CConstaterende datBorsele
Koppel je AI →
Document · PDF

11.1.1 Toelichting ontwerp TAM-omgevingsplan Woningbouw locatie Schuitweg

Besluitvormende raadsvergadering 9 juli 2026, gemeente BorseleBij agendapunt: Voorstel tot (gewijzigde) vaststelling van het TAM-omgevingsplan, het beeldkwaliteitsplan en de hogere waarden wegverkeerslawaai ten behoeve van woningbouw op de locatie Schuitweg ’s-Gravenpolder (portefeuille wethouder Kampstra)15.929 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Minimaal Maximaal Aantal

Minimaal

Maximaal

woningen

Totaal gemiddeld

Koop, huis, vrijstaand

7,8

8,6

4

31,2

34,4

32,8

Koop, huis, tussen, hoek

7,0

7,8

9

63,0

70,2

66,6

94,2

104,6

99,4

Totaal

Het relatief beperkte aantal verkeersbewegingen als gevolg van de realisatie van het nieuwbouwplan zal niet leiden tot verkeersproblemen in het dorp. Ten eerste vinden deze verkeersbewegingen verspreid over de dag plaats. Daarnaast geldt dat er bedrijfsbestemmingen worden gesaneerd, waardoor er een afname is van het bedrijfsverkeer op deze wegen. De bestaande wegen kunnen, gelet op de capaciteit en intensiteit, de verkeersgeneratie van de planontwikkeling goed opvangen. Conclusie Er is rekening gehouden met het aspect ‘mobiliteit en parkeren’. 4.4

Cultuurhistorische waarden

Kader De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van het Nederlandse cultureel erfgoed mogelijk. De Omgevingswet is in deze relevant, omdat deze wet gaat over de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving. Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Bij cultureel erfgoed kan het gaan om monumenten zoals (bouw)werken, tuinen en parken, bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten en (delen van) cultuurlandschappen. De gemeente moet voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in het omgevingsplan. In artikel 5.130, lid 2 Bkl zijn hiervoor instructieregels opgenomen. Ook is in het Bkl geregeld dat voorkomen moet worden dat de omgeving van monumenten wordt aangetast op dusdanig wijze dat dit leidt tot ontsiering of beschadiging van die monumenten.

27

Toelichting TAM-omgevingsplan “Hoofdstuk 22g Woningbouw locatie Schuitweg ‘s-Gravenpolder”

Toetsing Binnen het plangebied zijn geen monumenten of cultuurhistorisch waardevolle objecten aanwezig. De woningen Schuitweg 19 en 21 zijn aangemerkt als beeldbepalende panden. Door afstand en de beoogde verschijningsvorm van de vrijstaande woningen, die juist overeenkomt de vormgeving van deze panden, vindt geen aantasting van de cultuurhistorische waarden plaats. De ontwikkeling is verder niet gelegen in een molenbiotoop of cultuurhistorisch waardevol landschap. Conclusie Cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het beoogde plan. 4.5

Archeologie

Kader Onder het behoud van cultureel erfgoed, zoals in voorgaande paragraaf genoemd, vallen ook bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Dit staat in artikel 5.130, lid 1 Bkl. In lid 3 van dit artikel is bepaald dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan ook: a. regels worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie of aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden; en b. gevallen worden aangewezen waarin kan worden afgezien van onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie of het opleggen van plichten met die strekking. In 2011 is er door de gemeente Borsele archeologiebeleid vastgesteld. Bij de invulling van dit beleid wordt onderscheid gemaakt tussen gewaardeerde terreinen en archeologische verwachtingszones. Op terreinen met een archeologische waarde is de aanwezigheid van archeologische sporen en resten bekend. De archeologische verwachtingszones doen een voorspelling over de kans dat er archeologische waarden voorkomen. De waarden- en verwachtingenkaart bestaat uit vier op elkaar te projecteren kaartbeelden die corresponderen met elkaar in tijd opvolgende landschappen waaraan archeologische betekenis kan worden gehecht.

Op basis van dit archeologiebeleid kent het plangebied grotendeels een hoge verwachting op archeologische vondsten. Hierbij geldt een onderzoeksverplichting bij bodemingrepen groter dan 250 m2 en dieper dan 40 cm onder het maaiveld. In de noordwesthoek van het plangebied, ter plaatse van het beoogde groengebied, ligt een locatie die is aangemerkt als een terrein van archeologische waarde. Voor een dergelijk terrein moet onderzoek worden verricht bij bodemingrepen groter dan 50 m2 en dieper dan 40 cm onder het maaiveld. Toetsing In 2008 is door SOB Research een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het zogenaamde bouwplan ’s-Gravenpolder-west. Zie bijlage 1. Het huidige plangebied maakt onderdeel uit van het destijds onderzochte gebied. In 2023 zijn, in het kader van de bouw van de flexwoningen aan de Schuitweg, aanvullende grondboringen gezet (bijlage 2). Aan de archeologisch adviseur van Erfgoed Zeeland is de vraag voorgelegd of voor de thans beoogde ontwikkeling volstaan kan worden met de reeds uitgevoerde onderzoeken. Dit is het geval. Zie hiervoor de bijlagen 3a en 3b. 28

Toelichting TAM-omgevingsplan “Hoofdstuk 22g Woningbouw locatie Schuitweg ‘s-Gravenpolder”

Uitkomst van de onderzoeken en de beoordeling door de archeologisch adviseur is dat het de uitvoeringswerkzaamheden ter plaatse van het grootste gedeelte van het plangebied hoogstwaarschijnlijk niet zullen leiden tot de aantasting van archeologische resten. Uitzondering hierop is de eerdergenoemde locatie in de noordwesthoek van het plangebied. Op desbetreffende gronden is om die reden in voorliggend plan een archeologische dubbelbestemming gelegd. Conclusie Met inachtneming van de regels van de archeologische dubbelbestemming leidt de beoogde ontwikkeling niet tot aantasting van archeologische waarden. Ook daar waar tijdens vooronderzoek geen behoudenswaardige archeologische vindplaatsen zijn aangetroffen, kunnen er toch archeologische grondsporen of vondsten verborgen zijn die in de uitvoeringsfase van toekomstige graafwerkzaamheden aan het licht komen. Voor dergelijke vondsten is er een meldingsplicht op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet. Deze meldingsplicht zal als voorwaarde worden opgenomen in de omgevingsvergunning voor het bouwen. 4.6

Bodemkwaliteit

Kader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu moet voorkomen worden dat bodemgevoelige activiteiten op verontreinigd grond plaatsvinden. Gelet hierop bevat paragraaf 5.1.4.5.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) instructieregels voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. Een bodemgevoelige locatie is: 1. een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; 2. een onmiddellijk aan een bodemgevoelig gebouw grenzende aaneengesloten tuin of een daaraan grenzend aaneengesloten terrein. Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn of een woonschip of woonwagen, met uitzondering van een bijbehorend bouwwerk van ten hoogste 50 m2. Gelet op artikel 5.89j van het Bkl moeten bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit in acht genomen worden. Bij overschrijding van die waarden mag alleen gebouwd worden als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Deze beoordeling vindt plaats in het kader van de verlening van de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken (zie hiervoor de artikelen 22.29 en 22.30 van het omgevingsplan).

