CConstaterende datBeuningen
Koppel je AI →
Document · PDF

NIEUW Bijlage 1 Verordening jeugdhulp gemeente Beuningen 2026

Raadsvergadering 12 mei 2026, gemeente BeuningenBij agendapunt: Verordening jeugdhulp gemeente Beuningen 2026 en Verordening maatschappelijke ondersteuning 202624.450 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Paragraaf 7.3 Herstelfase Artikel 37. Aanwijzing 1.

Indien gebleken is dat niet wordt voldaan aan een of meer eisen bij of krachtens de Jeugdwet gestelde regels, start het college een hersteltraject. Dit traject is gericht op de beëindiging van de overtreding(-en) en voorkoming van herhaling van de overtreding(-en).

2.

Het hersteltraject start met een schriftelijke aanwijzing, tenzij de aard en omvang van de onrechtmatigheid zich daartegen verzet. Met name bij fraude kan het college, gelet op de ernst, direct overgaan tot het opleggen van sancties of het ontbinden van de overeenkomst of intrekken van het subsidiebesluit.

3.

4.

In een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid geeft het college met redenen omkleed aan: a.

op welke punten voorschriften niet of in onvoldoende mate worden nageleefd,

b.

de in verband daarmee te nemen maatregelen;

c.

de hersteltermijn waarbinnen de tekortkomingen moeten zijn verholpen.

Het college kan gedurende het hersteltraject een cliëntenstop en/of verscherpt toezicht instellen. Dit zal in de schriftelijke aanwijzing worden opgenomen.

5.

Indien de overtreding hiertoe aanleiding geeft, kan het college besluiten om bepaalde onderdelen van het hersteltraject over te slaan dan wel meerdere keren toe te passen.

Artikel 38. Hersteltermijn 1.

Bij het opleggen van een hersteltermijn geldt als uitgangspunt een hersteltermijn van maximaal 12 weken.

2.

Het college kan een andere hersteltermijn bepalen in verband met veiligheidsrisico’s of als het herstellen van de overtreding binnen een termijn van 12 weken redelijkerwijs niet mogelijk is.

Artikel 39. Cliëntenstop en verscherpt toezicht 1.

Gedurende het hersteltraject, dan wel bij een gegrond vermoeden van fraude, kan het college besluiten dat: a.

Geen nieuwe cliënten aan de aanbieder worden toegewezen, geen nieuwe persoonsgebonden budgetten worden toegekend waar de persoonsgebonden budgetaanbieder of dat een overeenkomst waarin de persoonsgebonden budget-aanbieder partij is niet geaccordeerd zal worden;

b.

Geen herindicaties aan de aanbieder worden toegewezen, geen persoonsgebonden budgetten worden toegekend of dat een overeenkomst waarin de persoonsgebonden budget-aanbieder partij is niet geaccordeerd zal worden;

c.

De aanbieder onder verscherpt toezicht wordt geplaatst. Bij een persoonsgebonden budget ligt de verantwoordelijkheid van verscherpt toezicht bij de budgethouder.

2.

De aanbieder (en in het geval van een persoonsgebonden budget: de budgethouder) wordt hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.

3.

De aanbieder (dan wel in het geval van een persoonsgebonden budget: de budgethouder) dient gedurende de periode van het verscherpt toezicht de toezichthouder periodiek door middel van een rapportage op de hoogte te brengen van de voortgang van de verbetering.

Artikel 40. Vervolgonderzoeksrapport 1.

Na de in artikel 38 genoemde hersteltermijn toetst de toezichthouder de aanbieder opnieuw.

2.

De toezichthouder legt zijn bevindingen naar aanleiding van dit onderzoek vast in een vervolgonderzoeksrapport. Het gestelde in artikel 36 is van overeenkomstige toepassing op het vervolgonderzoeksrapport.

Paragraaf 7.4 Handhavingsfase Artikel 41. Handhavingsmaatregelen 1.

Het college kan naar aanleiding van de bevindingen van de toezichthouder de volgende herstelsancties opleggen:

2.

3.

(opnieuw) een schriftelijke aanwijzing geven; a.

een last onder bestuursdwang opleggen;

b.

een last onder dwangsom opleggen.

Het college kan: a.

de aanbieder verbieden de levering van jeugdhulp voort te zetten, zolang hij een bevel of

b.

aanwijzing niet opvolgt. het toekenningsbesluit aan de budgethouder van het persoonsgebonden budget op grond van artikel 8.1.4 lid 3 van de Jeugdwet intrekken, waarbij dit het recht op ondersteuning in natura of een persoonsgebonden budget waarbij een andere persoonsgebonden budgetaanbieder wordt gekozen onverlet laat.

Artikel 42. Privaatrechtelijke maatregelen en opschorten betaling 1.

De sanctiemogelijkheden op grond van deze verordening kunnen gepaard gaan met de inzet van privaatrechtelijke maatregelen op grond van de (contractuele) afspraken die tussen het college en de aanbieder zijn gemaakt.

2.

Indien een aanbieder na de eerste hersteltermijn niet voldoet aan de opgelegde verbeteringen, kan het college besluiten om naast de bestuursrechtelijke maatregelen de aanbieder privaatrechtelijk schriftelijk in gebreke te stellen.

3.

Indien de (contractuele) afspraken tussen het college en aanbieder na het verstrijken van de termijn van de ingebrekestelling nog niet (volledig) zijn nagekomen, kan het college de overeenkomst ontbinden.

4.

De sanctiemogelijkheden op grond van deze verordening kunnen eveneens gepaard gaan met een verzoek van het college aan de Sociale Verzekeringsbank tot geheel of gedeeltelijke beëindiging, weigering of opschorting van een betaling uit het persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8b, lid 6 sub g van de Regeling Jeugdwet.

5.

De door het college genomen maatregelen moeten in redelijke verhouding staan tot de aard van de overtreding of melding.

Paragraaf 7.5 Overige bepalingen Artikel 43. Register 1.

Door en namens het college wordt een actueel register gepubliceerd waarin gecontracteerde aanbieders zijn opgenomen.

2.

Indien op een aanbieder een cliëntenstop is ingesteld, wordt dit in het register vermeld.

Artikel 44. Meldingsplicht 1.

Een aanbieder (dan wel in het geval van een persoonsgebonden budget: de budgethouder) is verplicht het college onverwijld schriftelijk te melden als niet langer aan de eisen gesteld bij of krachtens de Jeugdwet, kan worden voldaan.

2.

Het college treedt na deze melding in overleg met de aanbieder (dan wel in het geval van een persoonsgebonden budget: met de budgethouder), over de wijze waarop binnen een redelijke termijn wel aan de bij of krachtens de Jeugdwet gestelde eisen kan worden voldaan.

HOOFDSTUK 8. AFSTEMMING MET ANDERE VOORZIENINGEN Artikel 45. Andere voorzieningen 1.

Het college verstrekt geen voorziening voor jeugdhulp als er:

a.

met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of de Zorgverzekeringswet;

b.

naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; of

c.

gegronde redenen zijn voor het college om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg en de jeugdige of zijn wettelijke vertegenwoordiger weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit daartoe.

2.

Als er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de betreffende problematiek en daardoor zowel een vorm van zorg, op grond van een recht op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg of een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, als een soortgelijke voorziening op grond van de Jeugdwet kan worden verkregen, is het college gehouden deze voorziening op grond van de Jeugdwet te treffen.

3.

De jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger die een aanvraag voor jeugdhulp doen, worden verwezen naar de instantie waar een aanvraag voor een voorziening op basis van de voornoemde wetten kan worden behandeld.

Artikel 46. Afstemming met algemene en andere voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning 1.

