CConstaterende datBorsele
Koppel je AI →
Document · PDF

11.1 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Woningbouw Platepolder fase 2a, Toelichting 21 november 2025

Besluitvormende raadsvergadering 16 april 2026, gemeente BorseleBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f Woningbouwlocatie Platepolder fase 2a Heinkenszand (portefeuille wethouder Weststrate)26.983 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

3.3

Regionaal beleid

3.3.1

ZEEUWSE WOONAGENDA

De provincie Zeeland en de Zeeuwse gemeenten hebben de volgende gedeelde visie: ‘in 2040 hebben we in Zeeland een toekomstbestendige woningvoorraad die in kwalitatief en kwantitatief 100% aansluit bij de vraag’. Deze visie is in de Zeeuwse Woonagenda uitgewerkt in ambities en actielijnen’. Er zijn drie concrete ambities geformuleerd; 1. Een toekomstbestendige woningvoorraad; 2. Kwalitatief complementaire woningbouw; 3. Innovatieve en flexibele woonvormen. De drie ambities zijn verder uitgewerkt in zes concrete actielijnen. De actielijn complementair bouwen ziet op het creëren van een maximale kwaliteit aan nieuwbouwplannen, waarbij extra wordt ingezet op specifieke woningtypen en segmenten die zonder deze aandacht minder goed van de grond komen. Het gaat om segmenten waarvan zonder ingrijpen oplopende tekorten worden voorzien. Primair betekent dit onder meer de realisatie van middenhuur en vergt dit een samenwerking met ontwikkelaars om meer en passende woningen te realiseren. Toetsing Voorliggend plan raakt voornamelijk de 2e ambitie; het realiseren van woningen, complementair aan het bestaande aanbod. De Zeeuwse Woonagenda stelt op het gebied van wonen dat gestreefd moet worden naar een woningvoorraad die qua omvang, locatie en type is afgestemd op de woonwensen van de Zeeuwse huishoudens. Hieraan geeft dit plan invulling. 3.3.2

ZEEUWSE WOONDEAL

Om het woningtekort terug te dringen tot een gezond evenwicht, wordt met het programma Woningbouw nationaal ingezet in op de realisatie van 900.000 woningen tot en met 2030. Om dit te realiseren, wordt gestreefd naar de groei tot 100.000 nieuwbouwwoningen per jaar vanaf 2024. Daarbij is het streven dat ten minste twee derde van de nieuwbouwwoningen betaalbaar zijn. Daarom is nationaal de

23

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Woningbouw locatie Platepolder fase 2a Heinkenszand

bouw van 250.000 sociale corporatiewoningen en 350.000 woningen in het middensegment (midden huur- en koopwoningen onder de 405.000 euro) nodig. Met gemeenten, provincies en Rijk zijn afspraken gemaakt over ieders aandeel in het behalen van deze doelstellingen. De woondeal is een regionale doorvertaling naar de Zeeuwse gemeenten van de afspraken tussen het Rijk en de provincie. De Woondeal regio Zeeland, welke begin 2023 is gesloten, bevat afspraken over onderwerpen en thema’s die van belang zijn voor de gehele regio, zoals de woningbouwopgave, het betaalbaar houden van de woningvoorraad, een bijdrage leveren aan klimaat- en de leefbaarheidsvraagstukken. Daarnaast zijn er afspraken gemaakt die specifiek op de huisvestingsvraagstukken van een bepaalde doelgroep of op een ander specifiek onderwerp zijn gericht. Voor de Zeeuwse gemeenten, waaronder de Bevelanden wordt geconcludeerd, dat er een kwalitatieve en kwantitatieve woonopgave ligt. Kwantiteit De kwantitatieve opgave dient dus om het huidige tekort in te lopen en daarnaast is er behoefte aan nieuwbouw voor de toekomstige groei. Vanuit kwantitatief opzicht streven de Zeeuwse gemeenten naar het realiseren van 16.500 woningen van 2022 tot en met 2030, met als uitgangspunt dat twee derde van de woningen betaalbaar dient te zijn. Elke gemeente spant zich in om een eerlijk deel op zich te nemen.

Voor de gemeente Borsele betekent dit concreet, dat zij zich zal inzetten om tot 2030 minimaal 510 woningen binnen haar gemeente te realiseren. Deze cijfers zijn niet in beton gegoten; de voortgang wordt gemonitord en indien nodig worden streefcijfers jaarlijks bijgesteld als veranderingen op de woningmarkt daartoe aanleiding geven. Betaalbaarheid en kwaliteit Naast een algemeen tekort aan passende woningen is er ook een tekort aan betaalbare woningen. Dat geldt voor de doelgroep die vooral is aangewezen op een sociale huurwoningen. Het bouwen van woningen is de afgelopen jaren achtergebleven bij de behoefte. Dit heeft tot tekorten op de woningmarkt geleid. De opgave blijkt ook duidelijk uit de huidige urgentie op de woningmarkt, die wordt veroorzaakt door almaar stijgende prijzen en de krapte in het beschikbare woningaanbod. Voor veel woningzoekenden is het moeilijk om een geschikte woning te vinden. Of het nu gaat om starters op de woningmarkt, om mensen die graag in aanmerking willen komen voor een sociale huurwoning, om burgers met een middeninkomen of om oudere inwoners die een (zorg)geschikte woning zoeken; allemaal worden ze geconfronteerd met dezelfde problemen. Overal zijn lange wachtlijsten en zijn mensen al jaren tevergeefs op zoek zijn naar een woning.

Uitgaande van de meest actuele cijfers van de provincie Zeeland kan worden voorzien in de behoefte door de bouw van de afgesproken aantallen nieuw te bouwen woningen. Echter, de kwaliteit en betaalbaarheid van deze toe te voegen woningen blijft een aandachtspunt. Sleutelprojecten In de Woondeal zijn voor alle Zeeuwse subregio’s regionale en gemeentelijke sleutelprojecten in beeld gebracht: woningbouwprojecten die essentieel zijn voor versnelling van de bouwproductie en volkshuisvestingsopgave. Platepolder is daarbij aangewezen als gemeentelijk sleutelproject, waarbij naast fase 1 (94 woningen), het beoogd aantal woningen voor het totale plangebied (94 + 194) indicatief is aangegeven. Dit biedt ruimte om het opgenomen aantal aan de hand van actuele woningbehoefte te heroverwegen en bij te stellen. Bij sleutelprojecten streeft men te komen tot een verdeling van 2/3 betaalbare en 1/3 dure woningen. Onder de definitie van betaalbaar vallen betaalbare koop (maximaal € 405.000,-, prijspeil 2025), maar ook middenhuur (€ 1.165,81 of minder per maand, prijspeil 2024) en sociale huur. Naast de inzet op 2/3 betaalbare nieuwbouw, moet iedere gemeente zijn eerlijke aandeel nemen in sociale huisvesting. Het streven is om landelijk ten minste 30 procent van de woningvoorraad te laten bestaan uit sociale huurwoningen.

