CConstaterende datBeuningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 - bij toelichting - Archeologisch proefsleuvenonderzoek

Raadsvergadering 11 juni 2024, gemeente BeuningenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling ontwerpbestemmingsplan Vordingstraat 35 Ewijk10.895 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein

T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl

Transect-rapport 4564 Ewijk, Vordingstraat 35 Gemeente Beuningen (GD)

Een inventariserend veldonderzoek d.m.v. proefsleuven, karterende en waarderende fase

Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein

T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl

Colofon Titel

Versie

Ewijk, Vordingstraat 35, gemeente Beuningen (GD). Een inventariserend veldonderzoek d.m.v. proefsleuven, karterende en waarderende fase. Transect-rapport 4564 A.C. de Hoop, T. van Cruchten, met bijdragen van R.V. Brandsma Versie 2.0

Datum

19-10-2023

Projectnummer Onderzoeksmelding

22070036 5327487100

Opdrachtgever

Dhr. V. (Vincent) van den Brand

Uitvoerder

Transect b.v. Overijsselhaven 127

Rapportnummer Auteur

3433 PH Nieuwegein Bevoegde overheid Gemeente Beuningen Adviseur namens bevoegde overheid Mevr. E. (Esther) Mietes, D7 Archeologie Goedgekeurd Nog niet beoordeeld Beheer en plaats documentatie

Transect b.v., Nieuwegein

Omslagafbeelding

Sfeerfoto van de aanleg van het vlak in werkput 2

Autorisatie Naam

Datum

Drs. A.A. Kerkhoven

19-10-2023

Paraaf

Senior KNA Archeoloog

ISSN: 2211-7067 © Transect b.v., Nieuwegein Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Transect aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein

T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl

Samenvatting In opdracht van dhr. V. (Vincent) van den Brand heeft Transect b.v. in februari 2023 een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in een plangebied achter de woning aan het adres Vordingstraat 35 te Ewijk (gemeente Beuningen; figuur 1). Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 4000 m2. De aanleiding voor het onderzoek is het voornemen om een nieuwe woning te bouwen. De nieuwbouw zal een oppervlakte van circa 170 m² beslaan. Over de funderingsdieptes, het gebruik van heipalen en de eventuele dieptes hiervan en de graafwerkzaamheden ten behoeve van de ontsluitingsweg en de nutsvoorzieningen is tot op heden niets bekend. Ook is het niet bekend of buiten de woning en de nutsvoorzieningen nog andere graafwerkzaamheden zijn voorzien in het plangebied (zoals bijv. het planten van bomen). Als onderdeel van een groter plangebied in het kader van woningbouw heeft in 1998 in het plangebied een oppervlaktekartering en booronderzoek plaatsgevonden (Schute et al. 1999). Hieruit blijkt dat het plangebied in een zone ligt waar oeverwalafzettingen op komklei aanwezig zijn, waaronder mogelijk wederom oeverwalafzettingen aanwezig kunnen zijn. Het geheel is mogelijk afgedekt met komklei. In het vooronderzoek zijn geen boorstaten opgenomen, waardoor de exacte bodemopbouw met hoogtematen niet te achterhalen is.

Op de archeologische waarden- en verwachtingskaart van de gemeente Beuningen ligt de noordoostrand van het plangebied op de rand van een historisch erf (Boshoven et al. 2022). De rest van het plangebied ligt op een meandergordel met een hoge verwachting. Op basis hiervan heeft de bevoegde overheid besloten dat een vervolgonderzoek moet worden uitgevoerd in de vorm van een Inventariserend Veldonderzoek – Proefsleuven (IVO-P). Het doel van dit onderzoek is het toetsen en aanvullen van de archeologische verwachting door het opsporen en het waarderen van eventueel aanwezige archeologische resten. Het onderzoek moet, voor zover mogelijk, inzicht geven in de aard, datering, omvang, gaafheid, conservering en begrenzing van de mogelijk aanwezige archeologische resten. Het onderzoek moet de vraag beantwoorden of in het plangebied archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, of deze behoudenswaardig zijn en onder welke randvoorwaarden behoud mogelijk is. Conform het PvE zijn in het plangebied drie proefsleuven aangelegd van 4 bij 25 meter (300 m2 in totaal). De hoge verwachting op archeologische resten uit het Neolithicum – Nieuwe tijd, zoals omschreven in het Programma van Eisen, is tijdens het proefsleuvenonderzoek bevestigd voor wat betreft het Neolithicum tot de Vroege IJzertijd.

In het plangebied is een archeologische vindplaats aanwezig, bestaande uit een paalspoor, een kuil, vuursteendebitage en fragmenten handgevormd aardewerk. In de sporen kan tot dusver nog geen structuur worden herkend. Ook het complextype is nog onzeker, maar gezien de aanwezigheid van aardewerk en (paal)kuilen lijkt een nederzetting of erf voorlopig de meest aannemelijke interpretatie. Wel kan de vindplaats op basis van de spoorvullingen (kleur, scherpte en homo-/heterogeniteit) en het aardewerk (uit de vegetatiehorizont en kuil S.2) worden gedateerd in het Neolithicum tot de Vroege IJzertijd. Deze datering van de sporen en vondsten komt niet geheel overheen met de datering van de vegetatiehorizont (S.3000) in het vooronderzoek. Het vooronderzoek stelde namelijk dat resten in deze laag dateren uit de IJzertijd – Romeinse tijd. Omdat tijdens het proefsleuvenonderzoek in een aantal boringen nog een ouder vegetatieniveau werd aangetroffen (op circa 4,9 m +NAP; 2,6 m -Mv), kan voorzichtig worden gesteld dat dit eerste vegetatieniveau dateert tussen de Midden-Bronstijd en Vroege IJzertijd. De datering van deze vegetatiehorizont wordt als zodoende iets vervroegd. Het tweede vegetatieniveau kan dan dateren in het Neolithicum tot de Midden – Bronstijd.

De vindplaats bevindt zich in het zuiden van het plangebied, en kan op basis van het proefsleuvenonderzoek nog niet worden begrensd – zeker als hier sprake is van off-site sporen. Er moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat de sporen zich uitstrekken over een groter areaal dan het huidige plangebied. Gezien de ruime datering van het aardewerk in de periode Neolithicum – Vroege IJzertijd, is het mogelijk dat in het plangebied sprake is van een Bronstijdcomplex. Bronstijderven in Midden- en Zuid-Nederland zijn dikwijls niet groter dan 50 bij 50 meter, met vondsten binnen een straal van 20 meter rondom het erf (Fokkens 2005). Aan de hand van deze gegevens, samen met de spreiding van de vondsten en sporen in het plangebied, is de vindplaats begrensd (bijlage 8). Op basis van deze begrenzing kan een advies worden opgesteld over hoe kan worden omgegaan met de vindplaats in de archeologische monumentenzorg. Advies Aan de hand van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek kan worden geconcludeerd dat in het plangebied een behoudenswaardige archeologische vindplaats is aangetroffen. De vindplaats scoort voor wat betreft de fysieke kwaliteit hoog tot laag met vier punten. In het noorden van het plangebied zijn delen van de bodem verblauwd, maar in het zuiden van het plangebied, ter hoogte van de vindplaats is aangetroffen, is de bodem zeer intact.

Qua zeldzaamheid scoort de vindplaats hoog omdat er weinig vergelijkbare vindplaatsen van goede fysieke kwaliteit uit de periode Neolithicum – Vroege IJzertijd in de omgeving van het plangebied bekend zijn. De ruimtelijke intactheid van het zuiden van het plangebied en het feit dat er in onderhavig plangebied aardewerk in situ is aangetroffen, zorgt ervoor dat de vindplaats een hoge informatiewaarde heeft. De vindplaats heeft geen ensemblewaarde, omdat er in de directe omgeving van het plangebied geen andere vindplaatsen uit het Neolithicum – Vroege IJzertijd bekend zijn. Op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek adviseren wij om de aanwezigheid van deze vindplaats vast te leggen in het gewijzigde bestemmingsplan. De archeologische vindplaats is aanwezig op circa 6,9 m +NAP (circa 60 cm -Mv). De vindplaats is aangetroffen in het zuiden van het plangebied. Hierbij moet worden opgemerkt dat de proefsleuven buiten de zones met aanwijzingen voor een historisch erf vallen – dit vanwege de aanwezigheid van bebouwing en beplanting. Hoewel hier geen aanwijzingen voor een erf uit de late middeleeuwen/nieuwe tijd is aangetroffen en hier sprake is van verblauwing, kan er geen definitief uitsluitsel gegeven om deze zone vrij te geven; er kunnen nog steeds sporen worden aangetroffen die kunnen worden gerelateerd worden aan het erf.

