CConstaterende datBloemendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

02 Bijlage Programma Klimaatadaptatie Zuid-Kennemerland 2026001174.pdf

Commissie Grondgebied 1 september 2026, gemeente BloemendaalBij agendapunt: 6: Raadsvoorstel Vaststelling van programma klimaatadaptie Zuid-Kennemerland13.385 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Programma Klimaatadaptatie Zuid-Kennemerland Klimaatadaptatiestrategie Zuid-Kennemerland (2025-2050) Werkregio Zuid-Kennemerland 8 juni 2026

Project Programma Klimaatadaptatie Zuid-Kennemerland Opdrachtgever Werkregio Zuid-Kennemerland Document Klimaatadaptatiestrategie Zuid-Kennemerland (2025-2050) Status Definitief 02 Datum 8 juni 2026 Referentie 149685/26-008.711 Projectcode 149685 Projectleider M.J. Hoendermis MSc. Projectdirecteur Ing. M. Marshall MTech Auteur(s) S.I. Groenewegen MSc., M. Rutjens MSc., E.M. van Bruggen MSc. Gecontroleerd door M.J. Hoendermis MSc. Goedgekeurd door M.J. Hoendermis MSc Paraaf Adres Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. | Deventer Daalsesingel 51c Postbus 24087 3502 MB Utrecht +31 (0)30 765 19 00 www.witteveenbos.com KvK 38020751 Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. ' Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos, noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Tekst- en datamining van (delen van) dit document, evenals enige verwerking of reproductie ervan door middel van kunstmatige intelligentie technologieºn is uitdrukkelijk niet toegestaan, behoudens schriftelijk anders overeengekomen.

Dit document (o f delen ervan) mag niet worden verveelvoudigd en/of anderszins worden gebruikt op enigerlei wijze voor het trainen van kunstmatige intelligentie technologieºn, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.

1 INLEIDING 5 1.1 Aanleiding en doel programma 5 1.2 Werkregio Zuid-Kennemerland 5 1.3 Verweven beleid 8 1.3.1 Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) 8 1.3.2 Koppeling lokaal beleid 9 1.4 Proces 9 1.5 Leeswijzer 10 2 REGIONALE VISIE EN AMBITIE 11 2.1 Methodiek doelafweging 11 2.2 Ambitie Zuid-Kennemerland 12 2.3 Hoofddoelen 2050 (per thema) 13 2.3.1 Wateroverlast 13 2.3.2 Droogte 14 2.3.3 Hitte 15 2.3.4 Gevolgbeperking overstromingen 16 3 ANALYSE REGIO 18 3.1 Karakteristieken van het landschap 18 3.2 Watersysteem 21 3.3 Stresstesten en risicodialogen 24 3.3.1 Wateroverlast 25 3.3.2 Droogte 28 3.3.3 Hitte 32 3.3.4 Gevolgbeperkingen overstromingen 37 3.3.5 Veranderende trends 39 4 ADAPTATIESTRATEGIE 40 4.1 Introductie 40 4.2 Strategie op hoofdlijnen 40 4.3 Toelichting regionale stappen klimaatadaptatiestrategie 42 4.4 Rollen en verantwoordelijkheden 48 4.5 Conclusie 54 Laatste pagina 54 Bijlage(n) Aantal pagina’s - 5 | 54 Witteveen+Bos | 149685/26-008.711 | Definitief 02 1 INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel programma Klimaatverandering geeft een toenemende druk op onze leefomgeving. Nederland heeft de ambitie om in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust te zijn. Dit doen we door het verminderen van broeikasgasuitstoot (klimaatmitigatie) en door ons en de leefomgeving aan te passen aan de gevolgen van klimaatverandering (klimaatadaptatie).

Bij zo’n grote opgave hebben ook lokale overheden een significante rol. Klimaatverandering houdt zich echter niet aan de gemeentelijke grenzen; een samenwerking op regionaal niveau is cruciaal voor een effectieve aanpak. Dit rapport vormt de Klimaatadaptatiestrategie voor de werkregio Zuid-Kennemerland. Aanvullend op deze strategie wordt een Uitvoeringsagenda (2025-2030) opgesteld met concrete acties en actiehouders. Gezamenlijk vormen deze rapporten het programma Klimaatadaptatie Zuid-Kennemerland. Het overkoepelende doel van het Programma Klimaatadaptatie Zuid-Kennemerland is om het landschap, in stedelijk en landelijk gebied, richting 2050 mee te laten groeien met het veranderende klimaat. Dit programma is een integrale benadering van de klimaatadaptatie-opgaven. Hier dragen we aan bij met een uitvoerbaar en gedragen regionaal programma klimaatadaptatie, waarin de strategie voor de (middel)lange termijn is uitgeschreven, en de gezamenlijke prioriteiten, maatregelen en verantwoordelijkheden voor de periode 2025-2050 zijn vastgelegd. Het programma: - verbindt en versterkt lokale inspanningen regionaal; - bevordert de samenwerking tussen gemeenten, waterschap, drinkwaterbedrijven en natuureigenaren/beheerders; - biedt een platform voor kennisdeling en -ontwikkeling; - dient als basis voor cofinanciering.

1.2 Werkregio Zuid-Kennemerland De werkregio Zuid-Kennemerland is een samenwerkingsverband tussen gemeenten Bloemendaal, Haarlem, Heemstede, Velsen en Zandvoort. In afbeelding 1.1 is de regio, bestaande uit de verschillende gemeenten, aangegeven op kaart. 6 | 54 Witteveen+Bos | 149685/26-008.711 | Definitief 02 Afbeelding 1.1 Regio Zuid-Kennemerland Naast de gemeenten zijn ook andere partijen actief betrokken bij het opstellen van het programma. De kerngroep voor het programma bestaat uit de partijen van het ambtelijk PHO-overleg klimaatadaptatie: Gemeenten, Hoogheemraadschap van Rijnland, en N.V. Provinciaal Waterleidingbedrijf Noord-Holland (PWN). In tabel 1.1 is weergegeven welke partijen zijn betrokken in het opstellen van het programma Klimaatadaptatie en welke rol iedere partij heeft ten aanzien van Klimaatadaptatie. Tabel 1.1 Partijen en rol binnen het programma Partij Rol ten aanzien van klimaatadaptatie Betrokken in proces Gemeenten Zuid-Kennemerland- Zuid de gemeentelijke rol in klimaatadaptatie omvat het voorbereiden en aanpassen van de lokale omgeving en samenleving aan de gevolgen van klimaatverandering, waar mogelijk en waar noodzakelijk op een risico gestuurde wijze.

Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het integreren van klimaatadaptatie in hun beleid en ruimtelijke planning, zoals het verminderen van overstromingsrisico’s, hitte-eilandeffecten en wateroverlast concreet betekent dit dat gemeenten maatregelen nemen om de leefomgeving klimaat robuust te maken, bijvoorbeeld door het stimuleren van groen, het toepassen van waterdoorlatende verhardingen, het realiseren van waterbergingen, en het aanpassen van bouwvoorschriften. Daarnaast spelen zij een rol in bewustwording en samenwerking met inwoners, bedrijven en andere overheden. Een evenwichtige toedeling van functies is hierbij essentieel om belangen zorgvuldig af te wegen en samenwerking te optimaliseren gemeenten fungeren dus als uitvoerders en regisseurs van klimaatadaptatie binnen hun eigen grondgebied, in lijn met landelijke richtlijnen en programma’s kerngroep Hoogheemraadschap van Rijnland het waterschap speelt een belangrijke rol in klimaatadaptatie, vooral gericht op waterbeheer.

Het is verantwoordelijk voor het beheer van waterkwantiteit en -kwaliteit, het voorkomen van overstromingen en het waarborgen van voldoende zoet water, ook onder veranderende klimaatomstandigheden kerngroep 7 | 54 Witteveen+Bos | 149685/26-008.711 | Definitief 02 Partij Rol ten aanzien van klimaatadaptatie Betrokken in proces concreet houdt dit in dat het waterschap maatregelen neemt zoals het versterken van dijken en kaden, het verbeteren van de afvoer van regenwater, het stimuleren van waterbergingsgebieden, en het beheren van natuurlijke watersystemen om extreme weersomstandigheden op te vangen. Daarnaast werkt het waterschap samen met gemeenten en andere partijen om klimaatbestendige oplossingen te integreren in het landschap en stedelijke gebieden klimaatverandering leidt tot problemen met de waterkwaliteit, zoals meer blauwalg, botulisme en dergelijke. In het kader van de Kaderrichtlijn Water neemt Rijnland maatregelen ter verbetering van de waterkwaliteit. samengevat heeft het waterschap een regisserende en uitvoerende rol in het voorkomen van water gerelateerde risico’s door klimaat adaptieve waterbeheerstrategieºn. PWN PWN is verantwoordelijk voor de drinkwatervoorziening van een groot deel van Noord-Holland (grofweg excl.

