A5a Eindrapport DoeMee 2025 Onderbesteding VvR 2026000574.pdf
Tekst van het document
75 76
Dit had te maken met de wettelijke eisen rondom uitbetalen van de energietoeslag. Hier zijn de baten van de economische categorie 5.2 ‘Dividenden en winsten’ en 6.1 ‘Financiële transacties’ opgeteld omdat bleek dat sommige gemeenten hun opbrengsten uit de verkoop van aandelen Eneco op ‘Financiële transacties’ verantwoorden. Omdat dit om grote bedragen gaat is gekozen om dit zo op te lossen.
Schipperen tussen crises en ambitie
78 van 199
Voor de 16 P10-gemeenten waarvan volledige gegevens bekend zijn laat Figuur 6.13 de effecten op het financieel resultaat zien.
Verschil baten bezit in €/inwoner
Verschil baten bezit in % [B] 25,0% 20,0%
€75
15,0%
€50
10,0%
€25
5,0%
€0
0,0%
-€25
-5,0% -10,0%
-€50
Huren & Pachten
Rente
Dividend
Huren & Pachten
Rente
2024
2023
2022
2021
2020
2019
2018
2024
2023
2022
2021
2020
2019
-25,0%
2018
-€100
2017
-20,0%
2017
-15,0%
-€75
Gem.
€100
Dividend
Figuur 6.13 Baten uit bezit in € per inwoner en als percentage van het begrotingsbedrag bij P10-gemeenten (n=16) Figuur 6.13 laat zien dat de gemiddelde afwijking in de raming voor huren en pachten ruim 8% over de hele periode is. Lagere baten in 2020-2022 kunnen waarschijnlijk worden verklaard door de effecten van COVID19-crisis.
Dividenden hebben zoals gezegd een onregelmatig karakter, wat hier ook te zien is. De extra dividenden vanaf 2022 zijn in overwegende mate te verklaren door uitkeringen uit het Zeeuwse energiebedrijf. De pieken in 2017 en 2021 lijken te maken te hebben met Twentse gemeenten. Het laat zien dat dividend niet alleen onvoorspelbaar is, maar ook iets is waar niet elke gemeente van profiteert. De cijfers over rente weerspiegelen het patroon van de ontwikkelingen van rente op de kapitaalmarkt: tot 2022 dalende rentebaten en daarna stijgende rentes. Deze bevinding is niet direct uit de cijfers af te leiden: ook in de jaren 2017-2019 was sprake van meevallers op rentebaten. Dat kan wijzen op zeer voorzichtig begroten. Een tweede verklaring voor meevallers in de rente is de hoeveelheid kasgeld die gemeenten beschikbaar hebben. 77 Die is toegenomen van ruim € 85 miljoen in 2017 naar ruim € 260 miljoen in 2023 met daarnaast nog eens vanaf 2021 tot ruim € 110 miljoen oplopende middelen die nauwelijks rentedragend
77
Technische toelichting: Balansposten A1332a, A223a, A225a, A23.
Schipperen tussen crises en ambitie
79 van 199
zijn.78 Dat betekent mogelijk ook dat gemeenten rente laten ‘liggen’ die vrij gemakkelijk te realiseren zou zijn.
Uit de balansgegevens van alle gemeenten is af te leiden hoeveel middelen van het Rijk zijn ontvangen maar nog niet zijn uitgegeven. Uit de gegevens van Findo blijkt dat in 2017 bij 15 P10-gemeenten in totaal € 3 miljoen als ‘vooruit ontvangen‘ op de balans hadden staan. In 2023 was dat opgelopen naar € 145 miljoen, waarvan een kleine 40% bij een gemeente is terug te vinden. Uit de enquête komt voor 2024 een soortgelijk beeld naar voren. Om dat nader te analyseren is voor een aantal specifieke uitkeringen naar het saldo per eind 2024 gevraagd. Dat kwam uit op € 189 miljoen. Op zichzelf geen indicatie voor vertragingen, want de bedragen zijn soms voor meerdere jaren bestemd.
78
Dit gaat om balanspost A23 Liquide middelen.
Schipperen tussen crises en ambitie
80 van 199
7
De K80-gemeenten
De groep K80-gemeenten kende bij de start van dit onderzoek 64 leden. 79 Daarvan hebben zich 27 gemeenten aangemeld als deelnemer aan het onderzoek. Deze gemeenten hebben samen ongeveer 375.000 inwoners. Er zijn in deze groep geen gemeenten die vanaf 2017 met een herindeling te maken hebben gehad. In de financiële gegevens ontbreekt van een gemeente de informatie over een begroting. Die gemeente is buiten beschouwing gebleven in de hier gepresenteerde analyse.
7.1
Kernpunten K80
Hieronder puntsgewijs de belangrijkste bevindingen voor de K80-gemeenten •
Rijksbijdragen buiten het gemeentefonds zijn een belangrijke verklaring voor meevallers. Dergelijke middelen komen vaak pas gedurende het jaar beschikbaar. De twee belangrijkste posten zijn opvang Oekraïners en inkomensregelingen rondom COVID19, waarbij het vooraf moeilijk is in te schatten hoeveel geld echt nodig is. Ook voor sport en onderwijs zijn grote extra bijdragen ontvangen. Een deel van die middelen staat nog voor toekomstige bestedingen op de balans.
•
Personele bezetting is een structureel knelpunt wat zowel blijkt uit de gemiddelde bezetting in 2024 als uit meevallers op eigen personeel in vrijwel alle jaren.
•
Er zijn twee gemeenten waarvan bruikbare gegevens over de gewijzigde begroting beschikbaar zijn. De signalen die bij andere groepen gemeenten naar boven over planningsoptimisme zijn ook bij die twee gemeenten te zien. Tussentijds wordt de begroting duidelijk naar boven bijgesteld en dan blijkt bij de jaarrekening dat op onderdelen toch weer meevallers bestaan.
•
Afschrijvingen liggen gemiddeld circa 5% onder de begrote afschrijvingen. Dat is een signaal dat er sprake is van vertragingen in projectuitvoering, zeker omdat bij taken als Verkeer & Vervoer de afschrijvingen nog meer afwijken van de begroting.
•
Gegeven dat afschrijvingen lager zijn dan begroot valt op dat de toegerekende rente ook daalt en met grotere afwijkingen dan op basis van de ontwikkeling van de marktrente kan worden verwacht.
•
Bij riolering zijn indicaties te vinden dat projecten vertraging kennen. Los daarvan blijkt dat er jaarlijks tegenvallers zijn bij de voorziening groot onderhoud voor rioleringen. Dat komt deels omdat er in de begroting geen rekening mee is gehouden.
•
Bij ‘Ruimte & Wonen’ zijn geen directe indicaties voor onderbesteding of vertragingen. Meevallers zitten in het onregelmatige patroon van baten.
•
Baten voor het collectief deel sociaal domein worden conservatief ingeschat. Dit zijn structurele baten maar vallen in het niet door de baten voor opvang Oekraïners.
79
Begin 2026 zijn dat er volgens de website inmiddels 68.
Schipperen tussen crises en ambitie
81 van 199
•
De positieve afwijking in de opbrengsten toeristenbelasting is relatief groot, ondanks dat elk jaar al sprake is van een stijgende verwachte opbrengst.
