6.1 Ontwerpbestemmingsplan Bedrijventerrein Drieweg, Nisse, 2022
Tekst van het document
Rho adviseurs voor leefruimte
44001336.20180908
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING
37
Bijlage 1 Landschappelijke inpassing
Rho adviseurs voor leefruimte
44001336.20180908
38
Rho adviseurs voor leefruimte
44001336.20180908
Bosman Nisse
Landschappelijke inpassing transportbedrijf
COLOFON OPG E STE LD DOOR
Bosch Slabbers Landschapsarchitecten; Jan van Minnebruggen, Hans Eshuis OP DRACHTG EVE R
Bosman, Nisse, D AT U M
31 oktober 2018 Maatvoeringen, hoeveelheden en detailleringen dienen verder uitgewerkt te worden in een maatvaste CAD- tekening
Bosman Nisse
Landschappelijke inpassing transportbedrijf
•4•
B OS C H
S LAB B E R S
2
AANLEIDING Transportbedrijf Bosman te Nisse is een groeiend transportbedrijf dat zich richt op onder meer agrarische transporten. Het bedrijf is gevestigd aan de Drieweg te Nisse. Om de groei in het bedrijf te kunnen faciliteren wordt een nieuwe loods gebouwd en het terrein aan de noordoostzijde uitgebreid. De uitbreiding vindt plaats in een waardevol en relatief open polderlandschap. Bosch Slabbers is gevraagd om een landschappelijk inpassingsplan op te stellen dat de uitbreiding op verantwoorde wijze inpast in het landschap. Uitgangspunt is dat een duidelijke meerwaarde ontstaat ten opzichte van de reguliere inpassingsvoorschriften van de gemeente.
plangebied op de luchtfoto uit 2017
LAN DSCHAP P E LIJ K E
I N PA S S I N G
BO S M A N
N I S S E
•5•
oject:
Onderwerp:
drachtgever:
Tekeningnr:
Datum:
20.01.2017 Fase:
Schaal:
Status:
STATUS
Formaat:
Referentie:
A3
20180703 Ontwerp.dwg
N
Bosch Slabbers DEN HAAG 1e sweelinckstraat 30 2517 GD Den Haag +31 (0)70 3554407 den-haag@bosch-slabbers.nl www.boschslabbers.nl
Project: Bosch Slabbers MIDDELBURG Oude Vlissingseweg 1 4336 AA Middelburg +31 (0)11 8592288 Opdrachtgever: zeeland@bosch-slabbers.nl www.boschslabbers.nl
Onderwerp: Tekeningnr:
Datum:
20.01.2017 Fase:
Schaal:
Status:
STATUS
Formaat:
Referentie:
A3
20180703 Ontwerp.dwg
N
Bosch Slabbers DEN HAAG 1e sweelinckstraat 30 2517 GD Den Haag +31 (0)70 3554407 den-haag@bosch-slabbers.nl www.boschslabbers.nl
3
LANDSCHAP Het plangebied ligt aan de rand van de dorpskern van Nisse, op de kreekrug die vanuit de dorpskern het tracé van de Gerbenesseweg volgt. Het dorp Nisse ligt op een kruispunt van meerdere smalle kreekruggen, die zich op een vrij regelmatige afstand van elkaar in zuidwest-noordoostelijke richting in de polder liggen. Vanouds waren de kreekruggen de plaatsen in de polder waar de bewoners zich vestigden, vanwege de hogere ligging, de lichtere grond en en de goede ontwatering. De kreekruggen liggen globaal één meter hoger als het tussenliggende poelgebied.
De gemiddelde hoogte van het maaiveld bedraagt ca 0.30+ NAP. Het patroon van kreekruggen zie je ook terug op de bodemkaart, waar ze opvallen als lichtgroene banen. (code Mn15a: lichte Zavel) Landschappelijk gezien zijn de kreekruggen meest beplant of bebouwd. Er staan fraaie en soms hoge bomen. Op de kreekruggen zijn ook de fruitbedrijven gevestigd. Op de kaart van het omgevingsplan Borsele is het gebied aangegeven als buitengebied.
Luchtfoto 2017 fragment Algemene Hoogtekaart Nederland fragment bodemkaart fragment Omgevingsplan Borsele
LAN DSCHAP P E LIJ K E
I N PA S S I N G
BO S M A N
N I S S E
•7•
zicht vanaf Zuidweg zicht vanaf Gerbenesseweg
zicht vanaf Lootweg
4
BEELDEN Op deze pagina is de huidige visuele impact te zien van het bedrijf in het omliggend landschap. De trucks en de loodsen zijn nu als witte vlekken duidelijk zichtbaar vanuit de polder. Daarnaast vallt het silhouet op van het dorp Nisse, dat bepaald wordt door de torenspits van de Hervormde kerk, die uitsteekt boven de bomen.
LAN DSCHAP P E LIJ K E
I N PA S S I N G
BO S M A N
N I S S E
•9•
5
VISIE EN INPASSINGPLAN De uitbreiding van Bosman is een forse ingreep in het landschap. De recente foto’s tonen aan dat de hoogte van de wallen niet voldoende is om de achterliggende bedrijfsactiviteiten aan het oog te onttrekken. Landschappelijk gezien ligt het terrein op een kreekrug. De hogere ligging en de bodemsamenstelling ondersteunen dit. Ruimtelijk gezien ligt het terrein aan de rand van het dorp Nisse, maar behoort het nog wel tot de dorpskern. De forse ruimtelijke ingreep vraagt om een stevige en robuuste inpassing. Vanwege de koppeling met de kreekrug en het dorp wordt voorgesteld om de wallen in te planten met opgaande bosbeplanting. Langs de lange kanten wordt de huidige breedte van de wallen aangehouden (10 m). De wal bestaat uit twee gelijke hellingen met talud 1: 1,5. De bovenbreedte bedraagt 1 meter, de walhoogte is 3 meter.
Op de kopse kant in de polder wordt de singel verbreed tot 20 meter. De wal wordt in de eerste 10 meter opgenomen. Aan de noordzijde verbreedt de singel zich tot een klein boslichaam, ook wel aangeduid als “Tiny Forest”. De grotere breedte (max 40 meter) biedt de gelegenheid voor het ontstaan van een echt bosmilieu, met de daarbij behorende waarden voor flora en fauna. Dit is een duidelijke meerwaarde ten opzichte van de standaard brede singels van 10 meter. Het perceel tussen de Gerbenesseweg de wal wordt ingericht als een weide, met op de overgang naar de wal en het infiltratiebekken een rand met een (fruit) bomenweide. Een verdere meerwaarde wordt gevonden in het toepassen van zogenaamde ECO-systeemdiensten (ESD). Dit houdt in dat het terrein een rol gaat spelen bij de instandhouding of versterking van de ecosystemen waar het deel van uitmaakt, of die in de directe omgeving liggen.
LAN DSCHAP P E LIJ K E
Er zijn drie speerpunten (ESD) waar de landschappelijke inpassing op inspeelt: 1. de bestuiving van fruitgewassen van de omliggende boomgaarden 2. de natuurlijke bestrijding van plaagdieren in de fruitteelt 3. infiltratie van regenwater in de bodem van de kreekrug In het inpassingsplan wordt op de volgende wijze invulling gegeven aan de ecosysteemdiensten: 1. Door in de bosranden diverse bloeiende struiksoorten op te nemen worden insecten aangetrokken en stuifmeel en nectar geleverd. De insecten zorgen op hun beurt voor de bestuiving van de fruitgewasen. 2. Een bosmilieu, dat kan ontstaan in een Tiny Forest dient als leefgebied voor een aantal natuurlijke vijanden van luizen en rupsen.
I N PA S S I N G
BO S M A N
N I S S E
• 11 •
wal met singel 10 m
infiltratiebekken
A
A'
wal met bosje
onderhoudstrook
B' B
3. Door het regenwater van de verhardingen en zo mogelijk ook daken op te vangen en actief te infiltreren in de kreekrug wordt de van nature aanwezige zoetwatervoorraad versterkt. Deze is op zijn beurt weer van belang voor de landbouw in de omgeving, met name in tijden van droogte. Hiertoe wordt naast het bos een nieuw infiltratiebekken gemaakt. Het infiltratiebekken dient regelmatig te worden geschoond teineinde dichtgroeien met riet en struiken tegen te gaan. 4. Door het opnemen van een hoogstamboomgaard worden verdere omstandigheden voor de fruitbestuivende insecten geschapen. Profielen De profielen laten het verloop van de inpassing zien aan de noordzijde. De lokaties staan op de ontwerptekening.