Amsterdam & Heemstede), en voor het natuurbeheer van het grootste deel van het Nationaal Park Zuid- Kennemerland in het kader van klimaatadaptatie wordt samengewerkt met overheden, veiligheidsregio’s, collega-drinkwaterbedrijven (o.a. Waternet) en andere stakeholders rondom thema’s als (drink)water, natuur, recreatie, ruimtelijke plannen en noodscenario’s kerngroep Provincie Noord- Holland De Provincie Noord-Holland coördineert, stimuleert en faciliteert maatregelen en beleid om de regio te beschermen tegen klimaatverandering: - ontwikkelt een integrale klimaatadaptatiestrategie die aansluit bij landelijke doelen en regionale behoeften; - faciliteert samenwerking tussen gemeenten, waterschappen, het Rijk, kennisinstellingen en private partijen; - regisserende rol in het organiseren en mogelijk maken van investeringen in klimaat adaptieve maatregelen; consultatie (schriftelijk) Veiligheidsregio Kennemerland (VRK) de rol van een veiligheidsregio is het integreren en coördineren van de voorbereiding, bestrijding en opvang van rampen en zware ongevallen binnen een bepaald geografisch gebied. Veiligheidsregio’s zorgen ervoor dat verschillende organisaties zoals brandweer, politie, ambulancediensten, gemeenten en anderen effectief samenwerken bij crisisbeheersing en rampenbestrijding.

Ze zijn verantwoordelijk voor het opstellen en uitvoeren van rampenplannen, het coördineren van hulpdiensten tijdens incidenten en het informeren en beschermen van burgers voor het thema klimaat bestaat dit bijvoorbeeld uit crisisbeheersing bij overstroming of calamiteitenplannen bij extreme hitte. De veiligheidsregio waarborgt de veiligheid en hulpverlening binnen haar regio door proactieve planning en een gecoördineerde respons consultatie Procesondersteuners DPRA de ondersteuning vanuit de DPRA heeft voor dit programma bestaan uit de begeleiding van de werksessie waarin de doelstellingen voor de regio zijn genoteerd begeleiding werksessie doelafleiding Metropoolregio Amsterdam (MRA) de MRA fungeert als overlegplatform/kennisdelingsplatform om klimaatadaptatie te integreren in regionale ruimtelijke plannen en verstedelijkingsstrategieºn. Ze ontwikkelen gezamenlijke visies en programma’s, zoals ’MRA Klimaatbestendig consultatie (schriftelijk) 8 | 54 Witteveen+Bos | 149685/26-008.711 | Definitief 02 In de uitvoering zijn naast deze opstellende partijen nog meer uitvoeringsinstanties en partijen nodig.

Hieronder is een overzicht gegeven van partijen die bijdragen aan de doelen van de regio: - GGD; - Omgevingsdienst IJmond; - Waternet, duinbeheerder en drinkwaterbedrijf; - natuureigenaren en -beheerders; - Nationaal Park Zuid-Kennemerland; - aangrenzende gemeenten; - Rijkswaterstaat Regio West-Nederland Noord; - netbeheerders: Liander, Tennet. 1.3 Verweven beleid Het Programma Klimaatadaptatie vormt een regionale uitwerking van het nationale Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie (DPRA). In de komende alinea’s wordt toegelicht hoe dit programma en het lokaal beleid samenhangen met de scope van het regionale klimaatadaptatieprogramma. 1.3.1 Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) In het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie werken gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk samen aan maatregelen om Nederland in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig te maken. Dit wordt gedaan in 45 werkregio’s. Zuid-Kennemerland-Zuid is één van deze werkregio’s. In 2018 is het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie opgesteld, waarin de zeven ambities, en het doel van het DPRA staan beschreven. Eens per 6-8 jaar worden de resultaten en plannen die zijn opgesteld aan de hand van de ambities van het Deltaplan geºvalueerd en bijgesteld. Dit zijn de cyclussen binnen het DPRA. Dit programma is een oplevering in de tweede DPRA-cyclus.

De 7 ambities van het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie: 1 kwetsbaarheid in beeld brengen; 2 risicodialoog voeren en strategie opstellen; 3 uitvoeringsagenda opstellen; 4 meekoppelkansen benutten; 5 stimuleren en faciliteren; 6 reguleren en borgen; 7 handelen bij calamiteiten. Eerste DPRA cyclus In de eerste DPRA-cyclus heeft werkregio Zuid-Kennemerland een uitvoeringsagenda opgesteld: Regionale actieagenda klimaatadaptatie Zuid-Kennemerland, oktober 2022. In deze cyclus, tot eind 2023, kon ook gebruik gemaakt worden van de ‘Impulsregeling klimaatadaptatie.’ Dit waren gelden vanuit de Rijksoverheid die werkregio’s konden inzetten om adaptatiemaatregelen versneld uit te voeren, om al geplande ruimtelijke maatregelen uit te breiden met adaptatiemaatregelen of om nieuwe adaptatiemaatregelen op te pakken. De werkregio Zuid-Kennemerland heeft eind 2022 een projectenlijst ingediend bij het ministerie voor de subsidieaanvraag. Tweede DPRA cyclus Inmiddels is de tweede cyclus begonnen waarin het concretiseren van deze doelen centraal staat. Hier evalueren we ook de vorige actieagenda, om deze aan te vullen en te vernieuwen. Het uitgangspunt van deze tweede DPRA-cyclus is dat meer concrete doelen ook mogelijkheden bieden om klimaatadaptatie te kunnen monitoren en betere kosten-baten afwegingen op het gebied van klimaatadaptatie te kunnen maken.

9 | 54 Witteveen+Bos | 149685/26-008.711 | Definitief 02 1.3.2 Koppeling lokaal beleid De afbakening tussen het lokaal beleid en de regionale focus is in de eerste werksessie besproken. Aangezien lokaal klimaatadaptatiebeleid per definitie al specifiek is gemaakt, is in gezamenlijk overleg bepaald welke aspecten beter op regionaal niveau kunnen worden opgepakt. Het uitgangspunt hiervoor is: lokaal waar het kan, regionaal waar dat meerwaarde heeft. Concreet betekent dit dat de regionale samenwerking zich richt op hoofdstructuren: - infrastructuur; - energie- en groenstructuren; - fietsroutes; - grondwater; - droogte; - hitteplan; - blusvoorzieningen; - communicatie. De meerwaarde zit in een gezamenlijke strategie en uniforme maatregelen voor grensoverschrijdende vraagstukken, kennisdeling en cofinanciering. Maatregelen op straat- of wijkniveau worden in beginsel lokaal opgepakt. Daarbij wordt wel geprofiteerd van de regionale afstemming op klimaatadaptatie.

Het lokaal of regionaal oppakken staat ook nog eens vermeld in tabel 1.2 Tabel 1.2 Regionaal of lokaal oppakken Regionaal oppakken Lokaal oppakken hoofdstructuren: infrastructuur, energienetwerk, groenstructuur, fietspaden, grondwater, hitteplan, blusvoorziening, droogte en communicatie maatregelen die op straatniveau worden uitgevoerd, zoals klimaatstrategie op wijkniveau 1.4 Proces Het programma is opgesteld door het voeren van gezamenlijke werksessies waarin: doelstellingen zijn gedefinieerd, de regionale scoping is afgebakend, en waarin maatregelen zijn gedefinieerd van grof naar fijn. Fase 1: Ambities en doelstellingen De eerste fase omvatte het startoverleg, twee werksessies en het verwerken van de uitkomsten hiervan. Voorafgaand aan de eerste werksessie werden de gegevens van de verschillende gemeenten geïnventariseerd van voorgaande stresstesten, klimaatadaptatieplannen, risicodialogen en geplande maatregelen. In de eerste werksessie hebben wij de scope van de strategie en de uitvoeringsagenda opgesteld, waarin de focus lag op het bepalen welke aspecten regionaal en welke lokaal moeten worden opgepakt. Dit is een afweging die steeds terug kwam bij de verschillende werksessies en formuleringen. In de tweede werksessie bespraken we de initiºle doelstellingen en ambitie van Zuid-Kennemerland.

