CConstaterende datBorsele
Koppel je AI →
Document · PDF

5.1 Ontwerp Omgevingsplan Buitengebied Borsele 2018, herziening Vrielingweg 1, 2021

Besluitvormende raadsvergadering 1 april 2021, gemeente BorseleBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het "Omgevingsplan Buitengebied Borsele 2018, herziening Vrielingweg 1, 2021" (portefeuille wethouder Weststrate)23.601 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

VAN ZAECK & CO CRES B.V.

PAGINA 7 VAN 16

VRIELINGWEG 1 HOEDEKENSKERKE

OMGEVINGSPLAN HERZIENING

d. voor de bedrijfswoning geldt: 1.er worden geen nieuwe bedrijfswoningen binnen 10-6-contouren van inrichtingen en/of leidingen gerealiseerd; 2.uitbreiden van de woning, inclusief de aan- of uitgebouwde bijbehorende bouwwerken en aangebouwde overkappingen, is toegestaan waarbij geldt dat het uitwendige karakter overeenkomstig de opgenomen typologie voor de woning zoals beschreven in '6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit' niet ingrijpend mag worden gewijzigd; 3.bij herbouw van de bedrijfswoning binnen het bouwblok: mag niet vóór de voorgevelrooilijn van de bestaande bedrijfswoning worden gebouwd tenzij een locatie vóór deze voorgevelrooilijn uit stedenbouwkundig, verkeerskundig en milieuoogpunt – waaronder geluid – aanvaardbaar is; komt het uitwendige karakter van de nieuwe bedrijfswoning overeen met de opgenomen typologie voor de woning zoals beschreven in '6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit'; 4.in afwijking van het bepaalde onder b bedraagt de afstand van de bedrijfswoning met aanof uitgebouwde bijbehorende bouwwerken tot de bouwperceelsgrens ten minste 2 m; e.

per bedrijfswoning zijn vrijstaande bijbehorende bouwwerken toegestaan waarbij geldt:1.er zijn geen vrijstaande bijbehorende bouwwerken toegestaan voor de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning; 2.de onderlinge afstand tussen de bedrijfswoning en de op hetzelfde bouwperceel te realiseren vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 25 m mag bedragen; 3.de gezamenlijke oppervlakte aan vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 150 m² bedragen; 4. bij uitbreiding van een bestaand vrijstaand bijbehorend bouwwerk mag de goothoogte en de dakhelling niet meer bedragen dan die van het bestaande vrijstaande bijbehorende bouwwerk; 5. in het geval dat een geheel nieuw vrijstaand bijbehorend bouwwerk wordt gebouwd, mag de goothoogte niet meer dan 3,25 m bedragen; 6. indien een dakhelling wordt toegepast bedraagt de helling minimaal 30% en maximaal 45%; 7. in afwijking van het bepaalde onder b bedraagt de afstand van ieder vrijstaand bijbehorend bouwwerk tot de bouwperceelsgrens ten minste 2 m; f. per indicatief begrensde functie zijn bedrijfsgebouwen en overkappingen toegestaan; voor nieuwe bedrijfsgebouwen en overkappingen geldt:1. de situering is passend gelet op de situering van bestaande bedrijfsgebouwen; 2.de goothoogte mag niet meer dan 7 m bedragen; g.

voor gebouwen ten behoeve van sanitaire- en slechtweervoorzieningen bij kleinschalige kampeerterreinen geldt dat deze uitsluitend zijn toegestaan tot een oppervlakte van ten hoogste 100 m2; h. van permanent aanwezige kampeermiddelen mag de oppervlakte ten hoogste 40 m2 bedragen en de bouwhoogte ten hoogste 3,5 m; i. bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, ten dienste van het gebruik zijn toegestaan tot een bouwhoogte van ten hoogste 5 m, tenzij het bouwwerken betreft zoals genoemd in artikel 76.4.

Artikel 56 omgevingsplan.

VAN ZAECK & CO CRES B.V.

PAGINA 8 VAN 16

OMGEVINGSPLAN HERZIENING

VRIELINGWEG 1 HOEDEKENSKERKE

Artikel 56 bevat de basisregels ten aanzien van het oprichten van een nieuwe bedrijfsgebouw. Deze regels kunnen gesplitst worden in regels welke specifiek betrekking hebben op een bedrijfswoning en regels welke specifiek betrekking hebben op andere gebouwen dan een bedrijfswoning. De hoofdregels zijn kort samengevat: De bebouwing mag niet groter zijn dan aangegeven. Deze maximale bebouwing is aangeven in artikel 70 70 Maximale oppervlakte bebouwd Voor de functie op deze indicatief aangeduide locatie bedraagt de maximale bebouwingsoppervlakte zoals bedoeld in de regels: 1502 m², zijnde de maximale bebouwingsoppervlakte zoals vermeld in het plan.

De afstand tot de bouwperceelsgrens moet minimaal 5 meter zijn en de bebouwing moet achter de voorgevelrooilijn staan. Voor een bijbehorende bouwwerk mag een kortere maat van 2 meter worden aangehouden. Indien wordt gebouwd met een dakhelling moet de helling tussen de 30 en 45% liggen. De goothoogte mag niet meer dan 7 meter zijn. Voor de toets aan de regels uit artikel 70 dient er eerst een correctie op de metrages en vervolgens een berekening te worden gemaakt. In de onderstaande afbeelding worden de gebouwen zoals opgenomen in het BAG bestand weergegeven (gele en rode kleur). Deze gebouwen zijn gecorrigeerd op basis van een luchtfoto met de bijbehorende bouwwerken (oranje kleur). Deze bouwwerken zijn niet in het BAG bestand opgenomen. De bedrijfswoning is opgenomen met een rode kleur.

Ge gebouwen en bouwwerken Bek huidige situatie.

VAN ZAECK & CO CRES B.V.

PAGINA 9 VAN 16

VRIELINGWEG 1 HOEDEKENSKERKE

OMGEVINGSPLAN HERZIENING

Op basis van artikel 56 lid b tellen voor het maximale bebouwingsoppervlakte alleen de bedrijfsgebouwen en bouwwerken mee. De bedrijfswoning met bijbehorend bijgebouw blijft h i e r d o o r b u i t e n b e s c h o u w i n g . Wi j k o m e n o p e e n o p p e r v l a k t e v a n c a . 1 . 3 5 3 m 2 . H e t m e t r a g e i s circa omdat het meten aan een luchtfoto niet heel erg precies is. Op basis van het omgevingsplan mag er maximaal 1.502 m2 staan dus op basis van het vorengaande komen zij tot de conclusie dat het gebruik en de gebouwen in de huidige situatie voldoen aan alle regels uit het vigerend omgevingsplan. Bek wil een nieuwe loods bouwen met een afmeting van 20 meter breed en 50 meter diep. Deze loods is dus 1.000 m2 groot. in de onderstaande afbeelding wordt de nieuwbouw locatie van de loods weergegeven.

n nieuwbouw Bek in het blauw

Wij h e b b e n h e t o n t w e r p g e t o e t s t a a n d e r e g e l s e n h e t o n t w e r p v o l d o e t d e e l s a a n d e r e g e l s u i t artikel 56. De nieuwbouw wordt achter dezelfde voorgevelrooilijn geplaatst als het bestaande gebouw en 5 meter vanuit de bouwperceelsgrens. Het gebouw kent een goothoogte van 5,5 meter en een nokhoogte van 8,25 meter. De dakhelling bedraagt als gevolg daarvan 15 graden. Deze hellingshoek wijkt af van artikel 56 lid 6. Deze maten zijn gekozen omdat de hellingshoek van het dak overeenkomt met de hellingshoek van het belendende gebouw. Het gelijk houden van de hellingshoek geeft een rustiger gevelbeeld dan een afwijkende hellingshoek van 30%. Bij een hellingshoek van 30% wordt het gebouw (onbedoeld) ook veel hoger. Het is overigens mogelijk het gebouw te voorzien van een niet hellend plat dak. Er wordt dan voldaan aan artikel 56 lid 6. Het plan is de bedrijfsruimte in twee fasen te bouwen. De eerste fase is 600 m2 groot en de tweede fase is 400 m2 groot. Als gevolg van de nieuwbouw neemt het bebouwd oppervlakte toe van ca. 1.353 m2 naar ca. 2.353 m2. Indien dit wordt afgerond komen wij op 2.400 m2. Dit is 13% van het totale oppervlakte (wat nog steeds laag is). Alle gebouwen zijn in de voorste zone geprojecteerd wat maakt dat de achterzone geen gebouwen kent.

VAN ZAECK & CO CRES B.V.