•
Buiten de COVID19-periode blijkt dat baten uit exploitatie van sportaccommodaties worden onderschat.
7.2
Verschil begroting en rekening
We kijken allereerst naar de afwijking tussen begroting en rekening in de deelnemende gemeenten. De begrotingen van de individuele gemeenten lopen in 2024 uiteen van € 10 miljoen tot ongeveer € 75 miljoen. Voor de 26 gemeenten samen lopen de begrotingen op van € 850 miljoen in 2017 naar € 1.200 miljoen in 2024. De jaarrekening 2024 liet voor alle gemeenten een bedrag van € 1.500 miljoen zien met een positief resultaat van een ongeveer € 55 miljoen. In de meeste grafieken hieronder zijn bedragen uitgedrukt in Euro per inwoner. Dat geeft een grijpbaarder beeld dan de som van alle afwijkingen van alle deelnemende gemeenten. Per inwoner liggen de lasten in de begroting in 2024 tussen € 2.673 en € 4.070 met een gemiddelde van € 3.201.80 Resultaat in €/inwoner
Begroot [B]
Rekening [R]
Begroot [B]
2024
2024
2023
2022
2021
2020
2019
2018
-€100.000
2017
-€75.000
2023
-€50.000
2022
-€25.000
2021
€0
2020
€25.000
€255
2019
€50.000
2018
€75.000
€250 €200 €150 €100 €50 €0 -€50 -€100 -€150 -€200 -€250
2017
€100.000
Gem
Resultaat in € * 1.000
Rekening [R]
Figuur 7.1 Resultaat [positief=overschot] K80-gemeenten in € * 1.000 (n=26) Drie gemeenten rapporteerden in 2024 een tekort op de rekening, waarvan een met een tekort van € 2,7 miljoen ofwel meer dan € 100 per inwoner. De overige 23 gemeenten rapporteerden positieve resultaten oplopend tot ruim € 700 per inwoner.81 Uit Figuur 7.1 blijkt dat de piek van de positieve resultaten in 2023 lag en langzaam weer afneemt. Waar de afwijkingen vandaan komen is onderwerp van de volgende paragrafen.
80 81
Hier zijn de gegevens van de drie Waddeneilanden die deelnemen buiten beschouwing gelaten. Exclusief gegevens van de Waddeneilanden.
Schipperen tussen crises en ambitie
82 van 199
7.3
Bronnen van verschillen
De verklaring van verschillen is in deze paragraaf in twee delen gesplitst. Het eerste deel gaat over de baten en lasten van de meer politiek inhoudelijke taken van de gemeente. Denk aan baten en lasten voor het sociaal domein, veiligheid of cultuur. Het tweede deel gaat over baten en lasten van gemeentelijk bezit, zoals grondexploitaties en rentes op leningen of dividenden uit aandelen.
In Figuur 7.2 is onderscheid gemaakt tussen mee- en tegenvallers bij de lasten op inhoudelijke taken enerzijds en de baten op de inhoudelijke taken anderzijds. Per inwoner waren de extra lasten tussen € 95 (2018) en € 445 (2023). De totale extra baten lagen tussen € 97 (2018) en € 643 (2023) per inwoner. De figuur laat ook zien dat de grootste procentuele afwijkingen in de raming van de overige baten te vinden zijn. Daarnaast valt op dat in de jaren vanaf 2022 de afwijking bij de opbrengsten voor de lokale belastingen groter wordt.
€100.000 €50.000
5,0%
€0
0,0%
Gem.
2024
-25,0%
2023
-€250.000
2022
-20,0%
2021
-€200.000
2020
-15,0%
2019
-€150.000
2018
-5,0% -10,0%
2017
-€50.000 -€100.000
2024
15,0% 10,0%
2023
€150.000
2022
20,0%
2021
€200.000
2020
25,0%
2019
€250.000
2018
Opbouw verschillen in % [B]
2017
Opbouw verschillen in € * 1.000
Lasten
Gemeentefonds
Lasten
Gemeentefonds
Lokale belastingen
Ov. Baten ex bezit
Lokale belastingen
Ov. Baten ex bezit
Figuur 7.2 Toe- en afname resultaat bij inhoudelijke taken K80-gemeenten (n=26) ten opzichte van de begroting [R]-[B] in € * 1.000 en als percentage van het begrotingsbedrag. Ook voor de baten en lasten uit gemeentelijk bezit presenteren we een overzichtsfiguur (Figuur 7.3). Naast grondexploitatie is gaat dat vooral om rente en dividend. De reserves zijn ook een vorm van bezit, maar die blijven hier buiten beschouwing. De linker helft van Figuur 7.3 laat zien dat ook bij bezit in overwegende mate sprake is van meevallers ten opzichte van de oorspronkelijke begroting. Alleen in 2022 zijn de extra lasten en extra baten nagenoeg met elkaar in evenwicht, veroorzaakt door de grondexploitaties. In totaal gaat het in deze onderdelen van de begroting om € 45 tot € 60 miljoen lasten per jaar, waarvan ongeveer 80% grondexploitatie is. Schipperen tussen crises en ambitie
83 van 199
Opbouw verschillen in *€ 1.000
Opbouw verschillen in % [B]
€100.000
25,0%
€75.000
20,0% 15,0%
€50.000
10,0%
€25.000
5,0%
€0
0,0% -5,0%
-€25.000
-10,0%
-€50.000
2024
2023
2022
2021
2020
2019
2018
Gem.
2024
2023
2022
2021
2020
2019
-25,0%
2018
-€100.000
2017
-20,0%
2017
-15,0%
-€75.000
Grond-Lasten
Grond-Baten
Grond-Lasten
Grond-Baten
Ov. Bezit-Lasten
Ov. Bezit-Baten
Ov. Bezit Lasten
Ov. Bezit Baten
Figuur 7.3 Toe- en afname resultaat bij bezit K80-gemeenten (n=26) ten opzichte van de begroting [R]-[B] in € * 1.000 en percentage van het begrotingsbedrag. De procentuele afwijkingen laten vooral zien dat baten en lasten uit overige bezit grote afwijkingen kennen. Een belangrijke verklaring is de ontwikkeling van de marktrente die recent is opgelopen en extra baten oplevert. De andere afwijkingen hebben te maken met vastgoed dat niet voor eigen gebruik is bestemd. Bij de grondexploitatie kan bij kleinere gemeenten een enkel project het verschil in een resultaat veroorzaken.
