CConstaterende datBeuningen
Koppel je AI →
Document · PDF

NIEUW Bijlage 1 Verordening jeugdhulp gemeente Beuningen 2026

Raadsvergadering 12 mei 2026, gemeente BeuningenBij agendapunt: Verordening jeugdhulp gemeente Beuningen 2026 en Verordening maatschappelijke ondersteuning 202624.450 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Verordening jeugdhulp gemeente Beuningen 2026 De raad van de gemeente Beuningen; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 31 maart 2026; gelet op het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap; gelet op het Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind; gelet op de overwegende dat; •

de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft neergelegd;

•

het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt;

•

het noodzakelijk is om regels vast te stellen over:

•

de door het college te verlenen individuele voorzieningen en algemene voorzieningen;

•

de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van de hulpvraag en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening;

•

de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen;

•

de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld;

•

de voorwaarden waaronder de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk,

•

de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet;

•

de waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclasseringsmaatregel en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan;

gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.11, 2.12 en 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet; B E S L U I T om de volgende verordening vast te stellen: Verordening jeugdhulp gemeente Beuningen 2026

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Begripsbepalingen 1.

Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Jeugdwet, het Besluit Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht.

2.

In deze verordening komen de volgende begrippen voor: a.

algemene voorziening: jeugdhulpvoorziening op grond van de wet die vrij toegankelijk is zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en/of ouders.

b.

andere voorziening: voorziening op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen, niet vallend onder de Jeugdwet. Deze kan voorliggend zijn op een individuele voorziening.

c.

bovengebruikelijke hulp: de extra zorg en hulp die de gebruikelijke hulp overstijgt.

d.

budgethouder: de persoon die een persoonsgebonden budget ontvangt op grond van de Jeugdwet.

e.

budgetplan: plan waarin de budgethouder of zijn wettelijk vertegenwoordiger beschrijft hoe hij1 de ondersteuning gaat inkopen en op welke wijze de kwaliteit gewaarborgd wordt.

f.

cliëntondersteuner: onafhankelijk persoon die de jeugdige/en of ouders ondersteunt met informatie, advies en algemene ondersteuning, die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen.

g.

college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beuningen.

h.

draagkracht: de normale, dagelijkse hulp die ouders en of andere huisgenoten vanuit eigen kracht kunnen bieden aan de jeugdige. Dit betreft zowel gebruikelijke als bovengebruikelijke hulp op het gebied van persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf.

i.

draaglast: de belasting die op de draagkracht gedaan wordt.

j.

eigen kracht: de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de inwoner of jeugdige en zijn ouders en de personen die tot hun sociale netwerk behoren, om de benodigde hulp en ondersteuning te bieden bij opgroei-, opvoedings- en psychische problemen en stoornissen.

k.

gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders.

l.

hulpvraag: behoefte van een jeugdige en/of ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen.

1 Daar waar in deze verordening ‘hij’ staat, kan ook ‘zij’ of ‘hen’ worden gelezen.

m. informele hulp: niet-professionele hulp, verleend vanuit het sociale netwerk of iemand die door de jeugdigen en/of ouders zelf is gezocht en gevonden. Er hoeft tussen de jeugdige en/of ouders en de hulpverlener geen bestaande relatie te zijn en de ondersteuning wordt niet verleend vanuit een hulpverlenend beroep. Deze inzet vindt alleen plaats op basis van een persoonsgebonden budget. n.

individuele voorziening: een jeugdhulpvoorziening voor de jeugdige en/of ouders die door het college in natura (zorg in natura) of in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt verstrekt.

o.

onderzoeksverslag: een verslag waarin de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of ouders is vastgelegd, samen met de doelen (beoogde resultaten) en hoe deze te bereiken. Ook staan hierin de bijdragen die het college, de jeugdige en/of ouders en het sociale netwerk hieraan kunnen leveren.

p.

Ouder: de ouder als bedoeld in artikel 1.1 Jeugdwet gezaghebbende ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder.

q.

persoonsgebonden budget (PGB): het persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet is een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of ouder waarmee zij de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort bij derden kunnen (in)kopen.

r.

Regionaal ondersteuningsbureau (ROB): het samenwerkingsverband van de gemeenten Berg en Dal, Beuningen, Druten, Heumen, Mook en Middelaar, Nijmegen en Wijchen voor de contractering en het contractbeheer namens deze gemeenten op het gebied van Wmo en jeugdhulp.

s.

sociaal netwerk: een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot of andere personen met wie de jeugdige en/of ouders een sociale relatie heeft, zoals buren, vrienden en kennissen.

t.

zorg in natura: de hulp die aan personen wordt geleverd door aanbieders die een contract hebben met de gemeente.

HOOFDSTUK 2. ALGEMENE VOORZIENINGEN Artikel 2. Beschikbare algemene voorzieningen 1.

Een algemene voorziening is vrij toegankelijk. Het is een voorziening op basis van de Jeugdwet, die voor elke jeugdige beschikbaar is. Er is geen of een beperkte toegangsbeoordeling.

2.

De volgende algemene voorzieningen zijn beschikbaar: a.

Opvoedondersteuning

b.

Ondersteuner Jeugd en Gezin

c.

Welzijnswerk

d.

Kinder- en jongerenwerk

e.

Kortdurende ondersteuning

f.

Schoolmaatschappelijk werk

g.

Consultatiebureau

h. 3.

Buurtsportcoach

Het college kan in nadere regels vaststellen welke algemene voorzieningen concreet op basis van lid 1 beschikbaar zijn en toelichten wat deze inhouden.

HOOFDSTUK 3. INDIVIDUELE VOORZIENINGEN Paragraaf 1. Voorzieningen Artikel 3. Beschikbare individuele voorzieningen De volgende individuele voorzieningen zijn beschikbaar: 1.

2.

3.

4.

5.

Ambulante jeugdhulp a.

Reguliere en specialistische begeleiding (al dan niet in een groep)

b.

Persoonlijke verzorging

c.

Vaktherapie (al dan niet in een groep)

d.

Logeeropvang

e.

Voorschoolse/naschoolse dagbehandeling

f.

BSO+

g.

Onderwijstoeleidende dagbesteding

Specialistische jeugdhulp a.

Behandeling

b.

Gezinsvormen (pleegzorg, deeltijdpleegzorg, gezinshuiszorg)

c.

Woongroepen (kamertraining, fasehuis, beschermd wonen)

d.

Residentieel verblijf (met/zonder terrein, moeder-kind huis)

Jeugdbescherming en jeugdreclassering a.

(voorlopige) Ondertoezichtstelling

b.

Voogdij

c.

Intensief gezinsgerichte en systeemgerichte aanpak

d.

Reclassering regulier

e.

Individuele trajectbegeleiding

Geestelijke gezondheidszorg Jeugd (J-GGZ) a.

Behandeling basis (al dan niet in een groep)

b.

Behandeling specialistisch (al dan niet in een groep)

Overig a.

Crisiszorg

b.

