5.1 Toelichting en regels Marktstraat 3 's-Heerenhoek
Tekst van het document
Bestemmingsplan “Kern ’s-Heerenhoek, gedeelte Marktstraat 3, 2022”
Vastgesteld door de raad van de gemeente Borsele bij besluit van , voorzitter , griffier
gemeente titel Projectnummer imro-idn concept ontwerp vastgesteld
Borsele Bestemmingsplan “Kern ’s-Heerenhoek, gedeelte Marktstraat 3, 2022” BS4471 NL.IMRO.0654.BPHHMS32022-0001 26-11-2021
Bestemmingsplan "Kern ’s-Heerenhoek, gedeelte Marktstraat 3 2022”, gemeente Borsele
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding .......................................................................................................................... 5
1.1
Aanleiding ................................................................................................................................ 5
1.2
Plangebied ............................................................................................................................... 5
1.3
Geldende bestemmingsplan .................................................................................................... 5
1.4
Leeswijzer ................................................................................................................................ 6
Hoofdstuk 2 Beleidskaders ................................................................................................................. 7
2.1
Rijksbeleid................................................................................................................................ 7
2.2
Provinciaal beleid .................................................................................................................... 9
2.3
Regionaal beleid .................................................................................................................... 11
2.4
Gemeentelijk beleid .............................................................................................................. 12
Hoofdstuk 3 Beoogde ontwikkeling ................................................................................................. 13
3.1
Huidige situatie ...................................................................................................................... 13
3.3
Beoogde ontwikkeling ........................................................................................................... 14
3.4
Verkeer en parkeren.............................................................................................................. 14
Hoofdstuk 4 Kwaliteit van de leefomgeving.................................................................................... 15
4.1
Geluidhinder .......................................................................................................................... 15
4.2
Bodemverontreiniging ........................................................................................................... 16
4.3
Flora en Fauna ....................................................................................................................... 16
4.4
Cultuurhistorische Hoofd Structuur ...................................................................................... 18
4.5
Archeologie............................................................................................................................ 19
4.6
Water ..................................................................................................................................... 20
4.7
Milieuhinder .......................................................................................................................... 24
4.8
Externe veiligheid .................................................................................................................. 26
4.9
Luchtkwaliteit ........................................................................................................................ 28
4.10
Kabels en leidingen ................................................................................................................ 29
4.11
Vormvrije m.e.r-beoordeling ................................................................................................. 29
Hoofdstuk 5 Juridische vormgeving ................................................................................................ 31 Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid.................................................................................... 33
6.1
Kostenverhaal ........................................................................................................................ 33
6.2
Economische uitvoerbaarheid ............................................................................................... 33
Hoofdstuk 7 Maatschappelijke toetsing en overleg ....................................................................... 34
7.1
Maatschappelijke toetsing .................................................................................................... 34
7.2
Inspraak en overleg ............................................................................................................... 34
3
Bestemmingsplan "Kern ’s-Heerenhoek, gedeelte Marktstraat 3 2022”, gemeente Borsele
Figuur 1 Straatnamenkaart, rode contour betreft plangebied
Figuur 2 luchtfoto, rode contour geeft indicatief het plangebied aan
4
Bestemmingsplan "Kern ’s-Heerenhoek, gedeelte Marktstraat 3 2022”, gemeente Borsele
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Op het perceel gesitueerd aan de Marktstraat 3 te ’s-Heerenhoek, gemeente Borsele bestaat de momenteel feitelijk aanwezige bebouwing deels uit een winkel (begane grond) en deels uit een woning (bovenwoning). Beide delen die bouwkundig met elkaar verbonden zijn, vormen daarmee één geheel en één gebouw. Het gebruik van het gebouw, dat op grond van het vigerende bestemmingsplan een detailhandelsbestemming draagt is al geruime tijd ingericht als winkel met bovenwoning, maar staat door vertrek van de winkel leeg. Initiatiefnemer heeft nu het voornemen geuit, de bestemming voor detailhandel te wijzigen naar een woonbestemming en daarmee het wonen positief te bestemmen. Hiertoe is een principeverzoek ingediend, waarin aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Borsele wordt verzocht medewerking te verlenen aan het voorgenomen initiatief. De gemeente heeft vervolgens besloten de gewenste wijziging middels het opstellen van een (postzegel)bestemmingsplan mogelijk te maken. Het voorliggende bestemmingsplan heeft als doel de aanwezige bebouwing als burgerwoning te bestemmen. De detailhandelsbestemming ter plaatse komt daarmee te vervallen. In deze toelichting wordt de beoogde ontwikkeling beschreven en wordt aangetoond, dat voldaan kan worden aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening.
1.2
Plangebied
Het plangebied betreft een vrijstaand gebouw gesitueerd aan de Markstraat 3 op een zelfstandig perceel, kadastraal bekend gemeente Borsele, sectie AC, nummer 252. Het object is gelegen in de bebouwde kom van ’s-Heerenhoek, één van de kernen van de gemeente Borsele en opgenomen in het bebouwingslint, waarbij de omgeving hoofdzakelijk wordt gedomineerd door (grondgebonden) woningbouw. Verder zijn verspreid in de omgeving van het plangebied diverse functies als de kerk, een horecabedrijf, parkeerplaats en een huisartsenpraktijk aanwezig. De ontsluiting voor gemotoriseerd verkeer geschiedt primair op de Markstraat en wordt in noordelijke richting via de Deken Holtkampstraat en de Molendijk op het verdere wegennet ontsloten. De ligging en begrenzing van het plangebied is indicatief weergegeven op de figuren 1 en 2. De exacte begrenzing van het plangebied is ingetekend op de verbeelding van dit bestemmingsplan.
1.3
Geldende bestemmingsplan
De huidige locatie is opgenomen in het bestemmingsplan “Kern ‘s-Heerenhoek 2011” zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 23 februari 2012. De gronden van het plangebied zijn conform dit bestemmingsplan voor detailhandel bestemd. Binnen het op de verbeelding aangeduide bouwvlak mag bebouwing met een goothoogte van 6 meter en bouwhoogte van 10 meter worden opgericht.
