CConstaterende datBorsele
Koppel je AI →
Document · PDF

6.1 Ontwerpbestemmingsplan Bedrijventerrein Drieweg, Nisse, 2022

Besluitvormende raadsvergadering 12 januari 2023, gemeente BorseleBij agendapunt: Voorstel om in te stemmen met de vaststelling van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Drieweg, Nisse, 2022" (portefeuille wethouder Weststrate)20.819 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

30

ARTEFACT! RAPPORT 245

NISSE DRIEWEG 5

de bewoning was nog niet permanent. Waarschijnlijk trokken deze mesolithische gemeenschappen als nomaden rond, in een vast jaarcyclus van kamp naar kamp, binnen een eigen territorium. Het aangenamer klimaat zal in Zeeland hebben geresulteerd in een toename van de menselijke aanwezigheid. Vindplaatsen uit het Mesolithicum zijn in Zeeland enkel bekend uit Zeeuws‐ Vlaanderen. Naar alle waarschijnlijkheid zijn vindplaatsen uit het Mesolithicum ook in de rest van Zeeland aanwezig. Deze zijn echter bijzonder moeilijk op te sporen omdat ze zijn bedekt onder een metersdik pakket van klei en veen. Opgravingen in Aardenburg, Nieuw Namen en Axel documenteerden haardplaatsen met vuurstenen werktuigen. Afslagen en vuursteenknollen die aan elkaar konden gepast worden illustreren dat in deze tijdelijke jachtkampen ook specifieke activiteiten als vuursteenbewerking plaats vond. Vuursteenvondsten werden verder nog aangetroffen in Koewacht, Hulst, Westdorpe, het Land van Saeftinghe, Sluiskil en Aardenburg. Archeologisch onderzoek elders in Nederland laat zien dat de vondstniveaus uit het Laat Paleolithicum en Mesolithicum verschillen.

De materiële resten van de Federmesser‐traditie worden aangetroffen onder, in en juist boven de Usselo‐bodem (een vuilgrijze laag met kleine stukjes houtskool, die door de inwerking van planten ontstond gedurende een relatief warme periode, het Allerød interstadiaal, circa 9.900‐9.100 v. Chr., tijdens de laatste ijstijd). De vroeg‐mesolithische vondstniveaus bevinden zich in de top van het dekzand boven de Usselo‐bodem.

Neolithicum (circa 5.300 – 2.000 v. Chr.) In het Neolithicum was bewoning slechts mogelijk op de strandwallen en de hogere delen van het getijdengebied dat Zeeland kenmerkte. Tijdens het Neolithicum veranderde de mens geleidelijk aan zijn manier van bestaan. Hij ging zich in steeds grotere mate voorzien in zijn voedselbehoefte door het houden van vee en het verbouwen van voedsel. De mensen gingen de natuur naar hun hand zetten en in plaats van rond te trekken, vestigde men zich op vaste locaties (boerderijen). Als gevolg van het toepassen van landbouw en veeteelt werd de mens gebonden aan een vaste plek in het landschap, in plaats van rond te trekken tussen tijdelijke kampementen. Neolithische sporen in Zeeland zijn echter schaars. In Saeftinghe werden een aantal fragmenten aardewerk uit de Michelsbergcultuur gevonden. De eerste nederzettingssporen dateren echter pas rond 2.500 v. Chr. en werden opgetekend op de strandwal van Haamstede (Brabers) op Schouwen‐Duiveland.

Bronstijd (circa 2000 – 800 v. Chr.) Vondsten uit de Bronstijd zijn erg schaars in Zeeland. De langzaam doorgaande zeespiegelrijzing en het weinig toegankelijke landschap zal vermoedelijk weinig kans op permanente bewoning hebben geboden. Dat er mogelijk wel wat bewoning is geweest in Zeeland tijdens de Bronstijd zou kunnen afgeleid worden uit enkele losse vondsten zoals de opgebaggerde hielbijl voor de kust van Westkapelle en een paar metaalvondsten uit de oude duinen van Schouwen‐Duiveland. In Westenschouwen zijn aanwijzingen voor bewoning in de Late Bronstijd. In de groeve van Nieuw‐ Namen werden enkele jaren geleden twee potten uit de Bronstijd aangetroffen. Dit blijven echter zeldzame vondsten in Zeeland.