24

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Woningbouw locatie Platepolder fase 2a Heinkenszand

Toetsing Momenteel is er sprake van krapte op de woningmarkt. De kwantitatieve opgave dient dus om het huidige tekort in te lopen en daarnaast is er behoefte aan nieuwbouw voor de toekomstige groei. Met het woningbouwprogramma wordt ervoor gezorgd, dat het aanbod met maximaal 83 nieuwbouwwoningen in aansluiting op de behoefte toeneemt. Zo worden betaalbare woningen voor onder meer starters en huishoudens die toe zijn aan de vervolgstap in hun wooncarrière gerealiseerd. Daarnaast biedt het programma ook ruimte voor het realiseren van levensloopbestendige woningen. Aanvullend daaraan zijn nog 19 hofwoningen uit fase 1 in het betaalbare segment voorzien, welke onderdeel uitmaken van het woningbouwprogramma en een bijdrage aan de versnellingsopgave leveren. Het uitgangspunt is dat met dit woningbouwprogramma wordt voldaan aan de eis dat 2/3 van de nieuwbouwwoningen in het betaalbare segment moeten worden gerealiseerd. Het woningbouwprogramma, inclusief de hofwoningen uit fase 1luidt in beginsel als volgt: • 27 sociale huurwoningen (26%); • 21 betaalbare tussenwoningen (20%); • 19 betaalbare hofwoningen (fase 1, 19); • 35 dure woningen (34%). Hiermee wordt 66% in het betaalbare segment gebouwd. Nu zicht op realisatie essentieel is, is het programma op grond van de beschikbare gegevens en onderzoeken en in nauwe samenspraak met de ontwikkelende markt vastgesteld.

Hiermee voldoet de ontwikkeling aan de afspraken vanuit de Woondeal. 3.3.3

REGIONALE WONINGMARKTAFSPRAKEN

De regio De Bevelanden heeft een historie opgebouwd met beleidsmatige samenwerking op het gebied van wonen. In 2013 zijn de eerste woningmarktafspraken opgesteld voor De Bevelanden en in 2016 zijn deze geactualiseerd met een nieuw regionaal woningbouwprogramma. In de Agenda Wonen De Bevelanden 2025 zijn destijds afspraken vastgelegd over woningbouw en inhoudelijke zaken ten aanzien van het wonen, zoals herstructurering, wonen en zorg, huisvesting van arbeidsmigranten en prestatieafspraken met de corporaties. Deze afspraken zijn jaarlijks binnen de regio gemonitord. In 2020 zijn de woningmarktafspraken geactualiseerd in de 'Woningmarktafspraken De Bevelanden 20202030'. De basis voor deze woningmarktafspraken is de regionale Woonvisie 2019-2023 (zie hierna). Deze visie is vertaald naar een aantal algemene, ruimtelijke en programmatische uitgangspunten. De beoogde ontwikkeling sluit aan bij de volgende uitgangspunten: Algemeen: • Niet méér bouwen dan de behoefte; • Uitsluitend producten die echt iets toevoegen; • Lokaal maatwerk, aansluiten bij de plek en DNA; • Flexibiliteit in de plannen; • Onderling bespreken en afstemmen aan de voorkant. Ruimtelijk: • Hoge dichtheid in de kernen, lage in het landschap; • In principe binnen de kernen, bij voorzieningen; • Vooral focus op kleine huishoudens in stad en dragende kernen.

Programmatisch: • Duurzaam; • Levensloop- en toekomstbestendig; • Aandacht voor groen en water. Regionaal heeft een kwantitatieve afweging plaatsgevonden, daar in de woningbouwprogrammering 2020 – 2030 voor de nieuwbouwwijk Platepolder 150 nieuwbouwwoningen zijn opgenomen. Door de

25

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Woningbouw locatie Platepolder fase 2a Heinkenszand

(stormachtige) ontwikkelingen op de woningmarkt, is het daarin opgenomen woningaantal echter achterhaald. Herijking van de afspraken en daarmee vernieuwing en doorstroming op de woningmarkt nodig is, staat buiten kijf. Momenteel worden de woningmarktafspraken dan ook herzien, De vaststelling daarvan moet voor 1 januari 2026 plaatsvinden. In het kader van de herziening wordt niet alleen naar de aantallen gekeken, maar ook afgewogen in hoeverre nieuwe plannen aantoonbaar inspelen op de kwalitatieve woningbehoefte en of zij bijdragen aan andere kwalitatieve ambities. Toetsing Een ontwikkeling dient aan de regionale marktafspraken te voldoen. Deze afspraken worden nu herzien, met dien verstande dat de voorliggende ontwikkeling en het totaal aantal beoogde woningen; circa 300, in de nieuwe regionale woningmarktafspraken worden meegenomen. Voor fase 2a is aan de hand van de beschikbare gegevens en onderzoeken in samenspraak met de markt gekeken wat de exacte behoefte is. Hierdoor is de volkshuisvestelijke behoefte scherp gesteld en wordt verzekerd, dat realistisch en vraaggestuurd wordt gebouwd. Daarnaast is het de ambitie om op termijn direct ten oosten van de nieuwbouwwijk een groen uitloopgebied aan te leggen. De ontwikkeling speelt hiermee in, zowel in kwalitatieve als kwantitatieve zin, als ruimtelijke en landschappelijk, op regionale ambities.

Meer concreet: het ontwikkelen van een duurzame en toekomstbestendige woningvoorraad, uitgaande van een passend woningaanbod voor iedereen en bovendien nieuwbouw die echt iets toevoegt. 3.3.4 KWALITATIEF WOONONDERZOEK ZEELAND (12 MAART 2025) Zeeland kent stevige woonopgaven, zowel in nieuwbouw als in de bestaande voorraad. Samenwerking op Zeeuws niveau is cruciaal om deze opgaven het hoofd te bieden. De provincie Zeeland heeft de ambitie om in 2040 een toekomstbestendige woningvoorraad te hebben die in kwantiteit en kwaliteit 100% aansluit bij de vraag. Met de Zeeuwse Woonagenda en Zeeuwse Woondeal is er de afgelopen jaren al hard gewerkt om invulling te geven aan deze samenwerking. Doorbouwen aan toekomstbestendig wonen in 2040 vraagt om grondige en actuele inzichten in de omvang en samenstelling van de bestaande woningvoorraad en de ontwikkeling van de kwantitatieve en kwalitatieve woningvraag op (middel-) lange termijn. In 2019 is er door de Stec groep voor het laatst provinciebreed een Kwalitatief WoonOnderzoek uitgevoerd. Dat onderzoek was toe aan een update. Zo was het noodzakelijk de gegevens te actualiseren; de woningmarkt is namelijk in een paar jaar tijd sterk veranderd. Daarnaast was en is ook behoefte aan nieuwe inzichten om de woningmarkt nog scherper in beeld te krijgen. Dit kan onder andere door gebruik te maken van nieuwe databronnen.