Profiel AA Dit profiel toont de doorgetrokken wal op een breedte van 10 meter en een hoogte van 3 meter ( bij taluds 1: 1,5). Vervolgens het infiltratiebekken, 1265 m2 groot, waarbij een drempel is gelegd tussen de bestaande sloot en het bekken op ca -0.55 NAP. De bodem van het bekken dient boven zomerpeil sloot (-1.85 NAP) te liggen, zodat het regenwater in de grond kan wegzakken. Het bekken heeft een minimale capaciteit van 1012 m3 Profiel BB Het profiel toont de doorgetrokken wal met een breedte van 10 meter. De Singel is hier verbreed tot een bosje. Langs de randen daarvan loopt een onderhoudstrook en/of schouwstrook van 5 meter.
LAN DSCHAP P E LIJ K E
I N PA S S I N G
BO S M A N
N I S S E
• 13 •
Hondsroos
Veldesdoorn
kornoelje
Meidoorn
Gelderse Roos
Liguster
6
BEPLANTING De beplanting van de singels bestaat uit een inheems sortiment, waarbij onderscheid wordt gemaakt in een randzone van 2.50 m met uitsluitend struiken en een kernzone met struiken en bomen. De randbeplanting bestaat uit een grote verscheidenheid aan (vroeg) bloeiende soorten. Bij aanleg dient de bodem te worden ingezaaid met klaver. Dit gaat verdere gras -en onkruidgroei tegen.
3152 m2 opmerkingen driehoeksverband planten in groepen van minimaal 5 stuks.
Struikbeplanting randen
plantverband in m 1
x
perc.
soort 20% Crataegus monogyna 15% Ligustrum vulgare 20% Prunus spinosa 25% Cornus sanguinea 5% Rosa rubiginosa 10% Viburnum opulus 5% Rosa canina 100%
1 nederl.naam Meidoorn Liguster Sleedoorn Rode kornoelje Egelantier Gelderse roos Hondsroos
plantverband in m 1,25
Plantmaat 630 maat 80/100 473 maat 80/100 630 maat 80/100 788 maat 80/100 158 maat 80/100 315 maat 80/100 158 maat 80/100 3152
5688 m2 opmerkingen
Bosbeplanting kern
De boomweide bestaat uit zoete kersen. deze bomen hebben een aantrekkelijke bloei in april en zijn drachtboom voor bijen en vlinders. De boom heeft geen begeleidingssnoei nodig. Planten met twee boompalen.
aantal
x
perc.
soort 25% Acer campestre 25% Quercus robur 10% Tilia cordata 10% Corylus avellana 20% Crataegus monogyna 10% Viburnum opulus 100%
driehoeksverband planten in groepen van minimaal 3 stuks.
1,25 nederl.naam Veldesdoorn Zomereik winterlinde Hazelaar Meidoorn Gelderse roos
Boomweide fruitbomen
100% Prunus avium "Landscape Bloom"
nederl.naam Zoete Kers
LAN DSCHAP P E LIJ K E
aantal
Plantmaat 910 maat 80/100 910 veer, maat 150/200 364 veer, maat 150/200 364 maat 80/100 728 maat 80/100 364 maat 80/100 3640
69 st opmerkingen aantal Plantmaat 69 maat 10/12
I N PA S S I N G
BO S M A N
N I S S E
• 15 •
Legenda:
I1
9.5 Sal OUNISt (01.11
, tl Ig gras en weide
IIIIIIIIII
sloten
[11MI
bosbeplanting béstaand
IIIIIIIIIIII
bosbeplanting kern
1 1 [1 1[1 1
bosbeplanting rand
r4
infiltrayebekken
7
MAATVASTE TEKENING plankaart schaal 1: 500
Het inpassingsplan is uitgewerkt op een maatvaste CAD tekening, waarvan hier ter illustratie een verkleinde weergave is opgenomen. De tekening met datum 25
oktober 2018 is separaat bij deze rapportage gevoegd
MV 0.20+NAP
overloop -0.55 NAP
bodem -1.35 NAP
berging 1280 x 0,8= 1024 m3
Pmax -1.08 NAP
ZP -1.85 NAP
profiel aa' schaal 1: 200
Legenda:
gras s
ruig g
sloten
bosbe
bosbe
profiel bb' schaal 1: 200
bosbe
infiltra
project
:
Landschapp
onderdeel
:
inpassingsp
opdrachtgever
:
Bosman, N
datum
:
25.10.2018
schaal
:
bestandsnaam
:
20181022 A0
profiel cc' schaal 1: 200
Middelburg Den Haag
LAN DSCHAP P E LIJ K E
I N PA S S I N G
BO S M A N
N I S S E
Oude Vlissingseweg 1 4 1e sweelinckstraat 30 2
• 17 •
© Dit werk is auteursrechtelijk beschermd. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Bosch Slabbers Tuin- en Landschapsarchitecten B.V. (hierna: “Bosch Slabbers”). Bosch Slabbers heeft bij haar werkzaamheden de zorgvuldigheid in acht genomen die van haar kan worden verwacht. Aan de getoonde informatie in deze publicatie kunnen geen rechten worden ontleend. Op onze werkzaamheden zijn de voorwaarden van toepassing zoals vastgelegd in De Nieuwe Regeling 2005 (DNR 2005). Bosch Slabbers heeft met zorgvuldigheid de beelden in deze publicatie geselecteerd. Het kan voorkomen dat niet alle rechthebbenden van de gebruikte beelden zijn achterhaald. Belanghebbenden worden verzocht contact op te nemen met Bosch Slabbers.
Oude Vlissingseweg 1 Postbus 147 4330 AC Middelburg T 0118 592288 F 0118 591233 zeeland@bosch-slabbers.nl www.bosch-slabbers.nl
39
Bijlage 2 Archeologisch onderzoek
Rho adviseurs voor leefruimte
44001336.20180908
40
Rho adviseurs voor leefruimte
44001336.20180908
ARTEFACT! RAPPORT 245
Nisse Drieweg 5 Gemeente Borsele Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen
ARTEFACT! RAPPORT 245
Nisse Drieweg 5 Gemeente Borsele Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen
F.M.J. Delporte
Colofon Titel
Nisse Drieweg 5. Gemeente Borsele. Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen.
Auteur(s)
drs. F.M.J. Delporte
Status rapport
Definitief
Datum
25 juli 2016
Projectcode
2016ART38
Projectleider
drs. F.M.J. Delporte
Projectmedewerker(s)
drs. F.G.R D’hondt
Opdrachtgever
Van Zaeck & Co CRES B.V.
ISSN
2213‐7424
Autorisatie
Naam
drs. J.E.M. Wattenberghe (Senior KNA Archeoloog)
Datum
25‐07‐2016
Paraaf
Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed! Riemensstraat 9 4543 BW Zaamslag T 0115 851614 E info@artefact‐info.nl W www.artefact‐info.nl
© Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed, 2016 Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van het hierin verwoorde advies.
ARTEFACT! RAPPORT 245
NISSE DRIEWEG 5
Inhoud Samenvatting ................................................................................................................................ 7 Administratieve Gegevens ........................................................................................................... 9 1
Inleiding
1.1
Aanleiding, Doel en Opzet van het onderzoek ................................................................. 11
1.2
Beleidskader .................................................................................................................... 14
1.3
Onderzoeksgebied: afbakening en (toekomstig) grondgebruik ....................................... 16
2
Archeologisch Bureauonderzoek
2.1
Onderzoeksmethode ....................................................................................................... 19
2.2
Aardkundige Waarden ..................................................................................................... 19
2.2.1
Inleiding ................................................................................................................... 19
2.2.2
Algemene Geologische Geschiedenis .......................................................................20
2.2.3
Geologie, Landschap en Bodem ............................................................................... 23
2.2.4
Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) ...............................................................28
2.3
Bewoningsgeschiedenis ................................................................................................... 30
2.3.1
Algemene Bewoningsgeschiedenis van Zeeland ...................................................... 30
2.3.2
Bewoningsgeschiedenis van het onderzoeksgebied en zijn omgeving ..................... 35
2.3.3
Archeologische Gegevens ....................................................................................... 44
2.3.4
Recent gebruik: verstoringen en luchtfoto’s ............................................................ 48
2.4
Archeologisch Verwachtingsmodel .................................................................................. 50
3
Inventariserend veldonderzoek
3.1
Doel en methode ............................................................................................................. 55
3.2
Resultaten........................................................................................................................ 57
4
Conclusie en Advies
4.1
Conclusie ......................................................................................................................... 61
4.2
Advies ............................................................................................................................. 62
Bronnen
................................................................................................................................. 67
Verklarende Woordenlijst ........................................................................................................... 69 Tijdstabel .................................................................................................................................... 73 Bijlage 1 Boorstaten ............................................................................................................... 75
5
ARTEFACT! RAPPORT 245
NISSE DRIEWEG 5
Samenvatting In opdracht van Van Zaeck & Co CRES B.V. heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed in april 2016 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen (IVO‐O) uitgevoerd binnen een onderzoeksgebied ten oosten van de Drieweg 5, in het oosten van Nisse, gemeente Borsele. Binnen het onderzoeksgebied zal het bedrijventerrein van Bosman Transport (gelegen aan de Drieweg) uitgebreid worden. De totale oppervlakte van de geplande uitbreiding bedraagt 8.000 m2. De definitieve locatie van de uitbreiding (en dus het plangebied) staat nog niet vast, hiervoor is een zone van circa 1,8 hectare beschikbaar. In het kader van het huidig onderzoek wordt deze volledige zone aan een onderzoek onderworpen, deze vormt het onderzoeksgebied. Het onderzoeksgebied ligt grotendeels binnen de grenzen van het Bestemmingsplan Borsels Buiten en heeft een enkelbestemming Agrarisch gebied met landschappelijke waarde. Omdat in het geldend bestemmingsplan het gemeentelijk archeologiebeleid nog niet opgenomen is, is de gemeentelijke ‘Erfgoedverordening gemeente Borsele 2012’ van kracht. Binnen het onderzoeksgebied geldt volgens het gemeentelijk beleid een vrijstellingsgrens voor bouwwerkzaamheden tot 250 vierkante meter of voor werkzaamheden die niet dieper reiken dan 0,40 meter beneden maaiveld.
