CConstaterende datBeuningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 - bij toelichting - Archeologisch proefsleuvenonderzoek

Raadsvergadering 11 juni 2024, gemeente BeuningenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling ontwerpbestemmingsplan Vordingstraat 35 Ewijk10.895 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Hoe ziet de bodemopbouw in het plangebied eruit en in hoeverre is deze intact?

In alle werkputten zijn vlakken 1 en 2 aangelegd. Vlak 1 is aangelegd tot een niveau van circa 7,0 – 7,2 m +NAP (circa 50 cm -Mv), in de top van de oeverafzettingen (S.2000). Vlak 2 is aangelegd tot een niveau van circa 6,56 – 6,7 m +NAP (circa 1 m- Mv), in de vegetatiehorizont in de Waal-stroomgordel (S.3000). Enkel aan het oostelijke uiteinde van werkput 3 is verdiept tot vlak 3. Hoewel de verwachting was dat de diepere vegetatiehorizont in de Distelkamp-Afferden-stroomgordel (S.5000) hier zou worden bereikt, werd hier op 5,48 m +NAP (circa 2,5 m -Mv) een laag komklei (S.5500) aangetroffen. Omdat de komklei in een boring in werkput 1 onder de tweede vegetatiehorizont lag, is het derde vlak in werkput 3 aangelegd in de komklei en is er niet verder verdiept. De top van de bodem bestaat uit een moderne bouwvoor (S.1000). In werkput 3 heeft de bouwvoor plaatsgemaakt voor een laag puinverharding (S.999). Hieronder liggen de oeverafzettingen (S.2000), die plaatselijk verblauwd zijn (S.2100). De bodem is hier vermoedelijk verstikt door de laag puinverharding. Onder de oeverafzettingen ligt de eerste vegetatiehorizont (S.3000), met daaronder wederom twee fasen oeverafzettingen (S.3500 en S.4000). Hieronder ligt de tweede vegetatiehorizont (S.5000). De tweede vegetatiehorizont is niet overal in het plangebied aanwezig.

In de boring in het zuiden van werkput 2 ontbrak de vegetatiehorizont in de Distelkamp-Afferden-stroomgordel namelijk, en in het midden van werkput 3 was deze diepere vegetatiehorizont slechts zwak ontwikkeld. Daar waar de tweede vegetatiehorizont ontbrak, was een laag komklei aanwezig (S.5600). Deze geulafzettingen behoren mogelijk tot een geul binnen de Distelkamp-Afferden stroomgordel, die in een noordwest-zuidoost oriëntatie door het plangebied loopt. Langs de oevers van deze geul is de diepere vegetatiehorizont aanwezig. Ook in de geulvulling kunnen echter archeologische waarden aanwezig zijn. Ten slotte is de bodem in het plangebied grotendeels intact. Enkel in werkput 1 werd een recentelijk omgeploegd vak in het vlak zichtbaar. Daarnaast is de bodem, zoals eerder genoemd, plaatselijk iets verblauwd door toedoen van de puinverharding. Voor een uitvoerige (lithologische) beschrijving van iedere afzonderlijke laag wordt verwezen naar bijlage 4. 3. Wat is de aard, diepteligging, samenhang en spreiding van de aanwezige archeologische resten, grondsporen en structuren (horizontaal en verticaal)? De vindplaats bestaat uit een paalspoor, een kuil, vuursteendebitage en fragmenten handgevormd aardewerk, en bevindt zich in de vegetatiehorizont (S.3000) in het zuiden van het plangebied (werkputten 1 en 2). 4.