Met dit geactualiseerde onderzoek, uitgevoerd begin 2025 door de Stec groep, moet de basis gelegd worden voor nieuw beleid, afspraken en programmering, zodat het onderzoek de gehele provincie Zeeland verder helpt om woonambities – samen – waar te maken. De hoofdconclusies van het onderzoek luiden: • De betaalbaarheid van de huidige woningvoorraad staat onder druk; • Er is sprake van meer migratie naar Zeeland met vergrijzing als onderstroom; • Naar verwachting groeien de huishoudens en vergrijzing tot 2050; • Er is behoefte aan betaalbare nultredenwoningen; • Vrijkomende koopwoningen bieden kansen; • Er is een stevige sociale woningvoorraad nodig om de aandachtsgroepen te kunnen huisvesten en de druk op dit segment te beperken; • Scans van de bestaande woningvoorraad helpen meer grip te krijgen op een toekomstbestendige woningvoorraad in 2040. Er wordt onder meer geadviseerd bij nieuwbouw in te zetten op 2/3 betaalbare woningen als minimum en in meer geschikte ouderenhuisvesting te voorzien. De belangrijkste conclusies met betrekking tot de woningmarkt voor de Bevelanden luiden: • De goedkope koopwoningvoorraad tot € 235.000 is in vier jaar tijd sterk afgenomen. In 2020 had nog 52% van de koopwoningen een WOZ-waarde lager dan € 235.000, in 2024 is dit 16%;

26

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Woningbouw locatie Platepolder fase 2a Heinkenszand

• •

In het huidig aanbod op de koopwoningmarkt is een verdere afname van het goedkope koopwoningsegment te zien. In november 2024 had slechts 18% een vraagprijs tot € 290.000; De passende woningvoorraad voor huishoudens met een laag inkomen is hierdoor krap geworden. De koopwoningvoorraad die bereikbaar voor hen is, is beperkter geworden en er zijn onvoldoende huurwoningen om dit op te vangen.

Toetsing Het programma voor fase 2a sluit naadloos aan op het meest recente onderzoek, zowel qua woningtypen, segment als doelgroepen. 3.3.5

REGIONALE WOONVISIE

Met de regionale Woonvisie 2019 - 2023 beogen de vijf Bevelandse gemeenten inzicht te geven in de gezamenlijke missie en ambities van de regiogemeenten op het gebied van het wonen. De visie is een parapluvisie voor verdere uitwerking in lokaal beleid. De woonvisie bevat de volgende missie: “Wij willen een aantrekkelijke regio zijn waar men graag woont, met een regionaal passend, duurzaam en toekomstbestendig woningaanbod”. Vanuit deze missie zijn de volgende vijf ambities geformuleerd: 1. De Bevelanden zet in op een duurzame en toekomstbestendige woningvoorraad. De Bevelanden heeft forse ambities op het gebied van duurzaamheid. In de woningvoorraad kan nog veel energie bespaard worden. Door het uitvoeren van energetische maatregelen in bestaande woningen, door het nemen van extra energiebesparende maatregelen in nieuwbouw en door bewustwording en gedragsverandering. Hiervoor zijn zowel particuliere investeringen als investeringen van woningcorporaties en inzet van het bedrijfsleven nodig. 2. De Bevelanden voor iedereen. De regio De Bevelanden wil een complete regio zijn, met een passend woningaanbod voor jong en oud, rijk en arm, kleine en grote huishoudens, met en zonder ondersteuning, permanent en tijdelijk. 3. De Bevelanden zet alleen in op nieuwbouw die echt iets toevoegt. De Bevelanden streeft naar evenwicht in vraag en aanbod op de woningmarkt.

De verwachte huishoudensgroei is de belangrijkste onderlegger voor het regionale woningbouwprogramma. 4. De Bevelanden benut het bestaande. De Bevelanden streeft naar een toekomstbestendige woningvoorraad. Dit betekent continu investeren in onderhoud, aanpasbaarheid en verduurzaming van de bestaande woningvoorraad. Naast de focus op vastgoed zal er ook aandacht moeten zijn voor de aanpak van sociale problematiek en de kwaliteit van de openbare ruimte. 5. De Bevelanden zorgt. Regio De Bevelanden wil een zorgzame regio zijn, waar vraag en aanbod naar wonen met zorg in balans zijn, ook voor de meest kwetsbare groepen. Hierbij ziet de regio kansen voor innovatieve vormen van wonen met zorg die de diversiteit aan woonmilieus voor regionale woningmarkt als geheel zullen vergroten. De woningbouwontwikkeling levert een bijdrage aan de ambities de ‘Bevelanden voor iedereen’ en nieuwbouw die echt iets toevoegt. Toetsing Met fase 2a wordt aan het woningaanbod woningen toegevoegd waar behoefte aan bestaat. De ontwikkeling is noodzakelijk voor realisatie van de gemeentelijke en regionale opgave. Daarnaast wordt er aangesloten bij de identiteit van de locatie en directe omgeving. De stedenbouwkundige hoofdopzet heeft als uitgangspunt het specifieke karakter van het gebied te behouden, te versterken, te verbinden. 3.3.6

WOON(ZORG)VISIE DE BEVELANDEN 2024 -2028

Voor onderhavige ontwikkeling is met name het thema Nieuwbouw uit de visie van belang. Hierover staat: ‘De Bevelanden streeft naar evenwicht in vraag en aanbod op de woningmarkt. De verwachte huishoudensgroei is de belangrijkste onderlegger voor het regionale woningbouwprogramma en de Woondeal die we met de provincie Zeeland en de Rijksoverheid hebben gesloten. Het realiseren van de

27

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Woningbouw locatie Platepolder fase 2a Heinkenszand

doelstellingen uit de Woondeal, met behoud van bestaande kwaliteiten en de regionale identiteit, blijft één van de belangrijkste opgaven in ons woonbeleid.’ Daarbij is de volgende ambitie geformuleerd: ‘We bouwen gecontroleerd, met aandacht voor het wegwerken van actuele tekorten. Hierbij volgen we de ambities van de Woondeal’. Daarnaast gaat de visie in op het zolang mogelijk zelfstandig kunnen wonen van ouderen. Dit stelt eisen aan de woningen. Toetsing Binnen het plangebied wordt ruimte geboden om onder meer levensloopbestendige en sociale huuren koopwoningen te realiseren. Voor een toetsing aan de Zeeuwse Woondeal en woningmarktafspraken wordt naar de voorgaande paragrafen verwezen. 3.3.7

CONCLUSIE

Vanuit kwalitatief oogpunt dient nieuwbouw zich met name te richten op bereikbare, goede en betaalbare woningen. Vanuit kwantitatief oogpunt wordt invulling gegeven aan de Zeeuwse Woonagenda, woningmarktafspraken en Zeeuwse Woondeal. Verder voldoet het project aan de regionale woningmarktafspraken en levert het een waardevolle toevoeging aan de bestaande woningvoorraad.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

OMGEVINGSVISIE BORSELE

De Omgevingsvisie Borsele (vastgesteld 5 oktober 2023) bevat een beschrijving van wat de gemeente belangrijk vindt voor de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie gaat in op ambities, doelen en de samenhang tussen de onderdelen van de leefomgeving. De aspecten van de omgeving waar de gemeente trots op is en wil beschermen en verbeteren. Maar de gemeente wil met de visie ook een antwoord geven op allerlei nieuwe opgaven die op de gemeente afkomen. Zoals op het gebied van klimaat, energie, landbouw, vergrijzing, zorg en mobiliteit. De omgevingsvisie inspireert mensen tot het aandragen van ideeën en enthousiasmeert om ambities op te pakken. Daarbij maakt de omgevingsvisie duidelijk wat de gemeente doet en wat de verantwoordelijkheid van anderen is. Na een beschrijving van de kernkwaliteiten van de gemeente Borsele wordt in de visie ingegaan op de opgaven waar de gemeente voor staat en de koers die zij daarbij wil varen. Relevant voor het beoogde project is het gestelde over “Hoe houden we Borsele een fijne plek om te wonen?”. De visie stelt dat: • Zolang er behoefte is, bestaat er in alle dorpen ruimte voor woningbouw, maar het grootste deel van de woningbouw landt in Heinkenszand en ’s-Gravenpolder. Door de gespannen woningmarkt komen er meer woningen dan in het verleden; • Het woningaanbod moet aansluiten bij de behoeften vanuit de samenleving.