5
Bestemmingsplan "Kern ’s-Heerenhoek, gedeelte Marktstraat 3 2022”, gemeente Borsele
Figuur 3 Uitsnede bestemmingsplan 'Kern 's-Heerenhoek 2011', rode contour betreft plangebied
Binnen de kaders van het geldende bestemmingsplan is feitelijk gezien alleen het aanwenden van de bebouwing voor detailhandel toegestaan. Het gebruik als bovenwoning was onder het voorgaande plan positief bestemd en is daarmee formeel onder het overgangsrecht komen te vallen, met dien verstande dat door het staken van dit gebruik sinds 1993 dit recht is komen te vervallen. Het is voorts niet toegestaan de bebouwing volledig als burgerwoning te gebruiken. Om dat te kunnen doen is het noodzakelijk om een juridisch-planologische procedure te doorlopen. In de bestemmingsregeling is geen binnenplanse afwijking of wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee de bestemming gewijzigd kan worden naar wonen, zodat het opstellen van een (postzegel)bestemmingsplan vereist is. Voorliggend document betreft de toelichting van het bestemmingsplan waarmee de procedure kan worden doorlopen.
1.4
Leeswijzer
Dit bestemmingsplan bestaat uit deze toelichting, regels en een verbeelding. Deze toelichting bestaat naast dit inleidende hoofdstuk uit zes hoofdstukken. In Hoofdstuk 2 komt het ruimtelijk relevante beleid uit de geldende beleidskaders aan bod. In Hoofdstuk 3 wordt het project toegelicht. Vervolgens worden in Hoofdstuk 4 de verschillende milieuaspecten beoordeeld. Hoofdstuk 5 bevat de beschrijving van de juridische aspecten. In Hoofdstuk 6 wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Tot slot komt in Hoofdstuk 7 de maatschappelijke uitvoerbaarheid aan bod.
6
Bestemmingsplan "Kern ’s-Heerenhoek, gedeelte Marktstraat 3 2022”, gemeente Borsele
Hoofdstuk 2 2.1
Beleidskaders
Rijksbeleid
2.1.1 Nationale Omgevingsvisie Per 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. Hierin zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. In de Nationale Omgevingsvisie wordt door het Rijk een langetermijnvisie op 2050 gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk.
Fig.4: Afwegen met de NOVI (bron: Nationale Omgevingsvisie)
De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met ambities. Ook worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. De vier prioriteiten De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten. De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie 2. Duurzaam economisch groeipotentieel 3. Sterke en gezonde steden en regio's 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Drie afwegingsprincipes Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: '(a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van
7
Bestemmingsplan "Kern ’s-Heerenhoek, gedeelte Marktstraat 3 2022”, gemeente Borsele
maatschappelijke behoeften'. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: 1. Combineren boven enkelvoudig; 2. Kenmerken & identiteit; 3. Afwentelen voorkomen. Onderhavig initiatief betreft een ontwikkeling van beperkte omvang zonder strijdigheid met Rijksbelangen. Het plan sluit aan bij het doel om een woningvoorraad te creëren die aansluit op woonbehoeften. Het Rijksbeleid is voor het wijzigen van de bestemming van 'Detailhandel' naar 'Wonen' niet relevant, er is geen Rijksbelang.
2.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Structuurvisies hebben op zichzelf geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen uit de structuurvisie die juridische borging vragen worden daarom geborgd in de Amvb Ruimte. Deze Amvb wordt aangeduid als het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Deze Amvb is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. In het Barro zijn verschillende bepalingen opgenomen, o.a. ten aanzien van Rijksvaarwegen, hoofdwegen en -spoorwegen. Er zijn geen bepalingen die direct betrekking hebben op het plangebied.
2.1.3 Besluit ruimtelijke ordening In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is met ingang van 1 oktober 2012 opgenomen, dat gemeenten en provincies verplicht zijn om in de toelichting van een ruimtelijk besluit de zogenaamde 'ladder voor duurzame verstedelijking' op te nemen, wanneer een zodanig ruimtelijk besluit een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.’ De definiëring van enkele van de in het artikel genoemde begrippen in art. 1.1.1 Bro laat onverlet, dat de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ als een ‘open norm’ is te kwalificeren. Dit houdt in dat de norm inhoudelijk open is en onder verschillende omstandigheden nader ingevuld moet worden. Sinds de inwerkingtreding van het artikel heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS) in haar jurisprudentie de norm veelvuldig ingevuld en daardoor verder begrensd. Op 28 juni 2017 heeft de ABRvS een zogenoemde ‘overzichtsuitspraak’ gedaan (ECLI:NL:RVS:2017:1724, r.o. 2 t/m 12.8), waarin de dan geldende en op basis van de voornoemde wijziging te behouden jurisprudentielijnen nader uiteen worden gezet.
Op basis van deze jurisprudentielijnen kan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ concreet worden toegepast. De ladder voor duurzame verstedelijking heeft als voornaamste doel om zuinig en zorgvuldig om te gaan met de realisatie van nieuwe stedelijke functies en om ongewenste leegstand te voorkomen. Bovendien wordt met de ladder bijgedragen aan de tendens dat stedelijke functies zo veel mogelijk moeten worden geconcentreerd in het bestaand stedelijk gebied en dat extra ruimtebeslag voor stedelijke functies in het buitenstedelijk gebied in beginsel wordt voorkomen. Toetsend aan deze
8
Bestemmingsplan "Kern ’s-Heerenhoek, gedeelte Marktstraat 3 2022”, gemeente Borsele
ladder dient allereerst te worden bepaald of onderhavig plan in het licht van bestendige rechtspraak voorziet in een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. Dit bestemmingsplan heeft enkel betrekking op een functiewijziging van detailhandel naar burgerwoning aan de Marktstraat 3 te ‘s-Heerenhoek. Op grond van de uitspraak van de Raad van State van 20 april 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1075) geldt, dat als enkel sprake is van een planologische functiewijziging, in beginsel geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij is bepaald, dat als een bestemmingsplan ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan geen uitbreiding van de maximaal toegelaten oppervlakte aan bebouwing mogelijk maakt, maar alleen in een planologische functiewijziging voorziet, het plan in beginsel niet voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening, tenzij die planologische functiewijziging een zodanige aard en omvang heeft dat desalniettemin sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Voorts is in de jurisprudentie bepaald, dat bij een functiewijziging er in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling vanaf de realisatie van 12 woningen. Onderhavig initiatief betreft de wijziging naar één burgerwoning, waardoor het doorlopen van de laddertoets niet noodzakelijk is.
2.1.4 Conclusie De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is niet van toepassing op de onderhavige ontwikkeling. Het planvoornemen voorziet wel in een concrete behoefte.