7.4
Tussentijdse verschillen
Tussentijds worden begrotingen regelmatig aangepast, al is het maar omdat de bijdrage uit het gemeentefonds ook gedurende het begrotingsjaar nog verandert. Lang niet alle kleine gemeenten zijn verplicht om tussentijds naar het CBS over begrotingsvoortgang te rapporteren. Voor dit onderzoek hebben diverse gemeenten materiaal aangeleverd. Voor twee gemeenten bleek het materiaal bruikbaar genoeg te zijn om een beeld te geven. Omdat het om een zeer beperkt beeld gaat gebeurt dat hier in woorden. In alle jaren is sprake van verhoging van de lasten gedurende het begrotingsjaar. Ook zijn er bijstellingen bij het gemeentefonds en de overige baten. Verschillen bij lokale belastingen zijn klein. Bij de jaarrekening blijkt dat in zeker vijf jaren sprake is van meevallers in de lasten, met andere woorden niet alle tussentijds geautoriseerde lasten zijn besteed. Waar de ene gemeente beperkte afwijkingen bij de baten op inhoudelijke taken heeft is dat bij de andere veel sterker het geval. Bij bezit zien we tussentijds beperkte wijzigingen en incidenteel in de rekening de effecten van een grondexploitatie terug. Schipperen tussen crises en ambitie
84 van 199
7.5
Opvallende begrotingsposten
In deze paragraaf komen mee- en tegenvallers aan bod voor verschillende inhoudelijke onderdelen van de begroting. Tenzij anders aangegeven gaat het om de gegevens van in totaal 26 gemeenten. Tot nu toe werden mee- en tegenvallers uitgedrukt in absolute bedragen. Hier ligt het accent op bedragen per inwoner omdat daarmee makkelijker een vertaalslag is te maken naar de lokale situatie. De gepresenteerde getallen zijn daarmee gemiddelde mee- en tegenvallers, zowel in geld als in percentages, over de hele groep van 26 gemeenten waarover informatie beschikbaar is.
7.5.1
Verkeer & Vervoer
Allereerst kijken we naar ‘Verkeer & Vervoer’. 82 Aanleg en onderhoud van infrastructuur is kwetsbaar voor doorlooptijden in de planning. Dat kan er toe leiden dat sprake is van vormen van onderbesteding. Voordat we naar de mee- en tegenvallers kijken, zetten we kort enkele belangrijke cijfers over ‘Verkeer en & Vervoer’ op een rijtje. Eerst richten we de blik op de lasten. Het merendeel van de budgetten voor ‘Verkeer & Vervoer’ bij de K80-gemeenten gaat naar aanleg en beheer van wegen. Gemiddeld gesproken gaat het over circa 94% van de begrote lasten. De begrote lasten voor wegen nemen tussen 2017 en 2024 toe van ruim € 40 miljoen naar € 60 miljoen. De rest is voor parkeren, havenfaciliteiten en openbaar vervoer. Bij de baten is het aandeel baten van wegen ongeveer 60%, en havenfaciliteiten ongeveer 35%.
Figuur 7.4 laat zien dat er per saldo een onregelmatig patroon in mee- en tegenvallers is. De afwijkingen bij de lasten kunnen zijn veroorzaakt door prijsontwikkelingen. Zeker in de laatste paar jaar is de inflatie relatief hoog.
82
Omvat de taakvelden 2.1 tot en met 2.5
Schipperen tussen crises en ambitie
85 van 199
Verschil Verkeer in % [B]
Verschil Verkeer in €/inwoner
-15,0%
-€20
-20,0%
-€25
-25,0%
Lasten
Baten
Lasten
2024
-€15
2023
-10,0%
2022
-€10
2021
-5,0%
2020
-€5
2019
0,0%
2018
€0
2024
5,0%
2023
€5
2022
10,0%
2021
€10
2020
15,0%
2019
€15
2018
20,0%
2017
€20
2017
25,0%
Gem.
€25
Baten
Figuur 7.4 Toe- en afname resultaat bij Verkeer & Vervoer P10-gemeenten (n=20) ten opzichte van de begroting [R]-[B] in € per inwoner en als percentage van het begrotingsbedrag. Toch zijn er aanwijzingen dat zich vertragingen bij projecten voordoen. Voor de 26 gemeenten waarvoor gegevens over alle jaren beschikbaar zijn geldt dat de gemiddelde meevaller op afschrijvingen bijna 14% is. De inkoop van goederen (lees de aannemers) is gemiddeld ongeveer 5% hoger dan geraamd. Deze afschrijving en inkoop van goederen maken samen ongeveer 60% van de totale lasten voor wegenaanleg uit. Opvallende meerkosten zijn te vinden bij stortingen in de voorzieningen voor groot onderhoud die gemiddeld gesproken ruim 30% van de begroting afwijken.
De afwijkingen bij de baten zijn relatief gezien veel groter. Dat is ook te verklaren door het onderdeel wegen. Hier is door de jaren heen sprake van een duidelijke onderschatting van baten. De grootste verschillen zijn te vinden bij baten uit leges, subsidies anders dan van Rijk of provincies en ‘overige goederen en diensten’. Uit de omschrijving van ‘overige goederen en diensten’ in de IV3 richtlijnen valt niet direct af te leiden wat hier precies speelt. In algemene zin betekent dit dat er aanleiding kan zijn om als raad aan het college te vragen wat de bronnen van baten bij verkeer precies zijn.
7.5.2
Ruimte & Wonen
Een tweede belangrijk beleidsthema in dit onderzoek naar onderbesteding is ‘Ruimte & Wonen’. Onder de noemer Ruimte & Wonen vallen de taken op het gebied van ruimtelijke ordening en volkshuisvesting. Gemiddeld circa 70% van de lasten bij de 26 K80-gemeenten is bestemd voor volkshuisvesting. Bij de baten is dat percentage gemiddeld ongeveer 90%.
Schipperen tussen crises en ambitie
86 van 199
Net als bij verkeer geldt voor ‘Ruimte & Wonen’ dat er sprake is van lange doorlooptijden en kwetsbaarheid voor procedures. Dat kan onderbesteding in de hand werken.
Verschil Ruimte&Wonen in €/inwoner
€50
Verschil Ruimte&Wonen in % [B] 25,0% 20,0%
15,0%
€25
10,0% 5,0%
€0
0,0% -5,0% -10,0%
-€25
-15,0%
-20,0%
Lasten
Baten
Lasten
2024
2023
2022
2021
2020
2019
2018
2017
Gem.
2024
2023
2022
2021
2020
2019
2018
-25,0%
2017
-€50
Baten
Figuur 7.5 Toe- en afname resultaat bij ‘Ruimte & Wonen’ K80-gemeenten (n=26) ten opzichte van de begroting [R]-[B] in € per inwoner en als percentage van het begrotingsbedrag. Figuur 7.5 laat zien dat er vanaf 2018 sprake is van duidelijk hogere extra baten. Op basis van data van de 26 gemeenten waarvoor we data hebben, vallen enkele zaken op. Bij wonen is de belangrijkste verklaring voor die hogere extra baten in vrijwel alle jaren dat de baten uit (bouw)leges ruimschoots hoger zijn dan geraamd. Gemiddeld gesproken over de hele periode gaat dat om bijna 40% extra leges-baten. Bij het onderdeel ‘Ruimte’ is sprake van een vrij onregelmatig patroon, dat doet vermoeden dat het moeilijk is om goed in te schatten wanneer baten worden gerealiseerd. De overschrijding bij de lasten in vrijwel alle jaren vraagt verdiepende analyse. Kijkend naar de onderliggende zien we dat zowel bij het onderdeel ‘Ruimte’ als bij het onderdeel ‘Wonen’ de lasten voor ingehuurd personeel de begrotingen duidelijk overschrijden. Bij het onderdeel ‘Wonen’ zijn de verschillen op eigen personeel beperkt, terwijl bij het onderdeel ‘Ruimte’ sprake is van onderbesteding op personeelslasten. Vanaf 2021 gaat dat om gemiddeld ruim 7% per jaar tegenover onderbesteding van iets meer dan 6% voor de totale lasten eigen personeel.
