CConstaterende datBorsele
Koppel je AI →
Document · PDF

15.1 Transitievisie Warmte Borsele

Besluitvormende raadsvergadering 13 januari 2022, gemeente BorseleBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van de Transitievisie Warmte 2021 (portefeuille wethouder Witkam)15.035 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Transitievisie Warmte Borsele Definitief concept

Colofon Datum versie: oktober 2021 ontwerp

De TVW is opgesteld door adviesbureau Over Morgen: Tomas Mathijsen, Demis Iossifidis en Ian Minnes

In opdracht van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Borsele

Met medewerking van de provinciale projectgroep die bestaat uit een afvaardiging namens alle Zeeuwse gemeenten, de gezamenlijke woningcorporaties, netbeheerder Enduris, provincie Zeeland en Zeeuwind (namens alle energiecoöperaties en de Participatiecoalitie). En een lokale werkgroep voor de gemeente Borsele van betrokken partijen die tijdens de totstandkoming van deze visie input hebben geleverd: gemeente Borsele, woningcorporatie Beveland Wonen en netbeheerder Enduris

2

Beste inwoner van de gemeente Borsele, wat betekent deze Transitievisie Warmte voor u en wat kunt u doen? In Zeeland maken we de overstap naar aardgasvrij. Vóór 2050 gaan we over op duurzame warmtebronnen om onze gebouwen te verwarmen en om te koken. De Transitievisie Warmte is een visie op de stapsgewijze overgang naar aardgasvrij en omschrijft de meest logische routes per wijk of dorp in onze gemeente om deze stappen te zetten. We laten zien wat die stappen inhouden en waar we mogelijk kunnen beginnen. De visie omschrijft ook hoe we dat de komende tijd willen gaan doen. Vandaag een visie betekent niet dat we morgen aardgasvrij zijn. De visie geeft niet nu al een eindoplossing die in beton is gegoten. Dat komt omdat we nog aan het begin van de transitie staan en er nog veel onzekerheden zijn. Gelukkig hebben we nog tijd tot 2050, om ervaring op te doen en in te spelen op financiële en technische ontwikkelingen. We houden rekening met deze ontwikkelingen en richten ons vooral op maatregelen waarmee we de komende jaren uw woning voorbereiden op de transitie, met spijtvrije maatregelen. In gebieden waar we al wel kansen naar aardgasvrij zien, gaat ook niet morgen de schop in de grond. We beginnen met verdere verkenning en planvorming.

Dat betekent: een onderzoek naar de technische en financiële haalbaarheid, een verkenning van de bereidheid in een buurt om mee te doen, maar ook welke ondersteuning vanuit de gemeente nodig is. Daarbij kijken we ook naar wat nodig is om gebouwen stapsgewijs geschikt te maken voor andere warmtebronnen zodat ze ook straks comfortabel verwarmd kunnen worden. Als u in één van deze gebieden woont, wordt u ruim van tevoren geïnformeerd en uitgenodigd om mee te denken. Om echt in wijken of dorpen te kunnen starten is het belangrijk dat er voldoende geld vanuit het Rijk is om de overgang naar aardgas betaalbaar te maken. Meeliften op een initiatief in wijk of dorp kan (financiële) voordelen hebben. Maar u bent vrij in uw keuze om daaraan deel te nemen of op termijn voor een eigen alternatief te kiezen. Een overgrote meerderheid van de wijken en dorpen in Borsele zullen voorlopig niet van het aardgas af gaan. Wel willen we iedereen die dat wil de

3

kans bieden om al stappen te zetten. We hebben namelijk de nadrukkelijke wens en uitdaging om snel werk te maken van de mogelijkheden om onze CO2-uitstoot terug te dringen. Te beginnen met gemiddeld 49% CO2-reductie in 2030. Dit realiseren we in eerste instantie door de vraag naar energie terug te dringen. We ontwikkelen daarom een aanpak om u te informeren en te helpen bij keuzes voor verduurzaming, waarbij isoleren een belangrijke eerste stap is. Door dat slim te doen, zet u een stap om de woning helemaal of grotendeels klaar te maken voor een aardgasvrije oplossing. Er zijn ook andere maatregelen die u nu al in uw woning kunt nemen om stappen te zetten naar aardgasvrij en eigen duurzame energie op te wekken. In bijlage E vindt u een uitgebreider handelingsperspectief. Energiek Zeeland www.energiekzeeland.nl en Duurzaam Bouwloket kunnen u hierbij helpen www.duurzaambouwloket.nl. Meer informatie en suggesties om zelf aan de slag te gaan vindt u op www.iedereendoetwat.nl en www.milieucentraal.nl. Informatie over aardgasvrij wonen en voorbeelden vindt u ook op www.hierverwarmt.nl.

Voorwoord Het is me een genoegen om deze Transitievisie Warmte (TVW) aan u te mogen presenteren. Met deze Transitievisie Warmte maken we een start om Borsele aardgasvrij te maken. Dat betekent niet dat we morgen al aardgasvrij zijn. We hebben uw input, maar ook die van ondernemers en maatschappelijke organisaties, hard nodig om te zorgen dat gebouwen in Borsele in 2050 niet meer met aardgas verwarmd worden. We hebben dus nog de tijd, maar we kunnen niet op onze lauweren rusten. ‘Stilstand is achteruitgang’, dus waar het kan moeten we nu aan de slag met de energietransitie. Belangrijk daarbij is dat het een haalbare, betaalbare en sociale warmtetransitie wordt waar iedereen aan mee kan doen. Kleine aanpassingen, zoals isolatie, ledverlichting en elektrisch koken zijn al een eerste aanzet naar een duurzamere Borsele. Ik hoop dat deze visie voor iedereen een inspiratiebron mag zijn naar een duurzamere samenleving en een aardgasvrij 2050.

Met vriendelijke groet, Wethouder Arno Witkam

4

Samenvatting In 2050 worden gebouwen in Nederland niet meer met aardgas verwarmd. Dat is nodig om onze CO2-uitstoot terug te dringen en klimaatverandering tegen te gaan. Ook willen we de afhankelijkheid van aardgas verminderen, zowel uit Groningen als uit het buitenland. Daarom gaan we1 in Borsele onze gebouwen en huizen op een duurzame manier verwarmen. Deze overstap naar duurzame, aardgasvrije verwarming noemen we de warmtetransitie. Volgens het Nederlands Klimaatakkoord moeten alle gemeenten uiterlijk in 2021 hun Transitievisie Warmte (TVW) vaststellen. Hierin zijn de alternatieven voor aardgas en het handelingsperspectief per wijk of buurt nader uitgewerkt. De TVW wordt iedere vijf jaar herijkt om de nieuwste inzichten op het gebied van innovatie en wet- en regelgeving mee te kunnen nemen.2

Uitgangspunten en kijk op de warmtetransitie Met input van inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties hebben we uitgangspunten en selectiecriteria opgesteld voor de warmtetransitie. Deze komen in hoofdstuk 2 aan bod.3 Op basis van deze uitgangspunten is de volgende kijk op de warmtetransitie geformuleerd: We werken samen aan een haalbare, betaalbare en sociale warmtetransitie. Hierin zetten we ons met Zeeuwse samenwerkingskracht gecombineerd met lokaal maatwerk en eigenaarschap in om de doelstelling van 49 procent CO2-besparing in 2030 te realiseren. We streven vooralsnog geen vastgesteld percentage volledig aardgasvrije gebouwen na. We zien besparing als essentiële stap en vertalen dit naar een strategie om gemeentebreed in te zetten op isolatie en andere maatregelen, op zo’n manier dat we tevens de gebouwen klaarmaken voor de overstap naar aardgasvrij. Daar waar de isolatiestap al gezet is,

1

In de TVW spreken we vanuit we/wij perspectief. Daarmee bedoelen we de gemeente die in samenwerking met betrokken partijen in een lokale werkgroep en in gesprek met de samenleving deze visie heeft opgesteld.

5

2

Onderdeel van deze visie is een begrippenlijst in bijlage C.

