NIEUW Bijlage 2 Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Beuningen 2026
Tekst van het document
Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Beuningen 2026
26
5.De aanbieder neemt de maatregelen uit het bevel binnen de gestelde termijn. Wanneer de maatregelen volledig zijn uitgevoerd, meldt de aanbieder zich bij de toezichthouder. Bij een pgb-aanbieder doet de budgethouder dit. Artikel 33. Inspectierapport 1.De toezichthouder stelt naar aanleiding van zijn onderzoek een inspectierapport op. In het inspectierapport neemt hij zijn bevindingen en oordeel op. 2.Als de toezichthouder oordeelt dat de regels uit de wet niet zijn of zullen worden nageleefd, vermeldt hij dat in het inspectierapport. 3.De toezichthouder stuurt de aanbieder het conceptrapport. De aanbieder kan binnen 14 dagen op feitelijke onjuistheden in dat conceptrapport reageren. De toezichthouder vermeldt de reactie van de aanbieder in een bijlage of past het rapport hierop aan. 4.De toezichthouder stuurt het definitieve inspectierapport aan de aanbieder en het college. Het college zorgt voor verzending naar eventuele budgethouders. 5.De toezichthouder maakt het inspectierapport openbaar, tenzij zwaarwegende belangen zich hiertegen verzetten.
Paragraaf 7.3 Herstelfase Artikel 34. Aanwijzing 1.Als blijkt dat niet wordt voldaan aan een of meer eisen uit de wet, onderliggende regels of de overeenkomst, start het college een hersteltraject. Dit traject is gericht op het eindigen van de tekortkoming(en) en het voorkomen van herhaling. 2.Het hersteltraject start met een schriftelijke aanwijzing, tenzij de ernst en omvang van de tekortkoming zich daartegen verzet. Bij fraude kan het college vanwege het doelbewust onrechtmatig handelen direct sancties opleggen, de overeenkomst ontbinden en het subsidiebesluit intrekken. 3.In de aanwijzing uit lid 2 van dit artikel geeft het college onderbouwd aan: a. welke eisen niet of onvoldoende worden nageleefd; b. de in verband daarmee te nemen maatregelen; c. de hersteltermijn waarbinnen de tekortkomingen moeten zijn verholpen. 4.Het college kan tijdens het hersteltraject andere maatregelen zoals een cliëntenstop en of verscherpt toezicht instellen. Dit neemt het college op in de schriftelijke aanwijzing. Andere maatregelen worden alleen ingesteld als de situatie daar aanleiding toe geeft. 5.Het college kan besluiten onderdelen van het hersteltraject over te slaan of te herhalen. Dit kan alleen wanneer de tekortkoming hiertoe aanleiding geeft. Artikel 35. Hersteltermijn Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Beuningen 2026
27
1.De hersteltermijn duurt als uitgangspunt 12 weken. 2.Het college kan een andere hersteltermijn bepalen in verband met veiligheidsrisico’s of als het herstellen van de tekortkoming binnen een termijn van 12 weken redelijkerwijs niet mogelijk is. Artikel 36. Cliëntenstop en verscherpt toezicht 1.Tijdens het hersteltraject of bij een gegrond vermoeden van fraude, kan het college besluiten dat: a. geen nieuwe cliënten aan de aanbieder worden toegewezen; b. geen nieuwe pgb worden toegekend waar de pgb-aanbieder als leverancier genoemd wordt of dat een zorgovereenkomst waarin de pgbaanbieder partij is niet geaccordeerd zal worden; c. geen nieuwe indicaties of verlengingen van indicaties aan de aanbieder worden toegewezen, geen pgb worden toegekend waar de pgb-aanbieder als leverancier genoemd wordt of dat een zorgovereenkomst waarin de pgb-aanbieder partij is niet geaccordeerd zal worden; d. De aanbieder onder verscherpt toezicht wordt geplaatst. Bij een persoonsgebonden budget ligt de verantwoordelijkheid van verscherpt toezicht bij de budgethouder. 2.De aanbieder of de budgethouder wordt hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. 3.Tijdens het verscherpt toezicht houdt de aanbieder of de budgethouder de toezichthouder met een rapportage periodiek op de hoogte over de verbeteringen. Artikel 37.
Vervolgonderzoeksrapport 1.Na de hersteltermijn uit artikel 30 van deze verordening toetst de toezichthouder de aanbieder opnieuw. 2.De toezichthouder legt zijn bevindingen naar aanleiding van dit onderzoek vast in een vervolgonderzoeksrapport. Dit gaat op dezelfde wijze zoals beschreven in artikel 28 van deze verordening.
Paragraaf 7.4 Handhavingsfase Artikel 38. Handhavingsmaatregelen 1. Naar aanleiding van de bevindingen van de toezichthouder kan het college herstelsancties opleggen. Deze sancties zijn: a. (opnieuw) een schriftelijke aanwijzing geven; b. een last onder bestuursdwang opleggen; c. een last onder dwangsom opleggen. Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Beuningen 2026
28
2. Het college kan daarnaast: a. de aanbieder verbieden de levering van de voorziening voort te zetten wanneer hij een bevel of aanwijzing niet opvolgt; b. de toekenning van het pgb aan de budgethouder intrekken, waarbij recht op ondersteuning in natura of van een andere pgb-aanbieder niet aangetast wordt. Artikel 39. Privaatrechtelijke maatregelen en opschorten betaling 1. Naast sancties op grond van deze verordening kunnen privaatrechtelijke maatregelen genomen worden. Dit kan alleen op grond van contractuele afspraken tussen het college en de aanbieder. 2. Een privaatrechtelijke maatregel is ingebrekestelling. Wanneer een aanbieder na de eerste hersteltermijn niet voldoet aan de opgelegde verbeteringen, kan het college besluiten over te gaan op schriftelijke ingebrekestelling. 3. Na de hersteltermijn uit de ingebrekestelling, kan het college de overeenkomst ontbinden. Dit kan alleen wanneer de contractuele afspraken na die termijn nog niet (volledig) zijn nagekomen. 4. Het college kan de Sociale Verzekeringsbank verzoeken de betaling van het pgb geheel of gedeeltelijk te beëindigen, weigeren of uit te stellen. 5. De maatregelen die het college neemt staan in redelijke verhouding tot de vorm of ernst van de overtreding of melding.