Wat is de datering van de archeologische resten op basis van (chrono-)stratigrafie en typochronologie? En in hoeverre is er sprake van (dis-)continuïteit in gebruik/bewoning? Op basis van het aardewerk, dat tevens is aangetroffen in één van de sporen, kan de vindplaats worden gedateerd in de periode Neolithicum – Vroege IJzertijd. Er zijn op het niveau van de vindplaats geen vondsten gedaan uit andere perioden. 5. Welke categorieën vondstmateriaal zijn aanwezig en in welke mate (ook in relatie tot elkaar)? Wat zegt de aard en mate van voorkomen van het vondstmateriaal over het gebruik van het plangebied in het verleden? 40

In het plangebied zijn 35 vondsten aangetroffen, voornamelijk bestaande uit keramiek, maar ook uit kleipijpaardewerk, natuursteen, vuursteen, houtskool en dierlijk bot. Bij het aanleggen van het tweede vlak in werkputten 1 en 2 zijn in vegetatiehorizont S.3000 kleine brokjes handgevormd aardewerk met een kwartsmagering gevonden. Enkele scherven zijn iets groter. Daarnaast zijn er in werkput 1 twee stuk kleine stukjes vuursteen aangetroffen. Vanwege de scherpe randen en platte vorm van het vuursteen, lijkt om debitage (afslag) te gaan. Ook zijn er kleine, geclusterde brokjes kwarts aangetroffen. De kleine hoeveelheid handgevormd aardewerk vertoont relatief weinig diagnostische kenmerken. Het baksel van het scherfmateriaal heeft een geel-tot-oranje buitenoppervlak en een grijze breuk. Een tweetal scherven is volledig grijs, en aldus volledig gereduceerd gebakken. De magering van al het scherfmateriaal bestaat uit grof gebroken kwarts(gruis), dat in het buitenoppervlak zichtbaar is. Bovendien bevat de helft van de scherven een bijmenging van zand en enkele spikkels die als potgruis (chamotte) geïdentificeerd kunnen worden. De oppervlakken zijn in geen van de gevallen gepolijst of besmeten. Het aardewerk bevat één randscherf met een platte rand die vanwege de buiging vermoedelijk onderdeel was van een open (emmervormig) vormtype.

Een kleine wandscherf heeft een dunne nagelindruk, die kan worden geïnterpreteerd als spatelindruk. Handgevormd aardewerk met grove minerale magering (incl. kwartsgruismagering) komt vanaf de IJzertijd weinig voor ten zuiden van de Nederrijn. Een grote uitzondering hierop is aardewerk uit Groesbeek (van den Broeke, 2012, 128-129). Bovendien is kwartsgruismagering ook nog aanwezig in een klein Vroege IJzertijdcomplex van Ewijk, al lijkt dit spaarzamer te zijn toegepast (Keizershoeve I: Bloo en Verhoef, 2012, 106107). Perioden vanaf de Midden-IJzertijd kunnen grotendeels worden uitgesloten. Het oppervlak en de magering van het aardewerk correspondeert daarnaast met aardewerk uit de Bronstijd (Arnoldussen en Ball, 2007, 198; zie bijv. Brandsma, 2022, 14-43). Het aardewerk zou daarnaast in het Neolithicum kunnen dateren, o.a. op basis van vergelijkbaar materiaal uit Ewijk (Keizershoeve II: Reigersman-van Lidth de Jeude en Drenth, 2012). Het materiaal dateert aldus vermoedelijk uit het Neolithicum tot de Vroege IJzertijd, waarmee ook sporen S.2 en S.4 en de vegetatiehorizont (S.3000) in deze periode kunnen worden geplaatst. Tijdens het veldonderzoek is één mageringsmonster genomen uit de eerste vegetatiehorizont (S.3000; vlak 2), bestaande uit kleine korreltjes kwarts. De volledige vondstenlijsten zijn opgenomen in bijlage 5. 6.

Welke depositionele en post-depositionele processen zijn te onderscheiden en in hoeverre hebben deze invloed gehad op de bewoningsgeschiedenis en vondstcontexten? In het plangebied is op het diepste niveau (vlak 3) een laag komklei (S.5500) en een vegetatieniveau (S.5000) aanwezig. Deze diepere vegetatiehorizont in de Distelkamp-Afferden-stroomgordel ontbrak in de boring in het zuiden van werkput 2, en in het midden van werkput 3 was deze diepere vegetatiehorizont slechts zwak ontwikkeld. Daar waar de tweede vegetatiehorizont ontbrak, was een laag komklei aanwezig (S.5500). Deze geulafzettingen behoren mogelijk tot een geul binnen de Distelkamp-Afferden stroomgordel, die in een noordwest-zuidoost oriëntatie door het plangebied loopt. Langs de oevers van deze geul is de diepere vegetatiehorizont aanwezig. Hier bovenop heeft zich vervolgens een nieuw vegetatieniveau afgezet (S.3000), met daarbovenop oeverafzettingen (S.2000). Daarbovenop liggen de moderne bouwvoor (S.1000) en plaatselijk een laag puinverharding (S.999). 7.