31

ARTEFACT! RAPPORT 245

NISSE DRIEWEG 5

IJzertijd (circa 800 – 12 v. Chr.) In de IJzertijd wordt Zeeland bedekt door een uitgestrekt veenlandschap. Toch wordt Zeeland tijdens deze periode vrij intensief bewoond, met name in de Late IJzertijd. Vindplaatsen zijn echter vooral bekend uit Walcheren, Tholen en Schouwen. In Grijpskerke werd een rituele kuil met meer dan 800 kilogram aardewerk aangetroffen. De middelen van bestaan waren nu exclusief gericht op landbouw (onder andere werd in Zeeland het verbouwen van gerst, huttentut en rogge aangetoond) en veeteelt (onder andere runderen, schapen, geiten en varkens). De nederzettingen bestonden uit slechts enkele boerderijen, die werden bewoond door enkele families, die volledig op de eigen gemeenschap waren gericht. Op de foto (afbeelding 13) is een boerderij te zien die werd opgegraven in kader van de aanleg van de N57 te Serooskerke. In Zeeuws‐Vlaanderen zijn sporen uit deze tijd in de buurt van Axel bekend.

Afbeelding 13 Sporen van een boerderij uit de IJzertijd te Serooskerke, aangetroffen bij de aanleg van de N57 Bron: ADC ArcheoProjecten.

Romeinse tijd (12 v. Chr. – 450 n. Chr.) Rond 50 v. Chr. verschenen de Romeinen in de Lage Landen. Voor het eerst worden deze streken vermeld in historische bronnen zoals De bello gallico van Julius Caesar. In Nederland begint de Romeinse tijd in 12 v. Chr., toen alle stammen in Nederland, inclusief die ten noorden van de grote rivieren, door de Romeinse veldheer Drusus waren onderworpen. Vanaf het midden van de eerste eeuw werd de Rijn de noordgrens van het Romeinse rijk in West‐Europa. Zeeland werd onderdeel van de provincie Gallia Belgica. Ook in de Romeinse tijd was Zeeland een uitgestrekt veengebied. De bewoning zal zich voornamelijk geconcentreerd hebben op de strandwallen en langs de oevers van de Schelde, die een belangrijke handels(vaar)weg vormde. Vele (recente) vondsten tonen echter dat ook het veengebied vrij intensief bewoond werd. Nederzettingen zijn bekend uit Haamstede, Colijnsplaat, Kats, Domburg, Aardenburg, Ellewoutsdijk en ook Zierikzee. Aardenburg maakte deel uit van de kustverdedigingslinie en werd voorzien van een klein fort, een zogeheten castellum (175‐280 n. Chr.). De handel werd een belangrijke activiteit die voornamelijk via waterwegen geschiedde.

32

ARTEFACT! RAPPORT 245

NISSE DRIEWEG 5

De belangrijkste producten die vanuit Romeins Zeeland werden geëxporteerd betroffen vissaus en zout. Op een aantal altaren gewijd aan de godin Nehalennia worden de namen vermeld van handelaren in deze producten. Bij Colijnsplaat en Domburg werden dan ook tempelcomplexen, gewijd aan deze godin, teruggevonden. In Domburg wordt duidelijk dat ook andere goden vereerd werden. Het was dan vermoedelijk ook een belangrijk regionaal bestuurscentrum met een vlootstation. Met de Romeinse tijd zorgde een betere afwateringsinfrastructuur voor een grondige ontwatering van het veenlandschap. Dit had echter tevens een klink van het veen tot gevolg. De hierdoor ontstane maaiveldverlaging, samen met de gegraven afwateringsloten, lieten toe dat het stijgende zeewater steeds meer vat kreeg op het land.