Essentiële functies (complexe zorg bovenregionaal ingekocht)

c.

Landelijk ingekochte zorg

d.

Respijtzorg

a.

Dyslexiezorg

b.

Vervoersvoorziening

6.

De hiervoor in lid 1 t/m 4, 5a t/m c genoemde voorzieningen zijn nader beschreven in de bouwstenen en tarieven op https://www.robregionijmegen.nl/producten-tarieven

7.

Het college kan in nadere regels vaststellen welke individuele voorzieningen concreet op basis van het eerste lid beschikbaar zijn en toelichten wat deze inhouden.

Artikel 4. Respijtzorg 1.

Ter ontlasting van ouders in de bovengebruikelijke hulp voor hun kind kan respijtzorg worden ingezet als na onderzoek als bedoeld in artikel 13 blijkt dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 2.3 lid 3 Jeugdwet en: a.

De jeugdige geen aanspraak heeft noch kan maken op zorg uit de Wet langdurige zorg;

b.

In het onderzoek is uitgesloten dat verpleegkundige handelingen nodig zijn en zorg onder de Zorgverzekeringswet valt of zou moeten vallen, hierbij wordt een aanvullende zorgverzekering niet als eis gesteld voor een eventuele individuele voorziening respijtzorg;

c.

Respijtzorg in beginsel een tijdelijk karakter met een maximum van 1 jaar heeft. Langdurige inzet is mogelijk als overduidelijk is dat de problematiek en ondersteuningsbehoefte langdurig zijn;

d.

Bij de inzet van respijtzorg altijd heldere doelen worden geformuleerd over tijdigheid en vergroten van draagkracht, en evaluatie afspraken worden gemaakt.

e.

Respijtzorg wordt niet ingezet: I.

tijdens school- of werktijd,

II.

als oplossingen uit het normale leven passend zijn (eigen netwerk, hobby’s, sport, etc.),

III.

om de ontwikkeling van het kind te stimuleren,

IV.

om activiteiten tussen ouder en kind te begeleiden: respijtzorg is om ouders een rustmoment te bieden.

Artikel 5. Vervoer 1.

Uitgangspunt is dat ouders zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder.

2.

Een vervoersvoorziening wordt alleen verstrekt aan de jeugdige ten behoeve van het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt.

3.

Een vervoersvoorziening wordt alleen aan de jeugdige toegekend als naar het oordeel van het college is aangetoond dat er een noodzaak bestaat tot inzet van deze voorziening in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid, conform lid 2 van artikel 2.3 van de Jeugdwet.

4.

Het college beoordeelt, overeenkomstig artikel 19, in elke individuele situatie of er specifieke omstandigheden zijn waardoor de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouders onvoldoende zijn om de eigen verantwoordelijkheid voor het vervoer op zich te nemen.

5.

Als naar het oordeel van het college een passende voorziening beschikbaar is waarvoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, is deze voorziening voorliggend op een indicatie waarvoor wel vervoer geïndiceerd moet worden.

Artikel 6. Dyslexiezorg 1.

De zorg voor kinderen vanaf 7 tot 13 jaar met ernstige dyslexie (ED) die het basisonderwijs volgen, valt onder de Jeugdwet.

2. De toegang voor dyslexiezorg in gemeente Beuningen loopt via de basisschool van de jeugdige.

Artikel 7. Kinderopvang, buitenschoolse opvang en een Sociaal medische indicatie 1.

Reguliere kinderopvang en reguliere buitenschoolse opvang zijn geen vormen van jeugdhulp.

2.

In uitzonderlijke situaties kan als een kind extra begeleiding of specialistische begeleiding nodig heeft vanwege opgroei-, opvoedings- en psychische problemen en stoornissen, die niet door medewerkers van de opvang kan worden geboden en niet van ouders kan worden verwacht, vanuit de Jeugdwet in het kader van de kinderopvang en buitenschoolse opvang begeleiding worden ingezet.

3.

Het college stelt beleidsregels op over de uitvoering van de sociaal medische indicatie.

Artikel 8. Overgang 18- naar 18+ 1.

Als een jeugdige gebruik maakt van een individuele voorziening en bijna 18 jaar wordt, zorgt het college ervoor dat er op tijd een gesprek plaatsvindt over de veranderingen vanaf 18 jaar en welke voorziening na 18 jaar nodig is.

2.

De jeugdhulpaanbieder stelt voor jeugdigen die jeugdhulp krijgen vanaf het 16e jaar een ‘perspectiefplan’ op waarin staat: a.

Welke hulp of ondersteuning nodig is vanaf de 18e verjaardag;

b.

Hoe en vanuit welke wet (Wmo, Wlz, Zorgverzekeringswet of verlengde Jeugdwet) de hulp vanaf 18 jaar wordt ingezet.

3.

De jeugdhulpaanbieder betrekt de jeugdige, het gezin en het college bij (het opstellen van) het perspectiefplan.

Artikel 9. Jaarlijkse waardering jonge mantelzorgers en pleegouders 1.

Het college stelt jaarlijks een blijk van waardering beschikbaar voor jonge mantelzorgers die aangemeld zijn bij het Steunpunt Mantelzorg van Stichting Perspectief.

2.

Het college kan de in lid 1 bedoelde blijk van waardering jaarlijks laten variëren. Niet limitatief kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een waardebon of verwenpakket.

3.

Per jonge mantelzorger is één jaarlijkse blijk van waardering zoals bedoeld in lid 1 beschikbaar.

4.

Naast de in lid 1 bedoelde blijk van waardering biedt het Steunpunt Mantelzorg gedurende het gehele jaar individuele en collectieve mogelijkheden ter ondersteuning van jonge mantelzorgers.

5.

Pleegouders kunnen per pleegkind een Klavervierpas aanvragen bij het Sociaal Team.

6.

Het college kan bij nadere regeling een jaarlijkse blijk van waardering voor pleegouders in het leven roepen.

Paragraaf 2. Toegang tot een individuele voorziening Toegang tot jeugdhulp is mogelijk door een verwijzing via de gemeente (met een beschikking van het college), via verwijzing vanuit het medisch domein (huisarts, medisch specialist of jeugdarts), via een bepaling van de Gecertificeerde Instelling (GI), via de rechter, het openbaar ministerie of via de justitiële jeugdinrichting in het kader van het jeugdstrafrecht.

Artikel 10. Aanvraag jeugdhulp via de gemeente 1.

Een jeugdige of zijn ouder kunnen een hulpvraag stellen bij het college.

2.

Het college bevestigt de ontvangst van de hulpvraag schriftelijk en wijst de jeugdige en zijn ouders voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis onafhankelijke cliëntondersteuning en op de mogelijkheid om een familiegroepsplan op te stellen. Als de jeugdige of zijn ouders daarom verzoeken, zorgt het college voor ondersteuning bij het opstellen van een familiegroepsplan.

3.

In spoedeisende gevallen zet het college na een melding voor maximaal 3 maanden een individuele voorziening in. In afwachting van de uitkomst van het onderzoek en de aanvraag van de jeugdige of zijn ouders of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet.