Het westen van het onderzoeksgebied is gedeeltelijk gelegen binnen het bestemmingsplan Kleinschalige Bedrijventerreinen en heeft de dubbelbestemming Waarde – Archeologie . Voor dergelijke gebieden gelden de volgende vrijstellingsgrenzen: diepte 0,30 meter beneden maaiveld en oppervlakte van 100 vierkante meter. Op de Geologische Kaart van Nederland is het noordwestelijk gelegen deel van het onderzoeksgebied gelegen in een zone met Afzettingen van Duinkerke II (behorend tot het Laagpakket van Walcheren) op Hollandveen (Hollandveen Laagpakket) op afzettingen van Calais (Laagpakket van Wormer). Ten noorden van het onderzoeksgebied wordt op deze kaart een geul uit dezelfde periode weergegeven. De top van het pleistocene zand (Laagpakket van Wierden) ligt ter plaatse van het zuidoosten van het onderzoeksgebied op een diepte tussen 15 en 20 m –NAP en in het noordwesten van het op 6 tot 7 meter –NAP. Er kon op basis van het bureauonderzoek samengevat gesteld worden dat voor het zuidoostelijke deel van het onderzoeksgebied geen verwachting geldt op het aantreffen van vindplaatsen uit het Paleolithicum, Mesolithicum en Neolithicum en een middelhoge verwachting voor het noordwesten van het onderzoeksgebied. Vindplaatsen uit deze perioden kunnen worden verwacht in de top van het pleistocene zand (Laagpakket van Wierden) en de eventueel aanwezige paleosols.
Voor het Laat‐Neolithicum en de Bronstijd geldt een lage verwachting voor de bovenzijde van het Laagpakket van Wormer en onderzijde van het Hollandveen. Voor de IJzertijd en Romeinse tijd geldt een hoge verwachting voor zover het Hollandveen niet (gedeeltelijk) weg geërodeerd is. Voor het Laagpakket van Walcheren geldt een middelhoge verwachting voor vindplaatsen uit de Middeleeuwen en een hoge verwachting voor vindplaatsen uit de Nieuwe tijd. Tijdens het inventariserend veldonderzoek werd het opgestelde verwachtingsmodel middels 17 verkennende boringen, tot maximaal 3,90 meter beneden maaiveld (3,73 meter –NAP) getoetst. Op basis van deze toetsing kon het archeologische verwachtingsmodel bijgesteld worden: door de grote diepteligging kon het niveau van het Laagpakket van Wierden niet worden bereikt. Hierdoor blijft de middelhoge verwachting voor het noordwestelijke deel en de lage verwachting voor het zuidoosten ongewijzigd.
7
ARTEFACT! RAPPORT 245
NISSE DRIEWEG 5
De lage verwachting voor het Laagpakket van Wormer en de onderzijde van het Hollandveen kan gehandhaafd blijven. De hoge verwachting voor vindplaatsen uit de IJzertijd en Romeinse tijd komt te vervallen, omdat het Hollandveen binnen het onderzoeksgebied geërodeerd is. De middelhoge verwachting voor vindplaatsen uit de Middeleeuwen kan bijgesteld worden naar een lage verwachting, dit onder andere omdat er geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen zoals leeflagen of vondstrijke niveaus aangetroffen werden. De hoge verwachting voor vindplaatsen uit de Nieuwe tijd voor het zuidoosten van het onderzoeksgebied kan behouden blijven. Op basis van de archeologische verwachting en resultaten van het onderzoek kan het onderzoeksgebied worden opgedeeld in drie advieszones. Voor het noordwestelijke deel van het onderzoeksgebied geldt het advies vervolgonderzoek uit te laten voeren bij graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 6 meter –NAP (circa 5,90 meter beneden maaiveld), voor het zuidoosten van het onderzoeksgebied bij graafwerkzaamheden dieper dan 0,40 meter beneden maaiveld (circa 0,20 meter –NAP). Voor het centrale deel van het onderzoeksgebied geldt dat aanbevolen wordt deze vrij te stellen van vervolgonderzoek.
8
ARTEFACT! RAPPORT 245
NISSE DRIEWEG 5
Administratieve Gegevens Onderzoeksvorm
Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen
Projectnaam
Nisse Drieweg 5
Locatie Provincie
Zeeland
Gemeente
Borsele
Plaats
Nisse
Adres / Locatie
Drieweg 5
Kadastrale Perceelsnummers
Borsele, sectie X, perceelnr. 987 (gedeeltelijk), 1195 (gedeeltelijk)
RD coördinaten
NW
51.543 / 382.610
NO
51.608 / 382.950
ZW
51.527 / 382.462
ZO
51.593 / 382.455
Kaartblad
65 H
Oppervlakte plangebied
Circa 8.000 m2, onderzoeksgebied circa 1,8 ha
Bekende waarden binnen plangebied AMK status
Geen
Archis waarnemingen
Geen
Archis onderzoeksmeldingen
Geen
Zeeuws Archeologisch Archief
Geen
Gemeentelijke vindplaatsen
Geen
Opdrachtgever Naam
Van Zaeck & Co CRES B.V.
Contactpersoon
Dhr. G.J. Schreurs
Adres
Van Blankenburgstraat 81, 2517 XN Den Haag
Contactgegevens
T
070 3241225
E
schreurs@vanzaeck.com
Bevoegde Overheid Naam
Gemeente Borsele
Contactpersoon
Mevr. A. Elling
Adres
Postbus 1, 4450 AA Heinkenszand
Contactgegevens
T
0113 238496
E
aielling@borsele.nl
9
ARTEFACT! RAPPORT 245
NISSE DRIEWEG 5
Adviseur Bevoegde Overheid Naam
Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland (SCEZ) ‐ Oosterschelderegio Archeologisch Samenwerkingsverband (OAS)
Contactpersoon
Dhr. K‐J. R. Kerckhaert
Adres
Postbus 49, 4330 AA Middelburg
Contactgegevens
T
0113 249715
E
kjr.kerckhaert@scez.nl
Beheer en plaats van documentatie Naam
Zeeuws Archeologisch Archief (ZAA) Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland (SCEZ)
Contactpersoon
Dhr. J.J.B. Kuipers
Adres
Postbus 49, 4330 AA Middelburg
Contactgegevens
T
0118 670879
E
jjb.kuipers@scez.nl
Digitaal
e‐depot: www.edna.nl
Beheer en plaats van vondstmateriaal Naam
Zeeuws Archeologisch Depot (PAD) Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland (SCEZ)
Contactpersoon
Dhr. H. Hendrikse
Adres
Looierssingel 2, 4331 LS Middelburg
Contactgegevens
T
0118 670618
E
h.hendrikse@scez.nl
Uitvoerder Naam
Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed.