Voor het plangebied gold oorspronkelijk een hoge verwachting. Op basis van het onderzoek is een behoudenswaardige vindplaats aangetroffen. Dat betekent dat in het kader van de bestemmingsplanwijziging voor de zone van het huidige plangebied een ondergrens van 100 m2 en 30 cm -Mv dient te worden opgenomen (Waarde Archeologie 2). Op basis van dit advies neemt de gemeente Beuningen een selectiebesluit.

Inhoud 1.

Aanleiding.............................................................................................................................. 7

2.

Vooronderzoek ...................................................................................................................... 9

3.

Doel en methodiek .............................................................................................................. 12

4.

Resultaten ........................................................................................................................... 15

5.

Waardestelling .................................................................................................................... 21

6.

Conclusie en advies ............................................................................................................. 23

7.

Geraadpleegde bronnen ..................................................................................................... 25

Bijlage 1.

Archeologische periode-indeling voor Nederland .............................................................. 27

Bijlage 2.

Allesporenkaart ................................................................................................................... 28

Bijlage 3.

Vlaktekeningen .................................................................................................................... 29

Bijlage 4.

Sporen- en lagenlijst ............................................................................................................ 36

Bijlage 5.

Vondstenlijst........................................................................................................................ 38

Bijlage 6.

Monsterlijst ......................................................................................................................... 39

Bijlage 7.

Beantwoording onderzoeksvragen ..................................................................................... 40

Bijlage 8.

Advieskaart ..................................................................... Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.

1. Aanleiding Provincie

Gelderland

Gemeente

Beuningen

Plaats

Ewijk

Toponiem

Vordingstraat 35

Kaartblad

39H

Centrumcoördinaten

178.907 / 430.860

Oppervlakte plangebied

Ca. 4000 m2

Oppervlakte onderzoeksgebied

Ca. 4000 m2

Huidig grondgebruik

Tuin, braakliggend

In opdracht van dhr. V. (Vincent) van den Brand heeft Transect b.v. 1 in februari 2023 een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in een plangebied achter de woning aan het adres Vordingstraat 35 te Ewijk (gemeente Beuningen; figuur 1). Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 4000 m2. De aanleiding voor het onderzoek is het voornemen om een nieuwe woning te bouwen. De nieuwbouw zal een oppervlakte van circa 170 m² beslaan. Over de funderingsdieptes, het gebruik van heipalen en de eventuele dieptes hiervan en de graafwerkzaamheden ten behoeve van de ontsluitingsweg en de nutsvoorzieningen is tot op heden niets bekend. Ook is het niet bekend of buiten de woning en de nutsvoorzieningen nog andere graafwerkzaamheden zijn voorzien in het plangebied (zoals bijv. het planten van bomen). In 2021 zijn de archeologische waarden- en verwachtingskaart alsmede de archeologische beleidskaart van de gemeente Beuningen geactualiseerd (Boshoven et al. 2022). Op de archeologische waarden- en verwachtingskaart ligt de noordoostrand van het plangebied op de rand van een historisch erf. De rest van het plangebied ligt op een meandergordel met een hoge verwachting. Op de archeologische beleidskaart ligt de noordoostelijke rand van het plangebied in een zone met Waarde – Archeologie 2. De rest van het plangebied heeft een Waarde – Archeologie 4, een hoge archeologische verwachting.

De waarden uit beide kaarten zijn vastgelegd in het bestemmingsplan Randzone Ewijk (2022). Dit houdt in dat archeologisch onderzoek verplicht is bij bodemingrepen dieper dan 30 cm -Mv en groter dan 100 m2. Als onderdeel van een groter plangebied in het kader van woningbouw heeft in 1998 in het plangebied een oppervlaktekartering en booronderzoek plaatsgevonden (Schute et al. 1999). Hieruit blijkt dat het plangebied in een zone ligt waar oeverwalafzettingen op komklei aanwezig zijn, waaronder mogelijk wederom oeverwalafzettingen aanwezig kunnen zijn. Het geheel is mogelijk afgedekt met komklei. In het vooronderzoek zijn geen boorstaten opgenomen, waardoor de exacte bodemopbouw met hoogtematen niet te achterhalen is. Op basis van het vooronderzoek en de archeologische verwachting heeft de bevoegde overheid besloten dat een vervolgonderzoek moet worden uitgevoerd in de vorm van een Inventariserend Veldonderzoek – Proefsleuven (IVO-P).

1

Transect b.v. voldoet aan de eisen zoals gesteld in de kwaliteitsnorm ‘BRL SIKB 4000’, versie 4.1, en is gecertificeerd door middel van een procescertificaat. Transect b.v. is certificaathouder van de volgende protocollen: ‘KNA Protocol 4001 Programma van Eisen’, ‘KNA Protocol 4002 Bureauonderzoek’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Overig’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Proefsleuven’ en ‘Protocol 4004 Opgraven’, en staat geregistreerd bij de RCE en de SIKB.

7

Het onderzoek is uitgevoerd conform de eisen van de bevoegde overheid (vastgelegd in het Programma van Scheeringa, 2023) en de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1).

Figuur 1. Ligging van het plangebied op een topografische kaart. Bron: pdok.nl

8

2. Vooronderzoek2 2.1 Landschappelijke achtergronden Het plangebied ligt in het oostelijk deel van het Midden-Nederlandse rivierengebied. Op de paleogeografische kaart van de gemeente Beuningen bevindt het plangebied zich op de meandergordel van de Waal die vanaf 210 v.Chr. actief werd. Op de geomorfologische kaart is het plangebied gekarteerd als stroomrugglooiing (kaartcode 3H43). Ten zuiden en ten oosten van het plangebied is een crevasserug aanwezig (kaartcode 3B47). De crevasse is vermoedelijk afkomstig van de Waal die circa 2 kilometer ten noorden van het plangebied nog steeds watervoerend is. Crevasses ontstaan bij een doorbraak van de oeverwal waardoor (zandige) rivierafzettingen worden afgezet in het overstromingsgebied. Er kunnen zich ook geulen insnijden in de oorspronkelijke rivierafzettingen, waarlangs bij langdurige activiteit ook (bewoonbare) oeverwallen kunnen ontstaan. Uit de stroomgordelkaart van Cohen et al. (2012) blijkt dat het plangebied in zowel de Waal-stroomgordel als de Distelkamp-Afferden- (vanaf ca. 2655 v.Chr.; begin van het Laat-Neolithiucm) en/of Winssenstroomgordel (vanaf ca. 4480 v.Chr.; einde van het Vroeg-Neolithicum). Dit gegeven kan ook het voorkomen van oever- en komafzettingen in het plangebied kunnen verklaren, zoals bleek uit het vooronderzoek.

Volgens de bodemkaart zijn in het plangebied kalkhoudende ooivaaggronden aanwezig (kaartcode Rd90A). Dit zijn kleigronden die tot een aanzienlijke diepte een homogene bruine tot grijsbruine kleur hebben (De Bakker 1966). Roestvlekken komen voor vanaf 50 centimeter beneden maaiveld. Deze gronden komen voor in oud sediment en relatief droge gronden, zonder blijvende of tijdelijke wateroverlast. Op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN4) ligt het maaiveld in het plangebied tussen de 7,4 en 8,0 meter +NAP. Het maaiveld loopt iets af in zuidelijke richting. 2.2 Verkennend booronderzoek In het vooronderzoek zijn geen boorstaten opgenomen, waardoor de exacte bodemopbouw met hoogtematen niet kan worden achterhaald. Wel blijkt uit het vooronderzoek dat het plangebied in een zone ligt waar oeverwalafzettingen op komklei aanwezig zijn, waaronder mogelijk wederom oeverwalafzettingen aanwezig kunnen zijn. Het geheel is mogelijk afgedekt met komklei. In de boringen zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. 2.3 Archeologische waarden Uit archeologische onderzoeken in de directe omgeving van het plangebied blijkt dat er in meerdere perioden activiteit heeft plaatsgevonden. Zo zijn er sporen en vondsten aangetroffen uit het LaatNeolithicum tot en met de Late-IJzertijd, de Romeinse tijd en de Late Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd.

Ook is de bodemopbouw in de omgeving van het plangebied tamelijk complex omdat er afzettingen van meerdere riviersystemen aanwezig zijn. Zo bestaat de bodemopbouw circa 80 meter ten noordwesten van het plangebied achtereenvolgens uit een bouwvoor, oeverafzettingen, komklei, een laklaag, oeverafzettingen en mogelijk geulafzettingen (Bakker 2022; onderzoeksmelding 4946577100). Circa 230 meter ten zuidwesten van het plangebied zijn onder een verstoringslaag, oever/komafzettingen aanwezig van de Waal-stroomgordel, met daaronder komafzettingen (Ten Broeke 2018; onderzoeksmelding 3979818100 en 3979826100). De top hiervan betrof een

2

De informatie in hoofdstuk is (deels) afkomstig uit het vooronderzoek (Schute et al. 1999) en Programma van Eisen (Scheeringa 2023).