PAGINA 10 VAN 16

VRIELINGWEG 1 HOEDEKENSKERKE

OMGEVINGSPLAN HERZIENING

Op basis van de vorengaande toets van het bouwwerk aan de regels uit het omgevingsplan zou Bek graag zien dat de volgende twee regels worden herzien: •

Artikel 70: Het maximale bebouwingsoppervlakte van de locatie Vrielingweg 1 in Hoedekenskerke wordt verhoogd naar 2.400 m2.

•

Artikel 56 lid 6: indien het gevelbeeld bij een lagere hellinghoek rustiger wordt mag worden afgeweken van de minimum hellingshoek van 30%.

Het rijksbeleid en het provinciale beleid laten deze twee aanpassingen toe. Het Rijksbeleid is erop gericht dat de ladder van duurzame verstedelijking wordt gebruikt. Trede 1 schrijft voor dat er behoefte dient te zijn aan de aanpassing. Dat is in deze onderhavige situatie het geval. De volledige nieuwbouw zal in gebruik genomen worden Bek. De tweede trede geeft aan dat als het mogelijk is door herstructurering, transformatie of anderszins invulling te geven aan de behoefte van uitbreiding dat dit de voorkeur geniet boven het een aanpassing ten kosten van het buitengebied. Het alternatief bestaande uit het aankopen van een andere locatie en het verhuizen van een deel van de activiteiten is in dit geval ongewenst aangezien er extra ruimtebeslag wordt gelegd en dit leidt tot veel extra verkeersbewegingen. De gemeente Borsele kan als bevoegde gezag de vergroting toelaten. Het vergroten van het maximale bebouwbare oppervlakte en het aanpassen van de hellingshoek passen als maatregel prima binnen de eerste en tweede trede van de ladder van duurzame verstedelijking.

3.

Verkor te in vent ari sa ti e ge sch ikth ei d

Wij heb ben e en kor t on der zo ek ge daan n aar de g es ch i kth ei d van d e lo c ati e voo r n ie uw bou w. Ar che olo gi e Ar che olo gi s ch ond erz oe k op bou w lo cat ie i s n i et noodza ke li jk (bod e m v er sto rin g gro te r da n 2 50 m2 maar ni et m e er dan 40 c m d iep ) D e be sta and e vl oe i sto fd ich te b et onpl aat w ordt ov er bou wd en b li jf t b eh ouden . Bod e ml ok et Bod e mra ppor te n b ek en d. D e lo cat ie i s vo ll ed ig in kaa rt g ebra cht . Z i e o nder s taand e p laa tj e Ri si co kaar t De ri s ic o ka art g e ef t g e en enk el e w e er ga v e in het g ebi ed rond om B ek . Zi e ond e r staan de plaat je Flo ra en fau na G e en b ep erk ing en . Uitb re idin g sl oca ti e is op d it mo m ent in g ebru ik a l s b edr ij f st er re in Land sch app el ijk e inpa s s ing De inp as s in g van d e b e s taand e geb ou w en i s in ord e. N i eu wbou w z al ac hte r d ez el fd e gro en s ing el ko m en t e li gg en. Kab el s en l eid ing en Ui t d e K li c m eld in g bl ijk t dat in h et uitbr e idin g sg eb i ed g e en kab el s en of l eid ing en in d e w eg li gg en . Eig endo m All e pe rc e le n zi jn i n V ol ei g endo m b ij Autod e mon ta geb ed rij f B ert B ek B .V .

VAN ZAECK & CO CRES B.V.

PAGINA 11 VAN 16

VRIELINGWEG 1 HOEDEKENSKERKE

OMGEVINGSPLAN HERZIENING

Bodemloket info Bek. In paars: rapport bekend.

Risico contour er is geen extern risico contour aanwezig.

VAN ZAECK & CO CRES B.V.

PAGINA 12 VAN 16

VRIELINGWEG 1 HOEDEKENSKERKE

OMGEVINGSPLAN HERZIENING

Uitkomsten KLIC melding Bek

De bou wl oc ati e i s vr ij v an kab el s en l eid in ge n

VAN ZAECK & CO CRES B.V.

PAGINA 13 VAN 16

VRIELINGWEG 1 HOEDEKENSKERKE

4.

OMGEVINGSPLAN HERZIENING

Verzo ek t ot a anp as s ing omge v in gs pl an

Om d e bou w v an ee n ni eu w e b edr ij f sru i mt e mo ge li jk t e ma ken di ent he t m axi m al e bebou w ing s opp er v lakt e te wo rd en a ang epa s t na ar 2 .4 00 m2 . Oo k di en t e en vr ij st el lin g vo or d e hel lin g sho ek v an h et d a k te word en v e rl e end. A utod e m onta g eb edr ij f Be rt B ek B .V v e rzo ekt d e ge m e ent e Bo rs e l e o m h aar m ed e we rki ng te ve rl en en a an d ez e t w e e o m ge v ing s plan aanpa s sin g en.

VAN ZAECK & CO CRES B.V.

PAGINA 14 VAN 16

VRIELINGWEG 1 HOEDEKENSKERKE

5.

OMGEVINGSPLAN HERZIENING

Bij l a gen gebou wont wer p

VAN ZAECK & CO CRES B.V.

PAGINA 15 VAN 16

VRIELINGWEG 1 HOEDEKENSKERKE

VAN ZAECK & CO CRES B.V.

OMGEVINGSPLAN HERZIENING

PAGINA 16 VAN 16

31

Bijlage 2 Verkennend bodemonderzoek

Rho adviseurs voor leefruimte

20200391

32

Rho adviseurs voor leefruimte

20200391

Eindrapport verkennend bodemonderzoek Vrielingweg 1 te Hoedekenskerke Project 23200076 13 mei 2020

Opdrachtgever:

Van Zaeck & Co CRES B.V. Van Blankenburgstraat 81 2517 XN DEN HAAG

Opgesteld door:

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.

Auteur:

ir. B. Boomstra

Autorisatie:

dhr. H. Seffelaar Interim-manager SMA Zeeland B.V.

2001, 2002

Inhoudsopgave SAMENVATTING ......................................................................................................................................... 1 CONCLUSIES ......................................................................................................................................... 1 TOETSING ONDERZOEKSHYPOTHESES ............................................................................................ 1 AANBEVELINGEN .................................................................................................................................. 2 1. INLEIDING................................................................................................................................................ 3 1.1. AANLEIDING EN DOEL ................................................................................................................... 3 1.2. REFERENTIEKADER ....................................................................................................................... 3 1.3. BETROUWBAARHEID ..................................................................................................................... 4 2. VOORONDERZOEK ................................................................................................................................ 6 2.1.

ALGEMENE BODEM- EN LOCATIEGEGEVENS ............................................................................ 6 2.2. HISTORISCHE KAARTEN, LUCHTFOTO’S EN OVERIG BEELDMATERIAAL ............................... 8 2.3. RELEVANTE BODEMDOCUMENTEN EN VERGUNNINGEN ......................................................... 8 2.4. REGIONALE BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE ................................................................ 9 2.5. INTERPRETATIE VERWACHTE MILIEUHYGIËNISCHE BODEMKWALITEIT ............................. 10 2.6. HYPOTHESE EN ONDERZOEKSSTRATEGIE ............................................................................. 13 3. VELDWERK ........................................................................................................................................... 15 4. ANALYTISCH ONDERZOEK ................................................................................................................. 16 4.1. ANALYSESTRATEGIE ................................................................................................................... 16 4.2. ANALYSERESULTATEN ................................................................................................................ 16 4.3. INTERPRETATIE RESULTATEN ................................................................................................... 17 5.

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ................................................................................................... 19 5.1. CONCLUSIES ................................................................................................................................ 19 5.2. TOETSING ONDERZOEKSHYPOTHESES ................................................................................... 19 5.3. AANBEVELINGEN.......................................................................................................................... 20 ACHTERGRONDDOCUMENTEN .............................................................................................................. 21 BIJLAGE 1 OVERZICHTSKAART LIGGING ONDERZOEKSLOCATIE BIJLAGE 2 SITUATIETEKENING BIJLAGE 3 BOORBESCHRIJVINGEN EN -PROFIELEN BIJLAGE 4 TOETSINGSTABELLEN BIJLAGE 5 ANALYSERESULTATEN BIJLAGE 6 HISTORISCHE KAARTEN EN LUCHTFOTO’S BIJLAGE 7 FOTO’S

23200076

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.