2.2
Provinciaal beleid
2.2.1 Omgevingsplan Zeeland 2018 Op 21 september 2018 hebben gedeputeerde staten van Zeeland het Omgevingsplan Zeeland 2018 vastgesteld. In het omgevingsplan wordt ingezet op voortzetting van het bestaand provinciaal beleid. Nieuw beleid richt zich op de kust, de energietransitie en klimaatadaptatie. Het omgevingsplan bevat beleid dat betrekking heeft op de economie, de ruimtelijke ordening, de mobiliteit, de natuur, cultuur, het water en het milieu. Het beleid in het omgevingsplan bouwt voort op de visie Zeeland 2040. De kern van het omgevingsplan bestaat uit vier speerpunten: 1. duurzame en concurrerende economie; 2. klimaatbestendige en -neutrale samenleving; 3. waardevolle leefomgeving; 4. toekomstbestendige en bereikbare woon-, werk- en verblijfsomgeving. In die speerpunten komt een aantal doelstellingen terug dat relevant is voor dit bestemmingsplan. Die doelstellingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht. De provincie stelt de Zeeuwse burger en zijn of haar woonwensen centraal. Het is van provinciaal belang dat de regionale woningmarkten in Zeeland goed functioneren. Daarom streeft de provincie naar een woningvoorraad die qua omvang, locatie en type is afgestemd op de woonwensen van de Zeeuwse huishoudens. De transitie op het gebied van klimaat en demografie zorgt ervoor dat de noodzaak om de woningvoorraad aan te passen groot is en niet eenvoudig.
9
Bestemmingsplan "Kern ’s-Heerenhoek, gedeelte Marktstraat 3 2022”, gemeente Borsele
Bij woningbouw staan de ruimtelijke doelen van bundeling en zorgvuldig ruimtegebruik hoog op de agenda. Het is van provinciaal belang dat Zeeuwse steden en dorpen de sociaaleconomische motor blijven van de provincie. Gezien de ruimtelijke doelen, de klimaatopgave en demografische opgave, de uitgangssituatie van de woningvoorraad en de toekomstverwachtingen, is woningbouwbeleid essentieel. Woningbouwprojecten, zeker de omvangrijke, hebben een gemeentegrensoverschrijdende impact. Er moet daarom op regionaal niveau gekozen worden voor de woningbouwplannen die qua omvang, locatie en type aansluiten bij de woonwensen van de Zeeuwse burger. Het overgrote deel van de woningvoorraad van de komende decennia is immers al aanwezig in de vorm van de gebouwde voorraad. Het aantal toevoegingen is daarmee in de marge en vereist het verleggen van de focus van nieuwbouw naar aanpassing van de bestaande woningvoorraad. Om de regio’s te ondersteunen bij het maken van regionale woningmarktafspraken draagt de provincie actuele kennis aan op het gebied van de gewenste kwaliteit van de woningbehoefte. De aanpak van de onderkant van de particuliere woningvoorraad is de grootste woningbouwopgave van Zeeland. Voorkomen moet worden dat daar leegstand en verkrotting ontstaat, waardoor investeren in woningen in de omgeving niet meer lonend is en een neergaande spiraal wordt ingezet.
Aangegeven wordt dat de focus verlegd moet worden van nieuwbouw naar aanpassing van de bestaande woningvoorraad. De wijziging van detailhandel naar woning is hier een goed voorbeeld van. Ook draagt deze ontwikkeling bij aan het voorkomen van leegstand. Het voorliggende plan voldoet aan de provinciale doelen van bundeling en zorgvuldig ruimtegebruik. De beoogde ontwikkeling vindt plaats in bestaand bebouwd gebied en daarbij wordt een bestaand pand hergebruikt ten behoeve van een nieuwe functie. 2.2.2 Omgevingsverordening Zeeland 2018 Met de vaststelling van het Omgevingsplan Zeeland 2018 is ook de Omgevingsverordening Zeeland 2018 vastgesteld (21 september 2018). Slechts een select aantal onderdelen uit het Omgevingsplan is geregeld in de verordening. Onderwerpen opgenomen in de nieuwe Omgevingsverordening zijn bijvoorbeeld bestaande natuur en ecologische hoofdstructuur, agrarische gebieden van ecologische betekenis, molenbiotopen, glastuinbouw en intensieve veehouderij. Van gemeenten wordt een loyale bijdrage verwacht aan de uitvoering van de beleidsdoelen van het plan, ook ten aanzien van die onderdelen van het plan die niet in de verordening zijn opgenomen. Verder streeft de provincie naar realisering van beleidsdoelen met de inzet van andere instrumenten. Daartoe wordt verwezen naar de inhoud van het Omgevingsplan.
Ten aanzien van het onderwerp 'wonen' is uitsluitend een regeling opgenomen voor kleinschalige locaties in het buitengebied. Daarvan is hier geen sprake. Het plan is niet in strijd met de omgevingsverordening. 2.2.3 Ontwerp Omgevingsvisie en Ontwerp Omgevingsverordening Zeeland Na de Omgevingsvisie Zeeland ligt sinds september 2021 ook de Ontwerp Omgevingsverordening Zeeland ter inzage. Zeeland is de eerste provincie die de verordening ook beschikbaar heeft gesteld in het nieuwe digitaal stelsel Omgevingswet. In de Omgevingsverordening staan alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving. Wanneer de Omgevingswet in werking treedt, zijn deze regels terug te vinden in het Omgevingsloket. Ook in de ontwerp Omgevingsverordening worden regels gesteld aan wonen in het buitengebied en niet aan ontwikkelingen binnen bestaan stedelijk gebied. Daarnaast blijft zorgvuldig ruimtegebruik een speerpunt. Hieraan wordt voldaan. De toekomstige Omgevingsverordening staat daarmee niet in de weg aan de ontwikkeling die het planvoornemen mogelijk maakt.
10
Bestemmingsplan "Kern ’s-Heerenhoek, gedeelte Marktstraat 3 2022”, gemeente Borsele
2.2.4 Conclusie Het plan is niet in strijd met de provinciale omgevingsverordening. De wijziging van detailhandel naar een woonhuis draagt bij aan het creëren van een aantrekkelijk woonmilieu en is in bestaand stedelijk gebied waardoor er geen verdergaande verdichting plaatsvindt. In de omgevingsverordening zijn geen regels opgenomen die van belang zijn voor de wijziging. Bovenstaand in ogenschouw nemende is de beoogde ontwikkeling passend binnen het Omgevingsplan en Omgevingsverordening Zeeland 2018.