3

Zie bijlage B voor de volledige notitie met de uitgangspunten en selectiecriteria

informeren, motiveren en faciliteren we inwoners om de vervolgstap te zetten naar een hybride of volledig elektrische warmtepomp. We stimuleren daarnaast een verdere verkenning naar warmtenetten in onze gemeente

Het transitiepad naar aardgasvrije verwarming Voor de verschillende buurten en dorpen in onze gemeente hebben we een transitiepad uitgestippeld waarin staat welke stappen op welke manier gezet kunnen worden naar een toekomst zonder aardgas.4 Dit is op basis van de huidige stand van de kennis, beschikbare techniek en wetgeving. Een transitiepad zegt iets over hoe kansrijk een alternatief voor aardgas is voor een buurt, en hoe we dat alternatief in die buurt stap voor stap realiseren. Deze transitiepaden hebben we weergegeven in een transitiekaart (figuur 1). In elk transitiepad zijn enkele maatregelen nodig die gebouweigenaren die aan het begin van de warmtetransitie staan sowieso kunnen nemen. Het gaat dan om isoleren, ventileren, elektrisch koken en in sommige gevallen het aanpassen van de binneninstallatie. Met deze maatregelen besparen we energie, vergroten we het wooncomfort én bereiden we de woning voor op verwarmen zonder aardgas. Dit noemen we het ‘transitiegereed maken’ van het gebouw. We onderscheiden voor Borsele de volgende transitiepaden 

Hybride warmtepompen en lokale gasvrije opties

Borselse buurten, wijken en dorpen zijn divers, kennen relatief veel oudbouw, met veel woningen die gebouwd zijn tussen 1950 en 1980, en een lage bebouwingsdichtheid. Volledig gasvrije verwarming is dan vaak kostbaar en technisch ingewikkeld, zeker als het gaat om vooroorlogse gebouwen. Daarnaast bestaan deze buurten overwegend uit particuliere woningeigenaren, wat collectiviteit lastiger te organiseren maakt. Dit type

4

In de vergelijkende analyse die gebruikt is om richting te geven aan het transitiepad per buurt, gebruiken we voor de definitie van buurten de zogenaamde CBS-buurtgrenzen. Deze CBSbuurtgrenzen zijn nuttig omdat deze landelijk gebruikt worden, waardoor ook de vergelijkende analyses uitgevoerd kunnen worden. Deze buurtgrenzen hoeven niet altijd in lijn te zijn met wat door inwoners als logische grenzen gezien wordt, of wat logisch is om als grens te hanteren voor een mogelijke vervolgstap zoals een isolatie-actie. Deze CBS-grenzen zijn dan ook niet leidend geweest in het bepalen van acties voor het vervolg na deze TVW voor de verschillende wijken en dorpen in onze gemeente.

buurt zien we in het grootste deel van Borsele. In deze buurten kiezen we er daarom voor om op natuurlijke momenten, tussen nu en 2050, zoveel mogelijk gas te besparen met isolatie, hybride warmtepompen en lokale, gasvrije warmteopties als dat haalbaar en betaalbaar is. De resterende gasvraag vullen we op termijn in met duurzaam gas. 

Onderzoek lokaal/regionaal warmtenet

In 2020 hebben de gemeente en Zeeland Refinery een eerste haalbaarheidsonderzoek gedaan naar het gebruik van restwarmte van Zeeland Refinery. Rondom deze fabriek ligt een aantal dorpen die mogelijk verwarmd kunnen worden met restwarmte van deze fabriek en overige potentiële restwarmte bronnen. Dit gaat om de buurten Borsele, ‘sHeerenhoek, Nieuwdorp, Lewedorp en Heinkenszand. Het onderzoek laat zien dat een warmtenet technisch realiseerbaar is. Warmtenetten kunnen gefaseerd worden aangelegd met een gebiedsgerichte aanpak waarmee per fase clusters van gebouwen van het aardgas zullen afgaan om te worden aangesloten op een collectief warmtenet. Uit vervolgonderzoek zal blijken of een lokaal warmtenet technisch, energetisch en financieel gezien kan concurreren met andere warmteopties. En of er nog andere lokale warmteleveranciers zijn. 

Elektrische warmtepompen (all-electric)

Borsele kent geen volledige all-electric buurten, er zijn wel een aantal aandachtsgebieden binnen onder andere ‘s-Gravenpolder en Heinkenszand die kansrijk zijn om met all-electric oplossingen aan de slag te gaan. In een all-electricgebied ligt in de toekomst in principe alleen een elektriciteitsnet in de grond. Deze gebouwen maken gebruik van een warmtepomp voor verwarming. De keuze voor een warmtepomp zal door individuele gebouweigenaren gemaakt worden en afhankelijk zijn van natuurlijke momenten zoals vervanging van de Cv-ketel. Een aanpak om gelijktijdig als wijk of dorp de overstap te maken ligt daarom niet voor de hand. Nadruk zal gaan liggen op het gericht infomeren, motiveren en faciliteren van inwoners (een ‘doelgroepenaanpak’). 

Bedrijventerreinen

Bedrijventerreinen in Borsele volgen een eigen transitiepad met veel aandacht voor maatwerk. Dat komt omdat de warmtevraag van bedrijven sterk verschilt, al naar gelang de functie van het bedrijf. Sommige bedrijven hebben helemaal geen warmtevraag, zoals opslagloodsen, anderen hebben een grote koudevraag, zoals kantoren en

6

vrieshuiscomplexen, en weer anderen hebben hoge temperatuur nodig voor bedrijfsprocessen. We voorzien daarom meerdere oplossingen op een bedrijventerrein, zowel individueel als kleinschalig collectief. 

Recreatieterreinen

Recreatievastgoed volgt net als bedrijventerreinen een eigen transitiepad zodat ook hier ruimte is voor maatwerk. Dit vastgoed heeft als kenmerk dat het terrein meestal een collectieve elektriciteit- en gasaansluiting heeftinfrastructuur op het park zelf is op eigen terrein, en dus vaak in eigendom. Voordeel is dat elektriciteit voor deze plekken goedkoop is dankzij een lage energiebelasting, waardoor elektrificeren loont. Ook worden de huisjes vaak meer gebruikt in de lente en zomer – dus buiten het stookseizoen. Daarom is bijvoorbeeld infrarood een mooie en betaalbare oplossing, aangevuld met een (zonne)boiler voor warm tapwater. De huisjes hebben een natuurlijk overstapmoment als de woningen een renovatiebeurt krijgen. 

Nieuwbouw: altijd aardgasvrij en volgt de fasering van de gebiedsontwikkeling

Alle nieuwbouw in Borsele wordt, overeenkomstig landelijke wetgeving, aardgasvrij gerealiseerd. Voor de meeste nieuwbouwontwikkelingen zal gelden dat een warmtepomp de optimale warmteoptie is. Alleen voor grootschalige ontwikkelingen kan een collectieve warmteoptie, zoals een warmtenet of bronnet, worden onderzocht. Het moet dan gaan om aantallen vanaf ca. 50 woningen in dichtheden vanaf 30 woningen per hectare. 

Startkansen

Naast de transitiepaden die we voor de gemeente per buurt hebben bepaald, zien we ook een aantal concrete startkansen: Nadere uitwerking van de warmtenetkansen voor buurten Borsele, ‘sHeerenhoek, Nieuwdorp, Lewedorp en Heinkenszand. We zien mogelijkheden voor een gebiedsgerichte isolatieaanpak en voor een gebiedsgerichte all-electric aanpak in Kwadendamme. In hoofdstuk 5 wordt dit nader toegelicht.

Figuur 1: Transitiekaart van gemeente Borsele

7

Stappen richting de uitvoering Als vervolg op deze TVW werken we aan een aantal stappen om met de uitvoering aan de slag te gaan. We beginnen met de voorbereiding om de transitiepaden naar de praktijk om te zetten. Dat doen we met een doelgroepgerichte aanpak en met een gebiedsgerichte aanpak.

energiebesparing te kunnen uitvoeren, nog los van het opstellen en uitvoeren van (wijk)uitvoeringsplannen.6

Met de doelgroepgerichte aanpak willen we inwoners informeren, motiveren en stimuleren om hun woningen transitiegereed te maken en waar mogelijk al de overstap te maken naar een hybride warmtepomp of een volledig elektrische warmtepomp. We zien een rol voor de provinciale subtafel TVW5 om deze aanpakken, samen met vertegenwoordigers van andere Zeeuwse gemeenten, verder uit te denken en handen en voeten te geven met de beschikbare kennis en middelen. Communicatie, participatie en financiering zijn essentiële bouwstenen om hiermee aan de slag te kunnen. Op regionaal/provinciaal niveau zal voor participatie en communicatie een plan worden opgesteld met bruikbare kaders en handvatten om onze inwoners blijvend te informeren en betrekken. Een goed informatieloket moet bovendien zorgen dat de juiste informatie gebundeld en beschikbaar is, met handelingsperspectieven voor inwoners én de juiste verwijzing naar ondersteunende partijen en financieringsmogelijkheden om de drempel tot actie zo laag mogelijk te maken. Voor de startkansen gaan we aan de slag met een gebiedsgerichte aanpak als opstap naar een (wijk)uitvoeringsplan. Hier zien we een rol om samen met de belangrijkste stakeholders uit de projectgroep de samenwerking voort te zetten en deze kansen met elkaar verder te verkennen.