9

vegetatiehorizont. Hieronder zijn oeverwalachtige afzettingen aangetroffen met wederom een vegetatiehorizont in de top. Deze laatste laag is gerelateerd aan de Winssen-stroomgordel. -

Aan de Vordingstraat 43 is in 2019 een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd (Tuinstra 2019). Door het ontbreken van een vondstlaag en sporen of kuilen die onderdeel maken van een nederzettingsterrein kan hier niet gesproken worden over een nederzetting. Wel over de periferie van een nederzetting. Denk hierbij aan door de mens ingedeelde delen van het landschap die begraasd konden worden door vee. Bij het onderzoek werden twee vegetatieniveaus aangetroffen: het eerste op 60-70 cm -Mv (ingravingsniveau sporen; Romeinse tijd), en het tweede op 80-95 cm -Mv (ingravingsniveau prehistorische sporen; Laat-Neolithicum – Late IJzertijd).

-

Aan de Vordingstraat 28 werd tijdens een booronderzoek in 2019 een vegetatieniveau aangetroffen op 120 cm -Mv (circa 6,6 m +NAP; Benerink 2019).

-

Aan de Vordingstraat 39 is in 2022 een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd (Bakker 2022). In de proefsleuven zijn twee sporen aangetroffen, namelijk: één greppel die waarschijnlijk afkomstig is uit de Nieuwe Tijd en één paalkuil. De paalkuil is, op basis van uiterlijke kenmerken, waarschijnlijk prehistorisch. Er zijn enkele fragmenten keramiek, dierlijk botmateriaal, grind en glas aangetroffen. De sporen zijn geïnterpreteerd als de rand van een vindplaats die zich ten noordoosten van het plangebied bevindt. Hier is een laklaag aangetroffen, waarvan de top zich bevindt tussen 96-128 cm -Mv (6,54-6,58 m +NAP).

2.4 Historische context Op het Kadastrale Minuutplan uit 1811-1832 ligt het plangebied in een akkergebied met onregelmatige kavelvormen. Er is geen bebouwing zichtbaar in het plangebied op historische kaarten tot 1930. Rond deze periode wordt de reeds gesloopte bebouwing zichtbaar (bron: bagviewer.kadaster.nl). De bebouwing is tot circa 2000 regelmatig uitgebreid met bijgebouwen en aanbouwen. Ongeveer 350 m2 van het plangebied is bebouwd geweest. Momenteel is het plangebied onbebouwd en in gebruik als tuin. De sloop van de voormalige bebouwing kan voor aantasting van het archeologisch niveau hebben gezorgd. Het is niet bekend tot welke diepte de funderingen hebben gereikt. Het eerdere gebruik als akker of weiland kan ook tot ondiepe verstoringen hebben geleid. 2.5 Gespecificeerde archeologisch verwachting Het plangebied heeft een hoge verwachting op archeologische resten uit de periode Neolithicum – Nieuwe Tijd. Uit de periode Neolithicum kunnen basiskampen en zogenaamde extractiekampen (seizoensgebonden plekken waar jagers/verzamelaars gedurende een korte tijd verbleven) worden verwacht. Dergelijke plekken kenmerken zich door een strooiing van bewerkt vuursteen en (eventueel) haardkuilen. Uit de periode Neolithicum – Late Middeleeuwen moet rekening worden gehouden met sporen van landgebruik en nederzettingsterreinen, die voor een belangrijk deel uit grondsporen bestaan.

Deze kunnen, zeker voor wat betreft de Late Bronstijd tot en met Middeleeuwen, vondstarm zijn. Nederzettingsterreinen kunnen zich onder andere kenmerken door erfstructuren, bestaande uit huisplattegronden, bijgebouwen (zoals spiekers), erfgreppels, omheiningen (staken- en palenrijen), waterputten en kuilen. Ten zuiden van onderhavig plangebied zijn in 2019 eveneens sporen uit het Neolithicum – IJzertijd aangetroffen (aan de Vordingstraat 25). Uit de periode Bronstijd – Vroege Middeleeuwen kunnen bovendien er grafvelden in de vorm van urnenvelden en inhumatiegraven worden verwacht. Vanwege de ligging van het plangebied buiten bekende huisplaatsen, worden uit de Nieuwe tijd enkel sporen van landgebruik verwacht, zoals greppels en verkavelingsstructuren.

10

Binnen het plangebied is sprake van meerdere potentiële archeologische niveaus. Het eerste archeologische niveau bevindt zich in de top van de oeverafzettingen. Deze is in ieder geval afgedekt met een bouwvoor, mogelijk ook met een laag komklei. Het gaat hier om afzettingen van de Waalstroomgordel. Resten in dit niveau dateren uit de Middeleeuwen en/of Nieuwe tijd. Tijdens het bovengenoemde onderzoek van Bakker werd dit niveau aangetroffen op ca. 6,8 en 6,9 m +NAP (ca. 3060 cm -Mv; dus tussen de 50-120 cm -Mv in onderhavig plangebied). Het tweede potentiële archeologische niveau is de top de vegetatiehorizont. Deze bevindt zich onder de bovengenoemde oeverafzettingen. Tussen deze oeverafzettingen en de vegetatiehorizont ligt mogelijk nog een laag komklei. De vegetatiehorizont zelf vormt mogelijk de top van een laag komklei – wellicht afzettingen van de Waal-stroomgordel. Resten in deze laag dateren uit de IJzertijd – Romeinse tijd. Tijdens het onderzoek van Bakker werd dit niveau aangetroffen tussen ca. 6,15 en 6,3 m +NAP (ca. 95-160 cm -Mv; dus tussen de 90-185 cm -Mv in onderhavig plangebied). Hieronder kan wederom een vegetatiehorizont aanwezig zijn, die vermoedelijk de top vormt van een volgende laag komklei. Het is niet duidelijk of deze komklei afkomstig is van de Winssen-stroomgordel of die van de Distelkamp-Afferden-stroomgordel.

Resten in deze laag dateren uit de periode Neolithicum – IJzertijd. Tijdens het onderzoek van Bakker lagen er onder de eerste vegetatiehorizont oeverafzettingen. De laklaag zelf bestond waarschijnlijk uit komklei. De tweede vegetatiehorizont werd hier aangetroffen tussen ca. 5,65 en 5,9 m +NAP (circa 150-200 cm -Mv; dus tussen de 150-235 cm -Mv in onderhavig plangebied).

11

3. Doel en methodiek 3.1 Doel Het doel van dit onderzoek is het toetsen en aanvullen van de archeologische verwachting door het opsporen en het waarderen van eventueel aanwezige archeologische resten. Het onderzoek moet, voor zover mogelijk, inzicht geven in de aard, datering, omvang, gaafheid, conservering en begrenzing van de mogelijk aanwezige archeologische resten. Voor de deelvragen en de beantwoording hiervan, zie bijlage 7. 3.2 Vraagstelling Het onderzoek moet de vraag beantwoorden of in het plangebied archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, of deze behoudenswaardig zijn en onder welke randvoorwaarden behoud mogelijk is. Per abuis is de bevoegde overheid na afloop van het veldwerk niet geraadpleegd om te bespreken of een evaluatierapport noodzakelijk is. 3.3 Onderzoeksvragen 1.

Zijn er in het plangebied archeologische resten aanwezig in de vorm van grondsporen, en/of vondsten? 2. Hoe ziet de bodemopbouw in het plangebied eruit en in hoeverre is deze intact? 3. Wat is de aard, diepteligging, samenhang en spreiding van de aanwezige archeologische resten, grondsporen en structuren (horizontaal en verticaal)? 4. Wat is de datering van de archeologische resten op basis van (chrono-)stratigrafie en typochronologie? En in hoeverre is er sprake van (dis-)continuïteit in gebruik/bewoning? 5. Welke categorieën vondstmateriaal zijn aanwezig en in welke mate (ook in relatie tot elkaar)? Wat zegt de aard en mate van voorkomen van het vondstmateriaal over het gebruik van het plangebied in het verleden? 6. Welke depositionele en post-depositionele processen zijn te onderscheiden en in hoeverre hebben deze invloed gehad op de bewoningsgeschiedenis en vondstcontexten? 7. Hoe verhouden de onderzoeksresultaten zich tot de resultaten uit het vooronderzoek? 8. Wat is de relatie met omliggende historische/archeologische resten? 9. Wat is de fysieke en inhoudelijke kwaliteit van de aangetroffen archeologische resten (gaafheid en conserveringsgraad)? Is sprake van (een) behoudenswaardige archeologische vindplaats(en)? (Maak voor het beantwoorden van deze vraag gebruik van de KNA-waarderingssystematiek). 10.