Het college stemt de jeugdhulp waaraan een jeugdige of een ouder behoefte heeft, zo nodig af op het aanbod van activiteiten, diensten of middelen op grond van: a.

de Leerplichtwet;

b.

de Participatiewet;

c.

de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening;

d.

de Wet Inburgering 2021;

e.

de Wet kinderopvang;

f.

de Wet langdurige zorg;

g.

de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

h.

de Wet passend onderwijs;

i.

de Wet publieke gezondheid;

j.

de Wet tijdelijk huisverbod;

k.

de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg;

l.

de Zorgverzekeringswet;

zodat deze zoveel mogelijk op elkaar aansluiten en ondersteunt de jeugdige en zijn ouders actief bij het verkrijgen van toegang tot de andere voorziening(en) of bij behoud van de continuïteit van de zorg op grond van de benodigde zorg. 2.

De afgestemde jeugdhulp wordt zodanig ingezet dat dit leidt tot: a.

het opheffen van een situatie die voor een jeugdige of een ouder of diens omgeving levensbedreigend is, of met grote waarschijnlijkheid leidt tot ernstige gezondheidsschade;

b.

stabilisatie van een crisissituatie, anders dan bedoeld onder a;

c.

een voldoende mate van duurzame zelfredzaamheid van een jeugdige of een ouder, voor zover dat binnen het vermogen ligt.

3.

Het college weegt bij de afstemming van de jeugdhulp de volgende aspecten mee: a.

de behoefte aan hulp en ondersteuning van een jeugdige of een ouder;

b.

de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van een jeugdige of een ouder zoals bedoeld in hoofdstuk 4 en de mogelijkheden van het sociale netwerk;

c.

welke volgorde van inzet van hulp en ondersteuning naar verwachting het meeste effect sorteert en in hoeverre hulp en ondersteuning gelijktijdig kan of moet worden ingezet;

d. 4.

welke hulp en ondersteuning leidt tot de minste maatschappelijke kosten op lange termijn.

Als een jeugdige of een ouder of wettelijk vertegenwoordiger weigert mee te werken aan afstemming als bedoeld in het eerste lid, kan het college het onderzoek beëindigen en een individuele voorziening weigeren.

5.

Als een jeugdige van 16 jaar of ouder die hulp op grond van de wet ontvangt naar alle waarschijnlijkheid na het achttiende levensjaar hulp of ondersteuning nodig heeft vanuit een wettelijk kader als genoemd in het eerste lid, is het college gehouden om: a.

voor het achttiende levensjaar zodanige hulp en ondersteuning te bieden dat de benodigde hulp en ondersteuning vanaf het achttiende jaar zo beperkt mogelijk kan zijn; en

b. 6.

de continuïteit van hulp en ondersteuning te waarborgen voor zover dat nodig is.

Ter uitvoering van het vijfde lid, onderzoekt het college tijdig welke andere voorziening nodig is vanaf de achttiende verjaardag en op welke wijze en vanuit welke andere voorzieningen (zoals Wet maatschappelijke ondersteuning, Wet langdurige zorg, of de Zorgverzekeringswet) deze ondersteuning vanaf het achttiende levensjaar wordt ingezet.

HOOFDSTUK 9. SLOTBEPALINGEN Artikel 47. Evaluatie 1.

Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per vier jaar geëvalueerd.

Artikel 48. Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige en/of ouders afwijken van de bepalingen van deze verordening als de toepassing van deze verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 49. Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1.

De Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Beuningen 2025 wordt ingetrokken.

2.

Een jeugdige en/of ouders houdt recht op een lopende voorziening, verstrekt op grond van eerdere Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Beuningen 2025, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken of de indicatietermijn is verstreken.

3.

Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Beuningen 2025 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld op grond van deze Verordening jeugdhulp gemeente Beuningen 2026.

4.

Op bezwaar- en beroepschriften tegen een besluit genomen op grond van de verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Beuningen 2025, wordt beslist volgens deze Verordening jeugdhulp gemeente Beuningen 2026.

Artikel 50. Inwerkingtreding en citeertitel 1.

Deze verordening treedt in werking op 12 mei 2026.

2.

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp gemeente Beuningen 2026.

3.

Bij deze verordening horen de volgende bijlagen: a.

Toelichting

b.

Bijlage 1. Protocol (boven)gebruikelijke hulp en eigen kracht in het kader van de Jeugdwet

c.

Bijlage 2: Kwaliteitseisen persoonsgebonden budget.

Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 12 mei 2026

De griffier,

De voorzitter.

Toelichting Algemene toelichting Met de verordening voert de gemeente Beuningen de Jeugdwet uit. De gemeente heeft een jeugdhulpplicht. Dat betekent dat als jeugdige of ouders een jeugdhulpvoorziening nodig hebben, zij die geven. Daarvoor doet zij eerst onderzoek. De jeugdhulpvoorziening moet helpen bij problemen met veilig opgroeien, groeien naar zelfredzaamheid of deelname aan de maatschappij. Welke en hoeveel jeugdhulp nodig is, bepaalt het Sociaal team van de gemeente Beuningen (tenzij er sprake is van externe verwijzing, zie verder onder het kopje “Toeleiding naar jeugdhulp”). Dat noemen we maatwerk. De consulenten en procesregisseurs van het Sociaal team besluiten namens het college. Vanuit de Jeugdwet is het verplicht dat de gemeenteraad in de verordening regels opstelt. Dat staat in artikel 2.9,2.10 en 2.12. De regels gaan over: •

de door het college te verlenen individuele voorzieningen en algemene (vrij toegankelijke) voorzieningen;

•

de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening;

•

hoe de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen;

•

hoe de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld;

•

de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of persoonsgebonden budget en van misbruik of oneigenlijke gebruik van de Jeugdwet;

•

hoe inwoners worden betrokken bij de uitvoering van de Jeugdwet;

•

hoe een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering gewaarborgd wordt en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan.

De gemeenteraad mag ook andere regels opstellen hoe zij de Jeugdwet uit wil voeren (artikel 2.9). Daarnaast kan de gemeenteraad op grond van artikel 8.1.1 lid 3 van de Jeugdwet bepalen onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan inkopen bij een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk. Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan Vitaal Beuningen dat de gemeenteraad op grond van artikel 2.2 van de Jeugdwet heeft vastgesteld en het Regioprogramma Jeugd. In deze plannen wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid vastgelegd met betrekking tot preventie en jeugdhulp, de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering.

Algemene opmerking In de verordening gebruiken we consequent ‘hij’ als verwijzing. Hier bedoelen we ook ‘zij’ of 'hen’ mee wanneer dat van toepassing is. Op verschillende plekken spreken we "jeugdige en/of ouders". Het is afhankelijk van de leeftijd van de jeugdige (als bedoeld in artikel 1.1 Jeugdwet) wie wordt bedoeld:

-

zijn ouders als de jeugdige jonger is dan 12 jaar;

-

de jeugdige en zijn ouders als de jeugdige 12 jaar of ouder maar jonger dan 16 jaar is;

-

de jeugdige als hij 16 jaar of ouder is.

Algemene (vrij toegankelijke) en individuele voorzieningen Een voorziening voor jeugdhulp kan verschillende soorten ondersteuning, hulp en zorg zijn. De verordening maakt verschil tussen algemene (vrij toegankelijke) en individuele (niet vrij toegankelijke) jeugdhulpvoorzieningen. Voor sommige hulpvragen is een algemene voorziening genoeg. Hier kunnen de jeugdige en zijn ouders gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en zijn ouders kunnen zich voor een algemene voorziening rechtstreeks bij de aanbieder melden. Een individuele voorziening is vaak meer gespecialiseerde zorg. Voor deze niet-vrij toegankelijke vormen van hulp beoordeelt het college eerst of de jeugdige of zijn ouders deze hulp daadwerkelijk nodig hebben. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij-toegankelijk is en welke niet. In deze verordening zijn de beschikbare algemene en individuele voorzieningen uitgewerkt in artikel 2 en artikel 3.