We maken hierbij dankbaar gebruik van de aanpak, kennis en middelen op regionaal niveau, maar maken de vertaalslag naar onze eigen lokale werkwijze. Als gemeente zien we in samenwerking met de projectgroep ook een rol in het naleven van de doelstelling voor 2030 en het monitoren van de voortgang om hierop tussentijds te kunnen bijsturen. Om van transitievisie naar uitvoering te komen, is extra capaciteit nodig om gemeentelijke taken op het gebied van warmtetransitie en

5

De subtafel TVW is een overleggroep op provinciaal niveau over de TVW waaraan 12 Zeeuwse gemeenten deelnemen.

8

6

Adviesrapport Van Parijs naar praktijk | Publicatie | Raad voor het Openbaar Bestuur

Inhoudsopgave

9

Voorwoord wethouder

4

Samenvatting

5

Inhoudsopgave

9

1

Inleiding

10

2

Uitgangspunten en kijk op de warmtetransitie

14

3

Duurzame alternatieven voor aardgas

17

4

Borselse transitiepaden naar aardgasvrij

21

5

Stappen richting uitvoering

27

1 Inleiding Borsele gaat stap voor stap van het aardgas af. Vóór 2050 gaan we over op duurzame warmtebronnen om ons huis en alle andere gebouwen te verwarmen en om te koken. Om te bepalen hoe we dat gaan doen, stellen we een Transitievisie Warmte (TVW) op. In een TVW geven we aan hoe we dorpen en wijken aardgasvrij gaan verwarmen en koken, en welke stappen we daartoe kunnen zetten. De TVW is een visie op hoofdlijnen met de kennis van nu. De TVW geeft richting, maar biedt tegelijkertijd ruimte om bij te sturen en te leren. Daarom actualiseren we de TVW minimaal iedere vijf jaar.

1.1 Landelijke context Net als alle andere landen moet Nederland een flinke inspanning leveren om de opwarming van de aarde te beperken tot maximaal 2°C, en met een streven naar niet meer dan 1,5°C. Daarover hebben we afspraken gemaakt in het Klimaatakkoord van Parijs. In 2019 ondertekenden overheden, organisaties en bedrijven in Nederland het Nationale Klimaatakkoord. Hierin staan concrete afspraken om de uitstoot van broeikasgassen in 2030 met 49% te verminderen ten opzichte van 1990. Het Nederlandse doel is om in 2050 een volledig aardgasvrije samenleving te hebben. Voor de gebouwde omgeving zijn dit bijna acht miljoen woningen en één miljoen utiliteitsgebouwen. Gemeenten hebben een regierol in deze transitie naar een aardgasvrije gebouwde omgeving. Het Klimaatakkoord vraagt gemeenten om te werken aan plannen op drie niveaus, waartussen afstemming plaatsvindt (figuur 2): 1. Op Regionaal niveau doen we dat in de vorm van de Regionale Energie Strategie (RES), waarin we duurzame energiebronnen in de regio in kaart brengen. Onderdeel van de RES is de Regionale Structuur Warmte (RSW), waarmee we de regionale beschikbare warmtebronnen, het verdeelvraagstuk van warmte binnen de regio, de benodigde infrastructuur en de ruimtelijke impact en kosten in beeld brengen. 2. Op gemeentelijk niveau doen we dat in de vorm van de TVW, die elke gemeente uiterlijk eind 2021 vaststelt.

De TVW beschrijft hoe

10

de gemeente samen met stakeholders de warmtevraag in de gebouwde omgeving op een aardgasvrije en duurzame manier kan invullen en in welk tempo dat zal verlopen. Het aardgasgebruik van industriële bedrijven valt buiten de scope van de TVW. 3. Op plekken waar we starten met een traject richting aardgasvrij stellen we een (wijk)uitvoeringsplan op wijk of dorpsniveau op. In het uitvoeringsplan kan worden bepaald hoe de uiteindelijke warmtevoorziening voor bijvoorbeeld een dorp of wijk eruit komt te zien. Daarbij worden de inwoners, overige gebouweigenaren en andere belanghebbenden nauw betrokken.

1.2 De warmtetransitie in Zeeland De Zeeuwse overheden hebben besloten om samen de schouders te zetten onder de energietransitie in de provincie. Eén van de belangrijke onderdelen hierin is de verduurzaming van de gebouwde omgeving. Dat komt tot uiting in onder andere het Zeeuws Energieakkoord en de gezamenlijke aanpak richting een TVW per Zeeuwse gemeente.

Landbouw en landgebruik

Klimaatakkoord Nederland

Elektriciteit

Regionale Energie Strategie (RES)

Gebouwde omgeving

Transitievisie Warmte (TVW)

Mobiliteit

Uitvoeringsplan (UP)

Industrie

Figuur 2 Planvorming op drie niveaus in de warmtetransitie

Zeeuws Energieakkoord (RES) De ambitie van de RES in Zeeland is samengebracht onder de vlag van het Zeeuws Energieakkoord. Hierin staan afspraken hoe in 2030 en 2050 respectievelijk 49% en 95% CO2-uitstoot gereduceerd gaat worden binnen de sectoren Gebouwde Omgeving, Mobiliteit en Elektriciteit. Deze uitwerking van het Klimaatakkoord op Zeeuws niveau wordt ook wel “Parijs op z’n Zeeuws” genoemd. In de RES 1.0 wordt onderstreept dat de Zeeuwse gebouwde omgeving divers en uniek is, en dat er drie belangrijke knoppen zijn om aan te draaien: vermindering van de energievraag, verduurzaming van het energieaanbod en toepassing van duurzame installaties en producten. Veel is nog onduidelijk als het gaat om de bruikbaarheid van Zeeuwse warmtebronnen. En of ze, als ze bruikbaar zijn, ook daadwerkelijk efficiënt voor warmtevoorziening in de Zeeuwse gebouwde omgeving ingezet kunnen worden. Daarom wordt in de RES 1.0 het belang benadrukt van vol inzetten op energiebesparing, vooral door isolatie van gebouwen. Regionale Structuur Warmte (RSW) Onderdeel van de RES is de Regionale Structuur Warmte (RSW). De RSW geeft inzicht in een mogelijke regionale verdeling van warmtebronnen en welke toekomstige warmteinfrastructuur daarvoor nodig is. De RSW stelt vier conclusies:

11

Reduceren van de warmtevraag, bijvoorbeeld door isolatie, is altijd van groot belang in heel Zeeland.

Warmtenetten voorkomen elektrificatie en onnodige verzwaring van het elektriciteitsnet. Warmtenetkansen moeten we daarom onderzoeken.

Restwarmte is op een paar plekken in Zeeland zeer kansrijk, maar kent grote ontwikkelrisico’s. Daarnaast zijn er in Zeeland diverse lokale bronnen mogelijk, zoals zonthermie.

Er is niet alleen regionale afstemming nodig voor warmte, ook voor elektriciteit en duurzaam gas.

1.2.1 Zeeuwse aanpak van de TVW Twaalf van de dertien gemeenten in Zeeland, te weten Borsele, Goes, Hulst, Kapelle, Middelburg, Reimerswaal, Schouwen-Duiveland, Sluis, Terneuzen, Tholen, Veere en Vlissingen hebben in een gezamenlijk traject gewerkt aan de TVW 2021. Gedurende dit traject heeft op provinciaal niveau afstemming plaatsgevonden over het proces, over de gezamenlijke uitgangspunten en over inzichten in aardgasvrije oplossingen.

Figuur 3: Proces TVW met een provinciale basis en lokale verdieping

Met de provinciale basis is elke gemeente aan de slag gegaan met een lokaal traject, waarin samengewerkt is om te komen tot een visie per gemeente. Ook het gesprek met de samenleving is lokaal gevoerd. Provinciale afstemming bleef parallel aan het lokale traject plaatsvinden.