Eindrapport verkennend bodemonderzoek Vrielingweg 1 te Hoedekenskerke

Samenvatting Door Van Zaeck & Co CRES B.V. is aan SMA Zeeland B.V. de opdracht verstrekt voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek aan de Vrielingweg 1 te Hoedekenskerke. De aanleiding voor het bodemonderzoek is de voorgenomen nieuwbouw van een loods op de betreffende locatie. Het doel van dit onderzoek is inzicht te verkrijgen in de huidige kwaliteit van de bodem. Conclusies De bodem onder de betonverharding bestaat uit een zandpakket van ca. 0,6 tot 1 meter dikte. Hierin zijn achtergrondwaarde-overschrijdingen (lichte verontreinigingen) met zware metalen, minerale olie, PAK10 en PCB7 aangetoond. De diepere grond betreft enkele kleilagen. De bovenste van deze kleilagen is licht verontreinigd met organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB). Vanaf 2,75 m-mv wordt veen aangetroffen. In het grondwater zijn natuurlijke streefwaarde-overschrijdingen voor barium en nikkel aanwezig. Daarnaast is het grondwater zeer licht verontreinigd met vluchtige aromaten en de loodvervanger MTBE. Toetsing onderzoekshypotheses In het vooronderzoek zijn onderzoekshypotheses geformuleerd op basis waarvan de gebruikte veldwerken analysestrategieën zijn opgesteld. Hieronder is aangegeven in hoeverre deze hypotheses verworpen kunnen worden op basis van de overige onderzoeksresultaten. Eventuele gevolgen voor het vervolgtraject zijn hieronder in Aanbevelingen aangegeven.

Voor het onderzoek naar chemische parameters is uitgegaan van de hypotheses: 

Bovengrond: verdacht voor bodemverontreiniging met diverse stoffen. Deze hypothese moet worden aangenomen.

Oorspronkelijke bovengrond (vermoedelijk kleiig): verdacht voor bodemverontreiniging met OCB. Deze hypothese moet worden aangenomen.

Ondergrond rond grondwaterstand: verdacht voor bodemverontreiniging met olieproducten. Deze hypothese kan worden verworpen.

Overige ondergrond: onverdacht voor bodemverontreiniging. De ondiepe kleilagen zijn licht verontreinigd met organochloorbestrijdingsmiddelen. Vermoedelijk is de nog diepere, niet geanalyseerde ondergrond wel schoon.

23200076

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.

Eindrapport verkennend bodemonderzoek Vrielingweg 1 te Hoedekenskerke

1

Grondwater: onverdacht voor bodemverontreiniging maar mogelijk met van nature verhoogde concentraties arseen, barium, chroom en/of molybdeen. De hypothese van een onverdachte locatie moet worden verworpen.

Voor het onderzoek naar asbest is uitgegaan van de hypothese(s): 

Bovengrond/ondergrond: onverdacht voor verontreiniging met asbest. Er is daarom geen gericht veld- of analytisch onderzoek naar asbest uitgevoerd. Deze hypothese kan op basis van de onderzoeksresultaten worden gehandhaafd.

Aanbevelingen De op de onderzoekslocatie geconstateerde verhoogde gehalten in de grond en het grondwater geven geen aanleiding tot het uitvoeren van aanvullend of nader bodemonderzoek. Op basis van de uit dit milieuhygiënisch onderzoek verkregen gegevens zal in geval van grondverzet c.q. herbestemmen van grond alsnog een onderzoek conform het Besluit bodemkwaliteit (partijkeuring grond) nodig zijn. Indien de kleilagen worden afgegraven dienen organochloorbestrijdingsmiddelen te worden meegenomen in de partijkeuring. Voor een keuring van het zandpakket zijn grondanalyses op OCB niet noodzakelijk.

23200076

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.

Eindrapport verkennend bodemonderzoek Vrielingweg 1 te Hoedekenskerke

2

1. Inleiding 1.1. Aanleiding en doel Door Van Zaeck & Co CRES B.V. is aan SMA Zeeland B.V. de opdracht verstrekt voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek aan de Vrielingweg 1 te Hoedekenskerke. De aanleiding voor het bodemonderzoek is de voorgenomen nieuwbouw van een loods op de betreffende locatie. Het doel van dit onderzoek is inzicht te verkrijgen in de huidige kwaliteit van de bodem. 1.2. Referentiekader Onderzoeksopzet De onderzoeksopzet is afgeleid van de NEN 5740. Het onderzoek bestaat uit: vooronderzoek, veldonderzoek, chemische analyses, interpretatie en toetsing. Toetsingskader verkennend bodemonderzoek naar chemische parameters (NEN 5740) De voor de standaardbodem (lutum 25% en organische stof 10%) gecorrigeerde analyseresultaten van de grond worden conform de Wet bodembescherming getoetst aan de achtergrondwaarden (AW2000) en interventiewaarden. De analyseresultaten van het grondwater worden getoetst aan de streefwaarden en interventiewaarden. De achtergrondwaarden hebben betrekking op achtergrondgehalten van stoffen die van nature voorkomen, of op detectiegrenzen bij stoffen die niet van nature voorkomen. In principe is sprake van een onbeïnvloede bodemkwaliteit. De streefwaarden grondwater geven aan wat het ijkpunt is voor de milieukwaliteit op de lange termijn, uitgaande van verwaarloosbare risico’s voor het ecosysteem.

De interventiewaarden bodemsanering geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd. Ze zijn representatief voor het verontreinigingsniveau waarboven sprake is van een geval van ernstige (bodem) verontreiniging. Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging indien voor ten minste één stof de gemiddelde

gemeten

concentratie

van

minimaal

25

m

3

bodemvolume

in

het

geval

van

3

grondverontreiniging, of 100 m bodemvolume in het geval van een grondwaterverontreiniging, hoger is dan de interventiewaarde. In enkele specifieke situaties kan bij gehalten onder de interventiewaarden ook sprake zijn van een geval van ernstige verontreiniging. Dit geldt voor de zogenaamde gevoelige functies: -

moestuin/volkstuin,

-

plaatsen waar vluchtige verbindingen aanwezig zijn in het grondwater in combinatie met hoge grondwaterstanden en/of in de onverzadigde bodem onder bebouwing.

23200076

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.

Eindrapport verkennend bodemonderzoek Vrielingweg 1 te Hoedekenskerke

3

Als een geval van ernstige verontreiniging is vastgesteld dan is sprake van een potentieel risico dat aanleiding geeft tot een vorm van saneren of beheren. De achtergrond-, streef- en interventiewaarden worden in het vervolg, samenvattend, toetsingswaarden genoemd. De norm voor barium in grond is tijdelijk ingetrokken. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien er sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 920 mg/kg ds (interventiewaarde barium voor een standaardbodem). 1.3. Betrouwbaarheid Het hier gerapporteerde bodemonderzoek is uitgevoerd op zorgvuldige wijze, in overeenstemming met de geldende richtlijnen en de gebruikelijke inzichten en methoden. SMA Zeeland B.V. beschikt over een kwaliteitsmanagementsysteem (NEN-EN-ISO 9001: 2015) en veiligheidsmanagementsysteem (VGM Checklist Aannemers) waarbinnen de kwaliteit van de werkzaamheden dusdanig wordt beheerst en gewaarborgd dat haar diensten zo goed mogelijk aan de eisen en doelstellingen van de opdrachtgever voldoen. Het veldwerk is uitgevoerd door Sialtech BV, certificaatnummer VB-059/7.

Het milieukundige veldwerk ten behoeve van het grond- en grondwateronderzoek is uitgevoerd op basis van de richtlijnen van de BRL SIKB 2000 en conform de hierbij van toepassing zijnde protocollen. De uitvoerende partij beschikt hiertoe over het procescertificaat “Veldwerk voor milieuhygiënisch bodemonderzoek” op basis van de Beoordelingsrichtlijn SIKB 2000 voor de protocollen 2001, 2002, 2003, 2018. Dit procescertificaat is uitsluitend van toepassing op de activiteiten inzake het milieukundige veldwerk, beginnend bij de acceptatie van het veldwerk, en eindigend bij de overdracht van de veldwerkgegevens en monsters. Eventueel onderzoek aan asfaltverharding, halfverhardingen en funderingsmaterialen valt niet onder de scope van de BRL SIKB 2000. In het kader van de waarborging van de onafhankelijkheid verklaart Sialtech BV dat het veldwerk onafhankelijk van de opdrachtgever is uitgevoerd conform de in dit kader gestelde eisen van de BRL SIKB 2000 en de daarbij behorende protocollen. De laboratoriumanalyses van dit onderzoek zijn uitgevoerd door een daartoe door de Raad van Accreditatie geaccrediteerd laboratorium. Een bodemonderzoek is erop gericht met beperkte middelen vast te stellen of er bodemverontreiniging aanwezig is. Dit impliceert dat de conclusies van het bodemonderzoek slechts een beperkte reikwijdte hebben.