Contactpersoon
Dhr. drs. J.E.M. Wattenberghe
Adres
Riemensstraat 9, 4543 BW Zaamslag
Contactgegevens
T
0115 851614
E
janwattenberghe@artefact‐info.nl
M
06 13027900
Onderzoeksgegevens Planologische aanleiding
Bestemmingsplanwijziging
Uitvoeringsperiode
April 2016
Archis onderzoeksmelding
3995264100
Nieuw aangetroffen vindplaats(en)
Niet van toepassing
10
ARTEFACT! RAPPORT 245
NISSE DRIEWEG 5
1
Inleiding
1.1
Aanleiding, Doel en Opzet van het onderzoek
In opdracht van Van Zaeck & Co CRES B.V. heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed in april 2016 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen (IVO‐O) uitgevoerd binnen een onderzoeksgebied ten oosten van de Drieweg 5, in het oosten van Nisse (gemeente Borsele) (zie afbeelding 2). Binnen het onderzoeksgebied zal het aan de Drieweg gelegen bedrijventerrein van Bosman Transport uitgebreid worden. De totale oppervlakte van de geplande uitbreiding bedraagt 8.000 m2. De definitieve locatie van de uitbreiding (en dus het plangebied) staat nog niet vast, hiervoor is een zone van circa 1,8 hectare beschikbaar. In het kader van het huidig onderzoek wordt deze volledige zone aan een onderzoek onderworpen, deze vormt het onderzoeksgebied.
Afbeelding 1 Ligging van het onderzoeksgebied (rode ster) in Nederland.
Het onderzoeksgebied ligt grotendeels binnen de grenzen van het Bestemmingsplan Borsels Buiten (d.d. 26 06 2007) en heeft een enkelbestemming Agrarisch gebied met landschappelijke waarde. Om de geplande ontwikkeling mogelijk te maken is een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk. Omdat in het geldend bestemmingsplan het gemeentelijk archeologiebeleid nog niet opgenomen is, is de gemeentelijke ‘Erfgoedverordening gemeente Borsele 2012’ van kracht. Volgens de gemeentelijke beleidsadvieskaarten is het plangebied gesitueerd in een gebied waarvoor een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische waarden uit Prehistorie tot en met Nieuwe tijd de geldt. Binnen dit gebied geldt een vrijstellingsgrens voor bouwwerkzaamheden tot 250 vierkante meter of voor werkzaamheden die niet dieper reiken dan 0,40 meter beneden maaiveld. Het westen van het onderzoeksgebied is gedeeltelijk gelegen binnen het bestemmingsplan Kleinschalige Bedrijventerreinen (d.d. 05.08.2011) en heeft de enkelbestemming Agrarisch en dubbelbestemming Waarde – Archeologie (zie afbeelding 3) . Voor dergelijke gebieden gelden de volgende vrijstellingsgrenzen: diepte 0,30 meter beneden maaiveld en oppervlakte van 100 vierkante meter.
In het kader van de bestemmingsplanwijziging dient, volgens de regels van het archeologiebeleid van de gemeente en het bestemmingsplan Kleinschalige Bedrijventerreinen, een Archeologisch Bureauonderzoek en een Inventariserend Veldonderzoek door middel van boringen te worden voorgelegd.
11
ARTEFACT! RAPPORT 245
NISSE DRIEWEG 5
Afbeelding 1 Ligging van het onderzoeksgebied op een uitsnede van de Topografische Kaart. Schaal 1:21.000. Bron: Esri/ Kadaster 2016.
Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen een omschreven gebied, om daarmee te komen tot een specifieke archeologische verwachting. Deze archeologische verwachting wordt, vervolgens, middels een inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) getoetst. Tijdens dit onderzoek wordt het bureauonderzoek aangevuld met extra informatie over de bekende en/of verwachte archeologische waarden binnen het plangebied. De resultaten van dit onderzoek geven een indicatie over de aan‐ of afwezigheid, de aard, de omvang, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Op basis van de gegevens uit zowel het bureauonderzoek als uit het veldonderzoek wordt een waardering en een inhoudelijk advies gegeven waarop een verantwoorde beleidsbeslissing genomen kan worden ten aanzien van (eventueel) vervolgonderzoek. De gegevens van dit onderzoek worden gepresenteerd in de voorliggende rapportage. Het archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek werden uitgevoerd conform de eisen gesteld in de KNA Versie 3.3 en de aanvullende richtlijnen van de Provincie Zeeland.
12
ARTEFACT! RAPPORT 245
NISSE DRIEWEG 5
Afbeelding 3 Ligging van het onderzoeksgebied op een uitsnede van de Bestemmingsplannen. Groen: bestemming groen; paars: bestemming bedrijventerrein; geel: bestemming wonen. Schaal 1: 5.000. Bron: Ruimtelijkeplannen.nl.
13
ARTEFACT! RAPPORT 245
1.2
NISSE DRIEWEG 5
Beleidskader
Rijk Sinds 1 september 2007 is de herziene Monumentenwet 1988 van kracht. Middels de ‘Wet op de archeologische monumentenzorg’ (Wamz) is hiermee het Verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Het Verdrag van Malta, ook wel Conventie van Valletta genoemd, beoogt het cultureel erfgoed dat zich in de bodem bevindt, beter te beschermen. Deze wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van archeologische onderzoeken. De belangrijkste speerpunten van de wetgeving betreffen:
het streven naar behoud en bescherming van archeologische waarden in de bodem;
de archeologische monumentenzorg wordt een geïntegreerd onderdeel van het ruimtelijk ordeningsproces;
de kosten van archeologische werkzaamheden komen in principe voor rekening van de initiatiefnemer van bodemverstorende activiteiten (principe van ‘veroorzaker betaalt’).
Daarnaast is er op landelijk niveau een Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA) opgesteld waar in hoofdstukken 11, 14, 15 en 16 de vroege Prehistorie tot en met de vroegmoderne tijd in West‐Nederland wordt geschetst. Provincie Het beleid van de Provincie Zeeland ten aanzien van de Archeologische Monumentenzorg is vastgelegd in de Cultuurnota 2013‐2015. Daarnaast heeft de provincie in 2009 aanvullende richtlijnen opgesteld voor het uitvoeren van een Bureauonderzoek, onderzoek op veen en onderzoek op dagzomend en dun afgedekt dekzand. Deze richtlijnen zijn in 2014 geactualiseerd en opnieuw vastgesteld. In 2008 is een Provinciale Onderzoeksagenda Archeologie Zeeland 2009‐2012 (POAZ) opgesteld waarbij het hoofdthema, het dynamische landschap met contrasterende betekenissen centraal staat.1 Dit is uitgewerkt in drie grote diachrone thema’s, welke verder worden uitgediept in vier subthema’s per periode. Gemeente Met de komst van de Wet op de archeologische Monumentenzorg (Wamz) is de verantwoordelijkheid voor het cultureel erfgoed in grote mate verschoven van Rijk en provincie naar de gemeenten. Gemeenten worden verantwoordelijk gehouden voor de omgang met archeologische waarden binnen het gemeentelijk grondgebied. Daartoe dienen de gemeenten een eigen archeologiebeleid te voeren, waaruit blijkt dat de gemeente alle belangen heeft gezien en afgewogen.
Het Rijk verwacht dat elke gemeente een eigen beleid voert dat recht doet aan de uitgangspunten van de nieuwe wetgeving. Veel gemeenten hebben daarop besloten een
1 Hessing et al. 2008.
14
ARTEFACT! RAPPORT 245
NISSE DRIEWEG 5
archeologische beleidsadvieskaart op te stellen. Zo ook de gemeente Borsele, die de Archeologische verwachtings‐ en cultuurhistorische advieskaart door Vestigia heeft laten opstellen.2 De archeologische maatregelenkaart‐in‐lagen bestaat uit vier laagniveaus. Deze niveaus zijn gebaseerd op de geologische lagen die in Zeeland voorkomen: •
Laag 1: Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk)
•
Laag 2: Hollandveen Laagpakket (Formatie van Nieuwkoop)
•
Laag 3: Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk)
•
Laag 4: Laagpakket van Wierden (Formatie van Boxtel)
Voor het bepalen van de archeologische waarde van deze geologische niveaus werden deze getoetst aan gekende landschappelijke, bodemkundige en archeologische waarnemingen. Op basis van deze gecombineerde gegevens werd de kaart opgedeeld in zones met verschillende maatregelcategorieën. Elke categorie (1 tot 8) vertegenwoordigt een bepaalde archeologische waarde of – wanneer de waarde nog niet is vastgesteld – een archeologische verwachting. Op de gemeentelijke verwachtingskaart (maatregelen‐in‐lagen, zie afbeelding 4) ligt het onderzoeksgebied grotendeels in een zone met een hoge verwachting (categorie 4) op het niveau van het Laagpakket van Walcheren (Laag 1). Het zuidwesten van het onderzoeksgebied ligt gedeeltelijk in een zone zonder verwachting (categorie 8). Op het niveau van het Hollandveen Laagpakket (Laag 2) en het Laagpakket van Wormer (Laag 3) is het onderzoeksgebied integraal gelegen binnen een zone met een hoge verwachting (categorie 4) voor het aantreffen van archeologische waarden. Voor het niveau van het Laagpakket van Wierden (pleistoceen dekzand, Laag 4) geldt op de verwachtingskaart voor het (grootste) zuidoostelijke gedeelte van het onderzoeksgebied geen verwachting (categorie 8). Het noordwesten is op dezelfde kaart gelegen binnen een zone met een middelhoge verwachting (categorie 5). Dit vertaalt zich dan ook in de aanpak naar archeologisch onderzoek.