Toeleiding naar jeugdhulp De toeleiding naar jeugdhulp kan op verschillende manieren plaatsvinden, te weten: -

via de gemeente;

-

na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts;

-

via de gecertificeerde instellingen, de rechter, het openbaar ministerie of de justitiële jeugdinrichting.

Toegang jeugdhulp via de gemeente Een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder kan binnenkomen bij het Sociaal Team van de gemeente. Dit team onderzoekt dan of en zo ja, welke jeugdhulp nodig is. Is een individuele voorziening nodig? Dan geeft het college daartoe een besluit af.

Toegang via de huisarts, de jeugdarts of de medisch specialist In de Jeugdwet staat dat de jeugdhulp ook bereikbaar is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. In de praktijk bepalen de huisarts, medisch specialist en jeugdarts vaak niet zelf welke hulp nodig is. Zij verwijzen naar een van de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft ingekocht. Dit noemen we externe verwijzing. De jeugdhulpaanbieder beoordeelt dan op basis van zijn professionele kennis welke begeleiding of behandeling nodig is, hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). De jeugdhulpaanbieder moet zich houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in contracten en subsidies, en de regels gemaakt in deze verordening. De contractering van jeugdhulp en het contractbeheer wordt voor gemeente Beuningen en andere gemeenten uit het Rijk van Nijmegen uitgevoerd door het Regionaal ondersteuningsbureau (ROB).

Toegang via de gecertificeerde instelling, de strafrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting De gecertificeerde instelling kan zelf bepalen of jeugdhulp nodig is als zij een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering uitvoert. De rechter, officier van justitie, en de justitiële jeugdinrichting kunnen bij een strafrechtelijke beslissing ook beslissen dat jeugdhulp nodig is. Ook dit noemen we externe verwijzing.

De gemeente is dan verantwoordelijk dat de jeugdhulp wordt ingezet die zij nodig vinden om de kinderbeschermingsmaatregel, jeugdreclassering of strafrechtelijke beslissing uit te voeren. De gemeente moet deze hulp dan bieden, dat noem je een leveringsplicht. Wel geldt als uitgangspunt dat rekening wordt gehouden met de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht.

Veilig Thuis en toegang tot jeugdhulp Veilig Thuis geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling. Op basis van een melding onderzoekt Veilig Thuis, als dat nodig is of sprake is van huiselijk geweld en/of kindermishandeling. Als uit dit onderzoek blijkt dat jeugdhulp nodig is, begeleidt Veilig Thuis ouders om jeugdhulp te accepteren en legt contacten met het Sociaal Team van de gemeente.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Begripsbepalingen

Lid 1 Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de Jeugdwet al veel definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Deze wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in deze verordening. Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal definitiebepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb) en ‘beschikking’ (artikel 1:2 van de Awb).

Lid 2 onderdeel a: algemene voorziening Een algemene voorziening is een voorziening die vrij toegankelijk is voor jeugdigen en/of ouders voor ondersteuning of hulp. Een toegangsbeoordeling is niet nodig. Dit betekent dat het college voorafgaand geen onderzoek doet naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de jeugdige en/of ouders. Voor een algemene voorziening is geen beschikking nodig (zie ook artikel 2 van deze verordening en de toelichting daarbij). Het is wel mogelijk dat de voorziening geld kost voor de jeugdige en/of ouders. Een algemene voorziening kan ook een collectieve voorziening zijn, waar jeugdigen in een groep, laagdrempelig ondersteuning ontvangen waar geen toegangsbeoordeling voor nodig is. Let op: niet alle collectieve jeugdhulp is vrij toegankelijk. Denk bijvoorbeeld aan groepsbehandeling; daarvoor is een individuele voorziening nodig.

Lid 2 onderdeel b: andere voorziening Een andere voorziening is een voorziening die de jeugdige kan ontvangen op grond van een andere wet dan de Jeugdwet, bijvoorbeeld de Wmo 2015, Wet Kinderopvang, Wet Passend onderwijs (Wpo), de Zorgverzekeringswet (Zvw) of de Wet langdurige zorg (Wlz). Of op basis van een subsidieregeling van de gemeente, zoals voor peuteropvang en voorschoolse educatie.

Lid 2 onderdeel d: budgethouder De budgethouder is degene die op grond van de Jeugdwet een persoonsgebonden budget (persoonsgebonden budget) ontvangt om daarmee jeugdhulp in te kunnen kopen. Zowel jeugdigen en ouders kunnen jeugdhulp krijgen. Als jeugdhulp aan een jeugdige wordt toegekend in de vorm van een

persoonsgebonden budget, voeren zijn ouders daarover het beheer, in ieder geval zolang de jeugdige nog minderjarig is. Dat staat in artikel 1:253i BW.

Lid 2 onderdeel e: budgetplan In het budgetplan staat welke hulp wordt ingekocht en hoe de budgethouder ervoor zorgt dat de hulp van kwaliteit is. De eisen aan dit plan staan beschreven in artikel 14 lid 2.

Lid 2 onderdeel f: cliëntondersteuner Onafhankelijke cliëntondersteuning binnen de Jeugdwet is een gratis voorziening die bedoeld is om jeugdige en ouders die te maken hebben met jeugdhulp te ondersteunen. De cliëntondersteuner kan helpen bij het vinden van de juiste informatie, het aanvragen van zorg of het voorbereiden op gesprekken met de gemeente. Contactgegevens zijn te vinden via de website van de gemeente Beuningen: www.beuningen.nl/ondersteuning-voor-clienten.

Lid 2 onderdeel g: college Onder het college wordt het dagelijks bestuur van burgemeester en wethouders van de gemeente Beuningen bedoeld.

Lid 2 onderdelen h (draagkracht), i (draaglast) en j (eigen kracht) Deze begrippen zijn toegevoegd naar aanleiding van de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 29 mei 2024 (ECLI:NL: CRVB:2024:1095, ECLI:NL: CRVB:2024:1096 en ECLI:NL: CRVB:2024:1097).

Lid 2 onderdeel k: gebruikelijke hulp Gebruikelijke hulp is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. Gezaghebbende ouders hebben de wettelijke verplichting en het recht (artikel 1:247 Burgerlijk Wetboek) om hun minderjarige kinderen te verzorgen en op te voeden. Daaronder wordt in deze verordening ook verstaan: hen te begeleiden en toezicht op hen te houden. Onder ‘andere verzorgers of opvoeders’ kunnen ook pleegouders vallen. Jeugdhulp kan slechts ingezet worden voor de hulp die de gebruikelijke hulp te boven gaat. Dat is bepaald in deze verordening. In hoofdstuk 4 van deze verordening is bepaald in welke situaties sprake is van (boven) gebruikelijke hulp.

Lid 2 onderdeel l: hulpvraag De hulpvraag is de behoefte aan jeugdhulp. Als een inwoner van de gemeente Beuningen die behoefte heeft aan jeugdhulp zich tot het college of een andere verwijzer wendt, is het van belang dat allereerst wordt onderzocht wat de hulpvraag van betrokkene is. Wanneer de betrokkene zich voor het eerst meldt, is in veel gevallen niet van tevoren duidelijk of en in welke vorm het college in actie moet komen. Zorgvuldig onderzoek is noodzakelijk.