Door beperkt aantal boringen, proefgaten, proefsleuven en analyses, betekent dit concreet dat een mogelijk aanwezige verontreiniging over het hoofd gezien kan worden. Het bodemonderzoek

23200076

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.

Eindrapport verkennend bodemonderzoek Vrielingweg 1 te Hoedekenskerke

4

garandeert derhalve nooit dat de onderzochte locatie geheel schoon is of anderszins, dat met het bodemonderzoek alle eventueel aanwezige verontreinigingen worden gedetecteerd. Verder geldt dat de resultaten van het onderhavige onderzoek een momentopname vormen van de bodemkwaliteit. Na de uitvoering en rapportage van dit onderzoek zouden activiteiten kunnen plaatsvinden die de milieuhygiënische kwaliteit van grond en grondwater op de onderzoekslocatie kunnen beïnvloeden. Voorbeelden hiervan zijn het bouwrijp maken van de locatie of het aanvoeren van grond van elders. Een andere factor kan bijvoorbeeld zijn het transport van verontreinigende stoffen via het grondwater van buiten

de

onderzoekslocatie.

Gezien

deze

overwegingen,

dienen

de

hier

gerapporteerde

onderzoeksresultaten met meer voorzichtigheid gebruikt en geïnterpreteerd te worden naarmate de tijd toeneemt die verlopen is na de uitvoering van het onderzoek. Op basis van de uit dit bodemonderzoek verkregen gegevens kan geen uitspraak worden gedaan over de daadwerkelijke aan- of afwezigheid van asbest en/of het gehalte aan asbest in lagen waarop geen specifiek veld- en analytisch onderzoek is verricht. Dit betreft met name als “onverdacht voor verontreiniging met asbest” aangemerkte lagen. Hiervoor kan (aanvullend) onderzoek plaatsvinden conform de NEN 5707 (Bodem - Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond) en/of de NEN 5897 (Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat). Op basis van de uit dit bodemonderzoek verkregen gegevens kan in principe geen uitspraak gedaan worden over de toepassingsmogelijkheden van eventueel van de locatie af te voeren grond. Hiervoor dient onderzoek plaats te vinden conform het Besluit bodemkwaliteit. SMA Zeeland B.V. kan niet aansprakelijk gesteld worden voor eventuele schade of anderszins voor eventuele gevolgen die voortkomen uit het gebruik en de interpretatie van de in dit rapport gepresenteerde onderzoeksgegevens. Dit rapport mag niet anders dan in zijn geheel worden gereproduceerd, tenzij met uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van SMA Zeeland B.V.

23200076

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.

Eindrapport verkennend bodemonderzoek Vrielingweg 1 te Hoedekenskerke

5

2. Vooronderzoek In dit hoofdstuk wordt het voormalige, het huidige en het toekomstige bodemgebruik besproken. Dit zal leiden tot een hypothese over de mogelijke verontreinigingssituatie van de onderzoekslocatie. In NEN 5725:2017 zijn zeven mogelijke aanleidingen voor vooronderzoek naar landbodems geformuleerd. In onderhavig onderzoek is of zijn de volgende generieke aanleiding(en) van toepassing: A. Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek. 2.1. Algemene bodem- en locatiegegevens De algemene locatiegegevens en algemene gegevens met betrekking tot de bodem worden als volgt samengevat: De opdrachtgever is voornmens op de locatie te bouwen. Momenteel is het terrein in gebruik voor de stalling van sloopauto’s. Tevens zijn enkele sleufsilo’s met sloopmetaal aanwezig op het oostelijk deel van de onderzoekslocatie. Tabel 2.1. Overzicht algemene aspecten van de onderzoekslocatie Algemene onderzoeksaspecten

Bron(houder)

Locatiegegevens en ligging Adres en plaats

Vrielingweg 1 te Hoedekenskerke

Kadaster

Burgerlijke gemeente

Borsele

Kadaster

Kadastrale gemeente

Borsele

Kadaster

Sectie(s)

T

Kadaster

Nummer(s)

200

Kadaster

Oppervlakte (m2)

950

Opdrachtgever

Gemiddelde hoogte (m t.o.v. NAP)

0,3

AHN

Ligging op kaart

zie bijlagen 1 en 2

Kadaster, SMA Zeeland B.V.

Verhardingen

Beton

Opdrachtgever

Antropogene lagen

Niet bekend, mogelijk een ophooglaag

SMA Zeeland BV

1

Bodemopbouw

op een groot deel van het terrein. Dempingen

Ja, voormalige sloten

Provincie Zeeland (Geoloket of Bodem Informatie Systeem, BIS) Kadaster

Grondwaterbeheersplan

Niet gezoneerd

Waterschap Scheldestromen

Geohydrologie

zie § 2.4

DINOloket

Verwachting t.a.v. de bodemkwaliteit Zonering bodemkwaliteitskaart

A Buitengebied en woonwijken > 1960

(BKK)

23200076

Nota bodembeheer gemeente Borsele

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.

Eindrapport verkennend bodemonderzoek Vrielingweg 1 te Hoedekenskerke

6

Algemene onderzoeksaspecten

Bron(houder)

BKK klasse bovengrond

Achtergrondwaarde

Nota bodembeheer

BKK klasse ondergrond

Achtergrondwaarde

Nota bodembeheer

BKK functieklasse

Natuur/landbouw/overig

Nota bodembeheer

Boomgaardenkaart (periode)

Niet gezoneerd, wel boomgaard periode

’t Zeeuws bodemvenster (Provincie

1960 ten noorden van locatie

Zeeland)

Aandachtsgebied lood

Nee

’t Zeeuws bodemvenster

Asbestkansenkaart

Niet gezoneerd, wel grote kans op

Provincie Zeeland (BIS)

aanwezigheid asbest panden ten zuiden van de locatie. Voormalig stortplaats bekend

Nee

Provincie Zeeland (Geoloket of BIS)

Opslagtanks bekend

Ja, nl.

Gemeente (BIS)

1x ondergronds diesel 1 200 L, 2016 gesaneerd 2x ondergronds benzine 1 500 L, 2016 gesaneerd 1x bovengronds diesel 1 200 L, 2016 geïnstalleerd 2x bovengronds benzine 270 L , 2016 geïnstalleerd Geval van ernstige

Nee

Provincie Zeeland (Geoloket of BIS)

Wbb-beschikkingen bekend

Nee

Provincie Zeeland (Geoloket of BIS)

Bodemdocumenten bekend

Ja, zie hierna

Gemeente (BIS)

bodemverontreiniging bekend

Provincie Zeeland (Geoloket of BIS) Gebruik en beïnvloeding van de locatie Voormalig gebruik

Agrarisch tot jaren 60

Kadaster

Huidig gebruik

Stalling sloopauto’s en metaalschroot

Opdrachtgever SMA Zeeland B.V.

Toekomstig gebruik

Nieuwbouw loods

Opdrachtgever

Geplande werkzaamheden

Nieuwbouw loods, in stand houden

Opdrachtgever

verhardings- en funderingslagen Aard bebouwing

Loods direct ten zuiden locatie

Kadaster, BAG

Periode bebouwing

1990

Kadaster, BAG

Bedrijventerrein

Nee

Gemeente (BIS)

Calamiteiten bekend

Nee

Bodembedreigende activiteiten

Ja, nl. autoreparatiebedrijf, auto- en

Opdrachtgever

bekend (anders dan bovenstaand)

motorensloperij, oude

Gemeente (BIS)

metalengroothandel (schroot)

RUD Zeeland (BIS)

RUD Zeeland (BIS) Gemeente (BIS) RUD Zeeland (BIS)

23200076

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.

Eindrapport verkennend bodemonderzoek Vrielingweg 1 te Hoedekenskerke

7

Algemene onderzoeksaspecten Relevante vergunningen

Bron(houder) Ja, zie hierna

Gemeente (BIS)

beschikbaar

RUD Zeeland

Toepassing asbestverdachte

Onbekend

Gemeente (BIS)

materialen

RUD Zeeland (BIS)

Terreinverkenning Bijzonderheden

Geen

SMA Zeeland B.V.