De gemeente heeft daarbij expliciet aandacht voor de doelgroepen: jongeren, starters, senioren, zorgbehoevenden etc.; • Het accent voor woningbouw ligt op inbreiding. Uitbreiding wordt echter niet uitgesloten. Voor alle kernen geldt dat woningbouw ‘op Borselse schaal’ plaats moet vinden; • De gemeente biedt meer ruimte voor ‘nieuwe’ woonvormen. Daarbij beperkt ze zich niet tot blauwdrukken als tiny houses of knarrenhofjes, maar wil ze over de volle breedte ruimte bieden om met creatieve ideeën te komen die bijdragen aan het oplossen van de woningnood; • Deze ambities kunnen niet los gezien worden van de wijze waarop de gemeente op beeldkwaliteit stuurt. De gemeente blijft sturen op beeldkwaliteit, maar gaat wel meer ruimte bieden om goede oplossingen mogelijk te maken.

28

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Woningbouw locatie Platepolder fase 2a Heinkenszand

Toetsing Fase 2a sluit volledig aan op het gemeentelijke beleid om de urgente en grote vraag naar woningen, onder meer bedoeld om de lokale behoefte, in de nieuwbouwwijk van Heinkenszand op te vangen. 3.4.2

GROENSTRUCTUURPLAN 2018-2038

Het beleid voor het openbaar groen heeft de gemeente Borsele vastgelegd in een groenstructuurplan (GSP). Dit beleid richt zich op de groenstructuur (de ruimtelijke verschijningsvorm van openbaar groen) en het groenbeheer (de wijze waarop het openbaar groen wordt onderhouden). De ruimtelijke verschijningsvorm van het openbaar groen is per woonkern verschillend en vindt zijn oorsprong in de (historische) ruimtelijke ontwikkeling van het dorp. Voor elk dorp is aansluitend op het “Groenstructuurplan 2018-2038; Basisdocument” een apart ruimtelijk plan gemaakt, afgestemd op de specifieke dorpskarakteristiek. Hoofddoelstelling van het GSP is het ‘behoud en vergroting van de ruimtelijke kwaliteit’. Op de ambitiekaart voor Heinkenszand staat voor het plangebied ‘behouden en versterken van hoofdgroenstructuur’ centraal. Hierbij liggen kansen langs de randen van het dorp. Toetsing De dijkbeplanting in vorm van bomen maakt geen deel uit van het plangebied, maar maakt wel deel uit van de hoofdgroenstructuur. Het accent ligt hier op behoud en ontwikkeling van de aanwezige groene elementen. Verder worden er voor de diverse deelgebieden suggesties gegeven.

Voor het totale plangebied ziet dit onder meer het aanbrengen van robuuste groenstructuur langs de dijken, het bevorderen van de biodiversiteit en aanleggen van een nieuwe bermsloot met wadi in relatie tot de waterberging en klimaatadaptatie. Met de ontwikkeling wordt aan het groenbeleid tegemoet gekomen. De Zuidzaksedijk en Oudekamersedijk met het bestaande groen vormen een van de dragers van de stedenbouwkundige hoofdstructuur. Ook wordt tegemoet gekomen aan het bufferen van het water, door de bestaande watergang in het plangebied te verbreden, om het water vervolgens te geleiden naar het oostelijk van het plangebied gelegen gebied waar waterpartijen zullen worden gelegd. De watergangen en waterpartijen vormen daarmee een robuust stelsel om het hemelwater, ook ingeval van stortbuien, op een duurzame manier op te vangen en in de bodem te infiltreren. Daarnaast is het de ambitie om , grenzend aan de woonwijk Platepolder, een uitloopgebied in de vorm van een park met bijbehorende voorzieningen, wandel- en fietspaden aan te leggen. De waterpartijen die daar reeds zijn voorzien, zullen met de aanleg van het park worden mee-ontworpen. Voor het uitloopgebied zal een separate procedure worden doorlopen. Dit openbare park is daarmee niet alleen een uitloopgebied voor de toekomstige maar ook voor huidige bewoners van Heinkenszand toegankelijk.

De aanleg van een park gaat hittestress tegen en zal bovendien een bijdrage aan de gewenste biodiversiteit kunnen leveren. De ontwikkeling draagt bij aan de opwaardering van de leefomgeving van niet alleen het plangebied zelf, maar voor de hele kern Heinkenszand. 3.4.3

CONCLUSIE

In de nieuwe woonwijk Platepolder zijn in de eindsituatie circa 300 woningen voorzien. De wijk wordt gefaseerd ontwikkeld. Fase 1 is reeds onherroepelijk en voorziet in de bouw van maximaal 94 woningen. Fase 2a wordt door middel van voorliggend TAM-omgevingsplan, in aansluiting op fase 1, planologisch-juridisch vastgelegd en maakt de bouw van maximaal 83 woningen met de aanleg van de centrale ontsluitingsstructuur mogelijk. Hiermee wordt door de gemeente actief invulling gegeven aan haar taak woningbouwmogelijkheden te bieden, die, zowel in kwantitatieve als kwalitatieve zin, aansluiten bij de volkshuisvestelijke behoefte van de (lokale) bevolking. Immers het huidige programma voldoet aan de actuele marktvraag, de Zeeuwse Woondeal en regionale woningafspraken; de ruimtelijke ontwikkeling past daarmee binnen de voor de regio en gemeente vastgestelde, urgente woningbehoefte en sluit daarmee aan bij het gedachtegoed van de ladder. Hiermee is – naast de kwalitatieve behoefte – tevens de kwantitatieve behoefte voor de ontwikkeling afdoende aangetoond. Geconcludeerd wordt, dat het plan past binnen de genoemde beleidskaders.

29

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Woningbouw locatie Platepolder fase 2a Heinkenszand

Hoofdstuk 4 4.1

Omgevingsaspecten

Inleiding en leeswijzer

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet. De beschrijving wordt per aspect in een aparte paragraaf opgenomen en wordt in subparagrafen onderverdeeld.

4.2

Cultuurhistorie

4.2.1

WETTELIJK KADER

Cultureel erfgoed bestaat uit rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten, provinciale monumenten en archeologische monumenten. De bescherming van erfgoed wordt onder de Omgevingswet geregeld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), de provinciale omgevingsverordening en het omgevingsplan. De Omgevingswet definieert in bijlage A (begrippen) cultureel erfgoed als volgt: ‘monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet.’ Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. De Erfgoedwet is de opvolger van de Monumentenwet 1988 en andere regelingen op het gebied van cultureel erfgoed. De Monumentenwet 1988 is niet in zijn geheel opgegaan in de Erfgoedwet. Er is een thematische verdeling tussen de Erfgoedwet en de Omgevingswet: “de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staan in de Erfgoedwet; de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet.” Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet is een overgangsregeling opgenomen in hoofdstuk 9 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet en de Omgevingswet maken samen een integrale bescherming van cultureel erfgoed mogelijk.