Lid 2 onderdeel n: individuele voorziening Een individuele voorziening is een op de jeugdige of zijn ouders op maat gemaakte vorm van jeugdhulp. Deze voorziening is niet vrij toegankelijk. Hiervoor is een individuele beoordeling en ook een beschikking nodig, voor zover het college over de inzet ervan beslist.

Lid 2 onderdeel o: onderzoeksverslag Het onderzoeksverslag is het resultaat van het onderzoek dat de gemeente uitvoert naar de hulpvraag van jeugdigen en/of ouders. Het verslag beschrijft de bijdragen die zowel het college, de hulpvrager als het sociale netwerk gaan leveren om gezamenlijk een oplossing te bieden voor de hulpvraag.

Lid 2 onderdeel p: ouder In deze verordening bedoelen we met ouder alleen de gezaghebbende ouders of de wettelijk vertegenwoordiger(s) van de jeugdige. Alleen zij kunnen bijvoorbeeld een aanvraag voor jeugdhulp doen, of inzage in een jeugdwetdossier vragen.

Lid 2 onderdeel q: persoonsgebonden budget Een jeugdige of ouder kan de individuele voorziening ontvangen in de vorm van een persoonsgebonden budget. Met dit budget kan de jeugdige of ouder zelf de benodigde hulp inkopen. Zie ook de toelichting op artikel 23 over het beheer van het persoonsgebonden budget. Het gaat om een persoonsgebonden budget dat verleend kan worden op grond van artikel 8.1.1 van de Jeugdwet.

Lid 2 onderdeel s: sociaal netwerk Tot het sociale netwerk worden gerekend de personen uit de huiselijke kring (o.a. (ex-)partners, gezinsleden, familieleden of mantelzorgers) en andere personen met wie iemand een sociale relatie heeft. Met dat laatste worden personen bedoeld met wie de jeugdige of ouder regelmatig contacten onderhoudt, zoals buren, medeleden van een vereniging etc. Het begrip ‘sociaal netwerk’ komt ook voor in de Wmo 2015. Bij de uitvoering van de Jeugdwet wordt aangesloten bij deze begripsomschrijving. De vraag of er personen in het sociale netwerk zijn die een bijdrage kunnen leveren aan de oplossing van de hulpvraag komt aan de orde bij het onderzoek dat de gemeente verricht als een jeugdige of ouder zich meldt met een hulpvraag.

Lid 2 onderdeel t: zorg in natura Als het college aan de jeugdige en/of ouders een individuele voorziening toekent, gaat het meestal om zorg in natura. De toegekende jeugdhulp wordt dan verleend door een aanbieder waar de gemeente een contract mee heeft en door de gemeente rechtstreeks aan de zorgaanbieder betaald.

HOOFDSTUK 2. ALGEMENE VOORZIENINGEN Artikel 2. Beschikbare algemene voorzieningen

Lid 1 Een algemene voorziening is een dienst of activiteit die zonder voorafgaand onderzoek en zonder beschikking beschikbaar is voor alle jeugdigen en hun ouders om opgroei- en opvoedvragen te ondersteunen. Deze activiteit of dienst kan tegen betaling zijn. De gemeente vergoedt deze kosten niet.

Lid 2 Een aantal voorbeelden zijn genoemd van algemene voorzieningen in gemeente Beuningen. Onder opvoedondersteuning wordt bijvoorbeeld verstaan: workshops, lezingen of cursussen over opvoeden, opgroeien of ouderschap. Er is bijvoorbeeld ook het ondersteuningsteam 0-6 jaar voor ontwikkel- en opvoedvragen op de kinderopvang en basisschool. Het is mogelijk dat iemand een aanvraag indient voor een individuele voorziening en het college vervolgens na het onderzoek tot de conclusie komt dat een algemene of andere voorziening beschikbaar en passend is. Het college verwijst dan naar die voorziening en wijst de aanvraag voor een individuele voorziening dan af. Zie hiervoor ook artikel 13 lid 1 onder g van deze verordening.

HOOFDSTUK 3. INDIVIDUELE VOORZIENINGEN

Paragraaf 1. Voorzieningen Artikel 3. Beschikbare individuele voorzieningen Soms is een algemene voorziening niet passend of niet voldoende compenserend. Dan kan een jeugdige en/of ouders misschien gebruik maken van een individuele voorziening. Hiervoor is voorafgaand onderzoek naar de hulpvraag en de behoefte en persoonskenmerken van de jeugdige nodig. De toegang tot een individuele voorziening is geregeld in artikelen 10 t/m 12 van deze verordening. Er zijn verschillende soorten en vormen van jeugdhulp in de gemeente Beuningen. De omschrijving is te vinden in de bouwstenen van de jeugdhulp te vinden op www.robregionijmegen.nl/bouwstenen-tarieven/

Artikel 4. Respijtzorg In dit artikel worden voorwaarden genoemd wanneer en waarvoor respijtzorg wordt ingezet als individuele voorziening. Respijtzorg is bedoeld voor de ontspanning en ontlasting van ouders met een kind dat een bovengebruikelijke zorgvraag heeft. Wanneer sprake is van overbelasting van ouders, heeft het de voorkeur hen daarnaast te begeleiden om de overbelasting in de toekomst te verminderen. Artikel 5. Vervoer In artikel 2.3, tweede lid, van de wet is bepaald dat voorzieningen op het gebied van jeugdhulp ook het vervoer van een jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp geboden wordt, omvatten. In deze bepaling worden de uitgangspunten voor verstrekking van vervoer geregeld. Als uitgangspunt geldt dat de ouders in beginsel zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer (lid 1). Dat vervoer moet dan wel noodzakelijk zijn in verband met een medische noodzaak of met beperkingen in de zelfredzaamheid van de jeugdige. Dit betekent dat het vervoer noodzakelijk moet zijn om de locatie van de jeugdhulp te kunnen bereiken (lid 2). Of daarvan sprake is staat ter beoordeling van het college (lid 3).

Om te benadrukken dat het college daarbij de eigen verantwoordelijkheid van ouders als uitgangspunt neemt, wordt in het vierde lid expliciet gemaakt dat het college in elke individuele situatie een afweging moet maken of er specifieke omstandigheden zijn waardoor er (ondanks de eigen verantwoordelijkheid van de ouders) een vervoersvoorziening moet worden verstrekt. Wanneer de ouders in staat zijn de jeugdige zelf te vervoeren, is er sprake van ‘eigen kracht’ die aan de toekenning van een vervoersvoorziening in de weg staat. Daarnaast geldt het uitgangspunt dat de met het oog op de vervoerskosten goedkoopste adequate voorziening kan worden getroffen. Dit wordt ten uitdrukking gebracht in het vijfde lid. Artikel 6. Dyslexie Gemeente Beuningen werkt al jaren samen met het Beuningse onderwijs, dat een poortwachtersfunctie heeft. Het onderwijs heeft hierin een kritische (poortwachters)rol. De aanvragen lopen dan ook via het onderwijs (Interne begeleiders (IB-ers), taaldeskundigen en via aanmelding bij de coördinator van het IBnetwerk Onderwijs Beuningen). Er wordt met het programma BOUW gewerkt voor taal-en leesbevordering en het signaleren van dyslexie. Er is een maandelijkse monitoring van dyslexieaanmeldingen. Verwijzing: Bij een vermoeden van dyslexie stelt school een leerlingdossier op, dat voldoet aan de eisen van het protocol.