Binnen dat deel van het onderzoeksgebied dat geen deel uitmaakt van het bestemmingsplan Kleinschalige Bedrijventerreinen gelden de regels uit de Erfgoedverordening 2012 en moet voor de zones van categorie 4 (hoge verwachting) een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd bij ontgravingen met een oppervlakte van meer dan 250 m2 en dieper dan 40 centimeter. Voor het deel van het onderzoeksgebied dat wel gelegene is binnen het bestemmingsplan Kleinschalige Bedrijventerreinen, en dat er een dubbelbestemmingswaarde archeologie heeft (een klein deel van het zuidwesten van het onderzoeksgebied), gelden de regels zoals deze opgenomen zijn in het bestemmingsplan. Voor deze zone geldt dat een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd bij ontgravingen met een oppervlakte van meer dan 100 m2 en dieper dan 30 centimeter.
2 Alkemade et al. 2011.
15
ARTEFACT! RAPPORT 245
NISSE DRIEWEG 5
Afbeelding 4 Ligging van het onderzoeksgebied (rode polygoon) op de verschillende kaartlagen uit de gemeentelijke Maatregelenkaart. Schaal: 1:7.500. Bron: esri/ Alkemade et al. 2011.
1.3
Onderzoeksgebied: afbakening en (toekomstig) grondgebruik
Het onderzoeksgebied ligt in het buitengebied ten oosten van de dorpskern van Nisse. Het is gelegen ten oosten van de Drieweg en de hieraan gelegen vestiging van Bosman Transport (Drieweg 5) (zie afbeelding 5). Het onderzoeksgebied betreft de zone van circa 1,8 ha waarbinnen een uitbreiding van de vestiging van Bosman Transport zal ontwikkeld worden (totale oppervlakte van de uitbreiding zal 8.000 m2 bedragen). De exacte ligging en verstoringsdiepten van deze uitbreiding zijn nog niet bepaald.
16
ARTEFACT! RAPPORT 245
NISSE DRIEWEG 5
Het perceel waarbinnen het onderzoeksgebied gelegen is, is heden in gebruik als boomgaard.
Afbeelding 5 Ligging van het onderzoeksgebied (rode polygoon) op de satellietfoto uit 2014. Schaal: 1:5000. Bron: PDOK/esri.
17
ARTEFACT! RAPPORT 245
2
Archeologisch Bureauonderzoek
2.1
Onderzoeksmethode
NISSE DRIEWEG 5
Voorliggend Archeologisch Bureauonderzoek werd uitgevoerd conform de eisen gesteld in de KNA Versie 3.3, de aanvullende richtlijnen van de Provincie Zeeland.3 Om tot een specifieke archeologische verwachting te komen werden volgende werkzaamheden uitgevoerd:
bepalen van het onderzoekskader (aanleiding onderzoek en begrenzing onderzoeksgebied);
het vaststellen van het huidige en historische gebruik van het onderzoeksgebied en naaste omgeving door het raadplegen van de beheerder/eigenaar van de grond en/of de opdrachtgever en de door hen overgedragen gegevens;
het vaststellen van de toekomstige inrichting van het onderzoeksgebied;
het bepalen van de landschappelijke (geologische en bodemkundige) kenmerken aan de hand van bestudering van de bodem‐, geologische en geomorfologische kaarten;
het bestuderen van oude kaarten;
het raadplegen van literatuur en luchtfoto’s;
het inventariseren van gegevens uit het ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) te Amersfoort;
het raadplegen van de Archeologische Monumentenkaart (AMK) van Nederland;
het raadplegen van het Zeeuws Archeologisch Archief (ZAA);
het raadplegen van het Zeeuws Archief;
het raadplegen van gemeentelijke archeologische verwachtingskaarten en beleidsadvieskaarten.
2.2
Aardkundige Waarden
2.2.1
Inleiding
Kennis van de geologie, bodem en hydrologie van het onderzoeksgebied is noodzakelijk om inzicht te krijgen in de gebruiksmogelijkheden van het landschap voor de mens. Door inzicht te krijgen in deze gegevens kan het verwachtingsmodel nader worden bepaald. De Geologische, Geomorfologische en Bodemkaart van Nederland zijn hiervoor geanalyseerd. Tevens zijn de
3 Aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de Provincie Zeeland.
19
ARTEFACT! RAPPORT 245
NISSE DRIEWEG 5
bijkaarten en booronderzoek in en rondom het onderzoeksgebied geconsulteerd voor aanvullende informatie. In dit rapport is gekozen om zo veel mogelijk de nieuwe lithostratigrafische nomenclatuur te gebruiken en dus zo veel mogelijk de oudere Duinkerke‐transgressies buiten beschouwing te laten. In onderstaande tabel wordt echter een overzicht gegeven waarin de oude nomenclatuur (Van Rummelen 1960) ‘vertaald’ wordt naar de huidige (De Mulder et al. 2003). Tabel 1 Vertaling van de oude naar de nieuwe lithostratigrafische nomenclatuur. Bron: De Mulder 2003.
Oude nomenclatuur
Nieuwe nomenclatuur
Formatie van Twente
Laagpakket van Wierden (Formatie van Boxtel)
Basisveen
Basisveen Laagpakket
Afzettingen van Calais
Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk)
Hollandveen
Hollandveen Laagpakket (Formatie van Nieuwkoop)
Afzettingen van Duinkerke
Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk)
2.2.2
Algemene Geologische Geschiedenis
Voor het verkrijgen van inzicht in de geologische opbouw van het onderzoeksgebied en de directe omgeving daarvan is gebruik gemaakt van de Paleografische kaart van Nederland, Bodemkaart van Nederland (StiBoKa) en de Geomorfologische kaart van Nederland (StiBoKa/RGD). Een nadeel bij het gebruik is de relatieve grofschaligheid van deze kaarten. Deze informatie is niet bedoeld en ook niet bruikbaar voor een beoordeling op perceelniveau. Wel bieden de kaarten kaders voor een globale inschatting van de geologische en paleogeografische situatie. Geologisch gezien bestaat de omgeving van het onderzoeksgebied uit jonge mariene afzettingen op veen op oudere marine afzettingen (Laagpakket van Walcheren op Hollandveen Laagpakket op Laagpakket van Wormer: Vos & Van Heeringen 1997). De geologische basis, die bepalend zal zijn voor het uitzicht van het huidige landschap, begint na het laatste glaciaal (Weichselien, Laat‐Paleolithicum, tot 9.700 v. Chr.). Onder invloed van de stijgende temperatuur en het smelten van ijskappen in het Boreaal (Mesolithicum, 7.220 – 8.640 v. Chr.) zal de zeespiegel stijgen en zal het pleistocene landschap langzaam vernatten (zie afbeelding 6). Hierdoor begint zich op lager gelegen delen van het landschap een laag basisveen te vormen.
Dit fenomeen deed zich eerst in het noorden van Zuid‐Beveland, maar de veengrens verschoof door de constante stijging van het waterpeil geleidelijk op naar het zuiden. Aan dit veenvormingsproces komt een einde in het Vroeg‐Atlanticum (circa 6.000 v. Chr., Laat‐ Mesolithicum). Door de sterke zeespiegelstijging en getijdenwerking liep het noordelijke deel van Zeeland geleidelijk onder water en ontstond een getijdengebied met platen, slikken en schorren. Grote delen van het pleistocene landschap werden door getijdengeulen uitgeschuurd. De afzettingen van het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk) werden in Zuid‐Beveland bij een open kust gevormd in het Midden en Laat Atlanticum (vanaf 5.500 v. Chr.). Deze afzettingen zijn overwegend zandig.
20
ARTEFACT! RAPPORT 245
NISSE DRIEWEG 5
Afbeelding 6 Curve van de Holocene zeespiegelstijging in het Zuidwestelijke kustgebied van Nederland. Bron: De Boer 2008, naar Kiden 1995.