4.

Een jeugdige of zijn ouders kunnen bij het college mondeling, maar bij voorkeur schriftelijk of digitaal een aanvraag voor een individuele voorziening voor jeugdhulp indienen.

5.

Het college kan het onderzoeksverslag als bedoeld in artikel 13 als aanvraag aanmerken als de jeugdige of zijn ouders dat in het verslag hebben aangegeven.

6.

Jeugdigen en ouders kunnen zich rechtstreeks wenden tot een andere of algemene voorziening zoals genoemd in artikel 1 en 2.

Artikel 11. Toegang jeugdhulp via het medisch domein 1.

Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts.

2.

De huisarts, medisch specialist of jeugdarts mogen alleen naar gecontracteerde aanbieders verwijzen.

3.

Als de jeugdhulpaanbieder na een verwijzing beoordeelt welke specifieke vorm van jeugdhulp nodig is en/of wat de omvang en de duur van de jeugdhulp is, houdt hij zich daarbij aan de regels in deze verordening en de contractafspraken die hij met de gemeente heeft gemaakt.

4.

Het college is verantwoordelijk voor de betaling van de jeugdhulp waarnaar is verwezen. Het college verstrekt geen beschikking, tenzij de jeugdige en/of ouders dit wensen of wanneer het college afwijkt van de beoordeling door de jeugdhulpaanbieder.

Artikel 12. Toegang jeugdhulp via de Gecertificeerde Instelling, de rechter, het openbaar ministerie en de justitiële jeugdinrichting in het kader van het jeugdstrafrecht 1.

Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp die de Gecertificeerde Instelling (GI) nodig vindt bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Ook draagt het college zorg voor de inzet van jeugdhulp die de rechter, het openbaar ministerie of de directeur of selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting nodig vindt bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing.

2.

Het college is verantwoordelijk voor de betaling van de jeugdhulp waarnaar is verwezen. Het college verstrekt geen beschikking.

Paragraaf 3. Beoordeling aanvraag en nemen van een besluit Artikel 13. Onderzoek 1.

Het college onderzoekt, zo snel mogelijk, in een gesprek met de jeugdige en/of ouders: a.

wat de hulpvraag is van de jeugdige en/of ouders;

b.

de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en/of zijn ouders;

c.

of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en/of stoornissen bij de jeugdige en om welke problemen het concreet gaat;

d.

het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp;

e.

welke hulp gelet op de vastgestelde problematiek naar aard en omvang nodig is om de jeugdige in staat te stellen om gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en/of voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren;

f.

de mogelijkheid van de jeugdige en/of ouders om zelf of met ondersteuning van het sociale netwerk een oplossing voor de hulpvraag te vinden. Daarbij onderzoekt het college de volgende vragen: I.

Is de ouder in staat de noodzakelijke gebruikelijke of bovengebruikelijke hulp te bieden?

II.

Is de ouder beschikbaar om de noodzakelijke hulp te bieden?

III.

Levert het bieden van de hulp door de ouder geen overbelasting op?

IV.

Ontstaan er (financiële) problemen in het gezin als de hulp door de ouder wordt geboden?

g.

de mogelijkheden om de hulpvraag op te lossen met inzet van algemene en andere voorzieningen;

h.

of en welke ondersteuning nodig is in de vorm van een individuele voorziening;

i.

de manier waarop een individuele voorziening wordt ingezet, wordt zo nodig afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen.

3.

Het college informeert de jeugdige en/of ouders over de mogelijkheid om een persoonsgebonden budget aan te vragen en geeft zo nodig uitleg over wat de regels, gevolgen en verantwoordelijkheden zijn van een persoonsgebonden budget, als bedoeld in hoofdstuk 5 persoonsgebonden budget.

4.

Ter voorbereiding van het gesprek verstrekken de jeugdige en/of zijn ouders alle gegevens en stukken die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover de jeugdige en/of ouders beschikken.

5.

Het college kan, met instemming van jeugdige en/of ouders informatie opvragen bij andere instanties, zoals de huisarts, en met deze in gesprek gaan over de problemen en de meest passende hulp.

6.

Als het nodig is vraagt de gemeente voor het onderzoek van de hulpvraag van de jeugdige advies van een deskundige.

7.

Het college kan in overleg met de jeugdige en/of ouders afzien van een gesprek.

8.

Het college legt de uitkomsten van het onderzoek vast in het onderzoeksverslag. De jeugdige en/of ouders kunnen binnen een termijn van zeven dagen schriftelijk hierop reageren. Ook legt het college in afstemming met jeugdige en/of ouders hierin afspraken vast over het bespreken van de resultaten.

9.

De gemeente hoeft alleen een voorziening voor jeugdhulp te treffen als dit naar het oordeel van het college noodzakelijk is.

10. Het college kan nadere regels vaststellen over de inhoud van het onderzoek en de manier waarop het onderzoek wordt uitgevoerd.

Artikel 14. Toekenningsvoorwaarden individuele voorzieningen 1.

Jeugdigen en/of ouders komen slechts in aanmerking voor een individuele voorziening wanneer het college of een andere verwijzer vaststelt dat: a.

sprake is van concrete opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en/of stoornissen bij de jeugdige

b.

inzet noodzakelijk is om de jeugdige gelet op deze problemen in staat te stellen:

c.

Gezond en veilig op te groeien

d.

Te groeien naar zelfstandigheid

e.

Voldoende redzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, en

f.

de jeugdige en/of ouders zelf of met hun sociale netwerk geen passende oplossing voor de hulpvraag kunnen vinden (eigen kracht als bedoeld in artikel 19), en

g.

een algemene voorziening geen oplossing biedt voor de hulpvraag, en

h.

de jeugdige en/of ouders geen aanspraak kunnen maken op een andere voorziening om de hulpvraag op te lossen.

2.

Als de aanvraag ziet op kosten voor jeugdhulp die de jeugdige en/of ouders voorafgaand aan de aanvraag hebben gemaakt, verstrekt het college alleen een voorziening:

a.

als op het moment van de aanvraag sprake is van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen,

b.

voor zover het college de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen en

c.

voor zover de kosten zijn gemaakt tot drie maanden vóór de aanvraag.

Artikel 15. Algemene Weigeringsgronden 1.

Een jeugdige en/ of ouders komen niet in aanmerking voor een individuele voorziening als: a.

De jeugdige en/ of ouders aanspraak maken op een algemene of andere voorziening die voorziet in de ondersteuningsbehoefte, of de mogelijkheid bestaat dat zij aanspraak kunnen maken op een andere voorziening die voorziet in de ondersteuningsbehoefte, maar zij hiervoor geen aanvraag wensen in te dienen. Voorziet de algemene of andere voorziening gedeeltelijk in de ondersteuningsbehoefte dan kan zo nodig aanvullend alsnog een individuele voorziening worden afgegeven;

b.

Na onderzoek blijkt dat met gebruikelijke hulp voldoende ondersteuning wordt geboden.

c.