Dit leerlingdossier wordt aan de ouders verstrekt, zodat zij een onderzoek naar ernstige dyslexie (ED) kunnen aanvragen bij één van de gecontracteerde zorgaanbieders. De zorgaanbieder maakt

een melding bij de gemeente vóórdat het onderzoek naar ED wordt uitgevoerd. Een beschikking wordt afgegeven. De zorgaanbieder doorloopt het dyslexieprotocol. Het leerlingdossier wordt inhoudelijk beoordeeld door de dyslexiespecialist en geeft in de dossierbeoordeling aan of verder onderzoek geïndiceerd kan worden. Bij een positieve indicatie wordt de cliënt aangemeld bij de gemeente. De gemeente geeft vervolgens een beschikking af. Als onderzoek is geïndiceerd, wordt gestart met het diagnostisch onderzoek. Indien de diagnose ernstige dyslexie (ED) is gesteld, kan worden gestart met de dyslexiebehandeling.

Artikel 7. Kinderopvang, buitenschoolse opvang en een Sociaal medische Indicatie In deze bepaling wordt nadrukkelijk aangegeven dat reguliere kinderopvang, buitenschoolse opvang en een Sociaal medische indicatie geen jeugdhulp is waarvoor het college verantwoordelijk is. Kinderopvang en buitenschoolse opvang is de verantwoordelijkheid van ouders, werkgever en overheid. Het leren omgaan van leidsters van de kinderopvang met kinderen met een beperking is de verantwoordelijkheid van ouders en de kinderopvang/buitenschoolse opvang. Kinderen die extra ondersteuning nodig hebben, kunnen ook terecht op een kinderdagverblijf. Dit is geregeld in de Wet op de kinderopvang. Recht op kinderopvangtoeslag en gebruik kunnen maken van reguliere kinderopvang is voorliggend op bijvoorbeeld een individuele voorziening BSO+. Alleen indien er ten gevolge van een hulpvraag aanvullende begeleiding vereist is die niet door leidsters kan worden geboden en niet van ouders kan worden verwacht, kan jeugdhulp worden ingezet. Dit kan alleen in de situaties waarbij opvang niet het doel is, maar er sprake is van ontwikkelingsdoelstellingen. Daarbij kan gedacht worden aan (ernstige) gedragsproblematiek. Deze bepaling laat onverlet dat het college daarnaast verschillende vormen van dagbesteding beschikbaar kan hebben gesteld, waaronder het medisch dagverblijf, een kinderdagcentrum, een zorgboerderij of BSO+.

Wanneer er sprake is van een sociale, of medische situatie bij jeugdige en/of ouders waardoor kinderopvang tijdelijk noodzakelijk is, danwel voor de ontwikkeling van het kind, danwel voor de ontlasting van ouders, kan een Sociaal medische indicatie worden afgegeven. In beleidsregels is weergegeven via welke werkwijze en voorwaarden een sociaal medische indicatie wordt afgegeven door het college. Artikel 8. Overgang 18- naar 18+ Als de jeugdige na het 18e jaar nog hulp nodig heeft, waarborgt het college de continuïteit van de hulp en de ondersteuning. Dit houdt in dat de overgang naar een andere wet door het college begeleid wordt. Of dat tijdig passende jeugdhulp wordt ingezet. Om voor een jeugdige een goede overgang te hebben van de ingezette hulp wordt al vóór het 18e jaar gekeken naar wat na het 18e jaar nodig is aan hulp. Het doel hiervan is om overgangsproblemen te voorkomen en om vanaf het 18e jaar de ondersteuningsbehoefte zo klein mogelijk te houden. Als inzet van (extra) hulp kan leiden tot meer zelfredzaamheid vanaf het achttiende jaar heeft dit de voorkeur. Dit vraagt wel extra bewustwording bij jeugdige, ouders en hulpverleners. In het perspectiefplan wordt ook aandacht besteed aan aspecten als huisvesting, inkomen, werk/opleiding en welzijn na het 18e jaar. Artikel 9. Jaarlijkse waardering jonge mantelzorgers en pleegouders

In dit artikel staat vermeld hoe het college jaarlijks aan jonge mantelzorgers en pleegouders waardering laat zien voor hun inzet.

Paragraaf 2. Toegang tot een individuele voorziening

Artikel 10. Aanvraag jeugdhulp via de gemeente Een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder kan binnenkomen bij het Sociaal team van de gemeente. Zij onderzoekt dan of en zo ja, welke jeugdhulp nodig is.

Lid 1 Een jeugdige en/of ouders kunnen een hulpvraag melden bij het college. In dit geval gaat het om het Sociaal team van de gemeente Beuningen.

Lid 2 Het college wijst jeugdigen en ouders op de mogelijkheid om gebruik te maken van cliëntondersteuning. Cliëntondersteuning is onafhankelijke ondersteuning door middel van informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van o.a. jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning (dit volgt uit artikel 1.1.1 Wmo 2015).Het familiegroepsplan is een hulpverleningsplan of plan van aanpak dat de ouders opstellen samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren. De jeugdhulpaanbieder moet de jeugdige of ouders bij het leveren van hulp als eerste de mogelijkheid bieden een familiegroepsplan op te stellen. Dat geldt ook voor de gecertificeerde instelling als sprake is van een ondertoezichtstelling. Aanbieders en instellingen kunnen het familiegroepsplan gebruiken bij het bieden van hulp. De bedoeling van het familiegroepsplan is dat ouders, familieleden en anderszins direct betrokkenen de mogelijkheid krijgen mee te denken en te helpen aan een oplossing voor gedwongen of vrijwillige jeugdhulp.

Het familiegroepsplan is erop gericht om ouders en hun netwerk (met eventuele ondersteuning) in eigen kring de problemen op te kunnen laten lossen, in een prille fase waarin opgroei- en opvoedingsproblemen zijn gesignaleerd.

Lid 4 Een jeugdige en/of ouders kunnen een aanvraag (laten) indienen voor een individuele jeugdhulpvoorziening. In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan regels over de aanvraag(procedure). Deze verordening wijkt daarvan niet af. Dat betekent in ieder geval dat - op grond van artikel 4:1 van de Awb - een aanvraag om een individuele voorziening schriftelijk of digitaal moet worden ingediend bij het college. Daarnaast is het in deze gemeente ook mogelijk een mondelinge aanvraag in te dienen, maar dat heeft niet de voorkeur. Artikel 11. Toegang jeugdhulp via het medisch domein Zie de algemene toelichting onder ‘Toeleiding naar jeugdhulp’.

Lid 1 De verwijzende kracht in het medisch domein is beperkt tot de huisarts, medisch specialist of jeugdarts. De definitie van een jeugdarts en medisch specialist staat vermeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet. Of een verwijzer een huisarts, medisch specialist of jeugdarts is, kan zonodig worden nagegaan in het specialistenregister dat ook in het BIG-register vermeld wordt. Zie de specialistenregisters op https://www.bigregister.nl/registratie/nederlands-diploma-registreren/specialisatie. Artikel 12. Toegang jeugdhulp via de GI, de rechter, het openbaar ministerie en de justitiële jeugdinrichting in het kader van het jeugdstrafrecht Zie de algemene toelichting onder ‘Toeleiding naar jeugdhulp’.

Paragraaf 3. Beoordeling aanvraag en het nemen van het besluit Artikel 13. Onderzoek Om de juiste hulp te kunnen inzetten en een zorgvuldig besluit te kunnen nemen, is het belangrijk dat alle feiten en omstandigheden van de hulpvraag worden onderzocht. In dit artikel wordt benadrukt dat een gesprek deel uitmaakt van het onderzoek en dat de omgeving van de jeugdige daar zo veel mogelijk bij betrokken wordt. Uitgangspunt is dat persoonlijk contact tussen de gemeente en de jeugdige en/of ouders plaatsvindt.

