CConstaterende datBorsele
Koppel je AI →
Document · PDF

14.2 Bodemkwaliteitskaart gemeente Borsele 2023

Besluitvormende raadsvergadering 7 december 2023, gemeente BorseleBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van de geactualiseerde Nota bodembeheer en Bodemkwaliteitskaart gemeente Borsele 2023 (portefeuille wethouder Witkam)44.878 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

MARMOS bodemmanagement

INHOUDSOPGAVE 0.

Samenvatting

1

1. 1.1 1.2 1.3 1.4

Inleiding Aanleiding en doel Wettelijk kader Relatie met toekomstige Omgevingswet Bestuurlijke vaststelling en geldigheid

4 4 5 6 8

2. 2.1 2.2 2.3 2.4

Normering en klasse-indeling volgens Besluit bodemkwaliteit Introductie Normen voor toepassingen op de landbodem Generiek en gebiedsspecifiek beleid uit Besluit bodemkwaliteit Handelingskader voor PFAS

10 10 10 12 14

3. 3.1 3.2 3.3

Werkwijze Bodemkwaliteitskaart uit 2009 als basis Berekening van statistische kengetallen Stoffenpakket

16 16 16 18

4. 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7

Onderscheidende kenmerken Mogelijk onderscheidende kenmerken voor de zone-indeling Geologie en bodemopbouw Ophooglagen Recente inpolderingen Ouderdom van woonwijken en bedrijfsterreinen Voormalige boomgaarden Seaspray

19 19 19 20 20 21 21 23

5. 5.1 5.2

Verantwoording dataset bodemanalyses Herkomst gegevens Selectie van representatieve gegevens voor de bodemkwaliteitskaart

24 24 26

6. 6.1 6.2 6.3 6.4 6.4.1 6.4.2 6.5

Zone-indeling en statistiek Zones in de bodemkwaliteitskaart Toelichting op de zones voor de NEN5740-parameters Toelichting op de zones voor de bestrijdingsmiddelen Toelichting op de zone-indeling voor PFAS Verhoogde PFAS-gehalten langs de Westerschelde Zone PFAS overig Borsele Zones met 95-percentielwaarde hoger dan interventiewaarde

29 29 31 34 38 38 42 42

Literatuur

BKK Borsele

44

MARMOS bodemmanagement

BIJLAGEN Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3A-3D: Bijlage 4A-4D: Bijlage 5: Bijlage 6: Bijlage 7A: Bijlage 7B: Bijlage 7C: Bijlage 7D: Bijlage 7E: Bijlage 7F: Bijlage 7G: Bijlage 7H: Bijlage 8A: Bijlage 8B: Bijlage 8C: Bijlage 8D: Bijlage 8E: Bijlage 9A: Bijlage 9B: Bijlage 9C: Bijlage 9D: Bijlage 9E: Bijlage 9F: Bijlage 9G: Bijlage 9H: Bijlage 9 I: Bijlage 10: Bijlage 11A: Bijlage 11B: Bijlage 12: Bijlage 13A: Bijlage 13B: Bijlage 14:

BKK Borsele

Begrenzing bodembeheergebied Bodemopbouw volgens Stiboka-kaart Bebouwingsgeschiedenis Ligging (voormalige) boomgaarden Niet representatieve rapporten / analyses Normering Regeling bodemkwaliteit Statistische kengetallen buitengebied Statistische kengetallen zone woonwijken > 1960 Statistische kengetallen zone A: buitengebied en woonwijken > 1960 Statistische kengetallen zone B: woonwijken 1900-1960 Statistische kengetallen zone C: woonwijken < 1900 Statistische kengetallen bedrijfsterreinen ‘t Sloe Statistische kengetallen overige bedrijfsterreinen Statistische kengetallen zone D: Bedrijfsterreinen Statistische kengetallen bestrijdingsmiddelen voor verschillende boomgaardperiodes Statistische kengetallen bestrijdingsmiddelen boomgaardzone 1 Statistische kengetallen bestrijdingsmiddelen boomgaardzone 2 Statistische kengetallen bestrijdingsmiddelen zone Bebouwde kernen voor 1960 Statistische kengetallen bestrijdingsmiddelen zone Overig gebied Maximale meetwaarden PFOS in Westerscheldedijk tussen Belgische grens en Sloegebied Overzichtstabel meetwaarden PFOS en PFOA uit raaien langs Westerschelde (tussen Belgische grens en Sloegebied) Statistische kengetallen PFAS buitentalud en kruin Westerscheldedijk Statistische kengetallen PFAS binnentalud Westerscheldedijk Bandbreedte gegevens PFOS en PFOA uit raaien in strook van 500 meter langs Westerscheldedijk Statistische kengetallen

PFAS strook langs Westerscheldedijk, oostelijk deel vanaf Belgische grens t/m Schoorse Zeedijk Statistische kengetallen PFAS strook langs Westerscheldedijk, westelijk deel vanaf Sloegebied t/m Willem Annapolder Statistische kengetallen PFAS ondergrond strook langs Westerscheldedijk, vanaf Belgische grens tot Sloegebied Statistische kengetallen zone PFAS overig Borsele Zones bodemkwaliteitskaart NEN5740-parameters Ontgravingsklasse bovengrond NEN5740-parameters Ontgravingsklasse ondergrond NEN5740-parameters Zones bodemkwaliteitskaart bestrijdingsmiddelen Ontgravingsklasse bovengrond bestrijdingsmiddelen Ontgravingsklasse ondergrond bestrijdingsmiddelen Zones bodemkwaliteitskaart PFAS

MARMOS bodemmanagement

0

SAMENVATTING

De bodemkwaliteitskaart van de gemeente Borsele bestaat uit drie verschillende zone-indelingen, afhankelijk van de stofgroep: zones voor de NEN5740-parameters (inclusief arseen en chroom); zones voor bestrijdingsmiddelen (DDD, DDE, DDT en drins) zones voor PFAS De begrenzingen van deze drie zone-indelingen komen niet met elkaar overeen, omdat de processen die aan deze zone-indelingen ten grondslag liggen verschillend zijn.

Zones voor de NEN5740-parameters Zone A: Buitengebied en woonwijken > 1960 B: Woonwijken 1900-1960 C: Woonwijken < 1900 D: Bedrijfsterreinen

Bodemkwaliteitsklasse Bovengrond (0-0,5 m-mv) Landbouw/natuur Wonen Industrie Landbouw/natuur

Bodemkwaliteitsklasse Ondergrond (0,5-2,0 m-mv) Landbouw/natuur Landbouw/natuur Wonen Landbouw/natuur

.

Zones voor de bestrijdingsmiddelen Zone Boomgaardzone 1 Boomgaardzone 2 Bebouwde kernen voor 1960 Overig gebied

Kwaliteitsklasse Bovengrond (0-0,5 m-mv) Voldoet niet aan Industrie Industrie Industrie Landbouw/natuur

Kwaliteitsklasse Ondergrond (0,5-2,0 m-mv) Industrie Landbouw/natuur Landbouw/natuur Landbouw/natuur

Kwaliteitsklasse o.b.v Handelingskader PFAS Bovengrond (0-0,5 m-mv) Voldoet aan Achtergrondwaarde Variabel tot boven toepassingswaarden voor wonen en industrie

Kwaliteitsklasse o.b.v Handelingskader PFAS Ondergrond (0,5-2,0 m-mv) Voldoet aan Achtergrondwaarde Voldoet aan Achtergrondwaarde

PFAS Zone

Overig Borsele Aandachtsstrook PFAS langs Westerschelde

BKK Borsele

1/45

Eindrapport, 25 augustus 2023

MARMOS bodemmanagement

Wijzigingen ten opzichte van de voorgaande bodemkwaliteitskaart uit 2009 NEN5740-parameters In de nieuwe bodemkwaliteitskaart is als terminologie kwaliteitsklasse Landbouw/natuur gebruikt in plaats van kwaliteitsklasse Achtergrondwaarde, in aansluiting op de toekomstige terminologie onder de Omgevingswet. Bij de actualisatie in 2023 zijn de begrenzingen uit de kaart met de bebouwingsgeschiedenis op enkele plekken aangescherpt. Op die plekken wijzigen ook de zonegrenzen. Verder wijzigt de classificatie van de ondergrond van de zone ‘B: Woonwijken 1900-1960’ op basis van meer beschikbare gegevens van klasse wonen naar klasse landbouw/natuur. Afgezien daarvan is de zone-indeling niet gewijzigd ten opzichte van de bodemkwaliteitskaart uit 2009.