Vanaf het Subboreaal stagneert de stijging van de zeespiegel in die mate dat de sedimentatie en de stijging elkaar in balans hielden. Er worden meer kleiige sedimenten afgezet. Deze klei is slap en bevat veel rietwortels. Deze wortels zijn een indicatie voor de veenvorming die begint plaats te vinden. Vanaf deze periode begon het getijdengebied geleidelijk te verlanden en plaatselijk begon er zich veen te vormen op de getijdenafzettingen, zodat er vanaf het Midden‐Subboreaal (Laat‐ Neolithicum, 3.100 v. Chr.) een quasi gesloten kustbarrière van strandwallen ontstond met daarachter een groot veenlandschap bestaande uit een veenmoeras met kleine vennen en veenstroompjes. Geologisch wordt het dit veen tot het Hollandveen Laagpakket van de Formatie van Nieuwkoop gerekend. Het milieu veranderde in het Subboreaal van brak naar zoet en vervolgens van eutroof naar oligotroof. De aanwijzingen van bewoning tot in het Vroeg‐ Subatlanticum (IJzertijd, 250 v. Chr.) zijn vooral aangetroffen in het strandwallengebied. Pas vanaf het moment dat de mariene invloed volledig was afgenomen en delen van het hoog opgegroeide veen voldoende ontwaterd waren, werden delen van het veen bewoond. In de Vroeg‐Romeinse Tijd (in dit gebied ca. 50 na Chr.), nam de bewoningsintensiteit in het gehele Zeeuwse kustgebied af.
De bewoning verplaatst zich van het veengebied terug naar de strandwallen en langs de oevers van de huidige Oosterschelde. Deze rivier volgde grotendeels de huidige bedding, maar had mogelijk een brede zijarm die doorheen Zuid‐Beveland stroomde. Volgens Steur en Ovaa liep deze bedding vanaf het gebied ten noorden van Arnemuiden zuidwaarts tot bij Ellewoutsdijk. Hier boog hij om en liep naar het noordoosten richting Wemeldinge. Hierdoor werden ook Romeinse vindplaatsen in dit deel van Beveland verklaard.
21
ARTEFACT! RAPPORT 245
NISSE DRIEWEG 5
Door latere inbraken van de zee in het gebied is het bestaan van een dergelijke zijarm moeilijk te bewijzen. Volgens Vos en Van Heeringen betreft het echter geen brede rivierarm, maar ging het eerder om een netwerk van brede en smalle veenontwateringsgeulen die in verbinding stonden met de zee. In ieder geval is vanaf de Midden‐Romeinse Tijd (ca. 70‐270 n. Chr.) een intensieve bewoning van het veengebied vastgesteld. Grote delen van het veengebied werden ten behoeve van de grootschalige verbreiding van de bewoning ontwaterd. Dit deed men door het graven van afwateringsgreppels en het verbreden en kanaliseren van de reeds aanwezige veenstroompjes en watergangen (zie afbeelding 7). De exploitatie van dit veengebied heeft wellicht een economische achtergrond. De precieze aard van activiteiten op dit veen is tot nog toe echter niet volledig bekend. Afbeelding 7 Patroon met natuurlijke en antropogene getijdengeulen op Walcheren. Bron: Vos & Van Heeringen 1997, naar Brus et al. 1986.
Doordat het ontwaterde veen ging inklinken kreeg de zee opnieuw vat op dit gebied. Vanaf het Midden‐Subatlanticum (Laat‐Romeinse Tijd, vanaf 270 n. Chr.) kon de zee verder en breder het achterland instromen waardoor een nieuw getijdenlandschap ontstond. Dit resulteerde in de sedimentatie van dikke pakketten klei en zand. Daar waar getijdengeulen zich hebben ingesneden werden zandige pakketten afgezet en de hoger gelegen veengronden werden afgedekt met fijner sediment, hoofdzakelijk zware klei. De afzettingen van het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk), die daarbij tot stand kwamen, liggen tot op heden in vrijwel heel Zeeland overal aan het oppervlak. In deze periode ontstaat ook de Honte, ten zuiden van Zuid‐Beveland. Deze getijdengeul ontwikkelt zich geleidelijk tot een zeegat die de Schelde met de zee zal verbinden. De Honte als waterweg wordt dan ook een belangrijk economisch gegeven in de middeleeuwen. De bewoning op Zuid‐Beveland in die periode situeert zich nog steeds op de hogere en drogere delen. In dit onbedijkte land waren dit de oeverwallen langs de kreken en, waar de kreken reeds volledig dichtgeslibd waren, de hoge inversieruggen. Ook het schorrengebied raakt stilaan voldoende opgeslibd waardoor het slechts tijdens stormvloeden weer onder water kwam te staan. Dit maakte deze gebieden ook economisch interessant.
In die periode vindt er dan ook een intensieve kolonisatie van het getijdengebied plaats. Het economische zwaartepunt ligt hier op schapenteelt en wolproductie. Vanaf de 11de en 12de eeuw beginnen de bewoners zich met dijken tegen het water te beschermen. Daarnaast worden er ook nieuwe gebieden ingepolderd. In het nieuw gewonnen land wordt naast landbouw ook aan veenontginning gedaan. Het zoute veen werd hoofdzakelijk gebruikt bij de productie van zout. Het weggraven van het veen had een aanzienlijke verlaging en erosie van het oppervlak tot gevolg. Deze erosie werd in de hand gewerkt door slecht onderhoud van dijken. Dit had tot gevolg dat dijkdoorbraken tijdens een stormvloed catastrofale gevolgen kon hebben waarbij veel land verloren ging. Veel dorpen op Zuid‐Beveland zijn
22
ARTEFACT! RAPPORT 245
NISSE DRIEWEG 5
verdronken in de stormvloeden van 1530 en 1532, zoals deze waarvan de resten nu nog te vinden zijn in het Verdronken land van Zuid‐Beveland Tabel 2 Tijdschaal van het Kwartair. Bron: De Mulder et al. 2003. Tijdsindeling Holoceen Pleistoceen
Laat‐Pleistoceen Midden‐ Pleistoceen
Weichselien (ijstijd) Eemien (warme periode) Saalien (ijstijd)
Holsteinien (warme periode) Elsterien (ijstijd) Cromerien (warme periode) Vroeg‐Pleistoceen Bavelien Menapien Waalien Eburonien Tiglien Pretiglien
2.2.3
Jaar geleden 11.755‐heden 115.000‐11.755 130.000‐115.000 370.000‐130.000 410.000‐370.000 475.000‐410.000 850.000‐475.000 1.100.000‐850.000 1.200.000‐1.100.000 1.500.000‐1.200.000 1.800.000‐1.500.000 2.450.000‐1.800.000 2.600.000‐2.450.000
Geologie, Landschap en Bodem
Op de Geologische overzichtskaart uit 2003 (niet afgebeeld) is het onderzoeksgebied gelegen in een zone met de code Na7. Dit duidt op de aanwezigheid zeeklei‐ en zandafzettingen (Laagpakket van Walcheren, Formatie van Naaldwijk) met inschakelingen van veen (Formatie van Nieuwkoop). Op de Geologische Kaart van Nederland is het grootste (zuidoostelijke) deel van het onderzoeksgebied gelegen in een zone met code Ao.2 (zie afbeelding 8). Dit betekent dat de bodemopbouw hier bestaat uit komafzettingen van Duinkerke II (behorend tot het Laagpakket van Walcheren) op Hollandveen (Hollandveen Laagpakket) op (klei‐ op zand‐) afzettingen van Calais (Laagpakket van Wormer). Het noordwestelijke deel van het onderzoeksgebied is op deze kaart gelegen binnen een zone met Ao.2 met horizontale streepjes (zie afbeelding 8). Hier bevinden zich dezelfde afzettingen als bij Ao.2, maar zijn de afzettingen van Calais (Laagpakket van Wormer) uitsluitend ontwikkeld als klei. Ten noorden van het plangebied loopt een smalle, vertakte, geul waarin het Hollandveen volledig weg geërodeerd is en de Duinkerke II geulafzettingen (Laagpakket van Walcheren) rechtstreeks op de afzettingen van Calais (Laagpakket van Wormer) rusten (code BdO.2). Ten westen van het onderzoeksgebied, ter hoogte van het centrum van Nisse, loopt eveneens een smalle geul.