Desalniettemin dient het bij de toelating van een bodemgevoelig gebouw aannemelijk te zijn dat de vergunning verleend kan worden en dat het plan financieel uitvoerbaar is. Daarom moet voorafgaand aan de vaststelling van de wijziging van het omgevingsplan onderzoek worden gedaan naar de bodemkwaliteit in het besluitgebied. Bij een geconstateerde (potentiële) verontreiniging moet in verband met de uitvoerbaarheid van de wijziging van het omgevingsplan 29

Toelichting TAM-omgevingsplan “Hoofdstuk 22g Woningbouw locatie Schuitweg ‘s-Gravenpolder”

tevens in kaart worden gebracht welke maatregelen nodig zijn om het beoogde gebruik van de gronden te kunnen realiseren. Toetsing Door MCG Zuidwest en SMA zijn verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd binnen het plangebied. Zie bijlage 4 en 5. Het ene onderzoek richt zich op de locatie van de vrijstaande woningen, terwijl het andere zich richt op de locatie waar de bedrijfsbebouwing wordt gesaneerd: Schuitweg 26 en Burgemeester Jansenstraat 1. Het verkennend bodemonderzoek voor de bedrijfslocatie Burgemeester Jansenstraat 1A vindt momenteel nog plaats. De resultaten van dit onderzoek worden te zijner tijd aan dit plan toegevoegd (bijlage 6). Voor de locatie van de vrijstaande woningen en het groengebied, ten westen van de Schuitweg, geldt dat er geen risico is voor de volksgezondheid en het milieu. De locatie kan voor het toekomstige gebruik gebruikt worden en is voldoende onderzocht. Voor de locatie waar de bedrijven Schuitweg 26 en Burgemeester Jansenstraat 1 worden gesaneerd staat in het verkennend onderzoek het volgende: “Aanvullend bodemonderzoek aangeraden De geconstateerde verhoogde gehalten minerale oliën in de grond op de plek van de tanklocatie geven geen aanleiding tot het uitvoeren van aanvullend of nader bodemonderzoek. Er is geen saneringsnoodzaak. Indien inzicht gewenst is binnen het kader van grondverzetting zou een nader onderzoek van toepassing zijn.

Afvoer van grond naar een grondverwerker Vrijkomende grond > klasse industrie kan op basis van dit rapport worden aangeboden aan een erkende grondreiniger. Overige vrijkomende grond kan op basis van dit rapport worden aangeboden aan een erkende grondverwerker, voor zover herschikking in het werk niet mogelijk is. De grond wordt indicatief geclassificeerd als Industrie. Grondverzet In geval van het nuttig herbestemmen van uitkomende grond kan alsnog een onderzoek conform het Besluit bodemkwaliteit (partijkeuring op grond) nodig zijn. Dit is afhankelijk van onder andere -maar niet uitsluitend- de afzetlocatie, de partijomvang , de aangetroffen gehalten en de bodemvreemde bijmengingen. Er dient ook rekening mee te worden gehouden dat in de bovengrond tot 05, m-mv OCB aanwezig zijn. De afzetmogelijkheden in buurgemeenten op basis van hun Nota’s bodembeheer kunnen hierdoor beperkt worden.” In het onderzoek is dus geconstateerd dat ter plaatse van een ondergrondse olietank (3000 L dieseltank) sprake is van verhoogde gehalten aan minerale olie in de grond. De verhoogde gehalten overschrijden de interventiewaarde niet, maar er is wel sprake van niet toepasbare grond. In het grondwater is een licht verhoogde concentratie aangetoond voor minerale olie. Besloten is om nader onderzoek te verrichten om inzicht te verkrijgen in het volume niet toepasbare grond (bijlage 7).

Op basis van het uitgevoerde nader onderzoek blijkt dat er sprake is van een beperkt volume niet toepasbare grond. De interventiewaarde wordt niet overschreden. 30

Toelichting TAM-omgevingsplan “Hoofdstuk 22g Woningbouw locatie Schuitweg ‘s-Gravenpolder”

Het volume van de niet toepasbare grond wordt geraamd op ongeveer 6 m². Bij toekomstig grondverzet moet rekening worden gehouden met het separaat ontgraven van de licht verontreinigde grond. De grond moet afgevoerd worden naar een erkende verwerker. Daarnaast moet op advies van de RUD de tank worden verwijderd. Bij eventueel afvoer en hergebruik van de grond gelden de regels van het Besluit bodemkwaliteit (partijkeuring) en de Nota bodembeheer van de gemeente Borsele. Conclusie De gemeente neemt de conclusies en aanbevelingen komend uit de uitgevoerde bodemonderzoeken in acht. Bodemkwaliteit vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoering van het plan. 4.7

Geluid

Kader Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw moet het geluid op de geluidgevoelige gebouwen beoordeeld worden. Hiertoe zijn in het Bkl instructieregels opgenomen. De instructieregels hebben tot doel de gezondheid en het milieu te beschermen tegen te veel geluid. In het Bkl zijn eisen gesteld aan het geluid op geluidgevoelige gebouwen. Een geluidgevoelig gebouw is “een (deel van een) gebouw met een woonfunctie, een gebouw met een onderwijsfunctie, een gebouw voor kinderopvang met bedden, een gebouw voor gezondheidszorg met bedden”. Een geluidaandachtsgebied is een gebied langs een (spoor)weg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid vanwege de betreffende bron hoger kan zijn dan de standaardwaarde. De grootte van het gebied is afhankelijk van de bron. De standaardwaarde is in het algemeen een aanvaardbaar geluidniveau. In het omgevingsplan kan op basis van het type gebied een hogere of lagere standaardwaarde worden vastgesteld. De vastgestelde waarde mag in principe niet hoger zijn dat de wettelijk voorgeschreven grenswaarde. Een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd als door een wijziging van het omgevingsplan een geluidgevoelig object mogelijk wordt gemaakt binnen een aandachtsgebied van een bestaande geluidbron of indien de wijziging een nieuwe geluidbron mogelijk maakt.