1.3 De warmtetransitie in Borsele In Borsele zijn we al langere tijd bezig met beleid en uitvoering rondom verduurzaming van onze gemeente. Hier lichten we kort de lokale context en lopende activiteiten toe, waar deze TVW bij aan zal gaan sluiten: 

We hebben op dit moment circa 11.900 woningen in onze gemeente, waarvan het overgrote deel nog aangesloten is op het aardgas.

Zeeland wordt gekenmerkt door veel landelijk gebied, zo ook Borsele. De bebouwing in onze gemeente is relatief oud en ook verspreid. Meer dan de helft van de woningen is gebouwd voor 1970, en zo’n 70% is in eigen woningbezit

RHEDCOOP: we werken al met enkele dorpen aan plannen voor energieneutrale dorpen in 2045

Restwarmteonderzoek Borsele. Een aantal Borselse kernen is gunstig gelegen ten opzichte van Zeeland Refinery, waarmee er zich een kans voordoet om een warmtenet te realiseren, naar de

gebouwde omgeving, waarbij restwarmte wordt uitgekoppeld. Deze kans is reeds onderzocht door bureau Greenvis, wat heeft geleid tot een haalbaarheidsstudie met businesscase. Dit wordt op dit moment verder uitgewerkt

1.4 Wie hebben meegedacht? 1.4.1 Regionale en lokale stakeholders Figuur 3 laat het proces zien hoe de TVW van Borsele tot stand is gekomen. In zowel het provinciaal als lokale traject hebben verschillende stakeholders meegewerkt. Deze regionale en lokale stakeholders worden hieronder kort geïntroduceerd. TVW op provinciaal niveau Onderdeel van het Zeeuws Energieakkoord is de provinciale projectgroep TVW Zeeland. Deze bevat een afvaardiging namens alle Zeeuwse gemeenten, de gezamenlijke woningcorporaties, netbeheerder Enduris, provincie Zeeland en Zeeuwind (namens alle energiecoöperaties en de Participatiecoalitie). De werkzaamheden van de provinciale projectgroep vinden plaats in afstemming met het Zeeuws Energieakkoord, RES Zeeland en Waterschap Scheldestromen. Deze partijen hebben deelgenomen aan gezamenlijke werksessies, waar onder andere de gezamenlijke uitgangspunten provinciaal zijn opgesteld en inzichten zijn opgehaald over aardgasvrije oplossingen. Als onderdeel van de provinciale projectgroep heeft de subtafel TVW met alle ambtelijk projectleiders van de 12 gemeenten tussentijds meegedacht met de visievorming.

TVW op lokaal niveau Een lokale projectgroep van betrokken partijen heeft gewerkt aan de verschillende onderdelen van deze TVW, zoals de validatie van de transitiekaart en prioritering, het bepalen van een uitvoeringsstrategie en het bestuurlijke besluitvormingsproces. In deze projectgroep nam de gemeente deel waarbij verschillende beleidsvelden waren vertegenwoordigd, samen met woningcorporatie Beveland Wonen, netbeheerder Enduris en de provincie. 1.4.2 Inwoners en bedrijven Om deze TVW tot stand te brengen, hebben we inwoners, bedrijven, gemeenteraden en andere stakeholders op verschillende manieren en

12

momenten in het proces betrokken. 977 inwoners en bedrijven in Zeeland hebben via een enquête laten weten wat ze belangrijk vinden in de overstap naar aardgasvrij (zie bijlage A). 75 raadsleden hebben de enquête ingevuld. Uit Borsele hebben 70 inwoners deelgenomen aan de enquête. Deze inbreng is verwerkt in de uitgangspunten en in het hoofdstuk Uitvoeringsstrategie. Aanvullend volgt er nog een raadpleging van het inwonerpanel in Borsele. Voor Borsele heeft daarnaast een lokale inwonersavond plaatsgevonden, namelijk op 1 juni 2021. Inwoners zijn toen geïnformeerd over de tussentijdse resultaten van de TVW, hebben ruimte gekregen om vragen te stellen en we zijn tijdens deze avond met inwoners in gesprek gegaan over vervolgstappen die nodig zijn richting uitvoering. Gezien het grote belang van isoleren als tussenstap naar uiteindelijke aardgasvrije oplossingen, hebben we inwoners vooral bevraagd op de belemmeringen waar zij nu tegenaan lopen bij het aan de slag gaan met isoleren en wat er nodig is om inwoners hierbij verder te helpen. Deze input is gebruikt om het hoofdstuk Uitvoeringsstrategie te verrijken. Houd dit in gedachten bij het lezen van de TVW De route naar aardgasvrij is niet in beton gegoten Dit is een eerste TVW van de Borsele.

Het beeld van de transitie naar een aardgasvrij Borsele geeft een duidelijke richting weer, maar moet de komende jaren steeds herijkt worden. Wel is zeker dat dat steeds meer individuele eigenaren de stap naar aardgasvrij zullen gaan zetten en dat het verder beperken van de warmtevraag in heel Borsele essentieel is. We blijven continu leren en passen ons aan Flexibel blijven in de uitvoering, continu leren, en ruimte bieden aan innovatie is belangrijk voor een haalbare en betaalbare transitie. Ook vinden we het belangrijk om initiatieven van onderop die passen binnen de uitgangspunten van deze TVW te stimuleren. Ook nieuwe wetgeving kan van invloed zijn op de uitvoering. In de nieuwe kabinetsperiode verwachten we bijvoorbeeld de Omgevingswet en de Wet collectieve warmtevoorziening.

1.5 Leeswijzer Deze inleiding wordt gevormd door hoofdstuk 1. In hoofdstuk 2 gaan we in op de uitgangspunten en onze kijk op de warmtetransitie in Zeeland. In hoofdstuk 3 gaan we in op de techniek: welke duurzame alternatieven voor aardgas zien we en hoe komen we tot een voorkeur voor een warmteoptie per buurt. In hoofdstuk 4 leggen we uit welke transitiepaden naar aardgasvrij we voorzien voor Borsele en hoe we zijn gekomen tot de transitiekaart. In hoofdstuk 5 gaan we ten slotte in op de eerste stappen richting uitvoering die nodig zijn om na deze visie aan de slag te gaan met de warmtetransitie.

13

We geven gehoor aan ideeën en bieden ruimte aan eigen initiatieven. We streven naar een zo hoog mogelijk wooncomfort als belangrijke randvoorwaarde voor draagvlak en deelname aan de warmtetransitie.

2 Uitgangspunten en kijk op de warmtetransitie We hebben Zeeuws breed nagedacht over de uitgangspunten voor de warmtetransitie. Deze hebben we omgezet ten behoeve van de transitie naar een aardgasvrij Borsele. De inbreng van stakeholders en resultaten uit de eerste participatieronde zijn hierin meegenomen. De uitgangspunten zijn leidend om de warmtetransitie in de gemeente Borsele tot een succes te maken en bieden richting aan het bepalen van de voorkeursoptie(s) per wijk of dorp. De uitgangspunten zijn in dit hoofdstuk samengevat en in uitgebreidere vorm terug te lezen in de notitie van uitgangspunten en selectiecriteria als onderdeel van bijlage B. Dit hoofdstuk zal naast de uitgangspunten ook onze kijk op de warmtetransitie toelichten.

2.1 Uitgangspunten

Partijen zijn tevreden over de manier en mate van samenwerken: een robuust samenwerkingsverband als fundament voor de transitie geeft de visie draagkracht en is essentieel om er uiteindelijk voor zorgen dat uitgesproken ambities realiteit worden.

We maken optimaal gebruik van de kracht van Zeeuwse samenwerking, maar zetten in op lokaal maatwerk en eigenaarschap. De warmtetransitie vraagt om maatwerk op lokaal niveau, want geen gemeente is hetzelfde. Dit lokale vraagstuk biedt ruimte voor lokaal eigenaarschap en oplossingen door en voor de inwoners van een gemeente.

We zetten beweging in gang: quick-wins voor draagvlak en motivatie. Om ervoor te zorgen dat we in beweging komen, hebben we aandacht voor quick-wins. Deze snelle resultaten geven ons energie en motivatie en vergroten het draagvlak.

We streven naar een zo laag mogelijke maatschappelijke impact en zo hoog mogelijke maatschappelijke meerwaarde: dat de warmtetransitie impact gaat hebben op onze omgeving is een feit maar wát de maatschappelijke impact zal zijn, hebben we zelf in de hand. We sturen op een zo laag mogelijke maatschappelijke impact en zo hoog mogelijk maatschappelijke meerwaarde.