Hierbij waren de vijf betrokken gemeenten, alsmede PWN, drinkwaterbedrijf en natuurbeheerder, en het hoogheemraadschap Rijnland aanwezig. De werksessie met de doelstellingen werd begeleid door twee ondersteuners van het DPRA. De doelstellingen werden opgesteld aan de hand van de DPRA- adaptatiepiramide. Fase 2: Prioriteren en plannen In fase 2 van het opstellen van de strategie, hebben wij de toegestuurde informatie van de verschillende gemeenten gebundeld. In deze fase hielden wij een derde werksessie, waarin de strategie verder werd uitgewerkt met beleidsmedewerkers van de verschillende gemeenten, het waterschap en PWN. 10 | 54 Witteveen+Bos | 149685/26-008.711 | Definitief 02 Doelstellingen aan de hand van de verschillende thema’s werden verder uitgewerkt op een tijdlijn, waarin ook weer de verdeling tussen de verschillende lagen uit de DRPA-adaptatiepiramide (zie afbeelding 2.1) werd gemaakt. De oplossingsrichtingen werden opgedeeld in: onderzoek, communicatie, beleid en fysieke ingrepen. Vervolgens hebben wij een werksessie gehouden waarin we verder ingingen op de verschillende concrete doelstellingen die uit de vorige werksessie kwamen. Samen met de ambtelijke werkgroep hebben we elke maatregel besproken en geconcretiseerd. Hierbij stonden wij ook nogmaals stil of iets essentieel was om regionaal op te pakken.

Daarnaast hebben we een voorzet gedaan in het prioriteren van maatregelen, zodat gekozen kan worden wat in de uitvoeringsagenda voor de komende jaren moet komen en wat van belang is voor de strategie op lange termijn. Fase 3: Rapporteren Nadat we een duidelijkere prioritering en concretisering van maatregelen hadden na de laatste werksessie uit fase 2, hebben wij in fase 3 de concept strategie en concept uitvoeringsagenda opgesteld. Dit deden wij in co-creatie met de betrokken beleidsmedewerkers door het opzetten van een gezamenlijke OneDrive, waarin iedereen direct opmerkingen kon plaatsen, aanpassingen kon doen en op elkaar kon reageren. Deze opmerkingen en aanpassingen hebben wij vervolgens weer verwerkt in het rapport. Na de beoordeling door de beleidsmedewerkers wordt het rapport van de klimaatadaptatiestrategie en de uitvoeringsagenda voorgelegd aan betrokken bestuurders van de vijf gemeenten, Rijnland en PWN tijdens een bestuurlijk overleg in februari 2026. 1.5 Leeswijzer Hoofdstuk twee focust op de methodiek die vanuit het DPRA is opgesteld voor het concretiseren van regionale doelen, en de doelen waarin deze methodiek heeft geresulteerd. Hoofdstuk drie beschrijft de analyse van de regio wat betreft de fysieke kwetsbaarheden voor klimaatverandering, en tegelijk de kansen die voorkomen uit de landschapstypen in de regio. Vanuit deze analyse volgen prioritaire opgaven.

Hoofdstuk vier beschrijft de strategische stappen om tot de regionale doelen te komen. Deze stappen bestaan uit concrete maatregelen die in hoofdstuk 5, in de actieagenda verder worden toegelicht. 11 | 54 Witteveen+Bos | 149685/26-008.711 | Definitief 02 2 REGIONALE VISIE EN AMBITIE 2.1 Methodiek doelafweging Voor de tweede DPRA-cyclus heeft de stuurgroep Ruimtelijke Adaptatie een ‘Nationale aanpak concrete doelen1’ opgesteld. Uit de voortgangsrapportages van DPRA in de afgelopen jaren bleek dat de werkregio’s veel behoefte hebben aan houvast. De ‘Nationale aanpak concrete doelen’ schrijft geen landelijke doelen voor, maar biedt een methodiek die werkregio’s helpt om concrete doelen te formuleren. De kern van de methodiek is ‘de adaptatiepiramide’, waarin klimaatadaptatie wordt gezien als lagenbenadering (zie afbeelding 2.1). De adaptatiepiramide is opgebouwd uit drie lagen, welke bestaan uit (van onder naar boven): ‘natuurlijk systeem benutten’, ‘technische maatregelen treffen’ en ‘handelen bij extremen’. Elk van deze lagen bevat doelen, subdoelen en maatregelen die nodig zijn om als regio water robuust en klimaatbestendig voor de toekomst te zijn en voorbereid te zijn op weersextremen. Vanuit het DPRA wordt aangestuurd om in de tweede cyclus in te zetten op de onderste laag van de piramide: het natuurlijk systeem benutten.

Als de focus binnen de lagen niet klopt, raakt de piramide uit balans en is Nederland niet optimaal beschermd tegen het veranderende klimaat. Dit wordt verder toegelicht in afbeelding 2.1. In de laag van het natuurlijk systeem moet het gros aan maatregelen plaatsvinden, in lijn met het water en bodem sturend principe. Natuurlijk systeem benutten (onderste laag van de adaptatiepiramide) De opbouw van de piramide zorgt voor verdeling van doelen over de drie lagen, waarbij het ‘natuurlijk systeem benutten’ het fundament van de piramide vormt. Het doel hier is verstevigen van het natuurlijk systeem als fundament en water- en bodem sturende klimaatadaptatie maatregelen. Technische maatregelen treffen (middelste laag van de adaptatiepiramide) De volgende laag is ‘technische maatregelen treffen’, waar traditioneel de focus op lag in Nederland. Hierin vallen maatregelen waarin de ruimtelijke inrichting aangepast wordt. De technische maatregelen bieden bescherming waar het natuurlijk systeem ontoereikend is. Handelen bij extremen (bovenste laag van de adaptatiepiramide) De punt van de piramide wordt gevormd door ‘handelen bij extremen’ waarin het accepteren van het restrisico, het aanpassen aan de veranderende situatie, het voorbereiden op een crisissituatie en snel herstel toe behoren.

Het doel is om voorbereid te zijn op extreme gebeurtenissen die niet op te vangen zijn met het natuurlijk systeem en het treffen van technische maatregelen. Inwoners, bedrijven, instellingen en hulpdiensten moeten hier allen weten wat te doen. 1 https://klimaatadaptatienederland.nl/publish/pages/237255/notitie-ra-doelen-oktober-2024-1-.pdf. 12 | 54 Witteveen+Bos | 149685/26-008.711 | Definitief 02 Afbeelding 2.1 Adapatiepiramide voor klimaatadapatie die gebruikt wordt in het DPRA Werksessie doelafweging, Overveen (29 oktober 2025) Voor werkregio Zuid-Kennemerland was op woensdag 29 oktober 2025 de eerste werksessie in de tweede DPRA-cyclus in Overveen. Hierbij kwamen ambtenaren van de gemeenten van Zuid-Kennemerland, het Hoogheemraadschap van Rijnland en drinkwaterbedrijf en natuurbeheerder PWN samen. Vanuit het gedachtengoed van deze piramide is in de werksessie op 29 oktober 2025 gewerkt, gefaciliteerd door twee adviseurs van het DPRA. Beleidsadviseurs van de genoemde organisaties waren aanwezig en werden verdeeld over twee groepen die zich ontfermden over de vier klimaatadaptatiethema’s vanuit het DPRA: droogte, hitte, wateroverlast, en gevolgbeperking van overstromingen. Voor elk van de thema’s is een half uur gebruikt om samen te bespreken wat er moet gebeuren om klimaatbestendig te zijn en waar de risico’s liggen.

Vanuit hier zijn vervolgens maatregelen en doelen opgesteld die passen binnen de adaptatiepiramide. Ook bij het bedenken van deze doelen probeerden de groepen te denken vanuit de onderste laag ‘natuurlijk systeem benutten’. Tevens is nagedacht over bij welk van deze doelen regionale regie essentieel is. 2.2 Ambitie Zuid-Kennemerland De ambitie voor Zuid-Kennemerland is om een klimaatbestendige en waterrobuuste regio te worden. Aan de basis hiervan staan maatregelen en doelen die zich richten op het benutten van het natuurlijk systeem. De natuurlijke eigenschappen en beperking van het water-en bodemsysteem worden hierin als leidend gezien. In de vorige DRPA-cyclus lag de focus in de regio voornamelijk op de middelste laag van de piramide, technische maatregelen treffen. De verandering van focus naar het meer benutten van het natuurlijk systeem ten opzichte van het treffen van technische maatregelen, wordt in heel Nederland gestimuleerd door het DPRA.