Paragraaf 7.6 Overige bepalingen Artikel 40. Register 1. Het college publiceert een actueel register met gecontracteerde aanbieders. 2. Een cliëntenstop bij de aanbieder wordt in het register vermeld. Artikel 41. Meldingsplicht 1. Een aanbieder of budgethouder is verplicht zo snel mogelijk bij het college te melden dat niet langer aan de eisen uit de wet of de overeenkomst voldaan kan worden. 2. Na deze melding treedt het college in overleg met de aanbieder of budgethouder. In het overleg wordt besproken op welke manier en binnen welke termijn aan de eisen uit de wet of de overeenkomst kan worden voldaan. Artikel 42. Betrekken van inwoners bij het beleid
Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Beuningen 2026
29
1. Het college betrekt inwoners van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid over maatschappelijke ondersteuning. Ook raadpleegt het college cliënten of hun vertegenwoordigers. Het college stelt hen vroegtijdig in de gelegenheid om voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen en/of advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen. 2. Het college zorgt ervoor dat inwoners kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 3. Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van het eerste en tweede lid. HOOFDSTUK 8. SLOTBEPALINGEN Artikel 43. Evaluatie Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per vier jaar geëvalueerd. Artikel 44. Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1. De Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Beuningen 2025 wordt ingetrokken. 2. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Beuningen 2025, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken of de indicatietermijn is verstreken. 3.
Aanvragen die zijn ingediend en meldingen die zijn gedaan onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Beuningen 2025 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening (2026). 4. Op bezwaar- en beroepschriften tegen een besluit genomen op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Beuningen 2025, wordt beslist volgens deze Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Beuningen 2026. Artikel 45. Nadere regels en hardheidsclausule 1. In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Beuningen 2026
30
2. Het college kan nadere regels en beleidsregels stellen over de uitvoering van deze verordening. 3. Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening als de toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 46. Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1. De Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Beuningen 2025 wordt ingetrokken. 2. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening, verstrekt op grond van eerdere Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Beuningen 2025, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken of de indicatietermijn is verstreken. 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Beuningen 2025 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld op grond van deze Verordening jeugdhulp gemeente Beuningen 2026. 4. Op bezwaar- en beroepschriften tegen een besluit genomen op grond van de verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Beuningen 2025, wordt beslist volgens deze Verordening jeugdhulp gemeente Beuningen 2026. Artikel 47. Inwerkingtreding en citeertitel 1.
Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking op 1 mei 2026. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Beuningen 2026. Bijlage 1.Toelichting 2.Kwaliteitseisen pgb-aanbieders Wmo
Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Beuningen 2026
31
Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad gehouden op 12 mei 2026 De Griffier, Esther Jonkman De voorzitter Daphne Bergman
BIJLAGE 1 Toelichting verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Beuningen 2026 Algemeen Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: de Wmo 2015). De Wmo 2015 maakt deel uit van de bestuurlijke en – met toepassing van een budgetkorting – financiële decentralisatie naar gemeenten van een aantal taken. Hierbij wordt deels voortgeborduurd op de weg die met de Wmo al was ingezet. Bekeken wordt wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de cliënt en zijn sociaal netwerk. Vervolgens zal waar nodig de gemeente in aanvulling hierop de client in staat stellen gebruik te maken van een algemene voorziening of – als dat niet volstaat – een maatwerkvoorziening, waarmee een bijdrage wordt geleverd aan zijn mogelijkheden om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij.
Er dient telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen te worden om de hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen, om te achterhalen wat de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren, om te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan, of dat een maatwerkvoorziening nodig is, en of sprake is van een andere voorziening die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 valt. De Wmo 2015 en deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom vast. Want waar het recht op compensatie dat bestond onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning is komen te vervallen, wordt een recht op een zorgvuldige, tweezijdige procedure daartegenover gesteld. Een dergelijke procedure die bovendien goed wordt uitgevoerd, zal telkens tot een juist eindoordeel moeten leiden: ondersteuning waar ondersteuning nodig is. Als de client van mening is dat het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, kan betrokkene daartegen vanzelfsprekend bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan.
De rechter zal toetsen of de gemeente zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van betrokkene op zorgvuldige wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. De Wmo 2015 en deze verordening leggen veel bevoegdheden bij het college. De uitvoering hiervan zal echter in de regel namens het college gedaan worden (in mandaat) door deskundige consulenten, ambtenaren of bijvoorbeeld aanbieders. Waar in deze verordening en in de wet ‘het college’ staat, kan het college deze bevoegdheid namelijk mandateren aan ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten op grond van de algemene regels van de Awb. Op grond van artikel 2.6.3 van de Wmo 2015 kan het college de vaststelling van rechten en plichten van de cliënt echter alleen mandateren aan een aanbieder. Zie voor de definitie van Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Beuningen 2026
32
‘aanbieder’ de toelichting onder artikel 1. Deze beperking geldt alleen voor mandatering aan nietondergeschikten. Het college kan de vaststelling van rechten en plichten ook aan ondergeschikten mandateren. De Wmo 2015 schrijft in artikel 2.1.3, eerste lid, voor dat de gemeente per verordening de regels dient vast te stellen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het verplichte gemeentelijk beleidsplan met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning. In de verordening dient overeenkomstig de artikelen 2.1.3, tweede tot en met vierde lid, 2.1.4b, tweede lid, en 2.1.6 van de Wmo 2015 in ieder geval bepaald te worden: - op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt; - op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld; - welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, inclusief eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten; ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten vereist is; - ten aanzien welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn vereist is; - op welke wijze ingezetenen, waaronder cliënten of hun vertegenwoordigers, worden betrokken bij
uitvoering van de wet, voorstellen voor beleid kunnen doen, gevraagd en ongevraagd advies kunnen uitbrengen over verordeningen en beleidsvoorstellen, worden voorzien van ondersteuning en deel kunnen nemen aan periodiek overleg; - op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening wordt berekend; en - op welke wijze het college zorgdraagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers in de gemeente. Ook dient de gemeente overeenkomstig de artikelen 2.1.3, derde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wmo 2015 per verordening regels te stellen: • Voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, en van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet; • Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening, waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van de Wmo 2015 door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.
Daarnaast kan de gemeente op grond van de artikelen 2.1.4, eerste, tweede en zesde lid, 2.1.4a eerste, tweede, derde, vijfde en zesde lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.7 en 2.3.6, vierde lid, van de Wmo 2015: • Bepalen dat cliënten voor algemene voorzieningen, niet zijnde cliëntondersteuning, bijdrage verschuldigd zullen zijn; • De hoogte van de bijdrage voor de verschillende soorten van voorzieningen, ook wanneer de cliënt de ondersteuning zelf inkoopt met een pgb, in de verordening verschillend vaststellen. Hierbij kan tevens worden bepaald dat op de bijdrage een korting wordt gegeven voor personen die behoren tot daarbij aan te wijzen groepen en dat de bijdrage afhankelijk is van het inkomen en het vermogen van de cliënt en zijn echtgenoot; bepalen dat de bijdragen voor opvangvoorzieningen door een andere instantie dan het CAK wordt vastgesteld en geïnd; • Bepalen dat in geval van een minderjarige cliënt die niet zelf de eigenaar is van de woning, een bijdrage wordt opgelegd aan diens onderhoudsplichtige ouders en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag over de cliënt uitoefent; • Bepalen dat aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie, en vaststellen welke de
toepasselijke grenzen zijn met betrekking tot de financiële draagkracht;
Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Beuningen 2026
33
•
Bepalen onder welke voorwaarden betreffende het tarief de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de ondersteuning kan inkopen van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.