Daarnaast zijn (in hoofdstuk 13 en 14) in het Besluit algemene leefomgeving (Bal) algemene rijksregels opgenomen die betrekking hebben op rijksmonumenten. In hoofdstuk 13 van het Bal zijn regels opgenomen met betrekking tot andere activiteiten dan rijksmonumentactiviteiten die invloed kunnen hebben op een rijksmonument. In het Bal staan ook regels opgenomen voor de bescherming van werelderfgoed. Naast rijksmonumenten zijn er ook gemeentelijke monumenten. In het omgevingsplan kan de gemeenteraad monumenten aanwijzen. De gemeente heeft daarnaast een zorgplicht om aantasting van beschermde monumenten te voorkomen. In het omgevingsplan zal de gemeente voor zowel rijksmonumenten als provinciale en gemeentelijke monumenten beschermingsregels moeten opnemen. In artikel 13.8 Bal is de bevoegdheid opgenomen voor gemeenten om maatwerkregels op te nemen in het omgevingsplan. In artikel 5.130, tweede lid van het Besluit Kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Deze regels zien onder andere op het voorkomen van ontsiering, beschadiging, verplaatsing en gebruik van monumenten. Tot het moment dat regels over beschermde monumenten en stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen in het omgevingsplan zijn opgenomen, blijft de gemeentelijke Erfgoedverordening van toepassing. Daarna blijft de erfgoedverordening op grond van de Erfgoedwet in afgeslankte vorm bestaan.

De verordening bevat dan alleen nog regels over cultureel erfgoed die níet over de fysieke leefomgeving gaan, zoals regels voor roerend erfgoed, over een subsidieregeling of de procedure voor de aanwijzing van beschermde monumenten. Daarnaast zijn in de bruidsschat een aantal relevante bepalingen (overgangsrecht) opgenomen die kunnen bijdragen aan het beschermen van cultureel erfgoed. Zo zijn er regels gesteld voor een op grond van een verordening aangewezen of voorbeschermd monument (artikel 22.290 bruidsschat). Deze bepalingen gaan over aanvraagvereisten omgevingsplanactiviteit voor het slopen van

30

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Woningbouw locatie Platepolder fase 2a Heinkenszand

bouwwerken in gemeentelijk en rijksbeschermd, stads- en dorpsgezicht (artikel 22.296 respectievelijk artikel 22.302). De karakteristieke landschappelijke kenmerken zijn door de provincie aangegeven op de cultuurhistorische waardenkaart. 4.2.2

ONDERZOEK

Op basis van de provinciale kaart 'cultuurhistorie' uit het online geoloket zijn de volgende cultuurhistorische waarden aan het plangebied te koppelen: • Het plangebied zal deel uit gaan maken van de kern Heinkenszand. Deze kern is aangemerkt als dijk- en wegdorp. Vanwege de ligging van het plangebied buiten de bebouwde kom is de realisatie van de nieuwbouwwijk hierop niet van invloed. • Het plangebied wordt aan de west- en oostzijde begrensd door twee dijken. Dit betreffen de Zuidzaksedijk (oost) en de Oudekamersedijk (west) zijn aangemerkt als historische dijken. Beiden vallen ook onder de categorie polderdijk en stammen uit respectievelijk de jaren 1400 en 1350-1400. Kenmerkend voor de Oudekamersedijk is dat op een gedeelte van deze dijk een onverharde weg aanwezig is. De dijken vallen buiten het plangebied waardoor er geen veranderingen optreden ten aanzien van deze dijken. • Het plangebied is, zoals de naam van het bestemmingsplan al aangeeft, gelegen in de Platepolder. Deze polder is ca. 47 ha groot met een hoogteligging van gemiddeld 0,7 m + NAP. In de noordwesthoek bevindt zich een klein deel van de bebouwing van Heinkenszand, verder is het een open agrarische polder. De Platepolder betreft een 15e eeuwse polder, maar door eerdere herinrichting is de historisch-ruimtelijke structuur grotendeels verdwenen.

Alleen het Platewegje is als relict uit het verleden nog aanwezig in de Platepolder. Deze blijft behouden en is opgenomen in de nieuwe stedenbouwkundige structuur. Een invulling van deze polder door de voorgestane woningbouw zorgt dan ook niet voor een verdere verstoring van de historisch-ruimtelijke structuur van deze polder. 4.2.3

CONCLUSIE

Door de beoogde ontwikkeling worden geen cultuurhistorische waarden aangetast. Vanuit het aspect cultuurhistorie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.3

Archeologie

4.3.1

WETTELIJK KADER

Onder de Omgevingswet is sprake van een continuering van de huidige regels met betrekking tot de bescherming van archeologische waarden. Gemeenten moeten regels in het omgevingsplan stellen met het oog op ‘het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten, in ieder geval ter uitvoering van het verdrag van Granada en het verdrag van Valletta’ (art. 2.28 Omgevingswet). Door middel van de omgevingsvergunning wordt hieraan uitvoering gegeven (art. 5.1 Omgevingswet). De bruidsschat omvat voor het thema archeologie regels over gemeentelijke archeologische monumenten, regels over wanneer sprake is van een vrijstelling van archeologisch onderzoek en de vergunningprocedure (aanvraagvereisten en voorschriften). Deze regels zijn afkomstig uit de Erfgoedwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Ministeriële regeling Omgevingsrecht (Mor). De zorgplicht voor archeologisch erfgoed ligt sinds 2007 bij gemeenten. Gemeenten waren reeds verplicht om in bestemmingsplannen en beheersverordeningen rekening te houden met archeologische resten. Vanaf 2012 zijn ook de bredere cultuurhistorische waarden een verplicht punt in bestemmingsplannen.

Gemeenten moeten in ieder geval in de toelichting van het bestemmingsplan aangeven hoe rekening is gehouden met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden van gebouwd erfgoed, archeologie en cultuurlandschap.

31

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Woningbouw locatie Platepolder fase 2a Heinkenszand

Vaak hebben gemeenten lokaal archeologiebeleid opgesteld om een goede afweging te kunnen maken tussen het beschermen van archeologische waarden en andere belangen. Door de aanwezigheid van dit lokale archeologiebeleid is al een nadere invulling gegeven aan de vrijstellingsregel uit de Erfgoedwet die nu is opgenomen in de bruidsschat. Het lokale archeologiebeleid is nu in veel, maar niet in alle gevallen, opgenomen in de bestemmingsplannen. De erfgoedverordening is het vangnet, dat ervoor zorgt dat bij die bestemmingsplannen waarin geen archeologie is opgenomen, toch een vergunningplicht en onderzoekplicht geldt. Dit wijzigt niet in de transitiefase. De vergunningsprocedure (onderdelen Wabo en Mor) en vrijstellingsregel uit de bruidsschat zijn dus al grotendeels geborgd in de regels van de bestemmingsplannen en de aanwezigheid van de erfgoedverordening. 4.3.2

ONDERZOEK

Figuur 6: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart Zeeland.

Door Artefact is voor het plangebied inclusief alle gronden waar de nieuwe woonwijk en uitloopgebied is voorzien een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd (Bijlage 2). Uit dit onderzoek blijkt, met uitzondering van het dijklichaam de Zuidzaksedijk, vervolgonderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. De Oosterschelderegio Archeologisch Samenwerkingsverband (OAS) heeft het onderzoek beschouwd en heeft met de inhoud en het advies uit het rapport ingestemd. Nu in relatie tot onderhavig ontwikkeling geen ontgravingen in de Zuidzaksedijk plaatsvinden, is nader onderzoek in relatie tot fase 2a niet vereist en kan de lage verwachting op archeologische vondsten worden bevestigd. Het opnemen van een beschermingsregime in de regels voor fase 2a kan achterwege blijven, nu er geen indicaties voor de aanwezigheid van archeologische waarden binnen het plangebied zijn aangetroffen. De gronden voor het plangebied zijn op basis hiervan vrijgegeven en geldt een meldingsplicht conform de Erfgoedwet (artikelen 5.10 en 5.11).