2.2. Historische kaarten, luchtfoto’s en overig beeldmateriaal Uit historische kaarten (bronhouder: Kadaster) en luchtfoto’s (bronhouder: Provincie Zeeland (Geoloket)) kan worden opgemaakt dat de locatie tot omstreeks de jaren 60 gelegen was in agrarisch gebied. Tot in de jaren 50 doorsneed een sloot de locatie, deze is destijds gedempt en verlegd naar het huidige sloottracé direct ten noorden van de onderzoekslocatie. Het terrein is reeds sinds de jaren 70 gebruikt voor de stalling van sloopvoertuigen. Zie verder Bijlage 6. 2.3. Relevante bodemdocumenten en vergunningen Voor de huidige onderzoekslocatie zijn de onderstaande bodemrapporten beschikbaar. Oriënterend onderzoek ‘s-Gravenpoldersestraat te Hoedekenskerke, Tauw Infra Consult BV, kenmerk: 51154-59IRO-01, d.d. september 1986 Milieukundig bodemonderzoek Vrielingsweg 1 Hoedekenskerke, IDDS bv, kenmerk: 03094894/MB/rap1, d.d. 6 oktober 2003 Verkennend bodemonderzoek 's-Gravenpoldersestraat 38 te Hoedekenskerke, Grond,- Gewas- en Milieulaboratorium "Zeeuws-Vlaanderen”, kenmerk: 08A0699, 25 september 2008 Verkennend/nader bodemonderzoek ’s-Gravenpoldersestraat 38 Hoedekenskerke, Grond-, gewas- en milieulaboratorium Zeeuws-Vlaanderen BV, kenmerk: 13A0578, d.d. 31 mei 2013 Het onderzoek uit 2003 betrof een nulsituatie-bodemonderzoek ter hoogte van een autodrooglegsysteem (vloeistofdichte, uitpandige werkplaats van ca. 50 m

2

met enkele olietanks, brandstofafleverpunt,

leidingstelsel en olie-/benzineafscheider). Deze was voorzien direct ten zuiden van de huidige locatie, tegen de noordgevel van de loods maar blijkt uit luchtfoto’s tegen de zuidgevel van de loods te zijn geïnstalleerd. De zandige bovengrond bleek tot boven de vigerende streefwaarden verontreinigd met zink, PAK10, EOX en minerale olie. In het grondwater werd chroom aangetroffen. Er werden verder geen oliegerelateerde verontreinigingen aangetroffen. Het chromatogram van de bovengrondanalyse op minerale olie uit het rapport is anno 2020 niet meer leesbaar, maar verwacht wordt dat de gevonden minerale olie in werkelijkheid PAK10 betrof. Analyses op minerale olie middels GC-MS worden namelijk regelmatig verstoord door nevenverontreinigingen met PAK10. De verhoogde concentratie chroom wordt anno 2020 in eerste instantie toegeschreven aan regionaal verhoogde achtergrondconcentraties.

23200076

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.

Eindrapport verkennend bodemonderzoek Vrielingweg 1 te Hoedekenskerke

8

Het onderzoek uit 2013 is uitgevoerd aan de overzijde van de weg aan ’s-Gravenpoldersestraat 38. De resultaten daarvan zijn minder relevant voor de huidige locatie. Wel wordt verwezen naar een onderzoek uit 1986 dat volgens het BIS van de gemeente Borsele ook de huidige onderzoekslocatie omvatte en een in 2008 uitgevoerd verkennend bodemonderzoek. Het volgende was, verwijzend naar het in 2008 uitgevoerde vooronderzoek, opgenomen: Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de Provinciale Waterstaat in Zeeland. Ten tijde van de uitvoering van het in 2008 uitgevoerde historische onderzoek is van het onderzoek alleen een samenvatting, overzichtstekening met situering van de monsterpunten en een kadastrale situering beschikbaar gesteld door de opdrachtgever. Navraag bij provincie Zeeland heeft geen aanvullende informatie opgeleverd. -Rapport uit 1986 in 2020 deels teruggevonden bij de gemeente Borsele. Geen boringen verricht op de huidige locatie maar in de directe omgeving kleiige bovengrond met daaronder zandlagen-. Uit de verkregen informatie volgt dat: Het voorterrein (huidige 's Gravenpoldersestraat 38) is sinds half jaren 50 in gebruik bij het bedrijf. Een groot deel was in 1986 bebouwd. Daarnaast staan er tweedehands auto’s en enkele autowrakken. Er is een accu-opslag aanwezig. Verder is op een aantal plaatsen afval (schroot, lege vaten, accu's etc.) aangetroffen.

Tevens is oppervlakkig plaatselijk olie waargenomen alsmede een kleine brandplaats en een plek waar metaaldeeltjes oppervlakkig op de bodem aanwezig zijn. Analytisch is bij een drietal monsterpunten olie aangetroffen in de bodem. Het aangetoond gehalte ligt tussen de A- en de B-waarde uit het toetsingskader. Nabij het afval op het voorterrein (nabij de Vrielingweg) zijn in de bovengrond de gehalten van vijf van de zes onderzochte metalen groter dan de B-waarden. In het grondwater bij de accu-opslag is het totaal-gehalte aan aromaten groter dan de C-waarde. Het betreft hier met name benzeen en tolueen. Ten westen van de accu-opslag, nabij de dieseltank, komen in het grondwater gehalten aan nikkel en lood voor groter dan de B-waarden uit het toetsingskader. Opgemerkt wordt dat de situering van de diverse bovengrondse opslagtanks zoals weergegeven in de rapportage van het bodemonderzoek anders is dan opgenomen in de aanwezige vergunningen bij gemeente Borsele. Verder werden met betrekking tot de huidige onderzoekslocatie en zijn directe omgeving geen relevante bodemdocumenten aangetroffen. 2.4.

Regionale bodemopbouw en geohydrologie Op basis van in de nabijheid van de onderzoekslocatie gelegen boringen en daarvan afgeleid kaartmateriaal, afkomstig van onder andere TNO en de voormalige RGD (bronhouder: DINOloket), is het in onderstaande tabel vereenvoudigde bodemmodel geformuleerd door SMA Zeeland B.V. De werkelijke bodemopbouw en grondwaterstand ter plaatse van de onderzoekslocatie kan hiervan afwijken.

23200076

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.

Eindrapport verkennend bodemonderzoek Vrielingweg 1 te Hoedekenskerke

9

Figuur 2.1. Gemodelleerde bodemopbouw tot 5 m-mv. 2.5. Interpretatie verwachte milieuhygiënische bodemkwaliteit In NEN 5725:2017 zijn per generieke aanleiding zoals benoemd in het begin van dit hoofdstuk, diverse te beantwoorden onderzoeksvragen geformuleerd. Na het verkrijgen van de gegevens beschreven in voorgaande paragrafen dienen in onderhavig onderzoek nog de volgende vragen te worden beantwoord om een onderzoekshypothese te vormen: A. Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek. Wat is de afbakening van de onderzoekslocatie en is deze voldoende? 

De horizontale begrenzingen van de onderzoekslocatie zijn weergegeven in Bijlage 2. Het grondonderzoek beperkt zich tot een maximale diepte van 2,0 m-mv. Het grondwateronderzoek

23200076

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.

Eindrapport verkennend bodemonderzoek Vrielingweg 1 te Hoedekenskerke

10

beperkt zich tot een diepte van 1,5 m- de grondwaterstand die tijdens het veldwerk zal worden aangetroffen. Is er sprake van potentiële bronnen van bodemverontreiniging, zowel vanuit het verleden als het heden? Zo ja, wat zijn de potentiële bronnen van bodemverontreiniging, waar liggen ze en wat zijn verdachte parameters? 

Mogelijk is in het verleden in de (voormalige) boomgaarden gebruik gemaakt van organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB). Deze OCB zijn persistent en kunnen in de bovengrond binnen tientallen meters rondom de boomgaarden worden aangetroffen. Er vindt zelden verspreiding naar de ondergrond en zeer zelden naar het grondwater plaats.

Mogelijk is sprake van een demping van de voormalige sloot met verontreinigd materiaal mogelijk bovengrond van de aangrenzende terreinen- of was de voormalige waterbodem verontreinigd. De risicoparameters zijn niet nader te bepalen. Daarom wordt uitgegaan van de standaard stoffen voor milieuhygiënisch landbodemonderzoek in combinatie met OCB.