Bestrijdingsmiddelen De zone-indeling voor de bestrijdingsmiddelen op basis van verschillende boomgaardperiodes is niet gewijzigd ten opzichte van de bodemkwaliteitskaart uit 2009. Wel zijn de zones met voormalige boomgaarden als volgt hernoemd: Boomgaardzone 1: boomgaardperiode 2 (boomgaard in 1936 en 1960) Boomgaardzone 2. Boomgaardperiode 1, 3 en 4 (overige boomgaardperiodes t/m 1970) Nieuw in de bodemkwaliteitskaart van 2023 is de zone ‘Bebouwde kernen voor 1960’. DDT blijkt in het verleden ook te zijn gebruikt in particuliere tuinen. Daarom zijn voor de bestrijdingsmiddelen de bebouwde kernen voor 1960 opgenomen in een aparte zone.

PFAS Voor PFAS is in 2020 een afzonderlijke regionale bodemkwaliteitskaart gemaakt. Voorliggend rapport vervangt de regionale bodemkwaliteitskaart uit 2020. De gehalten PFAS worden met name bepaald door depositie van seaspray vanuit de Westerschelde. Daarom is een strook van 500 meter langs de Westerschelde in de bodemkwaliteitskaart aangemerkt als ‘Aandachtsstrook PFAS langs Westerschelde’. In voorliggende bodemkwaliteitskaart zijn de PFASgegevens uit deze strook voor de gemeenten Reimerswaal, Kapelle en Borsele tezamen bekeken, vanaf de Belgische grens tot het Sloegebied. Binnen deze strook komen uiteenlopende gehalten voor. De PFAS-gehalten zijn het hoogst in het buitentalud en de kruin van de dijk, met op de meeste plaatsen PFOS-gehalten boven de toepassingswaarden voor wonen en industrie uit het Handelingskader voor PFAS. Daarbij is geen oostwest trend zichtbaar. Eerder lijkt er een verband met de aan- of afwezigheid van schorren en slikken voor de dijk. Verder zijn de hoogste gehalten gemeten in dijkgedeelten met een expositie op het zuidwesten.

BKK Borsele

2/45

Eindrapport, 25 augustus 2023

MARMOS bodemmanagement

Ook in de strook achter de dijk zijn hogere gehalten PFOS en in mindere mate PFOA gemeten. In deze strook zijn in het oostelijke deel van Zuid-Beveland (tot en met de Schoorse Zeedijk in de gemeente Kapelle) de PFOS gehalten hoger dan in het westelijke deel van Zuid-Beveland. Buiten deze strook voldoen de PFAS-gehalten in de rest van de gemeente Borsele in het algemeen aan de landelijke achtergrondwaarden.

BKK Borsele

3/45

Eindrapport, 25 augustus 2023

MARMOS bodemmanagement

1

INLEIDING

1.1

Aanleiding en doel

Op 1 oktober 2009 heeft de gemeenteraad van Borsele een Nota bodembeheer (lit. 1) inclusief bijbehorende bodemkwaliteitskaart (lit. 2) vastgesteld. Op 4 september 2014 heeft de gemeenteraad enkele kleine aanpassingen van de Nota bodembeheer vastgesteld. Artikel 53 van het Besluit bodemkwaliteit schrijft voor dat tenminste eenmaal in de tien jaar wordt overwogen of het gebiedsspecifiek beleid uit de Nota bodembeheer aanpassing behoeft. In 2016 is de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Borsele geëvalueerd (lit. 3). Hieruit kwamen geen wijzigingen naar voren in de classificatie of begrenzing van zones, afgezien van de classificatie van de ondergrond van de zone ‘B: Woonwijken 1900-1960’. Op basis daarvan heeft de gemeente vervolgens de geldigheid van de bodemkwaliteitskaart van de bodemkwaliteitskaart uit 2009 ongewijzigd verlengd. In 2020 is een regionale bodemkwaliteitskaart voor PFAS opgesteld, samen met de andere Bevelandse gemeenten en de gemeente Tholen (lit. 4). In het najaar van 2019 verstreek de periode van tien jaar sinds de eerste vaststelling van de nota bodembeheer van Borsele. Op dat moment kwam geen wens of aanleiding naar voren om de nota bodembeheer te herzien.

Er is destijds voor gekozen om eerst de verdere ontwikkelingen met betrekking tot de Omgevingswet af te wachten en de actualisatie van de nota bodembeheer te zijner tijd op te pakken bij de implementatie van de Omgevingswet. Op 1 januari 2024 treedt de Omgevingswet in werking. Daarnaast is een deel van het gebiedsspecifiek beleid uit de nota bodembeheer niet meer actueel. Dit vormt de aanleiding om de zowel de bodemkwaliteitskaart als de nota bodembeheer van de gemeente Borsele te actualiseren. Voor u ligt de geactualiseerde bodemkwaliteitskaart van de gemeente Borsele. Daarbij is tevens de bodemkwaliteitskaart voor PFAS voor de Bevelandse gemeenten langs de Westerschelde geactualiseerd en geïntegreerd in voorliggend rapport. In een bodemkwaliteitskaart wordt een bodembeheergebied ingedeeld in een aantal zones met een vergelijkbare milieu-hygiënische kwaliteit. Het gaat hierbij om de ‘gemiddelde’ kwaliteit van deze gebieden, afgezien van lokale verontreinigingen veroorzaakt door puntbronnen. Binnen bepaalde randvoorwaarden kan de bodemkwaliteitskaart worden gebruikt als milieu-hygiënische verklaring. Hierdoor is bij grondverzet minder onderzoek nodig en hoeven minder vaak partijkeuringen te worden uitgevoerd om bij werkzaamheden vrijgekomen grond weer elders te kunnen toepassen.

De nota bodembeheer bevat de gemeentelijke regels voor grondverzet binnen en tussen zones, als lokale uitwerking van de regelgeving uit het landelijke Besluit bodemkwaliteit.

BKK Borsele

4/45

Eindrapport, 25 augustus 2023

MARMOS bodemmanagement

Relatie met andere bodemkwaliteitskaarten in de gemeente Borsele Voor grondverzet binnen wegbermen wordt sinds 2005 gebruik gemaakt van een afzonderlijke bodemkwaliteitskaart van de wegbermen in de provincie Zeeland. Deze is in 2020 geactualiseerd (lit. 5) en bevat binnen de gemeente Borsele de bermen van de wegen die in beheer zijn van het waterschap of de provincie. De bermen van gemeentelijke wegen maken in Borsele geen deel uit van de bodemkwaliteitskaart van de wegbermen. Verder is ook de waterbodemkwaliteitskaart van waterschap Scheldestromen in 2020 geactualiseerd (lit. 6).

1.2

Wettelijk kader

Besluit bodemkwaliteit en Regeling bodemkwaliteit Het Besluit bodemkwaliteit (lit. 7) en de bijbehorende Regeling bodemkwaliteit (lit. 8) zijn in 2008 in werking getreden. Deze vormen het wettelijke kader voor hergebruik van bouwstoffen, grond en baggerspecie. In het Besluit bodemkwaliteit zijn generieke regels opgenomen, waarbij de normen voor het toepassen van grond en bagger afhankelijk zijn van zowel de kwaliteit als de functie van de ontvangende bodem. De normering en klasse-indeling volgens het Besluit bodemkwaliteit worden toegelicht in hoofdstuk 2. Het Besluit bodemkwaliteit bevat de mogelijkheid om op grond van de lokale situatie gebiedsspecifiek beleid vast te stellen. Ook dit wordt verder toegelicht in hoofdstuk 2.

Richtlijn bodemkwaliteitskaarten Bodemkwaliteitskaarten dienen te worden opgesteld conform de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten (lit. 9) en bijlage M van de Regeling bodemkwaliteit. Bijlage M van de Regeling bodemkwaliteit vormt vooral een samenvatting van hetgeen uitgebreider is beschreven in de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. Bijlage M bevat voor het opstellen van de kaart geen aanvullende voorschriften die niet zijn opgenomen in de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. De Richtlijn bodemkwaliteitskaarten beschrijft het opstellen van een bodemkwaliteitskaart aan de hand van acht procesmatige stappen: 1. definitiefase, programma van eisen 2. identificatie van onderscheidende kenmerken 3. voorbewerken beschikbare informatie 4. indelen beheergebied in deelgebieden 5. evaluatie gebiedsindeling op basis van beschikbare informatie 6. verzamelen van aanvullende informatie 7. karakteriseren van de bodemkwaliteit per bodemkwaliteitszone 8. resultaten weergeven in (water)bodemkwaliteitskaart

BKK Borsele

5/45

Eindrapport, 25 augustus 2023

MARMOS bodemmanagement

Over de status van deze acht stappen schrijft de Richtlijn, dat het in de praktijk niet noodzakelijk is om het stappenplan één op één te volgen maar dat het wel noodzakelijk is dat de elementen hiervan terugkomen in de eigen werkwijze. In de Regeling bodemkwaliteit is vastgelegd, dat in een bodemkwaliteitskaart tenminste de stoffen worden opgenomen uit het standaardpakket uit de NEN5740 (lit. 10). De algemene werkwijze bij het opstellen van een bodemkwaliteitskaart komt op het volgende neer: In een bodemkwaliteitskaart wordt een gebied ingedeeld in één of meer zones met een milieuhygiënisch vergelijkbare algemene bodemkwaliteit. Gebieden met eenzelfde historie hebben in het algemeen een vergelijkbare diffuse bodemkwaliteit. Dit betekent dat de indeling in zones gebeurt op basis van algemene historische gegevens (onderscheidende kenmerken) zoals bodemopbouw, (voormalig) landgebruik en ouderdom van woonwijken en bedrijfsterreinen. Allereerst worden de belangrijkste historische gegevens zoals ouderdom van woonwijken en de eventuele aanwezigheid van ophooglagen in kaart gebracht. Vervolgens worden de analyseresultaten van binnen de zones uitgevoerde bodemonderzoeken geanalyseerd. Per zone worden verschillende statistische kengetallen berekend voor verschillende stoffen.