Deze vormt een smalle vertakking van een veel groter en breder systeem van geulen die toegeschreven worden aan Duinkerke IIIb en die grote delen van Zuid‐Beveland doorsnijden. Hier bestaat het profiel tot grote diepte uit geulafzettingen van Duinkerke IIIb (Laagpakket van Walcheren) die de onderliggende lagen weg geërodeerd hebben tot in de pleistocene afzettingen of plaatselijk tot in de hieronder gelegen Tertiaire afzettingen. De Bijbladen van de Geologische Kaart van Nederland geven informatie over de diepteligging van de pleistocene afzettingen.4 Volgens deze kaart ligt dit niveau in het zuidoosten van het onderzoeksgebied op een diepte tussen 15 en 20 m –NAP en in het noordwesten van het op 6 tot 7 meter –NAP. 4
Van Rummelen 1978.
23
ARTEFACT! RAPPORT 245
NISSE DRIEWEG 5
Afbeelding 8 Het onderzoeksgebied op een uitsnede van de Geologische kaart van Nederland. Schaal 1:15.000. Bron: Van Rummelen 1978.
Ten behoeve van dit onderzoek werden boorgegevens uit het DINO‐loket (TNO Geologische Dienst Nederland) geraadpleegd. Deze boringen zijn bruikbaar om de diepteligging van de verschillende geologische lagen te achterhalen. Op basis van deze gegevens is een ondergrondmodel te genereren voor een gekozen locatie (appelboor) waarbij boorgegevens worden geïnterpoleerd tot een voorspelling van de bodemopbouw op het gekozen punt. Uiteraard gaat het om de verwachte bodemopbouw die af kan wijken van de werkelijke situatie vanwege onbekende lokale omstandigheden of fenomenen. Ter hoogte van het onderzoeksgebied bestaat volgens het ondergrondmodel de bodemopbouw vanaf het maaiveld uit kleiafzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Binnen dit pakket is op basis van DINO‐boringen geen onderscheid te maken in verschillende sedimentatiefasen (Duinkerke II en III). Vanaf een diepte van 2 meter beneden maaiveld (2,25 meter –NAP) ligt het Hollandveen. Dit veen is 0,50 meter dik en is ontwikkeld op de afzettingen van het Laagpakket van Wormer (bovenzijde gelegen op 2,50 meter beneden maaiveld, 2,27 meter –NAP). Dit pakket bestaat grotendeels uit klei en gaat pas op een diepte grote diepte over op zand5. Onder de afzettingen van het Laagpakket van Wormer liggen, 5
In de verschillende gegenereerde appelboringen is slechts bij puntlocaties in het uiterste zuidoosten van het onderzoeksgebied een dun pakket zand onderin het Laagpakket van Wormer aangegeven, in de overige appelboringen bestond het Laagpakket van Wormer uitsluitend uit klei.
24
ARTEFACT! RAPPORT 245
NISSE DRIEWEG 5
vanaf 11,50 meter beneden maaiveld (11,75 meter –NAP) zandafzettingen die behoren tot de Formatie van Boxtel. Dit betreft het pleistocene dekzand. In dit pakket zijn twee venige vegetatieniveaus aangegeven, tussen 17 en 17,50 meter beneden maaiveld (17,25 en 17,75 meter – NAP) en tussen 18 en 18,50 meter beneden maaiveld (18,25 en 18,75 meter –NAP). Dit betreft hier paleosols die in het zanddek tot ontwikkeling zijn gekomen gedurende de lange wordingsfase van het pakket. De Formatie van Boxtel rust op een diepte van 21,50 meter beneden maaiveld (21,75 meter –NAP) op zandafzettingen van de Eem Formatie. Dit betreft marine afzettingen die tot ontwikkeling zijn gekomen gedurende het laatste interglaciaal (het Eemien, 130.000 tot 115.000 jaar geleden). De afzettingen van de Eem Formatie rusten op hun beurt op een diepte van 27 meter beneden maaiveld (27,25 meter –NAP) op zandafzettingen van de Formatie van Waalre. Dit zijn fluviatiele en estuariene zandafzettingen van de Rijn uit het Laat Plioceen tot Vroeg Pleistoceen. Deze zijn op hun ontwikkeld op afzettingen van de Formatie van Oosterhout. Dit betreft mariene zandafzettingen uit het Plioceen (5,333 tot 2,588 miljoen jaar geleden) die voor komen vanaf een diepte van 35 meter beneden maaiveld (35,25 meter –NAP).
Vanaf 49,50 meter beneden maaiveld (49,75 meter –NAP) zouden deze vervolgens over gaan op zandafzettingen van de Formatie van Breda. Dit betreft eveneens marine afzettingen van klei en zand. Deze zijn afgezet tijdens het Mioceen (23,03 tot 5,333 miljoen jaar geleden). De zuidwesthoek van het onderzoeksgebied is eerder onderzocht aan de hand van een Archeologisch booronderzoek (toen nog: Aanvullende archeologische Inventarisatie) uit 2003 (Archis onderzoeksmelding 7.699, zie 2.3.3). Tijdens dit onderzoek werden op het toenmalig plangebied Drieweg 1, een zone net ten westen van het huidig onderzoeksgebied (bedrijventerrein Bosman Transport) en gedeeltelijk overlappend met het huidig onderzoeksgebied, in totaal 12 boringen uitgevoerd waarvan één boringen binnen het huidig onderzoeksgebied valt (nrs. 7). In boring nr. 7 is het veen geërodeerd tot op een diepte van 3,20 meter beneden maaiveld (2,83 – NAP). Van de overige in het toenmalige plangebied uitgevoerde boringen is er slechts 1 waarin het veen intact is aangetroffen. Dit betreft de toenmalige boring nr. 8, waar de top van het veen op een diepte van 1,85 meter beneden maaiveld, 1,52 meter –NAP is aangetroffen. In alle overige boringen was de top van het veen weg geërodeerd tot een diepte tussen 1,85 en 3,20 meter beneden maaiveld (1,55 en 2,83 meter –NAP).
De bovenzijde van de afzettingen van het Laagpakket van Wormer is tijdens het onderzoek aangetroffen op een diepte tussen 2,30 en 3,38 meter –NAP (2,60 tot 3,75 meter beneden maaiveld)6. Ook tijdens het in 2016 binnen het onderzoeksgebied uitgevoerde milieuonderzoek7 werden een aantal boringen uitgevoerd die bruikbaar zijn. Van de in totaal 24 uitgevoerde boringen zijn er 7 doorgezet tot een diepte tussen 2 en 3 meter beneden maaiveld (geen NAP‐waarden opgegeven, in deze tekst opgegeven NAP‐waarden zijn bepaald aan de hand van het AHN), de overige boringen zijn slechts doorgezet tot een diepte van circa 0,50 meter beneden maaiveld. In de dieper doorgezette boringen nr. 6 en 10 is het Hollandveen aangetroffen op een diepte van respectievelijk 2 en 1,5 meter beneden maaiveld (1,81 en 1,53 meter –NAP). In de overige boringen (nr. 8, 12, 15, 20 en 21) is geen Hollandveen aangetroffen en is het veen dus dieper geërodeerd dan 2 meter beneden maaiveld (1,67 tot 1,93 meter –NAP).
6 7
Ras, 2003. De Leeuw, 2016.
25
ARTEFACT! RAPPORT 245
NISSE DRIEWEG 5
Afbeelding 9 Projectie van het onderzoeksgebied (rode polygoon) op een uitvergrote uitsnede van de Geomorfologische Kaart van Nederland. Schaal 1: 20.000. Bron: Brus en de Lange, 1985.
Op de Geomorfologische Kaart van Nederland (zie afbeelding 9) is het noordwesten van het onderzoeksgebied gelegen binnen een vertakte zone met een getij‐inversierug (code 3K33). Het zuidoosten is gelegen binnen een zone met een vlakte van getijafzettingen (code 2M35). Op de Bodemkaart van Nederland valt het noordwesten van het onderzoeksgebied binnen een zone met kalkrijke poldervaaggronden. In het noordwesten van het onderzoeksgebied is deze ontwikkelt in lichte zavel (code Mn15A), in het zuidoosten in matig tot zware zavel (code Mn56C/Mn25C). De links wijzende pijlen ter plaatse van de zone code Mn56C/Mn25C duiden aan dat het gebied geëgaliseerd is. De zonering met de lichte zavel (code Mn15A) is gelijk aan de zonering van de getij‐inversierug zoals deze is weergegeven op de geomorfologische kaart.
26
ARTEFACT! RAPPORT 245
NISSE DRIEWEG 5
Afbeelding 10 Het onderzoeksgebied geprojecteerd op een uitsnede van de Bodemkaart van Nederland. Schaal 1:20.000. Bron: Bazen 1987.