13 | 54 Witteveen+Bos | 149685/26-008.711 | Definitief 02 Ook is het de ambitie van Zuid-Kennemerland om de deze tweede DPRA-cyclus meer te focussen op hitte, droogte en groen, naast wateroverlast. Daarnaast is waterkwaliteit als belangrijke meekoppelkans benoemd voor de maatregelen in het programma. 2.3 Hoofddoelen 2050 (per thema) In de tweede werksessie, onder begeleiding van DPRA-ondersteuners, zijn de initiºle hoofd- en subdoelen van Zuid-Kennemerland bepaald. Hieronder zijn deze per thema toegelicht. 2.3.1 Wateroverlast Focus Voor het thema wateroverlast ligt de focus op het beter benutten van het natuurlijke systeem voor berging en infiltratie en het versterken van de stedelijke waterrobuustheid. Bij technische maatregelen ligt de prioriteit bij het voorkomen van schade in bebouwd gebied en bescherming van vitale functies.

Natuurlijk systeem benutten - het natuurlijk systeem wordt optimaal benut voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water, en is bestand tegen storm: • landschappelijke laagtes worden benut voor tijdelijke waterberging en natuurlijke afvoer; • in het landelijk gebied wordt water vastgehouden in groene en open gebieden; • de zoetwaterbel onder de duinen en binnenduinrand wordt beschermd door vertraagde afvoer en benut als strategische grondwaterreserve en buffer tegen verzilting; • het natuurlijk systeem (denk aan kust) is zo goed mogelijk bestand tegen stormschade; - de openbare ruimte en stedelijke omgeving functioneren als verlengstuk van het natuurlijke systeem: • de openbare ruimte wordt slim ingericht om regenwater op te vangen en te laten infiltreren; • hemelwater wordt afgekoppeld met maatwerk, waarbij lokale omstandigheden (bodem, grondwater, bebouwing) leidend zijn; • verharding en bodemverdichting worden zoveel mogelijk beperkt om infiltratie te bevorderen; - bewoners en bedrijven benutten de natuurlijke waterberging op perceelniveau: • er wordt gestimuleerd tuinen en bedrijfspercelen (deels) te ontharden en in te richten voor opvang, infiltratie of hergebruik van regenwater; • de hemelwaterverordening is gericht op het benutten van het natuurlijke systeem in plaats van directe afvoer via het riool; • inwoners worden bewust gemaakt van de waarde van het natuurlijke

systeem voor het beperken van wateroverlast. Technische maatregelen treffen - de gebouwde omgeving is neerslagbestendig en waterrobuust ingericht: • de openbare ruimte wordt dusdanig ingericht dat regenwater (maximaal 0,02 m tegen de gevel bij 1/100 jaar neerslag) niet binnendringt in woningen of gebouwen; • om ervoor te zorgen dat een gebied extreme neerslag aankan, moet een gebied voldoen aan de vigerende waterbergingsnormen vanuit het waterschap. Dat opvangen kan in de bodem, sloten, open water of andere vormen van wateropslag; • infiltratie van hemelwater wordt bevorderd door technische maatregelen te treffen; • het oppervlaktewaternetwerk wordt vergroot om meer berging mogelijk te maken; • bij herinrichting wordt waar mogelijk extra openbare ruimte gecreºerd om water te kunnen bergen; - vitale en kwetsbare functies blijven functioneren bij hevige neerslag: • ziekenhuizen, zorginstellingen, nutsvoorzieningen en energie-infrastructuur blijven bij een bui met herhalingstijd van 1/250 jaar functioneren en toegankelijk; • bij extreme buien zoals doorgerekend in de bovenregionale stresstest (1/500 jaar) blijven hoogspanningsstations en middenspanningslocaties bereikbaar en veilig; 14 | 54 Witteveen+Bos | 149685/26-008.711 | Definitief 02 • gebouwen en terreinen van vitale functies voldoen aan maatgevende hoogtes of beschermingsniveaus volgens de provinciale normering; - de

werking van netwerken en infrastructuur blijft behouden tijdens neerslagextremen: • provinciale wegen, hoofdroutes, tunnels, busbanen en stations blijven functioneren bij korte en langdurige neerslag (1/250 jaar) met een maximale waterdiepte van 0,15 m; • tunnels en onderdoorgangen beschikken over voldoende pompcapaciteit en noodvoorzieningen om instroom te verwerken; - de meetnetten van de waterpartners is fijnmazig en geven samen een goed beeld voor monitoring en signalering bij (naderende) extremen. Handelen bij extremen - de regio is voorbereid op wateroverlast door tijdige signalering, coördinatie en communicatie tijdens extremen: • gemeenten, waterschap, Veiligheidsregio en netwerkbeheerders beschikken over een actueel calamiteitenplan voor extremen, zoals de Limburgbui (2021); • bij langdurige natte of juist droge perioden vindt vooraankondiging plaats via vaste kanalen, zodat hulpdiensten, gemeenten en inwoners zich tijdig kunnen voorbereiden; • er is een communicatieplan voor inwoners en bedrijven over het restrisico dat ondanks maatregelen blijft bestaan, bijvoorbeeld tijdelijk water op straat of beperkte toegankelijkheid van gebieden. 2.3.2 Droogte Focus Voor het thema droogte ligt de focus op het versterken van de weerbaarheid van zowel natuur als bebouwde omgeving.

Belangrijke aandachtspunten zijn het beperken van de effecten van natuurbranden, het vasthouden van water via het natuurlijke systeem en technische maatregelen, het beperken van de zoetwatervraag en het beschermen van funderingen. Natuurlijk systeem benutten - het natuurlijk systeem van Zuid-Kennemerland wordt benut om droogte te beperken en de zoetwaterbeschikbaarheid te versterken: • water dat in natte perioden valt, wordt zo veel mogelijk lokaal vastgehouden in bodem, duinen en groenstructuren; • verdichting van de bodem in de stad wordt zo veel als mogelijk voorkomen; • de strategische zoetwatervoorraad in duin- en binnenduinrandgebieden blijft op peil; - het landschap en de inrichting van natuur- en recreatiegebieden zijn aangepast aan veranderende grondwaterstanden: • in natuurgebieden langs de binnenduinrand (overgangsgebied tussen de hogere duinen en lager achterliggend gebied) wordt zoveel mogelijk water vastgehouden (zonder dat dit tot wateroverlast leidt in bebouwde gebieden); • recreatieve functies blijven behouden door een robuuste inrichting die bestand is tegen zowel hoge als lage grondwaterstanden; - brandgevoelige natuur- en duingebieden zijn weerbaar tegen langdurige droogte: • de focus ligt op het goed beheren van de overgangszone tussen natuur en bebouwing (wildland– urban interface); • de veiligheidsregio en terreinbeheerders stemmen het beheer af op

toegankelijkheid voor hulpdiensten, inclusief zicht op stoplijnen bij brand (zoals doorgaande wegen), evacuatieroutes en bluswatervoorzieningen; - de vraag naar zoetwater wordt structureel beperkt: • bewoners en bedrijven verminderen het gebruik van drink- en grondwater. Onder meer door gebruik en infiltratie van regenwater. Technische maatregelen treffen - de gebouwde omgeving en infrastructuur zijn technisch aangepast aan langdurige droogte: 15 | 54 Witteveen+Bos | 149685/26-008.711 | Definitief 02 • wegen, kades en verhardingen worden waar nodig droogtebestendig aangelegd of hersteld om verzakking en schade te voorkomen; • in stedelijke gebieden worden voldoende hoge grondwaterstanden behouden via technische maatregelen; - het regionale watersysteem blijft functioneren bij langdurige droogte: • het (grond)waterpeil wordt afgestemd op verschillen tussen duingebieden, binnenduinrand en stedelijk gebied, zodat verdroging en verzilting worden beperkt; • waterbeheerders houden water langer vast in natte perioden en voeren dit geleidelijk af in droge perioden; • de regionale samenwerking tussen gemeenten, waterschap, PWN en Waternet wordt versterkt om peilbeheer en zoetwateraanvoer beter op elkaar af te stemmen; - zoetwater wordt doelmatig gebruikt en verdeeld: • de regio benut drinkwater voor essentiºle toepassingen.