Op basis van deze berekeningen en het ruimtelijke patroon van de waarnemingen wordt de zone-indeling getoetst en zo nodig bijgesteld. Er wordt gekeken welke analyseresultaten niet representatief zijn voor de algemene zonekwaliteit, zodat deze gegevens als uitbijters buiten de dataset van de zoneringsberekeningen worden gelaten. De uiteindelijke indeling in zones is dus een combinatie van historische informatie en statistische bewerkingen. Volgens de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten worden de zones geclassificeerd op basis van het rekenkundig gemiddelde.

1.3

Relatie met toekomstige Omgevingswet

Het omgevingsrecht in Nederland wordt ingrijpend herzien. Diverse sectorale wet- en regelgeving over de leefomgeving wordt samengebracht in de Omgevingswet met vier bijbehorende AmvB’s en één Ministeriële regeling. De huidige Wet bodembescherming verdwijnt en wordt in beknoptere vorm opgenomen in de Omgevingswet. Onder de Omgevingswet wordt alle gemeentelijke regelgeving voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in één omgevingsplan. Er bestaan op termijn – na een overgangsperiode – dus geen afzonderlijke bestemmingsplannen, nota’s bodembeheer e.d. meer. Het in werking treden van de Omgevingswet is enkele malen uitgesteld. Na instemming van de Eerste en Tweede Kamer is maart 2023 het Koninkljik Besluit (KB) ondertekend dat de Omgevingswet op 1 januari 2024 in werking treedt.

BKK Borsele

6/45

Eindrapport, 25 augustus 2023

MARMOS bodemmanagement

Aanvullingsspoor bodem De onderwerpen bodem, natuur, geluid en grondeigendom waren nog niet meegenomen in het oorspronkelijke wetsvoorstel van de Omgevingswet dat door het parlement is aangenomen op 1 juli 2015 (Tweede Kamer) respectievelijk 22 maart 2016 (Eerste Kamer). Deze vier onderwerpen zijn opgenomen in vier Aanvullingswetten die vervolgens ook zijn aangenomen door de Tweede en Eerste Kamer. Onder deze Aanvullingswetten hangen Aanvullingsbesluiten en Aanvullingsregelingen, waaronder het Aanvullingsbesluit bodem en de Aanvullingsregeling bodem. Het Aanvullingsbesluit bodem is op 25 februari 2021 bekendgemaakt in het Staatsblad (lit. 11). Het Aanvullingsbesluit bodem is tweeledig: enerzijds bevat het Aanvullingsbesluit artikelen die worden toegevoegd aan de 4 OmgevingswetAmvB’s, met name aan het Besluit activiteiten leefomgeving (BAL); anderzijds bevat het Aanvullingsbesluit een geheel nieuw, gedeeltelijk herschreven Besluit bodemkwaliteit. Het BAL bevat meerdere verwijzingen naar het Besluit bodemkwaliteit. De Regeling bodemkwaliteit uit 2007 wordt onder de Omgevingswet vervangen door de nieuwe Regeling bodemkwaliteit 2022 (Rbk 2022) die op 19 januari 2023 bekendgemaakt is in de Staatscourant (lit. 12).

Vrijwel alles wat nu volgens het Besluit bodemkwaliteit als gebiedsspecifiek beleid kan worden vastgesteld, is straks onder de Omgevingswet ook mogelijk in de vorm van maatwerkregels in het omgevingsplan. Er is één uitzondering op het voorgaande, namelijk bij het vaststellen van Lokale maximale waarden (LMW) die hoger zijn dan de interventiewaarde. In de Regeling bodemkwaliteit 2022 zijn geen vereisten meer opgenomen over hoe een bodemkwaliteitskaart wordt opgesteld en wordt dus niet meer verwezen naar de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. Dit vanuit de filosofie van de Omgevingswet dat decentrale overheden goed in staat zijn om aan hun verantwoordelijk-heden de juiste vorm en inhoud te geven. Gedetailleerde instructies hoe andere overheden taken of bevoegdheden moeten uitoefenen zijn daarom in de nieuwe Regeling bodemkwaliteit geschrapt.

BKK Borsele

7/45

Eindrapport, 25 augustus 2023

MARMOS bodemmanagement

Actualisatie: onder het ‘oude’ recht (en valt daarna onder overgangsrecht) Voorliggende actualisatie van de bodemkwaliteitskaart vindt nog plaats onder het ‘oude’ recht van het Besluit bodemkwaliteit. Bij het in werking treden van de Omgevingswet vallen de bodemfunctiekaart, de verschillende bodemkwaliteitskaarten en het gebiedsspecifieke beleid uit de nota bodembeheer onder het overgangsrecht en komen daarmee automatisch in het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Gemeenten hebben tot en met 2029 de tijd om alles uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan over te zetten naar het nieuwe deel van het omgevingsplan1. In dit rapport is aangesloten op de toekomstige terminologie onder de Omgevingswet: bodemkwaliteitsklasse Landbouw/natuur (in plaats van Achtergrondwaarde) bodemfunctieklasse Landbouw/natuur (het huidige Besluit bodemkwaliteit benoemt strikt genomen alleen de bodemfunctieklassen Wonen en Industrie)

1.4

Bestuurlijke vaststelling en geldigheid

Het vaststellen van een bodemkwaliteitskaart met regels voor grondverzet volgens het generieke beleid is een bevoegdheid van het College van Burgemeester en Wethouders. Het vaststellen van gebiedsspecifiek beleid is een bevoegdheid van de gemeenteraad, waarvoor een openbare voorbereidingsprocedure conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht wordt gevolgd. De nota bodembeheer uit 2009 bevat gebiedsspecifiek beleid, dat in het algemeen beleidsneutraal – maar met enkele aanpassingen en met aangepaste kaarten - in de nieuwe nota bodembeheer wordt voortgezet. Deze bodemkwaliteits-kaart wordt daarom samen met het gebiedsspecifieke beleid vastgesteld door de gemeenteraad van Borsele. Zoals hiervoor al vermeld vallen bij het in werking treden van de Omgevingswet de verschillende bodemkwaliteitskaarten, de bodemfunctiekaart en de nota bodembeheer onder het overgangsrecht en komen daarmee automatisch in het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Vervolgens dienen deze op termijn te worden overgezet naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. Per 1 januari 2016 is de Regeling bodemkwaliteit gewijzigd. Bij deze wijziging is expliciet in de Regeling bodemkwaliteit opgenomen, dat een bodemkwaliteitskaart een geldigheidsduur heeft van maximaal 5 jaar. De geldigheidsduur kan (na evaluatie) worden verlengd.

‘ Onder de Omgevingswet is in de Regeling bodemkwaliteit 2022 geen geldigheidstermijn voor bodemkwaliteitskaarten meer opgenomen.

Strikt genomen moet deze datum nog in een Koninklijk besluit worden vastgesteld. De Memorie van toelichting van de Invoeringswet Omgevingswet vermeldt het voornemen om bij Koninklijk besluit als datum 1 januari 2029 vast te stellen. Later is afgesproken dat dit eind 2029 zal zijn. 1

BKK Borsele

8/45

Eindrapport, 25 augustus 2023

MARMOS bodemmanagement

Begrenzing bodembeheergebied Deze bodemkwaliteitskaart heeft alleen betrekking op de landbodem waarvoor de gemeente Borsele het bevoegd gezag is in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. Op grond van artikel 3 van het Besluit bodemkwaliteit is voor toepassingen van grond en bagger in oppervlaktewaterlichamen de beheerder het bevoegd gezag. De Waterregeling (lit. 13) bevat kaarten met de begrenzing van de gebieden waar Rijkswaterstaat vergunningverlener is in het kader van de Waterwet en in het verlengde daarvan het bevoegd gezag is voor het Besluit bodemkwaliteit. Onder de Omgevingswet is deze begrenzing opgenomen in de Omgevingsregeling. Bijlage 1 bevat de begrenzing van het bodembeheergebied waarvoor de gemeente Borsele het bevoegd gezag is in het kader van het Besluit bodemkwaliteit, gebaseerd op de kaartbijlagen van de Waterregeling.