Toetsing Woningen zijn gevoelige objecten ten aanzien van geluid. In de nabijheid van het plangebied ligt de N666, dit is een provinciale weg met een hoge verkeersintensiteit. Het plangebied ligt binnen het geluidsaandachtsgebied van deze weg. Door akoestisch adviesbureau Van Lienden is om die reden een onderzoek naar het aspect wegverkeerslawaai uitgevoerd. Conclusie van dit onderzoek is dat er op de gevel van een aantal woningen een overschrijding van de standaardwaarde is. De overschrijding is beperkt en er hoeven geen bouwkundige ingrepen te worden uitgevoerd. Verder kennen alle woningen geluidsluwe zijden/buitenruimten. Aanvullende maatregelen zijn niet noodzakelijk. Wel dient voor desbetreffende woningen hogere waarden wegverkeerslawaai te worden vastgesteld. Het volledige akoestisch onderzoek voor het aspect wegverkeerslawaai vindt u als bijlage 8 bij deze toelichting. 31

Toelichting TAM-omgevingsplan “Hoofdstuk 22g Woningbouw locatie Schuitweg ‘s-Gravenpolder”

Nabij de ontwikkeling zijn geen gezoneerde industrieterreinen, of spoorwegen aanwezig. Conclusie Voor een aantal woningen worden hogere waarden vastgesteld. De procedure hiervoor loopt gelijktijdig met de procedure voor voorliggend TAM-omgevingsplan. Geluid vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.8

Milieuzonering

Kader Bedrijven kunnen hinder opleveren voor gevoelige functies, zoals woningen. Daarom is het belangrijk voldoende afstand aan te houden. Wat voldoende afstand is, is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid. Meestal is geluid de belangrijkste factor. Soms is juist de geurhinder, stofhinder of veiligheid (door opslag van gevaarlijke stoffen) bepalend voor de afstand tot gevoelige functies. Gemeenten kunnen deels zelf bepalen wat aanvaardbare afstanden of aanvaardbare geluid- of geurhinderniveaus zijn. Daarbij moeten zij wel rekening houden met de landelijk geldende regels. In het Bkl staan instructieregels van het Rijk die gemeenten in acht moeten nemen bij het toelaten van bedrijven in het omgevingsplan. Het gaat bijvoorbeeld om instructieregels gericht op externe veiligheid. Of op gezondheid en milieu, zoals geluid. Toetsing De ontwikkeling bestaat deels uit het saneren van een (voormalig) bedrijventerrein. Op de voormalige bedrijfsgronden wordt woningbouw gerealiseerd. In die zin is er sprake van een verbetering voor bestaande woonomgeving. In de nabijheid van het plangebied ligt een rioolgemaal in eigendom van het Waterschap Scheldestromen. Voor een rioolgemaal geldt op basis van de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering een richtafstand van 30 meter ten opzichte van een rustige woonwijk in verband met het aspect geur.

De dichtstbijzijnde woningen liggen op meer dan 30 m afstand van het gemaal. Daarnaast is er in de nabijheid van het plangebied een riooloverstort aanwezig. Hiervoor geldt een richtafstand van 50 meter, eveneens voor het aspect geur. In afbeelding 4.1 is een afstand van 50 meter vanaf de overstort in beeld gebracht. De nieuw te bouwen woningen liggen buiten deze contour.

Afbeelding 4.2: 50 meter vanaf uitlaat riooloverstort 32

Toelichting TAM-omgevingsplan “Hoofdstuk 22g Woningbouw locatie Schuitweg ‘s-Gravenpolder”

Overige bedrijven zijn op ruime afstand (meer dan 500 meter) van de planlocatie gelegen. Ten westen van ’s-Gravenpolder ligt onder meer TOP Onions. De gemeente heeft contact met de RUD Zeeland gehad over de vraag of de nieuwe ontwikkeling invloed heeft op de bedrijfsvoering van dit bedrijf en of vice versa of er sprake is van een aanvaardbaar leefklimaat voor de beoogde woningbouw (zie bijlage 9). De RUD geeft aan dat de huidige bedrijfsvoering ten aanzien van geurhinder dient te worden afgestemd op de dichtstbijzijnde woningen rondom de fabriek. Dit is ook in de omgevingsvergunning van het bedrijf opgenomen. Tussen de planlocatie en het bedrijf TOP Onions zijn een groot aantal woningen gelegen. De thans beoogde nieuwbouw vormt daarmee geen beperking voor de bedrijfsvoering, zijn niet de maatgevende woningen. Vice versa is middels de omgevingsvergunning geborgd dat er geen onaanvaardbaar hinderniveau voor de nieuwe woningen kan ontstaan. Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.9

Omgevingsveiligheid

Kader Bij omgevingsveiligheid gaat het om de risico’s van het gebruik, de productie, opslag en transport van gevaarlijke stoffen en windturbines. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties houdt onder meer in dat een gebied zo ingericht wordt dat mensen die er wonen of werken voldoende zijn beschermd bij ongevallen met gevaarlijke stoffen. Daarnaast gaat het om het beperken van schade aan de fysieke leefomgeving in bredere zin (schade aan gebouwen en milieu) bij een ongeval bij een risicovolle activiteit. In paragraaf 5.1.2 Bkl zijn regels opgenomen om de veiligheid te waarborgen. Onder meer bevat deze paragraaf regels voor het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit. De grens- en standaardwaarden voor het plaatsgebonden risico1 moeten in acht worden genomen. Verder gelden er aandachts- en belemmeringengebieden voor, evenals afstanden tot, bepaalde activiteiten met gevaarlijke stoffen. Binnen een aandachtsgebied moet rekening worden gehouden met het groepsrisico.2 Door maatregelen te nemen, kunnen de effecten van hitte, overdruk of een hoge concentratie van een giftige stoffen in de lucht beperkt of voorkomen worden. Deze maatregelen worden meestal in de omgeving genomen en moeten in overleg bepaald worden.

Bij de inrichting van een gebied moet verder rekening gehouden worden met de zelfredzaamheid. Dit is het vermogen van mensen om zich in veiligheid te brengen in een gebied waar een ramp of zwaar ongeval optreedt. Ook moet rekening gehouden worden met de mogelijkheden tot hulpverlening.

1

Plaatsgebonden risico: De kans op het overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie waar een activiteit wordt verricht als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die activiteit. 2 Groepsrisico: De kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door een activiteit.

33

Toelichting TAM-omgevingsplan “Hoofdstuk 22g Woningbouw locatie Schuitweg ‘s-Gravenpolder”

Toetsing Het plangebied ligt niet binnen het aandachtsgebied van risicovolle inrichtingen en transportroutes (bron: website Atlas leefomgeving). Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.10

Luchtkwaliteit

Kader Ons gebruik van de fysieke leefomgeving heeft soms ongewenste bijwerkingen. Bijvoorbeeld luchtverontreiniging. Luchtverontreiniging kan effect hebben op de gezondheid van mensen en de natuur. De Omgevingswet bevat instrumenten en regels die de kwaliteit van de binnen- en buitenlucht bewaken en beschermen. Bij het toelaten van activiteiten moet de gemeente in een aantal situaties toetsen aan omgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Behalve als een activiteit ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn 2 mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze standaardgevallen NIBM vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet dan wel onder een bepaalde omvang blijven (artikel 5.54 Bkl). 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve beschrijving voldoende zijn. Ook kan hiervoor gebruik gemaakt worden van een rekentool.

Toetsing Onder de standaardgevallen NIBM valt onder meer de realisatie van een woonwijk van ten hoogste 1.500 woningen bij 1 ontsluitingsweg. Het aantal toekomstige woningen aan de Schuitweg in ’sGravenpolder ligt met dertien zeer ver onder deze grens. De thans voorgenomen ontwikkeling is te beschouwen als een ontwikkeling die ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet aan de orde. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.11

Natuur

Kader De Omgevingswet regelt het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. Het gaat daarbij zowel om de bescherming van wilde inheemse dier- en plantensoorten als van aangewezen (natuur)gebieden.