Lid 1 De onderdelen a tot en met i zijn de onderwerpen waar het college in ieder geval onderzoek naar moet doen. Zijn de jeugdige en/of ouders al bekend bij de gemeente? Dan hoeven een aantal zaken niet meer uitgediept te worden en kan het college bijvoorbeeld alleen vragen of er nog nieuwe ontwikkelingen zijn. Ook kan besloten worden om helemaal van het gesprek af te zien als een gesprek gelet op de beschikbare informatie niet meer nodig is (lid 6). Komen een jeugdige en/of ouders voor het eerst bij de gemeente? Dan is het gesprek nodig om een totaalbeeld van de jeugdige en/of ouders en hun situatie te krijgen.

Lid 2 Het college informeert de jeugdige en/of de ouders over de mogelijkheid om een persoonsgebonden budget (persoonsgebonden budget) aan te vragen. Het college moet hen dan volledig, objectief en in begrijpelijke woorden inlichten over de gevolgen van de keuze (waaronder de risico's) voor een persoonsgebonden budget in plaats van zorg in natura (artikel 8.1.6 Jeugdwet). Met deze informatie kunnen de jeugdige en/of ouders een verantwoorde keuze maken en instemmen met de verplichtingen bij een persoonsgebonden budget.

Lid 3 en 4 Uit het gesprek tussen de jeugdige en/of ouders en de hulpverlener kan naar voren komen dat er al professionals betrokken zijn. In dat geval kan het Sociaal team ervoor kiezen informatie op te vragen namens de jeugdige en/of ouders. Ook kan ervoor gekozen worden dat gezamenlijk het gesprek aangegaan wordt met deze andere professional(s). Of de jeugdige en/of ouder kan zelf voor de nodige informatie uit andere domeinen zorgen. De jeugdige en/of ouders hebben een medewerkingsplicht. Dit houdt in dat de benodigde informatie om een besluit te kunnen nemen op de hulpvraag op verzoek van het college verstrekt moet worden. Als de jeugdige en/of ouders dit weigeren, moet het college een besluit nemen op basis van de informatie die er is. Dit kan dan betekenen dat de aanvraag wordt afgewezen.

Dat de gemeente de informatie mag opvragen betekent niet gelijk dat de andere partij dat zonder instemming van jeugdige en/of ouder mag verstrekken. Dat geldt bijvoorbeeld voor de huisarts. Bij jeugdigen tot 12 jaar stemmen ouders in, van 12- 16 jaar stemmen zowel jeugdige als ouders in, vanaf 16 jaar is alleen instemming van de jeugdige nodig.

Lid 7 De uitkomst van het onderzoek naar de hulpvraag wordt vastgelegd in het onderzoeksverslag. Uit het verslag moet blijken welke doelen zijn opgesteld, hoe die gerealiseerd gaan worden en welke bijdragen daarin van alle partijen verwacht wordt. De in lid 1 van deze bepaling genoemde onderzoeksvragen moeten terugkomen in het onderzoeksverslag.

Artikel 14. Toekenningsvoorwaarden individuele voorzieningen In artikel 2.9 onderdeel a van de Jeugdwet is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening moet aangeven wat de voorwaarden voor toekenning van een individuele voorziening zijn. In dit artikel is ter uitwerking van deze verplichting een kader gegeven.

Lid 1 Het Sociaal team stelt vast of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen (artikel 2.3 Jeugdwet). Als daar sprake van is, moet het Sociaal team concreet maken om welke problemen en/of stoornissen het gaat. Daarna onderzoekt het Sociaal team welke hulp de jeugdige gelet op deze problematiek nodig heeft om gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en/of voldoende redzaam te zijn en maatschappelijk te participeren (artikel 2.3 Jeugdwet). Vervolgens onderzoekt het Sociaal team wat jeugdige en/of ouders zelf kunnen doen. Dit noemen we ook wel eigen kracht (zie meer hierover onder artikel 19). Tot slot kijkt het Sociaal team of er een algemene voorziening of een andere voorliggende voorziening is die een oplossing biedt voor de hulpvraag. Een algemene voorziening gaat daarbij voor op een individuele voorziening. Dus als er een algemene voorziening passend is voor de hulpvraag van de jeugdige hoeft het college geen individuele voorziening te verstrekken. Hetzelfde geldt als jeugdige en/of ouders gebruik kunnen maken van een andere voorliggende voorziening op grond van een andere wet als de Jeugdwet (artikel 1.2 Jeugdwet).

Lid 2 onderdeel c Wanneer er kosten zijn gemaakt vóór de aanvraag verstrekt het college alleen een voorziening voor de periode gelegen tot maximaal 3 maanden vóór de aanvraag. Dit is de maximale tijd waarin de gemeente het acceptabel vindt om kosten te vergoeden voordat zij onderzoek had kunnen doen. Artikel 15. Algemene weigeringsgronden In dit artikel beschrijven we wanneer we het verzoek om een individuele voorziening kunnen weigeren. Bijvoorbeeld als er andere voorzieningen zijn waar de jeugdige en/of ouders gebruik van kunnen maken, of wanneer blijkt uit het onderzoek van het Sociaal team dat de gevraagde ondersteuning past bij wat je gebruikelijk verwacht van het gezin. Artikel 16. Het besluit

Lid 1 en lid 3

Het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Een individuele voorziening wordt door het college altijd toegekend (of afgewezen) op basis van een beschikking. Deze beschikking is gebaseerd op het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of zijn ouders en de ingediende aanvraag.

Lid 2 In gevallen waar onmiddellijke start van de hulp nodig is (en het besluit niet kan worden afgewacht) kan het besluit tot inzet van een individuele voorziening genomen worden na de daadwerkelijke start van de hulp. Het besluit tot inzetten van de hulp moet vervolgens binnen 4 weken na de start van de hulp zijn vastgelegd in een beschikking. Artikel 17. Inhoud en geldigheidsduur beschikking Het college geeft een schriftelijke beschikking als het jeugdhulp toekent of als in de tussentijd de rechten en plichten rondom een jeugdhulpvoorziening wijzigen. Hiertegen kan de jeugdige en/of zijn ouders bezwaar en beroep indienen. De mogelijkheid om bezwaar in te dienen tegen de beschikking en ook de daaropvolgende mogelijkheid van beroep bij de rechter is geregeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en geldt in beginsel voor alle beschikkingen. De jeugdige en/of ouders moeten met de beschikking de informatie krijgen die nodig is om hun rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de jeugdige en/of ouders goed en volledig informeert. Artikel 18. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking en terugvordering Het is belangrijk dat jeugdige en/of ouders het college alle informatie verstrekken die van belang kan zijn voor de verlening van jeugdhulp.

Deze bepaling berust mede op artikel 8.1.2 lid 1 van de Jeugdwet, die geldt met name voor het gebruik van een persoonsgebonden budget. In deze verordening verbreden we de informatieplicht naar de voorzieningen in natura. Want ook van jeugdigen en/of ouders met jeugdhulp in natura verlangen we dat ze voldoende gegevens en inlichtingen verstrekken om het college in staat te stellen om te beoordelen of (nog steeds) terecht een beroep op de voorziening wordt gedaan. Voorbeelden wanneer verwacht wordt dat jeugdige en/of ouders het college tijdig informeren zijn: •

Verandering in de gezinssituatie: bijvoorbeeld bij scheiding, (het voornemen tot)verhuizing, geboorte van een broertje/zusje, of als er iemand anders in het huishouden komt wonen.

•

Wijziging in de zorgvraag of problematiek: bijvoorbeeld als de behoefte aan jeugdhulp toeneemt of juist afneemt, of als er nieuwe diagnoses of problemen zijn vastgesteld.

•

Verandering in school- of dagbesteding: bijvoorbeeld wanneer de jeugdige van school verandert, stopt met school, of een andere dagbesteding krijgt.

•

Verandering in de beschikbaarheid of inzet van hulpverleners: bijvoorbeeld als de huidige hulpverlener stopt, of als er behoefte is aan meer of juist minder uren hulp.