Proces- en beregeningswater wordt zoveel mogelijk hergebruikt of is afkomstig uit alternatieve bronnen; • de positie van de stedelijke omgeving op de verdringingsreeks (ten opzichte van landbouw) wordt bestuurlijk geagendeerd bij het Deltaprogramma Zoetwater en de provincie, zodat regionale belangen worden meegenomen in landelijke besluitvorming; • bij nieuwbouw en gebiedsontwikkelingen worden voorzieningen voor waterbesparing standaard toegepast; - fire-wise inrichten van de omgeving van natuurgebieden: • bewoners zijn zich bewust van brandgevaar en denken daar ook over na bij inrichtingen, onderhoud en vervangen. Handelen bij extremen - de regio is voorbereid op calamiteiten als gevolg van langdurige droogte: • veiligheidsregio, waterschap en gemeenten hebben gezamenlijke draaiboeken en communicatielijnen voor periodes van extreme droogte; • de beschikbaarheid van zoetwater wordt bewaakt, en er zijn noodscenario’s voor verzilting en verminderde aanvoer vanuit duin- en poldergebieden; - inwoners, recreanten en bedrijven weten hoe zij moeten handelen tijdens droogte en brandgevaar: • gemeenten en Veiligheidsregio communiceren actief over gedrag bij droogte, zoals het vermijden van open vuur; • recreatieondernemers en terreinbeheerders nemen maatregelen voor snelle detectie en bestrijding van natuurbranden.

2.3.3 Hitte Focus De focus voor de komende periode ligt bij hitte op het versterken van de natuurlijke en stedelijke systemen die verkoeling bieden. Belangrijk zijn vergroening, schaduw en water in stad en buitengebied, bescherming van kwetsbare groepen en vitale (netwerk)functies. Natuurlijk systeem benutten - het natuurlijk systeem van buitengebied en duinen wordt benut om de effecten van hitte te beperken: • vegetatie in duinen, bossen en binnenduinrand zal zich 'van nature’ aanpassen aan een warmer en droger klimaat; • binnen het Natura2000-natuurbeschermingskader worden in de overgangszone tussen natuur en bebouwing (wildland–urban interface) lokale beheermaatregelen genomen als omvorming van naald- naar gemengd bos en/of terugdringen ondergroei, met behoud van inheemse soorten en biodiversiteit; • natuur- en recreatiegebieden blijven goed toegankelijk en bieden verkoeling voor inwoners en bezoekers; 16 | 54 Witteveen+Bos | 149685/26-008.711 | Definitief 02 • de waterkwaliteit op de officiºle zwemwaterlocaties voldoet aan de eisen van de EU- zwemwaterrichtlijn en de Nederlandse uitwerking daarvan.

Dat is een opgave voor de gemeente/locatiebeheerders, het waterschap en de provincie; - het natuurlijk systeem in stedelijke gebieden wordt versterkt en beter benut om hittestress te beperken: • gemeenten hanteren richtlijnen voor vergroening: ontharden, meer bomen/groen en waterdoorlatende bodems; • groen en water in de stad dragen bij aan verkoeling, waterberging en biodiversiteit. - bij keuzes groenstructuren en sortiment worden risico’s van zomerstormen meegewogen: • de vegetatie in kustgebieden wordt mede afgestemd op hoge windsnelheden in de zomer, zodat erosie en vegetatieschade beperkt blijven. Technische maatregelen treffen - de gebouwde omgeving is hittebestendig ingericht en biedt koelte aan inwoners: • de inrichting van de openbare ruimte vermindert het hitte-eilandeffect door schaduw en koelte; • langzaam verkeerroutes en verblijfsplekken krijgen structureel schaduw; • koelteplekken in de openbare ruimte zijn binnen loopafstand bereikbaar. - vitale en kwetsbare functies zijn hittebestendig op objectniveau: • vitale gebouwen en terreinen zijn zodanig ingericht dat er voldoende koelteplekken zijn en de essentiºle functies door kunnen gaan tijdens een hittegolf. - netwerken blijven functioneren bij een maatgevende hittegolf: • boven- en ondergrondse vitale infrastructuur is zodanig ingericht dat zij hun functie behouden tijdens een hittegolf.

Handelen bij extremen - de regio is voorbereid op hittecalamiteiten en weet hoe te handelen tijdens extreme hitte: • alle betrokken organisaties (gemeenten, GGD, Veiligheidsregio, waterschap, netbeheerders) beschikken over een actueel en op elkaar afgestemd hitteplan met heldere taken, verantwoordelijkheden en communicatielijnen; • tijdens hitteperiodes wordt de uitvoering van hitteplannen opgeschaald: monitoring, communicatie, beschermen van kwetsbare groepen en nazorg; • operationele teams weten hoe te handelen bij technische uitval of incidenten, bijvoorbeeld door sproeien van beweegbare bruggen of koelen van vitale installaties. - kwetsbare doelgroepen zijn in beeld en worden beschermd: • gemeenten, GGD en zorginstellingen beschikken over actuele overzichten van kwetsbare inwoners en stemmen maatregelen af met hulpdiensten en maatschappelijke organisaties; • communicatie over hitte wordt gericht verspreid via lokale netwerken (zoals zorg, scholen, woningcorporaties, wijkcentra) en vertaald naar handelingsperspectieven. 2.3.4 Gevolgbeperking overstromingen Focus De kans op overstromingen in Zuid-Kennemerland is klein door de brede duinen en het beperkte aantal laaggelegen polders. De regio richt zich daarom vooral op het benutten en versterken van natuurlijke keringen, het beperken van gevolgen bij vitale functies en het goed voorbereiden op calamiteiten.

Natuurlijk systeem benutten - de duinen worden als natuurlijke waterkeringen benut en waar nodig versterkt om overstromingsrisico’s verder te beperken: • dynamische kustbeheer van de duinen, binnen de kaders van Hoogheemraadschap en Rijkswaterstaat, draagt bij aan duurzame kustveiligheid en bescherming van de achterliggende polders; • landgebruik in het landelijk gebied wordt afgestemd op mogelijke waterdynamiek, met inzet van nature-based solutions tegen overstromingsrisico’s. 17 | 54 Witteveen+Bos | 149685/26-008.711 | Definitief 02 Technische maatregelen treffen - vitale functies, gebouwen en infrastructuur zijn zodanig ingericht dat schade en uitval bij een overstroming beperkt blijven: • vitale functies en infrastructuur zijn voldoende hoog aangelegd of beschermd zodat zij toegankelijk blijven bij hoogwater; • voor regionale waterkeringen en kunstwerken zijn ruimtereserveringen opgenomen voor toekomstige versterking (in de vorm van verbreding van de kering) en onderhoud. Handelen bij extremen - de regio is voorbereid op het uitzonderlijke scenario van een overstroming en kan snel en gecoördineerd handelen: • het hoogheemraadschap en gemeenten actualiseren en toetsen de escalatieladder en calamiteitenplannen voor overstromingssituaties; • vitale en kwetsbare functies kennen hun handelingsperspectief en hebben noodplannen klaar voor snelle evacuatie en herstel.

18 | 54 Witteveen+Bos | 149685/26-008.711 | Definitief 02 3 ANALYSE REGIO 3.1 Karakteristieken van het landschap Landschapstypen in Zuid-Kennemerland Het begrijpen van het natuurlijk systeem is van belang om effectieve maatregelen te kunnen treffen op systeemniveau. Voor het creºren van een water- en bodem sturend klimaatadaptatieprogramma is het analyseren van de landschapstypen en de ontstaanswijze daarom de eerste stap. Het landschap van Zuid-Kennemerland is divers. Een groot deel van de kustlijn van Noord-Holland valt binnen het gebied. Meer landinwaarts is er stedelijk gebied gebouwd op veengronden, zoals rond Haarlem en Heemstede. Zuid-Kennemerland heeft brede duinen, en grote zandvlaktegebieden. Vergeleken met de rest van Nederland, bevat het gebied vrij weinig polders. Alleen gemeente Velsen en een klein gebied in gemeente Haarlem zijn droogmakerijen. Op afbeelding 3.1 zijn de verschillende landschapstypen in Zuid-Kennemerland te zien. Deze kaart is een uitsnede van ‘Basiskaart Natuurlijk Systeem’, waarin bodem- en geomorfologische kaarten gecombineerd zijn. Op de kaart zijn 7 verschillende gebieden weergeven: - kustduinen; - strandwallen; - strandvlakte; - laagveenvlakte; - zeekleivlakte; - meerbodem; - veenrest.

19 | 54 Witteveen+Bos | 149685/26-008.711 | Definitief 02 Afbeelding 3.1 Uitsnede Zuid-Kennemerland Basiskaart natuurlijk systeem Klimaateffectatlas Klimaatdreigingen en adaptatiekansen gebaseerd op de ondergrond Elk landschapstype heeft specifieke klimaatdreigingen die bij de geomorfologie en het type bodem behoren. Op de Basiskaart Natuurlijk systeem maken ze hierin een onderscheid tussen sterke en matige klimaatdreigingen. Deze klimaatdreigingen leiden vervolgens ook weer tot adaptatiekansen. Met de juiste klimaatadaptatiemaatregelen toegespitst op het landstype kan de ernst van de klimaatdreigingen ondervangen worden. Ook in de adaptatiekansen wordt een onderscheid gemaakt tussen sterke en matige kansen. In tabel 3.1 is voor elk landschapstype in Zuid-Kennemerland weergeven waar dit landschapstype te vinden is, en wat de klimaatdreigingen en adaptatiekansen voor het landschapstype zijn.