Anders dan bijvoorbeeld bij de grote gemeenten is er sprake van overschrijdingen van de budgetten voor ‘overige goederen en diensten’. In 2023 en 2024 ging dat om afwijkingen ruim boven 10% per jaar. Deels kan dat te maken hebben met de recente inflatie die in de begrotingen van 2022 en 2023 nog niet was ingecalculeerd. Al met al is uit deze
Schipperen tussen crises en ambitie
87 van 199
cijfers voor de K80-gemeenten geen eenduidig beeld af te leiden dat zou wijzen op vertragingen. Onvoorspelbaarheid van baten draagt meer bij aan de meevallers bij deze taken.
7.5.3
Sociaal domein, collectief deel
Een derde belangrijk domein in dit onderzoek naar onderbesteding is het collectieve deel van het sociaal domein. Het collectieve deel werkt wezenlijk anders dan de individuele zorg. Voor die laatste geldt dat de gemeentelijke opgaven veelal een open einde karakter hebben: aanvragen voor bijstand, Wmo en Jeugdzorg moeten worden gehonoreerd als de aanvrager aan de eisen voldoet. Dat is anders voor collectieve voorzieningen, zoals wijkvoorzieningen83 en de taken op het gebied van gezondheidszorg (GGD). Gemeenten hebben op die onderwerpen vrij veel autonomie.84 Vanwege die relatief grote autonomie is het interessant om te bezien of op dit onderdeel van het sociaal domein sprake is van onderbesteding of dat ook hier sprake is van overschrijdingen van de begroting. De budgetten voor het collectieve deel van het sociaal domein lagen voor de 26 deelnemende gemeenten tot 2021 rond € 60 miljoen lasten per jaar en € 2 miljoen baten. In 2024 was het budget opgelopen naar een ruime € 110 miljoen lasten, maar met een werkelijke uitkomst van ruim € 160 miljoen. Daar staan ook veel hogere baten tegenover, in 2024 een kleine € 110 miljoen. De kern van de verklaring is dat vanaf 2022 de stroom van Oekraïense vluchtelingen op gang kwam. Gemeenten vingen die mensen op en kregen daarvoor middelen uit een specifieke uitkering.
Voor heel Nederland was daar vanaf 2022 € 6,6 miljard voor beschikbaar, vertaald naar inwoneraantal in 2024 is dat ruim € 350 per inwoner.
€200
Verschil Sociaal Domein collectief in % [B] 25,0% 20,0%
€150
15,0%
€260
€100
10,0%
€50
2024
2023
2021
Baten
2022
Lasten
2020
2019
Baten
2018
2019
Lasten
2024
-25,0%
2023
-20,0%
-€250
2022
-15,0%
-€200
2021
-10,0%
-€150
2020
-€100
2018
-5,0%
2017
0,0%
-€50
2017
5,0%
€0
Gem.
€250
Verschil Sociaal Domein collectief in €/inwoner
Figuur 7.6 Toe- en afname resultaat bij Collectief deel Sociaal Domein K80-gemeenten (n=26) ten opzichte van de begroting [R]-[B] in € per inwoner en als percentage van het begrotingsbedrag.
83
Voor dit onderdeel gaat het over de taakvelden 6.1 Samenkracht & burgerparticipatie, 6.2 Wijkteams/Toegang en 7.1 Volksgezondheid. 84 Met de kanttekening dat GGD-taken vaak in een samenwerkingsverband plaatsvinden
Schipperen tussen crises en ambitie
88 van 199
Figuur 7.6 laat zien dat tot en met 2021 de geraamde lasten niet veel afwijken van de realisatie en zelfs richting € 0 daalden. Dat wijst in de richting van redelijk planbare uitgaven. Er zijn hier weinig financiële effecten van COVID19 zichtbaar. Bij de baten lijkt er tot en met 2022 sprake te zijn van conservatieve inschattingen van baten. De rechter grafiek in Figuur 7.7 laat dat zien, de gemiddelde afwijking was over de hele periode meer dan 50%. Deze baten verdwijnen uit zicht vanaf 2022 door de middelen voor opvang van Oekraïners, terwijl het een structurele post in de begroting is waar de gemeente enige invloed op heeft. Per saldo leidden de extra middelen van het Rijk vanaf 2022 tot een meevaller van circa € 80 miljoen.
7.5.4
Parkeer- en toeristenbelasting
Een vierde belangrijke post betreft de baten uit parkeerbelasting en toeristenbelasting. Opbrengsten uit parkeer- en toeristenbelasting zijn afhankelijk van de conjunctuur van de economie. Sturing is mogelijk door de tarieven aan te passen. Omdat uit het algemene beeld blijkt dat baten een belangrijke verklaring voor hogere resultaten zijn is het nuttig om te zien of er grote afwijkingen zijn tussen begroting en realisatie bij deze twee vormen van belasting. Toeristenbelasting is de ene K80 gemeente een belangrijke bron van inkomsten, bij een andere gemeente juist niet. Van de hier deelnemende K80-gemeenten staat er in 2024 een in de landelijke top 10 en zijn er nog zeven gemeenten met elk opbrengsten van meer dan € 1 miljoen per jaar. Daar staat tegenover dat parkeerbelasting vrijwel verwaarloosbaar is.
€500
Belasting in €/inwoner
25,0%
Verschil belasting in %[B]
20,0% €400
15,0% 10,0%
€300
5,0% 0,0% €268
€200 €200
-10,0%
€100
-15,0% €74
2024
2023
2022
2021
2019
2018
Parkeerbelasting
2020
OZB Toeristenbelasting
2017
-25,0%
2024
2023
2022
2021
-20,0%
Gem.
Overig Parkeerbelasting
2020
2019
2018
€47
2017
€0
-5,0%
Toeristenbelasting
Figuur 7.7 Gerealiseerde opbrengst lokale belastingen per inwoner en afwijking [R]-[B] opbrengst parkeer- en toeristenbelasting K80-gemeenten (n=26) als percentage van het begrotingsbedrag.
Schipperen tussen crises en ambitie
89 van 199
De linkerkant van Figuur 7.7 geeft de gerealiseerde opbrengsten weer. Hieruit blijkt dat de betekenis van toeristenbelasting kleiner is dan bij de P10-gemeenten maar groter dan bij G40-gemeenten. Daarnaast blijkt dat de totale belastingopbrengst per inwoner bij deze gemeenten ook lager ligt dan bij de P10-gemeenten. Om een indruk te schetsen van de ontwikkeling van de opbrengsten per inwoner zijn in de figuur de bedragen per inwoner voor parkeerbelasting en OZB85 weergegeven. Uit de rechterkant van de figuur leiden we af dat de kwaliteit van de begrotingsraming wisselend is. De hier gepresenteerde gegevens zijn de gemiddelden van alle 26 K80-gemeenten. Opvallend is dat de afwijkingen in de ramingen van de toeristenbelasting na de COVID19 periode veel groter zijn dan daarvoor, ondanks dat de verwachte opbrengst uit toeristenbelasting elk jaar hoger is dan het jaar daarvoor.