Deze paragraaf beschrijft op beknopte wijze de uitgangspunten: 

Iedereen kan meedoen: we streven naar haalbare en betaalbare oplossingen voor alle inwoners. Daar kunnen we provinciaal en lokaal aan bijdragen door uit te gaan van de laagste maatschappelijke kosten.7

We gaan voor een eerlijke en sociale transitie: we gaan zorgvuldig en stapsgewijs te werk, we houden rekening met individuele situaties of knelgevallen en zoeken naar de beste oplossing voor iedere situatie. De warmtetransitie mag geen energiearmoede veroorzaken of versterken en waar mogelijk moet de transitie deze zelfs verminderen.

7

Inwoners willen meedoen: voldoende draagvlak is cruciaal aangezien de warmtetransitie tot achter de voordeur zal komen.

De term laagst maatschappelijke kosten komt uit het Nederlandse Klimaatakkoord. Daarin is afgesproken dat de TVW uitgaat van de laagste maatschappelijke kosten van de hele warmteketen: dat gaat over de kosten van de energiebron, de infrastructuur, en kosten voor de aanpassingen die in het gebouw zelf. Door als gemeente in deze visie de laagste maatschappelijke kosten als uitgangspunt te nemen brengen we gezamenlijke betaalbaarheid dichterbij. Maar daarmee geeft de

14

2.2 Kijk op de warmtetransitie Op basis van de uitgangspunten is er een kijk op de warmtetransitie geformuleerd8. Met deze kijk op de transitie bepalen we de richting van de

visie geen inzicht in, en doet die geen uitspraak over de betaalbaarheid voor individuele stakeholders. Deze en andere termen worden in de begrippenlijst in bijlage C ook toegelicht. 8

De begrippen warmtetransitie en Transitievisie Warmte lijken op het eerste gezicht veel op elkaar, maar zijn twee verschillende begrippen met allebei een andere scope. De warmtetransitie bestrijkt de gehele periode tot 2050 om over te stappen op duurzame alternatieven voor aardgas. De

overstap naar aardgasvrij. Ook is de kijk op de transitie leidend voor de keuzes en aanpak in de TVW. Samen werken aan een haalbare, betaalbare en sociale transitie Samen werken we aan een haalbare, betaalbare en sociale transitie naar een aardgasvrije gebouwde omgeving. We sluiten aan bij de Zeeuwse samenwerkingskracht en bredere energie- en CO2-doelstellingen, maar met lokaal maatwerk en eigenaarschap. Gericht op laaghangend fruit en kansen voor de korte termijn, die naast het bijdragen aan CO2-besparing, ook moeten zorgen voor draagvlak en motivatie om de vervolgstappen met elkaar te gaan zetten.9 Doelstelling van 49 procent CO2-reductie in 2030 Wij streven naar 49 procent CO2-besparing in 2030, zoals ook opgenomen in de RES. We stellen de TVW minimaal iedere vijf jaar bij. Hierdoor kunnen we meebewegen met nieuwe technische, financiële en beleidsmatige ontwikkelingen. We streven vooralsnog geen vastgesteld percentage volledig aardgasvrije gebouwen na. We richten ons op een percentage CO2-reductie. We streven daarbij het volgende tempo na: • • • • • •

1990-2019: 22% CO2-reductie gerealiseerd 2023: 5% extra CO2-reductie t.o.v. 1990 2025: 10% extra CO2-reductie t.o.v. 1990 2027: 16% extra CO2-reductie t.o.v. 1990 2029: 23% extra CO2-reductie t.o.v. 1990 2030: 27% extra CO2-reductie t.o.v. 1990

In bijlage G wordt de route naar CO2 besparing nader toegelicht. Focus op besparen en individuele oplossingen Dat doen we omdat we een spanningsveld zien tussen de versnelling die nodig is om deze doelstelling te behalen, en de tijd die nodig is om voldoende draagvlak en middelen te creëren. Enerzijds staan we ervoor open om te starten met planvorming in gebieden waar aardgasvrij

Transitievisie Warmte is een concrete opdracht vanuit het Klimaatakkoord aan gemeenten om de warmtetransitie aan te zwengelen, de alternatieven voor aardgas inzichtelijk te maken en handelingsperspectief voor de korte termijn te bieden. De TVW kent een scope van vijf jaar – wanneer de herijking van de visie plaatsvindt.

15

haalbaar, betaalbaar en sociaal kan. Een collectieve oplossing zoals een warmtenet voor een dorp of wijk kan immers zorgen voor een duidelijke afbakening in de tijd en betere sturing op aardgasvrij. Anderzijds zien we dat de kansen voor dergelijke collectieve oplossingen vooralsnog niet aanwezig zijn in Borsele en dat het tijd kost om mensen eerst in het verhaal van de warmtetransitie mee te nemen. De focus ligt daarom voor de komende tijd primair op CO2-besparing. Dat begint bij bewustwording en zuinig omgaan met energie. Grote stappen kunnen gezet worden met isoleren van gebouwen. Maar ook het laaghangend fruit zoals tochtstrippen en radiatorfolie kunnen helpen. Hier gaan we dan ook volop met elkaar op inzetten. Vervolgens zien we vooral de overstap naar een (hybride) warmtepomp als logische vervolgstap voor een groot deel van de gemeente. De keuzes daarvoor moeten gemaakt worden door individuele eigenaren en zal vooral plaatsvinden op natuurlijke momenten, bijvoorbeeld bij renovaties of als de Cv-ketel aan vervanging toe is. Versnelling door te informeren, motiveren en faciliteren We blijven net als nu stevig inzetten op bewustwording en het informeren, motiveren en faciliteren van inwoners, bedrijven en andere betrokkenen.

Wij zien een spanningsveld tussen de versnelling die nodig is om deze doelstelling te behalen en de tijd die nodig is om voldoende draagvlak en middelen te creëren. Bovendien zien we in Borsele slechts beperkte kansen voor grootschaliger collectieve oplossingen in onze buurten, wijken en dorpen op korte termijn. Dit komt voornamelijk door het landelijke karakter van onze gemeente. We zien vooral individuele alternatieven voor aardgas als kansrijk. Zoals een hybride of volledig elektrische warmtepomp. De keuze daarvoor moet gemaakt worden door individuele eigenaren en zal vooral plaatsvinden op natuurlijke momenten, bijvoorbeeld als de Cv-ketel aan vervanging toe is. Dat betekent een meer geleidelijke transitie met tussenstappen zoals isolatie en hybridewarmtepompen.

9

Deze visie is gebaseerd op de uitgangspunten zoals geformuleerd in de betreffende notitie, te vinden in bijlage B

Maar dat betekent nadrukkelijk niet dat we achterover gaan leunen, de focus ligt alleen anders, namelijk op CO2-besparing. We zetten onze Zeeuwse samenwerkingskracht in met lokaal maatwerk en eigenaarschap om inwoners zo goed mogelijk te informeren, motiveren en faciliteren om deze stappen te gaan zetten.

16

3 Duurzame alternatieven voor aardgas Er zijn verschillende alternatieven voor het verwarmen met aardgas. Welk alternatief waar past is afhankelijk van de gebouwde omgeving en de beschikbaarheid van schone energiebronnen. In dit hoofdstuk beschrijven we welke technieken voor onze gemeente beschikbaar en logisch toepasbaar zijn.

3.1 Alle gebouwen klaar voor aardgasvrije verwarming In het kort Tussen nu en 2050 maken gebouweigenaren hun gebouwen klaar voor duurzame verwarming door optimaal te isoleren binnen de bestaande schil, door te ventileren en door elektrisch te koken. Dit noemen we het ‘transitiegereed maken’ van het gebouw. Daarmee beperken we de vraag naar duurzame energie en zijn we voorbereid op meerdere warmteopties. De stap naar schone verwarming kunnen we soms maken voordat we klaar zijn met isoleren. Maar ook dan is het belangrijk om daarna nog verder te isoleren. De eerste stap naar schone verwarming is zuinig omgaan met energie. Door zuiniger om te gaan met energie hebben we minder (schone) bronnen nodig en maken we onze gebouwen geschikt voor duurzame technieken. We gaan zuinig om met energie door te isoleren, kieren te dichten, te ventileren, over te stappen naar elektrisch koken en door bewuster om te gaan met energie, door bijvoorbeeld een ruimte niet warm te maken als dat niet hoeft.