34

Toelichting TAM-omgevingsplan “Hoofdstuk 22g Woningbouw locatie Schuitweg ‘s-Gravenpolder”

Door een groot aantal activiteiten en invloeden staat het voortbestaan van veel dier- en plantensoorten onder druk. Door de inzet van wetsinstrumenten wordt de achteruitgang van de biodiversiteit voorkomen. Bij activiteiten in de fysieke leefomgeving moet gecontroleerd worden of er soorten aanwezig en welke soorten dat zijn. Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dat zijn flora- en fauna-activiteiten. Voor het uitvoeren van dergelijke activiteiten kan een omgevingsvergunning nodig zijn. Er zijn gebieden in Nederland die voor flora en fauna van groot belang zijn. Dit zijn de Natura 2000gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. Ze worden beschermd door verschillende wetsinstrumenten. Zo stelt bijvoorbeeld het Rijk regels over activiteiten die een Natura 2000-gebied kunnen benadelen. Wie een dergelijke Natura 2000-activiteit uitvoert, moet voldoen aan die regels. Zoals de specifieke zorgplicht en een informatieplicht bij ongewone voorvallen. Ook kan een vergunningplicht gelden. In het kader van de specifieke zorgplicht kan onderzoek nodig zijn naar de stikstofuitstoot van een plan of project. Hiermee kan beoordeeld worden of op voorhand significant negatieve effecten van stikstofdepositie op kwetsbare natuur kunnen worden uitgesloten.

Toetsing SOORTENBESCHERMING Ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Melk en Honingh heeft twee quickscans flora en fauna uitgevoerd, één voor de te saneren bedrijfslocatie en één voor het agrarische perceel. Verwezen wordt naar de bijlage 10 en 11. Voor de ontwikkeling op het agrarisch perceel blijkt uit de quickscan dat er geen nader onderzoek dient te worden uitgevoerd. Er werden geen beschermde plant- of diersoorten aangetroffen. Voor de ontwikkeling op de voormalige bedrijfslocatie was, op basis van de quickscan, nader onderzoek naar de aanwezigheid van (verblijfplaatsen van) de gewone dwergvleermuis en laatvlieger wel nodig. Dit nader onderzoek, eveneens uitgevoerd door ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Melk en Honingh, is als bijlage 12 gevoegd bij deze toelichting. Tijdens het nader onderzoek werden er geen vleermuizen aangetroffen. Er gaan tijdens de sloop van de voormalige bedrijfsgebouwen géén vaste zomer-, kraam- of paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis verloren. Het is daarom niet nodig om een vergunning in het kader van de Omgevingswet aan te vragen bij de provincie Zeeland voor het vernietigen van de verblijfplaatsen. GEBIEDSBESCHERMING In de hiervoor genoemde onderzoeksrapporten is ook gekeken naar gebiedsbescherming (met uitzondering van mogelijk extra stikstofdepositie als gevolg van de ontwikkeling).

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is “Westerschelde & Saeftinghe” (op ruim 2 kilometer afstand). De invloed op dit gebied zal vanwege deze afstand en de beperkte omvang van de werkzaamheden te verwaarlozen zijn (zie hierna ook de uitkomst van de AERIUS-berekening). Het plangebied zelf is niet aanwezen als deel uitmakend van het Natuur Netwerk Zeeland (NNZ) (bron: Natuurbeheerplan kaart 2025). Er is in de nabijheid van het plangebied wel een NNZ-gebied gelegen. Dit gebied “Koedijk” kent voornamelijk natuurwaarden vanwege de (verwachte) aanwezigheid van een bepaalde vegetatie (N12.02, Kruiden- en Faunarijk grasland). Gezien de (tijdelijke en beperkte) omvang van activiteiten en de aard van de natuurwaarden, zal de beoogde 35

Toelichting TAM-omgevingsplan “Hoofdstuk 22g Woningbouw locatie Schuitweg ‘s-Gravenpolder”

ontwikkeling geen negatieve uitstraling (externe werking van geluid, versnippering of belichting) hebben op de nabijgelegen beschermde gebieden. Er is aparte stikstofberekening uitgevoerd om na te gaan of de beoogde ontwikkeling een indirect effect heeft op de instandhouding van natuurwaarden van dit Natura 2000-gebied. Zie bijlage 13a, 13b en 13c. Conclusie van dit onderzoek is dat zowel de aanleg- als gebruiksfase de emissie niet hoger ligt dan 0,00 mol/ha/j. Er vindt er dan ook géén meetbare verhoging van de depositie NOx plaats in Natura 2000-gebieden als gevolg van de sloop van de voormalige bedrijfsbebouwing en de bouw en het gebruik van de beoogde woningen. De ontwikkeling leidt niet tot een verslechtering van de milieukwaliteit van Natura 2000-gebieden. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden. Conclusie De beoogde ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op de instandhouding van beschermde dier- en plantensoorten en beschermde gebieden. 4.12

Water

Kader Water is een essentieel onderdeel van onze leefomgeving. Belangrijke opgaven zijn het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste. Zeker in samenhang met het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen van grote invloed zijn op de waterhuishouding in een gebied. Bij het toelaten van activiteiten moet rekening gehouden worden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen, ook wel ‘weging van het waterbelang’ genoemd. De weging van het waterbelang geldt, volgens artikel 5.37 Bkl, bij het vaststellen van het omgevingsplan. Bij de vaststelling van het omgevingsplan of het verlenen van de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt het advies van de waterbeheerder betrokken. Naast de instructieregel tot weging van het waterbelang zijn er nog een aantal aanvullende instructieregels voor specifieke rijksbelangen: bescherming primaire waterkeringen, behoud waterveiligheid kust, behoud waterveiligheid grote rivieren en het IJsselmeergebied. Toetsing Voor de woningbouwontwikkeling is een zogenaamde watertabel opgesteld. Zie hieronder. De inhoud is kortgesloten met het waterschap Scheldestromen en akkoord bevonden.

Het nieuwe woongebied kent een andere inrichting qua onverhard, verhard en halfverhard gebied dan de voormalige situatie welke deels in gebruik was als bedrijfslocatie en als agrarisch gebied. De hoeveelheid verharding neemt op de voormalige bedrijfslocatie af, maar neemt in het agrarisch gebied toe. Thema en water(beheer)doelstelling Veiligheid waterkeringen Waarborgen van het veiligheidsniveau en rekening houden met de daarvoor benodigde ruimte. Voorkomen overlast door oppervlaktewater Het plan biedt voldoende ruimte voor het vasthouden, bergen

36

Uitwerking De locatie ligt niet in of in de nabijheid van waterkeringen. Ter plaatse van het plangebied wordt een bedrijfslocatie gesaneerd. Dit terrein van ca. 2.500 m2

Toelichting TAM-omgevingsplan “Hoofdstuk 22g Woningbouw locatie Schuitweg ‘s-Gravenpolder”

Thema en water(beheer)doelstelling en afvoeren van water. Waarborgen van voldoende bouwpeil om overstroming vanuit oppervlaktewater in maatgevende situaties te voorkomen. Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering en de kans op extreme weersituaties.