Vermoedelijk is in algemene zin sprake van diffuse, antropogene bodembelasting met heterogene verdeling op schaal van monstername als gevolg van het jarenlange gebruik van de locatie. De risicostoffen betreffen in ieder geval de parameters uit het standaardpakket voor landbodem en grondwater: o

Zware metalen, zoals koper, lood en zink, kunnen in verhoogde gehalten voorkomen in verstedelijkte gebieden als gevolg van met name historische, menselijke activiteiten. Ze komen in de bodem terecht door bijvoorbeeld verwering van dakpannen en dakgoten, kabels en leidingen, verkeersuitstoot en afval. Ook depositie van zware metalen op de bodem door industriële activiteiten is een mogelijke oorzaak van verhoogde concentraties. Zware metalen hechten zich met name aan slib- en kleideeltjes en zijn doorgaans immobiel. Voor verkennend bodemonderzoek zijn er 9 individueel in de grond en in het grondwater te onderzoeken zware metalen aangewezen.

o

PAK (polycyclische aromatische koolwaterstoffen) ontstaan met name bij onvolledige verbrandingsprocessen zoals die plaatsvinden in kachels en motoren. Daarnaast kunnen ze worden aangetroffen bij de vervaardiging en verwerking van rubber, kunststoffen, verf, lakken, minerale olie, teerproducten en vaste fossiele brandstoffen. Alle PAK zijn praktisch onoplosbaar in water, niet vluchtig en persistent (niet afbreekbaar). In agrarische gebieden werd bijvoorbeeld historisch veel gebruik gemaakt van teer op muren van landbouwschuren. Voor verkennend bodemonderzoek zijn er door het RIVM 10 individueel in de grond te onderzoeken PAK aangewezen (PAK10).

o

PCB (polychloorbifenylen) komen in het milieu voor als gevolg van industriële productie en het gebruik van PCB van ongeveer 1930 tot 1980. PCB werden gebruikt als hydraulische- of warmtegeleidingsvloeistoffen in bijvoorbeeld transformatorkasten, als smeermiddelen en als weekmakers in producten zoals verf en koolstofvrij kopieerpapier. Sinds 1985 is de verkoop en het toepassen van PCB in Nederland verboden. Voor verkennend bodemonderzoek zijn er door het RIVM 7 specifiek in de grond te onderzoeken PCB aangewezen (PCB7).

o

23200076

Minerale olie werd en wordt in een zeer grote diversiteit aan producten en processen

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.

Eindrapport verkennend bodemonderzoek Vrielingweg 1 te Hoedekenskerke

11

gebruikt. Minerale olie uit de oliefractie C 10-C40 is in de bodem meestal te relateren aan menselijke activiteiten met brandstoffen, smeermiddelen, verf en lak of bitumen. Veelvoorkomende risicoactiviteiten punten met betrekking tot olie zijn de opslag in (ondergrondse) tanks, uitstoot en lekkages door voertuigen en vermenging van grond met asfaltresten (bitumen). In verkennend bodemonderzoek wordt de oliefractie C 10-C40 in de grond en in het grondwater onderzocht. o

Vluchtige aromaten zijn evenals de lichtere oliefracties in de bodem meestal te relateren aan menselijke activiteiten met brandstoffen, oplosmiddelen,

verf en lakken.

Veelvoorkomende risicoactiviteiten met betrekking tot olie zijn de opslag in (ondergrondse) diesel- en benzinetanks, uitstoot en lekkages door voertuigen en lekkages of morsingen met oplosmiddelen en verven/lakken. Voor verkennend bodemonderzoek wordt standaard de aanwezigheid van 6 ervan (BTEXSN) in het grondwater onderzocht. o

Vluchtige organische chloorkoolwaterstoffen (VOCl) zijn verbindingen die hoofdzakelijk werden gebruikt als grondstof voor bijvoorbeeld PVC, als koelvloeistof en als oplos- of reinigingsmiddel. Als gevolg van een veelheid aan menselijke activiteiten zijn met name e

in de 20 eeuw op veel plaatsen VOCl in de bodem terechtgekomen. Het gedrag van deze stoffen in de bodem en ook de afbraakprocessen, zijn complex en niet altijd gemakkelijk te voorspellen. Voor verkennend bodemonderzoek wordt standaard een breed scala aan gehalogeneerde koolwaterstoffen in het grondwater onderzocht. 

Naast het grondwater kan ook de grond belast zijn geraakt met BTEXSN. Ook vluchtige olie, fractie C5-C10, te relateren aan lichte brandstoffen zoals benzine, kan in de grond voorkomen.

Vanwege het langdurige gebruik van de locatie voor de stalling van sloopvoertuigen dient aanvullend rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van de goed wateroplosbare loodvervangers MTBE en ETBE en met de oliefractie C5-C10 in het grondwater.

Is de bodem asbestverdacht? 

De bodem is niet asbestverdacht.

Eventuele puin(houdende) lagen zoals bijvoorbeeld regelmatig gebruikt in funderingen zijn wel asbestverdacht. Indien zoals door de opdrachtgever geen werkzaamheden in/onder de bestaande verhardingen worden verricht, is er vanuit arbeidshygiënisch oogpunt geen risico vanuit een eventuele verontreiniging met asbest aan te wijzen omdat deze reeds is geïsoleerd door een duurzame verharding (zie toetsingskader in § 1.3).

Wat is de bodemopbouw en is er binnen het onderzoeksgebied sprake van verschillende fysische kwaliteiten en/of bodemvreemde lagen? Zo ja, welke fysische kwaliteiten en/of bodemvreemde lagen zijn er en waar bevinden deze zich? 

De bodemopbouw kan op voorhand niet met zekerheid worden bepaald. In Zeeland worden zand en klei doorgaans in afwisselende mate en opbouw in de deklaag gevonden, waarbij vanaf 1,5 mmv soms ook veenlagen worden aangetroffen. Dit is sterk afhankelijk van de precieze onderzoekslocatie en historische, natuurlijke en antropogene processen welke de huidige Zeeuwse Delta hebben gecreëerd. Vermoedelijk is er wel een verschil in milieuhygiënische

23200076

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.

Eindrapport verkennend bodemonderzoek Vrielingweg 1 te Hoedekenskerke

12

kwaliteit tussen de boven- en ondergrond als gevolg van (vaak historische) antropogene activiteiten. Is er sprake van beïnvloeding vanuit de omgeving op de bodemkwaliteit of de kwaliteit van het grondwater? Zo ja, welke beïnvloeding en waar? 

Als gevolg van natuurlijke bodemprocessen worden arseen, barium, chroom en molybdeen in Zeeland regelmatig in van nature verhoogde concentraties aangetroffen in het freatische grondwater. In de grond zijn dan niet altijd verhoogde gehalten aantoonbaar en concentraties kunnen fluctueren. Voor barium en chroom geldt dat de natuurlijke achtergrondconcentraties in brak grondwater doorgaans wat hoger zijn dan in zoet grondwater (RIVM briefrapport 20170125).

Het is niet aannemelijk dat de bodemverontreinigingen aan de overzijde van de weg invloed hebben op de kwaliteit van het nu te onderzoeken terreindeel.

Is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem afdoende bekend of is bodemonderzoek noodzakelijk? Motiveer het antwoord. 

Veld- en analytisch onderzoek is noodzakelijk. De beschikbare gegevens geven te weinig concrete informatie over de huidige milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (bovengrond, ondergrond en grondwater) op de locatie.

Welke hypothese en strategie zijn van toepassing bij de uitvoering van bodemonderzoek (inclusief de indeling van de onderzoekslocatie in deellocaties met verschillende hypotheses over de aard en verdeling van de verontreinigende stoffen)? 

Zie § 2.6.

2.6. Hypothese en onderzoeksstrategie Op basis van het vooronderzoek zijn de volgende (gestandaardiseerde) onderzoekshypotheses geformuleerd waarbij in voorkomende gevallen onderscheid is gemaakt tussen separaat te onderzoeken deellocaties. Er wordt tevens onderscheid gemaakt tussen de verwachte bodemverontreinigingssituatie met betrekking tot chemische parameters en de verwachte verontreinigingssituatie met betrekking tot asbest. Tabel 2.2. Hypothese en bijbehorende strategie voor vervolgonderzoek naar chemische parameters Bodemcompartiment /

Hypothese (NEN 5725)

Analyseparameters

traject

Strategie (NEN 5740)

Gehele locatie Bovengrond

verdachte locatie, diffuse

standaard parameters voor

bodembelasting en heterogene

landbodem (pakket A)

VED-HE-NL

verdeling op schaal van monsterneming

23200076

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.

Eindrapport verkennend bodemonderzoek Vrielingweg 1 te Hoedekenskerke

13

Bodemcompartiment /

Hypothese (NEN 5725)

Analyseparameters

Strategie

traject

(NEN 5740)

Oorspronkelijke

verdachte locatie, diffuse

bovengrond

bodembelasting en heterogene

(vermoedelijk kleiig)

verdeling op schaal van

OCB

monsterneming Ondergrond rond

verdachte locatie, diffuse

grondwaterstand

bodembelasting en heterogene

minerale olie, BTEXSN, C5-C10

VED-HE-NL

verdeling op schaal van monsterneming Overige ondergrond

onverdachte, kleinschalige locatie

pakket A

ONV-NL

Grondwater

onverdachte, kleinschalige locatie

standaard parameters voor

ONV-NL

maar mogelijk met van nature

grondwater (pakket B), As, Cr,

verhoogde concentraties arseen,

C5-C10, MTBE en ETBE

barium, chroom en/of molybdeen. pakket A:

standaardpakket onderzoek landbodem: barium, cadmium, kobalt, koper, lood, nikkel, zink, kwik, molybdeen, PCB 7, PAK10 (VROM), minerale olie (GC), percentages lutum en organische stof;

Pakket B:

standaardpakket grondwater: barium, cadmium, kobalt, koper, lood, nikkel, zink, kwik, molybdeen, vluchtige aromaten (BTEXSN), vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (VOCl), minerale olie;

As, Cr:

arseen, chroom;

BTEXSN, C5-C10:

benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen, styreen, naftaleen, vluchtige oliefractie;

MTBE en ETBE:

loodvervangers.