Zijn er vanuit de toestand van de archeologische resten, bodemcondities en toekomstig gebruik mogelijkheden voor behoud in situ? 11. Bij afwezigheid van een vindplaats; wat is hier de verklaring voor (verstoord, ander landschap dan verwacht, e.d.)? 3.4 Methodiek Het veldwerk werd uitgevoerd op 1 en 2 februari 2023 door Thomas van Cruchten (KNA archeoloog MA) en Anne de Hoop (Archeoloog MA; beide werkzaam bij Transect b.v.). Tijdens het veldonderzoek lag het plangebied braak. Tijdens het veldonderzoek was het plangebied grotendeels in gebruik als tuin. Het zuidelijke deel van het plangebied was in gebruik als tuin. Het onderzoek betreft een proefsleuvenonderzoek. Deze onderzoeksmethode valt in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1) onder Protocol 4003, Inventariserend Veldonderzoek (landbodems) – Proefsleuven (IVO-P). Conform het PvE werd uitgegaan van onderzoeksmethode A2. Aansluitend met de gemeentelijke richtlijn is gekozen voor een dekkingsgraad van 7,5%, in plaats van de 10% die de leidraad adviseert.

12

Als zodoende zijn in het plangebied drie proefsleuven aangelegd van 4 bij 25 meter (300 m2 in totaal). De locatie en omvang van de sleuven werd mede bepaald door de ligging van de aanwezige kabels, leidingen en bebouwing. In het veld is besloten om werkput 3 te verplaatsen naar het noordoosten. Deze proefsleuf kon niet worden aangelegd op de geplande locatie vanwege de aanwezigheid van halfverharding en de nabijheid van een schuur. Deze wijziging heeft echter geen noemenswaardig effect op de representativiteit van het onderzoek omdat de beoogde dekkingsgraad wel is behaald. De bevoegde overheid heeft besloten dat niet alle proefsleuven tot aan het diepste niveau onderzocht hoeven te worden. Dit niveau ligt vrij diep beneden het maaiveld (circa 2,5 m), waardoor de putwanden onder invloed van het toesnellende grondwater snel in kunnen storten. Om gevaarlijke situaties te voorkomen dient het diepste niveau enkel te worden onderzocht in de meest noordelijke sleuf, het dichtst bij de locatie van de nieuwbouw. In alle werkputten zijn als zodoende vlakken 1 en 2 aangelegd. Vlak 1 is aangelegd tot een niveau van circa 7,0 – 7,2 m +NAP (circa 50 cm -Mv), in de top van de oeverafzettingen (S.2000). Vlak 2 is aangelegd tot een niveau van circa 6,56 – 6,7 m +NAP (circa 1 m- Mv), in de vegetatiehorizont in de Waal-stroomgordel (S.3000).

Enkel aan het oostelijke uiteinde van werkput 3 is verdiept tot vlak 3. Hoewel de verwachting was dat de diepere vegetatiehorizont in de Distelkamp-Afferden-stroomgordel (S.5000) hier zou worden bereikt, werd hier op 5,48 m +NAP (circa 2,5 m -Mv) een laag komklei (S.5500) aangetroffen. Omdat de komklei in een boring in werkput 1 onder de tweede vegetatiehorizont lag, is het derde vlak in werkput 3 aangelegd in de komklei en is er niet verder verdiept. Het vlak is aangelegd met behulp van een graafmachine, voorzien van een gesloten bak met een glad snijvlak. De bodem is verdiept in lagen van maximaal 10 tot 20 cm. Vanaf circa 10 cm boven het archeologisch relevante niveau is verdiept in lagen van maximaal 2 tot 5 cm. Eventuele sporen kunnen als zodanig tijdig worden gesignaleerd en zo intact mogelijk worden gedocumenteerd. Ook kunnen op die manier vondsten (in situ) systematisch in kaart worden gebracht. Het vlak is met de schep opgeschaafd om de spoorcontouren zo scherp mogelijk (op foto) vast te leggen. Na het nemen van de vlakfoto’s zijn eventuele sporen met een dGPS digitaal ingemeten. Indien aanwezig worden ook vondstconcentraties en belangrijke vondsten (puntvondsten) met dGPS ingemeten in het vlak. De resultaten hiervan zijn vastgelegd op de allesporenkaart en vlaktekeningen (zie bijlagen 2 en 3).

Conform het PvE is een selectie van de sporen gecoupeerd, gefotografeerd en getekend. De bodemopbouw is gedocumenteerd aan de hand van twee profielkolommen per werkput, van minimaal 1 m breed. De profielkolommen zijn gezet aan het begin en het eind van de meest representatieve wand van de put. Ook is per werkput de diepte van het derde archeologische niveau bepaald door middel van een boring (figuur 2). Op de vlaktekening zijn ook de putcontouren, vlakhoogten, maaiveldhoogten, locaties van profielkolommen en eventuele coupelijnen en contouren van bodemverstoringen gedocumenteerd. De profielkolommen en profielen van gecoupeerde sporen zijn analoog op schaal 1:20 getekend. Tijdens het veldonderzoek is één mageringsmonster genomen uit de eerste vegetatiehorizont (S.3000; vlak 2), bestaande uit kleine korreltjes kwarts. Vondsten die niet aan sporen of spoorvullingen kunnen worden gekoppeld (aanlegvondsten), worden per laag en per vak van 4 bij 5 m verzameld en geregistreerd. Vondsten die wel aan sporen kunnen worden gekoppeld, zijn per spoor(vulling) geregistreerd en verzameld. Om metaalvondsten doeltreffend te kunnen opsporen is tijdens het veldonderzoek gebruik gemaakt van een metaaldetector.

13

Figuur 2. Boring in het zuiden van werkput 2, om de aanwezigheid en diepteligging van het tweede vegetatieniveau (S.5000) in kaart te brengen.

Figuur 3. De aanleg van vlak 3 in werkput 3.

14

4. Resultaten 4.1 Bodemopbouw In alle werkputten zijn vlakken 1 en 2 aangelegd. Vlak 1 is aangelegd tot een niveau van circa 7,0 – 7,2 m +NAP (circa 50 cm -Mv), in de top van de oeverafzettingen (S.2000). Vlak 2 is aangelegd tot een niveau van circa 6,56 – 6,7 m +NAP (circa 1 m- Mv), in de vegetatiehorizont in de Waal-stroomgordel (S.3000). Enkel aan het oostelijke uiteinde van werkput 3 is verdiept tot vlak 3. Hoewel de verwachting was dat de diepere vegetatiehorizont in de Distelkamp-Afferden-stroomgordel (S.5000) hier zou worden bereikt, werd hier op 5,48 m +NAP (circa 2,5 m -Mv) een laag komklei (S.5500) aangetroffen. Omdat de komklei in een boring in werkput 1 onder de tweede vegetatiehorizont lag, is het derde vlak in werkput 3 aangelegd in de komklei en is er niet verder verdiept. De top van de bodem bestaat uit een moderne bouwvoor (S.1000). In werkput 3 heeft de bouwvoor plaatsgemaakt voor een laag puinverharding (S.999). Hieronder liggen de oeverafzettingen (S.2000), die plaatselijk verblauwd zijn (S.2100). De bodem is hier vermoedelijk verstikt door de laag puinverharding. Onder de oeverafzettingen ligt de eerste vegetatiehorizont (S.3000), met daaronder wederom twee fasen oeverafzettingen (S.3500 en S.4000). Hieronder ligt de tweede vegetatiehorizont (S.5000). De tweede vegetatiehorizont is niet overal in het plangebied aanwezig.

In de boring in het zuiden van werkput 2 ontbrak de vegetatiehorizont in de Distelkamp-Afferden-stroomgordel namelijk, en in het midden van werkput 3 was deze diepere vegetatiehorizont slechts zwak ontwikkeld. Daar waar de tweede vegetatiehorizont ontbrak, was een laag komklei aanwezig (S.5600). Deze geulafzettingen behoren mogelijk tot een geul binnen de Distelkamp-Afferden stroomgordel, die in een noordwestzuidoost oriëntatie door het plangebied loopt. Langs de oevers van deze geul is de diepere vegetatiehorizont aanwezig. Ook in de geulvulling kunnen echter archeologische waarden aanwezig zijn. Ten slotte is de bodem in het plangebied grotendeels intact. Enkel in werkput 1 werd een recentelijk omgeploegd vak in het vlak zichtbaar. Daarnaast is de bodem, zoals eerder genoemd, plaatselijk iets verblauwd door toedoen van de puinverharding. Voor een uitvoerige (lithologische) beschrijving van iedere afzonderlijke laag wordt verwezen naar bijlage 4.

