Door de kleinschaligheid van de beoogde ontwikkeling zal Veroorzaakt uw plan structureel extra verkeer? dit niet tot onevenredige overlast leiden.
28
Bestemmingsplan "Oostgaarde, gedeelte Magnoliastraat-Vuurdoornstraat, 2023"
Het plangebied is via de bestaande infrastructuur na realisatie: bereikbaarheid bereikbaar. Er zullen geen wegen worden gewijzigd of Omschrijf hoe motorvoertuigen, fietsers en voetgangers worden aangelegd. uw plan kunnen bereiken. Worden er hiervoor uitwegen gewijzigd of nieuw aangelegd? Ja. Er zal op eigen terrein worden geparkeerd, bij elke na realisatie: parkeren woning zal een eigen parkeerplaats worden gerealiseerd. Wordt er op uw eigen terrein geparkeerd? Verder wordt een deel in de openbare ruimte opgevangen. na realisatie: (ver)bouwen Bent u voornemens om binnen 20 meter van een waterschapsweg een bouwwerk te (ver)bouwen? (zoals Nee. een woning of afscheiding (gefundeerd).
4.6
Bedrijven en milieuzonering
De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft in haar uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” (maart 2009) een handreiking geboden voor het toepassen van milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. De milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe milieubelastende activiteiten (bijv. bedrijven) een passende locatie in de nabijheid van milieugevoelige functies (bijv. woningen) krijgen en dat milieugevoelige functies op een verantwoorde afstand van milieubelastende activiteiten gesitueerd worden. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geluid, geur, gevaar en stof. Daarnaast is milieuzonering gericht op nieuwe ontwikkelingen. Het is niet bedoeld voor het beoordelen van bestaande situaties waarbij gevestigde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies op minder dan de richtafstand van elkaar staan. Met de handreiking kan worden bepaald wat de gewenste richtafstand is tussen de woningbouwlocatie en de bedrijven in de omgeving. Dit kan oplopen tot de maximale richtafstand voor bedrijven met milieucategorie 6 en die bedraagt 1.500 meter tot het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Direct ten noorden en ten oosten grenst het plangebied aan het buitengebied van de gemeente Borsele, welke gronden hoofdzakelijk agrarisch worden aangewend.
Voor deze gronden en indien aanwezig inrichtingen geldt, dat eventuele onder meer hinder veroorzaakt kan worden door de aspecten 'geur' en 'geluid'. De provinciale verordening schrijft voor, dat de minimale afstand tussen nieuwe woonbebouwing en bestaande agrarische bedrijven minimaal 100 meter moet zijn, tenzij aannemelijk kan worden gemaakt dat geen hinder optreedt voor de nieuwe woningen en de nieuwe woningen evenmin de bedrijfsvoering van het agrarisch bedrijf beperken. In dat geval kan uitgegaan worden van een afstandsmaat van 50 meter. Daarnaast voorziet het provinciale bufferbeleid nog in een tweede afstandsnorm. Tussen (glas)tuinbouw- en fruitteeltpercelen en woongebieden dient een afstand van 50 meter in acht te worden genomen. Onderzoek In de directe omgeving van het plangebied zijn op grond van het 'Chw bestemmingsplan Omgevingsplan Buitengebied Borsele 2018' geen agrarische bedrijven toegestaan en is de aanleg van boomgaarden op een afstand binnen de 50 meter aan een vergunningenstelsel verboden. Aangezien de meest agrarische bouwvlakken en daarmee bedrijven alsmede boom- en fruitgaarden op grotere afstand dan respectievelijk 100 en 50 meter van het plangebied zijn gelegen, wordt in voorliggende situatie alleen specifiek ingegaan op het houden van 3 paarden op het terrein horende bij de woning Langeweg 84.
Op deze locatie worden uitsluitend hobbymatig 3 paarden gehouden.
29
Bestemmingsplan "Oostgaarde, gedeelte Magnoliastraat-Vuurdoornstraat, 2023"
Als het houden de hobbydieren onder een categorie van bijlage I van het Besluit omgevingsrecht valt is er sprake van een inrichting (Wet milieubeheer). Het houden van 3 paarden voor hobbymatig gebruik valt niet onder een categorie zoals opgenomen in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Op basis van jurisprudentie (uitspraak ECLI:NL:RVS:2003:AL8982) blijkt, dat het houden van maximaal 5 paarden niet wordt gezien als een inrichting Wet Milieubeheer en dat het houden van drie paarden daarmee aangemerkt kan worden als hobbymatig.. Ten overvloede overwegen wij, dat de stapmolen en de rijbak weliswaar op korte afstand van de nieuwbouwwoningen zijn gesitueerd, doch eventueel geurhinder inherent aan dat gebruik zeer beperkt van aard zal zijn, mede daar deze voorzieningen relatief kort zullen worden gebruikt. Er is derhalve geen aanvullend onderzoek noodzakelijk voor het aspect milieuzonering. Tot slot zijn op iets grotere afstand, ten oosten van het plangebied, akkerbouwgronden aanwezig. De veiligheidsafstand voor het hanteren van bestrijdingsmiddelen varieert van 5 tot >50 meter, afhankelijk van de spuittechniek, de hoogte, het gebruikte gewasbeschermingsmiddel en de aanwezigheid van sloten en/of beplanting (windhaag). De veiligheidsafstand reikt, gelet op de afstand tot de akkerbouwgronden, niet tot aan de voorziene woningbouw.
Op basis hiervan kan worden gesteld, dat de beoogde woningbouw niet belemmerend zal zijn voor de bestaande bedrijfsvoering van de omliggende agrarische bedrijven. Ook zal de bedrijfsvoering niet van invloed zijn op de woon- en leefkwaliteit ter plaatse. Conclusie Gesteld wordt dat het aspect milieuzonering geen belemmering vormt voor de voorgenomen planvorming. 4.7
Externe veiligheid
Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Hierbij kan onderscheid gemaakt worden in twee categorieën van risicobronnen: mobiele (route gevaarlijke stoffen over weg, water, spoor en door buis) en stationaire (inrichtingen, zoals LPG-stations). Binnen het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico zegt iets over de theoretische kans op overlijden op een bepaalde plaats voor een persoon die een jaar lang op die plaats zou staan. Hiervoor geldt dat een kans groter dan 1 op de miljoen per jaar (10-6 /jaar) onacceptabel wordt geacht. De norm voor het plaatsgebonden risico is bij kwetsbare objecten een grenswaarde die niet mag worden overschreden. Het groepsrisico geeft aan hoe groot de kans is dat bij een risicolocatie een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1.000 slachtoffers in één keer kan vallen. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand (het zogenaamde invloedsgebied) van een risicovolle activiteit ophoudt. De normen voor het groepsrisico weerspiegelen geen grenswaarde maar een oriënterende waarde.
Dit houdt in dat bij de beoordeling van het groepsrisico het lokaal en regionaal bevoegd gezag de mogelijkheid wordt geboden om gemotiveerd van de oriënterende waarde af te wijken. Onderzoek Na raadpleging van de provinciale risicokaart blijkt het navolgende.