De Middeleeuwen (450 n. Chr. – 1.500 n. Chr.) Onder invloed van de zee verdrinkt het Zeeuwse landschap geleidelijk. Dit proces begon omstreeks het derde kwart van de 3de eeuw. Het Zeeuwse gebied moet vanaf dat moment lange tijd ongeschikt geweest zijn voor bewoning. Bewoningscontinuïteit na de Romeinse tijd werd in ieder geval nog niet aangetoond. Zeeland wordt geteisterd door stormvloeden die diepe getijdengeulen in het veenlandschap uitschuren, en van waaruit grote gebieden onder water komen te staan en dikke pakketten klei en zand worden afgezet. Pas na 700 lijkt de rust wat weer te keren en lijken vele van de geulen verland. Door klink van het omliggende veenlandschap ontstaan in het landschap hoger gelegen kreekruggen die opnieuw bewoning in het gebied toelieten. Vanaf het einde van de 8ste eeuw vinden we dan ook weer bewoningssporen terug. Aanvankelijk zullen dit slechts schapenherders zijn geweest. Al snel werd het gebied vanuit Engeland en Vlaanderen gekerstend. Bronnen maken gewag dat Willibrordus in 695 Villam Walichrum, of het koningsdomein Walcheren, Afbeelding 14 Schets van een ringwalburg. De ring is zou hebben bezocht. In de 9de eeuw wordt het perfect rond met binnenin de kruising van wegen met daarlangs houten huizen. hele kustgebied geteisterd door invallen van de Vikingen.

Als verdediging tegen deze aanvallen worden eind 9de eeuw op verscheidene plaatsen de meest bekende exponenten van de Vroege Middeleeuwen in Zeeland opgericht: de ringwalburgen (zie afbeelding 14). Deze grote ronde verdedigingswerken met aarden wal met palissade en gracht werden onder meer aangetoond in Domburg, Middelburg, Oostburg, Oost‐Souburg en Burgh‐Haamstede. Rond 1.000 na Chr. zijn grote delen van Zeeland reeds bewoond. De hoger gelegen kreekruggen waren uitermate geschikt voor de aanleg van wegen en het stichten van nederzettingen. Onder impuls van lokale ambachtsheren werden kerken gesticht. Grote delen van Zeeland krijgen hun huidige aanzien in de Volle Middeleeuwen wanneer grootschalige bedijkingen aangelegd werden. Deze werden met name vanuit Vlaanderen, ondermeer door de sterke expansiedrang van de Vlaamse abdijen, mogelijk gemaakt. Deze ontwikkelingen zorgden voor een sterke uitbreiding van de bevolking en de eerste steden kwamen tot ontwikkeling.

33

ARTEFACT! RAPPORT 245

NISSE DRIEWEG 5

Een belangrijke activiteit die in de Late Middeleeuwen voor sterke economische impuls zorgde, was het moerneren (veen als brandstof) en selneren, ten behoeve van zoutproductie. Belangrijke productie‐ en handelscentra waren Hulst, Axel, Biervliet, Middelburg en later ook Goes. Het ontginnen van de moeren resulteerde ook in het ontstaan van moerdorpen en moervaarten voor het transport van veen en zout. De grootschalige binnendijkse ontginningen resulteerden in een sterk verlaagd landschap. In combinatie met de hevige stormvloeden, kenmerkend voor de Late Middeleeuwen, konden diepe getijdegeulen zich in het landschap insnijden. Grote overstromingen ten gevolge van stormvloeden zetten grote gebieden eerder bedijkt land opnieuw onder water en dorpen ‘verdronken’.

De Nieuwe tijd (1.500 n. Chr. tot heden) Door de bedijking kon tijdens stormvloeden het water zich niet verspreiden over het uitgestrekte schorrengebied. In plaats daarvan werd het water opgedreven tegen de dijken en kwam het maximale stormvloedniveau steeds hoger te liggen. Het achter de dijken liggende gebied daarentegen daalde door de kunstmatige ontwatering en veenontginningen. Wanneer nu tijdens een extreme stormvloed de dijken braken doordat ze niet waren opgehoogd of slecht waren onderhouden (bijv. door politieke onrust), waren de gevolgen catastrofaal. Ook later, tijdens de Tachtigjarige Oorlog, zijn kreken ontstaan door geplande inundaties. Het opgestuwde water stortte zich met grote kracht in de laaggelegen polders, hierbij grote geulen uitschurend. Deze inbraakgeulen waren in de overstroomde polders, waar het maaiveld beneden het toenmalige gemiddeld hoogwaterniveau was gezakt, niet te dichten. Tijdens elke eb‐ en vloedcyclus stroomde het water met kracht door de geulen. Een grote inbraak, die niet door de mens hersteld kon worden, was de Braakman in het centrale deel van Zeeuws‐Vlaanderen. Dit gebied kwam onder water te staan tijdens de stormen van 1375 ‐ 1376 en 1404. Ook tijdens de Tachtigjarige Oorlog zijn kreken ontstaan door geplande inundaties. In dit gebied was het maaiveld sterk gedaald door met name de veenontginningen.