S.1000

S.2000

S.3000 S.4 S.3500

Figuur 4. Profiel 2.01 in de westelijke wand van werkput 2. Paalkuil S.4 werd hier aangetroffen in het profiel, en is ingestoken vanuit de eerste vegetatiehorizont (S.3000).

15

S.999

S.2100 S.2000 S.3000

S.3500

S.4000 S.5000

Figuur 5. Profiel 3.01 in de noordelijke wand van werkput 3. Hier werd het tweede vegetatieniveau (S.5000) bereikt.

16

4.2 Sporen Tijdens het veldwerk zijn vier grondsporen aangetroffen. Het betreft een paalkuil (S.4), een kuil (S.2), een natuurlijk spoor (S.3) en een recent spoor (S.1). Alle sporen werden aangetroffen in vlak 2 (vegetatiehorizont; S.3000). Kuil S.2 werd gevonden in werkput 1, en reikte tot 20 cm beneden het vlak. Tijdens het couperen en afwerken van dit spoor werden kleine stukjes handgevormd aardewerk aangetroffen. Paalspoor S.4 werd gevonden tijdens het afschaven van profiel 2.01 in de westelijke wand van werkput 2 (zie figuur 4). In dit spoor werden geen vondsten aangetroffen. Het aardewerk uit kuil S.2 en de vegetatiehorizont (S.3000) kon worden gedateerd in de periode Neolithicum – Vroege IJzertijd (zie paragraaf 4.3, Vondsten). Deze datering van de sporen en vondsten komt niet geheel overheen met de datering van de vegetatiehorizont (S.3000) in het vooronderzoek. Het vooronderzoek stelde namelijk dat resten in deze laag dateren uit de IJzertijd – Romeinse tijd. Omdat tijdens het proefsleuvenonderzoek in een aantal boringen nog een ouder vegetatieniveau werd aangetroffen (op circa 4,9 m +NAP; 2,6 m -Mv), kan voorzichtig worden gesteld dat dit eerste vegetatieniveau dateert tussen de Midden-Bronstijd en Vroege IJzertijd. De datering van deze vegetatiehorizont wordt als zodoende iets vervroegd.

Het tweede vegetatieniveau kan dan dateren in het Neolithicum tot de Midden – Bronstijd. Voorgaand onderzoek aan de Vordingstraat vond plaats ten westen van onderhavig plangebied (Bakker 2022; Tuinstra 2019; Benerik 2019). De hypothese is daarom dat het tweede vegetatieniveau aan de Vordingstraat 35 dieper ligt dan bij de onderzoeken ten westen van het plangebied. De allesporenkaart is in bijlage 2 opgenomen. Gedetailleerde vlaktekeningen (per werkput) zijn weergegeven in bijlage 3. De complete sporen- en lagenlijst met uitvoerige (lithologische) beschrijvingen is te vinden in bijlage 4.

Figuur 6. Coupe van kuil S.2 in werkput 1.

17

Figuur 7. Kuil S.2 in het vlak in werkput 1.

4.3 Vondsten en monsters (door R.V. Brandsma) In het plangebied zijn 35 vondsten aangetroffen, voornamelijk bestaande uit keramiek, maar ook uit kleipijpaardewerk, natuursteen, vuursteen, houtskool en dierlijk bot. Bij het aanleggen van het tweede vlak in werkputten 1 en 2 zijn in vegetatiehorizont S.3000 kleine brokjes handgevormd aardewerk met een kwartsmagering gevonden. Enkele scherven zijn iets groter. Daarnaast zijn er in werkput 1 twee stuk kleine stukjes vuursteen aangetroffen. Vanwege de scherpe randen en platte vorm van het vuursteen, lijkt om debitage (afslag) te gaan. Het type vuursteen kan vanwege de geringe omvang van het materiaal niet worden herkend. Ook zijn er kleine, geclusterde brokjes kwarts aangetroffen. De kleine hoeveelheid handgevormd aardewerk vertoont relatief weinig diagnostische kenmerken. Het baksel van het scherfmateriaal heeft een geel-tot-oranje buitenoppervlak en een grijze breuk. Een tweetal scherven is volledig grijs, en aldus volledig gereduceerd gebakken. De magering van al het scherfmateriaal bestaat uit grof gebroken kwarts(gruis), dat in het buitenoppervlak zichtbaar is. Bovendien bevat de helft van de scherven een bijmenging van zand en enkele spikkels die als potgruis (chamotte) geïdentificeerd kunnen worden. De oppervlakken zijn in geen van de gevallen gepolijst of besmeten.

Het aardewerk bevat één randscherf met een platte rand die vanwege de buiging vermoedelijk onderdeel was van een open (emmervormig) vormtype. Een kleine wandscherf heeft een dunne nagelindruk, die kan worden geïnterpreteerd als spatelindruk. Handgevormd aardewerk met grove minerale magering (incl. kwartsgruismagering) komt vanaf de IJzertijd weinig voor ten zuiden van de Nederrijn. Een grote uitzondering hierop is aardewerk uit Groesbeek (van den Broeke, 2012, 128-129). Bovendien is kwartsgruismagering ook nog aanwezig in een klein Vroege IJzertijdcomplex van Ewijk, al lijkt dit spaarzamer te zijn toegepast (Keizershoeve I: Bloo en Verhoef, 2012, 106-107). Perioden vanaf de Midden-IJzertijd kunnen grotendeels worden uitgesloten. Het oppervlak en de magering van het aardewerk correspondeert daarnaast met aardewerk uit de Bronstijd (Arnoldussen en Ball, 2007, 198; zie bijv. Brandsma, 2022, 14-43). Het aardewerk zou daarnaast in het Neolithicum kunnen dateren, o.a. op basis van vergelijkbaar materiaal uit Ewijk (Keizershoeve II: Reigersman-van Lidth de Jeude en Drenth, 2012). Het materiaal dateert aldus vermoedelijk uit het Neolithicum tot de Vroege IJzertijd, waarmee ook sporen S.2 en S.4 en de

18

vegetatiehorizont (S.3000) in deze periode kunnen worden geplaatst. Tijdens het veldonderzoek is één mageringsmonster genomen uit de eerste vegetatiehorizont (S.3000; vlak 2), bestaande uit kleine korreltjes kwarts. De volledige vondstenlijsten zijn opgenomen in bijlage 5.

Figuur 8. Aardewerk uit kuil S.2 in werkput 1 (links VNR1; rechts VNR9).

Figuur 9. Aardewerk uit vegetatiehorizont S.3000 in werkputten 1 en 2. De stukjes kwartsmagering zijn hier duidelijk zichtbaar (VNR3).

19

Figuur 10. Grotere stukken handgevormd aardewerk uit de eerste vegetatiehorizont in werkput 1 (VNR4).

Figuur 11. Vuursteen uit de eerste vegetatiehorizont in werkput 1 (VNR3).

20

5. Waardestelling Archeologische vindplaatsen worden gewaardeerd conform de BRL4000 / KNA-protocol 4003, specificatie VS06 Waarderen en bijlage IV van de KNA 4.1. Vindplaatsen worden gewaardeerd op drie waarden (beleving, fysieke kwaliteit en inhoudelijke kwaliteit) en daarbinnen op waarderingscriteria (tabel 1). Op ieder van de in totaal acht waarderingscriteria kan minimaal 1 en maximaal 3 worden gescoord. Bij de waardering wordt eerst nagegaan of vindplaatsen vanwege hun belevingswaarde, op basis van hun schoonheid of herinneringswaarde, als behoudenswaardig aangemerkt kunnen worden (figuur 11). De vindplaatsen worden vervolgens op hun fysieke kwaliteit beoordeeld. Een vindplaats is in principe behoudenswaardig, indien de criteria gaafheid en conservering samen bovengemiddeld (vijf of zes punten) scoren. De beoordeling van de fysieke kwaliteit is gerelateerd aan de archeoregio waarin de vindplaats zich bevindt. Bij een middelmatige tot lage score (vier punten of minder), wordt naar de inhoudelijke kwaliteitscriteria gekeken om te bepalen of een vindplaats toch behoudenswaardig is. Indien te verwachten is dat op een van de inhoudelijke criteria ‘hoog’ wordt gescoord, wordt de vindplaats ook in principe behoudenswaardig geacht.