Als we optimaal isoleren binnen de bestaande schil kunnen vooroorlogse woningen verwarmd worden met een duurzame warmteoptie die een temperatuur heeft van hoogstens 70°C, dat noemen we middentemperatuur. Naoorlogse woningen zijn dan geschikt om te worden verwarmd met een duurzame warmteoptie op zowel midden- als laagtemperatuur van hoogstens 50°C. Voor laagtemperatuur moeten dan ook nog de radiatoren geschikt worden gemaakt. Gebouweigenaren kunnen er altijd voor kiezen om méér te isoleren dan de bestaande schil. Het aanpassen van onze woningen en gebouwen kost veel tijd. Daarom is het belangrijk om deze maatregelen stapsgewijs te nemen en zoveel mogelijk aan te sluiten bij natuurlijke vervangingsmomenten. De overstap naar duurzame warmteopties is niet altijd afhankelijk van het aanpassen van onze gebouwen: als het kan11 starten we eerder met overstappen op schone energie en gaan we ook daarna nog door met gebouwaanpassingen. Tot slot is de overstap naar schone verwarming niet alleen een kwestie van techniek. Comfortbehoefte en gebruik veranderen ook. Energiezuinige gebouwen op schone energie vragen om een ander gebruik van verwarmingsapparaten en installaties.

3.2 Duurzame warmte, elektriciteit en gas

Een gebouw of woning is klaar voor meerdere duurzame warmteopties als we binnen de bestaande schil optimaal isoleren en kieren dichten. De schil bestaat meestal uit een dak, gevel, ramen en vloer. Bij isolatiemaatregelen is het altijd de vraag hoever we moeten gaan om, zoals we dat noemen,

Duurzame warmte, duurzame elektriciteit, en duurzaam gas zijn alternatieve bronnen voor aardgas. Hier beschrijven we in hoeverre deze bronnen beschikbaar zijn voor Borsele.

10

11

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (2021), Standaard en Streefwaarden: uitkomst traject begeleidingscommissie.

17

‘transitiegereed’ te zijn. Met andere woorden om klaar te zijn om de overstap te maken naar een aardgasvrij verwarmingsalternatief. We nemen in de TVW als uitgangspunt dat aan het einde van de transitie zoveel mogelijk gebouwen minimaal dit niveau hebben bereikt. Met deze benadering sluiten we aan bij de landelijke standaard en streefwaarden, zoals genoemd in het Klimaatakkoord10. Naast de schil moeten we soms ook de binneninstallatie aanpakken. Die bestaat uit elektrisch koken, ventilatie en radiatoren of vloerverwarming.

Lees: als een bron voldoende hoge temperatuur heeft om een woning met beperkte maatregelen binnen de schil toch comfortabel te verwarmen. Bij slecht geïsoleerde woningen is dan vaak hogetemperatuurverwarming nodig van boven de 70 graden.

3.2.1 Duurzame warmte In het kort Duurzame warmte is afkomstig van duurzame warmtebronnen en wordt met warmtenetten naar gebouwen gebracht. In Borsele zijn meerdere potentiële warmtebronnen, zoals zonthermie en restwarmte. Het gebruiken van lokale, duurzame warmtebronnen is efficiënt en zorgt dat we minder afhankelijk zijn van elektriciteit en gas. Daar tegenover staat dat warmtenetten nog niet overal liggen en een minimale schaal en dichtheid nodig hebben om succesvol te kunnen worden ontwikkeld. Duurzame warmte is warm water dat wordt opgewarmd door een duurzame warmtebron. Het warme water wordt met geïsoleerde leidingen naar woningen en gebouwen gebracht, een zogenaamd warmtenet. In de woning is alleen een afleverset aanwezig. Dat zorgt voor de warmteoverdracht van het warmtenet naar de woning. Een warmtenet is een collectieve oplossing: een techniek voor de hele buurt waarbij meerdere gebouwen en woningen moeten meedoen. Warmtenetten hebben een bron nodig. In Borsele kunnen we beschikken over verschillende potentiële warmtebronnen, zoals zonthermie en restwarmte. Het potentieel van deze bronnen wordt nader onderzocht, de richting van het onderzoek hangt samen met de kansen voor een warmtenet voor gemeente Borsele. Deze wordt verder toegelicht in hoofdstuk 4, paragraaf 4.2.

Sommige warmtebronnen hebben een lage temperatuur waardoor zij een grote warmtepomp bij de bron nodig hebben om een voldoende hoge temperatuur te maken. Alleen op de koudste dagen van het jaar maakt een warmtenet vaak nog gebruik van zogenaamde piekvoorzieningen die op gas werken. Nu is dat aardgas, maar dat kunnen we in de toekomst verduurzamen met duurzaam gas en warmte-opslag. Er zijn nog maar enkele warmtenetten in Zeeland. In Borsele kennen we enkel een warmtenet tussen een aantal bedrijven (Sloewarmte) dat vooralsnog niet bruikbaar is voor de gebouwde omgeving. Warmtenetten zijn kostbaar om aan te leggen. Daarom moeten bij de aanleg van een warmtenet meerdere gebouwen in een buurt ongeveer tegelijkertijd aansluiten. Hierdoor is het voor warmtenetten gunstig als er veel gebouwen in een buurt staan, de kosten per gebouw nemen dan af. In

18

buurten waar weinig gebouwen staan is een warmtenet vaak niet haalbaar. Een ander kenmerk van warmtenetten is de ruimte die zij innemen in de ondergrond. Bij het aanleggen van warmtenetten is het daarom belangrijk goed te kijken naar de beschikbare ruimte in de ondergrond. Tot slot is het uiteraard zaak om oog te hebben voor de duurzaamheid en leveringszekerheid van de nieuwe warmtebron. 3.2.2 Duurzame elektriciteit In het kort Verwarmen met elektriciteit kan als we gebruikmaken van warmtepompen. Als we te veel gebouwen gaan verwarmen met elektrische warmteopties is er op de koudste dagen onvoldoende duurzame elektriciteit. Ook is er momenteel onvoldoende ruimte in het elektriciteitsnet om de stroom aan te voeren. Het uitbreiden van het elektriciteitsnet is kostbaar en tijdrovend. Dat betekent dat we elektriciteit voor onze verwarming efficiënt moeten inzetten zodat uitbreiding van het elektriciteitsnet selectief kan plaatsvinden We kunnen verwarmen met elektriciteit door gebruik te maken van individuele warmtepompen per woning. Warmtepompen halen warmte uit bijvoorbeeld lucht, de bodem of uit zon. Woningen kunnen daarbij gebruik maken van een eigen bron. Bijvoorbeeld een buitenunit voor buitenlucht, een bodemlus voor bodemenergie of zonthermische panelen voor zon energie.

Als meerdere woningen gelijktijdig willen verduurzamen in een collectief kan ook overwogen worden een collectieve bron te realiseren met een bronnet. Bijvoorbeeld een bodemenergie uit een WKO bron. Hiervoor is wel voldoende schaal en dichtheid nodig. Naast warmte uit een bron gebruiken warmtepompen ook elektriciteit. Warmtepompen produceren het meest efficiënt warmte bij een lage temperatuur. Om een woning met lage temperatuur te kunnen verwarmen moet deze voldoende zijn geïsoleerd en geventileerd en moeten de radiatoren voldoende capaciteit hebben voor lage temperatuurverwarming. Er komen ook individuele warmtepompen op de markt, die met wat hogere temperaturen kunnen verwarmen. Hierdoor kunnen bestaande radiatoren mogelijk behouden blijven. Voor de productie van warmte voor warm tapwater kunnen warmtepompen ook temperatuur van 65°C produceren. Hiervoor moet aanvullend een boilervat van 150 liter of groter in de woning

geplaatst worden, omdat warmtepompen niet voldoende capaciteit hebben om in de piekvraag van warm tapwater te voorzien voor douchen. Duurzame elektriciteit wekken we in 2030 volgens de RES 1.0 vooral uit zonne- en windenergie aangevuld met gasturbines. Hoeveel zonne- en windenergie er is hangt af van het weer. Warmtepompen hebben veel elektriciteit voor ruimteverwarming nodig als het buiten koud is. Dit noemen we de ‘piekvraag’. Het is ingewikkeld om de piekvraag in te vullen met duurzame elektriciteit, omdat er dan gelijktijdig nauwelijks aanbod is van zonne-energie en het ook niet altijd waait. In de toekomst kunnen compacte warmtebatterijen in de woning daarin een rol spelen. De ruimte op het elektriciteitsnet is beperkt en als gevolg van elektrisch koken, elektrische auto’s en lokaal opgewekte stroom van zonnepanelen zal het elektriciteitsnet op de meeste plekken moeten worden verzwaard. Als we warmtepompen gaan gebruiken voor onze verwarming zal het elektriciteitsnet extra moeten worden verzwaard. Dat komt omdat warmtepompen op koude dagen allemaal tegelijk veel stroom nodig hebben. Die extra verzwaring van het elektriciteitsnet zal niet alleen moeten plaatsvinden in de buurt, maar ook op gemeentelijk, regionaal en zelfs (inter)nationaal niveau. Het uitbreiden van het elektriciteitsnet is erg kostbaar en kost ook veel tijd.