Hoe verhouden de onderzoeksresultaten zich tot de resultaten uit het vooronderzoek?

Het vooronderzoek stelde dat binnen het plangebied sprake is van meerdere potentiële archeologische niveaus. Het eerste archeologische niveau bevindt zich in de top van de oeverafzettingen. Deze is in ieder geval afgedekt met een bouwvoor, mogelijk ook met een laag komklei. Deze laag komklei werd tijdens het proefsleuvenonderzoek niet aangetroffen. Het gaat hier om afzettingen van de Waal-stroomgordel. Resten in dit niveau dateren uit de Middeleeuwen en/of Nieuwe tijd. Tijdens het eerdergenoemde onderzoek van Bakker werd dit niveau aangetroffen op ca. 6,8 en 6,9 m +NAP (ca. 30-60 cm -Mv; dus tussen de 50-120 cm -Mv in

41

onderhavig plangebied). Deze ondervindingen komen overeen met de resultaten van het proefsleuvenonderzoek. Het tweede potentiële archeologische niveau dat in het vooronderzoek werd onderscheiden, is de top de vegetatiehorizont. Deze bevindt zich onder de bovengenoemde oeverafzettingen. Tussen deze oeverafzettingen en de vegetatiehorizont ligt mogelijk nog een laag komklei. De vegetatiehorizont zelf vormt mogelijk de top van een laag komklei – wellicht afzettingen van de Waal-stroomgordel. Deze ondervindingen komen overeen met de resultaten van het proefsleuvenonderzoek. Het vooronderzoek stelde dat resten in deze laag dateren uit de IJzertijd – Romeinse tijd. Echter werden tijdens het proefsleuvenonderzoek op dit niveau resten aangetroffen uit het Neolithicum – Vroege IJzertijd. Omdat tijdens het proefsleuvenonderzoek in een aantal boringen nog een ouder vegetatieniveau werd aangetroffen (zie hieronder), kan voorzichtig worden gesteld dat dit eerste vegetatieniveau dateert tussen de Midden-Bronstijd en Vroege IJzertijd. De datering van deze vegetatiehorizont wordt als zodoende iets vervroegd. Het tweede vegetatieniveau kan dan dateren in het Neolithicum tot de Midden – Bronstijd. Bij het onderzoek van Bakker werd dit niveau aangetroffen tussen ca. 6,15 en 6,3 m +NAP (ca. 95-160 cm -Mv; dus tussen de 90-185 cm -Mv in onderhavig plangebied).

Tijdens onderhavig proefsleuvenonderzoek werd dit niveau iets oppervlakkiger aangetroffen, namelijk vanaf 6,9 m +NAP (0,6 m -Mv). Het vooronderzoek stelde dat hieronder wederom een vegetatiehorizont aanwezig kan zijn, die vermoedelijk de top vormt van een volgende laag komklei. In het vooronderzoek werd niet duidelijk of deze komklei afkomstig is van de Winssen-stroomgordel of die van de Distelkamp-Afferden-stroomgordel, maar tijdens het proefsleuvenonderzoek leek deze komklei afkomstig te zijn uit de Distelkamp-Afferden-stroomgordel. Het vooronderzoek stelde dat resten in deze laag dateren uit de periode Neolithicum – IJzertijd. Na het proefsleuvenonderzoek kan deze datering echter worden bijgesteld naar de periode Neolithicum tot de Midden-Bronstijd (zie hierboven). Tijdens het onderzoek van Bakker lagen er onder de eerste vegetatiehorizont oeverafzettingen. De laklaag zelf bestond waarschijnlijk uit komklei. De tweede vegetatiehorizont werd hier aangetroffen tussen ca. 5,65 en 5,9 m +NAP (circa 150-200 cm -Mv; dus tussen de 150-235 cm -Mv in onderhavig plangebied). Tijdens het proefsleuvenonderzoek werd de diepere vegetatiehorizont aangetroffen in boringen op circa 4,9 m +NAP (2,6 m -Mv). 8.