•

Verandering in de woonsituatie van de jeugdige: bijvoorbeeld als de jeugdige uit huis gaat, bij een pleeggezin gaat wonen, of juist weer thuis komt wonen.

•

Wijzigingen in de medische situatie: bijvoorbeeld bij ziekenhuisopnames, nieuwe medicatie, of veranderingen in behandelingen die invloed hebben op de jeugdhulp.

•

Verandering in samenwerking met andere instanties: bijvoorbeeld als er andere hulpverleners betrokken raken, of als er een coördinator verandert.

Lid 2 Deze bepaling regelt in welke gevallen het college een besluit tot verlening van een individuele voorziening kan beëindigen of wijzigen, dan wel intrekken of herzien. Bij ‘wijzigen’ gaat het om het aanpassen van het besluit naar de toekomst toe.

Lid 3 In de Jeugdwet is geregeld dat het college een persoonsgebonden budget kan invorderen als dit is herzien of ingetrokken vanwege het verstrekken van onjuiste of onvolledige informatie door de jeugdige en/of ouders (zie artikel 8.1.4 lid 3 Jeugdwet). HOOFDSTUK 4. BEOORDELING EIGEN MOGELIJKHEDEN EN PROBLEEMOPLOSSEND VERMOGEN Artikel 19. Beoordeling (boven) gebruikelijke hulp en eigen kracht Dit artikel geeft weer hoe het college kijkt naar eigen kracht, wanneer er sprake is van eigen kracht en biedt een duidelijk (afwegings)kader. In dit artikel geeft het college aan wat zij verstaat onder gebruikelijke en bovengebruikelijke hulp, alsook hoe zij de situatie beoordeelt in kortdurende en langdurende situaties. Het college ziet ouders als eerste verantwoordelijke om gebruikelijke hulp te bieden in alle redelijkheid. Dat is ook het uitgangspunt van de Jeugdwet. Het college verwacht daarbij ook dat wanneer opvoeden of zorgen zwaarder wordt ouders binnen hun eigen mogelijkheden kijken waar ze het zelf kunnen opvangen. Bijvoorbeeld door hun werktijden te veranderen, zorg af te wisselen onder elkaar (ook bij scheiding), of het eigen netwerk in te zetten. Lid 3 De publicatie Opgroeien en opvoeden; normale uitdagingen voor kinderen, jongeren en hun ouders (2020) is te vinden op https://www.nji.nl/publicaties/opgroeien-en-opvoeden HOOFDSTUK 5 PERSOONSGEBONDEN BUDGET Artikel 20.

Toekenningscriteria persoonsgebonden budget Als een jeugdige en/of ouders in aanmerking willen komen voor een persoonsgebonden budget, moeten zij een budgetplan opstellen. In lid 2 van deze bepaling is aangegeven welke onderdelen in ieder geval opgenomen moeten zijn in dat budgetplan. Een aantal zaken vloeien rechtstreeks voort uit de wet. De Jeugdwet noemt in artikel 8.1.1 namelijk een aantal criteria om in aanmerking te kunnen komen voor een persoonsgebonden budget. Deze criteria komen terug in het budgetplan en het college kan op deze manier toetsen of aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan. Het college toetst ook met behulp van het overzicht van het Rijk of de jeugdige en/of ouders voldoende vaardig zijn om een persoonsgebonden budget te beheren.

Lid 3 Het in artikel 20 lid 3 genoemde overzicht is te vinden op https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/persoonsgebonden-budget-pgb/vraag-en-antwoord/pgbvaardigheid en de aldaar te downloaden infographic "10 punten pgb-vaardigheid"

Lid 5 In deze bepaling zijn een aantal kostenposten genoemd die niet uit het persoonsgebonden budget gefinancierd mogen worden. Het persoonsgebonden budget is alleen bedoeld voor financiering van de noodzakelijke jeugdhulp.

Lid 6 Voordat het college een persoonsgebonden budget toekent, toetst het college aan de criteria zoals vastgelegd in artikel 8.1.1 lid 2 Jeugdwet. Eén van die criteria is dat de kwaliteit van de in te kopen hulp naar het oordeel van het college geborgd is. In dat kader moet het college, bij de wens om hulp van het sociale netwerk te betrekken, beoordelen of de benodigde hulp wel door het sociale netwerk geboden kan worden. Als de conclusie is dat de ontwikkeldoelen niet bereikt kunnen worden als de betreffende hulp door iemand uit het sociale netwerk wordt geboden, kan dat reden zijn om het persoonsgebonden budget te weigeren. De kwaliteit van de in te zetten hulp is dan immers niet geborgd. Tegen deze achtergrond is in deze verordening een uitsluitingsgrond opgenomen voor het ontvangen van ggz-behandeling die wordt geboden door een persoon uit het sociale netwerk. GGZ-behandeling kan, gelet op de aard van de hulp, alleen door een professional worden geboden. Professionele hulp vergt een objectieve en onafhankelijke blik. Een persoon uit het sociaal netwerk is door de relatie met de jeugdige, ongeacht zijn of haar diploma’s en werkervaring, niet in staat een professionele afstand tot de jeugdige te bewaren en dus de vereiste professionaliteit te bieden die vereist is voor dit type jeugdhulp. Artikel 21.

Weigeringsgronden persoonsgebonden budget Dit artikel geeft weer in welke gevallen het college geen persoonsgebonden budget verstrekt. Artikel 22. Hoogte van het persoonsgebonden budget. In deze verordening wordt bepaald hoe de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld (artikel 2.9 onderdeel c van de Jeugdwet). Daarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn om de benodigde hulp in te kunnen kopen bij tenminste één aanbieder. Ook moet de informele hulp bekostigd kunnen worden met het beschikbaar gestelde tarief. De tarieven zijn afgeleid van Zorg-in-Natura tarieven. Deze staan gepubliceerd op: https://robregionijmegen.nl/producten-tarieven/, Het tarief voor informele zorg is in deze verordening gelijkgesteld aan het minimumloon plus werkgeverslasten. De landelijke indexatie voor het minimumloon wordt gevolgd. In sommige gevallen hebben inwoners arbeidscontracten met een hoger informeel tarief. Deze is volgens de tarieven van de vorige verordening vastgesteld. Het college verlaagt deze tarieven niet; deze tarieven worden echter ook niet geïndexeerd tótdat zij door de tijd heen weer gelijklopen met het wettelijk minimumloon plus werkgeverslasten. Artikel 23. Regels voor persoonsgebonden budget-beheer In dit artikel zijn enkele nadere eisen opgenomen waar pgb-beheer aan moet voldoen.

Bovendien is verduidelijkt dat pgb-beheer de jeugdige en/of zijn ouders kan ondersteunen, maar niet in de plaats van de hen treedt. Dit blijkt uit de woorden "met hulp uit…" in artikel 8.1.1 lid 2 sub a van de Jeugdwet. Als de jeugdige en/of zijn ouders in het geheel geen regie kunnen voeren, is een persoonsgebonden budget niet de aangewezen verstrekkingsvorm. De combinatie van zorgverlener en pgb-beheerder in één persoon of

instantie is daarnaast, gezien de belangenverstrengeling, onwenselijk en niet toegestaan. Voor familieleden in de eerste en tweede graad geldt een uitzondering. Dit neemt niet weg dat het college wel beoordeelt hoe de verhouding is tussen de jeugdige en de pgb-beheerder en de mate van afhankelijkheid van de jeugdige en/of zijn ouders ten opzichte van de pgb-beheerder. Dit alles in het kader van de (financiële) bescherming van kwetsbare inwoners.