2.3
Regionaal beleid
2.3.1 Regionale woningmarktafspraken 2020 -2030 In dit gezamenlijk document van de gemeenten Noord-Beveland, Goes, Borsele, Kapelle en Reimerswaal zijn afspraken geformuleerd over het wonen in de regio. Mede op basis van de trends en ontwikkelingen zijn in deze visie de volgende ontwikkelingskansen aangegeven: 1. Hoge dichtheid in de kernen, lage in het landschap. De kwaliteit van de woonomgeving is medebepalend voor de beleving en de leefbaarheid van inwoners. Hiervoor worden de kleine kernen niet op slot gezet. Wel wordt gestreefd naar concentratie van woningbouw in de dragende kernen en de stad, dat wil zeggen in de centrumdorpse en stedelijke woonmilieus. 2. In principe binnen de kernen, bij voorzieningen. Inzetten op de concentratie van woningbouw in de dragende kernen en de stad is van belang. Dit is nodig om draagvlak te houden voor voorzieningen, maar ook ter bescherming van het karakteristieke landelijk gebied. Zo wordt de natuurlijke hiërarchie van steden en kernen gezond en vitaal gehouden. 3. Inbreiden voor uitbreiden. Er wordt ingezet op inbreiding; uitbreiden alleen indien inbreiden niet wenselijk of mogelijk is en er wel aantoonbaar behoefte is. 4. Vooral focus op kleine huishoudens in stad en dragende kernen. De focus ligt vooral op nieuwbouw van levensloopbestendige huisvesting voor kleine huishoudens in de stad en de dragende kernen.
De groeiende groep (alleenstaande) ouderen krijgt hierdoor meer kansen om in de buurt van voorzieningen te wonen, maar de woningen zijn ook geschikt en aantrekkelijk voor andere doelgroepen. De doorstroming die op gang komt biedt ook kansen voor andere doelgroepen op de woningmarkt. 5. Inzetten op “mooie woondorpen”. In de kleinere landelijke kernen wordt terughoudender gekeken naar nieuwbouw, voor kwalitatief goede initiatieven is echter wel een mogelijkheid, maar alleen bij een aantoonbare behoefte en binnen de bebouwde kom. In deze dorpen wordt getracht te zorgen, vooral door herstructurering en renovatie, dat dit mooie woondorpen blijven waar het ruim en rustig wonen is. 2.3.2 Conclusie De bestemmingswijziging van detailhandel naar wonen draagt bij aan een oplossing voor het aantal huishoudens dat stijgt en de stijgende woningvraag. Onderhavig initiatief sluit aan op de kansen en ambities zoals opgenomen in de visie. 2.3.3 Strategische Agenda De Bevelanden 2016-2026 In de strategische agenda voor de periode van 2016 tot en met 2026 presenteert De Bevelanden de gezamenlijke opgaven van de 5 regiogemeenten voor de komende jaren. De agenda beoogt een overzicht te geven van de gedeelde belangen van de beleidsvelden wonen, werken en recreëren van de gemeenten en de dwarsverbanden ertussen, die nodig zijn om De Bevelanden verder te brengen.
De agenda speelt in op actuele ontwikkelingen, anticipeert op toekomstige vraagstukken en kansen en geeft de rode draad voor de Bevelandse samenwerking in de komende jaren.
11
Bestemmingsplan "Kern ’s-Heerenhoek, gedeelte Marktstraat 3 2022”, gemeente Borsele
De kracht en uitdagingen voor De Bevelanden zijn: • Zorg, vrijetijdseconomie en agro en food als belangrijke sectoren. • Traditionele en relatief kwetsbare werkgelegenheidsstructuur. • Aandeel hoogopgeleiden is lager dan landelijk gemiddelde. • Trek naar de stad ook in Zeeland duidelijk zichtbaar. • Vergrijzing en ontgroening leiden op termijn tot krimp. De strategische agenda is opgehangen aan drie onderwerpen waar de regio de komende jaren mee aan de slag wil: 1. Slimmer samenwerken voor toekomstige regionale groei. 2. De Bevelanden als beleving. 3. Energiek vestigingsklimaat. In de Strategische agenda zijn deze onderwerpen verder uitgewerkt .
2.4
Gemeentelijk beleid
2.4.3 Structuurvisie Borsele 2015-2020 De structuurvisie 2015-2020 actualiseert de bestaande structuurvisie van de gemeente Borsele uit 2009. De beleidslijnen die in de structuurvisie uit 2009 zijn uitgezet, zijn tegen het licht gehouden en op hun merites beoordeeld. Het bestaande beleid is herijkt, geactualiseerd en nieuw beleid is meegenomen. Er zijn drie centrale beleidsdoelen voor het ruimtelijk beleid voor het grondgebied van de gemeente Borsele geformuleerd: • Behoud en versterking van de fysieke en sociaal-maatschappelijke kwaliteiten van Borsele: uitgangspunt bij nieuwe ontwikkelingen is dat ruimtelijke contrasten en de sociaal-maatschappelijke structuur in de gemeente worden behouden en versterkt, dan wel (beter) worden benut; • Inzichtelijk maken van toekomstige plannen met een ruimtelijke en/of sociaal-maatschappelijke component; uitgangspunt hierbij is dat deze toekomstige plannen een positieve bijdrage leveren aan de leefbaarheid van de gemeente; • Streven naar een duurzame aanpak: bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt het aspect duurzaamheid meegewogen; het streven is om energieafhankelijkheid te verkleinen. Overlast zoals geluid en geur, wordt zoveel mogelijk beperkt ten opzichte van milieugevoelige functies. Daarnaast wordt de beschikbare ruimte zo zorgvuldig mogelijk gebruikt.
Ruimtelijke ontwikkelingen zijn tevens gericht op het vergroten van de toekomstbestendigheid van het gebied, zowel economisch als sociaal-maatschappelijk als fysiek. Voor de kern ’s-Heerenhoek staat inbreiden en kleinschalig herstructureren centraal. 2.4.4 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling geeft nadrukkelijk invulling aan de structuurvisie en past uitstekend binnen de beleidsuitgangspunten van de gemeente. Het betreft het transformeren naar wonen in bestaand stedelijk gebied.