De jeugdige en/of ouders onvoldoende meewerken aan het onderzoek waardoor de gemeente onvoldoende onderzoek kan uitvoeren en hierdoor de noodzaak van jeugdhulp niet kan worden vastgesteld.

d.

Er ondersteuning is aangevraagd die zal worden verleend buiten Nederland, tenzij het college van oordeel is dat het inzetten van ondersteuning buiten de landsgrenzen een bijzondere bijdrage levert aan het behalen van het beoogde resultaat;

e.

De individuele voorziening niet voldoet aan de eisen met betrekking tot kwaliteit zoals bedoeld in paragraaf 4.1 van de Jeugdwet;

Artikel 16. Het besluit 1.

Het college legt de beslissing over het toekennen of afwijzen van een individuele voorziening vast in een beschikking: binnen 8 weken na ontvangst van de melding van een hulpvraag.

2.

In spoedeisende gevallen legt het college de beslissing over de inzet van hulp als bedoeld in artikel 10 lid 3 zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen vier weken na de start van de hulp, vast in een beschikking.

3.

Het college neemt een beslissing op basis van de feiten en omstandigheden die volgen uit het onderzoek naar de hulpvraag.

Artikel 17. Inhoud en geldigheidsduur beschikking 1.

2.

In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening staat in ieder geval: a.

of de voorziening in natura of als persoonsgebonden budget wordt verstrekt;

b.

hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.

Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

a.

welke jeugdhulp toegekend is;

b.

wie de jeugdhulp biedt;

c.

de aard, de omvang en de duur van de in te zetten jeugdhulp en vanaf wanneer de beschikking geldig is.

3.

Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt in de beschikking in ieder geval naast de in lid 1 en 2 genoemde zaken vastgelegd: a.

de hoogte van het persoonsgebonden budget en hoe deze is berekend;

b.

welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het persoonsgebonden budget;

c.

Het onderzoeksverslag maakt deel uit van de beschikking en bevat in ieder geval de gestelde doelen en wat het beoogde resultaat van die doelen moet zijn.

4.

De jeugdige en/of ouders moeten zich binnen 3 maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij de jeugdhulpaanbieder dan wel zijn gestart met de inzet van het persoonsgebonden budget.

5.

Het college kan periodiek onderzoeken of er een reden is een besluit te heroverwegen.

Artikel 18. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking en terugvordering 1.

De jeugdige en/of ouders aan wie het college een individuele voorziening heeft verstrekt, is verplicht zo snel mogelijk het college te informeren over veranderingen in zijn of haar situatie die tot een heroverweging van het besluit kunnen leiden.

2.

Het college kan een besluit, genomen op grond van deze verordening, beëindigen, wijzigen, herzien of intrekken als: a.

de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en het college met de juiste of volledige gegevens een andere beslissing had genomen;

b.

de jeugdige of zijn ouders niet langer op de individuele voorziening of het daarmee samenhangende persoonsgebonden budget zijn aangewezen;

c.

de individuele voorziening of het daarmee samenhangende persoonsgebonden budget niet meer passend is;

d.

de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening of het persoonsgebonden budget; of

e.

de jeugdige of zijn ouders de individuele voorziening of het daarmee samenhangende persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bedoeld.

3.

Het college kan de kosten voor de verstrekte individuele voorziening waar de jeugdige en/of ouders geen recht op hadden voor een deel of helemaal terugvorderen als de voorziening is ingetrokken op de grond genoemd in lid 2 sub a of e.

HOOFDSTUK 4 BEOORDELING EIGEN MOGELIJKHEDEN EN PROBLEEMOPLOSSEND VERMOGEN

Artikel 19. Beoordeling (boven) gebruikelijke hulp en eigen kracht 1.

Jeugdigen en/of ouders komen pas in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht). Hieronder wordt in ieder geval verstaan: a.

gebruikelijke hulp van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders;

b.

bovengebruikelijke hulp van ouders voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van de bovengebruikelijke hulp geen financiële problemen in het gezin ontstaan;

2.

c.

de ondersteuning vanuit het sociale netwerk;

d.

het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten.

Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders, gelet op de wettelijke plicht (artikel 1:247, Burgerlijk wetboek) en het recht van de gezaghebbende ouder om zijn minderjarige kinderen te verzorgen en op te voeden. Daaronder valt hen te begeleiden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont.

3.

Om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt het college of de benodigde hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek nodig heeft. Het college houdt hierbij rekening met de volgende factoren: a.

de leeftijd van de jeugdige

b.

de mate van zorg bij activiteiten en handelingen, de mate van toezicht en de mate van begeleiding/stimulans die een jeugdige van die leeftijd nodig heeft

c.

de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige

4.

d.

de mate van planbaarheid van de hulp

e.

de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige

Het college maakt als kader voor de ontwikkelingstaken van een jeugdige en opvoeduitdagingen gebruik van de publicatie ‘Opgroeien en opvoeden; normale uitdagingen voor kinderen, jongeren

en hun ouders’, van het Nederlands Jeugd Instituut (2020).

5.

Als er sprake is van gebruikelijke hulp verstrekt het college geen individuele voorziening tot jeugdhulp. Hierop kan (tijdelijk) een uitzondering worden gemaakt als de ouders door (dreigende) overbelasting de gebruikelijke hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.

6.

Als het gaat om hulp die de gebruikelijke hulp overstijgt, dan zijn de ouders in eerste instantie nog steeds verantwoordelijk voor het bieden van deze bovengebruikelijke hulp: ouders hebben een ouderlijke verzorgings- en opvoedplicht. a.

Het college beoordeelt of van ouders verwacht mag worden dat ze deze hulp bieden, zoals in lid 1 staat weergegeven en de balans tussen draagkracht en draaglast:

I.

Een gezonde balans tussen draagkracht en draaglast betekent dat ouders of andere huisgenoten onderling zorg kunnen dragen voor normale, dagelijkse hulp. Ouder(s) zijn verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als sprake is van een minderjarig kind met een ziekte, aandoening of beperking. Voor zover het van toepassing is en tot de mogelijkheden behoort dat ouders hun kinderen zelf hulp op het gebied van persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf bieden, kent het college geen individuele voorziening jeugdhulp toe.

b.

Het college maakt onderscheid tussen kortdurende en langdurende situaties: I.

Kortdurend: er is uitzicht op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Het gaat hierbij over een aaneengesloten éénmalige periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar.

II.

Langdurend: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig is of voor meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar.

7.

Het college verwacht van ouders dat zij in kortdurende situaties de bovengebruikelijke hulp bieden, tenzij dit gelet op de aard van de hulp niet kan worden verwacht of de ouders door (dreigende) overbelasting de hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.

8.