7.5.5
Riolering
Een vijfde belangrijke post is de riolering. Riolering is net als wegen en havens onderdeel van de fysieke infrastructuur. Investeringen zijn kwetsbaar voor planprocedures en capaciteit in de markt. De kwetsbaarheid voor vertraagde doorlooptijden van projecten kan wel gevolgen hebben voor de lasten van de afschrijvingen. Dat kan reden zijn kritisch te kijken naar grote ambities in een rioleringsplan.
De analyse van de lasten voor rioleringen laat zien er bij de 26 K80-gemeenten sprake is van gemiddeld circa 2,5% hogere lasten dan begroot. Wanneer alleen naar de lopende uitgaven (exclusief rente, afschrijving en voorziening onderhoud) wordt gekeken, dan is de gemiddelde afwijking op de begroting 1% voordelig. Omdat rioleringswerken lange afschrijvingstermijnen kennen, is een kleine afwijking ten opzichte van de begroting toch al een aanzienlijk bedrag in absolute termen, en daarmee een signaal dat er vertragingen zijn. We stellen vast dat de afschrijvingen ongeveer 3% lager zijn dan begroot, wat samen met de meevaller bij de lopende uitgaven een indicatie kan zijn voor vertragingen in de uitvoering. Er zijn bovendien gemiddeld 20% lagere lasten op de toegerekende rente, die in de meer recente jaren nog veel hoger is. Naast afschrijven is het mogelijk om spaarpotten voor groot onderhoud te begroten. 86 Daarmee is er geld achter de hand voor onderhoud op termijn. We zien dat de begroting hier jaarlijks met tientallen procenten wordt overschreden. Deels komt dat omdat gemeenten in de begroting hier geen middelen in de begroting voor reserveerden. Stijgende lasten voor de voorziening groot onderhoud kunnen in combinatie met lagere afschrijvingslasten een indicatie zijn voor vertragingen in rioolprojecten.
85
Gemeenten laten OZB opbrengsten meestal zien als onderdeel van de woonlasten voor een en meerpersoonshuishoudens voor een standaard woning. Die gegevens kunnen niet zomaar worden opgeteld. Er is gekozen om OZB per inwoner te gebruiken om de gegevens door de hele tekst vergelijkbaar te houden in plaats van de optie om OZB per huishouden uit te drukken. 86 Formeel: de voorziening groot onderhoud.
Schipperen tussen crises en ambitie
90 van 199
7.5.6
Sportaccommodaties
Een zesde relevant onderwerp zijn de gemeentelijke sportaccommodaties. In tegenstelling tot diverse andere taken zijn gemeenten in belangrijke mate vrij om te bepalen wat ze willen met sportaccommodaties. Hun rol is enerzijds het beheer van de accommodaties, en anderzijds de bouw of aanleg ervan (de investeringscomponent), met vaak lange doorlooptijden in de besluitvorming en de uitvoering. Daarnaast zijn er mogelijk ook baten in de vorm van huuropbrengsten, als de gemeente de accommodaties in eigen beheer heeft. Tot slot zijn er baten uit enkele specifieke uitkeringen87 voor sport en bewegen die invloed op het resultaat kunnen hebben. Als we kijken naar de deelnemende gemeenten blijkt allereerst dat de afschrijvingen, als benadering voor de investeringscomponent, vanaf 2021 gemiddeld bijna 6% lager zijn dan begroot. In de meer recente jaren nemen de verschillen zelfs toe. Ten tweede blijkt, net als bij riolering, dat de rentelasten zijn overschat. Ten derde blijkt de aan derden – verenigingen met een eigen accommodatie of geprivatiseerde exploitanten - verstrekte subsidies duidelijk hoger zijn dan begroot. Opvallend daarbij is dat de overschrijdingen in 2017-2018 en vanaf 2022 hoger zijn dan de andere jaren. Vanaf 2022 kan een deel van de verklaring zitten in compensatie voor energiekosten. Tegenover de extra lasten staan extra baten.
Zo werden huren, pachten en verkoopopbrengsten (exclusief 2020-2021) gemiddeld 10% te laag ingeschat. De belangrijkste meevaller is terug te vinden bij subsidies van het Rijk die te herleiden zijn naar allerlei specifieke uitkeringen voor sport die in de periode 2020-2024 ruim € 2 miljard (ruim € 110/inwoner van Nederland) totaal waren.
7.5.7
Onderwijshuisvesting
Een zevende relevante begrotingspost is de onderwijshuisvesting. In de regel zijn gemeenten verantwoordelijk voor het bouwen van nieuwe scholen, terwijl het onderhoud en beheer bij de schoolbesturen. Of het lukt om scholen op tijd te bouwen is afhankelijk van factoren als doorlooptijd van procedures en de capaciteit bij aannemers. Is een gebouw eenmaal gerealiseerd, dan wordt er op afgeschreven. De werkelijke lasten voor afschrijvingen ten opzichte van de begroting zijn daarmee een indicatie voor vertragingen in het ontwikkel- en bouwproces.
Er zijn voor 26 K80-gemeenten gedetailleerde gegevens beschikbaar. Daaruit blijkt dat de gemiddelde afwijking van de gerealiseerde afschrijvingen ongeveer 1% van de begrote afschrijvingen is. Dat is te weinig om te denken aan meevallers als gevolg van vertragingen in planning of uitvoering van onderwijshuisvesting. Net als bij sportaccommodaties en rioleringen is de toegerekende rente gemiddeld 15% lager dan begroot. In 2023/2024 ligt dat
87
In 2024 verstrekte het ministerie van VWS ruim € 500 miljoen. via twee specifieke uitkeringen (Bijlage Overzicht Specifieke Uitkeringen 2024; H4 en H30)
Schipperen tussen crises en ambitie
91 van 199
percentage op ongeveer 30%. Over het geheel gesproken is er sprake van tegenvallers op de totale lasten van ongeveer 10% waarbij de inkoop van goederen en diensten een belangrijke rol speelt.
Daarnaast valt op dat huuropbrengsten (gemiddeld 10%) en overige opbrengsten88 (gemiddeld bijna 30%) duidelijk en structureel worden onderschat. Daarbij past wel de kanttekening dat het gaat om relatief kleine opbrengsten op het totaal van een gemeentebegroting.
7.5.8
Grondexploitatie
Een andere begrotingspost die relevant is voor dit onderzoek naar onderbesteding is grondexploitatie. Grondexploitatie is een onderdeel van gemeentelijk (tijdelijk) bezit. Baten en lasten van grondexploitatie in de jaarrekening hebben betrekking op verkochte grond, niet op het hele project van een grondexploitatie. Daarbij komt dat als er winst of verlies is, de praktijk is om die in principe direct via de reserve van het grondbedrijf te verwerken. Daarmee is er in de regel geen verklaring voor het door het college gepresenteerde resultaat in de jaarrekening.