12
Bestemmingsplan "Kern ’s-Heerenhoek, gedeelte Marktstraat 3 2022”, gemeente Borsele
Hoofdstuk 3 3.1
Beoogde ontwikkeling
Huidige situatie
Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 530 m² en was voorheen in gebruik als winkel met (boven-)woning. Meer concreet: tot 1993 werd de bovenwoning in het pand actief bewoond en werd de begane grond tot 2011 als supermarkt aangewend. Vervolgens heeft er tijdelijk een bakkerswinkel in het pand gezeten. Momenteel staat het pand door vertrek van deze winkel leeg.
Figuur 5: Weergave pand. Bron: Google Maps.
Figuur 6: Weergave pand. Bron: Google Maps.
13
Bestemmingsplan "Kern ’s-Heerenhoek, gedeelte Marktstraat 3 2022”, gemeente Borsele
Op het perceel staat één hoofdgebouw, opgetrokken uit één bouwlaag met kap, en bevindt zich in de bebouwde kom van de kern ’s-Heerenhoek. In de omgeving van het plangebied bevinden zich burgerwoningen en diverse voorzieningen. Het perceel wordt via de Marktstraat ontsloten en kent een snelheidsregime van 30 km/uur.
3.3
Beoogde ontwikkeling
Initiatiefnemer is voornemens om de bestaande bebouwing ten behoeve van een reguliere woonbestemming aan te wenden. Het betreft een planologische functiewijziging. Er vinden geen sloopof externe bouwwerkzaamheden en daarmee geen uitbreiding van de bebouwing plaats. Het perceel maakt deel uit van een bebouwingslint met primair woningen, waardoor de wijziging naar een woonbestemming passend is en ook leegstand en mogelijke verloedering voorkomt. In de nieuwe situatie dragen de gronden de bestemming ‘Wonen-vrijstaand’ met de bijbehorende bouw- en gebruiksegels.
3.4
Verkeer en parkeren
Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren. 3.4.1 Verkeer De ontsluiting van het plangebied blijft ongewijzigd. In de nieuwe situatie zorgt het vervallen van de detailhandelsbestemming voor een afname van het aantal verkeersbewegingen. Nu de huidige infrastructuur reeds voldoende capaciteit heeft om de het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied ten behoeve van een detailhandelsbestemming te verwerken zal ook in de nieuwe situatie -waar sprake is van één vrijstaande woning- het wegennet hierop zijn uitgerust. 3.4.2 Parkeren De parkeernormen van de gemeente Borsele zijn gebaseerd op de parkeerkencijfers van het CROW (Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381). Hierbij worden voor onderhavige locatie de kenmerken 'niet stedelijk' en 'centrum' gehanteerd. Voor een vrijstaande woning (koop) bedraagt de gemiddelde norm op basis van de CROW-norm 1,8 per woning, afgerond 2 parkeerplaatsen. Op basis van deze normering zijn daarmee 2 parkeerplaatsen op eigen terrein nodig. De planlocatie biedt plaats aan één auto (bestaande garage).
De extra parkeerplaats wordt opgevangen in de openbare ruimte; direct voor het object zijn meerdere parkeervakken aanwezig, die daarmee in de benodigde capaciteit kunnen voorzien. Normaliter zal het toevoegen van een woning zorgen voor een toename aan de parkeerbehoefte, doch in onderhavig geval zal, gezien het feit dat door de beoogde wijziging de aanwending van de bebouwing voor detailhandel zal komen te vervallen, de behoefte aan parkeercapaciteit en daarmee parkeerdruk op de omgeving fors afnemen. 3.4.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aantal parkeerplaatsen voldoende is om in de parkeerbehoefte te voorzien.
14
Bestemmingsplan "Kern ’s-Heerenhoek, gedeelte Marktstraat 3 2022”, gemeente Borsele
Hoofdstuk 4
Kwaliteit van de leefomgeving
De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro) aangetoond worden (artikel 3.1 lid 3 van de Wro). Daaronder valt de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk-relevante aspecten (geluid, bodem, verkeer, etc.).In dit hoofdstuk worden de hieruit voortkomende bevindingen in onderstaande paragrafen beschreven en nader toegelicht.
4.1
Geluidhinder
4.1.1 Wettelijk kader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of, indien sprake is van een van de bovengenoemde ontwikkelingen binnen een zone als bedoeld in art.
74 lid 1 Wgh, deze binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De grenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk; Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting.
4.1.2
Onderzoek Als geluidsgevoelig worden aangemerkt woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen. ‘Andere geluidsgevoelige gebouwen’ zijn in het Besluit geluidhinder gedefinieerd als onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven. Alle objecten die niet onder bovenstaande categorieën zijn te scharen vallen niet onder de beschermingssfeer van de Wet geluidhinder. Als ‘geluidsgevoelige terreinen’ worden aangemerkt woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonschepen. In onderhavige situatie is er sprake van een functiewijziging van een detailhandelsbestemming naar wonen. Er is daarbij geen sprake van een vorm- en/of volumeverandering van het bouwvlak en/of bouwmassa. Er worden voorts mogelijk alleen interne verbouwingen uitgevoerd om te komen tot een logische indeling van het object. De wegen grenzend aan het plangebied hebben of een lage etmaalintensiteit, dan wel een 30 km/uur-regime en geen zone. Verder is het plangebied niet binnen een zone van 200 meter van een snelweg of spoor gelegen. Een nader akoestisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Verder maakt de bebouwing onderdeel uit van een bebouwingslint in de
15
Bestemmingsplan "Kern ’s-Heerenhoek, gedeelte Marktstraat 3 2022”, gemeente Borsele
bebouwde kom en werd het pand eerder als bovenwoning bewoond. Gezien deze omstandigheden kan worden aangenomen, dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse. 4.1.3 Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
4.2
Bodemverontreiniging
4.2.1 Wettelijk kader Op basis van art. 3.1.6, lid 1 onder f Bro geldt dat in een toelichting op een ruimtelijk besluit de inzichten over de uitvoerbaarheid van dat besluit worden neergelegd. Ten aanzien van het aspect bodemkwaliteit staat, op basis van vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS), voorop dat de vaststelling van de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Dat doet er niet aan af dat het bevoegd gezag het ruimtelijk besluit pas kan nemen indien, voor zover redelijkerwijs valt in te zien, een eventuele bodemverontreiniging niet aan de uitvoerbaarheid in de weg staat (22 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8297, r.o. 2.18.4; 27 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9569, r.o. 2.10.3). Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bodem in principe geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico vormen voor de gebruikers van de bodem. 4.2.2 Onderzoek Onderhavig initiatief betreft het wijzigen van de detailhandelsfunctie naar een woonfunctie, waarbij alleen eventueel interne verbouwingen zijn voorzien.