In Zeeuws‐ Vlaanderen was het aan de oppervlakte liggende veen compleet afgegraven, waardoor de Pleistocene ondergrond weer aan het maaiveld kwam. Het duurde 400 tot 500 jaar voordat het gebied via natuurlijke opslibbing weer teruggewonnen kon worden van de zee. Toch trad er over de gehele provincie genomen geen landverlies op. Schorgebieden die hoog waren opgeslibd, werden steeds weer aan het land toegevoegd. Dit gebeurde bijvoorbeeld in het centrale deel van Zuid‐Beveland. De grote overstromingsramp van 1531 die het oostelijk deel van Zuid‐Beveland trof, was van doorslaggevende betekenis voor de afwatering van de Schelde. Tot aan de overstroming was de Oosterschelde de hoofdgeul. Het wantij, de grens waar de vloedstromen vanuit de Oosterschelde en Westerschelde elkaar raakten, lag tot 1530 tussen het Verdronken Land van Saeftinge en Zuid‐Beveland. Na de overstromingsramp kwam het wantij echter tussen Zuid‐Beveland en de Brabantse Zoom te liggen. De wantij‐verlegging had tot gevolg dat de Oosterscheldegeul ter hoogte van het wantij ging verzanden door de sterk afgenomen getijdestroom. In de Westerschelde daarentegen namen de stroomsnelheden juist toe omdat de Westerschelde het debiet van de achterliggende Schelde rivier overnam. Het nieuwe wantijgebied tussen de Wester‐ en Oosterschelde slibde in de volgende eeuwen hoog op en werd ingedijkt.

Aan de verbinding tussen de Wester‐ en Oosterschelde kwam definitief een einde toen in 1871 een spoordijk gereed kwam tussen Zuid‐Beveland en de Brabantse Zoom Vóór de grote overstromingsramp van 1953 waren de Zeeuwse eilanden nog niet via waterstaatkundige werken verbonden met het vasteland. Reeds voor de Tweede Wereldoorlog

34

ARTEFACT! RAPPORT 245

NISSE DRIEWEG 5

was men zich bewust van het feit dat in Zuidwest‐Nederland de kustverdediging tegen extreme hoge stormvloeden ontoereikend was. In 1937 waren er door Rijkswaterstaat plannen gemaakt ter verbetering van de kustbeveiliging in dit gebied. Volgens deze plannen zou een groot aantal dijken moeten worden verhoogd en enkele ingrijpende waterstaatkundige werken zouden moeten worden gerealiseerd. Vanwege de krappe overheidsfinanciën en het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog zijn de plannen niet uitgevoerd. Daardoor bleef de onveilige situatie bestaan en kon de catastrofale overstromingsramp van 1953 plaatsvinden. Een zware noordwesterstorm, aangezwollen tot orkaankracht (windkracht 12) gepaard gaande met springtij, teisterde op 1 februari 1953 meer dan 20 uur onafgebroken de Nederlandse, Engelse en Belgische kust. Het zeewater, dat bij eb nauwelijks meer zakte, rees tot hoogten die sedert 1825 niet meer waren voorgekomen. In Vlissingen bereikte het zeewater een hoogte van 4.55 m +NAP. De dijken braken op 89 plaatsen en 137.000 ha land kwam onder water te staan. De ramp kostte in Nederland aan 1835 mensen het leven. Direct na de ramp, op 21 februari 1953, werd de Delta‐commissie ingesteld, waarvan de adviezen uiteindelijk resulteerden in het versneld uitvoeren van het Deltaplan, waarmee in 1958 werd begonnen.