BKK Borsele

9/45

Eindrapport, 25 augustus 2023

MARMOS bodemmanagement

2

NORMERING EN KLASSE-INDELING VOLGENS BESLUIT BODEMKWALITEIT

2.1

Introductie

Het Besluit bodemkwaliteit kent afzonderlijke normen voor toepassingen van grond en bagger op de landbodem en toepassingen in oppervlaktewater. De verschillende normen per stof zijn opgenomen in Bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit. Voor deze bodemkwaliteitskaart zijn alleen de normen voor het toepassen van grond op de landbodem van belang. Deze worden toegelicht in paragraaf 2.2. Het Besluit bodemkwaliteit maakt voor het hergebruiksbeleid onderscheid tussen: Generiek beleid; Gebiedsspecifiek beleid Dit onderscheid wordt toegelicht in paragraaf 2.3.

2.2

Normen voor toepassingen op de landbodem

In de Regeling bodemkwaliteit zijn de landelijke Achtergrondwaarden vastgelegd. Deze gelden als toetsingskader om te bepalen of grond “schoon” is. Wettelijk gezien mogen geen strengere normen worden gesteld dan de Achtergrondwaarden. Het Besluit bodemkwaliteit relateert het beleid voor het toepassen van grond en bagger aan zowel de functie als de kwaliteit van de ontvangende bodem. Daartoe zijn de bodemfunctieklassen ‘Wonen’ en ‘Industrie’ geïntroduceerd. Daarnaast zijn er bodemkwaliteitsklassen ‘Wonen’ en ‘Industrie’ met bijbehorende maximale waarden. In de terminologie van de Omgevingswet worden grond en bagger die aan de Achtergrondwaarden voldoen ingedeeld in de bodemkwaliteitsklasse Landbouw/natuur. Vooruitlopend hierop wordt in dit rapport ook de term bodemkwaliteitsklasse Landbouw/natuur gehanteerd. Indeling in bodemkwaliteitsklassen: Indeling Indeling in in bodemkwaliteitsklassen bodemkwaliteitsklassen (landbodem) (landbodem)

Bodemkwaliteitsklasse Bodemkwaliteitsklasse Bodemkwaliteitsklasse Bodemkwaliteitsklasse Landbouw/natuur Wonen Industrie (schoon)

Achtergrondwaarde

BKK Borsele

Maximale Maximale waarden waarden voor voor wonen wonen

10/45

Niet toepasbaar

Maximale waarden waarden voor industrie

Eindrapport, 25 augustus 2023

MARMOS bodemmanagement

Voor toepassingen op de landbodem gelden derhalve de volgende normen: Achtergrondwaarde (AW) Maximale waarden voor wonen (MaxWONEN) Maximale waarden voor industrie (MaxINDUSTRIE) Voor veel stoffen is MaxINDUSTRIE gelijk aan de interventiewaarde. Met name voor veel organische verbindingen waaronder minerale olie, PCB’s en diverse bestrijdingsmiddelen is Max INDUSTRIE lager dan de interventiewaarde.

Toetsingsregels In de Regeling bodemkwaliteit zijn voor de Achtergrondwaarden en de ‘Maximale waarden voor wonen’ (MaxWONEN) toetsingsregels opgenomen, waarbij een beperkt aantal stoffen in geringe mate de norm mag overschrijden. Deze toetsingsregels zijn afhankelijk gesteld van het aantal geanalyseerde stoffen. Voor de ‘Maximale waarde voor industrie’ (MaxINDUSTRIE) geldt geen toetsingsregel. De toetsingsregel voor de Achtergrondwaarde geldt zowel voor de ontvangende bodem als voor de toe te passen grond. Toetsingsregel voor de Achtergrondwaarde (bij 7 t/m 15 parameters) 2:

Maximaal 2 parameters mogen hoger zijn dan de Achtergrondwaarde, mits niet hoger dan 2 x Achtergrondwaarde en niet hoger dan MaxWONEN Grond voldoet aan de Achtergrondwaarde wanneer de grond voldoet aan voornoemde toetsingsregel. De toetsingsregel voor MaxWONEN geldt alleen voor de beoordeling van de ontvangende bodem en mag niet worden toegepast om de kwaliteit van een partij hergebruiksgrond te bepalen. Toetsingsregel voor MaxWONEN (bij 7 t/m 15 parameters):

Maximaal 2 parameters mogen hoger zijn dan MaxWONEN, mits niet hoger dan MaxWONEN + Achtergrondwaarde en niet hoger dan MaxINDUSTRIE De toetsingsregels gelden ook bij de classificatie van zones in een bodemkwaliteitskaart.

Voor nikkel geldt een afwijkende regel. Voor nikkel geldt als bovengrens van de toetsingsregel 2 x Achtergrondwaarde en niet de lagere MaxWONEN. 2

BKK Borsele

11/45

Eindrapport, 25 augustus 2023

MARMOS bodemmanagement

2.3

Generiek en gebiedsspecifiek beleid uit Besluit bodemkwaliteit

Het Besluit bodemkwaliteit maakt voor het hergebruiksbeleid onderscheid tussen: Generiek beleid Gebiedsspecifiek beleid

Generiek beleid In het Besluit bodemkwaliteit is het beleid voor het toepassen van grond en bagger afhankelijk gesteld van zowel de bodemkwaliteitsklasse als de bodemfunctieklasse van de ontvangende bodem. De strengste is daarbij (in het generieke beleid) maatgevend: Bodemkwaliteitsklasse Bodemfunctieklasse * Generieke toepassingseis Landbouw/natuur Landbouw/natuur (Overig) Achtergrondwaarde Landbouw/natuur Wonen Achtergrondwaarde Landbouw/natuur Industrie Achtergrondwaarde Wonen Landbouw/natuur (Overig) Achtergrondwaarde Wonen Wonen MaxWONEN Wonen Industrie MaxWONEN Industrie Landbouw/natuur (Overig) Achtergrondwaarde Industrie Wonen MaxWONEN Industrie Industrie MaxINDUSTRIE * Het huidige Besluit bodemkwaliteit kent strikt genomen alleen de bodemfunctieklassen Wonen en Industrie. De terminologie onder de Omgevingswet bevat tevens de bodemfunctieklasse Landbouw/natuur. Voorbeeld 1: Wanneer de bodemkwaliteit van een industrieterrein voldoet aan de Achtergrondwaarde, dan geldt als toepassingseis dat de toe te passen grond ook aan de Achtergrondwaarde dient te voldoen. Voorbeeld 2: Wanneer de bodemkwaliteit van een oud stadscentrum niet voldoet aan Max WONEN, (maar bijv. wel aan MaxINDUSTRIE), dan geldt als toepassingseis MaxWONEN.

Gebiedsspecifiek beleid Binnen bepaalde grenzen en randvoorwaarden mogen gemeenten besluiten om af te wijken van het ‘generieke beleid’ en voor een deel van hun grondgebied een strenger of juist minder streng beleid voeren. De gemeenteraad stelt dan ‘Lokale Maximale Waarden’ (LMW) vast. In dat geval spreekt het Besluit bodemkwaliteit van ‘gebiedsspecifiek beleid’. Onder de Omgevingswet wordt de terminologie als volgt: Lokale maximale waarden → Lokale waarden Gebiedsspecifiek beleid → Maatwerkregels

BKK Borsele

12/45

Eindrapport, 25 augustus 2023

MARMOS bodemmanagement

Uitgangspunt is hierbij dat tenminste sprake moet zijn van standstill op gebiedsniveau. Standstill op gebiedsniveau houdt in dat verhoogde LMW alleen gelden voor grond en bagger die afkomstig is uit het eigen bodembeheergebied. Het gebiedsspecifiek beleid moet worden onderbouwd op basis van o.a. de milieu-hygiënische risico’s. Dit gebeurt met behulp van de risicotoolbox. In dit model wordt gekeken naar zowel de humane als de ecologische risico’s. Verder is bij gebiedsspecifiek beleid een bodemkwaliteitskaart verplicht.

Voorwaarden voor gebiedsspecifiek beleid Een besluit van de gemeenteraad om gebiedsspecifiek beleid te voeren bevat volgens artikel 47 van het Besluit bodemkwaliteit: Een bodemkwaliteitskaart (inclusief begrenzing van het bodembeheergebied en de kwaliteit van de bodem) en een kaart met de functies van de bodem; De Lokale Maximale Waarden (LMW); Een motivering aan de hand van de LMW in relatie tot de kwaliteit van de bodem, de maatschappelijke noodzaak van die waarden en een beschrijving van de gevolgen voor de bodemkwaliteit in het beheergebied. Laatstgenoemde beschrijving vindt plaats met behulp van de risicotoolbox. Overige voorwaarden: Er wordt uitgegaan van standstill op het niveau van een bodembeheergebied. Met andere woorden: in de Nota bodembeheer wordt het herkomstgebied van grond en bagger vastgelegd waarvoor de LMW gelden. Het Besluit bodemkwaliteit definieert een bodembeheergebied als: een aaneengesloten door de gemeente afgebakend deel van de oppervlakte van een of meer gemeenten. Hogere LMW dan de generieke toepassingsnormen gelden dus alleen voor grond en bagger die afkomstig is uit het herkomstgebied dat is vastgesteld als bodembeheergebied; Het besluit om gebiedsspecifiek beleid te voeren wordt voorbereid conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht3 en staat open voor beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Binnen 10 jaar wordt overwogen of het besluit tot gebiedsspecifiek beleid aanpassing behoeft.