Bij de beoordeling in langdurige situaties houdt het college rekening met de volgende factoren: a.

de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige

b.

de mate van planbaarheid van de hulp

c.

het lichamelijk en geestelijk welzijn van de ouders

d.

de manier van omgaan van ouders met de problemen van de jeugdige

e.

vaardigheden van de ouders om zelf hulp te bieden (bijvoorbeeld een verpleegachtergrond)

f.

of er sprake is van problematiek bij de ouders, zoals relationele problemen of schulden

g.

welke verplichtingen de ouders hebben, bijvoorbeeld voor werk en sociale verplichtingen

h.

het belang van ouders om een inkomen uit arbeid te krijgen en het eventueel ontstaan van financiële problemen

i.

de woonsituatie

j.

de samenstelling van het gezin en de relatie tussen de gezinsleden (bijvoorbeeld of er sprake is van een wettelijke stiefouder of niet)

k.

is er een sociaal netwerk en zo ja, wat zijn de mogelijkheden en de bereidheid van het sociaal netwerk om de jeugdige of zijn ouders te ondersteunen

l. 9.

overige individuele omstandigheden die door jeugdige en ouders worden ingebracht

Als bovengenoemde factoren niet leiden tot problemen bij het kunnen verlenen van de hulp door de ouders, bij de beschikbaarheid van de ouders voor het verlenen van de hulp, bij de belasting van de ouders en bij de financiële situatie van de ouders wordt van hen verwacht dat zij de bovengebruikelijke hulp (eventueel deels) verlenen. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp.

10. Bij (dreigende) overbelasting geldt nog het volgende:

a.

Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg aan de jeugdige.

b.

Als de overbelasting ziet op spanningen door het werk (bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress) of door andere factoren buiten de zorg van de jeugdige om, moet de ouder eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen.

c.

Bij een aanvraag voor een individuele voorziening tot jeugdhulp bekijkt het college wat door de ouder wordt gedaan om die spanningen te verminderen.

d.

Als de (dreigende) overbelasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de ouder verwacht.

e.

Het verlenen van hulp aan je kind gaat in beginsel voor op sociale/maatschappelijke activiteiten.

f.

Een persoonsgebonden budget voor het verlenen van hulp aan een jeugdige door een ouder wordt beëindigd als er sprake is van (dreigende) overbelasting. Een andere zorgverlener moet het verlenen van hulp overnemen om de overbelasting te stoppen.

11. Als ouders een beroep kunnen doen op het sociale netwerk voor het bieden van ondersteuning bij de benodigde hulp aan de jeugdige wordt van hen verwacht dat ze hier gebruik van maken. De ondersteuning die het sociale netwerk biedt, valt onder de eigen kracht. Het college verstrekt hiervoor geen individuele voorziening tot jeugdhulp. 12. Als de jeugdige en/of de ouders een aanvullende zorgverzekering hebben die de benodigde hulp (deels) vergoedt, wordt van ouders verwacht dat zij deze aanspreken. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp of alleen een aanvullende voorziening voor het gedeelte dat niet wordt vergoed.

HOOFDSTUK 5 PERSOONSGEBONDEN BUDGET Een individuele voorziening kan in de vorm van een persoonsgebonden budget worden verstrekt. In dit hoofdstuk wordt beschreven welke regels gelden voor een persoonsgebonden budget en hoe de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt bepaald. De jeugdige is de budgethouder, de ouders zijn de budgetbeheerder (zie ook artikel 23).

Artikel 20. Toekenningscriteria persoonsgebonden budget 1.

Pas als een jeugdige en/of ouders in aanmerking komen voor een individuele voorziening en de jeugdhulp zelf wensen in te kopen door middel van een persoonsgebonden budget, toetst het college aan de hand van het in lid 2 genoemde budgetplan en een verklaring omtrent gedrag als bedoeld in artikel 4.1.6 van de Jeugdwet of voldaan wordt aan de in artikel 8.1.1. lid 2 van de Jeugdwet opgenomen voorwaarden.

2.

In het budgetplan staat in elk geval: a.

de motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente niet passend is en een persoonsgebonden budget gewenst is;

b.

bij welke aanbieder jeugdige en/of ouders de jeugdhulp willen inkopen, wat het beoogde resultaat is en wanneer en hoe wordt geëvalueerd;

c.

hoe de kwaliteit van de jeugdhulp is gewaarborgd;

d.

wat de kosten voor de jeugdhulp zijn uitgedrukt in aantal eenheden en tarief;

e. 3.

wie het persoonsgebonden budget beheert en hoe deze taken worden uitgevoerd.

Het college toetst of de budgetbeheerder voldoende vaardig is om het persoonsgebonden budget te beheren als bedoeld in lid 2 sub e aan de hand van het overzicht van 10 pgb-vaardigheden dat de Rijksoverheid heeft opgesteld.

4.

Het persoonsgebonden budget bevat geen vrij besteedbaar bedrag.

5.

Het persoonsgebonden budget mag niet gebruikt worden voor: a.

kosten voor bemiddeling;

b.

kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers;

c.

kosten voor het voeren van een persoonsgebonden budget-administratie;

d.

kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een persoonsgebonden budget;

6.

e.

kosten voor feestdagenuitkering en/of een eenmalige uitkering;

f.

reiskosten.

De persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt kan iemand die behoort tot het sociale netwerk inzetten voor het bieden van jeugdhulp, met uitzondering van ggz-behandeling. Deze behandeling kan alleen door een professional worden verleend die niet tot het sociale netwerk van de jeugdige behoort.

7.

Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken om betalingen uit het persoonsgebonden budget voor ten hoogste dertien weken geheel of gedeeltelijk op te schorten als duidelijk is dat de jeugdige en/of ouders het persoonsgebonden budget in die periode anders ten onrechte kan inzetten.

Artikel 21. Weigeringsgronden persoonsgebonden budget 1.

Verstrekking in de vorm van een persoonsgebonden budget vindt niet of niet langer plaats als: a.

op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek (artikel 13 lid 3) duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben bij het omgaan met een persoonsgebonden budget;

b.

er sprake is van vastgesteld oneigenlijk gebruik of misbruik van een persoonsgebonden budget in het verleden;

c.

er naar het oordeel van het college andere, zwaarwegende, bezwaren bestaan tegen de verstrekking;

d.

wanneer de beoogde persoonsgebonden budget-vertegenwoordiger dezelfde persoon is als de beoogde hulpverlener, tenzij het college daar schriftelijk toestemming voor heeft gegeven.

2.

Het college weigert een persoonsgebonden budget als een wettelijke weigeringsgrond als bedoeld in artikel 8.1.1, vierde lid, van de Jeugdwet van toepassing is.

Artikel 22. Hoogte persoonsgebonden budget 1.

De hoogte van een persoonsgebonden budget is nooit hoger dan de kostprijs van de goedkoopst passende individuele voorziening in natura.

2.

3.

Het tarief voor een persoonsgebonden budget: a.

is gebaseerd op het door de jeugdige en/of ouders opgestelde budgetplan;

b.

is toereikend om effectieve en kwalitatief goede zorg in te kopen; en

c.

is een all-in tarief.

De hoogte van het persoonsgebonden budget voor formele ondersteuning is gebaseerd op het opgestelde budgetplan. Hierbij geldt dat: a.