Bij het bepalen van het grondwaterregime van de bodem wordt gewerkt met grondwatertrappen (zie tabel 3). Deze trappen geven een klassenindeling weer van ten eerste de verschillende grondwaterstanden naar diepte en ten tweede de seizoensvariatie in de grondwaterstanden. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII, van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Gebiedsdelen met een goede ontwatering (grondwatertrap VI en VII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, met name in het verleden een aantrekkelijk vestigingsgebied. In gebieden met een hoge grondwaterstand kunnen daarentegen goed geconserveerde, met name organische, archeologische resten worden aangetroffen. Ter plaatse van het onderzoeksgebied is de grondwatertrap VI. Tabel 3 Indeling grondwatertrappen.
Grondwatertrap
I
II
III
IV
V
VI
VII
GHG in cm ‐mv
(< 20)
(< 40)
< 40
> 40
< 40
40 ‐ 80
> 80
GLG in cm ‐mv
< 50
50‐80
80‐120
80‐120
> 120
> 120
(> 160)
GHG gemiddeld hoogste grondwaterstand / GLG gemiddeld laagste grondwaterstand
27
ARTEFACT! RAPPORT 245
2.2.4
NISSE DRIEWEG 5
Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)
Tijdens het onderzoek werd het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) geraadpleegd (zie afbeelding 11). Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laser‐altimetrie (LiDAR) verkregen digitale bestand toont een goed beeld van het huidige reliëf in het onderzoeksgebied. Kleine hoogteverschillen kunnen zo visueel in kaart worden gebracht, wat belangrijk kan zijn voor de lokalisering van verdwenen nederzettingspatronen. De lager gelegen gebieden hebben een blauwe en groene kleur, de hoger gelegen delen hebben een gele tot rode kleur.
Afbeelding 11 Projectie van het onderzoeksgebied (roze polygoon) op een uitsnede van het AHN. Schaal 1: 75.000. Waarden hoger dan 2 meter +NAP en lager dan 2 meter –NAP zijn uitgefilterd (egaal donkerrood c.q. donkerblauw weergegeven). Bron: AHN/Esri.
Het AHN laat zien dat het onderzoeksgebied globaal gelegen is ter plaatse van een lager gelegen zone (gemiddeld 0,50 meter +NAP tot 1,70 meter –NAP, oranje tot blauw op afbeelding 11). Dit betreft een grote zone die gekend staat als De Poel (zie verder) waarbinnen oudere (hoofdzakelijk kom‐) afzettingen van het Laagpakket van Walcheren (Duinkerke II op de geologische kaart) aan het maaiveld liggen en die omgord wordt door een hoger gelegen landschap ontwikkeld ter plaatse van de meer recente geulafzettingen van het Laagpakket van Walcheren (Duinkerke III op de geologische kaart). In deze hoger gelegen delen van het landschap is het maaiveld gelegen op een hoogte van gemiddeld 0,80 tot 1,20 meter +NAP (oranje en rood op afbeelding 11). Het onderzoeksgebied is binnen de laagte van De Poel gelegen in het zuidwesten, op de relatief hoger
28
ARTEFACT! RAPPORT 245
NISSE DRIEWEG 5
gelegen zone waarop de kern van Nisse tot ontwikkeling is gekomen. Deze relatief hoger gelegen zone is op de geologische kaart en geomorfologische kaart (zie afbeelding 8 en 9) weergegeven als een smalle getij‐inversierug uit de jongere fase van het laagpakket van Walcheren (Duinkerke III) die hier in het oudere landschap ingesneden is.
Afbeelding 12 Projectie van het onderzoeksgebied (roze polygoon) op een uitsnede van het AHN. Schaal 1: 15.000. Waarden hoger dan 1 meter +NAP en lager dan 1,5 meter –NAP zijn uitgefilterd (egaal donkerrood c.q. donkerblauw weergegeven).De locatie van de historische kern van Nisse is met een zwarte stippellijn omgeven, de vliedberg met een zwarte pijl. Bron: AHN/Esri.
Op een kleinschaliger uitsnede van het AHN (afbeelding 12) is nog beter te zien dat het onderzoeksgebied op de flank van een rug gelegen is (rode tot oranje tint). Onmiddellijk ten noordoosten van het plangebied daalt het maaiveld (gele tot blauwe tint). Binnen het onderzoeksgebied ligt het maaiveld op een hoogte tussen 0,33 meter + NAP (in het noordwesten) en 0,43 meter – NAP (in het uiterste oosten). De oorspronkelijke kern van Nisse (gelegen rond het plein) is op deze afbeelding goed herkenbaar als een rechthoekige rode zone (1,60 tot 1,80 meter +NAP, zwarte stippellijn op afbeelding 12). Ten zuidwesten van het plein is een rode punt zichtbaar, dit betreft de vliedberg van Nisse (aangegeven met een zwarte pijl op afbeelding 12).
29
ARTEFACT! RAPPORT 245
2.3
Bewoningsgeschiedenis
2.3.1
Algemene Bewoningsgeschiedenis van Zeeland
NISSE DRIEWEG 5
Ten behoeve van het opstellen van de archeologische verwachting wordt gebruik gemaakt van de relatie die bestaat tussen de situering van de archeologische vindplaatsen en het landschap, of zelfs specifieke landschapselementen. Deze relatie (locatiekeuzefactoren) verschilt per archeologische periode en per complextype. Omdat de locatiekeuze sterk gebonden is aan het landschap is Nederland in de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NoaA) verdeeld in zogenaamde Archeoregio’s. Hierbij is het onderzoeksgebied ingedeeld bij het Zeeuws Zeekleigebied. Kennis van de bewoningsgeschiedenis van het dit gebied is derhalve onontbeerlijk om een goed verwachtingsmodel op te stellen en de locatiekeuzefactoren per periode te bepalen.
Paleolithicum (circa 300.000 – 8.800 v. Chr.) In Zeeland zijn vondsten uit het Paleolithicum bijzonder schaars. De vroegste getuigen van menselijke aanwezigheid dateren uit het Midden‐Paleolithicum (tot circa 35.000 v. Chr.) en bestaan uit enkele afslagen en werktuigen, waaronder vuistbijlen, uit vuursteen. Deze relicten van Neanderthalers werden echter enkel in verspoelde (Cadzand), opgebaggerde (Ellewoutsdijk) of in losse context (Nieuw Namen) aangetroffen. Ook van de daarop volgend periode, het Laat‐Paleolithicum (35.000 tot 8.800 v. Chr.), werden de meeste artefacten in secundaire context waargenomen: zo werden op het strand van Cadzand en op de akkers rond Nieuw Namen vuurstenen werktuigen gevonden. Een bijzondere exponent uit deze periode is de zogenaamde Lyngby‐bijl, vervaardigd uit rendiergewei en opgebaggerd uit de Westerschelde nabij Ellewoutsdijk. De vuurstenen werktuigen die bij de bouw van een bejaardentehuis in Axel werden aangetroffen getuigen van de vroegste menselijke bewoning van Zeeland. De langgerekte Pleistocene dekzandruggen in het zuiden van Zeeuws‐Vlaanderen nodigden blijkbaar uit tot het opslaan van kleine tijdelijke kampementen, getuige de spitsen, schrabbers, stekers en afslagen die werden verzameld. Bij het graven en boren van de tunnel onder de Westerschelde kwamen ook de nodige dierlijke resten naar boven uit dit tijdperk.
Mesolithicum (circa 8.800 – 4.900 v. Chr.) Op het einde van de laatste IJstijd resulteerde een aangenamer klimaat in een veranderd landschap. In aanvang zal het huidige Noordzeebekken nog grotendeels droog hebben gelegen. Onder invloed van de klimaatsverandering veranderde en diversifieerde ook de dierenwereld. Het wild bestond onder andere uit oerrunderen, wisenten en edelherten, maar ook kleinere soorten als everzwijnen, bevers, otters en vogels. De mens was voor zijn dagelijks eten niet meer aangewezen op enkele diersoorten maar kon kiezen uit een breed voedselaanbod dat behalve door de jacht ook verkregen werd door te vissen en het verzamelen van noten en vruchten. Dit had grote gevolgen voor het nederzettingspatroon van de mens, aangezien hij niet langer over grote afstanden hoefde rond te trekken om in zijn onderhoud te voorzien, want voedsel was alom aanwezig in een dergelijk landschap. Kenmerkend voor het Mesolithicum is dat men zich voor de jacht aan de nieuwe samenstelling van de meer kleinere wildsoorten ging aanpassen. Men ging allerlei kleinere en lichtere wapens gebruiken, zoals vuurstenen pijlen, benen vishaken en gevlochten visfuiken. De overvloed aan bepaalde voedselbronnen in een bepaald seizoen leidt tot meer seizoensgebonden kampementen. Mensen konden nu ook langer op één plaats blijven, maar