Voor PFAS gold tijdelijk een uitzondering: gebiedsspecifiek beleid voor PFAS kon tot 1 januari 2021 door het College van B&W worden vastgesteld waarbij geen openbare voorbereidingsprocedure conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht hoeft te worden gevolgd. 3

BKK Borsele

13/45

Eindrapport, 25 augustus 2023

MARMOS bodemmanagement

2.4

Handelingskader voor PFAS

Op 8 juli 2019 heeft de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat een Kamerbrief verstuurd met het ‘Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie’, gevolgd door geactualiseerde versies d.d. 29 november 2019 en 2 juli 2020. Op 13 december 2021 heeft de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat een nieuwe versie van het Handelingskader PFAS4 aan de Tweede Kamer toegezonden (lit. 14). Volgens het tijdelijk handelingskader moeten initiatiefnemers, tot duidelijk is of er onbelaste gebieden in Nederland zijn, in het kader van de zorgplicht het gehalte aan PFAS meten in te verzetten grond en baggerspecie, die uit land- en waterbodem wordt ontgraven. Eind juni 2020 heeft het RIVM het onderzoek naar de landelijke achtergrondwaarden van PFAS in de Nederlandse bodem afgerond (lit. 15). Deze zijn als definitieve achtergrondwaarden opgenomen in een nieuwe versie van het tijdelijk handelingskader PFAS (lit. 16), dat op 3 juli 2020 door de Staatssecretaris voor Infrastructuur en Waterstaat is toegezonden aan de Tweede Kamer. Deze definitieve landelijke achtergrondwaarden zijn als volgt: PFOA (som lineair + vertakt): 1,9 μg/kgds PFOS (som lineair + vertakt): 1,4 μg/kgds De overige PFAS zijn in het onderzoek van het RIVM zelden boven de detectiegrens aangetoond.

In het tijdelijk handelingskader is opgenomen dat voornoemde achtergrondwaarde van PFOS (1,4 μg/kgds) ook als toepassingswaarde kan gelden voor de overige PFAS. Voor de bodemkwaliteits- en bodemfunctieklassen wonen en industrie vermeldt het tijdelijk handelingskader de volgende toepassingswaarden (ook wel aangeduid als de 3/7/3/3 waarden): voor alle individuele PFAS: 3 μg/kgds. met uitzondering van PFOA voor PFOA: 7 μg/kgds Verder bevat het tijdelijk handelingskader voorlopige toepassingswaarden voor een aantal andere situaties. Aanvankelijk was in het tijdelijk handelingskader5 opgenomen, dat deze 3/7/3/3 waarden gelden voor toepassingen op de landbodem boven grondwaterniveau (tot ten hoogste 1 meter onder het maaiveld bij gebieden met een hoge grondwaterstand). In versie december 2021 van het handelingskader is het onderscheid boven en onder grondwaterniveau niet meer opgenomen. Voor het overige bevat het handelingskader van december 2021 – ten opzichte van de voorgaande versie d.d. 2 juli 2020 - geen inhoudelijke wijzigingen die relevant zijn voor toepassingen op de landbodem.

4 5

Zonder voorvoegsel ‘tijdelijk’ of ‘definitief’ Alle versies van het tijdelijk handelingskader t/m de versie van 2 juli 2020.

BKK Borsele

14/45

Eindrapport, 25 augustus 2023

MARMOS bodemmanagement

Het tijdelijk handelingskader voor PFAS en de hierin opgenomen toepassingswaarden waaronder de voorlopige achtergrondwaarden hebben echter nog niet de formele status van regelgeving. Dit is pas het geval na opname van deze voorlopige achtergrondwaarden en overige toetsingswaarden in bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit en bekendmaking hiervan in de Staatscourant. Volgens de begeleidende Kamerbrief wordt op basis van de versie uit december 2021 van het Handelingkader voor PFAS het traject van deze wettelijk verankering gestart.

BKK Borsele

15/45

Eindrapport, 25 augustus 2023

MARMOS bodemmanagement

3

WERKWIJZE

3.1

Bodemkwaliteitskaart uit 2009 als basis

De bodemkwaliteitskaart is opgesteld volgens de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten (lit. 9). In een bodemkwaliteitskaart wordt een gebied ingedeeld in één of meer zones met een milieuhygiënisch vergelijkbare algemene bodemkwaliteit. Gebieden met eenzelfde historie hebben in het algemeen een vergelijkbare diffuse bodemkwaliteit. De indeling in zones is dus gebaseerd op de interpretatie van meetgegevens (analyseresultaten uit bodemonderzoeken) in combinatie met algemene historische gegevens (onderscheidende kenmerken) van het gebied. De zones zijn geclassificeerd door per stof een aantal statistische kengetallen te berekenen. De bodemkwaliteitskaart uit 2009 is een combinatie van een zone-indeling voor de stoffen uit het NEN5740-stoffenpakket en een zone-indeling voor de bestrijdingsmiddelen DDD, DDE, DDT en drins: de zone-indeling voor de NEN5740-parameters is met name gebaseerd op de ouderdom van de bebouwing; de zone-indeling voor de bestrijdingsmiddelen DDD, DDE, DDT en drins is gebaseerd op de ligging en ouderdom van (voormalige) boomgaarden. Deze indeling bouwde voort op een eerdere bodemkwaliteitskaart uit 2004 (lit. 17). De (mogelijk) onderscheidende kenmerken zijn verder beschreven in hoofdstuk 4 en in kaart weergegeven in bijlage 2 t/m 4.

De tekst uit hoofdstuk 4 is nagenoeg identiek aan de tekst uit hoofdstuk 3 van de bodemkwaliteitskaart uit 2009, aangevuld met een paragraaf over seaspray. In 2022 zijn de begrenzingen in de kaart met de bebouwingsgeschiedenis (bijlage 3) samen met de bodemfunctiekaart opnieuw nagelopen en op een aantal plekken aangescherpt. Bij de actualisatie in 2023 (en bij de evaluatie in 2016) is gekeken welke gegevens nieuw zijn ingevoerd in het bodeminformatiesysteem sinds het opstellen van de bodemkwaliteitskaart uit 2009. Deze nieuwe gegevens zijn eerst afzonderlijk bekeken: in hoeverre bevestigen deze de bestaande indeling en classificatie van de zones? Waar dit niet direct het geval was, is nader ingezoomd. Vervolgens zijn de nieuwe gegevens samengevoegd met de oude dataset. De geactualiseerde bodemkwaliteitskaart is gebaseerd op deze totale dataset. De verantwoording van de dataset (herkomst van de gegevens en selectie van representatieve gegevens) is opgenomen in hoofdstuk 5. Bij de selectie van representatieve gegevens zijn dezelfde keuzes gemaakt als eerder bij het opstellen van de bodemkwaliteitskaart uit 2009 (en bij de evaluatie uit 2016).

3.2

Berekening van statistische kengetallen

Op basis van de beschikbare analyseresultaten is voor elke zone een aantal statistische kengetallen berekend (diverse percentielwaarden, gemiddelde, lognormaal gemiddelde). Deze statistische kengetallen zijn opgenomen in bijlage 7 t/m 9.

BKK Borsele

16/45

Eindrapport, 25 augustus 2023

MARMOS bodemmanagement

Een percentielwaarde is een statistische maat hoeveel procent van de waarnemingen onder een bepaalde waarde liggen. Zo is de 50-percentielwaarde oftewel de mediaan het getal waarbij de helft van de waarnemingen lager is en de helft van de waarnemingen hoger. De 95-percentielwaarde voor een stof in een bepaalde zone is het getal waarbij in 95% van de representatieve monsters een lagere concentratie van die stof is gemeten. 5% van de representatieve monsters heeft in die zone een hogere concentratie dan de 95-percentielwaarde. Voor het berekenen van percentielwaarden bestaan in de literatuur verschillende formules. In de Regeling bodemkwaliteit is voor de 95-percentielwaarde voorgeschreven op welke wijze deze dient te worden berekend. Deze berekeningswijze is gehanteerd voor alle percentielwaarden. De kengetallen zijn apart berekend voor de bovengrond (0-0,5 m-mv) en voor de ondergrond (0,5-2,0 mmv). Voor het berekenen van het gemiddelde en het lognormaal gemiddelde zijn meetwaarden lager dan de detectiegrens vervangen door 0,7 x detectiegrens. Voor het onderscheid tussen boven- en ondergrond is uitgegaan van het volgende: bovengrond = dieptetraject 0,0-0,5 m-mv; D1+D2 > 0 en D1+D2 <=1,0 ondergrond = dieptetraject 0,5-2,0 m-mv; D1+D2 >1,0 en D1+D2 <=4,0

D1 = bovenkant monster D2 = onderkant monster Deze dieptetrajecten sluiten aan bij de dieptetrajecten die meestal worden gehanteerd in verkennend bodemonderzoek. De ondergrondmonsters in de dataset bestaan voor de NEN5740-parameters voor een belangrijk deel uit mengmonsters van het dieptetraject van circa 0,5 – 2,0 m-mv. De Achtergrondwaarden en de maximale waarden voor wonen en industrie zijn voor veel stoffen afhankelijk van het bodemtype (percentages lutum en organische stof). Om de getallen gemakkelijk met elkaar te kunnen vergelijken, zijn alle statistische kengetallen in bijlage 7 en 8 omgerekend naar standaardbodem (lutum=25%, humus=10%). Vermenigvuldiging van het kengetal met de waarde uit de kolom bodemtypecorrectie geeft het oorspronkelijke kengetal.