Het professionele tarief voor begeleiding en verzorging, en trainingshuis gelijk is aan 85% van het tarief zoals door het college is afgesproken met de gecontracteerde aanbieders;

b.

Het professionele tarief voor locatie gebonden ondersteuning, zoals dagbesteding en logeeropvang gelijk is aan 90% van het tarief zoals door het college is afgesproken met de gecontracteerde aanbieders;

c.

Het professionele tarief voor vervoer gelijk is aan het tarief zoals door het college afgesproken is met gecontracteerde aanbieders;

4.

De hoogte van het persoonsgebonden budget voor informele ondersteuning is bij het bestaan van een dienstbetrekking gelijk aan het wettelijk minimumloon vermeerderd met de vakantiebijslag en tegenwaarde van de verlofuren. Indien de budgethouder werkgeverslasten moet afdragen, wordt het budget verhoogd met het hoogste percentage werkgeverslasten.

5.

Als het op basis van lid 1 vastgestelde persoonsgebonden budget in een individueel geval onvoldoende is om de passende jeugdhulp te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de hulp hiermee bij tenminste één jeugdhulpaanbieder kan worden ingekocht.

6.

De zorg in natura tarieven worden gepubliceerd op de website van het Regionaal Ondersteuningsbureau (ROB).

7.

Het college past de tarieven jaarlijks per 1 januari aan: a.

de tarieven bedoeld in lid 3 volgen de indexaties op de tarieven gepubliceerd op de in lid 6 genoemde website;

b.

de tarieven bedoeld in lid 4 volgt het wettelijke minimumloon zoals dat jaarlijks per 1 januari wordt vastgesteld.

Artikel 23. Regels voor persoonsgebonden budget-beheer 1.

Het beheer van het persoonsgebonden budget vraagt regievoeren over de ingekochte ondersteuning. De jeugdige is budgethouder. Van een jeugdige jonger dan achttien jaar verwacht het college niet dat hij de taken die verbonden zijn aan het persoonsgebonden budget beheer op een verantwoorde wijze uit kan voeren.

2.

Het persoonsgebonden budget-beheer kan worden uitgevoerd door ouders, door iemand uit het sociaal netwerk, of door een professional.

3.

a.

Een professionele budgetbeheerder levert zijn diensten tegen marktconform tarief.

b.

Het college kan vragen om een bewijs van betaling.

De persoonsgebonden budgetbeheerder moet in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen van de jeugdige. Van belangenverstrengeling mag geen sprake zijn. Hier is in ieder geval sprake van in de volgende situaties:

a.

Als de persoonsgebonden budget- beheerder ook de aanbieder is, diens vast/flexibel personeel of op andere wijze aan de aanbieder verbonden is.

b. 4.

Als de jeugdhulp ook is gericht op de ouder, die persoonsgebonden budget-beheerder is.

De persoonsgebonden budgetbeheerder ondersteunt de jeugdige en/of ouders van aanmelding tot evaluatie van zorg, beschermt de rechten van de jeugdige en is integraal aanspreekpunt voor zowel de gemeente als de zorgaanbieder.

5.

De persoonsgebonden budgetbeheerder heeft minimaal 1 keer per maand contact met de jeugdige en/of ouders en zorgverlener.

6.

De persoonsgebonden budgetbeheerder dient aan te geven dat het beheren van het persoonsgebonden budget voor hem of haar niet tot overbelasting leidt.

7.

De budgethouder dient de administratie over het persoonsgebonden budget 7 jaar te bewaren.

Artikel 24. Onderscheid formele en informele hulp 1.

Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door: a.

personen die werkzaam zijn bij een organisatie met een aanbod dat past bij de hulpvraag waarvoor de jeugdige en/of de ouders het persoonsgebonden budget krijgen. De organisatie staat ingeschreven in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007). De personen beschikken over de relevante diploma’s om de werkzaamheden die nodig zijn uit te voeren, of

b.

personen die als zelfstandige zonder personeel (zzp’er) werkzaamheden uitvoeren die passen bij de hulpvraag waarvoor de jeugdige en/of ouders het persoonsgebonden budget krijgen. De zzp’er staat voor deze werkzaamheden ingeschreven in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007). Ook beschikt de zzp’er over de relevante diploma’s of werkervaring die nodig zijn voor uitoefening van deze werkzaamheden, of

c.

personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-registratie) en/of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp (SKJ-registratie).

2.

Als de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in lid 1 onder a, b of c gaat het altijd om informele hulp.

3.

Als de jeugdhulp geboden wordt door een persoon uit het sociaal netwerk van de budgethouder is altijd sprake van informele hulp.

Artikel 25. Regels voor persoonsgebonden budget professionals/formele hulp 1.

Dit artikel heeft betrekking op de zorgaanbieder die met een persoonsgebonden budget wordt gefinancierd en een eventuele onderaannemer die onder zijn verantwoordelijkheid werkzaamheden verricht. Onder de in dit lid genoemde zorgaanbieder en onderaannemer worden ook verstaan: a.

Personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het persoonsgebonden budget uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het

Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), die beschikken over de relevante diploma’s en een SKJ-registratie die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, een SKJ-registratie en een verklaring omtrent gedrag als bedoeld in artikel 4.1.6. van de Jeugdwet, of b.

Personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het persoonsgebonden budget uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, een SKJ-registratie en een verklaring omtrent gedrag als bedoeld in artikel 4.1.6. van de Jeugdwet.

2.

In het budgetplan spreken budgethouder en college af binnen welke termijn de behaalde resultaten en de daaraan verbonden voorwaarden worden geëvalueerd, waaronder de vraag of de ingekochte ondersteuning aan de kwaliteitseisen voldoet zoals in het budgetplan is aangegeven.

3.

Naast de verantwoording over het bestede bedrag aan de SVB, verplicht het college de budgethouder om bij een (tussen)evaluatie van het budgetplan ook aan te geven wat de behaalde resultaten zijn met het persoonsgebonden budget en de daaraan verbonden voorwaarden, waaronder de vraag of de ingekochte ondersteuning aan de kwaliteitseisen voldoet zoals beschreven in bijlage 1. Ook bij maandbedragen moet de persoonsgebonden budgethouder en de betrokken zorgverlener de geleverde zorg (kunnen) verantwoorden in uren en/of dagdelen.

4.

De zorgaanbieder dient te komen tot een goede samenwerking en een goede afstemming met andere professionals en het sociale netwerk van de jeugdige en/of ouders.

5.

De zorgaanbieder dient te voldoen aan de kwaliteitscriteria zoals vastgelegd in bijlage 1 en het programma van eisen ten aanzien van het betreffende product. Indien de kwaliteitscriteria bij een zorgaanbieder zijn beoordeeld door het college, bijvoorbeeld in een aanbestedingstraject, en het college van oordeel is dat de zorgaanbieder niet voldoet aan de kwaliteitscriteria, worden gedurende 1 jaar (vanaf moment van constatering van niet voldoen) geen persoonsgebonden budgetten toegekend waarbij de betreffende zorgaanbieder partij is. Als na afloop van dat jaar de kwaliteit zodanig verbeterd is dat wel aan de eisen wordt voldaan, kan de zorgaanbieder een verzoek indienen bij het college om opnieuw te toetsen aan de kwaliteitseisen.