Artikel 24. Onderscheid formele en informele hulp In dit artikel geeft het college weer welke hulp zij als formeel en informeel beschouwt.

Formele hulp Van formele hulp is, kortweg, sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep. De hulp wordt dan verleend door een jeugdhulpaanbieder of door een zelfstandige jeugdhulpverlener (zzp-er), die onder toezicht staan van de in de Jeugdwet aangewezen inspecties. Van formele hulp is ook sprake als de hulpverlener een BIG- of SKJ-registratie heeft. Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de hulpverlener uit het sociaal netwerk van de budgethouder komt. Bij hulpverlening door een persoon uit het sociaal netwerk, is altijd sprake van informele hulp. Ook al gaat het om een hulpverlener die bijvoorbeeld BIG-geregistreerd is en voldoet aan de criteria genoemd in lid 1 van deze bepaling. In het kader van deze verordening geldt dat als informele hulp. De achtergrond daarvan is dat ook personen uit het sociaal netwerk met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende persoonsgebonden budget-tarief.

Informele hulp Informele hulp is alle hulp die geboden wordt door personen uit het sociaal netwerk of door personen die niet beroeps- of bedrijfsmatig jeugdhulp verlenen.

Artikel 25. Regels voor persoonsgebonden budget professionals/ formele hulp Als de budgethouder met het persoonsgebonden budget een professionele zorgaanbieder inschakelt, is het in ieders belang dat deze aanbieder zich niet aan kwaliteitskaders kan onttrekken, omdat hij niet gecontracteerd is bij de gemeente. Ook via deze constructie dient de jeugdige en /of ouders kwalitatief goede zorg en ondersteuning te ontvangen. Het college dient zich te vergewissen van die kwaliteit. Om die reden wordt er in deze verordening verwezen naar de kwaliteitseisen in de bijlage. Professioneel staat niet gelijk aan beroeps- of bedrijfsmatige dienstverlening. Het hebben van een bepaalde expertise (of professionaliteit) maakt op zichzelf niet dat sprake is van beroeps- of bedrijfsmatige dienstverlening. Uit de rechtspraak volgt dat iemand uit het sociaal netwerk geen professioneel of bedrijfsmatig tarief hoeft te ontvangen, ook niet als deze beschikt over relevante diploma’s of werkervaring. De term professioneel gaat over de deskundigheid (professionaliteit). De deskundigheid speelt alleen een rol bij de beoordeling of voor de benodigde ondersteuning een specifieke deskundigheid vereist is. Bijvoorbeeld als sprake is van een bepaalde soort problematiek.

Beschikt een zorgverlener niet over de benodigde deskundigheid dan kan vanuit het persoonsgebonden budget de betreffende zorgverlener niet worden ingehuurd. Dus ook niet vanuit het informele tarief.

Ook kan een zorgverlener vanuit de 1e of 2e graad bijvoorbeeld geweigerd worden als deze teveel een afhankelijkheidsrelatie in stand houdt of onvoldoende objectieve afstand bewaard tot de budgethouder. Ook dan spreek je van onvoldoende deskundigheid of professionaliteit." Artikel 26. Regels voor persoonsgebonden budget sociaal netwerk / informele hulp Dit artikel beschrijft in welke situaties en tegen welke voorwaarden hulp of ondersteuning kan worden ingekocht bij het sociaal netwerk. Tot het sociale netwerk worden personen gerekend uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt. Bij deze laatste groep kan gedacht worden aan familieleden die niet in hetzelfde huis wonen, buren, vrienden, kennissen, etc. Daarbij is van belang dat in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) de regering heeft aangegeven dat onder dit sociale netwerk ook mantelzorgers kunnen vallen. Wel is de regering van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. De jeugdige en/of ouders leggen dat vast in het budgetplan. De diensten die worden geleverd moeten veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.

Mantelzorg is informele zorg die door het eigen netwerk wordt geboden en dit gaat dus voor op een maatwerkvoorziening. Aan de keuze tussen zorg in natura en een persoonsgebonden budget gaat vooraf of naast de bijdrage van het eigen netwerk aanvullend extra ondersteuning nodig is in de vorm van een individuele voorziening. Als dat het geval is, hebben de jeugdige en/of ouders de keuze tussen zorg in natura of een persoonsgebonden budget. In beginsel is het gezien de volgorde niet logisch dat iemand uit het eigen netwerk de ondersteuning in het kader van het persoonsgebonden budget gaat uitvoeren als in een eerder stadium al is afgesproken wat mensen uit het eigen netwerk (onbetaald) willen betekenen voor de jeugdige en/of ouders. Uitzonderingen op dit uitgangspunt zijn denkbaar. Bijvoorbeeld als de mantelzorger zijn baan opzegt om te kunnen zorgen voor een naaste. Het is echter niet mogelijk om de uitzonderingen te vangen in algemene, voor iedereen geldende voorwaarden. Niet voor iedereen die zijn baan opzegt om te kunnen zorgen voor een naaste komt in aanmerking voor een persoonsgebonden budget. Het blijft altijd maatwerk. Voor de tarieven is aansluiting gezocht bij de Zorg in natura tarieven. Deze worden jaarlijks geïndexeerd.

Het college kijkt ook naar de verhouding van de jeugdige en/of ouders tot de zorgverlener en de mate van afhankelijkheid ten opzichte van de zorgverlener. Dit is bedoeld om zowel voorafgaand aan de verstrekking als op een later moment te (kunnen) onderzoeken of het persoonsgebonden budget veilig, doeltreffend en cliëntgericht gebruikt wordt, ook als jeugdige en/of ouders en zorgverlener een sociale relatie onderhouden. Dit alles in het kader van de (financiële) bescherming van kwetsbare inwoners.

HOOFDSTUK 6. VERHOUDING PRIJS - KWALITEIT, KLACHTEN EN MEDEZEGGENSCHAP Artikel 27. Kwaliteitseisen

Dit artikel sluit aan bij de kwaliteitseisen voor jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen zoals opgenomen in paragraaf 4.1. van de Jeugdwet. Artikel 28. Meldingsregeling calamiteiten en geweld In aanvulling op de landelijke regels voor het melden van calamiteiten is in de verordening een bevoegdheid voor het college opgenomen om een toezichthouder Jeugdwet aan te wijzen.

Artikel 29. Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen De wet bepaalt dat de verordening regels moet bevatten over de waarborging van een goede verhouding tussen de prijs en kwaliteit van een voorzieningen. Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs, bevat dit artikel een aantal andere aspecten waar het college rekening mee dient te houden.

Lid 1 In dit artikel wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde, ofwel een vaste prijs vaststelt, ofwel een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Als het college een vaste prijs vaststelt, dan is het tarief voor de inschrijvers gelijk aan de vaste prijs. Artikel 30. Klachtregeling Het college behandelt klachten van de jeugdige en/of ouders die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van aanvragen als bedoeld in deze verordening overeenkomstig de bepalingen van de

Verordening interne en externe klachtenbehandeling 2022 . Voor de melding van klachten over de feitelijke hulpverlening moeten jeugdige of zijn ouders zich richten tot de aanbieder/instelling die de hulpverlening biedt. De klachtmogelijkheid tegenover de aanbieder is geregeld in artikel 4.2.1 e.v. van de Jeugdwet. Artikel 31. Betrekken ingezetenen bij ontwikkelen beleid Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.10 van de Jeugdwet in samenhang met artikel 2.1.3 lid 3 van de Wmo 2015. Op grond van die bepalingen moet in de verordening worden geregeld hoe ingezetenen, waaronder in ieder geval jeugdigen en ouders, worden betrokken bij de vormgeving van het jeugdbeleid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beuningen&id=37843d1c-c558-4da1-bdc3-1dd7ec8e8127