Minimum aantal waarnemingen per deelgebied / zone Verschillende deelgebieden met dezelfde kwaliteitsklasse zijn samengevoegd tot zones. Hierbij is apart onderscheid gemaakt tussen zones op basis van de NEN5740-parameters en zones op basis van bestrijdingsmiddelen. Strikt genomen dienen volgens de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten per niet aaneengesloten deelgebied minimaal 3 meetgegevens beschikbaar te zijn. Verder schrijft de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten een minimum van 20 waarnemingen per zone voor. In de zone-indeling speelt de ligging van voormalige boomgaarden een belangrijke rol. Deze voormalige boomgaarden beslaan geen grote aaneengesloten gebieden maar liggen verspreid over de gemeente, zodat de vereiste van 3 meetgegevens per deelgebied niet goed aansluit bij de situatie van de gemeente Borsele.

BKK Borsele

17/45

Eindrapport, 25 augustus 2023

MARMOS bodemmanagement

Daarnaast is ervoor gekozen om een aantal kleine deelgebieden uit bepaalde bebouwingsperiodes toch in zones samen te voegen, ook als er voor het betreffende deelgebied geen of weinig waarnemingen beschikbaar zijn. Deze situaties worden toegelicht in paragraaf 6.2.

Betrouwbaarheidsintervallen van het gemiddelde In de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten staat, dat in een bodemkwaliteitskaart naast het gemiddelde tevens de betrouwbaarheidsintervallen van het gemiddelde dienen te worden vermeld. Deze betrouwbaarheidsintervallen worden bepaald op basis van het gemiddelde en de standaarddeviatie. Ter voldoening hieraan waren in de voorgaande bodemkwaliteitskaart uit 2009 de bovenzijde van het het 80%-, 90%- en 95%-betrouwbaarheidsinterval opgenomen (bijlage 13 van de vorige bodemkwaliteitskaart). Beleidsmatig hebben deze echter verder geen functie en ook de statistische betekenis van deze betrouwbaarheidsintervallen is beperkt. In de statistiek geldt als voorwaarde om gebruik te mogen maken van gemiddelde en standaardafwijking, dat de gegevens een normale verdeling moeten hebben. Meestal wordt hieraan niet voldaan. De percentielwaarden vormen een betere indicatie van de bandbreedte aan voorkomende concentraties dan de betrouwbaarheidsintervallen van het gemiddelde. In voorliggende actualisatie zijn geen betrouwbaarheidsintervallen meer berekend.

3.3

Stoffenpakket

In de Regeling bodemkwaliteit is vastgelegd, dat in een bodemkwaliteitskaart tenminste de stoffen worden opgenomen uit het standaardpakket uit de NEN5740 (lit. 10). Het huidige stoffenpakket bestaat uit: barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink, som-PAK, minerale olie, somPCB’s, lutum en organische stof. Onder de Omgevingswet is dit stoffenpakket opgenomen in bijlage J van de Regeling bodemkwaliteit 2022 als ‘standaardonderzoekspakket, variant A’. De stoffen arseen en chroom zijn sinds 1 juli 2008 niet meer opgenomen in het standaard stoffenpakket voor verkennend bodemonderzoek. Formeel hoeven deze stoffen niet meer te worden opgenomen in de bodemkwaliteitskaart. Voor deze stoffen zijn wel veel gegevens beschikbaar. Volledigheidshalve zijn ook arseen en chroom opgenomen in de bodemkwaliteitskaart. Op Zuid-Beveland zijn van oudsher veel boomgaarden. Na de tweede wereldoorlog werd in boomgaarden het bestrijdingsmiddel DDT toegepast. In (voormalige) boomgaarden uit die tijd worden nog altijd verhoogde gehalten DDD, DDE en DDT aangetroffen. Ook drins zijn regelmatig verhoogd aangetoond. Daarom zijn in de bodemkwaliteitskaart van Borsele (en in de bodemkwaliteitskaarten van de overige Zuid-Bevelandse gemeenten) ook DDD, DDE, DDT en drins opgenomen.

Voor PFAS is in 2020 een afzonderlijke bodemkwaliteitskaart van de regio Bevelanden en Tholen opgesteld (lit. 4). Sindsdien zijn veel nieuwe PFAS-gegevens beschikbaar gekomen. Uit die nieuwe gegevens blijkt, dat hogere PFAS-gehalten met name langs de Westerschelde worden gemeten. Daarom is de regionale bodemkwaliteitskaart voor PFAS geactualiseerd voor de Bevelandse gemeenten die langs de Westerschelde liggen. Die actualisatie voor PFAS is opgenomen in voorliggend rapport (zie paragraaf 6.4).

BKK Borsele

18/45

Eindrapport, 25 augustus 2023

MARMOS bodemmanagement

4

ONDERSCHEIDENDE KENMERKEN

4.1

Mogelijk relevante onderscheidende kenmerken

Onderstaande paragrafen over (mogelijk) onderscheidende kenmerken zijn vrijwel ongewijzigd overgenomen uit de voorgaande bodemkwaliteitskaart: geologie en bodemopbouw (paragraaf 4.2); ophooglagen (paragraaf 4.3); recente inpolderingen (paragraaf 4.4); ouderdom van woonwijken en bedrijfsterreinen (paragraaf 4.5); voormalige boomgaarden (paragraaf 4.6). Paragraaf 4.2 over de geologie en bodemopbouw was in 2009 overgenomen uit een eerdere bodemkwaliteitskaart uit 2004 (lit. 17). De natuurlijke bodemopbouw blijkt overigens geen bepalende factor voor de zone-indeling. Sinds het opstellen van de regionale bodemkwaliteitskaart voor PFAS in 2020 zijn steeds meer meetgegevens beschikbaar gekomen. Hieruit blijkt, dat de hoogste PFAS-gehalten op Zuid-Beveland worden aangetroffen langs de Westerschelde. Dit wordt veroorzaakt door een proces dat bekend staat als seaspray (paragraaf 4.7). In de bodemkwaliteitskaart uit 2009 was tevens een kaart opgenomen met archeologische monumenten en indictieve archeologische waarden. In 2011 heeft de gemeente Borsele archeologiebeleid vastgesteld, inclusief bijbehorende kaarten (lit. 18 en 19). Daarom is in voorliggende actualisatie geen kaart met archeologie meer opgenomen. In de gemeente Borsele liggen geen waterwingebieden of grondwaterbeschermingsgebieden.

4.2

Geologie en bodemopbouw

Holoceen (vanaf 10.000 jaar geleden) Aan het einde van de laatste IJstijd begon het jongste geologische tijdperk, het Holoceen. Het pakket holocene afzettingen is gemiddeld bijna 20 meter dik. De afzettingen behoren tot de Westland Formatie en omvatten ondermeer de Afzettingen van Calais, het Hollandveen en de Afzettingen van Duinkerke. De geologische ontwikkeling in het zuidwest zeekleigebied is in hoge mate bepaald door de relatieve zeespiegelstijging, in combinatie met de getijden. De getijdenamplitude in de zeearmen is groot, als gevolg van de vloedstroom. Daarnaast heeft de ligging van de mondingen van de grote rivieren (Rijn, Waal, Maas en Schelde) de morfologische ontwikkeling in sterke mate bepaald. De Afzettingen van Calais zijn onderin overwegend zandig en bovenin kleiiger. Na de vorming van de Afzettingen van Calais ontstond een nagenoeg afgesloten kustbarrière van strandwallen. Achter de strandwallen ontstond een groot veengebied (Hollandveen), waardoor de Schelde naar zee liep via de huidige Oosterschelde. Na circa 1000 voor Chr. werd de strandwal plaatselijk doorbroken waardoor het veengebied werd aangetast door inbraken van de zee. Een groot deel van het veen werd echter pas in de Vroege Middeleeuwen weggeslagen of vanuit kreken bedekt met klei. De Afzettingen van Duinkerke, die daarbij

BKK Borsele

19/45

Eindrapport, 25 augustus 2023

MARMOS bodemmanagement

tot stand kwamen, liggen thans aan het oppervlak. De Schelde heeft tot zeer lang een loop gevolgd door de huidige Oosterschelde. Pas rond 1400 nam de Honte, de latere Westerschelde, in belang toe.