Toch willen we naar grondexploitatie kijken als mogelijke verklaring voor onderbesteding. Daarom is ervoor gekozen om de totale baten en lasten voor de grondexploitatie in de periode 2017-2024 en de periode 2020-2024 bij elkaar op te tellen, om te zien hoe groot de afwijking van de totalen in de rekening feitelijk is. Zijn de totale lasten lager dan begroot, dan kan dat een indicatie zijn voor vertraging in de voortgang van de verkopen. Meerjarige verschillen grond in € * 1.000 €250.000 €200.000 €150.000 €100.000 €50.000 €0 -€50.000 -€100.000 -€150.000 -€200.000 -€250.000
Meerjarige verschillen grond in % 25,0% 20,0% 15,0% 10,0% 5,0% 0,0% -5,0% -10,0% -15,0% -20,0% -25,0%
Lasten 2017-2024
Baten 2020-2024
31,7%
Lasten 2017-2024
25,4%
Baten 2020-2024
Figuur 7.8 Verschil grondexploitatie K80-gemeenten (n=26) ten opzichte van de begroting (positief=meevaller) € * 1.000 en procenten
88
Bedoeld is hier economische categorie 3.8 ‘overige baten en lasten’
Schipperen tussen crises en ambitie
92 van 199
Figuur 7.8 laat zien dat over beide perioden sprake is van hogere gerealiseerde lasten (dus een tegenvaller) voor grondexploitatie dan oorspronkelijk begroot. Die kunnen zijn veroorzaakt door nieuwe boekhoudkundige eisen vanaf 2019 89 maar ook door opbrengsten uit winstgevende grondexploitaties. Over de hele periode 2017-2024 was een positief resultaat op grondexploitatie begroot van ongeveer € 9 miljoen. Bij de rekening was het positief resultaat over de hele periode ongeveer € 54 miljoen. Per saldo is er dus extra winst genomen in de grondexploitatie, waarvan het overgrote deel in de periode 2017-2019 is ontstaan. We kunnen met deze gegevens niet vaststellen of er in de individuele grondexploitaties tegenvallers zitten. Dat is niet geheel ondenkbaar, zeker omdat sinds COVID19 de inflatie een rol is gaan spelen. Om hier duidelijkheid over te krijgen is analyse nodig op het niveau van de individuele gemeenten.
7.5.9
Overige baten en lasten
Tot slot een zeer technisch taakveld dat de beoordeling van resultaten kan verstoren. In de begroting naar taakvelden bestaat de mogelijkheid om de post ‘overige baten en lasten’ te gebruiken. Uit de wettelijke omschrijving volgt dat die is bedoeld voor stelposten, taakstellende bezuinigingen, begrotingsruimte, onvoorzien of lasten voor bovenformatief personeel dat niet meer werkt.90 In principe zijn de middelen die hier worden verantwoord naar hun aard eenmalig. Omdat dit allemaal posten zijn waarover in de loop van het jaar meer duidelijkheid ontstaat91, zou dan in de lijn der verwachting liggen dat er tegen de tijd dat de jaarrekening wordt opgesteld, niet of nauwelijks baten of lasten op dit taakveld zijn geboekt.
89
Hier is de zogenaamde percentage of completion methode bedoeld die in 2019 van kracht werd. Taakveld 0.8; IV3 2023, p. 16 91 Behalve voor bovenformatief personeel. In sommige gevallen zijn er ook baten gekoppeld aan bovenformatief personeel. Dan gaat het om een voorziening voormalig personeel die bijvoorbeeld benut wordt voor pensioenen of wachtgelden van wethouders. 90
Schipperen tussen crises en ambitie
93 van 199
Verloop overige lasten in € per inwoner
€100
€75
€50
€25
€0 Begroot 2017
2018
Realisatie 2019
2020
2021
2022
2023
2024
Figuur 7.9 Verloop overige lasten in € per inwoner Figuur 7.9 laat alleen de overige lasten zien die in de begroting en jaarrekening zijn opgenomen. Hieruit is af te leiden dat de laatste jaren in de begrotingen nog veel onverdeelde ruimte lijkt te zijn, die gedurende het jaar wordt bijgesteld. De realisatie laat zien dat er aan het eind van het jaar relatief weinig middelen overblijven, gemiddeld ruim 40% van de post ‘overige lasten’. In enkele individuele gemeenten is in sommige jaren sprake van bedragen in de jaarrekening boven € 1 miljoen, met als maximum een bedrag van € 3,2 miljoen. We maken hierbij de kanttekening dat deze wijze van verantwoorden weinig transparant is, en de vraag oproept of de gemeenteraad weet waar deze middelen aan worden besteed. Naast ‘overige lasten’ komen ook ‘overige baten’ in de begrotingen voor. Wat opvalt is dat de ‘overige baten’ in de jaarrekening voor de 26 K80-gemeenten waarvan alle gegevens bekend zijn, ongeveer het dubbele zijn van wat is begroot. Als we nader kijken naar de verzamelde data blijkt dat bij 26 K80-gemeenten in de jaarrekening 12 keer een bedrag boven € 1 miljoen wordt verantwoord en 14 keer een bedrag tussen € 0,5 en € 1 miljoen. De vraag voor individuele gemeenten (en rekenkamers) is in hoeverre deze grote bedragen duidelijk worden verantwoord in de rekening.
7.6
Opvallende kostensoorten
In de vorige paragraaf ging het om afwijkingen op inhoudelijke taken van de gemeente. Hier ligt het accent op de vraag over afwijkingen naar typen uitgaven, in het jargon kostensoorten. Bij de analyse van kostensoorten speelt mee dat sommige gemeenten hun taken uitvoeren met behulp van een ambtelijke fusie-organisatie. Dat leidt er onder andere toe dat de personeelskosten in die gemeenten heel laag zijn. Om de analyse zo zuiver mogelijk te Schipperen tussen crises en ambitie
94 van 199
houden is gekozen om gemeenten waarvan bekend is dat een ambtelijke fusie speelt of waar personeelskosten ten opzichte van omliggende jaren zeer laag zijn, buiten de analyse van kostensoorten te houden.
7.6.1
Personeel
Er is van 26 K80-gemeenten alle informatie naar kostensoorten beschikbaar. Vier gemeenten vallen voor deze analyse af vanwege (voormalige) deelname in een ambtelijke fusie. Verder ontbreekt van een gemeente informatie over de feitelijke bezetting. Voor de overige 21 blijkt dat de lasten van eigen personeel op begrotingsbasis tussen de 17,8% en 22,5% van de totale geraamde lasten liggen. Het gemiddelde is 20,3%. Het gaat hierbij om bedragen van circa € 113 miljoen in 2017 oplopend naar circa € 201 miljoen in 2024. De begroting voor in te huren personeel is stabiel op ligt tussen 1,4% en 1,7% van de totale geraamde lasten met een gemiddelde van 1,5%. In geld gaat dat om een bedrag oplopend van ruim € 9 miljoen naar ruim € 12 miljoen. Vervolgens kijken we naar de formatie en de feitelijke personeelsbezetting. In totaal hebben 24 gemeenten gegevens over formatie en feitelijke bezetting hebben genoemd. Ook hier is gecorrigeerd voor de deelname in een ambtelijke fusie. Uit de gegevens blijkt dat de gemiddelde bezetting in 2024 op 92,6% van de formatie lag. Als er geen loonstijgingen zouden zijn, dan zouden de lasten voor eigen personeel ook op 92,6% van de begroting moeten liggen.