Tabel 2.3. Hypothese en bijbehorende strategie voor vervolgonderzoek naar asbest Bodemcompartiment /

Hypothese (NEN 5725)

traject

Strategie* (NEN 5707 cq. 5897)

Gehele locatie Bovengrond

onverdachte, kleinschalige locatie

geen

Ondergrond

onverdachte, kleinschalige locatie

geen

Funderingslagen indien

verdachte ongebonden fundering, diffuse belasting en

VED-HE indien aanwezig

aanwezig

heterogene verdeling op schaal van monsterneming

*op basis van NEN 5707 is er in geval van een voor bodemverontreiniging met asbest onverdachte locatie geen verplichting tot vervolgonderzoek in de vorm van veld- en analytisch onderzoek, tenzij op basis van voortschrijdend inzicht de hypothese van een asbest-onverdachte locatie dient te worden gewijzigd. Ook een vervolgonderzoek naar asbest in niet-vormgegeven bouwstoffen volgens NEN 5897 in de vorm van veld- en analytisch onderzoek is niet van toepassing in geval van (op basis van NEN 5725) asbest-onverdachte, nietvormgegeven bouwstoffen.

Een beschrijving van de veldwerkzaamheden en de resultaten daarvan, volgt in hoofdstuk 3.

23200076

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.

Eindrapport verkennend bodemonderzoek Vrielingweg 1 te Hoedekenskerke

14

3. Veldwerk In dit hoofdstuk worden de uitvoering en de resultaten van het veldwerk besproken. Het veldwerk is op 29 april 2020 uitgevoerd door de erkende veldwerker de heer R.P. Kole (Sialtech BV) conform de in paragraaf 2.6 vermelde onderzoeksstrategie. Er zijn in totaal 7 boringen geplaatst, zoals hieronder weergegeven: Gehele locatie Boringen 01 t/m 07 

5 boringen tot ca. 0,5 m-mv;

1 boring tot ca. 2,0 m-mv;

1 boring tot in het freatische grondwater afgewerkt met peilbuis.

De boorlocaties zijn weergegeven in de situatietekening in Bijlage 2. De boringen zijn gelijkmatig over de locatie verdeeld geplaatst. Van het opgeboorde bodemmateriaal is per halve meter en/of per (zintuiglijk afwijkende) bodemlaag een monster genomen. Plaatselijk is van de zintuiglijk meest verdachte bodemlaag (rond de grondwaterstand of bovengrond) een steekbusmonster genomen. Dit voorkomt het verdampen van de vluchtige analyseparameters tijdens monstername. Voor gedetailleerde informatie met betrekking tot de bodemopbouw en de eventuele aanwezigheid van bodemvreemde bijmengingen wordt verwezen naar de veldwerkgegevens in Bijlage 3. De algemene bevindingen zijn: Uit veldwaarnemingen blijkt dat de bodem bestaat uit een zandpakket zonder bodemvreemde 1

bijmengingen van ca. 1 m dikte. Hieronder worden kleilagen aangetroffen en vanaf 2,75 m-mv een veenlaag. Boring 06 ter hoogte van de gedempte sloot is op 0,6 m-mv gestaakt op een ondoordringbare laag. Vanwege diverse obstakels (sloopauto’s) en omdat de verharding niet verwijderd zal worden voor de nieuwbouw, werden aanvullende grondboringen niet zinvol geacht. De grondwaterstand is tijdens het veldwerk bepaald op 1,3 m-mv. Het grondwater is bemonsterd op 6 mei 2020 door de hiertoe erkende veldwerker de heer R.P. Kole (Sialtech BV). In peilbuis 01 is een grondwaterstijghoogte gemeten van 0,6 m-mv. Tijdens de bemonstering van het grondwater zijn geen afwijkingen geconstateerd. De bepalingen van de grondwaterstijghoogte, zuurgraad (pH), de elektrische geleidbaarheid (EC) en de troebelheid van het grondwater (zie Bijlage 4B) geven geen aanleiding de analysestrategie te wijzigen.

23200076

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.

Eindrapport verkennend bodemonderzoek Vrielingweg 1 te Hoedekenskerke

15

4. Analytisch onderzoek In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de keuze van de geanalyseerde monsters en de parameters waarop deze zijn geanalyseerd. Vervolgens worden de analyseresultaten gepresenteerd evenals de eventuele overschrijdingen van de toetsingswaarden. De analyserapporten van het laboratorium zijn opgenomen in Bijlage 5. 4.1. Analysestrategie Hieronder is tabelgewijs weergegeven welke monsters ter analyse zijn ingezet. Ook is weergegeven op welke parameters is geanalyseerd. Tabel 4.1 Inzet grond(meng)monsters ter analyse (Meng)

Boring + traject Grond

Reden analyse

Analyse

monsters

(m-mv)

soort

01-6

01 (1,20 - 1,40)

Klei

steekbus rond grondwaterstand

minerale olie, BTEXSN, C5-C10

02-3

02 (0,13 - 0,33)

Zand

steekbus bovengrond

minerale olie, BTEXSN, C5-C10

07-5

07 (1,30 - 1,50)

Klei

steekbus rond grondwaterstand

minerale olie, BTEXSN, C5-C10

MM01

01 (0,12 - 0,50)

Zand

kwaliteitsbepaling bovengrond

pakket A, OCB

Zand

kwaliteitsbepaling bovengrond

pakket A, OCB

Zand

kwaliteitsbepaling ondergrond

pakket A

Klei

kwaliteitsbepaling ondergrond, mogelijk

pakket A, OCB

(parameters)

02 (0,13 - 0,60) 03 (0,15 - 0,65) MM02

04 (0,17 - 0,65) 05 (0,13 - 0,63) 06 (0,12 - 0,62) 07 (0,11 - 0,60)

MM03

01 (0,50 - 1,00) 07 (0,60 - 1,10)

MM04

01 (1,00 - 1,50) 02 (0,60 - 0,80)

oorspronkelijke bovengrond

07 (1,10 - 1,60)

Tabel 4.2 Inzet grondwatermonsters ter analyse (Meng)

Peilbuis

monsters 01-1-1

Filterdiepte

Reden analyse

(m -mv) 01

Analyse (parameters)

1,80 - 2,80

kwaliteitsbepaling grondwater

pakket B, As, Cr, C5-C10

4.2. Analyseresultaten De resultaten van de toetsing van de analyseresultaten aan het toetsingskader uit de Wet bodembescherming zijn weergegeven in de onderstaande tabel(len). Hierin wordt per stof of stofgroep een index tussen haakjes weergegeven. Wanneer in het monster geen gehalten groter dan de

23200076

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.

Eindrapport verkennend bodemonderzoek Vrielingweg 1 te Hoedekenskerke

16

toetsingswaarde zijn gevonden, wordt een streepje “-“ getoond. De index tussen haakjes geeft het volgende aan: 

index (-): gehalte groter dan de generieke achtergrond-/streefwaarde, maar index ≤ 0,01;

index ≤ 0,00: gehalte onder de generieke achtergrond-/streefwaarde;

index > 0,00 en ≤ 1,00: gehalte groter dan de generieke achtergrond-/streefwaarde, maar kleiner dan de interventiewaarde;

index > 1,00: gehalte groter de interventiewaarde.