Situatie in de gemeente Borsele Het grondgebied van de gemeente Borsele wordt in het zuiden en oosten begrensd door de Westerschelde. Het holocene pakket bestaat uit de Afzettingen van Calais, het Hollandveen en de Afzettingen van Duinkerke. De vele kreken in het gebied hebben hoofdzakelijk lichte klei en zavel afgezet. Het maaiveld ligt in de gemeente Borsele op een hoogte van NAP +2 tot 0 meter. Bijlage 2 bevat een kaart met de bodemopbouw van de gemeente, gegeneraliseerd op basis van de bodemkaart van StiBoKa (zoals eerder opgenomen in bijlage 2A van de bodemkwaliteitskaart uit 2004), aangevuld met informatie over ophooglagen en recente inpolderingen.

4.3

Ophooglagen

Een groot deel van het Sloegebied in de gemeentes Borsele en Vlissingen is opgespoten met zand dat vrijkwam bij de aanleg van de havens. Sommige delen zijn in het begin van de jaren 60 opgespoten. In de gemeente Vlissingen zijn delen van het industriegebied pas in 2003 opgespoten. De dikte van de ophooglaag ligt in het algemeen tussen 2 meter en 5 meter. Het opgehoogde gebied is apart aangegeven in bijlage 2. De Total-raffinaderij ligt achter de vroegere zeedijk. Dit gebied is niet opgehoogd. Afgezien van het Sloegebied komen in de gemeente Borsele geen grootschalige ophooglagen voor.

4.4

Recente inpolderingen

In bijlage 2 is tevens aangegeven welke gebieden pas na 1860 zijn ingepolderd. Inpolderingen na 1860 kunnen licht verontreinigd zijn als gevolg van de afzetting van verontreinigd slib. Dit speelt in Zeeland met name voor inpolderingen langs de Westerschelde, waar verontreinigd Schelde-slib vanuit België is gesedimenteerd. Het Sloegebied is aangelegd ter plaatse van de voormalige monding van het Sloe. De Quarlespolder in het westen van de gemeente is ingepolderd in 1949. Een tweede deel van de monding van het Sloe is ingepolderd in de jaren 60 bij de aanleg van het industrieterrein Sloegebied en vervolgens opgehoogd met zand. Verder blijkt uit topografische kaarten, dat ten oosten van Ellewoutsdijk een strook van ca. anderhalve kilometer lang en enkele honderden meters breed tussen 1936 en 1960 is ingepolderd. Afgezien van eventuele hogere concentraties in recente inpolderingen vormt de geomorfologie geen bepalende factor in de zonering.

BKK Borsele

20/45

Eindrapport, 25 augustus 2023

MARMOS bodemmanagement

4.5

Ouderdom van woonwijken en bedrijfsterreinen

Bijlage 3A t/m 3D toont de ouderdom van de verschillende wijken in de bebouwde kernen van de gemeente Borsele. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen woonwijken en bedrijfsterreinen. Naarmate wijken ouder zijn, is er een grotere kans op diffuse verontreiniging als gevolg van menselijk handelen. Oude dorpskernen en stadscentra zijn in het algemeen diffuus verontreinigd met koper, lood, zink en PAK. Bij sloop en herbouw is de eerste bebouwing maatgevend. In wijken die na 1980 zijn aangelegd, wordt de diffuse bodemkwaliteit in het algemeen bepaald door het landgebruik vóór aanleg van desbetreffende wijk. Indien het gebied bij aanleg van de wijk is opgehoogd, bepaalt de aard van de ophooglaag de diffuse bodemkwaliteit. Voor de kaarten in bijlage 3A t/m 3D zijn in 2009 in eerste instantie de gegevens uit de eerdere bodemkwaliteitskaart uit 2004 als startpunt genomen. Deze gegevens zijn nagelopen op basis van oude topografische kaarten uit verschillende jaargangen, die inmiddels ook digitaal beschikbaar waren. Verder zijn in 2009 voor de actuele situatie luchtfoto’s geraadpleegd via Google Earth en de internetsite maps.live.com. Dit heeft destijds geleid tot een aantal aanpassingen van de bebouwingsgeschiedenis (en daarmee ook van de zonegrenzen) ten opzichte van de voorgaande bodemkwaliteitskaart uit 2004.

In algemene zin is verspreide bebouwing langs de uitvalswegen van de verschillende kernen minder snel tot de woonwijken uit verschillende periodes gerekend dan in de voorgaande bodemkwaliteitskaart het geval was. Verder is de periode 1940-1960 apart onderscheiden. In 2022 zijn de begrenzingen van de bebouwingsgeschiedenis en van de bodemfunctiekaart nogmaals nagelopen en op een aantal plekken aangescherpt. Hiervoor is gebruik gemaakt van digitale informatiebronnen die tegenwoordig openbaar beschikbaar zijn: de bouwjaren zoals vermeld in de Basisadministraie adressen en gebouwen (BAG); een actuele luchtfoto, ontsloten via PDOK (publieke dienstverlening op de kaart); kadastrale perceelsgrenzen.

4.6

Voormalige boomgaarden

Een specifiek aandachtspunt vormen (voormalige) boomgaarden. In (voormalige) boomgaarden worden regelmatig verhoogde concentraties DDT gemeten, soms zelfs tot boven de interventiewaarde. Oude boomgaarden zijn een bepalende factor in de voorgaande bodemkwaliteitskaart van de gemeente Borsele en in de bodemkwaliteitskaarten van de overige gemeentes op Zuid-Beveland. Uit historisch onderzoek naar de toepassingspraktijk van gewasbeschermingsmiddelen in de Zeeuwse fruitteelt (lit. 20) blijkt het volgende: DDT werd geïntroduceerd na de tweede wereldoorlog. De intensiteit van de toepassing van DDT was het hoogst in de periode 1950 – 1955. In de periode 1950 – 1955 werd in de fruitteelt twee keer zo veel DDT toegepast als in de periode 1955 – 1960. Vanaf 1960 daalde de toepassing van DDT verder. Als gevolg van de toepassing van DDT nam namelijk de fruitspint toe, doordat DDT ook ‘nuttige’ insecten en roofmijten doodde. Daarnaast kwamen andere middelen

BKK Borsele

21/45

Eindrapport, 25 augustus 2023

MARMOS bodemmanagement

-

-

zoals azinfos-methyl op de markt, die een betere bescherming tegen bladrollers en fruitrot gaven. In 1973 werd de toepassing van DDT in Nederland verboden. Naar mate een boomgaard langer in gebruik is, is cumulatief meer DDT op de bodem terecht gekomen. Naast de periode van boomgaardbezetting is ook de duur van boomgaardbezetting van belang. Er is geen historisch onderscheid te maken in de mate van toepassing van DDT in appelboomgaarden danwel perenboomgaarden.

In verschillende onderzoeken is een verband tussen periode van boomgaardbezetting en DDTconcentraties bevestigd. Verder blijkt er een duidelijk verschil te bestaan tussen DDT-concentraties in het dieptetraject 0-30 cm-mv en het dieptetraject 30-50 cm-mv. Bij het opstellen van een bodemkwaliteitskaart is een uitputtende inventarisatie van exacte start- en eindjaren van boomgaarden ondoenlijk. Wel geven de topografische kaarten uit verschillende periodes een aantal moment-opnames over de aanwezigheid van boomgaarden. Op basis van de informatie uit topografische kaarten kunnen voormalige boomgaarden in verschillende klasses worden ingedeeld. Maatgevend is met name, of volgens de topografische kaart uit 1936 en/of de topografische kaart uit 19606 een boomgaard aanwezig was: Boomgaardperiode 1: Boomgaard 1936 2: Boomgaard in 1936 en 1960 3: Boomgaard 1960 4: Boomgaard vanaf 1970 4b: Boomgaard vanaf 1984 5: nooit boomgaard

Boomgaard in 1936 JA

Boomgaard in 1960 NEE

Boomgaard in 1970 Ja of nee

Boomgaard in 1984 Ja of nee

JA

JA

Ja of nee

Ja of nee

NEE

JA

Ja of nee

Ja of nee

NEE

NEE

JA

Ja of nee

NEE

NEE

NEE

JA

NEE

NEE

NEE

NEE

Boomgaarden die na 1984 zijn aangelegd zijn buiten beschouwing gelaten. In bijlage 4A t/m 4D zijn de voormalige boomgaarden van de gemeente Borsele op basis van oude topografische kaarten ingedeeld in bovenstaande categorieën (ongewijzigd overgenomen uit de bodemkwaliteitskaart uit 2009). Daarbij wordt opgemerkt dat het nooit mogelijk is om deze op de meter nauwkeurig in te tekenen, met name wanneer de huidige kadastrale percelen en waterhuishouding niet meer overeenkomt met de vroegere verkaveling.