Artikelsgewijze toelichting Niet iedere bepaling behoeft toelichting. Daarom volgt alleen een toelichting bij de artikelen waar dat nodig is. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: Artikel 1. Begripsbepalingen c: algemeen gebruikelijke voorziening: Het college onderzoekt of een voorziening algemeen gebruikelijk is voor een cliënt. Hierbij staat de vraag of de cliënt ook over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken zonder beperkingen. Bij dat onderzoek spelen de volgende criteria een rol spelen: • Is de voorziening gewoon te koop? • Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten? • Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking ontworpen? • Is de voorziening financieel draagbaar voor iemand met een inkomen op minimumniveau? Deze voorwaarde dient zo te worden begrepen dat een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen onder de gehele bevolking gangbaar is te achten. j. gebruikelijke hulp: Gebruikelijke hulp is gedefinieerd in de Wmo 2015. Het idee achter het begrip is dat de gemeente geen ondersteuning hoeft te bieden als de bewuste ondersteuning normaal gesproken binnen de huiselijke kring wordt opgelost. k. hulpvraag: De hulpvraag is de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning.
Als iemand die behoefte heeft aan maatschappelijke ondersteuning zich tot het college wendt, is het van belang dat allereerst wordt onderzocht wat de hulpvraag van betrokkene is. Wanneer de betrokkene zich voor het eerst meldt, is in veel gevallen niet op voorhand duidelijk of en in welke vorm het college in actie moet komen. Een zorgvuldig onderzoek is noodzakelijk. l. ingezetene: De cliënt kan als hij ingezetene is van een gemeente in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo 2015 gericht op zelfredzaamheid en participatie (artikel 1.2.1 Wmo). Om voor een maatwerkvoorziening gericht op beschermd wonen en opvang in aanmerking te komen moet de cliënt in ieder geval ingezetene van Nederland zijn, maar niet per se van de gemeente. Uit de Memorie van Toelichting volgt dat een ingezetene zich, ter verkrijging van een maatwerkvoorziening, moet wenden tot het college van de gemeente waar hij woont. De term 'wonen' is niet verder uitgelegd. Uit jurisprudentie bij de (oude) Wmo (CRvB 22-09-2010, nr. 09/1743 Wmo) volgt dat het gaat om de feitelijke verblijfplaats, waarbij een inschrijving de Basisregistratie personen (BRP) een belangrijke aanwijzing is, maar niet doorslaggevend. De definitie maakt duidelijk dat het begrip ingezetene hier wordt gebruikt in relatie tot maatschappelijke ondersteuning. n.
maatschappelijke ondersteuning: Een hulpvraag van een inwoner kan betrekking hebben op verschillende levensdomeinen, maar ook op de vorm van ondersteuning. Informatie en advies geven vallen daar ook onder. Maar ook de inzet van sociale basis, informele ondersteuning of maatschappelijk werk vallen onder maatschappelijke ondersteuning. Het inzetten van een maatwerkvoorziening wordt ingezet als laatste optie.
Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Beuningen 2026
34
q. melding: Eenieder kan zich melden bij zijn gemeente met een hulpvraag. Door het melden maakt de cliënt de hulpvraag aan het college kenbaar. In vervolg op deze melding zal het college in samenspraak met de cliënt zo spoedig mogelijk een onderzoek (laten) instellen. Als een ingezetene alleen informeert naar bijvoorbeeld de beschikbaarheid van een algemene voorziening of kenbaar maakt gebruik te willen maken van een algemene voorziening, is er geen aanleiding om een onderzoek in te stellen. Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal (definitie)bepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb): een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen, en ‘beschikking’ (artikel 1:2 van de Awb): een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van de aanvraag daarvan. t. persoonlijk plan Een cliënt kan in een persoonlijk plan - al dan niet samen met zijn persoonlijke netwerk - de ondersteuningsvraag nader beschrijven en aangeven welke mogelijkheden of oplossingen hij zelf voor ogen heeft. Die informatie kan het college meenemen bij zijn onderzoek. Het opstellen van een persoonlijk plan kan de eigen regie en de betrokkenheid van het sociale netwerk van inwoners versterken.
Artikel 2. Beschikbare algemene voorzieningen In lid 2 worden beschikbare algemene voorzieningen in Beuningen opgesomd. Echter het is goed om te vermelden dat algemene voorzieningen zich blijven ontwikkelen en dat het dus geen limitatieve lijst is. Artikel 3. Beschikbare maatwerkvoorzieningen De maatwerkvoorzieningen worden regionaal ingekocht. Het Regionaal Ondersteuningsbureau (ROB) voert het contractmanagement uit namens de gemeenten. Artikel 4. Melding hulpvraag In artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015 staat dat het college de melding naar de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning onderzoekt. De melding is vormvrij en kan schriftelijk, mondeling of telefonisch bij het college worden gedaan. In de gemeente Beuningen kan de melding worden gedaan bij het Sociaal Team Beuningen. De melding kan ‘door of namens de cliënt’ worden gedaan. Dit kan ruim worden opgevat. Naast de cliënt kan bijvoorbeeld diens vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere betrokkenen de melding doen. In het tweede lid is de verplichte schriftelijke ontvangstbevestiging verankerd (artikel 2.3.2, eerste lid, slotzin, van de Wmo 2015). Conform artikel 4:3a van de Awb is het bestuursorgaan gehouden een elektronisch ingediende aanvraag te bevestigen. Dat kan dan – en ligt voor de hand – elektronisch.