Dit ‘vangnet’ heeft tot doel er voor te zorgen dat terreinen die van beperkte fysieke kwaliteit zijn, maar desondanks inhoudelijk van groot belang, uit de beoordeling vallen. Vindplaatsen die op grond van hun fysieke kwaliteit als in principe behoudenswaardig zijn aangemerkt, worden vervolgens gewaardeerd op hun inhoudelijke kwaliteit. • Eerst vindt een afweging plaats op de eerste drie inhoudelijke kwaliteitscriteria; zeldzaamheid, informatiewaarde en ensemblewaarde. Bij een bovengemiddelde score van zeven punten of meer wordt het monument als behoudenswaardig aangemerkt. • Na deze weging wordt bij vindplaatsen met een lagere inhoudelijke waardering (minder dan zeven punten) nagegaan of het criterium representativiteit van toepassing is. Zo ja, dan wordt een voorstel gedaan voor een als behoudenswaardig aan te merken steekproef per categorie. • De overige vindplaatsen zijn niet behoudenswaardig.

Figuur 12. Waarderingscriteria (bron: www.sikb.nl).

21

Waardestelling Tijdens het proefsleuvenonderzoek is één vindplaats aangetroffen. De vindplaats bestaat uit een paalspoor, een kuil, vuursteendebitage en fragmenten handgevormd aardewerk. In de sporen kan tot dusver nog geen structuur worden herkend. Ook het complextype is nog onbekend. Wel kan de vindplaats op basis van de spoorvullingen het aardewerk (uit de vegetatiehorizont en kuil S.2) worden gedateerd in het Neolithicum tot de Vroege IJzertijd. Beleving Voor wat betreft beleving kan de vindplaats niet gescoord worden, omdat deze niet bovengronds zichtbaar is of kan worden. Fysieke kwaliteit De vindplaats scoort voor wat betreft de fysieke kwaliteit hoog tot laag met vier punten. Qua gaafheid scoort de vindplaats hoog. Binnen de vindplaats zijn namelijk paal- en kuilsporen aanwezig die een hoge mate van gaafheid vertonen. Ruimtelijk gezien is de vindplaats niet geheel gaaf. In het noorden van het plangebied zijn delen van de bodem verblauwd. Verblauwing is echter geen uitsluitend onomkeerbaar proces. Ook in de verblauwde zone kunnen dus nog – thans niet zichtbare – sporen worden waargenomen, alsmede (los) vondstmateriaal. Daarom zijn met name eventuele oppervlakkige sporen hier niet meer leesbaar. Het zuiden van het plangebied, waar de vindplaats is aangetroffen, is echter wel vrijwel geheel intact.

Ook is er een klein aantal mobilia in situ aangetroffen, waardoor de ruimtelijke relatie tussen mobilia en sporen en mobilia onderling kan worden achterhaald. Qua conservering scoort de vindplaats laag. Het aardewerkcomplex bestaat grotendeels uit scherven die kleiner zijn dan één centimeter. Ook vertonen de scherven nauwelijks diagnostische fragmenten. Inhoudelijke kwaliteit Inhoudelijk scoren de aangetroffen resten hoog tot laag met acht punten. Qua zeldzaamheid scoort de vindplaats middelhoog. Omdat de vindplaats niet ‘hard’ gedateerd kan worden, staat (nog) niet vast uit welke periode(n) de sporen en het vondstmateriaal afkomstig zijn. Dat maakt een uitspraak over de zeldzaamheid lastig. Daadwerkelijke vindplaatsen uit het Neolithicum tot de Vroege IJzertijd zijn dus zeldzaam in de omgeving van het plangebied, waardoor er tevens nog weinig bekend over Ewijk in deze periode. De ruimtelijke intactheid van het zuiden van het plangebied en het feit dat er in onderhavig plangebied aardewerk in situ is aangetroffen, zorgt ervoor dat de vindplaats in potentie waardevolle kennis kan opleveren. Qua informatiewaarde scoort de vindplaats aan de Vordingstraat 35 dan ook hoog. Qua ensemblewaarde scoort de vindplaats hoog. In de omgeving (zie onder andere de onderzoeken Keizershoeve I, II en III en plangebieden Hekkeslag en Hoge Woerd, allen in Ewijk – zie ook de informatie van R.

Brandsma bij het aardewerk) zijn meerdere vindplaatsen uit de periode Bronstijd – vroege middeleeuwen aangetroffen. Uit het neolithicum zijn vooralsnog binnen die spoorconcentraties losse sporen, waaronder graven, aangetroffen. Dit geeft de vindplaats in onderhavig plangebied een hoge contextwaarde. Tabel 1. Waardestelling vindplaats Waarden Beleving

Criteria Schoonheid

Score - hoog

Herinneringswaarde Fysieke kwaliteit

Score - middelhoog n.v.t. n.v.t.

Gaafheid

3

Conservering Inhoudelijke kwaliteit

1

Zeldzaamheid

2

Informatiewaarde

3

Ensemblewaarde Representativiteit

Score - laag

3 n.v.t.

n.v.t.

22

6. Conclusie en advies De hoge verwachting op archeologische resten uit het Neolithicum – Nieuwe tijd, zoals omschreven in het Programma van Eisen, is tijdens het proefsleuvenonderzoek bevestigd voor wat betreft het Neolithicum tot de Vroege IJzertijd. In het plangebied is een archeologische vindplaats aanwezig, bestaande uit een paalspoor, een kuil, vuursteendebitage en fragmenten handgevormd aardewerk. In de sporen kan tot dusver nog geen structuur worden herkend. Ook het complextype is nog onzeker, maar gezien de aanwezigheid van aardewerk en (paal)kuilen lijkt een nederzetting of erf voorlopig de meest aannemelijke interpretatie. Wel kan de vindplaats op basis van de spoorvullingen (kleur, scherpte en homo-/heterogeniteit) en het aardewerk (uit de vegetatiehorizont en kuil S.2) worden gedateerd in het Neolithicum tot de Vroege IJzertijd. Deze datering van de sporen en vondsten komt niet geheel overheen met de datering van de vegetatiehorizont (S.3000) in het vooronderzoek. Het vooronderzoek stelde namelijk dat resten in deze laag dateren uit de IJzertijd – Romeinse tijd. Omdat tijdens het proefsleuvenonderzoek in een aantal boringen nog een ouder vegetatieniveau werd aangetroffen (op circa 4,9 m +NAP; 2,6 m -Mv), kan voorzichtig worden gesteld dat dit eerste vegetatieniveau dateert tussen de Midden-Bronstijd en Vroege IJzertijd.

De datering van deze vegetatiehorizont wordt als zodoende iets vervroegd. Het tweede vegetatieniveau kan dan dateren in het Neolithicum tot de Midden – Bronstijd. De vindplaats bevindt zich in het zuiden van het plangebied, en kan op basis van het proefsleuvenonderzoek nog niet worden begrensd – zeker als hier sprake is van off-site sporen. Er moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat de sporen zich uitstrekken over een groter areaal dan het huidige plangebied. Gezien de ruime datering van het aardewerk in de periode Neolithicum – Vroege IJzertijd, is het mogelijk dat in het plangebied sprake is van een Bronstijdcomplex. Bronstijderven in Midden- en Zuid-Nederland zijn dikwijls niet groter dan 50 bij 50 meter, met vondsten binnen een straal van 20 meter rondom het erf (Fokkens 2005). Aan de hand van deze gegevens, samen met de spreiding van de vondsten en sporen in het plangebied, is de vindplaats begrensd (bijlage 8). Op basis van deze begrenzing kan een advies worden opgesteld over hoe kan worden omgegaan met de vindplaats in de archeologische monumentenzorg. Advies Aan de hand van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek kan worden geconcludeerd dat in het plangebied een behoudenswaardige archeologische vindplaats is aangetroffen. De vindplaats scoort voor wat betreft de fysieke kwaliteit hoog tot laag met vier punten.

In het noorden van het plangebied zijn delen van de bodem verblauwd, maar in het zuiden van het plangebied, ter hoogte van de vindplaats is aangetroffen, is de bodem zeer intact. Qua zeldzaamheid scoort de vindplaats hoog omdat er weinig vergelijkbare vindplaatsen van goede fysieke kwaliteit uit de periode Neolithicum – Vroege IJzertijd in de omgeving van het plangebied bekend zijn. De ruimtelijke intactheid van het zuiden van het plangebied en het feit dat er in onderhavig plangebied aardewerk in situ is aangetroffen, zorgt ervoor dat de vindplaats een hoge informatiewaarde heeft. De vindplaats heeft geen ensemblewaarde, omdat er in de directe omgeving van het plangebied geen andere vindplaatsen uit het Neolithicum – Vroege IJzertijd bekend zijn. Op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek adviseren wij om de aanwezigheid van deze vindplaats vast te leggen in het gewijzigde bestemmingsplan. De archeologische vindplaats is aanwezig op circa 6,9 m +NAP (circa 60 cm -Mv). De vindplaats is aangetroffen in het zuiden van het plangebied. Hierbij moet worden opgemerkt dat de proefsleuven buiten de zones met aanwijzingen voor een historisch erf vallen – dit vanwege de aanwezigheid van bebouwing en beplanting.