Daarom moeten we goed inspelen op de toename van warmtepompen in de gemeente, in continue afstemming met de netbeheerder, zodat uitbreiding van het elektriciteitsnet selectief kan plaatsvinden. Bij hybride warmtepompen speelt dit probleem minder, omdat daar de piekvraag wordt opgevangen door het gasnet, zodat het elektriciteitsnet niet op de piek hoeft te worden gedimensioneerd.

19

3.2.3 Duurzaam gas In het kort De toekomstige beschikbaarheid van duurzaam gas is erg onzeker: we weten niet precies hoeveel er komt en wanneer het komt. Duurzaam gas zal met name nodig zijn voor verduurzaming van de industrie en zwaar transport. Als het beschikbaar komt voor de gebouwde omgeving, moeten we het vooral inzetten om de zogenoemde piekvraag te verduurzamen: de extra energie die nodig is op de koudste dagen van het jaar. Ondertussen moeten we overal zoveel mogelijk gas besparen om een blijvende afhankelijkheid van aardgas te voorkomen. Er zijn twee vormen van duurzaam gas: groen gas en duurzame waterstof. Groen gas komt vooral uit de landbouw. Duurzame waterstof is waterstof gemaakt van duurzame elektriciteit. Gassen hebben als voordeel dat zij hoge temperaturen maken, veel hoger dan de gebouwde omgeving nodig heeft. De beschikbaarheid van duurzaam gas is momenteel erg beperkt en blijft dat naar verwachting ook. Daarom verwachten we dat duurzaam gas nu en in de toekomst vooral ingezet zal worden om sectoren te verduurzamen die bijna niet zonder gas kunnen, zoals de industrie. Als er duurzaam gas beschikbaar komt voor woningen en gebouwen zal dat naar verwachting beperkt zijn. Het is belangrijk dat we dit dan zo goed mogelijk gebruiken. Het meest logische gebruik van duurzaam gas is voor de piekvraag: de extra energie die nodig is op de koudste dagen van het jaar.

Alle duurzame technieken hebben dit nodig: warmtenetten hebben centrale gasketels voor koude dagen, hybride warmtepompen hebben naast de warmtepomp een gasketel in de woning, en voor onze elektriciteit hebben we een voorziening nodig op de momenten dat de zon niet schijnt en de wind niet waait.

Hittestress en koudevraag Hitte in en rond gebouwen wordt een steeds belangrijker onderwerp. De laatste jaren zijn er steeds vaker hittegolven in Nederland. Vooral de dagen waarbij temperaturen oplopen tot boven de 30 graden kunnen zorgen voor overlast van warmte in de gebouwde omgeving. Het effect van hitte wordt versterkt in buurten, wijken of dorpen met veel hoogbouw en verstening. De eerste effecten van klimaatverandering worden hiermee zichtbaar. Hitte is niet alleen een probleem van gebouwen en gebruikers van gebouwen, maar ook van de leefomgeving rond gebouwen. Ook wordt hittestress niet alleen veroorzaakt door gebouweigenschappen (o.a. mate van isolatie, glaspercentage, zonwering en oriëntatie) maar ook door locatiespecifieke eigenschappen (verstening en bebouwingsdichtheid). Isolatie zorgt er in de winter voor dat de warmte onze woningen en gebouwen minder snel verlaat. Een prettig bijeffect is dat isolatie er ook voor zorgt dat deze woningen en gebouwen in de zomer koeler blijven. Dat komt doordat de isolatielaag de warmte buiten houdt. Als de warmte eenmaal binnen is, raken (zeer) goed geïsoleerde woningen wel moeilijker hun warmte kwijt.

 

Isolatie: door te zorgen dat woningen en gebouwen voorzien worden van basisisolatie wordt warmte beter buitengehouden; Warmtenet: aanleg van een warmtenet is een logisch moment om in de wijk ook klimaatadaptieve maatregelen te nemen. Daarnaast is adsorptiekoeling een mogelijkheid voor specifieke ouderencomplexen of kantoren1; Bronnet: bij aanleg van een bronnet ontstaat er ook de mogelijkheid tot koeling via de warmte-infrastructuur; All-electric: als er laagtemperatuur radiatoren zijn geplaatst is koeling mogelijk.

Tabel 1: Samenvatting van verschillende warmteopties Warmte

Elektriciteit

Duurzaam gas

Gebouwmaatregelen

Stapsgewijs naar maximale isolatie binnen de bestaande schil, ventilatie, kieren dichten en elektrisch koken.

Stapsgewijs naar maximale isolatie binnen de bestaande schil, ventilatie, kieren dichten en elektrisch koken.

Stapsgewijs naar maximale isolatie binnen de bestaande schil, ventilatie, kieren dichten en elektrisch koken.

Techniek in de woning

Afleverset (koffertje met leidingwerk).

Elektrische warmtepomp en een afgiftesysteem dat geschikt is voor lage temperaturen.

Hybride warmtepomp.

Ondergrondse infrastructuur

Warmtenet.

Extra verzwaard elektriciteitsnet.

Bestaand gasnet.

Bronnen

Duurzame, lokaal beschikbare warmtebronnen.

Op termijn duurzame elektriciteit.

Op termijn duurzaam gas en duurzame elektriciteit.

Warmteoverlast kan voorkomen worden door: -

Gebouwen aan te passen en te voorkomen dat deze verregaand opwarmen; Actief koelen van gebouwen en/of ruimtes om warmte kwijt te raken.

Het voorkomen van veel warmte is vaak beter dan het actief massaal gaan koelen van gebouwen. Dit kan door beschaduwing, reflectie, verdamping en ventilatie. Dit soort maatregelen worden ook wel ‘klimaatadaptieve maatregelen’ genoemd. Afhankelijk van de gekozen warmteoplossing in een buurt, wijk of dorp zijn er andere mogelijkheden om hittestress te voorkomen of actief te koelen:

20

4 Borselse transitiepaden naar aardgasvrij In het vorige hoofdstuk hebben we duurzame warmteopties beschreven en gekeken in hoeverre deze bronnen beschikbaar zijn voor Borsele. In dit hoofdstuk beschrijven we de verschillende transitiepaden om in 2050 bij een aardgasvrije gebouwde omgeving uit te komen. In een transitiepad schetsen we per buurt de route om tot een warmteoptie te komen. In het transitiepad schetsen we zowel een fasering als tussenstappen, hoe we omgaan met meerdere warmteopties binnen een buurt en wat voor aanpak erbij hoort. De transitiepaden laten we zien in de transitiekaart. We onderscheiden verschillende transitiepaden, afhankelijk van de eigenschappen en kansen van de buurt. In Borsele zijn dit de meest logische transitiepaden: 

Hybride warmtepompen en lokale gasvrije opties

Onderzoek lokaal/regionaal warmtenet

Elektrische warmtepompen

Warmteopties voor bijzondere gebieden, zoals bedrijventerreinen, nieuwbouwlocaties en recreatievastgoed

4.1 Hybride warmtepompen en lokale gasvrije opties Wat? Borsele kent veel vooroorlogse buurten. Deze buurten volgen veelal de hybride route. In deze buurten is de overstap naar duurzame technieken moeilijker dan elders, dat komt doordat gebouwen in deze buurten lastiger te isoleren zijn en er vaak veel verschillende gebouwen door elkaar heen staan. Naast isolatie, ventilatie en elektrisch koken, beginnen we in deze buurten met de overstap naar hybride warmtepompen. Een hybride warmtepomp is een warmtepomp met een Cv-ketel ernaast voor koude dagen en voor warm tapwater. Hybride warmtepompen besparen snel veel gas en CO2uitstoot. De ouderdom van het gebouw zal vaak bepalend zijn of de overstap naar een elektrische warmtepomp logisch is, of dat een hybride