Als de melding mondeling of telefonisch is gedaan, kan een soortgelijke bevestiging ook worden afgesproken. Registratie en ontvangstbevestiging van de melding is ook in het kader van de gestelde termijn van het onderzoek na een melding van belang (maximaal zes weken, art. 2.3.2 eerste lid Wmo 2015). In het derde lid is overeenkomstig artikel 2.3.3 van de Wmo 2015 een uitzondering opgenomen voor spoedeisende gevallen. Het college is op grond van de wet verplicht in dergelijke gevallen een passende tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek dat volgt na de melding. Het college legt de te verlenen maatwerkvoorziening, dan wel het afwijzen daarvan, in alle gevallen vast in een beschikking aan de belanghebbende (Wmo). Artikel 5. Cliëntondersteuning
Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Beuningen 2026
35
Het betreft onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen. Voor meer informatie: www.beuningen.nl/ondersteuning-voorclienten. Artikel 6. Vooronderzoek Deze bepaling is hier opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het eerste lid dient als voorbereiding van het gesprek op basis van de melding waarbij in samenspraak met de cliënt bekende gegevens in kaart worden gebracht en cliënten niet worden belast met vragen over zaken die bij de gemeente al bekend zijn. Indien van toepassing is een goede afstemming mogelijk met eventuele andere voorzieningen op het gebied van zorg, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen. Dit vooronderzoek kan afhankelijk van de inhoud van de melding meer of minder uitgebreid zijn en omvat ook het in samenspraak met de cliënt afspreken van een datum, tijd en plaats voor het gesprek. Tijdens het gesprek kunnen op basis van dit vooronderzoek ook al wat concrete vragen worden gesteld of aan de cliënt worden verzocht om nog een aantal stukken over te leggen.
In het derde lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, tweede lid, van de Wmo 2015 de verplichting voor het college opgenomen om informatie te verschaffen over de mogelijkheid voor de cliënt om een persoonlijk plan op te stellen en deze aan het college te overhandigen. Artikel 7. Onderzoek Dit artikel is een uitwerking van verplichtingen in de wet waarmee we een zorgvuldige procedure waarborgen. In de verordening wordt gesproken over het gesprek en het onderzoek. Het onderzoek is een term uit de wet. Het gesprek wordt waar mogelijk ook gehouden meet de mantelzorger(s) of de vertegenwoordiger van de cliënt. Het gesprek vindt indien mogelijk bij de cliënt thuis plaats. Ter plekke toont de cliënt een document waarmee zijn identiteit wordt vastgesteld. Vooral bij gevraagde woningaanpassingen kan de thuissituatie zo goed beoordeeld worden en kan worden bepaald welke oplossingen of aanpassingen nodig zijn. Het gewenste resultaat wordt specifiek besproken tijdens het gesprek. Daaraan kan namelijk later worden beoordeeld of een voorziening passend geweest is. Het gesprek hoeft niet plaats te vinden als dit niet nodig is. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de cliënt al bekend is bij het college en een eenvoudige ‘vervolgvraag’ heeft.
In het vijfde lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, vijfde lid, van de Wmo 2015 verankerd dat het college een door of namens de cliënt ingediend persoonlijk plan betrekt bij het onderzoek. Om het onderzoek goed uit te voeren heeft het college de nodige deskundigheid in huis. Soms kan het echter ook nodig zijn om een extern advies op te vragen. Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht geeft regels over (externe) advisering. In het zesde lid is concreet aangegeven dat het mogelijk is om extern advies in te winnen als dit nodig is voor het onderzoek. Afhankelijk van de situatie en welke deskundigheid vereist is, beslist het college welke adviesinstantie eventueel ingeschakeld wordt.
Artikel 8. Onderzoeksverslag Voor het doen van zorgvuldig onderzoek en goede dossiervorming is het nodig dat een verslag wordt opgesteld. De verplichting tot het opstellen van een verslag volgt ook uit de wet. In de wet is bepaald dat het college de client de uitkomsten van het onderzoek schriftelijk moet verstrekken. Het verslag vormt de basis voor de aanvraag. Bij eenvoudige onderzoeken kan het verslag kort zijn. Artikel 9. Aanvraag In het eerste lid is aangegeven dat naast de cliënt alleen een daartoe door hem gemachtigd persoon of een vertegenwoordiger (zie voor een definitie van vertegenwoordiger de toelichting onder artikel 1) een aanvraag Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Beuningen 2026
36
kan indienen. De Wmo 2015 bepaalt dat het college binnen 2 weken na ontvangst van de aanvraag een besluit neemt.
Artikel 10. Criteria voor maatwerkvoorziening In dit artikel is het algemene afwegingskader dat centraal staat nogmaals uiteengezet. De nadruk ligt op de eigen kracht en hulp van anderen. De maatwerkvoorziening vormt slechts het sluitstuk van de maatschappelijke ondersteuning. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen worden verstrekt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze verplichting uitgewerkt. In het zesde lid wordt ingegaan op de situatie waar een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder verstrekte maatwerkvoorziening. Deze bepaling ziet op materiële Wmo-voorzieningen. In het vijfde lid onder e: De te verstrekken maatwerkvoorziening voor vervoer is voldoende passend als deze de client in staat stelt tot lokale verplaatsingen. Het college hoeft dus geen rekening te houden met een bovenregionale vervoersbehoefte. Op basis van jurisprudentie kan het college in principe volstaan met een voorziening of een combinatie van voorzieningen, waarmee de client 1500 kilometer per jaar kan reizen.
De afbakening gaat over verplaatsingen in de directe woon-en leefomgeving van de cliënt bij gebruik van een vervoersvoorziening (collectief vraagafhankelijk vervoer). Het betreft een straal van 25 kilometer rond de woning van de cliënt. Vanaf 25 kilometer spreekt men van bovenregionaal vervoer en kan men Valys aanvragen (www.valys.nl). In het zevende lid wordt verwezen naar de verordening en beleid van centrumgemeente Nijmegen als het gaat om maatwerkvoorzieningen Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang. Artikel 11. Afwijzingsgronden In jurisprudentie is inmiddels herhaaldelijk bepaald dat afwijzingsgronden, wil er met succes een beroep op worden gedaan, een grondslag in de verordening moeten hebben. Ook in het kader van rechtszekerheid is dit van belang. Bij het ontbreken van afwijzingsgronden of het hanteren van zeer ruime afwijzingsgronden is het voor de cliënt niet mogelijk om zijn rechtspositie te bepalen of te voorzien. Bovendien is met dit artikel invulling gegeven aan de verplichting van artikel 2.1.3, tweede lid onder a, van de Wmo 2015. Het eerste lid onder a: Het is van belang om een duidelijke afbakening te hebben met andere wetten. Vandaar dat deze bepaling in de verordening is opgenomen.
Voor zover er met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat, wordt er geen maatwerkvoorziening toegekend. Het eerste lid onder b: dit betreft de herhaling van het algemene toetsingskader, zoals dat in artikel 2.3.5 lid 3 en 4 van de Wmo 2015 en in deze verordening centraal staat. Door het hier te herhalen kan het dienst doen als afwijzingsgrond. Het eerste lid onder c: een algemene voorziening gaat voor op verstrekking van een maatwerkvoorziening. Ook dit is een uitvloeisel van het algemene toetsingskader van de wet. Het is hier opgenomen om dienst te doen als afwijzingsgrond. Indien naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek aanspraak bestaat op een andere voorziening, hoeft, geen maatwerkvoorziening te worden verstrekt.
Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Beuningen 2026
37
Het eerste lid onder d: het is niet de bedoeling dat het college voorzieningen verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat deze cliënt daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken. Het eerste lid onder h: hier wordt de situatie bedoeld dat de cliënt na de melding en voor de beschikking een maatwerkvoorziening heeft gerealiseerd of aangekocht. Het college kan de voorziening weigeren als de noodzaak, adequaatheid en passendheid van die voorziening en de gemaakte kosten achteraf niet meer beoordeeld kan worden. Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het college als goedkoopst adequate voorziening beschouwt. Het eerste lid onder j: binnen de gekantelde aanpak wordt een sterker beroep gedaan op de eigen kracht en eigen verantwoordelijkheid van een belanghebbende. Cliënt wordt wat betreft de bevordering van zelfredzaamheid en participatie geacht eerst eigen oplossingen en oplossingen vanuit zijn netwerk in te zetten. Eventuele ondersteuning vanuit de gemeente vormt slechts het sluitstuk.
Bij het compenseren van beperkingen die een ondersteuningsvrager ondervindt in zijn maatschappelijke participatie wordt dus rekening gehouden met de keuzes die de cliënt maakt in het leven, waarbij verwacht mag worden dat een ondersteuningsvrager geschikte keuzes maakt rekening houdend met de beperkingen die horen bij de individuele omstandigheden van de cliënt. Onder ‘geschikte keuzes’ wordt verstaan dat cliënt keuzes maakt die de zelfredzaamheid en participatie bevorderen en niet doen afnemen. Het eerste lid onder l: een van de gronden is dat het college de goedkoopst passende voorziening verstrekt. Dit geeft het college de mogelijkheid te sturen in beleid. Een duurdere voorziening die niet persé passender is, wordt in principe niet vergoed. Bruikbaarheid, technische en functionele aspecten en kwaliteitsaspecten wegen mee in het bepalen of iets het goedkoopst passende is. Als de cliënt bereid is het prijsverschil te betalen, is het uiteraard mogelijk een duurdere dan de goedkoopst passende voorziening te verstrekken. Het eerste lid onder h: het college kan een maatwerkvoorziening weigeren als de cliënt voorafgaand aan de melding een oplossing heeft gerealiseerd waarmee de beperking is opgeheven en daarmee de noodzaak tot compensatie is vervallen.
Het gaat hier om situaties waarin de cliënt zelf een oplossing voor een probleem heeft gevonden en pas daarna een melding doet bij het college. Dan bestaan er feitelijk geen beperkingen meer die het college moet compenseren. Daarnaast bewijst de cliënt dat hij zelf in staat is het een oplossing te realiseren voor zijn beperking in kader van zelfredzaamheid. Er wordt alleen een uitzondering gemaakt als er sprake is van een acute noodsituatie, waardoor de client niet in staat was om eerst contact te zoeken met de gemeente. Eerste lid onder r: Het college kan in beginsel slechts een maatwerkvoorziening toekennen als deze langdurig noodzakelijk is. Wat langdurig noodzakelijk is, is afhankelijk van de concrete situatie. Het kan om twee maanden gaan, bijvoorbeeld bij mensen die in een terminaal ziektestadium verkeren. Het kan ook om veertig jaar gaan, bijvoorbeeld bij iemand met een aangeboren beperking. Kenmerkend in beide situaties is dat de ondervonden beperking, naar de stand van de medische wetenschap, op het moment van de aanvraag onomkeerbaar is. Er is dus redelijkerwijs geen verbetering te verwachten in de situatie van de cliënt. Zegt de prognose dat de cliënt na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen kan functioneren, dan mag het college van een kortdurend noodzaak uitgaan.
Bij wisselend beeld, waarbij verbetering in de toestand periodes van terugval opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak. De medisch adviseur speelt een belangrijke rol bij het antwoord op de vraag of al dan niet sprake is van een langdurige noodzaak voor de betreffend voorziening. Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig verschilt per situatie. Het is, afhankelijk van de situatie, wel mogelijk om kortdurend huishoudelijke ondersteuning of begeleiding in te zetten. Het tweede lid onder a; Deze afwijzingsgrond is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen voor problemen zorgen of als de ondervonden problemen te wijten zijn aan achterstallig onderhoud of aan de Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Beuningen 2026
38
omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de wettelijke eisen. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt als de cliënt goede pogingen heeft ondernomen om de gebreken door de verhuurder weg te laten nemen. Een uitzondering is ook als er gelet op de gezondheidstoestand van de cliënt geen zicht is op opheffing van de gebreken binnen een redelijkerwijs aanvaardbaar tijdsbestek. Het tweede lid onder b: Het college treft alleen een voorziening in of aan een woning waar de persoon zijn vaste woon-en verblijfplaats heeft. Dit betekent dat als een cliënt over meerdere woningen beschikt, er maar één woning wordt aangepast. Het tweede lid onder c: op basis van deze bepaling hoeft het college geen woningen aan te passen aan de beperkingen van een tijdelijk verblijvende bewoner. Hierbij kan gedacht worden aan het verblijf in hotels of pensions. Wel moet de gemeente in deze situaties voldoen aan haar compensatieplicht. Dit kan door het bieden van een alternatieve oplossing, zoals een verhuiskostenvergoeding. Tweede lid onder d: Het college verstrekt geen voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten, anders dan de in deze bepaling genoemde voorzieningen. Dit is een verbijzondering van de bepaling in lid één onderdeel dat de voorziening niet overwegend op het individu gericht is.
Omdat de gemeente wel verplicht is om de beperkingen van de cliënt te compenseren, kan er in de situaties waarin een voorziening in de gemeenschappelijke ruimte wordt geweigerd, wel een verhuiskostenvergoeding worden verstrekt. Tweede lid onder f: Als er in de verlaten woning geen problemen bij de zelfredzaamheid werden ervaren, is de verhuizing naar de nieuwe woning kennelijk de oorzaak van de problemen en is men dus verhuisd naar een ongeschikte woning. Niet de ondervonden beperking, maar de verhuizing naar een niet geschikte woning is dan de voornaamste oorzaak van de ondervonden problemen. Deze bepaling heeft voornamelijk betrekking op situaties waarin men gaat verhuizen zonder specifieke reden. De beoordeling of sprake is van een belangrijke reden is afhankelijk van een weging van alle feiten en omstandigheden die van belang zijn. Er is alleen sprake van een belangrijke reden die aanleiding vormt voor toewijzing van de voorziening als de cliënt geen in redelijkheid van hem te vragen mogelijkheden heeft om zelf voor een passende oplossing te zorgen. Dit heeft de CRvB geoordeeld onder de Wmo 2007 (ECLI:NL:CRVB:2012:BW6810). Bij de beoordeling of er sprake is van een belangrijke reden, is dus van belang of de cliënt mogelijkheden had om zelf voor een oplossing te zorgen. Tweede lid onder g: Als een cliënt verhuist, moet hij zoeken naar een zo geschikt mogelijk huis.