6

Jaar van verkenning

BKK Borsele

22/45

Eindrapport, 25 augustus 2023

MARMOS bodemmanagement

In de gemeentelijke bodemkwaliteitskaart van Borsele uit 2009 vormt boomgaardperiode 2 een aparte zone en zijn de boomgaardperiodes 1, 3 en 4 samengevoegd tot de zone ‘overige boomgaarden t/m 1970.

4.7

Seaspray

In 2020 is een regionale bodemkwaliteitskaart PFAS gemaakt van de regio Bevelanden en Tholen (lit. 4). Deze kaart heeft betrekking op de gemeenten Borsele, Goes, Kapelle, Noord-Beveland, Reimerswaal en Tholen. In die bodemkwaliteitskaart uit 2020 bleek al, dat in de gemeente Reimerswaal iets hogere PFASgehalten aangetroffen werden dan in de rest van Zeeland, zonder dat op dat moment de oorzaak daarvan duidelijk was. Sinds het opstellen van de regionale bodemkwaliteitskaart PFAS Bevelanden en Tholen is – met name bij onderzoeken ten behoeve van de dijkversterking bij Hansweert - gebleken dat langs de Westerschelde verhoogde PFAS-gehalten voorkomen, tot boven de toepassingswaarden voor wonen en industrie uit het handelingskader voor PFAS. De oorzaak hiervan is een proces dat bekend staat als seaspray. Fijne druppeltjes komen in de lucht, bijvoorbeeld als gevolg van turbulentie door golfslag. Deze druppeltjes nemen de verontreiniging – in dit geval PFAS – met zich mee en slaan langs de kust neer op het landoppervlak. Uit de bodemkwaliteitskaart die ten behoeve van de dijkversterking Hansweert is opgesteld (lit.

21) blijkt onder andere het volgende: in het dijklichaam langs de Westerschelde zijn de gehalten PFOS en PFOA beduidend hoger dan in de dijk langs het Kanaal door Zuid-Beveland; langs de Westerschelde zijn de gehalten PFOS en PFOA in het buitentalud duidelijk hoger dan in het binnentalud van de dijk.

BKK Borsele

23/45

Eindrapport, 25 augustus 2023

MARMOS bodemmanagement

5

VERANTWOORDING DATASET

5.1

Herkomst van de gegevens

In 2009 is de bodemkwaliteitskaart opgesteld op basis van de gegevens zoals deze waren opgenomen in het toenmalige bodeminformatiesysteem van de gemeente Borsele (Squit 7). Destijds was de bodemkwaliteitskaart gebaseerd op exports uit Squit van 2 juni 2008 (bestrijdingsmiddelen) respectievelijk van 7 april 2009 (NEN5740-parameters). Inmiddels is de gemeente Borsele samen met de provincie en de overige Zeeuwse gemeenten overgestapt op het gezamenlijke bodeminformatiesysteem Nazca-i. Daarbij hebben enkele conversies en wijzigingen van de datastructuur plaatsgevonden. De data worden niet meer intern bij de gemeente opgeslagen, maar extern bij de softwareleverancier. Via internet zijn de gegevens in Nazca-i te raadplegen. Op 24 mei 2022 zijn relevante gegevensbestanden met behulp van de in Nazca-i beschikbare exportfunctionaliteit uit het systeem gehaald: een zipbestand met GIS-bestanden (shapefiles) voor heel Zeeland met o.a. boorpunten en locatie- en onderzoekscontouren. een aantal selecties uit het menuscherm raadplegen/selecteren en rapporteren. Hier is in het hoofdmenu van Nazca-i onder locatiegegevens/adres een voorselectie gemaakt op basis van gemeentenaam=Borsele 8. De export van 24 mei 2022 betreft de invoer t/m Nazcacode NZ065406289 (onderzoek ID 214910).

De Nazca-code is gebruikt als unieke identificatie van de bodemrapporten (zonder het voorvoegsel NZ0654), omdat deze codering overeenkomt met de eerdere codering uit Squit9. Een beperkt deel van de rapporten heeft een afwijkende gemeentecode in de Nazcacode (bijvoorbeeld NZ070306514, deze is in de dataset opgenomen als rapportnummer 70306514). Op basis van deze export is nagegaan welke gegevens sinds de evaluatie uit 2016 zijn toegevoegd aan het bodeminformatiesysteem. Op deze gegevens is een kwaliteitscontrole uitgevoerd (ontbrekende dieptetrajecten, gekke invoerwaarden etc.). Enkele gegevens zijn nagezocht in de pdf-bestanden van de bodemrapporten en verbeterd in de dataset. De nieuwe invoer is eerst afzonderlijk bekeken en vervolgens samengevoegd met de dataset waarmee in 2016 de evaluatie van de bodemkwaliteitskaart is uitgevoerd10.

Vroegere naam: Strabis Er is een extra controle uitgevoerd op rapporten waarvan de contouren (gedeeltelijk) binnen de gemeente Borsele zijn ingetekend, maar die gekoppeld zijn aan een locatie met een andere gemeentenaam (abusievelijk of doordat het bodemonderzoek op de grens van twee gemeenten is uitgevoerd). Op basis daarvan zijn enkele rapporten aanvullend toegevoegd aan de dataset. 9 In Squit begonnen de rapportcodes met “AA”. Bijvoorbeeld AA065401933 is nu NZ065401933 10 Bij die evaluatie was de dataset uit 2009 aangevuld met de nieuwe gegevens van een export uit Nazca-i d.d. 2 maart 2016 7 8

BKK Borsele

24/45

Eindrapport, 25 augustus 2023

MARMOS bodemmanagement

PFAS Het voorgaande heeft betrekking op de data van de NEN5740-parameters en de bestrijdingsmiddelen. Voor PFAS is op 30 maart 2023 de meest actuele dataset geëxporteerd. Dit betreft de invoer t/m Nazcacode NZ065406329 (onderzoek ID 221010). Bij PFAS is de onderzoek ID als unieke identificatie gebruikt, doordat voor PFAS een regionale bodemkwaliteitskaart met meerdere gemeenten gemaakt is. Verder zijn de gegevens gebruikt uit het bodemonderzoek dat eind 2019 is uitgevoerd ten behoeve van de regionale bodemkwaliteitskaart PFAS Bevelanden en Tholen. In aanvulling hierop zijn de volgende PFAS-onderzoeken meegenomen die langs de Westerschelde zijn uitgevoerd tussen de Belgische grens en het Sloegebied: onderzoek uitgevoerd in opdracht van waterschap Scheldestromen in het najaar van 2022, waarbij in 19 raaien het binnen- en buitentalud en de kruin van de Westerscheldedijk zijn onderzocht op PFAS (en tevens op de NEN5740-parameters) (lit. 22); onderzoek naar PFAS dat de gemeenten Borsele, Kapelle en Reimerswaal in maart 2023 in een strook van 500 meter langs de Westerschelde hebben laten uitvoeren ter hoogte van diezelfde 19 raaien (lit. 23).

Tot slot zijn enkele gegevens meegenomen uit onderzoek dat in december 2021 en juni 2022 is uitgevoerd in Hansweert: twee raaien die in december 2021 zijn onderzocht (ter hoogte van het sportpark in Hansweert en ter hoogte van de Steenweg in de gemeente Kapelle); 5 meetpunten direct ten noorden van het voormalig slibdepot in Hansweert.

Somparameters PAK en PCB PAK en PCB zijn somparameters. Deels bevat de dataset alleen de 10 individuele PAK, respectievelijk de 7 individuele PCB. Deels bevat de dataset alleen een somparameter. Verder zijn voor een deel zowel de individuele waarden als een somparameter beschikbaar. In eerste instantie zijn de somparameters voor PAK en PCB bepaald op basis van de individuele componenten. Bij de nieuwe invoer sinds de evaluatie uit 2016 zijn nagenoeg altijd de individuele componenten beschikbaar. Indien de dataset alleen de somparameter bevat dan is daarvan uitgegaan. Dit geldt met name voor de dataset uit 2009, omdat het vroeger niet mogelijk was om deze individuele componenten in te voeren in het gemeentelijk bodeminformatiesysteem.

x- en y-coördinaten Aan de geanalyseerde grond(meng)monsters zijn op de volgende wijze x- en y-coördinaten toegekend: indien de boorpunten van de geanalyseerde (meng)monsters zijn ingetekend: het gemiddelde van de x- en y-coördinaten van de deelmonsters uit desbetreffend mengmonster. Daarbij is een controle gedaan op evident verkeerd ingetekende boorpunten (ver buiten de onderzoekslocatie). wanneer geen boorpunten zijn ingetekend: het middelpunt van de rapportcontour;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13524132/1