20 | 54 Witteveen+Bos | 149685/26-008.711 | Definitief 02 Tabel 3.1 Landschapstypen, klimaatdreigingen en adaptatiekansen in Zuid-Kennemerland, op basis van de Basiskaart Natuurlijk Systeem Landschapstype Locatie Klimaatdreigingen Adaptatiekansen strandwallen en binnenduinrand: kustduinen langs gehele kust sterk: - natuurbrand sterk: - bodeminfiltratie - bodemerosie (wind) strandwallen en binnenduinrand: strandwal achter de kustduinen sterk: - droogteschade landbouw matig: - langdurige neerslag - verdroging grondwaterafhankelijke natuur sterk: - bodeminfiltratie - verhogen organische stoffen bodem matig: - aanpassen teelten natuurlijke vegetatie strandwallen en binnenduinrand: strandvlakte tussen kustduinen en strandwallen in sterk: - langdurige neerslag - kortdurend wateroverlast - verdroging grondwaterafhankelijke natuur - zoute en brakke kwel matig: - droogteschade landbouw - bodemdaling veenoxidatie sterk: - verhogen organische stoffen bodem - peilverhogen oppervlakte- en grondwater - vergroten capaciteit oppervlakte water - beek- en rivierherstel matig: - verhogen drainagebasis; - aanpassen teelten natuurlijke vegetatie laagveen: laagveenvlakte oosten van Haarlem en Heemstede sterk: - langdurige neerslag - CO2-emissie - bodemdaling veenoxidatie matig: - verdroging grondwaterafhankelijke natuur sterk: - peilverhogen oppervlakte- en grondwater - inundatie land - aanpassen

teelten natuurlijke vegetatie zeekleipolders: zeekleivlakte bij Santpoort-Noord (gemeente Velsen) en bij Spaarndam (gemeente Haarlem) sterk: - langdurige neerslag - bodemzetting zwei en krimp - zoute en brakke kwel matig: - droogteschade landbouw sterk: - peilverhogen oppervlakte- en grondwater - inundatie land - vergroten capaciteit oppervlaktewater matig: - aanpassen teelten natuurlijke vegetatie droogmakerijen en IJsselmeerpolders: meerbodem boven Velserbroek (gemeente Velsen) sterk: - langdurige neerslag - zoute en brakke kwel matig: - bodemzetting zwei en krimp sterk: - peilverhogen oppervlakte- en grondwater - inundatie land, aanpassen teelten natuurlijke vegetatie matig: - vergroten capaciteit oppervlaktewater droogmakerijen en IJsselmeerpolders: veenrest Velsenbroek (gemeente Velsen) sterk: - bodemdaling veenoxidatie matig: - langdurige neerslag sterk: - peilverhogen oppervlakte- en grondwater - inundatie land 21 | 54 Witteveen+Bos | 149685/26-008.711 | Definitief 02 Landschapstype Locatie Klimaatdreigingen Adaptatiekansen - zoute en brakke kwel - aanpassen teelten natuurlijke vegetatie matig: - vergroten capaciteit oppervlaktewater droogmakerijen en IJsselmeerpolders: kreekrug boven Spaarndam, ten zuidoosten van Velserbroek sterk - zoute en brakke kwel matig - langdurige neerslag sterk - peilverhogen oppervlakte- en grondwater 3.2 Watersysteem Op afbeelding 3.2 is het

watersysteem van Zuid-Kennemerland te zien. Hierop is te zien hoe het watersysteem functioneert. Water wordt opgevangen in de B/C-watergangen (licht blauw op de tekening) en afgevoerd naar de boezem, waarna het via een pomp naar de rivier of zee wordt afgevoerd. Hoofdwatergangen (donkerblauw) zorgen voor een adequate afvoer van water naar gemalen, die het water eerst naar de zogenaamde boezem brengen en van daaruit naar het Noordzeekanaal en de Noordzee. Alle overige watergangen (lichtblauw) hebben een lokale afwaterende functie richting de hoofdwatergangen. Uit de recente boezemstudie (Toekomstgericht Waterbeheer Rijnland), is gebleken dat de afvoer vanuit de boezem naar de noord zeekanalen goed en robuust is. In Zuid-Kennemerland lopen de watergangen vooral aan de oostkant van het gebied. Het duingebied in het westen heeft vrijwel geen watergangen, alleen geïsoleerde meren (en in de AW-duinen kanalen die een functie hebben voor de drinkwaterwinning, maar geen onderdeel vormen van het oppervlaktewatersysteem). De duinen liggen namelijk hoger dan het oosten van Zuid-Kennemerland, zoals te zien is op afbeelding 3.3, de hoogtekaart van de werkregio. 22 | 54 Witteveen+Bos | 149685/26-008.711 | Definitief 02 Afbeelding 3.2 Uitsnede van watersysteem kaart van Zuid-Kennemerland

23 | 54 Witteveen+Bos | 149685/26-008.711 | Definitief 02 Afbeelding 3.3 Uitsnede van hoogtekaart van Zuid-Kennemerland Op afbeelding 3.4 en afbeelding 3.5 zijn schematische weergaven van het grondwatersysteem in de regio. Deze afbeeldingen komen uit het grondwaterbeleidsplan van de gemeenten Bloemendaal en Heemstede, maar representeren ook de rest van het werkgebied vanaf de kust landinwaarts. We zien dat het gebied van overwegend zand overgaat naar lokaal klei en veen. Afbeelding 3.4 Schematische doorsnede grondwatersystemen (geel: overwegend zand, groen: lokaal klei en veen) (Grondwaterbeleidsplan gemeenten Bloemendaal en Heemstede 2022-2026, 2021)

24 | 54 Witteveen+Bos | 149685/26-008.711 | Definitief 02 Afbeelding 3.5 Schematische weergave grondwatersystemen bovenaanzicht (Grondwaterbeleidsplan gemeenten Bloemendaal en Heemstede 2022-2026, 2021) 3.3 Stresstesten en risicodialogen Naast de ontstaanswijze van het gebied en de natuurlijke werking van het systeem, heeft de mens ook invloed op het functioneren van het systeem. Bijvoorbeeld door het afdekken van de bodem door verstedelijking, waardoor water veel minder infiltreert en afstroomt, of bijvoorbeeld door het plaatsen van infrastructuur zoals dijklichamen onder wegen die bij een overstroming zorgen voor compartimentering van inundatiegebieden. Vanuit het DPRA zijn ook thema’s als hitte en de gevolgbeperking van overstromingen meegenomen in het klimaatadaptatieprogramma. Om de werking van het geheel te begrijpen en kwetsbaarheden in kaart te brengen worden stresstesten uitgevoerd. De gemeenten binnen de werkregio Zuid-Kennemerland en de provincie Noord-Holland hebben in de laatste DPRA-cyclus stresstesten uitgevoerd op verschillende klimaatadaptatiethema’s. Deze stresstesten zijn dus meer gedetailleerd en gaan een slag dieper in op de klimaatdreigingen die uitgelicht zijn op de Basiskaart Natuurlijk Systeem. Een deel van de aangeleverde stresstesten door de regio is in de volgende paragrafen verder uitgelicht. Hierbij is de focus vooral op regionale stresstesten.

Gemeentelijke stresstesten worden hier alleen uitgelicht als dat regionaal van belang is.

25 | 54 Witteveen+Bos | 149685/26-008.711 | Definitief 02 3.3.1 Wateroverlast Er zijn verschillende stresstesten gedaan waarin gekeken wordt naar de mogelijke gevolgen van extreme neerslag in het gebied. Onderstaande analyse geeft de waterdiepte weer op maaiveld bij twee extreme kortdurende buien, een 70 mm bui en een 140 mm bui. Per gemeente is een meer uitgebreide analyse beschikbaar die niet in dit rapport wordt behandeld. Uit de analyse is goed te zien dat, door de extreme neerslag, water op maaiveld blijft staan door het gehele gebied. In de korte tijd dat deze blokbuien vallen is de mogelijkheid om hemelwater te infiltreren onvoldoende, waardoor óók in het duingebied water op maaiveld blijft staan. In het stedelijk gebied is weliswaar riolering aanwezig, maar kan hemelwater (bij onvoldoende beschikbare berging) op maaiveld komen te staan met mogelijk wateroverlast tot gevolg. Afbeelding 3.6 Wateroverlast (Bron: Klimaateffectatlas) Toegankelijkheid wegen (regionaal) Ook zijn er meerdere stresstesten gedaan met betrekking tot wateroverlast op de wegen. De regio heeft eerder bepaald dat het vooral van belang is dat er toegang moet blijven tot ziekenhuizen en de wegen begaanbaar moeten blijven voor calamiteitendiensten. Op afbeelding 3.7 is zichtbaar welke hoofdwegen in de regio onbegaanbaar kunnen worden bij hevige neerslag.