21

warmtepomp logischer is. Een hybride warmtepomp kan een tussenoplossing zijn voor een elektrische warmtepomp als de woning nog onvoldoende is geïsoleerd, en een hybride warmtepomp kan alleen een eindoplossing zijn als er op termijn voldoende duurzaam gas beschikbaar komt. Bij het herijken van de TVW houden we in de gaten hoeveel duurzaam gas er beschikbaar komt. Ondertussen blijven we inzetten op voldoende stapsgewijze isolatie volgens de landelijke Standaard voor woningisolatie, zodat we zoveel mogelijk voorbereid zijn op elektrische warmtepompen, mocht er in de toekomst onvoldoende duurzaam gas beschikbaar zijn Ook voor de kleine kernen en buitengebieden van Borsele geldt het hybride pad: we zien veel diversiteit van bebouwing en een relatief groot aandeel vooroorlogse bebouwing. Oude en nieuwe gebouwen staan door elkaar heen, en uitbreidingsgebieden zijn vaak relatief klein geweest. Daarnaast zijn er heel wat monumentale gebouwen Waar? Dit transitiepad komt voor in bijna heel Borsele, met uitzondering van het industriegebied en de onderzoeksgebieden voor een mogelijk warmtenet op restwarmte. Hoe? Gebouweigenaren maken hier hun gebouwen transitiegereed door zoveel mogelijk op natuurlijke momenten te isoleren volgens de landelijke Standaard en door te ventileren, kieren te dichten en over te stappen naar elektrisch koken.

Wij gaan hen hier actief over informeren en stimuleren. Daarnaast gaan we in deze buurten starten met het overstappen op hybride warmtepompen en waar mogelijk naar elektrische warmtepompen of kleinschalig collectieve opties. Het is in deze gebieden logisch om een doelgroepgerichte aanpak (zie hoofdstuk 5) te kiezen waarbij eigenaren van gebouwen met dezelfde kenmerken geholpen worden door een aanpak die past bij hun gebouw.

4.2 Onderzoek lokaal/regionaal warmtenet Wat? In warmtenetbuurten krijgen zoveel mogelijk gebouwen en woningen een warmtenetaansluiting. De temperatuur van dat warmtenet is afhankelijk van de beschikbare bronnen. Bij het bepalen van de temperatuur van het warmtenet is het belangrijk dat die temperatuur ook op lange termijn CO2-

neutraal kan worden geleverd. Wanneer de brontemperatuur te laag is voor verwarming van gebouwen, is er soms nog een collectieve warmtepomp bij de bron nodig. Een warmtenet is een oplossing voor de hele buurt, maar toch kan een gebouw soms een eigen oplossing krijgen, bijvoorbeeld omdat het gebouw afwijkt van de rest van de buurt. We verwachten daarom dat er ook op kleine schaal warmtepompen zullen voorkomen in warmtenetbuurten. Waar? Warmtenetten zijn het meest logisch in naoorlogse buurten met een hoge bebouwingsdichtheid. In deze buurten staan veel flats die relatief eenvoudig en tegen relatief lage kosten zijn aan te sluiten. Ook zijn er in deze buurten veel sociale huurwoningen waardoor een warmtenet relatief eenvoudig is te organiseren. In Borsele is in mindere mate sprake van een dergelijke stedelijke situatie, maar doet zich wel de mogelijkheid voor een warmtenet verder te onderzoeken omdat er een potentiële warmtebron in de nabijheid ligt. Delen van de gemeente waar warmtenetten een rol zouden kunnen spelen zijn buurten Borssele, 's-Heerenhoek, Nieuwdorp, Lewedorp en Heinkenszand. Hoe? In tegenstelling tot gas en elektra zijn warmtenetten voor de gebouwde omgeving nog niet aanwezig. De ontwikkeling van nieuwe warmtenetten én duurzame bronnen is afhankelijk van drie voorwaarden:

22

Er is voldoende schaal en dichtheid in een buurt. Bij een te lage dichtheid of een te laag aantal woningen is een warmtenet vaak niet haalbaar. Er is geen gouden regel, maar als richtlijn kan een minimum van 30 woningen per hectare worden aangenomen.

Er is in de buurt een grote gebouweigenaar aanwezig die in korte tijd veel woningen en gebouwen kan aansluiten. Dit is in de praktijk vaak een woningcorporatie, maar het kunnen ook georganiseerde particuliere gebouweigenaren of VvE’s zijn. Zij maken het mogelijk dat daarna overige gebouweigenaren kunnen aansluiten.

Er is in de buurt perspectief op een duurzame bron. Die bron hoeft niet altijd in de buurt zelf aanwezig te zijn, maar hoe groter de afstand tussen de bron en de buurt, hoe kostbaarder het wordt om de warmte te transporteren en hoe minder efficiënt het warmtenet.

Een warmtenet realiseren we met een gebiedsaanpak. Daarbij stemmen we zoveel mogelijk de werkzaamheden op elkaar af. De tijd die nodig is om een gebied aan te sluiten, inclusief het opstellen van een uitvoeringsplan, is vijf à tien jaar. Wij doen uitgebreid onderzoek naar de opties van een lokaal/regionaal warmtenet in onze gemeente.

4.3 Elektrische warmtepompen Wat? Bij dit transitiepad stappen we over naar elektrische warmtepompen. Uiteindelijk is er dan alleen nog een elektriciteitsnet in de wijk nodig. Dit heet ook wel ‘all-electric’. Voordat een woning over kan naar een elektrische warmtepomp moet deze volledig transitiegereed zijn én beschikken over een afgiftesysteem voor lage temperaturen. Hybride warmtepompen, waarbij een cv-ketel bijspringt als het buiten heel koud is en dient voor warm tapwater, zijn een tussenoplossing voor gebouwen die nog onvoldoende zijn geïsoleerd. In deze buurten kunnen gebouweigenaren ook kiezen voor kleinschalig collectieve oplossingen met bijvoorbeeld WKO. Ook dan is er vaak nog een warmtepomp in het gebouw of de woning aanwezig. Waar? In Borsele zien we geen volledige buurten waar de all-electric oplossing de voorkeur heeft, maar er is wel sprake van deelgebieden binnen buurten waar all-electric een logisch transitiepad voor is, zoals in Heinkenszand, ’s Heerenhoek, Lewedorp en ‘s Gravenpolder. Buurten waar de warmtepomp de meest logische route is, zijn relatief nieuwe buurten, gebouwd na 1990, die al goed geïsoleerd zijn of buurten met een lage bebouwingsdichtheid aan de rand van de stad. Hoe? De route naar elektrische warmtepompen wordt bepaald door de gebouweigenaren.

Zij zullen tussen nu en 2050, zoveel mogelijk op natuurlijke momenten de overstap maken, dit doen zij door hun gebouw geschikt te maken voor verwarmen met lage temperatuur. Het is van belang om de overstap naar elektrische warmtepompen stapsgewijs te doen. Ten eerste omdat er nog innovaties worden verwacht, zoals warmteopslag in de woning, en warmtepompen die nog steeds efficiënter worden. Daarnaast zijn dit vaak relatief nieuwe buurten waar gasleidingen nog niet zijn afgeschreven. Bovendien is de

klimaatwinst in deze buurten beperkt omdat deze al vrij goed geïsoleerd zijn. Wanneer gebouweigenaren overstappen naar elektrische warmtepompen zal uiteindelijk het elektriciteitsnet extra moeten worden verzwaard. De netbeheerder houdt in de gaten wanneer dit nodig is, en zij kiest samen met de gemeente een natuurlijk moment uit om het elektriciteitsnet te verzwaren, bij voorkeur op een moment dat de maatschappelijke kosten zo laag mogelijk zijn. Aanvullend onderzoeken we overeenkomstig de duurzaamheidsvisie hoe en waar de benodigde energie kan worden opgewekt zodat we weten in hoeverre wij zelfvoorzienende energieneutrale dorpen kunnen ontwikkelen (RHEDCOOP). Het is in deze gebieden logisch om een doelgroepgerichte aanpak te kiezen waarbij eigenaren van gebouwen met dezelfde kenmerken geholpen worden door een aanpak die past bij hun gebouw.

4.4 Warmteopties voor bijzondere gebieden Wat? In de gebouwde omgeving zijn verschillende gebieden met een warmtevraag die afwijkt van bestaande woonwijken. Voor deze gebieden geldt dat per type gebied moet worden bekeken welke warmteoptie optimaal is. We onderscheiden de volgende bijzondere gebieden:

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10914574/1