Hoewel hier geen aanwijzingen voor een erf uit de late middeleeuwen/nieuwe tijd is aangetroffen en hier sprake is van verblauwing, kan er geen definitief uitsluitsel gegeven om deze zone vrij te geven; er

23

kunnen nog steeds sporen worden aangetroffen die kunnen worden gerelateerd worden aan het erf. Voor het plangebied gold oorspronkelijk een hoge verwachting. Op basis van het onderzoek is een behoudenswaardige vindplaats aangetroffen. Dat betekent dat in het kader van de bestemmingsplanwijziging voor de zone van het huidige plangebied een ondergrens van 100 m2 en 30 cm -Mv dient te worden opgenomen (Waarde Archeologie 2). Op basis van dit advies neemt de gemeente Beuningen een selectiebesluit.

24

7. Geraadpleegde bronnen Archeologische kaarten en databestanden • Archeologisch Informatie Systeem III (Archis3), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2016. • www.ahn.nl • bagviewer.kadaster.nl • www.pdok.nl • www.sikb.nl • www.topotijdreis.nl Literatuur • • •

• • •

•

• • • • •

• •

• •

SIKB, 2018: Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1). (www.sikb.nl/archeologie/richtlijnen/brl-4000). Alterra, 2019. De bodemkaart voor Nederland. 1: 50 000. Wageningen: Universiteit Wageningen. Arnoldussen, S. en E.A.G. Ball, 2007. ‘Nederzettingsaardewerk uit de late bronstijd in NoordBrabant en het rivierengebied’, in: L.P. Louwe Kooijmans en R. Jansen (red.), Van contract tot wetenschap. Tien jaar archeologisch onderzoek door Archol BV, 1997-2007. Leiden: Archol, 181203. Bakker, H., de, 1966. De subgroepen van het systeem van bodemclassificatie voor Nederland, in: Boor en Spade. Bakker, H., de, J. Schelling, 1989. Systeem van bodemclassificatie voor Nederland. De hogere niveaus, Wageningen. Bakker, T., 2022: Ewijk, Vordingstraat tussen 39 en 39c (GD). Een Archeologisch Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (IVO-P), karterende en waarderende fase. Nieuwegein (Transect-rapport 3270). Benerink, G., 2019. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van grondboringen ‘plangebied Vordingstraat 28’, Ewijk, Gemeente Beuningen, SOBresearch, Heinenoord. Berendsen, H.J.A., 2005. Landschappelijk Nederland. Assen (Fysische Geografie van Nederland). Derde, geheel herziene druk. Berendsen, H.J.A., 2005. De vorming van het land, Assen. Blijdenstijn, R., 2015. Tastbare Tijd, Amsterdam. Borsboom, A.J., J.W.H.P.

Verhagen 2009. KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek. Deel: Proefsleuvenonderzoek (IVO-P), versie 1.02, Gouda (CCvD). Boshoven, E.H., B.J.G. van Snippenburg, N.W. Willemse, 2022. Archeologie in de gemeente Beuningen; Actualisatie van de archeologische waarden-, verwachtingen- en beleidskaart. Weesp (RAAP-Rapport 5337). Brandsma, R.V., 2022. Ceramics Re-Functionalized. Part II: Reference Collection. Leiden (MAscriptie Leiden). https://hdl.handle.net/1887/3505248. Broeke, E.M., ten, 2018: Archeologisch bureauonderzoek en gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek. Vordingstraat 36 te Ewijk in de gemeente Beuningen. Doetinchem (Econsultancy Archeologisch Rapport nummer 15104262). Broeke, P.W. van den, 2012. Het handgevormde aardewerk uit de IJzertijd en de Romeinse tijd van Oss-Ussen: Studies naar typochronologie, technologie en herkomst. Leiden: Sidestone Press. Carmiggelt, A., P.J.W.M. Schulten, 2002. Veldhandleiding Archeologie, Archeologie Leidraad 1, Zoetermeer (College voor de Archeologische Kwaliteit).

25

•

• • • •

•

• •

Cruchten, T.S., van, 2021: Ewijk, Dam 8. Gemeente Beuningen (GD). Een Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (IVO-P), karterende en waarderende fase. Nieuwegein (Transect-rapport 3537). Fokkens, H., 2005. ‘Woon-stalhuizen op zwevende erven’, in: Louwe Kooijmans, L.P., P.W. van den Broeke, H. Fokkens, A. van Gijn (red.), Nederland in de Prehistorie, Amsterdam. Kooistra, L.I., O., Brinkkemper, 2016. KNA Leidraad Archeobotanie, versie definitief 1.01, Gouda (CCvD). Lauwerier, R.C.G.M., 2011. KNA Leidraad Archeozoölogie, versie definitief 1.01, Gouda (CCvD). Maas, G.J., W.M. van der Meij, S.P.J. van Delft en A.H. Heidema, 2019. Toelichting bij de legenda Geomorfologische kaart van Nederland 1: 50 000 (2019). Wageningen: Wageningen Environmental Research. Scheeringa, D.L., 2023. Ewijk, Vordingstraat 35, Gemeente Beuningen (GD), Een inventariserend veldonderzoek d.m.v. proefsleuven, karterende en waarderende fase, Transect-PvE 20230105, Nieuwegein. Schute, I.A., G.H. de Boer en J.A.M. Roymans, 1999. Plangebied Ewijk, gemeente Beuningen; een archeologische kartering en waardering. Amsterdam (RAAP-Rapport 371). Tuinstra, J., 2019. Vordingstraat 43, gemeente Beuningen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek, RAAP-rapport 4260, Weesp.

Illustratieverantwoording Figuur 1. Ligging van het plangebied op een topografische kaart. Bron: pdok.nl..................................... 8 Figuur 2. Boring in het zuiden van werkput 2, om de aanwezigheid en diepteligging van het tweede vegetatieniveau (S.5000) in kaart te brengen. ........................................................................................ 14 Figuur 3. De aanleg van vlak 3 in werkput 3. .......................................................................................... 14 Figuur 4. Profiel 2.01 in de westelijke wand van werkput 2. Paalkuil S.4 werd hier aangetroffen in het profiel, en is ingestoken vanuit de eerste vegetatiehorizont (S.3000). .................................................. 15 Figuur 5. Profiel 3.01 in de noordelijke wand van werkput 3. Hier werd het tweede vegetatieniveau (S.5000) bereikt. ...................................................................................................................................... 16 Figuur 6. Coupe van kuil S.2 in werkput 1. .............................................................................................. 17 Figuur 7. Kuil S.2 in het vlak in werkput 1. .............................................................................................. 18 Figuur 8. Aardewerk uit kuil S.2 in werkput 1 (links VNR1; rechts VNR9).

.............................................. 19 Figuur 9. Aardewerk uit vegetatiehorizont S.3000 in werkputten 1 en 2. De stukjes kwartsmagering zijn hier duidelijk zichtbaar (VNR3). .............................................................................................................. 19 Figuur 10. Grotere stukken handgevormd aardewerk uit de eerste vegetatiehorizont in werkput 1 (VNR4). .................................................................................................................................................... 20 Figuur 11. Vuursteen uit de eerste vegetatiehorizont in werkput 1 (VNR3). ......................................... 20 Figuur 12. Waarderingscriteria (bron: www.sikb.nl)............................................................................... 21

26

Bijlage 1. Periode

Archeologische periode-indeling voor Nederland Deel-/subperiode

Recent

Van

Tot

1945 na Chr.

2050 na Chr.

Nieuwe tijd

Late-Nieuwe tijd Midden-Nieuwe tijd Vroege-Nieuwe tijd

1850 na Chr. 1650 na Chr. 1500 na Chr.

1945 na Chr. 1850 na Chr. 1650 na Chr.

Middeleeuwen

Late-Middeleeuwen B Late-Middeleeuwen A Vroege-Middeleeuwen D Vroege-Middeleeuwen C Vroege-Middeleeuwen B Vroege-Middeleeuwen A

1250 na Chr. 1050 na Chr. 900 na Chr. 725 na Chr. 525 na Chr. 450 na Chr.

1500 na Chr. 1250 na Chr. 1050 na Chr. 900 na Chr. 725 na Chr. 525 na Chr.