Uitwerking is vrijwel volledig verhard. Alle gebouwen en verhardingen worden gesaneerd. In de nieuwe situatie worden parkeervakken in grasbetontegels aangelegd en worden bij de particuliere woningen tuinen aangelegd. Hierdoor is er sprake van een afname van het verharde oppervlak. Hiervoor is geen compensatie nodig.

De vrijstaande woningen aan de Schuitweg leiden tot een toename van het verhard oppervlakte. De ontwikkelaar heeft er voor gekozen om de compensatie af te kopen. Voorkomen overlast door hemel- en afvalwater Hemelwater wordt aangesloten op het aanwezige Waarborgen optimale werking van de zuiveringen/ RWZI's en regenwaterriool aan de Schuitweg. Het van de (gemeentelijke) rioleringen. regenwaterriool kan rechtstreeks lozen op de Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in verband met bestaande sloot van het waterschap noordwestelijk de reductie van hydraulische belasting van de RWZI, het van het plangebied. Het vuilwaterriool wordt transportsysteem en het beperken van overstorten. aangesloten op het bestaande riool. Ter compensatie wordt in het groengebied een grote waterbuffer worden aangelegd, welke hemelwater kan vasthouden en ter plaatse laten infiltreren. Grondwaterkwantiteit en verdroging Grondwateroverlast of onttrekking van grondwater is Voorkomen en tegengaan van grondwateroverlast en -tekort. niet aan de orde. In het aan te leggen groengebied Rekening houdend met de gevolgen van klimaatverandering. wordt opgaand groen geplant. Met de tuinen op de Beschermen van infiltratiegebieden en –mogelijkheden. voormalige bedrijfslocatie wordt deze groener dan de huidige geheel verharde situatie. Grondwaterkwaliteit De grondwaterkwaliteit wijzigt niet.

Behoud of realisatie van een goede grondwaterkwaliteit. Denk aan grondwaterbeschermingsgebieden. Oppervlaktewaterkwaliteit De oppervlaktewaterkwaliteit verslechtert niet. Er Behoud of realisatie van goede oppervlaktewaterkwaliteit. worden geen uitlogende materialen gebruikt. Vergroten van de veerkracht van het watersysteem. Toepassing van de trits schoonhouden, scheiden, zuiveren. Volksgezondheid Er is geen sprake van open water of risico's voor de Minimaliseren risico water gerelateerde ziekten en plagen. volksgezondheid. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico's via o.a. de daarvoor benodigde ruimte. Bodemdaling Bodemdaling is niet aan de orde. Voorkomen van maatregelen die (extra) maaiveld dalingen in zettinggevoelige gebieden kunnen veroorzaken. Natte natuur Binnen het plangebied is geen natte natuur aanwezig Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde en en er wordt geen natte natuur gerealiseerd. natuurlijk karakteristieke aquatische natuur. Onderhoud oppervlaktewater In het plangebied zijn geen oppervlaktewateren van Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden worden. het waterschap aanwezig. Direct naast het plangebied Rekening houden met obstakelvrije onderhoudsstroken vrij van ligt een sloot van het waterschap. Hiervoor is een bebouwing en opgaande (hout)beplanting. obstakelvrije onderhoudsstrook aanwezig.

Andere belangen waterbeheer Relatie met eigendom waterbeheerder Noordwestelijk van het plangebied ligt een sloot en Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van objecten een gemaal in eigendom van de waterbeheerder (zie (terreinen, milieuzonering) van de waterbeheerder niet ook paragraaf 4.9) . Er liggen geen waterkeringen in de belemmeren. directe omgeving van het plangebied.

37

Toelichting TAM-omgevingsplan “Hoofdstuk 22g Woningbouw locatie Schuitweg ‘s-Gravenpolder”

Thema en water(beheer)doelstelling Wegen in beheer bij het waterschap

Uitwerking Er zijn in het plangebied geen wegen in eigendom van of in beheer bij het waterschap. Mogelijk transport over waterschapswegen gaat op in het normale verkeersbeeld.

Conclusie Het waterbelang is meegenomen in de beoogde ontwikkeling. 4.13

Duurzaamheid

Kader In de Omgevingswet is duurzaamheid verankerd. Dat begint al bij de centrale doelstelling van de wet: ‘met het oog op duurzame ontwikkeling, zorgen voor een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit’. Duurzaamheid is het waarborgen van de bestaansmogelijkheden van en het voorzien in de behoeften van de huidige generatie zonder daarmee de behoeften van toekomstige generaties is gevaar te brengen. Duurzaam omgaan met de ruimte betekent onder meer rekening houden met de huidige gebruiksfuncties en de mogelijkheid voor toekomstige generaties om functies aan een gebied te geven. Bij duurzame gebiedsontwikkeling gaat het om duurzaam gebruik van materialen, energie, klimaatadaptatie, biodiversiteit en mobiliteit. Omdat duurzaamheid veel facetten heeft, is een integrale benadering noodzakelijk. Toetsing De woningen op de vrije kavels worden, conform vigerende bouwregelgeving, minimaal ‘bijna energieneutraal’ (BENG). Voor de rijwoningen is nog geen ontwikkelaar en ontwerp bekend. De woningen zullen middels een uitvraag in de markt worden gezet. Marktpartijen kunnen een plan indienen voor deze woningen. Het aspect duurzaamheid is een toetsingscriteria bij een keuze voor een bepaald bouwplan. Verder wordt duurzaamheid expliciet gestimuleerd door het opnemen van suggesties in het voor het woningbouwplan opgestelde beeldkwaliteitsplan.

Verder wordt bij de inrichting van de openbare ruimte duurzame keuzes gemaakt. Zo wordt een deel van het parkeerterrein uitgevoerd in een halfverharding. Als bestratingsmateriaal worden gebakken klinkers toegepast. De levensduur van gebakken klinkers is langer dan die van betonklinkers en deze klinkers zijn onderhouds- en milieuvriendelijker (100% natuurlijk product). Conclusie Het aspect duurzaamheid is meegenomen in de beoogde ontwikkeling. 4.14

Niet Gesprongen Explosieven

Kader Niet Gesprongen Explosieven (NGE) zijn ontplofbare oorlogsresten, bijvoorbeeld uit de Eerste of Tweede Wereldoorlog. Ze leveren een gevaar op als ze verplaatst of aangeraakt worden. Op het 38

Toelichting TAM-omgevingsplan “Hoofdstuk 22g Woningbouw locatie Schuitweg ‘s-Gravenpolder”

moment dat in de nabijheid van deze NGE trillingen worden veroorzaakt of grondwerkzaamheden in de bodem worden uitgevoerd, kunnen deze NGE alsnog afgaan. Onder grondwerkzaamheden worden verstaan activiteiten zoals grondverzet, graaf- en heiwerkzaamheden in de bodem. Toetsing Op initiatief van de provincie Zeeland is voor de provincie een signaleringskaart NGE tot stand gekomen. Deze signaleringskaart is opgesteld aan de hand van archiefonderzoek, literatuurstudie, ooggetuigenverklaringen en eerdere vondsten. Een aantal kaartlagen uit dit onderzoek zijn opgenomen in het geografisch informatiesysteem van de gemeente Borsele. Uit de raadpleging van dit systeem komt naar voren dat niet verwacht wordt dat ter plaatse van het plangebied NGE worden aangetroffen. Conclusie Onderzoek naar NGE is niet nodig. Het protocol toevalstreffer is van toepassing. 4.15