Wat is de relatie met omliggende historische/archeologische resten?

N.v.t. 9. Wat is de fysieke en inhoudelijke kwaliteit van de aangetroffen archeologische resten (gaafheid en conserveringsgraad)? Is sprake van (een) behoudenswaardige archeologische vindplaats(en)? (Maak voor het beantwoorden van deze vraag gebruik van de KNA-waarderingssystematiek). De vindplaats scoort voor wat betreft de fysieke kwaliteit hoog tot laag met vier punten. Qua gaafheid scoort de vindplaats hoog. Binnen de vindplaats zijn namelijk paal- en kuilsporen aanwezig die een hoge mate van gaafheid vertonen. Ruimtelijk gezien is de vindplaats niet geheel gaaf. In het noorden van het plangebied zijn delen van de bodem verblauwd. Verblauwing is echter geen uitsluitend onomkeerbaar proces. Ook in de verblauwde zone kunnen dus nog – thans niet zichtbare – sporen worden waargenomen, alsmede (los) vondstmateriaal. Daarom zijn met name eventuele oppervlakkige sporen hier niet meer leesbaar. Het zuiden van het plangebied, waar de vindplaats is aangetroffen, is echter wel vrijwel geheel intact. Ook is er een klein aantal mobilia in situ aangetroffen, waardoor de ruimtelijke relatie tussen mobilia en sporen en mobilia onderling kan worden achterhaald. Qua conservering scoort de vindplaats laag. Het aardewerkcomplex bestaat grotendeels uit scherven die kleiner zijn dan één centimeter. Ook vertonen de scherven nauwelijks diagnostische fragmenten. Inhoudelijke kwaliteit 42

Inhoudelijk scoren de aangetroffen resten hoog tot laag met acht punten. Qua zeldzaamheid scoort de vindplaats middelhoog. Omdat de vindplaats niet ‘hard’ gedateerd kan worden, staat (nog) niet vast uit welke periode(n) de sporen en het vondstmateriaal afkomstig zijn. Dat maakt een uitspraak over de zeldzaamheid lastig. Daadwerkelijke vindplaatsen uit het Neolithicum tot de Vroege IJzertijd zijn dus zeldzaam in de omgeving van het plangebied, waardoor er tevens nog weinig bekend over Ewijk in deze periode. De ruimtelijke intactheid van het zuiden van het plangebied en het feit dat er in onderhavig plangebied aardewerk in situ is aangetroffen, zorgt ervoor dat de vindplaats in potentie waardevolle kennis kan opleveren. Qua informatiewaarde scoort de vindplaats aan de Vordingstraat 35 dan ook hoog. Qua ensemblewaarde scoort de vindplaats hoog. In de omgeving (zie onder andere de onderzoeken Keizershoeve I, II en III en plangebieden Hekkeslag en Hoge Woerd, allen in Ewijk – zie ook de informatie van R. Brandsma bij het aardewerk) zijn meerdere vindplaatsen uit de periode Bronstijd – vroege middeleeuwen aangetroffen. Uit het neolithicum zijn vooralsnog binnen die spoorconcentraties losse sporen, waaronder graven, aangetroffen. Dit geeft de vindplaats in onderhavig plangebied een hoge contextwaarde. 10.

Zijn er vanuit de toestand van de archeologische resten, bodemcondities en toekomstig gebruik mogelijkheden voor behoud in situ? N.v.t. 11. Bij afwezigheid van een vindplaats; wat is hier de verklaring voor (verstoord, ander landschap dan verwacht, e.d.)? N.v.t.

43

44

45

46

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beuningen&id=2f0de37a-9801-4d14-9063-c532d815d309