In deze kaart betekent ‘onbegaanbaar’ een weg waar de waterdiepte 20 centimeter of meer is. Dit is vooral in gebieden rondom Haarlem het geval.

26 | 54 Witteveen+Bos | 149685/26-008.711 | Definitief 02 Afbeelding 3.7 Stresstest begaanbaarheid wegen (Regionale actieagenda klimaatadaptatie Zuid-Kennemerland, 2022) Belangrijk om uit te lichten is de specifieke kaart van begaanbaarheid wegen van de gemeente Velsen in afbeelding 3.8, waar zich het weinige polderlandschap in Zuid-Kennemerland bevindt. Hierin zien we dat bepaalde delen van Velsen, zoals de tunnel van Velsen-Noord naar Velsen-Zuid ook onbegaanbaar (>30 cm waterdiepte) worden voor calamiteitenverkeer. Dit is tijdens een t100 bui (70 mm/uur).

27 | 54 Witteveen+Bos | 149685/26-008.711 | Definitief 02 Afbeelding 3.8 Stresstest begaanbaarheid wegen Gemeente Velsen (Klimaatatlas gemeente Velsen) Grondwateroverlast De gemeente Heemstede en de gemeente Bloemendaal hebben een onderzoek uitgevoerd naar de grond- waterstanden in de gemeenten. Op afbeelding 3.9 zijn de aandachtsgebieden voor hoge grondwaterstanden te zien. Hoge grondwaterstanden zijn een risico voor wateroverlast bij hevige neerslag, omdat bij hoge grondwaterstanden de bodem al verzadigd is, waardoor regenwater minder goed kan infiltreren. Ook kun- nen door hoge grondwaterstanden problemen ontstaan voor de woningen in het gebied, zoals: vochtproble- men in funderingen en kelders en druk op funderingen en wanden.

28 | 54 Witteveen+Bos | 149685/26-008.711 | Definitief 02 Afbeelding 3.9 Overzicht aandachtsgebieden voor hoge grondwaterstanden in gemeente Heemstede en gemeente Bloemendaal (Grondwaterbeleidsplan gemeente Bloemendaal en Heemstede 2022-2026, 2021) 3.3.2 Droogte De verschillende gemeenten hebben nog geen aparte droogtekaarten gemaakt. Omdat een groot deel van de werkregio bestaat uit kustduinen, strandwallen en strandvlaktes, is droogte en het weten van de droogterisico-plekken wel erg relevant voor de regio. Vooral in de kustduinen, waar de klimaatdreiging volgens de Basiskaart natuurlijk systeem een sterke bedreiging is voor natuurbrand. Er is een natuurbrandgevoeligheidskaart opgesteld voor de werkregio ( afbeelding 3.10). Hierop zien we wat ook al werd beschreven in de klimaatdreigingen: een groot deel van het gebied heeft als natuurbrandgevoeligheid risico ‘hoog’. Alleen meer landinwaarts neemt het risico geleidelijk af.

29 | 54 Witteveen+Bos | 149685/26-008.711 | Definitief 02 Afbeelding 3.10 Natuurbrandgevoeligheidskaart van Zuid-Kennemerland Om natuurbranden te voorkomen is het ook van belang om te weten waar de droge gebieden zijn in de re- gio. Op afbeelding 3.11 is te zien waar de droogtegevoelige natuur in Zuid-Kennemerland zich bevindt. We zien dat dit best verspreid is over de gemeentes, maar dat er vooral in de duingebieden veel zeer gevoelige delen van de droogtegevoelige natuur is, waar ook de minste watergangen lopen (eerder beschreven op af- beelding 3.2).

30 | 54 Witteveen+Bos | 149685/26-008.711 | Definitief 02 Afbeelding 3.11 Uitsnede van droogtegevoelige natuurkaart van Zuid-Kennemerland In het gezamenlijke onderzoek van Gemeente Heemstede en Gemeente Bloemendaal is ook inzicht gegeven in de aandachtsgebieden voor lage grondwaterstanden, zie ook afbeelding 3.12. In tijden van droogte kan grondwater normaal als buffer fungeren, maar bij lage grondwaterstanden is die buffer uitgeput, waardoor de stress op droogtegevoelige natuur versterkt wordt. Daarnaast kunnen lage grondwaterstanden zorgen voor bodemdaling, wat negatieve effecten kan hebben op de fundering van gebouwen.

31 | 54 Witteveen+Bos | 149685/26-008.711 | Definitief 02 Afbeelding 3.12 Overzicht aandachtsgebieden voor lage grondwaterstanden en zettingen (groen), kansgebieden voor toepassen infiltratie (blauw) en locaties waar ondiep veen in de ondergrond zit (bruintinten - hoe donkerder hoe dieper) in de gemeente Bloemendaal en Heemstede (Grondwaterbeleidsplan gemeente Bloemendaal en Heemstede 2022- 2026, 2021) Verzilting en zout grondwater Door het toenemende verschil tussen zoetwatervraag en -aanbod neemt de verzilting binnen het beheerge- bied van Rijnland toe. In onderstaande figuur staan de berekende chlorideconcentraties in de boezem weer- gegeven voor de huidige situatie, 2050 en 2100. Dit betreft de weekgemiddelde maximale concentratie tij- dens inzet van de Klimaatbestendige Aanvoervoorzieningen (KWA), waarbij geen rekening is gehouden met verdere maatregelen. (Bron: Rapport impactanalyse toekomstgericht waterbeheer Rijnland) In de volgende fase van deze studie wordt onderzocht welke maatregelen effectief zijn om de gevolgen van verzilting te be- perken.

32 | 54 Witteveen+Bos | 149685/26-008.711 | Definitief 02 Afbeelding 3.13 Indicatie chloridegehaltes bij huidig en toekomstig klimaat (Toekomstgericht waterbeheer Rijnland, 2025) 3.3.3 Hitte Vooral in stedelijk gebied zal hittestress een groot risico zijn. Dit komt omdat bebouwde gebieden minder natuurlijke koeling hebben, en daardoor sneller opwarmen en langzamer afkoelen. De provincie Noord- Holland heeft een risicokaart hitte gemaakt, waarop vooral de verschillende steden rood kleuren (aanzienlijk warmer dan omliggende landelijk gebied), ook in Zuid-Kennemerland (afbeelding 3.14). Grote delen van de steden geven een stedelijk hitte-eiland effect (UHI) van meer dan 2 graden Celsius weer. Naast de steden, zien we in het gebied van Zuid-Kennemerland ook kwetsbare wegen voor hitte. Ook geeft de kaart buurten weer met meer dan 30 procent bewoond door ouderen, waardoor klimaatadaptatieplannen mogelijk kunnen worden toegespitst op deze regio’s. Aan de rand van Haarlem is zo’n buurt te zien. Het zwemwater geeft mogelijke verkoelingsplekken weer. Of dit zwemwater begaanbaar is hangt natuurlijk ook weer samen met de waterkwaliteit, waarbij de kaart wateren weergeeft waar de waterkwaliteit extra aandacht nodig heeft.

33 | 54 Witteveen+Bos | 149685/26-008.711 | Definitief 02 Afbeelding 3.14 Risicokaart Hitte Provincie Noord-Holland Om van plek naar plek te komen, is het van belang dat de fiets- en looproutes ook begaanbaar blijven tijdens extreme hitte. Daarom kijken we ook naar de kaart die weergeeft waar er schaduw is op de fiets- en looproutes in Zuid-Kennemerland (afbeelding 3.15). Hier zien we vooral langs de kust in gemeente Bloemendaal, Zandvoort en Velsen een significant deel van de loop- en fietsroutes niet veel schaduw hebben.

34 | 54 Witteveen+Bos | 149685/26-008.711 | Definitief 02 Afbeelding 3.15 Uitsnede van kaart schaduw op fiets- en looproutes van Zuid-Kennemerland Naast schaduwplekken op fietspaden is het ook goed om te kijken naar de afstand tot koelte in de stad. Op afbeelding 3.16 is te zien dat in elke gemeente, behalve Bloemendaal, plekken zijn waar het meer dan 500 meter lopen is naar een koele plek. Minder koelteplekken kan zorgen voor hevigere effecten van hittestress in de bebouwde kom.