32

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Woningbouw locatie Platepolder fase 2a Heinkenszand

4.3.3

CONCLUSIE

Het aspect archeologie vormt – met in acht name van de daarin opgenomen conclusies – geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Vanuit het aspect archeologie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.4

Gezondheid

4.4.1

WETTELIJK KADER

Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet, bevat het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben betrekking op aspecten zoals geluid, lucht en bodem. Deze aspecten worden in de navolgende paragrafen behandeld.

4.5

Geluid door weg-, railverkeer en industrieterreinen

In deze paragraaf wordt ingegaan op het beleid en de regelgeving over geluid dat relevant is voor deze specifieke locatie/ontwikkeling. 4.5.1

WETTELIJK KADER

Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw moet het geluid op de geluidgevoelige gebouwen beoordeeld worden. Hiertoe zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) instructieregels opgenomen. De instructieregels hebben tot doel de gezondheid en het milieu te beschermen tegen te veel geluid. Hiervoor zijn in het Bkl eisen gesteld aan het geluid op geluidgevoelige gebouwen. Een geluidgevoelig gebouw is volgens de begripsbepalingen in bijlage 1 behorende bij de Bkl, een (deel van een) gebouw met een woonfunctie, een gebouw met een onderwijsfunctie, een gebouw voor kinderopvang met bedden, een gebouw voor gezondheidszorg met bedden. Ook ligplaatsen voor woonschepen en standplaatsen voor woonwagens zijn aangewezen als geluidgevoelig. Onder de omgevingswet is in relatie tot (spoor)wegen en industrieterreinen sprake van geluid-productieplafonds (GPP), basisgeluidemmissie (BGE) en aandachtsgebieden. Geluidproductieplafond (GPP) Voor geluid vanwege rijkswegen, provinciale wegen, (hoofd)spoorwegen en industrieterreinen geldt een systeem dat gebaseerd is op geluidproductieplafonds. Een geluidproductieplafond is de maximaal toegelaten hoeveelheid geluid vanwege de betreffende bron op een bepaald punt nabij deze geluidbron (bijvoorbeeld een rijksweg).

De rijksoverheid is verplicht de GPP's van rijkswegen en hoofdspoorwegen te bewaken en te monitoren en neemt maatregelen om een overschrijding van een GPP te voorkomen. Voor provinciale (spoor)wegen en industrieterreinen van provinciaal belang is de provincie verantwoordelijk en voor gemeentelijke industrieterreinen de gemeente. De gegevens over de waarde van het GGP’s, de ligging van een geluidreferentiepunt en het geluidaandachtsgebied zijn opgenomen in het geluidregister (artikel 11.52, Bkl). De waarden van de GPP’s en de ligging van de geluidaandachtsgebieden zijn een gegeven. Basisgeluidemissie (BGE) De basisgeluidemissie is het referentieniveau van het geluid van gemeentewegen, waterschapswegen en lokale spoorwegen. Wegen met een verkeersintensiteit van meer dan 1000 motorvoertuigen per

33

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Woningbouw locatie Platepolder fase 2a Heinkenszand

etmaal zijn relevant voor het bepalen van de basisgeluidemissie. De gemeente bewaakt de toename van geluid ten opzichte van de vastgestelde basisgeluidemissie. De BGE wordt vastgelegd in het geluidregister en vijfjaarlijks gemonitord. Bij een toename van 1,5dB of meer ten opzichte van de BGE worden maatregelen overwogen. De monitoringsverplichting over de BGE loopt synchroon met de bestaande vijfjaarlijkse verplichting vanuit de EU-richtlijn omgevingslawaai. De verplichtingen van de monitoring van geluid worden geïntegreerd met de uitvoering van de Europese richtlijn. In het actieplan geluid zal ingegaan worden op de afweging (artikel 4.23 Bkl) of maatregelen moeten worden genomen en de verplichting tot naleving van de binnenwaarde. De basisgeluidemissie of het actieplan geluid maakt geen deel uit van het omgevingsplan. De regels voor geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen gelden alleen voor geluidgevoelige gebouwen die binnen een geluidaandachtsgebied liggen en voor bronnen met een geluidaandachtsgebied. Geluidaandachtsgebied Een geluidaandachtsgebied is een gebied langs een (spoor)weg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid vanwege de betreffende bron hoger kan zijn dan de standaardwaarde. De grootte van het gebied is afhankelijk van de bron.

Hierbij is in tegenstelling tot het begrip geluidszone de reikwijdte van een geluidaandachtsgebied afhankelijk van de geluidsemissie van de bron en niet van het aantal rijstroken, zoals onder de Wet geluidhinder het geval was. De standaardwaarde is in het algemeen een aanvaardbaar geluidniveau. In het omgevingsplan kan op basis van het type gebied een hogere of lagere standaardwaarde worden vastgesteld. De standaardwaarde staat gelijk aan voldoende kwaliteit voor een gezonde leefomgeving. Bij het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied of het wijzigen of aanleggen van een geluidbron met een geluidsaandachtsgebied moet de geluidbelasting worden getoetst. Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op een geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen van een geluidbronsoort en gelden voor een geluidgevoelig gebouw dat langer dan 10 jaar is toegelaten (artikel 5.78, tweede lid, Bkl). Indien uit onderzoek volgt dat de standaardwaarde wordt overschreden bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw dan wordt het gezamenlijke geluid op de gevel vastgelegd in het omgevingsplan of in de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsactiviteit.

In het kader van het gezamenlijke geluid worden de geluidbronnen ongewogen bij elkaar opgeteld, zonder correcties voor verschillen in hinderlijkheid door te voeren. Het bepalen van het gezamenlijk geluid op de gevel is nodig om de benodigde geluidwering van die gevel te bepalen en gebeurt om de binnenwaarde van het geluidgevoelig gebouw te borgen. Het gecumuleerd geluid op de gevel wordt beoordeeld als het geluid van een geluidbronsoort op de gevel hoger is dan de standaardwaarde en toeneemt ten opzichte van het geluid in de bestaande situatie. Bij het vaststellen van de gecumuleerde geluidsbelasting wordt, anders dan bij het bepalen van het gezamenlijke geluid, de hinderlijkheid van de geluidsbron betrokken. De beoordeling van het gecumuleerd geluid vindt plaats bij de wijziging van het omgevingsplan of bij een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsactiviteit in de volgende situaties: • Het wijzigen of toelaten van een weg, spoorweg of industrieterrein met GP (artikel 3.38 Bkl); • Verhoging van GPP (zonder wijziging) van een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.38 Bkl); • Het wijzigen of toelaten van een weg of lokale spoorweg zonder GPP (artikel 5.78 Bkl); • Het toelaten van een geluidgevoelig gebouw bij een industrieterrein met GPP, een weg of een spoorweg (artikel 5.78ac Bkl).

Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied wordt de geluidwaarde op het gebouw berekend en beoordeeld. Het uitgangspunt is dat het geluid op een geluidgevoelig gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde. Het geluid is dan in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade is klein. Er wordt hierbij geen onderscheid meer gemaakt tussen binnen- of buitenstedelijk gebied. Meer geluid dan de standaardwaarde kan echter als aanvaardbaar beoordeeld

34

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Woningbouw locatie Platepolder fase 2a Heinkenszand

worden. Zo kan een bepaalde locatie een hogere geluidbelasting hebben dan de standaardwaarde terwijl andere factoren voor die locatie juist heel gunstig zijn. De Omgevingswet geeft de mogelijkheid om deze factoren mee te laten wegen. In het gebied waar niet meer wordt voldaan aan de standaardwaarde, maar waar de geluidbelasting nog juist binnen de grenswaarde is, kan onder voorwaarden een hogere geluidbelasting worden toegelaten. Een grenswaarde is een harde grens, waarvan alleen bij uitzondering en alleen in aangegeven gevallen (zoals bij zwaarwegende belangen) kan worden afgeweken (artikel 5.78u, lid 1a Bkl). Bijvoorbeeld wanneer er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen, de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt en het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde. Het bevoegd gezag beoordeelt de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting bij ruimtelijke plannen. Bruidsschat Gedurende de periode dat er nog geen nieuwe regels voor geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen in het nieuwe deel van het omgevingsplan zijn opgenomen, beschrijft de bruidsschat hoe het aandachtsgebied van een (spoor)weg moet worden bepaald (art. 22.273 bruidsschat). Verder gaat de nieuwe systematiek van de GPP’s voor industrieterreinen nog niet meteen in.

Het overgangsrecht van de Omgevingswet (de Aanvullingswet en het Aanvullingsbesluit geluid) bepaalt dat de oude systematiek van de Wet geluidhinder hiervoor voorlopig van kracht blijft. Het bevoegd gezag mag hier zelf het juiste moment voor kiezen, maar de eerste vaststellingen van GPP’s dienen voor alle gezoneerde industrieterreinen te zijn voltooid voor 31 december 2031. 4.5.2

ONDERZOEK

Door Vliex Akoestiek en Lawaaibeheersing is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer op de beoogde woningen (Bijlage 3). Uit het onderzoek blijkt dat het plangebied in het aandachtsgebied van de gemeentewegen, de Drieweg (N665, provinciale weg) en de Heinkenszandseweg (N667, provinciale weg) ligt. Uit het onderzoek blijkt dat: • de hoogst berekende belasting vanwege gemeentewegen 53 Lden bedraagt en de standaardwaarde van 53 Lden niet wordt overschreden; • de geluidbelasting ten gevolge van de Drieweg (N665) 48 dB bedraagt en de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden; • de geluidbelasting ten gevolge van de Heinkenszandseweg 40 dB bedraagt en de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden; • nu de standaardwaarden en voorkeursgrenswaarden niet worden overschreden is een onderzoek naar reductie van geluid niet nodig. Het gezamenlijke geluidniveau en gecumuleerde geluidniveau zijn aan elkaar gelijk. Het gecumuleerde geluidniveau bedraagt ten hoogste 54 Lden. Het geluidklimaat varieert daarmee van erg goed tot redelijk. Alle woningen beschikken over een geluidluwe zijde, waar het gezamenlijke geluid minder dan 53 Lden bedraagt. Verder dienen de woningen over een geluidwering van tenminste 21 dB te schikken, zodat een binnenwaarde van 33 dB kan worden gegarandeerd. 4.5.3

CONCLUSIE

Geluid door wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de planontwikkeling. Vanuit het aspect geluid vanwege wegverkeer is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.6

Geluid door milieubelastende activiteiten

4.6.1

WETTELIJK KADER

Hieronder wordt het kader voor het aspect geluid door milieubelastende activiteiten beschreven, anders dan industrie-, spoorweg-, wegverkeers-, scheepsvaart-, luchtvaartgeluid, en bouw- of sloopgeluid.

35

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Woningbouw locatie Platepolder fase 2a Heinkenszand

Op grond van artikel 5.59, eerste lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is het verplicht om rekening te houden met het geluid van activiteiten, anders dan wonen, op geluidgevoelige gebouwen. Deze verplichting is aan de orde zowel bij het toelaten van geluidveroorzakende activiteiten (met uitzondering van de hierboven genoemde bronnen) als bij het toelaten van geluidgevoelige gebouwen. Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.21 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hierbij moet bij de beoordeling van de geluidsituatie niet alleen gekeken worden naar het geluid van de activiteiten afzonderlijk, maar ook gecumuleerd (voor gecumuleerd geluid zie verder ook paragraaf 6.7). Op grond van het tweede lid van artikel 5.59 Bkl moet het omgevingsplan erin voorzien dat het geluid door een activiteit, anders dan wonen, op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Aan dit vereiste kan voldaan worden door het stellen van geluidwaarden (conform art. 5.65 t/m 5.69 Bkl). Ook is het mogelijk om geen waarden op te nemen als de aard en de locatie van de milieubelastende activiteit hiertoe aanleiding geven. Tot slot is het ook mogelijk om andere regels dan geluidwaarden te stellen, bv. het verplichten tot het treffen van geluidbeperkende maatregelen. Bruidsschat Gedurende de periode dat er nog geen nieuwe regels voor geluid door milieubelastende activiteiten in het nieuwe deel van het omgevingsplan zijn opgenomen, staan in de bruidsschat de regels die zien op de immissie van geluid op geluidgevoelige gebouwen, veroorzaakt door activiteiten (paragraaf 22.3.4 bruidsschat). Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 bruidsschat).

Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: • activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 bruidsschat); • geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 bruidsschat); • geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 bruidsschat). Geluid, veroorzaakt door het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit wordt beschouwd als indirecte hinder. De bruidsschatregels gelden niet voor indirecte hinder. Voor indirecte hinder geldt wel de specifieke zorgplicht (art. 22.44 lid 3 bruidsschat). 4.6.2

ONDERZOEK

In de directe nabijheid van de planlocatie zijn geen geluidbelastende activiteiten aanwezig. Verder wordt verwezen naar paragraaf 4.7 waarin het aspect milieuzonering (nieuwe stijl) nader wordt beschreven en wordt aangesloten op bij de systematiek van de VNG-handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’.

36

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Woningbouw locatie Platepolder fase 2a Heinkenszand

4.7

VNG handreiking activiteiten en milieuzonering

4.7.1

MILIEUZONERING

Onder de Omgevingswet worden aspecten als geluid- en geurhinder niet meer in het milieuspoor geregeld, zoals voorheen in het Activiteitenbesluit of een milieuvergunning, maar direct in het omgevingsplan. Dit is een van de redenen waarom de VNG heeft besloten dat de VNG-handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uit 2009 met de richtafstanden per bedrijfsactiviteit niet meer goed past bij het integrale karakter van de Omgevingswet en het omgevingsplan. Milieuzonering nieuwe stijl (VNG handreiking mei 2019) anticipeert hierop en gaat uit van de beschikbare gebruiksruimte om activiteiten uit te voeren, onder meer voor geluid. De werkelijke milieubelasting van een bedrijfsactiviteit (gebruiksruimte) is dan bepalend of een activiteit op een bepaalde locatie past, en niet meer een richtafstand. In de nieuwe handreiking gaat de VNG uit van drie gebiedstypes: 1. Industrieterreinen, bedrijventerreinen of andere werkgebieden: dit zijn gebieden waar de bedrijfsfunctie (of een andere werkgerelateerde functie) prevaleert; 2. Woongebieden: dit zijn gebieden waar de woonfunctie (en andere milieugevoelige functies) overheerst; 3. Gemengde gebieden met wonen (functiemenging): dit zijn gebieden met een tussenvorm met zowel milieugevoelige functies als bedrijfsfuncties, maar ook andere milieubelastende functies zoals horeca en detailhandel.