De feitelijke lasten voor eigen personeel kennen een onderschrijding van 3,3% in dat jaar wat betekent dat gegeven de gemiddelde bezetting ruim 4% meer is uitgegeven dan verwacht mocht worden op basis van de gemiddelde bezetting. Een deel van dat verschil kan worden verklaard door aanpassingen in de CAO. Meer in detail zijn er vier gemeenten waar de kosten eigen personeel in vijf of meer jaren hoger waren dan begroot. In tien gemeenten was zeven of acht jaren sprake van onderschrijding van de begroting. Zes daarvan zijn Limburgse gemeenten. Uit de rekeninggegevens blijkt verder dat de budgetten voor inhuur van personeel vanaf 2017 gemiddeld met een factor 1,8 zijn overschreden. In de periode 2022-2024 ligt dat met een factor 2,6 duidelijk hoger. In Figuur 7.10 is te zien dat dit deels wordt verklaard door de relatief kleine aanpassing van de begrote budgetten, zeker in vergelijking met de budgetten voor eigen personeel.
Schipperen tussen crises en ambitie
95 van 199
Index personeelslasten (2017=100)
250
200 150 100 50 0 Personeel [B] Personeel [R] 2017
2018
2019
2020
2021
Inhuur [B]
Inhuur [R]
2022
2024
2023
Figuur 7.10 Index ontwikkeling personeelskosten K80-gemeenten (n=22); 2017=100 Figuur 7.10 laat zien dat de ontwikkeling van de eigen personeelskosten in begroting en rekening redelijk gelijkmatig oploopt. Dat wil niet zeggen dat er geen mee- of tegenvallers zijn, maar wel dat de onderliggende ramingen de werkelijkheid goed benaderen. Inflatie c.q. loonkostenontwikkeling speelt een rol bij een vergelijking van budgetten in de tijd. Uit CBS cijfers92 voor de sector overheid blijkt dat de CAO-lonen in de periode 20172024 met ruim 31% zijn gestegen. De snellere groei van de totale loonkosten eigen personeel in de begroting (77%) wijst daarmee in de richting van extra formatie of een andere beloningsstructuur. Vervolgens blijkt bij de rekening dat de invulling van de eigen formatie problematisch is.
Voordat we naar cijfers over inhuur kijken vermelden we dat in de begroting van de 26 gemeenten in circa € 9 miljoen was opgenomen. De werkelijke lasten lagen toen op circa € 22 miljoen. Het indexcijfer voor de begroting laat een inhaalslag zien terwijl de werkelijke lasten tot en met 2020 geleidelijk groeiden. Daarna nemen de lasten van ingehuurd personeel sterk toe. Opvallend is dat de inhuur die onder ‘overhead’ wordt verantwoord in de periode 20222024 60% van de overschrijdingen verklaart. In de jaren daarvoor was het percentage nog hoger. Bij ‘Ruimte & Wonen’ is een omgekeerde beweging te zien. In de periode 2022-2024 gemiddeld ongeveer 11% per jaar. De jaren daarvoor ongeveer de helft daarvan. Tot slot het collectief deel sociaal domein met 5% per jaar. Bij de laatste is de inhuur vanaf 2022 gemiddeld boven 9% vanwege de opvang van Oekraïners.
92
Uit CBS-cijfers voor de sector overheid blijkt dat de CAO-lonen in de periode 2017-2024 met ruim 31% zijn gestegen
Schipperen tussen crises en ambitie
96 van 199
7.6.2
Afschrijvingen
Afschrijvingen en eventuele mee- en tegenvallers daarop zijn een tweede mogelijke oorzaak van onderbesteding. In paragraaf 7.5 is bij de diverse inhoudelijke begrotingsonderwerpen meermaals verwezen naar het belang van afschrijvingen als indicator voor vertraging; in deze paragraaf kijken we naar het totaalbeeld. Dat gaat bijvoorbeeld ook over eigen gemeentelijke gebouwen of over voertuigen en installaties. Zoals eerder gezegd kunnen gemakkelijk vertragingen ontstaan in de planontwikkeling voor investeringen en de uitvoering van investeringsprojecten. Waterschappen hanteren in het dashboard Waves een indicator realisatiegraad investeringen voor een 4-jaars periode. Zoiets bestaat echter niet bij gemeenten, terwijl daar dezelfde vraagstukken spelen.
De voortgang van investeringen in de deelnemende gemeenten is in dit onderzoek niet nader onderzocht. Voor rekenkamers en andere geïnteresseerden kunnen vertragingen in de investeringen wel worden opgemerkt door te zoeken naar tot stand gebrachte investeringen waarvoor later dan gepland wordt gestart met afschrijven. Analyse van de kostensoort afschrijvingen kan een goede benadering opleveren van onderbesteding bij investeringsprojecten in de betreffende gemeente.
Verschil afschrijvingen in €/inwoner
Verschil afschrijvingen in % [B]
-5,0%
-€5
-10,0%
Afschrijvingen
Gem.
2024
2023
2022
-€25
2021
-25,0%
2020
-€20
2019
-20,0%
2018
-15,0%
-€15
2017
-€10
Gem. 2021
2017 2022
2018 2023
2019 2024
2024
€0
2023
0,0%
2022
5,0%
€5
2021
10,0%
2020
€15 €10
2019
15,0%
2018
20,0%
€20
2017
25,0%
€25
2020
Figuur 7.11 Verschil afschrijvingen bij K80-gemeenten (n=26) ten opzichte van de begroting [R]-[B] in € per inwoner en procenten. De ten behoeve van dit onderzoek uitgevoerde enquête laat zien dat de K80-gemeenten vrijwel allemaal (20 van de 26) dezelfde aanpak voor afschrijvingen hebben. Men schrijft pas af vanaf 1 januari na ingebruikname en heeft dat nooit gewijzigd. Drie gemeenten gebruiken dezelfde methode maar hebben dat in de loop van de tijd een of twee keer aangepast. Schipperen tussen crises en ambitie
97 van 199
Vertraging in een project is dan direct zichtbaar in lagere afschrijvingen omdat de hele geplande afschrijving een jaar opschuift. De resterende drie kiezen voor varianten van afschrijven gedurende het jaar. Vertragingen kunnen dan nog steeds invloed hebben op het totaal van de afschrijvingen, maar het effect is in principe minder groot. Figuur 7.11 laat zien dat de afwijkingen in grote lijnen wijzen op lagere afschrijvingen dan begroot. Bovendien zijn de afwijkingen vanaf 2021 groter dan in de jaren daarvoor. Incidenteel komen extra afschrijvingen voor die bij kleine gemeenten een groot effect kunnen hebben op het resultaat. Zo is in 2020 een gemeente aan te wijzen die extra afschrijvingslasten heeft ter grootte van 10% van de totaal begrote afschrijvingslasten voor alle 26 gemeenten. Opvallend is dat er vier gemeenten zijn die elk jaar meevallers op de afschrijvingen en nog eens vier met 7 jaren meevallers. Dat is een indicatie voor vertragingen van projecten. Drie gemeenten daarentegen hebben vijf of meer jaren tegenvallers bij de afschrijvingen. Dat laatste vergt nader onderzoek naar verklaringen dat hier buiten de scope van het onderzoek is. Lagere afschrijvingen zijn ook nog elders in de P&C-stukken terug te vinden. De toegerekende rentelasten worden lager vanwege de vertraagde ingebruikname van een investering.