De toetsingstabellen, waarin de getoetste analyseresultaten zijn opgenomen, zijn vermeld in Bijlage 4. Tabel 4.3 Toetsing analyseresultaten grond(meng)monsters aan Wet bodembescherming (Meng)

Boring + traject

> Achtergrondwaarde

> Interventiewaarde

monsters

(m-mv)

(0 < index <= 1,0)

(index > 1)

01-6

01 (1,20 - 1,40)

-

-

02-3

02 (0,13 - 0,33)

-

-

07-5

07 (1,30 - 1,50)

-

-

MM01

01 (0,12 - 0,50)

PCB (som 7) (0,01)

-

02 (0,13 - 0,60)

Minerale olie C10 - C40 (0,06)

03 (0,15 - 0,65) MM02

04 (0,17 - 0,65)

-

-

01 (0,50 - 1,00)

Koper (0,01)

-

07 (0,60 - 1,10)

PAK 10 VROM (0,08)

01 (1,00 - 1,50)

Heptachloorepoxide (-)

02 (0,60 - 0,80)

Chloordaan (cis + trans) (0,02)

07 (1,10 - 1,60)

Drins (Aldrin+Dieldrin+Endrin) (-)

05 (0,13 - 0,63) 06 (0,12 - 0,62) 07 (0,11 - 0,60) MM03

MM04

-

Tabel 4.4 Toetsing analyseresultaten grondwatermonsters aan Wet bodembescherming Monster

Peilbuis

01-1-1

01

Filterdiepte > Streefwaarde

> Interventiewaarde

(m -mv)

(0 < index <= 1,0)

(index > 1)

1,80 - 2,80

Nikkel (0,02)

-

Barium (0,42) Benzeen (0,02) Xylenen (som) (0,01) Naftaleen (-)

4.3. Interpretatie resultaten In de steekbusmonsters zijn geen verhoogde gehalten van olieproducten aangetroffen. De bovengrond blijkt licht verontreinigd met koper, minerale olie, PCB7 en PAK10. Mede vanwege PCB, sinds halverwege

23200076

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.

Eindrapport verkennend bodemonderzoek Vrielingweg 1 te Hoedekenskerke

17

de jaren 80 verboden, wordt aangenomen dat het hier historische verontreinigingen betreft die mogelijk al aanwezig waren in het zandpakket toen dit werd aangebracht. Omdat in de kleiige ondergrond achtergrondwaarde-overschrijdingen voor organochloorbestrijdingsmiddelen zijn aangetoond, wordt geconcludeerd dat deze klei de oorspronkelijke bovengrond betreft van vóór de vestiging van het autobedrijf. De aangetroffen licht verhoogde gehalten in de grond geven geen aanleiding voor aanvullend bodemonderzoek. In het grondwater zijn streefwaarde-overschrijdingen voor barium, nikkel en enkele vluchtige aromaten aangetroffen. De loodvervanger MTBE is analytisch aantoonbaar aanwezig. Voor barium en nikkel wordt uitgegaan van natuurlijk verhoogde achtergrondconcentraties. Naast arseen, barium, chroom en molybdeen komt soms ook nikkel in verhoogde concentraties voor in met name zandiger gebieden in de regio. Aanvullend grondwateronderzoek hiernaar is niet zinvol. De vluchtige aromaten en MTBE kunnen worden gerelateerd aan de plaatselijke bedrijfsactiviteiten. De overschrijdingen zijn echter gering en omdat er geen minerale en vluchtige olie zijn gevonden in het grondwater en geen vluchtige aromaten in de grond, zijn er geen aanknopingspunten voor zinvol aanvullend grondwateronderzoek.

De concentratie MTBE ligt met 11 µg/L onder de meldingsplichtige concentratie van 15 µg/L (Activiteitenbesluit).

23200076

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.

Eindrapport verkennend bodemonderzoek Vrielingweg 1 te Hoedekenskerke

18

5. Conclusies en Aanbevelingen In dit hoofdstuk wordt de verontreinigingssituatie beschreven op basis van de onderzoeksresultaten. Vervolgens wordt deze getoetst aan de hypothese. Tenslotte wordt de conclusie van het onderzoek weergegeven. 5.1. Conclusies De bodem onder de betonverharding bestaat uit een zandpakket van ca. 0,6 tot 1 meter dikte. Hierin zijn achtergrondwaarde-overschrijdingen (lichte verontreinigingen) met zware metalen, minerale olie, PAK10 en PCB7 aangetoond. De diepere grond betreft enkele kleilagen. De bovenste van deze kleilagen is licht verontreinigd met organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB). Vanaf 2,75 m-mv wordt veen aangetroffen. In het grondwater zijn natuurlijke streefwaarde-overschrijdingen voor barium en nikkel aanwezig. Daarnaast is het grondwater zeer licht verontreinigd met vluchtige aromaten en de loodvervanger MTBE. 5.2. Toetsing onderzoekshypotheses In het vooronderzoek zijn onderzoekshypotheses geformuleerd op basis waarvan de gebruikte veldwerken analysestrategieën zijn opgesteld. Hieronder is aangegeven in hoeverre deze hypotheses verworpen kunnen worden op basis van de overige onderzoeksresultaten. Eventuele gevolgen voor het vervolgtraject zijn hieronder in Aanbevelingen aangegeven. Voor het onderzoek naar chemische parameters is uitgegaan van de hypotheses: 

Bovengrond: verdacht voor bodemverontreiniging met diverse stoffen. Deze hypothese moet worden aangenomen.

Oorspronkelijke bovengrond (vermoedelijk kleiig): verdacht voor bodemverontreiniging met OCB. Deze hypothese moet worden aangenomen.

Ondergrond rond grondwaterstand: verdacht voor bodemverontreiniging met olieproducten. Deze hypothese kan worden verworpen.

Overige ondergrond: onverdacht voor bodemverontreiniging. De ondiepe kleilagen zijn licht verontreinigd met organochloorbestrijdingsmiddelen. Vermoedelijk is de nog diepere, niet geanalyseerde ondergrond wel schoon.

Grondwater: onverdacht voor bodemverontreiniging maar mogelijk met van nature verhoogde concentraties arseen, barium, chroom en/of molybdeen. De hypothese van een onverdachte locatie moet worden verworpen.

23200076

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.

Eindrapport verkennend bodemonderzoek Vrielingweg 1 te Hoedekenskerke

19

Voor het onderzoek naar asbest is uitgegaan van de hypothese(s): 

Bovengrond/ondergrond: onverdacht voor verontreiniging met asbest. Er is daarom geen gericht veld- of analytisch onderzoek naar asbest uitgevoerd. Deze hypothese kan op basis van de onderzoeksresultaten worden gehandhaafd.

5.3. Aanbevelingen De op de onderzoekslocatie geconstateerde verhoogde gehalten in de grond en het grondwater geven geen aanleiding tot het uitvoeren van aanvullend of nader bodemonderzoek. Op basis van de uit dit milieuhygiënisch onderzoek verkregen gegevens zal in geval van grondverzet c.q. herbestemmen van grond alsnog een onderzoek conform het Besluit bodemkwaliteit (partijkeuring grond) nodig zijn. Indien de kleilagen worden afgegraven dienen organochloorbestrijdingsmiddelen te worden meegenomen in de partijkeuring. Voor een keuring van het zandpakket zijn grondanalyses op OCB niet noodzakelijk.

23200076

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.

Eindrapport verkennend bodemonderzoek Vrielingweg 1 te Hoedekenskerke

20

Achtergronddocumenten Onderstaande documenten vormen de basis voor divers milieuhygiënisch onderzoek op, aan en in bodem en bouwstoffen in Nederland. Wet- en regelgeving 1.

Circulaire Bodemsanering 2013. Staatscourant nr. 16675, 27 juni 2013

2.

Ministeries van VROM en VW, Besluit Bodemkwaliteit, 22 november 2007

3.

Ministeries van VROM en VW, Regeling Bodemkwaliteit, Staatscourant nr. 247, 20 december 2007

4.

Ministeries van VROM en VW, Wijziging Regeling Bodemkwaliteit, Staatscourant nr. 122, 27 juni 2008

5.

Ministerie van VROM, Besluit asbestwegen milieubeheer, 8 september 2000

6.

Ministerie van VROM, Regeling nadere voorschriften asbestwegen milieubeheer, 25 augustus 2016

7.

Brief van de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Tweede Kamer 28 600 XI, 81, Den Haag, 17 december 2002

8.

Beleidsbrief asbest in bodem, grond en puin(granulaat), Tweede Kamer 28 663, 15, Den Haag, 3 maart 2004

9.

Provincie Zeeland, samen omgaan met (grond)water, Grondwaterbeheersplan 2002-2007, Middelburg, juni 2002

Normdocumenten 10. Nederlands

Normalisatie

Instituut,

NEN

5707:2015/C2:2017,

Bodem

–

Inspectie

en

monsterneming van asbest in bodem en partijen grond, ICS 13.080.01, Delft, augustus 2015 11. Nederlands Normalisatie Instituut, NEN 5717:2017, Bodem - Waterbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, ICS 13.080.05, Delft, december 2017 12. Nederlands Normalisatie Instituut, NEN 5720:2017, Bodem - Waterbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch onderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van waterbodem en baggerspecie, ICS 13.080.05, Delft, 1 december 2017

23200076

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9898306/1