In het kader van het Deltaplan werden het Veerse Gat (1961), Haringvliet (1971) en Grevelingen (1976) afgesloten. Het gebied rond de Oosterschelde wordt nu beschermd door de stormvloedkering, een open dam (gereed in 1986) die gesloten wordt tijdens extreem hoge stormvloeden. De Westerschelde kon niet worden afgedamd vanwege de scheepvaartbelangen van Antwerpen. Rond deze zeearm zijn in het kader van het plan de dijken verzwaard. Met de voltooiing van het Deltaplan is de wapenspreuk van Zeeland recht gedaan: Luctor et Emergo.

2.3.2

Bewoningsgeschiedenis van het onderzoeksgebied en zijn omgeving

Betrouwbare historische gegevens uit de periode voor de dijkenbouw zijn uitermate schaars. Nisse, en daarmee het plangebied, is gelegen in de polder De Breede Watering Bewesten Yerseke, kortweg de Westwatering genoemd. Dit is één van de oudste Zeeuwse poldergebieden; de polder wordt dan ook gerekend tot het zogeheten Oudland, een term die wordt gebruikt om land te duiden dat werd bedijkt vóór 1200. Volgens historische bronnen werd deze streek getroffen door een geweldige overstroming rond 1134. Deze overstroming zou niet alleen Zeeland hebben getroffen, maar ook de Vlaamse kust en Zuid‐Holland. Na deze inundatie werd een dijk opgeworpen als eerste beveiligingswerk op de noordrand van de kreekrug Wemeldinge – Kapelle – Kloetinge – ’s‐Heer Arendskerke, in een wijde boog rond de centrale punten van aantasting. In het oosten werd tussen Yerseke en Hansweert eveneens een dijk aangelegd. Het dijkgedeelte tussen Goes en ’s‐Heer Arendskerke, is later herhaaldelijk opgehoogd en bestaat nog steeds. Van andere gedeelten is niet met zekerheid geweten of ze nog tot in de 16e eeuw als zaaidijk of als hoge weg in gebruik waren.8 Rond 1200 was het geheel uiteindelijk omsloten met een ringdijk. De gebieden rond Nisse lagen gedurende de 12e – 13e eeuw langs de zuidelijke rand van Zuid Beveland.

Ten zuiden ervan lag namelijk op dat moment het stroomgat de “Zwake” die door middel van de twee stroomgaten in verbinding stond met de Westerschelde. Aan de overzijde van de Zwakke lagen de eilanden, die gedurende de 12e eeuw samen gevoegd werden, en het eiland Borssele vormden.9

8 Dekker 1971, 100‐101. 9 Dekker 1971, 128.

35

ARTEFACT! RAPPORT 245

NISSE DRIEWEG 5

Als gevolg van een voortdurend actief inpolderingsbeleid wordt in 1445 het eiland Borsele met een eerste dam op de Zwake, gelegen ten noorden van Hoedekenskerke, verbonden met Zuid‐ Beveland.10 Er volgde nog een reeks van steeds in westelijke richting opschuivende dammen tot in 1554 het volledige voormalige stroomgat ingedijkt was en Zuid‐Beveland en Borssele volledig aan elkaar verbonden waren.11 Afbeelding 16, een uitsnede van de Overzichtskaart van Zuid‐Beveland vóór 1530 door Dekker (1971), geeft de kustlijn in de omgeving van Nisse in circa 1250 (rode stippellijn) en 1530 (blauwe lijn) weer. Een vergelijking tussen deze twee lijnen toont duidelijk de landwinst in de periode van 1250 tot 1530 in het gebied tussen Nisse en het ten zuiden daarvan gelegen voormalige eiland Borssele. Volgens deze kaart maakt het onderzoeksgebied gedurende de 16e eeuw, hoewel onmiddellijk nabij Nisse gelegen, deel uit van de parochie van ’s‐Heer Abtskerke.

Afbeelding 16 Verkleinde uitsnede van de Overzichtskaart van Zuid‐Beveland vóór 1530 door Dekker, uit 1971. Het onderzoeksgebied is met een roze ingevulde polygoon weergegeven. De kustlijn uit circa 1250 is met een rode stippellijn weergegeven, de kustlijn uit 1530 met een brede blauwe lijn.