Ook in de huidige situatie verbleven er ter plaatse medewerkers tijdens werkdagen en werd het perceel, naast winkel voor wonen (bovenwoning), intensief gebruikt. Nu de bebouwing reeds voor wonen en verblijf werd aangewend, zal dit gebruik niet veranderen. Er worden dus geen milieugevoeligere functies in het bestaande pand gevestigd dan reeds aanwezig waren. Aangezien er verder voor het perceel geen bodemverontreinigingen of verontreinigende activiteiten aanwezig zijn, dan wel bekend zijn, kan -gezien de aard en omvang van het voornemen- op basis van de huidige situatie worden aangenomen, dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbare milieu-hygiënische bodemkwaliteit en de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. 4.2.3 Conclusie Het aspect bodem belemmert het planvoornemen niet.
4.3
Flora en Fauna
4.3.1 Wettelijk kader Wet natuurbescherming Bij ruimtelijke ontwikkelingen kunnen wettelijk beschermde dieren en plantensoorten in hun algemeenheid (soortbescherming) of wettelijk beschermde gebieden (gebiedsbescherming) in het geding zijn. Om de natuurwaarden van de projectlocatie te kunnen beoordelen moet er getoetst worden aan wat beschreven staat in de Wet natuurbescherming. Daarnaast is het beleid aangaande het Natuurnetwerk Nederland van belang. Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening.
16
Bestemmingsplan "Kern ’s-Heerenhoek, gedeelte Marktstraat 3 2022”, gemeente Borsele
Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: • Natura-2000 gebieden; • Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: • alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; • het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en • de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: • soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; • soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; • overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn.
Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.
17
Bestemmingsplan "Kern ’s-Heerenhoek, gedeelte Marktstraat 3 2022”, gemeente Borsele
Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. 4.3.2 Onderzoek Bescherming gebieden Het plangebied is niet in of naast een Natura 2000-gebied gelegen. Het voorgenomen plan zal geen direct negatief effect hebben op de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Daarnaast zal door de beoogde wijziging de mogelijke stikstofdepositie niet toenemen, doch eerder afnemen, daar de verkeersintensiteit inherent aan een detailhandelsbestemming hoger is dan een woonbestemming. De functiewijziging heeft daarmee geen negatief, eerder positief effect op de stikstof en daarmee natuurwaarden van de Natura2000 gebieden.
Verder maakt het plangebied geen onderdeel uit van de Natuurnetwerk Nederland (NNN) c.q. Natuurnetwerk Zeeland, maar is wel formeel binnen 100 meter van bestaande natuur gesitueerd. Echter, gelet op de situering van het plangebied, gescheiden door bestaande wegen en bebouwing, zullen door de gebruikswijziging, welke qua intensiteit minder zwaar is dan voorheen was toegestaan, geen wezenlijke kenmerken en waarden van de bestaande natuur (significant) worden aangetast. Beschermde soorten Het is in theorie mogelijk dat op de locatie dier- en plantensoorten van de Habitatrichtlijnen voorkomen of dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Wet natuurbescherming. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen gevolgen voor de flora en fauna. Het perceel waar de functiewijziging is voorzien, blijft ongewijzigd. Daarnaast zag het gebruik van de gronden eerder, naast detailhandel, eveneens op wonen. Als gevolg van het wederom in gebruik nemen ten behoeve van een woonfunctie ontstaat geen aantasting van de huidige waarden en zijn geen negatieve effecten op beschermde soorten te verwachten. Een nader onderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht. 4.3.3 Conclusie Vanwege de ligging en de aard van de ontwikkeling kunnen negatieve effecten, zoals een toename van de stikstofdepositie, op beschermde natuurgebieden uitgesloten worden.
Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.4
Cultuurhistorische Hoofd Structuur
4.4.1 Wettelijk kader Per 1 juli 2011 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van de MoMo is de Bro per 1 januari 2012 (artikel 3.6.1, lid 2) gewijzigd. Wat eerst alleen voor archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed. Voor een herziening van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Het is daarmee dus verplicht om de facetten historische (stede)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
18
Bestemmingsplan "Kern ’s-Heerenhoek, gedeelte Marktstraat 3 2022”, gemeente Borsele
4.4.2 Onderzoek Het object is niet aangemerkt als monument en is niet als cultuurhistorisch waardevol aangewezen. 4.4.3 Conclusie De functiewijziging naar wonen vindt plaats binnen de bestaande bebouwing en heeft geen invloed op de cultuurhistorische waarde.
4.5
Archeologie
4.5.1 Wettelijk kader Het archeologisch erfgoed wordt binnen Nederland als zeer waardevol beschouwd. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) legt de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het archeologische erfgoed bij de gemeente. De taken in het kader van de Wamz behelzen o.a. het integreren van archeologie in de RO-procedures (zoals vergunningen en projectbesluiten) en de koppeling tussen bestemmingsplannen en archeologische waarden en verwachtingen (art. 38 en 41 Wamz). Met een goede archeologisch-wetenschappelijke motivatie en onderbouwing kunnen gemeenten ervoor kiezen niet al het aanwezige archeologisch erfgoed onder alle omstandigheden te beschermen. Gemeenten kunnen een eigen vrijstellingsbeleid vaststellen en gebruik maken van de afwijkingsbevoegdheid. De gemeente Borsele beschikt over een eigen beleidskader voor archeologie. Het archeologiebeleid bestaat uit twee delen; deel A 'beleidsnota archeologie' en deel B 'archeologische beleidskaart'. Er wordt een onderscheid gemaakt in 8 categorieën waaraan archeologische waarden zijn gekoppeld: • Categorie 1: Wettelijk beschermd monument waarbij altijd een monumentenvergunning. • Categorie 2: Terrein met archeologische waarde waarbij met een oppervlak minder dan 50 m 2 geen onderzoeksplicht geldt.