Het is niet de bedoeling dat men een ongeschikte woning kiest en vervolgens de rekening voor aanpassingen bij de gemeente indient. Met ‘verhuizen’ wordt hier overigens niet alleen gedoeld op de feitelijke verhuizing, maar ook op alle onomkeerbare handelingen die hier normaal gesproken aan voorafgaan, zoals het tekenen van een koop-, huur- of erfpachtcontract. Voor de toepassing van deze weigeringsgrond is het belangrijk dat de gemeente zicht heeft op de aangepaste en eenvoudig aan te passen woningvoorraad. Daarnaast moet de gemeente inwoners goed informeren over de gang van zaken bij dit soort verhuizingen. Er is sprake van een omkering van de bewijslast indien cliënt verhuist vanuit een andere gemeente en zich niet vooraf tot het college heeft gewend om alternatieven te bespreken of om toestemming te vragen. Onder deze omstandigheden is het aan de cliënt om aan de hand van controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat er geen geschikte woning beschikbaar was. Tweede lid onder h: Er worden geen voorzieningen verstrekt die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen. Het derde lid onder a: hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld vertonen van geweld en agressief gedrag.
Het derde lid onder d: hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld ernstige verslaving of acute psychische problematiek, waarvoor behandeling met opname in een instelling of kliniek noodzakelijk is. Artikel 11a. Wonen en zorg
Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Beuningen 2026
39
Gemengde huur-/ondersteuningsovereenkomsten worden niet geaccepteerd. De gemeente of de cliënt moet de aanbieder kunnen aanspreken op de geleverde ondersteuning. Dit kan niet wanneer vrees bestaat voor het verlies van huisvesting van de cliënt. Daarnaast moet de client vrij kunnen wisselen van aanbieder. Dit geldt ook voor het mogelijk wijzigen van de indicatie bij een verlengingsverzoek of heroverweging. Wanneer de ondersteuning en huisvesting samenvallen, vertroebelt het toezicht op kwaliteit van ondersteuning. Dit bemoeilijkt eventuele handhaving. De aanbieder heeft dan dubbele financiële belangen, wat volgens de wet als oneigenlijk gebruik van de voorziening moet worden aangemerkt. Het belang van de cliënt staat altijd voorop. In dit artikel zijn twee uitzonderingsgronden opgenomen. Voor wat betreft de tweede uitzondering gaat het om projecten waarin het college samenwerkt met woningcorporaties, zoals Housing First en de Werkgroep Bijzondere Bemiddeling. Artikel 12 Het besluit Lid 1 en 2: Het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning. Een maatwerkvoorziening wordt altijd toegekend (of afgewezen) op basis van een beschikking.
Deze beschikking is gebaseerd op het onderzoek dat na de melding heeft plaatsgevonden, de door de cliënt ingediende aanvraag en de van toepassing zijnde criteria voor de maatwerkvoorziening.
Artikel 13. Inhoud en geldigheidsduur beschikking De cliënt moet op basis van de beschikking die bij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de cliënt goed en volledig informeert. In dit artikel staat wat er in ieder geval in de beschikking moet worden opgenomen. In de beschikking wordt het beoogde resultaat opgenomen. Het beoogde resultaat is bijvoorbeeld ‘mobiliteit’en niet ‘een scootmobiel’. In de beschikking kan voor wat betreft het resultaat en de relevante voorliggende voorzieningen verwezen worden naar het onderzoeksverslag. In de beschikking wordt opgenomen of een eigen bijdrage verschuldigd is (geen bedrag). Artikel 14. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering Volgens de wet moeten in de verordening regels opgenomen worden die gaan over het onterecht ontvangen van een voorziening of persoonsgebonden budget. Hieronder valt ook misbruik of oneigenlijk gebruik van een voorziening of een persoonsgebonden budget. Artikel 15. Toekenningscriteria voor persoonsgebonden budget Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een persoonsgebonden budget verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, is het college hier zelf toe verplicht.
Als de cliënt in aanmerking wil komen voor een persoonsgebonden budget, moet hij op grond van deze verordening een budgetplan opstellen. In lid 2 van deze bepaling is aangegeven welke onderdelen in ieder geval opgenomen moeten zijn in dat budgetplan. Een aantal zaken volgen rechtstreeks uit de wet. De Wmo 2015 noemt in artikel 2.3.6 namelijk een aantal criteria om in aanmerking te komen voor een persoonsgebonden budget. Deze criteria komen terug in het budgetplan en het college kan op deze manier toetsen of aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan. In lid 3 wordt pgb vaardigheidstoets als voorwaarde benoemd om in aanmerking te komen voor een persoonsgebonden budgetInfographic met toelichting - Checken 10 punten pgb-vaardigheid | Publicatie | Rijksoverheid.nl In lid 8 zijn een aantal kostenposten genoemd die niet uit het persoonsgebonden budget gefinancierd mogen worden. Het persoonsgebonden budget is enkel bedoeld voor financiering van de noodzakelijke voorziening. Het persoonsgebonden budget bevat om die reden ook geen vrij besteedbaar bedrag (lid 7) Lid 9: op basis van dit lid is het mogelijk om de SVB te verzoeken om betalingen uit het persoonsgebonden budget tijdelijk op te schorten, bijvoorbeeld in situaties waarbij de cliënt tijdelijk in het ziekenhuis is opgenomen of voor langere tijd in het buitenland verblijft.
De voorziening hoeft dan niet direct te worden beëindigd, maar kant tijdelijk worden stopgezet. Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Beuningen 2026
40
Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Daarbij kan gedacht worden aan vervoers- of opvangvoorzieningen. Een pgb is gemiddeld genomen ook goedkoper dan zorg in natura, omdat er minder overheadkosten hoeven te worden meegerekend. De maximale hoogte van een pgb is in de verordening begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college ingekochte maatwerkvoorziening in natura.