Kabels en leidingen

Kader Ondergrondse kabels en leidingen zijn belangrijk voor het transport van data, elektriciteit en stoffen zoals gas en water. Sommige ondergrondse hoogspanningskabels en buisleidingen kunnen een risico opleveren voor de omgeving. Voor deze kabels en leidingen geldt een veiligheidszone. Het gaat hier met name om een verhoogd risico als ze bij werkzaamheden worden geraakt. Toetsing Binnen het plangebied bevinden zich geen kabels en leidingen welke planologisch beschermd zijn. Bij de graafwerkzaamheden wordt rekening gehouden met overige eventueel aanwezige kabels en leidingen. Voorafgaande aan de werkzaamheden wordt een KLIC-melding gedaan. Conclusie Kabels en leidingen vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.16

Milieueffectrapportage

Kader Een milieueffectrapportage (m.e.r) brengt de milieueffecten van een plan of project in beeld. De verwachte gevolgen worden beschreven in een milieueffectrapport. Zo kan de overheid de milieueffecten meenemen bij haar besluit over het plan of project. De wetgeving rond de m.e.r. is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). In laatstgenoemde bijlage is in één lijst zowel de mer-plichtige als de merbeoordelingsplichtige gevallen opgenomen en de daarvoor benodigde besluiten. Toetsing Uit bijlage V Ob komt naar voren dat voor een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ een m.e.r.beoordelingsplicht geldt. Om die reden moet beoordeeld worden of er aanzienlijke milieueffecten

39

Toelichting TAM-omgevingsplan “Hoofdstuk 22g Woningbouw locatie Schuitweg ‘s-Gravenpolder”

te verwachten zijn. In dit kader is er een aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling opgesteld. Zie bijlage 14. In deze notitie wordt de volgende conclusie getrokken: “Gelet op:  de aard en relatieve omvang van het projectgebied;  de plaats hiervan; en  de kenmerken van de potentiële effecten; kan op voorhand worden geconcludeerd dat hiermee geen belangrijke significante milieugevolgen aan de orde zijn die een passende beoordeling (en plan m.e.r.) rechtvaardigen. Voor de beoogde woningbouwontwikkeling en uitvoering kan met onderhavige m.e.r.-beoordeling worden volstaan. Conclusie Het doorlopen van een m.e.r.-procedure is niet nodig, omdat de beoogde ontwikkeling geen belangrijke significante milieugevolgen met zich meebrengt.

40

Toelichting TAM-omgevingsplan “Hoofdstuk 22g Woningbouw locatie Schuitweg ‘s-Gravenpolder”

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische regeling

Algemeen

Deze wijziging van het omgevingsplan betreft een TAM-omgevingsplan. TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Bijvoorbeeld doordat de plansoftware nog niet alle daarvoor benodigde functies biedt. Het kan ook zijn dat de gemeente te weinig tijd rest om het planproces goed te beproeven. Of dat er nog onvolkomenheden zijn in de landelijke voorziening. Met TAM-IMRO kunnen gemeenten toch hun omgevingsplannen wijzigen. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de ‘oude’ techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de landelijke voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen. De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit TAM-omgevingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven.

Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in drie hoofdstukken: - Inleidende regels; - Regels voor functies en activiteiten; - Algemene regels voor functies en activiteiten. Onderhavig TAM-omgevingsplan vormt een wijziging van het omgevingsplan. De beoogde woningbouwontwikkeling is in strijd met het tijdelijke deel van het omgevingsplan, te weten het bestemmingsplan ‘Kern ’s-Gravenpolder 2013’ en het ‘Omgevingsplan Buitengebied Borsele 2018’, waardoor het omgevingsplan gewijzigd moet worden. Het TAM-omgevingsplan is op het oog een omgevingsplan dat losstaat van de rest van het omgevingsplan. Toch is het functioneel en juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan. Om te zorgen dat het TAMomgevingsplan juridisch één geheel is met het omgevingsplan van rechtswege, wordt het als het ware als een nieuw hoofdstuk toegevoegd. Onderhavig TAM-omgevingsplan dient dus ook als dusdanig gelezen te worden, in samenhang met de bruidsschat van het omgevingsplan. Daarom is er in de regels van onderhavig TAM-omgevingsplan een preambule opgenomen, waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22g van het omgevingsplan. Preambule De regeling vangt aan met een preambule.

Deze geeft aan hoe het TAM-omgevingsplan als onderdeel van en in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moet worden. In de preambule wordt ook aangegeven welk hoofdstuk van het omgevingsplan het voorliggende TAMomgevingsplan betreft.

41

Toelichting TAM-omgevingsplan “Hoofdstuk 22g Woningbouw locatie Schuitweg ‘s-Gravenpolder”

5.2

Artikelsgewijze toelichting

De planregels van het omgevingsplan van rechtswege worden met dit wijzigingsbesluit gewijzigd. Beoogd is zoveel mogelijk aansluiting te vinden bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Borsele. Deze zijn wel dusdanig omgevormd dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet. De regels over functies en activiteiten zijn onderverdeeld in: - Functieomschrijving: omschrijving van de functies en activiteiten die zijn toegestaan; - Beoordelingsregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage, etc.); - Specifieke beoordelingsregels bouwactiviteiten: omschrijving waar het uiterlijk van de bouwwerken aan moet voldoen en van welke onderdelen van de regels af mag worden geweken; - Specifieke functieregels (specifieke beoordelingsregels gebruiksactiviteiten): omschrijving van activiteiten die niet zijn toegestaan en van welke onderdelen van de regels af mag worden geweken. 5.2.1

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Toepassingsbereik (artikel 1) Doordat een TAM-omgevingsplan er niet automatisch voor zorgt dat de oude regels op de locatie waarvoor het TAM-omgevingsplan komt te gelden, komen te vervallen, moet een toepassingsbereikbepaling in het plan worden opgenomen. Het eerste lid van artikel 1 regelt dat de oude regels uit de bestemmingsplannen uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan niet meer van toepassing zijn op de locatie waarvoor dit TAM omgevingsplan is opgesteld. In het tweede lid is geregeld dat de regels van de bruidsschat niet van toepassing zijn op de TAMomgevingsplanlocatie als zij strijdig zijn met de regels van het TAM-omgevingsplan. De uitzondering van paragraaf 22.2.7.3 ziet op de regels over het Motivering wijzigingsbesluit vergunningvrij bouwen zoals die in artikel 22.36 van het omgevingsplan zijn opgenomen. Deze blijven dus wel in stand. In het derde lid is het geometrische toepassingsbereik van het TAM-omgevingsplan bepaald. Dit hangt samen met het geven van een juridische status aan het besluitgebied. Met het artikel is bepaald op welk gebied het TAM-IMRO-plan ziet. De regels in het TAM-omgevingsplan gelden dus alleen in dit gebied en niet daarbuiten.