6.

Als het niet voldoen aan de kwaliteitseisen gevolg is van verwijtbaar handelen of er is sprake van voortdurende wanprestatie kan het college een waarschuwing geven, de aanbieder niet (langer) meer accepteren in het kader van een persoonsgebonden budget.

Artikel 26. Regels voor persoonsgebonden budget sociaal netwerk/informele hulp 1.

Tot het sociale netwerk worden personen gerekend uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt, zoals familieleden, buren, vrienden, kennissen, etc.

2.

De jeugdige die in aanmerking komt voor een persoonsgebonden budget kan alleen diensten, en andere maatregelen betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk als dat aantoonbaar tot betere en efficiëntere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is.

3.

Als vanuit een persoonsgebonden budget ondersteuning wordt gefinancierd van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk, krijgt deze persoon een lager tarief betaald voor zijn diensten dan het vastgestelde tarief voor professionals.

4.

Bij de beoordeling of het noodzakelijk is om hulp vanuit sociaal netwerk te financieren middels een persoonsgebonden budget, spelen in elk geval de volgende aspecten een rol: a.

Het type hulp dat wordt geleverd;

b.

De frequentie van deze hulp;

c.

Of het een tijdelijke hulpvraag betreft, of hulp nodig is over een lange periode;

d.

De mate van verplichting;

e.

Kwaliteit van de ondersteuning zit in de nabijheid van ondersteuner;

f.

Als volgens landelijk geldende kwaliteitscriteria een minimale opleiding vereist is, moet de persoon uit het netwerk die kwalificatie minimaal hebben;

g.

De persoon uit het netwerk moet aangegeven dat de zorg voor hem niet tot overbelasting leidt;

h.

De jeugdige en/of ouders dienen een persoonsgebonden budgetplan op te stellen met daarin de doelen, activiteiten en evaluatiemomenten. In het persoonsgebonden budgetplan worden de activiteiten aan de doelen verbonden en inzichtelijk gemaakt wie wat in die activiteiten kan doen (gezin, sociaal netwerk, school, algemene voorziening) en voor welke activiteiten een individuele voorziening nodig is. Deze activiteiten kunnen vervolgens in uren per week worden uitgedrukt. Deze activiteiten en doelen zijn dan ook de basis voor de (periodieke) evaluatie met de budgethouder.

5.

In aanvulling op de wettelijke voorwaarden en weigeringsgronden, wordt een persoonsgebonden budget voor hulp uit het sociale netwerk alleen verstrekt, als voldaan is aan de volgende voorwaarden: a.

De persoon uit het sociale netwerk beschikt over een verklaring omtrent gedrag als bedoeld in artikel 4.1.6 Jeugdwet, tenzij die persoon een familielid is van de jeugdige in de eerste of tweede graad, en

b.

De persoon uit het sociaal netwerk ondersteuning bieden kan die doeltreffender en doelmatiger is dan formele hulp doordat die persoon bijvoorbeeld een grotere flexibiliteit kan bieden of omdat de jeugdige vanwege de beperking of problematiek moeite heeft om vreemden toe te laten en professionele distantie of reflectie niet nodig is voor het bereiken van doelen.

6.

In aanvulling op lid 5 wordt een persoonsgebonden budget voor het leveren van bovengebruikelijke zorg door ouders alleen verstrekt als:

7.

a.

zij die zorg moeten bieden tijdens hun reguliere werktijden; en

b.

zij inkomstenderving lijden in verband met het uitvoeren van de zorg.

Indien de hulp geboden wordt door een persoon die voldoet aan de criteria zoals genoemd in artikel 24 lid 1 en die persoon eveneens tot het sociale netwerk behoort, zoals bedoeld in lid 1, krijgt die persoon een lager tarief betaald, zoals bedoeld in lid 3.

8.

Het college kan nadere regels vaststellen over de aan het persoonsgebonden budget verbonden voorwaarden en verplichtingen.

HOOFDSTUK 6 VERHOUDING PRIJS - KWALITEIT, KLACHTEN Artikel 27. Kwaliteitseisen 1.

De aanbieder dient te komen tot een goede samenwerking en een goede afstemming met andere professionals en het sociale netwerk van de jeugdige en/of ouders.

2.

De zorgaanbieder dient zelfregie en samenredzaamheid te stimuleren door eenduidig handelen, zelfregie, sociale netwerkstrategieën en inzet van deskundig personeel.

3.

De zorgaanbieder dient bij te dragen aan een inclusieve samenleving.

4.

Zorgaanbieders dienen invulling te geven aan diversiteitsbeleid en cultuursensitief werken.

5.

Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen en deskundige beroepskrachten door voorzieningen op de persoonlijke situatie van de jeugdige en/of ouders en andere vormen van zorg af te stemmen en toe te zien dat het personeel tijdens het leveren van voorzieningen handelen volgens de professionele standaard.

6.

Het college kan verdere kwaliteitseisen aan voorzieningen bepalen.

7.

Het college controleert naleving van de kwaliteitseisen door middel van handhavingsbevoegdheden. Deze bevoegdheden worden uitgewerkt in hoofdstuk 7 van deze verordening. Daarnaast houdt het college een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Indien nodig controleert het college met de jeugdige en/of ouders ter plaatse de geleverde voorzieningen.

8.

Voor het inschakelen van een onderaannemer dient een aanbieder het college om toestemming te vragen. De oorspronkelijke aanbieder is verantwoordelijk voor de (gedeeltelijke) uitvoering door de onderaannemer. Het college kan hierover nadere regels opstellen.

Artikel 28. Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1.

Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder.

2.

Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar.

3.

De toezichthoudend ambtenaar doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten in het kader van maatschappelijke ondersteuning en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

4.

Aanbieders melden calamiteiten en geweldsincidenten, naast de melding bij de landelijke toezichthouder, ook bij de contactpersoon van de gemeente Beuningen.

5.

Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.

Artikel 29. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden

1.

De gemeente zorgt voor een goede prijs-kwaliteitverhouding bij het vaststellen van de tarieven voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering door: a.

een vaste prijs te bepalen. Die prijs geldt dan voor inschrijving op een aanbesteding en voor een daaropvolgende overeenkomst met een aanbieder; of

b. 2.

een reële prijs vast te stellen.

De gemeente houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval rekening met: a.

de aard en omvang van de te verrichten taken;

b.

de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie;

c.

een redelijke toeslag voor overheadkosten, zoals huisvestingskosten;

d.

kosten van beroepskrachten cliëntgebonden, zoals kosten voor het opmaken van rapportages en het volgen van multidisciplinair overleg;

e.

kosten van beroepskrachten niet-cliëntgebonden, zoals een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg;

f.

cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten, bijvoorbeeld kosten van verblijf of voedingskosten;

g. 3.

kosten van indexering.