Artikel 16. Weigeringsgronden persoonsgebonden budget Lid 1e is bepaald dat een persoonsgebonden budget niet verleend wordt bij maatschappelijke opvang. Dit is vanwege de lage zelfredzaamheid van de doelgroep voor maatschappelijke opvang. Artikel 17. Hoogte persoonsgebonden budget In de verordening moet in ieder geval worden bepaald hoe de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn (artikel 2.1.3 lid 2b van de wet) In de Memorie van toelichting is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het persoonsgebonden budget niet hoger mag zijn dan de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura (kamerstukken II2013/14,33841,nr.3,blz.39). Gemeenten hebben de daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het persoonsgebonden budget. Dat het persoonsgebonden budget geweigerd kan worden, betekent niet dat het persoonsgebonden budget altijd of volledig geweigerd wordt of moet worden. De cliënt kan bijvoorbeeld zelf bijbetalen wanneer de kosten van zijn gewenste aanbieder hoger zijn dan het tarief. De maximale hoogte van een persoonsgebonden budget is in de verordening begrensd op de kostprijs van de goedkoopst passende ingekochte maatwerkvoorziening door het college.
De professionele tarieven zijn afgeleid van de tarieven van gecontracteerde aanbieders. Persoonsgebonden budget aanbieders moeten aan minder eisen voldoen dan gecontracteerde aanbieders. Hierbij valt te denken aan werken met berichtenverkeer, deelname aan aanbestedingsprocedures, contractmanagement- en netwerkgesprekken en het door een accountant laten controleren van de financiële productieverantwoording. Het tarief voor informele zorg is in deze verordening gelijkgesteld aan het minimumloon plus werkgeverslasten. De landelijke indexatie voor het minimumloon wordt gevolgd. In sommige gevallen hebben inwoners arbeidscontracten met een hoger informeel tarief. Deze is volgens de tarieven van de vorige verordening vastgesteld. Het college verlaagt deze tarieven niet; deze tarieven worden echter ook niet geïndexeerd tótdat zij door de tijd heen weer gelijklopen met het wettelijk minimumloon plus werkgeverslasten. Ook heeft de persoonsgebonden budget-beheerder verantwoordelijkheden die, bij sommige gecontracteerde inzet, gedeeltelijk door de aanbieder moeten worden uitgevoerd (bijv. afspraken maken met andere organisaties over de aansluiting van hulp). Voor beschermd wonen intramuraal geldt bovendien dat de huisvestingskosten, die bij gecontracteerd aanbod worden vergoed vanuit het tarief, in persoonsgebonden budget géén onderdeel zijn van het tarief.
Huur mag namelijk niet betaald worden vanuit een persoonsgebonden budget. Bovengenoemde verschillen hebben effect op de overhead en productiviteit en daarmee ook het persoonsgebonden budget-tarief. Dit effect kent enige variatie, omdat het aandeel van de overhead en productiviteit in de tarieven van maatwerkvoorzieningen ook verschilt. Artikel 18. Onderscheid formele en informele hulp
Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Beuningen 2026
41
Formele ondersteuning is hulp die wordt geleverd door professionele, getrainde en betaalde zorgverleners of instellingen, zoals verpleegkundigen, verzorgenden of een verpleeghuis. Het staat tegenover informele ondersteuning, die door familie, vrienden of buren wordt gegeven. Formele zorg is onderdeel van het officiële zorgsysteem en voldoet aan professionele standaarden. Artikel 19. Regels voor persoonsgebonden budgetbeheer In de praktijk komt het regelmatig voor dat cliënten ondersteuning hebben bij het beheren van het persoonsgebonden budget. Deze ondersteuning mag niet betaald wordt uit het persoonsgebonden budget. In dit artikel zijn enkele nadere eisen opgenomen waar persoonsgebonden budget-beheer aan moet voldoen. Bovendien is verduidelijkt dat pgb-beheer de cliënt kan ondersteunen, maar niet in de plaats van de cliënt treedt. Dit blijkt uit de woorden "met hulp uit…" in artikel 2.3.6 lid 2 sub a van de Wet. Als de cliënt in het geheel geen regie kan voeren, is het persoonsgebonden budget niet de aangewezen verstrekkingsvorm. De combinatie van zorgverlener en pgb-beheerder in één persoon of instantie is daarnaast, gezien de belangenverstrengeling, onwenselijk en niet toegestaan. Voor familieleden in de eerste en tweede graad geldt een uitzondering.
Dit neemt niet weg dat het college wel beoordeelt hoe de verhouding is tussen de cliënt en de pgb-beheerder en de mate van afhankelijkheid van cliënt ten opzichte van de pgb-beheerder. Dit alles in het kader van de (financiële) bescherming van kwetsbare cliënten, bijvoorbeeld ouderen. Artikel 20. Regels voor persoonsgebonden budget formele hulp (professional) Als de budgethouder (cliënt) met zijn pgb een professionele zorgaanbieder inschakelt, is het in ieders belang dat deze aanbieder zich niet aan kwaliteitskaders kan onttrekken, omdat hij niet gecontracteerd is bij de gemeente. Ook via de persoonsgebonden budget-constructie dient de cliënt kwalitatief goede zorg en ondersteuning te ontvangen. Het college moet op de hoogte zijn van deze kwaliteit. Om die reden worden in de verordening kwaliteitseisen opgenomen voor de professionele aanbieder die via een persoonsgebonden budget wordt ingeschakeld. Term professional is niet gelijk aan beroeps-en of bedrijfsmatige dienstverlening. Het hebben van een bepaalde expertise (of professionaliteit) maakt op zichzelf niet dat er sprake is van een beroeps-of bedrijfsmatige dienstverlening. Uit de rechtspraak volgt dat iemand uit het sociaal netwerk geen professioneel of bedrijfsmatig tarief hoeft te ontvangen, ook niet als deze beschikt over relevante diploma's of werkervaring.
De term professional gaat over de deskundigheid (professionaliteit). De deskundigheid speelt een rol bij de beoordeling of voor de benodigde ondersteuning een specifieke deskundigheid vereist is. Beschikt een zorgverlener niet over de benodigde deskundigheid dan kan vanuit het persoonsgebonden budget de betreffende zorgverlener niet worden ingehuurd. Dus ook niet vanuit het informele tarief. Ook kan een zorgverlener vanuit de 1e of 2e graad bijvoorbeeld geweigerd worden als deze te veel een afhankelijkheidsrelatie in stand houdt of onvoldoende objectieve afstand bewaart tot de budgethouder. Ook dan spreek je van onvoldoende deskundigheid of professionaliteit. Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de hulpverlener uit het sociaal netwerk van de cliënt komt. Bij hulpverlening door een persoon uit het sociale netwerk, is altijd sprake van informele hulp. Ook al gaat het om een hulpverlener die voldoet aan de criteria zoals bijvoorbeeld genoemd in lid 5 van deze bepaling; dan nog geldt dat in het kader van deze verordening als informele hulp. De achtergrond daarvan is dat ook bijvoorbeeld familieleden of vrienden met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende persoonsgebonden budget-tarief.