Het onderzoeksgebied maakt deel uit van een groot binnen de Westwatering gelegen komkleigebied, bekend als de Poel, dat zich uitstrekt ten zuidwesten van Goes. In de Poel werd gedurende de Late Middeleeuwen het veen op grote schaal ontgonnen. De dorpen in dit gebied, waaronder Nisse en ’s‐Heer Abtskerke, zijn ontstaan bij deze ontginningen (ook wel moernering (moeren) genoemd). Nisse en ’s‐Heer Abtskerke hadden in het laatste kwart van de 12de eeuw al

10 Ovaa 1975, 31‐44, Wilderom, 1968, 196. 11 WIlderom 1968, 148.

36

ARTEFACT! RAPPORT 245

NISSE DRIEWEG 5

eigen parochiekerken.12 Nisse komt dan ook al voor op de kaart van Gwijdde van Dampierre (historische kopie door Van Thuyne uit 1617), die de situatie van Noord Vlaanderen omstreeks 1274 weergeeft (niet afgebeeld). Hoewel deze kaart Noord Vlaanderen als onderwerp heeft, staan ook de in de periferie hiervan gelegen gebieden afgebeeld. Op deze kaart staat een plaatsje met de naam Ternasse13. De kopie van de Dampierrekaart door Van Thuyne uit 1617, is op haar beurt meerdere malen gekopieerd. Op een kopie door Ryckewaert uit 1680 (niet afgebeeld) staat het plaatsje aangegeven als Ter Nijse. ’s Heer Abtskerke komt op deze kaarten niet voor. Het gevolg van het moeren was dat de bodem aanzienlijk daalde. Na het weggraven van het veen werd de bovenliggende klei weliswaar teruggestort, toch kon het oorspronkelijke niveau nergens opnieuw gehaald worden. Hierdoor ontstond een lager gelegen landschap met wateroverlast tot gevolg. Met de uitbreiding van de moergebieden werd dit in de loop der tijd een steeds groter probleem. De dorpskernen zelf bleven veelal droog, omdat deze op de iets hoger gelegen ruggen lagen. Verdere ontwikkeling en uitbreiding van de dorpen was hierdoor echter veelal niet mogelijk. Zo bleven verschillende nederzetting steken in hun groei, andere verdwenen gedeeltelijk of geheel.

Hoewel het landschap ten gevolge van deze moernering daalde en er sprake was van wateroverlast is De Breede Watering Bewesten Yerseke, mede dankzij de vele dijkwerkzaamheden vanaf de 12e eeuw, gedurende de zware stormvloeden uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd grotendeels onaangetast gebleven. Zo werd ook gedurende de 13e of 14e eeuw een extra vijfzodendijk14 aangelegd tussen Nisse en de overige delen van de Poel, die er uiteindelijk voor zorgde dat Nisse ongeschonden de stormvloeden van 1530 en 1532 kon doorstaan15. Met name de vloeden van 1530 en 1532 veroorzaakte grote schade in grote delen van Zeeland. In de omgeving van de Wetering liep Oostelijk Zuid‐Beveland ten oosten van de dijk tussen Yerseke en Hansweert (Brede Wetering Beoosten Yerseke) onder water en ten zuidwesten van Nisse raakten ook grote delen van het westen van het voormalige eiland Borsele overspoeld.16 De kaart met de monding van de Schelde uit de Brusselse Atlas van Christian Sgrooten uit omstreeks 1570 geeft een goed beeld van deze situatie (zie afbeelding 17).De verdronken regio’s zijn blauw‐geelbruin gevlekt, maar de namen van de verdronken dorpen staan nog weergegeven. Op deze kaart is er nog steeds sprake van Ter Nijsse.

9

Dekker 1971, 38. Een oude benaming voor Nisse. 14 Een vijfzodendijk stamt uit de 13e‐14e eeuw, de naam slaat vermoedelijk op de oorspronkelijke hoogte van deze middeleeuwse dijken. Deze dijken werden binnendijks (in de polder) van de ringdijk aangelegd en moesten voorkomen dat bij een eventuele dijkdoorbraak het volledige achterland overspoeld zou worden. 15 Dekker, 1971, 135‐136. 16 Dekker 1971, 130‐136. 13

37

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12199529/1