35 | 54 Witteveen+Bos | 149685/26-008.711 | Definitief 02 Afbeelding 3.16 Uitsnede van de afstand tot koelte kaart van Zuid-Kennemerland (Bron: Klimaateffectatlas, januari 2026) Onderstaande kaart (afbeelding 3.17) geeft de boomkroonbedekking weer in Zuid-Kennemerland. Dit correleert met de koelteplekken in afbeelding 3.16. En laat zien dat hoe meer boomkroonbedekking er in een buurt is, hoe meer koelte en daarmee minder hittestress aanwezig.

36 | 54 Witteveen+Bos | 149685/26-008.711 | Definitief 02 Afbeelding 3.17 Uitsnede van de kaart van boomkroonbedekking in Zuid-Kennemerland Opwarming drinkwaterleidingen Drinkwater mag wettelijk niet warmer zijn dan 25 C. Bij temperaturen daarboven neemt de kans op groei van ziekteverwekkende bacteriºn toe, zoals bijvoorbeeld legionella. Door steeds hetere zomers en de toename van het aantal warmteleidingen onder de grond, neemt in de zomer ook de temperatuur van het leidingwater toe. Het is belangrijk dat we daar goed inzicht in hebben. Onderstaande kaart geeft de resultaten van de eerste onderzoeken waar de hotspots in het PWN-netwerk zitten.

37 | 54 Witteveen+Bos | 149685/26-008.711 | Definitief 02 Afbeelding 3.18 Opwarming drinkwater PWN (Bron: Warmte-viewer Provincie Noord-Holland) 3.3.4 Gevolgbeperkingen overstromingen Voor het onderscheid tussen de verschillende klimaatthema’s, is onderstaand een definitie gegeven die wordt gehanteerd binnen dit rapport voor overstromingen en wateroverlast. - overstromingen zijn het gevolg van het doorbreken van primaire of secundaire keringen, waarbij grote hoeveelheden oppervlaktewater buiten het systeem treden en ernstige schade kunnen veroorzaken; - wateroverlast betreft het lokaal en relatief frequent optreden van te veel hemelwater binnen het (af)watersysteem, zoals een overlopende sloot of water op straat door een riool dat overbelast is. De kans op overstromingen in het gebied van Zuid-Kennemerland is relatief klein in vergelijking met een groot deel van Nederland. De werkregio heeft weinig polders, brede duinen, en heeft gelimiteerde watergangen. De Klimaateffectatlas bevat verschillende kaarten van Nederland over overstromingsdiepte. Elk van deze kaarten betreft een ander beeld van de maximale overstromingsdiepte en frequentie. Bij een grote kans (eens per 10 jaar) en een middelgrote kans (eens per 100 jaar), loopt de regio Zuid-Kennemerland weinig risico.

Op afbeelding 3.19 is de uitsnede van de kaart van Zuid-Kennemerland weergegeven met een overstromingsdiepte van een kleine kans (eens per 1.000 jaar)). Op afbeelding 3.20 is de uitsnede van de kaart van Zuid-Kennemerland weergegeven met een overstromingsdiepte van een zeer kleine kans (eens per 10.000 jaar). Hierop zien we dat de plekken waar de overstromingsdiepte dieper is deels overeenkomen met de plekken die op de op de Basiskaart Natuurlijk Systeem (afbeelding 3.1) polderlandschappen zijn.

38 | 54 Witteveen+Bos | 149685/26-008.711 | Definitief 02 Deze bevinden zich met name in de Gemeente Velsen. Dit zijn de plekken in Zuid-Kennemerland waar de kans op overstroming wØl aanwezig is, en waar de gevolgbeperking van overstromingen van belang is. Afbeelding 3.19 Uitsnede van overstromingsdiepte kaart van Zuid-Kennemerland bij een kleine kans van overstroming (eens per 1000 jaar) Afbeelding 3.20 Uitsnede van overstromingsdiepte kaart van Zuid-Kennemerland met een zeer kleine kans van overstroming (eens per 10 000 jaar)

39 | 54 Witteveen+Bos | 149685/26-008.711 | Definitief 02 3.3.5 Veranderende trends KNMI’14 scenario’s ten opzichte van KNMI’23 scenario’s De stresstesten die de basis zijn van alle kaarten die hiervoor beschreven zijn, zijn gebaseerd op de KNMI’14 scenario’s. Inmiddels zijn er vernieuwde KNMI scenario’s uitgebracht in 2023. EØn op ØØn vergelijking tussen beide scenario’s is lastig, aangezien er een andere referentie en methodiek is gebruikt bij de geüpdatete scenario’s. Toch zijn er een aantal relevante verschillen tussen de KNMI’14 en de KNMI’23 scenario’s. Zo blijken droogte en hitte extremer uit te vallen in de nieuwe updates van het KNMI. In het meest extreme scenario wordt het hoogste neerslagtekort 20 procent hoger dan in het eerdere scenario uit 2014. Ook wordt de hitte extremer, in het meest extreme scenario zijn er 10 extra zomerse dagen waarin de maximum temperatuur boven de 25 graden komt. De extremere droogte zal een significante rol kunnen spelen in de duingebieden, en de hitte zal meer effect hebben op het hitte stresseffect in de stad. Aanbeveling voor Zuid-Kennemerland De extremere droogte zal een significante rol kunnen spelen in de duingebieden en de natuurbrandgevoeligheid in de regio. Daarnaast zal het toenemende aantal zomerse dagen meer effect hebben op het hitte stresseffect in het stedelijk gebied.

Voor de komende DPRA-cyclus wordt daarom aanbevolen om in Zuid-Kennemerland aandacht te geven aan de onderwerpen Hitte en Droogte, om een beter beeld te krijgen van de klimaateffecten. 40 | 54 Witteveen+Bos | 149685/26-008.711 | Definitief 02 4 ADAPTATIESTRATEGIE 4.1 Introductie De regionale Strategie Klimaatadaptatie van Zuid-Kennemerland werkt toe naar doelstellingen in 2050, zoals beschreven in hoofdstuk 2. Om deze doelen te bereiken is de inzet van verschillende overheden, partijen, bedrijven Øn inwoners nodig. Voor het behalen van de doelen is in de werkregio nagedacht over de verschillende typen maatregelen die de werkregio en partners moeten nemen; beleidsmatig, onderzoekgericht, communicatief, en de benodigde fysieke ingrepen door de werkregio. Dit hoofdstuk is opgedeeld in twee delen. Het eerste deel geeft een toelichting op de grote lijnen van de strategie en de aansluiting daarbij op de doelen. Het tweede deel van dit hoofdstuk laat zich lezen als een tijdlijn met menukaart met daarin de concreet opgehaalde maatregelen, onderzoeken, en beleidsdocumenten/plannen tijdens de verschillende werksessies van eind 2025. De rollen en verantwoordelijkheden zijn per partij is in een overzichtelijke tabel weergegeven in paragraaf 4.4. Hierin staan nog geen concrete acties, maar wordt wel aangegeven welke rol bij welke partij ligt.

4.2 Strategie op hoofdlijnen Zuid-Kennemerland heeft haar strategie opgesteld in lijn met de adaptatiepiramide vanuit het DPRA. Aan de basis hiervan staan maatregelen en doelen die zich richten op het benutten van het natuurlijk systeem. Technische maatregelen vullen het natuurlijke systeem waar nodig aan, en de regio is voorbereid op het handelen bij extremen. Natuurlijk systeem benutten Door water en bodem sturend te laten zijn (bij toedeling van functies aan locaties) en natuurlijke processen te versterken (zoals dynamisch kustbeheer, infiltratie, vasthouden van water, vergroening) wordt de basis gelegd voor een klimaatbestendige regio. Door de focus op het systeem als geheel moeten verschillende grondeigenaren en beheerders worden meegenomen in de aanpak. De strategie focust zich dus niet alleen op wat de gemeentes van de werkregio zelf kunnen doen, maar ook op hoe haar inwoners en bedrijven door middel van bewustwording en beleid gestimuleerd kunnen worden om bij te dragen aan klimaatadaptatie en het versterken van de natuurlijke processen. Het regenwater dat valt maakt in het systeem immers ook geen onderscheid tussen grondeigenaren. Een klimaat adaptieve regio is dus een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Kennis van het systeem Voor het benutten van de kracht van het natuurlijk systeem, is het van belang om op basis van kennis van het systeem te handelen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.bloemendaal.nl/api/v1/meetings/2668/documents/27865