De eis in het vierde lid wordt gesteld omdat de gemeente veel waarde hecht aan “één huishouden, één plan” en aan een optimale samenhang tussen zorg en welzijn door professionals evenals informele zorg en ondersteuning. Tevens is van belang de samenwerking met de lokale toegangspoort en een gezamenlijke/eenmalige intake. Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Beuningen 2026
42
Artikel 21. Regels voor persoonsgebonden budget informele hulp (sociaal netwerk) Dit artikel ziet specifiek op de situatie waar hulp of ondersteuning wordt ingekocht bij het sociaal netwerk. Tot het sociale netwerk worden personen gerekend uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt. Bij deze laatste groep kan gedacht worden aan familieleden die niet in hetzelfde huis wonen, buren, vrienden, kennissen, etc. Dit kunnen ook mantelzorgers zijn. Wel is de regering van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. De cliënt legt een schriftelijk document over waarin het voorgaande gemotiveerd wordt. Overeenkomstig de huidige praktijk met betrekking tot informele hulp wordt hierbij in ieder geval gedacht aan diensten (zorg van mantelzorgers bijvoorbeeld). Informele hulp bij hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen is minder goed denkbaar.
In geval ook hiervoor een persoonsgebonden budget wordt aangevraagd, is voor gemeenten van belang dat slechts een persoonsgebonden budget wordt verstrekt als naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de in te kopen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt. Mantelzorg is informele zorg die door het eigen netwerk wordt geboden en dit gaat dus voor op een maatwerkvoorziening. Aan de keuze tussen zorg in natura en een persoonsgebonden budget gaat vooraf of naast de bijdrage van het eigen netwerk aanvullend extra ondersteuning nodig is in de vorm van een maatwerkvoorziening. Als dat het geval is, heeft de cliënt de keuze tussen zorg in natura of een persoonsgebonden budget. In beginsel is het gezien de volgorde niet logisch dat iemand uit het eigen netwerk de ondersteuning in het kader van het persoonsgebonden budget gaat uitvoeren als in een eerder stadium al is afgesproken wat mensen uit het eigen netwerk (onbetaald) willen betekenen voor de cliënt. Uitzonderingen op dit uitgangspunt zijn denkbaar. Bijvoorbeeld als de mantelzorger zijn baan opzegt om te kunnen zorgen voor een naaste. Het is echter niet mogelijk om de uitzonderingen te vangen in algemene, voor iedereen geldende voorwaarden.
Niet voor iedereen die zijn baan opzegt om te kunnen zorgen voor een naaste komt in aanmerking voor een persoonsgebonden budget. Het blijft altijd maatwerk. De wet schrijft in artikel 2.3.6 lid 2 sub c voor dat diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt. In de beoordeling of een persoonsgebonden budget voor sociaal netwerk ‘veilig, doeltreffend en cliëntgericht’ verstrekt en besteed kan worden, betrekt het college onder meer de verhouding van de cliënt tot de zorgverlener en de mate van afhankelijkheid van cliënt ten opzichte van de zorgverlener. Dit is bedoeld om zowel voorafgaand aan de verstrekking als op een later moment te (kunnen) onderzoeken of het persoonsgebonden budget veilig, doeltreffend en cliëntgericht gebruikt wordt, ook als cliënt en zorgverlener een sociale relatie onderhouden. Dit alles in het kader van de (financiële) bescherming van kwetsbare cliënten, bijvoorbeeld ouderen. Artikel 22. Bijdrage voor maatwerkvoorzieningen Lid 1. De aanbieder van een algemene voorziening kan voor het gebruik van de voorziening (behalve cliëntondersteuning) een bijdrage in de kosten van de gebruiker vragen. Lid 2. Het college vraagt een bijdrage in de kosten aan de cliënt, zolang hij gebruik maakt van de maatwerkvoorziening (zin of pgb).
De uitzonderingen worden hier benoemd. Lid 3. Aan jeugdigen tot 18 jaar kan uitsluitend een bijdrage in de kosten worden opgelegd voor een woningaanpassing. Artikel 23. Berekening en hoogte bijdrage in de kosten maatwerkvoorzieningen Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Beuningen 2026
43
De gemeente mag van cliënten een bijdrage in de kosten vragen voor maatwerkvoorzieningen op het terrein van maatschappelijke ondersteuning in natura en in de vorm van een persoonsgebonden budget alsmede voor algemene voorzieningen. In de financiële bijlage wordt een aantal maatwerkvoorzieningen genoemd die uitgesloten zijn van een bijdrage in de kosten. In het tweede lid is het uitgangspunt benadrukt dat de bijdrage de kostprijs van de voorziening niet mag overstijgen: de gemeente mag geen winst maken op de bijdragen. In het zevende lid is gevolg gegeven aan artikel 2.1.4, zevende lid, van de Wmo 2015 waar is bepaald dat in de verordening wordt bepaald welke instantie de bijdrage voor een maatwerkvoorziening in natura of in de vorm van een pgb voor opvang vaststelt en int. Het achtste lid bepaalt dat de bijdrage die voor het collectief vervoer gevraagd wordt, niet onder het abonnementstarief valt. Daar geldt een ander tarief, namelijk een opstarttarief en een bijdrage per kilometer. Deze tarieven worden vastgesteld door het bestuur van de BVO DRAN en de BVO DRAN sluit hierbij aan bij de tarieven zoals die gelden voor het reguliere busvervoer zonder korting. Artikel 24. Jaarlijkse waardering mantelzorgers en pleegouders Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordening plicht in artikel 2.1.6 van de Wmo 2015.
Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze het college zorgdraagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Artikel 25. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen Deze bepaling betreft een uitwerking van artikel 2.1.7 van de Wmo 2015. Daarin is opgenomen dat bij verordening kan worden bepaald dat door het college aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. Deze tegemoetkoming is niet kostendekkend maar geeft de cliënt wel het voordeel dat hij zelf een bedrag in handen krijgt waarmee meer eigen regie heeft bij de inkoop van de gewenste voorziening. Indien hij het geld niet aanwendt voor dit doel, kan op grond van de subsidietitel van de Awb worden gehandhaafd. Indien hij later wederom een aanvraag zou doen voor maatschappelijke ondersteuning, zonder dat er nieuwe feiten of omstandigheden in zijn situatie zijn, kan deze aanvraag worden afgewezen op grond van de Awb onder verwijzing naar de eerdere beschikking ter verstrekking van de tegemoetkoming.