• Categorie 3: Stads- en dorpskernen van specifieke archeologische verwachting waarbij met een oppervlak minder dan 50 m 2 geen onderzoeksplicht geldt. • Categorie 4: Hoge verwachting voor archeologische vondsten waarbij met een oppervlak minder dan 250 m2 geen onderzoeksplicht geldt. • Categorie 5: Gematigde verwachtingwaarde voor archeologische vondsten waarbij met een oppervlak minder dan 500 m 2 geen onderzoeksplicht geldt. • Categorie 6: Lage verwachtingswaarde voor archeologische vondsten waarbij met een oppervlak minder dan 2.500 m2 geen onderzoeksplicht geldt. • Categorie 7: Verwachte maritieme waarde waarbij overleg met Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed verplicht is. • Categorie 8: Geen verwachtingswaarde voor archeologische vondsten. Voor alle categorieën, met uitzondering van categorie 1, geldt een vrijstelling van 40 cm diepte. Bij de vaststelling van het archeologiebeleid is afgesproken dat het beleid na een periode van vijf jaar zou worden geëvalueerd. Eind 2016 is een evaluatierapport gereedgekomen. De gemeenteraad heeft op 6 april 2017 ingestemd met het doorvoeren van de adviezen en aanbevelingen uit deze rapportage in bestemmingsplannen of omgevingsplan. Het betreft de volgende adviezen en aanbevelingen: • De tijdens de evaluatie vervaardigde kaart(laag) met uitgevoerde onderzoeken en geclassificeerde adviezen dient vervolledigd te worden.
Op deze manier kan voorkomen worden dat archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd waar dat al eerder heeft plaatsgevonden en daarmee onnodig vertraging in de vergunningverlening veroorzaakt. • Deze kaart dient met regelmaat (jaarlijks) bijgewerkt te worden.
19
Bestemmingsplan "Kern ’s-Heerenhoek, gedeelte Marktstraat 3 2022”, gemeente Borsele
•
•
•
•
Uit de evaluatie is gebleken dat er zeer weinig onderzoek wordt uitgevoerd in categorie 6 (lage verwachting/vrijstelling tot 2.500 m2), vanwege het grote oppervlakte en dat het uitgevoerde onderzoek nooit heeft geleid tot vervolgonderzoek. Gebieden die vallen binnen categorie 6 worden daarom van archeologisch onderzoek vrijgesteld, door hier geen beschermende maatregelen meer voor op te nemen in bestemmingsplannen of omgevingsplan. De onderzoeksthema's en aanvullende criteria dienen samen met de nationale en provinciale onderzoeksagenda's te worden gehanteerd als leidraad bij het uitvoeren van archeologisch onderzoek. Op deze wijze wordt informatie rondom enkele aspecten van de bewoning en het gebruik van het onderzoeksgebied meer structureel verzameld, wat zal leiden tot vergroting en verdieping van de huidige kennis over bewoning en gebruik van het grondgebied van de gemeente. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor al hun archeologisch erfgoed. Sinds 1 juli 2016 heeft de RCE haar taken hierin afgestoten. Daarom worden in bestemmingsplannen of omgevingsplan regels opgenomen ter bescherming van de gebieden beneden de laagwaterlijn, die tot nu nog geen maatregelencategorie kennen, door het van toepassing verklaren van categorie 7. Voorheen moest voor deze categorie altijd overlegd worden met de RCE.
Bij toekomstig onderzoek dient gebruik te worden gemaakt van (de kennis van) het Bevrijdingsmuseum Zeeland over het aantreffen van militaria en ander vondstmateriaal dat te relateren is aan de periode van de Tweede Wereldoorlog.
4.5.2 Onderzoek Het plangebied kent een lage verwachting waarvoor nader onderzoek niet is vereist. Verder is door de beoogde ontwikkeling geen sprake van een (mogelijke) aantasting van archeologisch waardevolle objecten in de ondergrond, daar de bestaande bouwmassa blijft gehandhaafd en (behoudens interne) geen bouwwerkzaamheden zijn voorzien. 4.5.3 Conclusie Het aspect archeologie staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.
4.6
Water
4.6.1 Wettelijk kader Water en ruimtelijke ordening hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beiden is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging, te voorkomen. Volgens het Bro is een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht geworden. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het uitvoeren van een watertoets betrekt de waterbeheerders actief bij ruimtelijke besluitvormingsprocessen en geeft water een duidelijke plek binnen de ruimtelijke ordening Waterbeleid 21e eeuw (Rijksbeleid) Het afgelopen decennium heeft Nederland meerdere keren te kampen gehad met wateroverlast. Dit heeft een omslag in het denken over water en het waterbeleid veroorzaakt. In het aangepaste beleid zijn het rijk, de provincies, de waterschappen en de gemeenten overeengekomen dat: het water zoveel mogelijk moet worden vastgehouden, daarna moet worden geborgen en daarna pas afgevoerd mag worden; voor ruimtelijke plannen een zogenaamde watertoets uitgevoerd moet worden.
In de watertoets moeten de keuzes ten aanzien van waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschreven worden.
20
Bestemmingsplan "Kern ’s-Heerenhoek, gedeelte Marktstraat 3 2022”, gemeente Borsele
Beleid Waterschap Scheldestromen Het provinciaal beleid van de provincie Zeeland is vastgelegd in het Omgevingsplan Zeeland 2018, de Waterverordening en de Provinciale Omgevingsverordening 2018. Het operationele waterbeheer van de Zeeuwse (binnendijkse) regionale wateren is in handen van het Waterschap Scheldestromen. In het waterbeheerplan 2016-2021 van het waterschap zijn de hoofdlijnen van het beleid op het gebied van watersystemen en afvalwaterketen kort beschreven. De uitwerking vindt plaats in de desbetreffende Beleidsnota's. Doel van het waterbeheer is het bereiken en in stand houden van een goede toestand van dit oppervlaktewater. Zowel wat de waterkwaliteit betreft als de waterkwantiteit. In het waterbeheerplan wordt aangegeven met welke maatregelen en tegen welke prijs het waterschap dit doel wil bereiken. In 2012 heeft het Waterschap Scheldestromen de Keur watersysteem waterschap Scheldestromen vastgesteld. Het waterschap richt zich op het in stand houden en versterken van gezonde en veerkrachtige watersystemen. Het oppervlaktewater wordt niet los gezien van het grondwater. Gemeentelijk rioleringsplan Borsele 2018-2022 Het vijfde Gemeentelijk rioleringsplan (GRP5) heeft als hoofddoel: het continueren van de hoofddoelen van de eerdere gemeentelijke rioleringsplannen zoals het bereiken van een goede waterkwaliteit en het voorkomen van wateroverlast.