De gemeente houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven voor door derden te leveren vrij toegankelijke hulp in het kader van jeugdhulp, in ieder geval rekening met: a.

de marktprijs van de voorziening, en

b.

de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de aanbieder worden gevraagd, zoals verplichte deelname aan samenwerkingsverbanden.

4.

Lid 1, 2 en 3 gelden ook voor subsidies als deze worden verstrekt voor de daadwerkelijke verlening van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering aan jeugdigen of ouders en de subsidie bedoeld is om de te verrichten diensten volledig te betalen.

Artikel 30. Klachtregeling 1.

Het college draagt zorg dat er een regeling is vastgesteld voor afhandeling van klachten van jeugdige en/of ouders die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening.

2.

Aanbieders van individuele voorzieningen stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van jeugdigen en/of ouders ten aanzien van de door het college gecontracteerde voorzieningen.

3.

Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders van voorzieningen voor jeugdhulp door periodieke overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 31. Betrekken ingezetenen bij ontwikkelen beleid

1.

Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

2.

Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

3.

Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van het eerste en tweede lid.

HOOFDSTUK 7 CONTROLE, TOEZICHT EN HANDHAVING Dit hoofdstuk gaat over controle, toezicht en handhaving op de ondersteuning die op grond van de Jeugdwet, nadere regelgeving, afgesloten overeenkomsten of subsidiebesluiten plaatsvindt of zou moeten plaatsvinden. Deze ondersteuning kan een individuele voorziening zijn of een persoonsgebonden budget.

Paragraaf 7.1 Reikwijdte Artikel 32. Controle en onderzoek 1.

Het college wijst personen aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet (rechtmatigheid).

2.

Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, of de verstrekte voorzieningen worden gebruikt of besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze verstrekt zijn.

3.

Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het onderzoek naar de besteding.

Artikel 33. Reikwijdte 1.

Toezicht en handhaving in het kader van deze verordening heeft betrekking op de ondersteuning die op grond van de Jeugdwet plaatsvindt of zou moeten plaatsvinden.

2.

Deze verordening heeft betrekking op zowel de hulp en ondersteuning die als individuele voorziening door de gemeente Beuningen wordt verstrekt als op ondersteuning die op basis van een persoonsgebonden budget door de gemeente Beuningen wordt bekostigd.

3.

Waar in dit hoofdstuk wordt gesproken “bij of krachtens de wet”, wordt bedoeld de Jeugdwet, nadere regelgeving en ter uitvoering van de wettelijke taken afgesloten overeenkomsten of subsidiebesluiten.

Paragraaf 7.2 Onderzoeksfase Artikel 34. Toezicht 1.

Het college ziet toe op de naleving van de bij of krachtens de Jeugdwet gestelde regels en op basis daarvan opgestelde overeenkomsten.

2.

Het college wijst daartoe toezichthouders aan die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het gestelde bij of krachtens de Jeugdwet.

3.

De toezichthouder onderzoekt of de dienstverlening van de aanbieder redelijkerwijs plaatsvindt of zal plaatsvinden in overeenstemming met de bij of krachtens de Jeugdwet gestelde regels.

4.

Een onderzoek kan bestaan uit onderzoek naar de werkwijze, kwaliteit alsmede rechtmatigheid van de maatschappelijke ondersteuning.

5.

Een onderzoek kan steekproefsgewijs of incidenteel (signaalgestuurd) plaatsvinden.

6.

Als uitgangspunt geldt dat een onderzoek aangekondigd plaatsvindt, tenzij de belangen van het onderzoek zich daartegen verzetten.

7.

De volgende typen onderzoek kunnen worden onderscheiden: a.

Kwaliteitscontrole, een onderzoek of de geleverde hulp of ondersteuning van goede kwaliteit is conform contractuele eisen;

b.

Materiële controle , een onderzoek of de gedeclareerde prestatie is geleverd en of deze valt binnen een afgegeven indicatie of aanwijzing;

c.

Formele controle, een onderzoek of het gedeclareerde bedrag voortvloeit uit een prestatie die voldoet aan de van toepassing zijnde wet- en regelgeving en overeenkomst of subsidieafspraken;

d.

Detailcontrole, onderzoek naar bij een aanbieder berustende persoonsgegevens met betrekking tot cliënten die hun woonplaats hebben in de gemeente Beuningen, ten behoeve van materiële controle of fraudeonderzoek;

e.

Fraudeonderzoek, onderzoek waarbij nagegaan wordt of degene die bij de gemeente of de SVB een bedrag in rekening brengt, valsheid in geschrifte, bedrog, benadeling van rechthebbenden of verduistering pleegt of tracht te plegen ten nadele van de gemeente, met het doel een betaling of een ander voordeel te verkrijgen waarop hij geen recht heeft of kan hebben.

Artikel 35. Bevel 1.

De toezichthouder kan namens het college een schriftelijk bevel geven aan een aanbieder indien hij oordeelt dat het nemen van maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden. Betreft het een aanbieder, betaald vanuit een persoonsgebonden budget, dan wordt de budgethouder onverwijld door de toezichthouder in kennis gesteld van het gegeven bevel.

2.

Indien de toezichthouder van oordeel is dat een schriftelijk bevel niet kan worden afgewacht, kan het bevel mondeling worden gegeven. De toezichthouder draagt onverwijld zorg voor een schriftelijke weergave van het bevel. Een afschrift zal tevens worden verzonden naar het college.

3.

Het bevel, bedoeld in het eerste en tweede lid, heeft een geldigheidsduur van maximaal zeven dagen, welke door het college kan worden verlengd.

4.

De aanbieder dient de maatregelen binnen de bij het bevel gestelde termijn te nemen en schriftelijk te melden aan de toezichthouder dat de maatregelen volledig zijn uitgevoerd. Betreft het een persoonsgebonden budget-aanbieder, dan liggen deze verantwoordelijkheden bij de budgethouder.

Artikel 36. Inspectierapport 1.

De toezichthouder legt zijn bevindingen en oordeel naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in artikel 32 vast in een inspectierapport.

2.

Indien de toezichthouder oordeelt dat bij of krachtens de Jeugdwet gestelde regels niet zijn of zullen worden nageleefd, vermeldt hij dat in het rapport.

3.

Voordat het rapport definitief wordt, stelt de toezichthouder de aanbieder in de gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en feitelijke onjuistheden daarover binnen 14 dagen kenbaar te maken. De toezichthouder vermeldt de reactie van de aanbieder in een bijlage bij het rapport of past het rapport hierop aan.

4.

De toezichthouder zendt het definitieve rapport zoals bedoeld in het eerste lid, onverwijld aan de aanbieder en het college. Het college draagt zorg voor verzending naar eventuele budgethouders.

5.

Na vaststelling van het inspectierapport wordt deze openbaar gemaakt, tenzij zwaarwegende redenen zich tegen openbaarmaking verzetten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beuningen&id=37843d1c-c558-4da1-bdc3-1dd7ec8e8127