Dat effect wordt versterkt door de daling van de marktrente tot 2022 die er toe leidde dat de te gebruiken rekenrente tot 2022 daalde. Bij onder andere riolering en sportaccommodaties is aangegeven dat de toegerekende rente ruim onder de begroting lag. Wanneer we naar de totale rentelasten kijken, dan valt op dat de afwijkingen ten opzichte van de begroting zich bewegen rond 4%. Dat is in vergelijking met de getallen die bij riolering (paragraaf 7.5.5) relatief klein en versterkt het beeld dat er sprake is van vertragingen in geplande investeringen.
7.6.3
Rijksbijdragen
Een derde relevante kostensoort zijn de rijksbijdragen. Het gemeentefonds is de belangrijkste bron van gemeentelijke middelen. In paragraaf 3.4.1 is de ontwikkeling van het gemeentefonds al toegelicht. Het totaal van de beschikbaar gestelde rijksmiddelen is groter dan alleen het gemeentefonds. Ook de specifieke uitkeringen horen hierbij. Zo betaalt het Rijk via een specifieke uitkering een belangrijk deel van de middelen voor de participatiewet. Ook deze baten zijn in de begroting van gemeenten opgenomen. Op basis van een analyse van rijksbijdragen naar taakvelden valt te herleiden hoe groot de afwijkingen op rijksbijdragen in de rekening van gemeenten zijn.
Figuur 7.12 laat zien dat vanaf de COVID19-crisis in 2020 de rijksbijdragen buiten het gemeentefonds zijn verveelvoudigd. Hoofddoelen van besteding liggen bij inkomensregelingen rond corona en energietoeslag en opvang Oekraïners. Ook onderwijs (Achterstandenbeleid) en sport en cultuur (Sportakkoorden) kregen duidelijk meer rijkmiddelen buiten het gemeentefonds om.
Schipperen tussen crises en ambitie
98 van 199
€0
2024
2023
-€500
2022
-€400
-€250.000
2021
-€200.000
2020
-€300
2019
-€150.000
2018
-€100 -€200
2017
-€50.000 -€100.000
Soc. Domein collectief Sport en cultuur Overig
Bijstand Fysiek domein Onderwijs
2024
€0
2023
€100
2022
€200
€50.000
2021
€300
2020
€150.000 €100.000
2019
€400
2018
€500
€200.000
Bijstand Fysiek domein Onderwijs
Doel extra rijksbijdragen in €/inwoner
2017
€250.000
Doel extra rijksbijdragen in €*1.000
Soc. Domein collectief Sport en cultuur Overig
Figuur 7.12 Bestedingsdoel extra rijksmiddelen excl. gemeentefonds in € * 1.000 en per inwoner bij K80-gemeenten (n=26)
Anders dan bij de ontwikkeling van het gemeentefonds is voor de hier genoemde extra rijksmiddelen niet vast te stellen wanneer die beschikbaar zijn gekomen, en of er wel voldoende tijd was om de middelen daadwerkelijk te kunnen besteden Een indicatie dat dit niet altijd het geval is, blijkt uit het proces rondom de energietoeslag in 2023 die pas vanaf oktober 2023 mocht worden betaald.93 Daarnaast is een deel van de verklaring dat in sommige gevallen is, zowel bij Rijk als gemeenten, moeilijk vooraf is in te schatten hoeveel geld er echt nodig is. Een voorbeeld hiervan zijn de lasten voor opvang van Oekraïners.
7.6.4
Baten uit bezit
De laatste relevante groep kostensoorten gaat over baten uit bezit. Hieronder worden huren en pachten, rentebaten en dividenden verstaan. De resultaten uit grondexploitatie zijn in paragraaf 7.5.8 toegelicht. Dividendopbrengsten94 kunnen grote gevolgen hebben voor het financieel resultaat. Normaal gesproken zouden huren en pachten en rente redelijk goed voorspelbaar moeten zijn. Voor huren en pachten omdat er contracten onder liggen, voor rente omdat het saldo van de bankrekening bekend is. Voor dividenden is de voorspelbaarheid lager omdat winst en daaruit voortvloeiende winstuitkering ieder jaar anders kunnen
93 94
Dit had te maken met de wettelijke eisen rondom uitbetalen van de energietoeslag. Hier zijn de baten van de economische categorie 5.2 ‘Dividenden en winsten’ en 6.1 ‘Financiële transacties’ opgeteld omdat bleek dat sommige gemeenten hun opbrengsten uit de verkoop van aandelen Eneco op ‘Financiële transacties’ verantwoorden. Omdat dit om grote bedragen gaat is gekozen om dit zo op te lossen.
Schipperen tussen crises en ambitie
99 van 199
zijn. Voor de 26 K80-gemeenten waarvan volledige gegevens bekend zijn laat Figuur 7.12 de effecten op het financieel resultaat zien. Verschil baten bezit in €/inwoner
€50
Verschil baten bezit in % [B]
€0
0,0%
Huren & Pachten
Rente
2024
-25,0%
2023
-€50
2022
-20,0%
2021
-€40
2020
-15,0%
2019
-€30
2018
-5,0% -10,0%
2017
-€10 -€20
Dividend
Huren & Pachten
Rente
2024
5,0%
2023
€10
2022
10,0%
2021
€20
2020
15,0%
2019
€30
2018
20,0%
2017
€40
Gem.
25,0%
Dividend
Figuur 7.13 Baten uit bezit in € per inwoner en percentages bij K80-gemeenten (n=26) De gemiddelde afwijking op het onderdeel huren en pachten is met ongeveer 2% klein. De lagere baten in 2020 kunnen waarschijnlijk worden verklaard door de effecten van COVID19. Dividenden hebben een onregelmatig karakter. Dat is ook hier te zien. Met een gemiddelde van ongeveer € 2,40 per inwoner in de periode 2018-2021 is de opbrengst uit dividenden niet heel groot. De hoge opbrengsten daarna zijn te herleiden naar twee gemeenten die opbrengsten uit de verkoop van een energiebedrijf ontvingen. In 2017 en 2019 heeft telkens een gemeente een hoge renteopbrengst verantwoord. Als daar voor wordt gecorrigeerd, dan is bij de rente het patroon van de ontwikkelingen van rente op de kapitaalmarkt te zien. Tot 2022 dalende rentebaten die nog niet altijd in de begrotingen waren verwerkt. Daarna stijgt de rente snel en ontstaan nog niet begrote meevallers. Een tweede verklaring voor meevallers in de rente is dat de hoeveelheid kasgeld 95 die gemeenten beschikbaar hebben als gevolg van de positieve resultaten is toegenomen van een kleine € 28 miljoen in 2017 naar ruim € 130 miljoen in 2023.96 Hier zijn grote verschillen tussen de K80-gemeenten. Gemiddeld per inwoner is er een kleine € 300 kasgeld per inwoner. 97 Vier gemeenten hebben meer dan € 1.000 per inwoner en zes juist minder dan € 100 per inwoner.
95
Technische toelichting: Balansposten A1332a, A223a, A225a, A23. In Findo zijn op 1-1-2026 gegevens tot en met 2023 beschikbaar. Er is daarbij informatie over alle 26 deelnemende M80 gemeenten beschikbaar. Bij een gemeente zijn de gegevens, na toetsing in de desbetreffende jaarrekening, niet plausibel en die is buiten beschouwing gebleven. 97 Exclusief de Waddeneilanden.
96
Schipperen tussen crises en ambitie
100 van 199