Begripsbepalingen (artikel 2) Voor de begripsbepalingen wordt in artikel 2 zoveel mogelijk aangesloten bij de bestaande begrippen en worden de relevante begrippen beschreven, zodat voor iedereen duidelijk is wat hiermee bedoeld wordt. Hierbij is relevant dat wettelijke begrippen, zoals vastgelegd in de Omgevingswet en onderliggende wetgeving, niet hoeven opgenomen te worden in het omgevingsplan. Deze zijn van toepassing, tenzij in artikel 2 daarvan wordt afgeweken. De opgenomen begripsbepalingen gelden aanvullend voor dit specifieke plan. Meet- en rekenbepalingen (artikel 3) In artikel 3 is vastgelegd op welke wijze dient te worden gemeten. Door deze vaste omschrijving van de begrippen en de wijze van meten wordt eenduidigheid in de bedoelingen van deze wijziging gegeven en wordt de rechtszekerheid op de locatie vergroot. 42

Toelichting TAM-omgevingsplan “Hoofdstuk 22g Woningbouw locatie Schuitweg ‘s-Gravenpolder”

Aanvraagvereisten (artikel 4) In paragraaf 22.5.2 van het Omgevingsplan (de bruidsschat) zijn aanvullende aanvraagvereisten opgenomen voor vergunningaanvragen die betrekking hebben op het tijdelijk deel van het omgevingsplan (o.a. binnenplanse afwijkingen uit bestemmingsplannen). Deze aanvullende aanvraagvereisten zijn niet automatisch van toepassing op vergunningplichten voor omgevingsplanactiviteiten die in een TAM-omgevingsplan worden opgenomen. Het TAMomgevingsplan is immers onderdeel van het nieuwe deel. Door de in artikel 4 opgenomen regeling worden de relevante aanvraagvereisten uit de paragraaf van de bruidsschat van overeenkomstige toepassing verklaard op vergunningaanvragen op de locatie van het TAM-omgevingsplan. Doelen, oogmerk, specifieke zorgplicht (artikelen 5, 6 en 7) De locatie moet nog ontwikkeld worden. De regels van het omgevingsplan moeten daarvoor voldoende sturing en rechtszekerheid geven. Zowel de gemeente als toekomstige bewoners en de directe omgeving daarvan, wensen enig zicht te hebben op wat er concreet binnen de locaties kan worden gerealiseerd. Daartoe zijn in de artikelen 5 en 6 de doelen en het oogmerk voor onderhavige ontwikkeling nader uitgeschreven. Meer concreet: de regels zijn er op gericht om op de locaties de vereiste kwaliteit te bereiken, zoals beschreven in het beeldkwaliteitsplan ‘Woningbouw locatie Schuitweg ’s-Gravenpolder’.

De beleidsregels over beeldkwaliteit vormen, samen met het TAM-omgevingsplan, het toetsingskader voor de vergunningaanvragen. Verder is in artikel 7 een specifieke zorgplicht opgenomen. Deze zorgplicht betekent dat van de initiatiefnemer wordt verwacht dat hij zich inspant om zelf te beoordelen of zijn handelen nadelige gevolgen heeft en hoe hij de gevolgen redelijkerwijs kan voorkomen of beperken. Bij het bepalen of aan de specifieke zorgplicht is voldaan, kan betekenis aan de doelstellingen en het oogmerk van het TAMomgevingsplan worden toegekend. 5.2.2

Hoofdstuk 2 Regels over functies en activiteiten

Algemeen Conform de eisen vanuit de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en activiteiten beschreven voor de specifieke locatie. Alhoewel de regels niet hoeven te voldoen aan de SVBP, en er dus over 'functies en activiteiten' wordt gesproken in plaats van 'bestemmingen', staan deze op de verbeelding behorend bij onderhavig plan nog wel aangeduid als zijnde 'bestemming'. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet juist gepubliceerd kan worden op de (nog tijdelijke) landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Voor onderhavig TAMomgevingsplan is beoogd zoveel mogelijk aansluiting te vinden bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten uit de nieuwste delen van het tijdelijk deel omgevingsplan Borsele (bestemmingsplan 'Kern ’s-Gravenpolder 2013'). Deze zijn wel dusdanig omgevormd dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet. Groen (artikel 8) Op de als ‘Groen’ aangewezen locatie zijn in ieder geval toegelaten: plantsoenen, bermen en beplanting. Ook zijn paden en parkeer-, speel-, en nutsvoorzieningen alsmede geluidwerende voorzieningen mogelijk binnen deze functie. Daarnaast zijn binnen deze functie waterpartijen toegestaan. Ter plaatse is alleen de oprichting van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en gebouwtjes beperkt van omvang toegestaan.

Verkeer (artikel 9) Op de als ‘Verkeer’ aangewezen locatie is in ieder geval de aanleg van wegen, voet- en fietspaden alsmede parkeerterreinen toegestaan. Ook zijn onder meer speel- en geluidwerende 43

Toelichting TAM-omgevingsplan “Hoofdstuk 22g Woningbouw locatie Schuitweg ‘s-Gravenpolder”

voorzieningen mogelijk binnen deze functies. Ter plaatse is alleen de oprichting van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en gebouwtjes beperkt van omvang toegestaan. Wonen (artikel 10) Binnen de locatie aangewezen voor ‘Wonen’ is de huisvesting van personen alsmede de aanleg van tuinen, erven, verhardingen en parkeervoorzieningen toegestaan. Binnen deze functie wordt een onderscheid gemaakt tussen de volgende gebouwen: hoofdgebouwen (woningen), aan- en uitbouwen en bijgebouwen. Er wordt door middel van (specifieke) bouwaanduidingen onderscheid gemaakt in verschillende bebouwingstypen: aaneengebouwd en vrijstaand. De hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak gerealiseerd worden en met hun voorgevel in de op de verbeelding aangegeven gevellijn worden gebouwd. Ten aanzien van de hoofdgebouwen zijn onder meer regels opgenomen betreffende de situering, de minimale breedte, de afstand tot de zijdelingse bouwperceelsgrens, de goot- en de bouwhoogte, de dakhelling en de diepte van de woning. Ten aanzien van de aan- en uitbouwen en de bijgebouwen zijn onder meer regels opgenomen betreffende de toegestane oppervlakte op het achtererf, de goot- en de totale bouwhoogte, de dakhelling, de afstand tot de zijdelingse bouwperceelsgrens en de afstand tot (het verlengde van) de voorgevellijn.

Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn bouwregels opgenomen betreffende de toegestane bouwhoogte, waarbij een specifieke regel is opgenomen voor tuin- of erfafscheidingen. Teneinde een ruimtelijke basiskwaliteit te garanderen, waarbij een hoogwaardig woongebied wordt nagestreefd, is een beeldkwaliteitsplan voor onderhavig besluitgebied opgesteld. Naast de regels van het TAM-omgevingsplan vormt het beeldkwaliteitsplan, zoals vastgesteld voor de gemeenteraad, daarmee in aanvulling op de welstandsnota het toetsingskader voor vergunningaanvragen. De vaststelling van het beeldkwaliteitsplan door de gemeenteraad wordt aangemerkt als beleidsregel in de zin van artikel 4.19 van de Omgevingswet. In geval van strijdigheid tussen de regels zoals vastgelegd in de welstandsnota van de gemeente Borsele en het beeldkwaliteitsplan, prevaleren de regels en criteria van het beeldkwaliteitsplan. Verder is het parkeren op eigen terrein bij de vrijstaande woningen vastgelegd. Tot slot zijn uit het oogpunt van flexibiliteit enkele afwijkingsbevoegdheden opgenomen, waaronder het toestaan van detailhandels-, beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten alsmede logies en ontbijt aan huis. Om dit juridisch-planologisch mogelijk te maken, is een afwijkingsbevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders opgenomen die dergelijke activiteiten aan huis onder voorwaarden mogelijk laat zijn.

Waarde – Archeologie -1 (artikel 11) De gronden met een archeologische waarde zijn aangewezen als ‘Waarde-Archeologie-1’. Er mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd of uitgebreid, indien de oppervlakte van de bodemverstoring respectievelijk niet groter is dan 50 m² of de bodem tot maximaal 40 cm onder maaiveld wordt geroerd.

44

Toelichting TAM-omgevingsplan “Hoofdstuk 22g Woningbouw locatie Schuitweg ‘s-Gravenpolder”

5.2.3

Hoofdstuk 3 Algemene regels over functies

Toepassingsbereik (artikel 12) De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op alle locaties in aanvulling van hoofdstuk 2. Anti-dubbeltelbepaling (artikel 13) Deze regel is opgenomen om ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Parkeeractiviteiten (artikel 14) In dit artikel is een regeling opgenomen die bij gebruik, verlenen en/of afwijken van een omgevingsvergunning voor bouwen altijd voldaan dient te worden aan de genoemde parkeernormen. Indien niet voldaan wordt aan de parkeernormen is het gebruik strijdig met het TAM-omgevingsplan. Algemene functieregels (artikel 15) In het omgevingsplan geldt dat als er geen regels voor een activiteit zijn opgenomen, deze activiteit zonder meer mag worden uitgevoerd en er geen beperkingen voor die activiteit op grond van het omgevingsplan gelden. Het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het TAMomgevingsplan moet nadrukkelijk vergunningplichtig worden gemaakt of worden verboden. In dit geval is gekozen om in artikel 15 een algemeen gebruiksverbod op te nemen. In artikel 10.5 staat benoemd wat er in ieder geval onder ander gebruik wordt begrepen. Dit 'ander gebruik' is verboden. Algemene afwijkingsregels bouwactiviteiten (artikel 16) In deze regels worden de algemene afwijkingsregels beschreven.

45

Toelichting TAM-omgevingsplan “Hoofdstuk 22g Woningbouw locatie Schuitweg ‘s-Gravenpolder”

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Participatie is een belangrijk onderdeel van de Omgevingswet. Op grond van artikel 10.2, lid 2 van het Omgevingsbesluit moet in het kader van het omgevingsplan worden aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat er met de resultaten is gedaan. 6.1.1

Participatie inwoners ‘s-Gravenpolder

In het kader van participatie wordt door de gemeente Borsele begin januari 2026 een inloopbijeenkomst gehouden. Hierbij worden omwonenden/inwoners van 's-Gravenpolder in de gelegenheid gesteld om hun reactie op het plan kenbaar te maken. Als bijlage bij deze toelichting wordt een kort verslag van de inloopbijeenkomst opgenomen (bijlage 15). Deze staat nu nog P.M.. Mocht de gegeven reacties leiden tot wijzigingen van het plan dan worden deze wijzigingen meegenomen bij de vaststelling. 6.2.2

Overleg andere bestuursorganen

Om in een vroegtijdig stadium ruimtelijke plannen integraal te bespreken met diverse (overheids)instanties is, in het kader van de Omgevingswet, een regionale omgevingstafel ingesteld. Op 4 november 2025 is het woningbouwplan voor de locatie van de Schuitweg in ‘sGravenpolder hierop geagendeerd. Hiermee hebben andere bestuursorganen de gelegenheid gekregen om hun visie op c.q. aandachtspunten voor het plan kenbaar te maken. Een kort verslag van het overleg is opgenomen als bijlage 16 bij deze toelichting. Ten overvloede wordt opgemerkt dat bij het opstellen van voorliggend plan de provinciale verordening en waterschapsverordening, gelijk aan andere relevante regelgeving, in acht zijn genomen. 6.2.3

Zienswijzen

Een ontwerp van voorliggend TAM-omgevingsplan wordt gedurende 6 weken ter visie gelegd en tegelijkertijd elektronisch beschikbaar gesteld. Dit wordt vooraf door middel van een publicatie in het Gemeenteblad bekend gemaakt. Gedurende de termijn van tervisielegging kan een ieder zowel schriftelijk als mondeling een zienswijze op het plan bij de gemeenteraad naar voren brengen. De gemeenteraad betrekt de inhoud hiervan bij zijn besluitvorming. 6.2

Economische uitvoerbaarheid

De gronden binnen het plan zijn in eigendom van de gemeente en een ontwikkelaar. Realisatie van het plan valt binnen financiële mogelijkheden van beide partijen. De kosten van de ontwikkeling worden deels gecompenseerd door inkomsten uit de grondverkoop. Verder heeft de gemeente bij de provincie subsidie voor de herontwikkeling aangevraagd. Mocht deze niet worden toegewezen zal voor het tekort op de beoogde ontwikkeling een beroep worden gedaan op de financiële middelen van het gemeentelijk grondbedrijf en het budget voor de uitvoering van de groenstructuurplannen. 46

Toelichting TAM-omgevingsplan “Hoofdstuk 22g Woningbouw locatie Schuitweg ‘s-Gravenpolder”

Conclusie Het beoogde plan is economisch uitvoerbaar.

47

Toelichting TAM-omgevingsplan “Hoofdstuk 22g Woningbouw locatie Schuitweg ‘s-Gravenpolder”

Hoofdstuk 7

Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

Gemeenten moeten ervoor zorgen dat de regels in het omgevingsplan leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Dit staat in artikel 4.2, lid 1 van de Omgevingswet. Bij het opstellen van (een wijziging van) het omgevingsplan moeten ook de instructies en instructieregels van het Rijk en de provincie in acht worden genomen. In de voorgaande hoofdstukken is de beoogde ontwikkeling getoetst aan het geldend beleid en relevante regelgeving. Hieruit blijkt dat de beoogde woningbouwontwikkeling bijdraagt aan beleidsdoelen, niet leidt tot onacceptabele effecten op de omgeving en aan de nieuwe bewoners een goed woon- en leefklimaat kan worden geboden. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

48

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17136091/2