Romeinse Tijd

Laat-Romeinse tijd B Laat-Romeinse tijd A Midden-Romeinse tijd B Midden-Romeinse tijd A Vroeg-Romeinse tijd B Vroeg-Romeinse tijd A

350 na Chr. 270 na Chr. 150 na Chr. 70 na Chr. 25 na Chr. 12 voor Chr.

450 na Chr. 350 na Chr. 270 na Chr. 150 na Chr. 70 na Chr. 25 na Chr.

IJzertijd

Late-IJzertijd Midden-IJzertijd Vroege-IJzertijd

250 voor Chr. 500 voor Chr. 800 voor Chr.

12 voor Chr. 250 voor Chr. 500 voor Chr.

Bronstijd

Late-Bronstijd Midden-Bronstijd B Midden-Bronstijd A Vroege-Bronstijd

1100 voor Chr. 1500 voor Chr. 1800 voor Chr. 2000 voor Chr.

800 voor Chr. 1100 voor Chr. 1500 voor Chr. 1800 voor Chr.

Neolithicum

Laat-Neolithicum B Laat-Neolithicum A Midden-Neolithicum B Midden-Neolithicum A Vroeg-Neolithicum B Vroeg-Neolithicum A

2450 voor Chr. 2850 voor Chr. 3400 voor Chr. 4200 voor Chr. 4900 voor Chr. 5300 voor Chr.

2000 voor Chr. 2450 voor Chr. 2850 voor Chr. 3400 voor Chr. 4200 voor Chr. 4900 voor Chr.

Mesolithicum

Laat-Mesolithicum Midden-Mesolithicum Vroeg-Mesolithicum

6450 voor Chr. 7100 voor Chr. 8800 voor Chr.

4900 voor Chr. 6450 voor Chr. 7100 voor Chr.

Paleolithicum

Laat-Paleolithicum B Laat-Paleolithicum A Midden-Paleolithicum Vroeg-Paleolithicum

18.000 BP 35.000 BP 300.000 BP -

8.800 voor Chr. 18.000 BP 35.000 BP 300.000 BP

27

Bijlage 2.

Allesporenkaart

28

Bijlage 3.

Vlaktekeningen

Werkput 1 is aangelegd vanuit het westen, met vondstvakken om de 5 m.

29

30

Werkput 2 is aangelegd vanuit het zuiden, met vondstvakken om de 5 m.

31

32

Werkput 3 is aangelegd vanuit het oosten, met vondstvakken om de 5 m.

33

34

35

Bijlage 4.

Sporen- en lagenlijst

Put

Vlak

Spoor

Vulling

Spooraard

Spoorcont

Spoorvorm

01

001

0001

1

REC

SCHERP

01

001

1000

1

BV

01

001

2000

1

LG

01

001

2100

1

01

001

3000

01

001

03 01

Kleur

Textuur

Org. stof

Opmerking

RHK

GRBR

kz2

H2

KBW, SXX, plastic

SCHERP

LIN

DGR

kz2

H2

ste, KBW wo1

SCHERP

LIN

GRBR

kz2

ste, Ca-, oeverafzettingen

LG

SCHERP

LIN

GRBL

Kz2

ste, verblauwde oeverafzettingen

1

LG

SCHERP

LIN

DGR

kz1

3500

1

LG

SCHERP

LIN

LBR

kz3

mst, Ca-, Fe1, Mn1, oeverafzettingen

001

3500

1

LG

SCHERP

LIN

LBLGR

kz1

mst, FeC, Fe-vlekken, Ca-, oeverafzettingen

001

4000

1

LG

SCHERP

LIN

LGR

kz2

msl, Ca+, oeverafzettingen

01

001

5000

1

LG

SCHERP

LIN

DGR

kz1

01

001

5500

1

LG

SCHERP

LIN

GR

kz2

msl, Ca-, oever-/komafzettingen

01

002

0002

1

KL

VAAG

OVL

GR

kz2

msl

01

002

0003

NAT

VAAG

OVL

02

002

0004

PK

VAAG

RND

03

101

0999

REC

SCHERP

LIN

03

101

3500

LG

SCHERP

LIN

03

101

4100

1

LG

SCHERP

LIN

LGR

kz3

msl, zb (mg-gr), Ca+, crevassegeul

03

101

5600

1

LG

SCHERP

LIN

GR

ks1

sla, Ca-, komafzettingen

1

Spoordiepte

20

H1

H1

mst, KER, SXX, vegetatiehorizont

mst, Ca-, vegetatiehorizont

onderkant S.3000 18

DGR

kz1

H1

mst opgebrachte laag gebroken puin verblauwde oeverafzettingen

Lijst met gebruikte afkortingen: Spooraard NAT = natuurlijk VN = veen LG = laag REC = recent PK = paalkuil

Kleur D = donker L = licht GE = geel GR = grijs BR = bruin WI = wit ZW = zwart

Textuur vk1 = zwak kleiig veen vk3 = sterk kleiig veen kz1-3 = zwak tot sterk kleiig zand

Organische stof V3 = sterk venig H1-2 = humeus

Opmerking mf = matig fijn zf = zeer fijn mg = matig grof zg = zeer grof kbw = bouwkeramiek aw = aardewerk a1 = zwak amorf 36

sg = slecht gesorteerd mg = matig goed gesorteerd gg = goed gesorteerd m.st. = matig stevig z.slap = zeer slap

37

Bijlage 5.

Vondstenlijst

Vondstnummer

Veldvondst

Put

Vlak

Spoor

Spooraard

Vulling

0001KER

0001

01

002

0002

KL

1

0002KER

0002

01

002

3000

LG

1

0002SXX

0002

01

002

3000

LG

0003KER

0003

01

002

3000

LG

0003SVU

0003

01

002

3000

0003SXX

0003

01

002

0004KER

0004

01

002

0004SXX

0004

01

0005KER

0005

02

0005KKP

0005

0006KER

Vak

Categorie

Aantal

Gewicht

Opmerking

KER

1

1.7

Klein brokje handgevormd, reducerend gebakken, donker breukvlak, grove magering

3

KER

4

5.6

Brokjes handgevormd, grove magering, reducerend gebakken

1

3

SXX

1

12

1

4

KER

9

12.5

Brokjes handgevormd, grove magering, aantal met oxiderende zijde

LG

1

4

SVU

2

2.5

Wellicht debitage, scherpe randen

3000

LG

1

4

SXX

1

5.5

3000

LG

1

5

KER

3

15.5

002

3000

LG

1

5

SXX

1

7.6

001

2000

LG

1

3

KER

2

6.8

Roodbakkend, streepversiering van (lood)glazuur; klein dun scherfje steengoed, M-LNT

02

001

2000

LG

1

3

KKP

1

0.8

Klein fragmentje van de steel, erg dun, LNT

0006

02

001

2000

LG

1

1

KER

1

7.6

Witbakkend, bodem en rand, gedraaid

0007KER

0007

03

001

2000

LG

1

1

KER

1

7.3

Spaarzaam geglazuurd roodbakkend, VNT

0007ODB

0007

03

001

2000

LG

1

1

ODB

1

9

gefragmenteerd

0008KER

0008

03

001

2000

LG

1

2

KER

2

210.4

Grote randfragmenten steengoed, Keulse pot

0009KER

0009

01

002

0002

KL

1

KER

1

2.2

Klein brokje handgevormd, reducerend gebakken, donker breukvlak, grove magering, oxiderende zijde

0010OPHK

0010

02

002

3000

LG

1

3

OPHK

1

0.3

0010SXX

0010

02

002

3000

LG

1

3

SXX

3

25

Brokjes handgevormd, grove magering, reducerend gebakken

38

Bijlage 6. Vondstnummer 0011MA

Monsterlijst Veldvondst 0011

Put 02

Vlak 002

Spoor 3000

Spooraard LG

Vulling 1

Categorie MA

Aantal 1

Gewicht -

Opmerking mageringsmonster, veel kwarts

39

Bijlage 7. 1.

Beantwoording onderzoeksvragen

Zijn er in het plangebied archeologische resten aanwezig in de vorm van grondsporen, en/of vondsten?

Tijdens het proefsleuvenonderzoek is één vindplaats aangetroffen. De vindplaats bestaat uit een paalspoor, een kuil, vuursteendebitage en fragmenten handgevormd aardewerk. In de sporen kan tot dusver nog geen structuur worden herkend. Ook het complextype is nog onbekend. Wel kan de vindplaats op basis van de spoorvullingen het aardewerk (uit de vegetatiehorizont en kuil S.2) worden gedateerd in het Neolithicum tot de Vroege IJzertijd. 2.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beuningen&id=2f0de37a-9801-4d14-9063-c532d815d309