Het rioleringssysteem moet tegen zo laag mogelijke kosten klimaatbestendig worden gemaakt waarbij er gestreefd wordt naar het te allen tijde voorkomen van waterschade. Het hoofddoel is uitgewerkt in vier subdoelen: 1. een doelmatige inzameling en transport van afvalwater; 2. tegengaan van waterhinder, overlast of schade en vasthouden water; 3. het voorkomen van grondwateroverlast; 4. schoon oppervlaktewater, grondwater en een schone waterbodem. Stedelijk waterplan Borsele 2016-2022 In het waterplan staan normen genoemd ten aanzien van de waterkwaliteit, waterkwantiteit, voorkomen van grondwateroverlast, afkoppelen van regenwater, beheer en onderhoud van stedelijk oppervlaktewater, ruimtelijke ordening en de inrichting van openbaar water .Het nieuwe waterplan besteed extra aandacht aan de klimaatverandering met name aan extreme en langdurige buien en rioolvreemd water. Rioolvreemd water is regenwater en grondwater wat ten onrechte op de riolering en niet op het oppervlaktewater geloosd wordt. Het plan voldoet aan de uitgangspunten van het waterplan Borsele 4.6.2 Onderzoek De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten.
Het uitvoeren van een watertoets betrekt de waterbeheerders actief bij ruimtelijke besluitvormingsprocessen en geeft water een duidelijke plek binnen de ruimtelijke ordening. Het beheer van het watersysteem is in handen van het Waterschap Scheldestromen. In onderstaande tabel wordt aangegeven, welke invloed de voorgenomen ontwikkeling heeft op de diverse wateraspecten. Onderstaand is de watertoetstabel opgenomen.
21
Bestemmingsplan "Kern ’s-Heerenhoek, gedeelte Marktstraat 3 2022”, gemeente Borsele
Thema en water(beheer)doelstelling
Uitwerking
Veiligheid waterkeringen Waarborgen van het veiligheidsniveau en rekening houden met de daarvoor benodigde ruimte.
De ontwikkeling ligt niet binnen de keurzone van primaire of regionale waterkeringen. Omdat het bouwen van gebouwen buiten deze zones op grond van de Keur van het waterschap zonder meer is toegestaan, treedt geen strijdigheid met de beleidsregels van het waterschap op. Het plangebied ligt daarnaast niet in of nabij transportroutes gevaarlijke stoffen over water. Het aspect veiligheid/waterkering is derhalve niet aan de orde. Er is alleen sprake van een functiewijziging. Er is derhalve geen sprake van een toename van het verharde oppervlak. Compensatie is niet aan de orde.
Voorkomen overlast door oppervlaktewater Het plan biedt voldoende ruimte voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water. Waarborgen van voldoende bouwpeil om overstroming vanuit oppervlaktewater in maatgevende situaties te voorkomen. Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering en de kans op extreme weersituaties. Voorkomen overlast door hemel- en afvalwater Waarborgen optimale werking van de zuiveringen/ RWZI’s en van de (gemeentelijke) rioleringen. Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in verband met de reductie van hydraulische belasting van de RWZI, het transportsysteem en het beperken van overstorten. Grondwaterkwantiteit en verdroging Voorkomen en tegengaan van grondwateroverlast en -tekort. Rekening houdend met de gevolgen van klimaatverandering. Beschermen van infiltratiegebieden en -mogelijkheden.
Grondwaterkwaliteit Behoud of realisatie van een goede grondwaterkwaliteit. Denk aan grondwaterbeschermingsgebieden.
Het pand is reeds aangesloten op de bestaande riolering. Hierin zal geen verandering optreden.
Er wordt geen grondwater onttrokken. De beoogde ontwikkeling is niet nadelig voor de watervoorziening. De ontwikkeling heeft derhalve geen negatieve gevolgen voor de waterkwaliteit. De ontwikkeling leidt niet tot het onttrekken van grondwater of het infiltreren van grondwater met als doel het later weer op te pompen. Verdroging is dan ook niet aan de orde. Door het gebruik van duurzame niet uitlogende bouwmaterialen heeft het plan geen nadelige gevolgen voor de oppervlaktewaterkwaliteit. Het plan veroorzaakt geen nadelige gevolgen voor of door het oppervlaktewatersysteem of grondwaterbeschermingsgebieden in de omgeving.
22
Bestemmingsplan "Kern ’s-Heerenhoek, gedeelte Marktstraat 3 2022”, gemeente Borsele
Oppervlaktewaterkwaliteit Behoud of realisatie van goede oppervlaktewaterkwaliteit. Vergroten van de veerkracht van het watersysteem. Toepassing van de trits schoonhouden, scheiden, zuiveren.
Volksgezondheid Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico’s via o.a. de daarvoor benodigde ruimte. Bodemdaling Voorkomen van maatregelen die (extra) maaiveldsdalingen in zettinggevoelige gebieden kunnen veroorzaken.
Natte natuur Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur. Onderhoud oppervlaktewater Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden worden. Rekening houden met obstakelvrije onderhoudsstroken vrij van bebouwing en opgaande (hout)beplanting. Andere belangen waterbeheer Relatie met eigendom waterbeheerder Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van objecten (terreinen, milieuzonering) van de waterbeheerder niet belemmeren. Wegen in beheer bij het waterschap (alleen invullen voor zover van toepassing) * in de bouwfase: Vinden er transporten (grond/bouwmaterialen) plaats over waterschapswegen? *na realisatie: verkeersaantrekkende werking Veroorzaakt uw plan structureel extra verkeer?
Er wordt niet gebouwd in een infiltratiegebied of natuurgebied. De beoogde ontwikkeling heeft derhalve geen nadelige gevolgen voor de waterkwaliteit. Door het gebruik van duurzame niet uitlogende bouwmaterialen wordt voorkomen dat het te infiltreren hemelwater de bodem en het grondwater verontreinigt. Ingrepen voortkomend uit dit plan tasten geen bodemlagen aan als gevolg waarvan het grondwatersysteem verandert. Er is geen sprake van open water. Er worden geen water gerelateerde consequenties voor de volksgezondheid verwacht.
Het peilregiem van het plangebied is afgestemd op bebouwd gebied. Er is geen sprake van een peilverlaging en/of bodemdaling. Derhalve is deze problematiek niet aan de orde. Er wordt geen grondwater onttrokken en hemelwater wordt zoveel als mogelijk naar het omliggende oppervlaktewater teruggevoerd. Bodemdaling wordt dan ook niet verwacht. Het plangebied grenst niet aan natte natuurgebieden. Derhalve zijn er geen bijzondere maatregelen te treffen of beperkingen te verwachten. Er liggen geen waterlopen langs de projectlocatie, er worden geen nieuwe waterlopen voorzien.