De toegestane gebruiksruimte wordt bepaald door de afstand en de ligging van de te beschermen gebouwen: in een gemengd gebied of in een rustige woonwijk. Hoe groter de afstand tot gevoelige gebouwen en locaties, hoe hoger deze norm zal zijn. Dit is dus een verschil met de ‘statische’ afstandsnormen uit de oude handreiking die uitgaan van richtafstanden op basis van de grootste overlastfactor per categorie bedrijf, met dien verstande dat de milieuzonering nieuwe stijl beoogt om voor de begrenzing van de gebruiksruimte van vaste afstanden uit te gaan. Naast de toegekende gebruiksruimten in het omgevingsplan gelden ook de standaard waarden en regels voor geur en geluid op basis van de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Nu de systematiek uit de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ is opgenomen in veel bestemmingen wordt zolang die bestemmingsplannen nog van kracht zijn – ook na overgang in het tijdelijke omgevingsplan van rechtswege – de (oude) systematiek nog toegepast. 4.7.2

ONDERZOEK

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Milieuzonering betekent het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Milieubelastende activiteiten In het plangebied zijn geen milieuhinderlijke bedrijven en/of voorzieningen beoogd. De functie wonen betreft een gevoelige functie waardoor er ook gekeken dient te worden of er in de omgeving milieuhinderlijke bedrijven en/of voorzieningen aanwezig zijn. Het plangebied wordt omgeven door woningen en agrarische gronden.

37

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Woningbouw locatie Platepolder fase 2a Heinkenszand

Spuitzones Op basis van de Omgevingsverordening Zeeland dient in een omgevingsplan waarin het gebruik voor fruitteelt wordt toegelaten op buiten stedelijk gebied gesitueerde grond die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening (18-6-2025) niet als zodanig in gebruik was, een afstand van 50 meter tot grond waarop een woning of verblijfsrecreatie is toegelaten in acht te worden genomen (artikel 5.32 lid 3). Dit heeft te maken met de drift die op kan treden bij het bespuiten van fruitbomen. De beoogde woningbouwontwikkeling is niet binnen de genoemde 50 meter zone van boomgaarden gelegen. Op basis van de rechtspraak dient, naast spuitzones voor fruitbomen, in het kader van de fysieke leefomgeving, ook bij de bewerking van agrarische gronden met gebruik van gewasbeschermingsmiddelen rekening te worden gehouden. Dit vloeit voort uit de plicht voor een gezond woon- en leefklimaat te zorgen. Door het in achtnemen van een spuitzone kunnen omwonenden worden beschermd tegen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Er zijn geen wettelijke bepalingen op het gebied van de minimaal aan te houden afstanden tussen agrarische gronden, waar met bestrijdingsmiddelen kan worden gespoten, en nabijgelegen woningen en daarbij behorende tuinen.

Nu echter de direct aangrenzende agrarische gronden door de gemeente ten behoeve van de woningbouwontwikkeling en aanleg van een uitloopgebied in eigendom zijn verworven, kan worden uitgesloten dat bij de (tijdelijke) bewerking van deze gronden gewasbestrijdingsmiddelen worden toegepast, die schadelijk voor de volksgezondheid kunnen zijn. Dit geldt temeer, daar deze gronden niet meer door de gemeente worden verpacht en daarmee niet meer worden bewerkt. Daarnaast dienen nog de volgende aspecten bij de aanvaardbaarheid van het toestaan van fase 2a, als onderdeel van een nieuwbouwwijk vanuit het aspect milieuzonering te worden betrokken: • de woningbouw in fase 1 heeft reeds een beperkende invloed op de bewerking van de agrarische gronden; • het plangebied wordt in oostelijke richting fysiek door de bestaande Zuidzaksedijk en watergang van de agrarische gronden gescheiden, hetgeen – als er al bestrijdingsmiddelen worden gehanteerd – de drift zal beperken; • het gebruik van pesticiden in Nederland wordt streng gereguleerd via een samenhang van Europese en nationale wet- en regelgeving. De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb) en de bijbehorende Regeling pesticiden en biociden (Rgb) vormen hierbij het juridische kader.

Daarnaast bevat het Bal aanvullende regels voor het gebruik van pesticiden in de open lucht, waaronder driftreductie-eisen, teeltvrije zones en gebruiksbeperkingen bij bepaalde weersomstandigheden, ter bescherming van het milieu en met name oppervlaktewater. De toepassing daarvan wordt streng gecontroleerd • de direct aangrenzende gronden zijn in eigendom van de gemeente, worden niet meer verpacht waardoor het gebruik van gewasbestrijdingsmiddelen is uitgesloten. Deze samenhang van eigendom, ligging, de aanwezigheid van woningen alsmede strikte regelgeving en toezicht, minimaliseren het risico bij het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen in de open lucht. Op basis hiervan wordt milieuhinder geen belemmering geacht voor de beoogde woningen en vice versa wordt de aanwending van de agrarische gronden niet door de toekomstige woningbouw belemmerd, noch geschaad. Geur De bruidsschat bevat regels over: • geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 bruidsschat); • geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 bruidsschat); • geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 bruidsschat); • geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par.

22.3.6.5 bruidsschat). Voor geur zijn er voor dierenverblijven voor landbouwhuisdieren specifieke instructieregels waar de gemeente zich aan moet houden. In deze instructieregels zijn voor landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor, twee typen normen opgenomen: standaardwaarden en grenswaarden. In een

38

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Woningbouw locatie Platepolder fase 2a Heinkenszand

omgevingsplan kan de gemeente afwijken van deze standaardwaarden, zolang dit onder de gestelde grenswaarden blijft. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen geur producerende functies zoals veehouderijen aanwezig die tot geurhinder kunnen leiden. Daarmee is een goed woon- en leefklimaat op het gebied van geur te waarborgen en wordt voldaan aan de instructieregels. 4.7.3

CONCLUSIE

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Vanuit het aspect milieuzonering is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.8

Luchtkwaliteit

4.8.1

WETTELIJK KADER

Het aspect luchtkwaliteit is een belangrijke factor voor een gezonde woon- en leefomgeving. Vanuit de rijksoverheid wordt sterk gestuurd op het verbeteren van de luchtkwaliteit en het terugdringen van de luchtverontreiniging. Hiervoor zijn normen opgesteld, waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen; de zogenaamde verplichte omgevingswaarden. Waaraan een omgevingswaarde moet voldoen staat in artikel 2.9 en artikel 2.10 Omgevingswet. De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) (paragraaf 5.1.4.1Bkl). Volgens deze regels gelden de zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). In artikel 5.51 lid 2 Bkl zijn specifieke aandachtgebieden aangewezen. Dit zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). Daarnaast dient in bepaalde situaties, als de aanleg van een auto- of autosnelweg en tunnel de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld.

Een activiteit is voorts toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering is het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet komen te vervallen. Voor een activiteit die verder niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16786476/1