Bijlage 29 Nota zienswijzen TAM-omgevingsplan Winssen Zuid fase 1
Tekst van het document
Reactie zienswijzen omgevingsplan Winssen Zuid
2. Reactie zienswijzen 2.1 Geluid
k:\doc\m\2020\165500\165507\m2020165507n002v2 reactie zienswijzen winssen zuid dgmr.docx 18-07-2025
Voor het bepalen van het gebiedstype van de omgeving van het plangebied Winssen Zuid Fase 1 sluit DGMR aan bij het akoestisch onderzoek van De Reuver (kenmerk: 20140752/D01/SB, datum: 30-12-2014) dat in opdracht van Willems Winssen is opgesteld naar het geluid van het bedrijf voor de toenmalig gewenste uitbreiding. In dit onderzoek is op basis van de volgende overwegingen uitgegaan van het gebiedstype gemengd gebied: • De in de structuurvisie aangeduide locaties voor mogelijke woningbouw zijn gelegen in een omgeving waarbij meerdere bedrijven zijn gevestigd (metaalbedrijf, loonbedrijf, agrarische bedrijven, transportbedrijf) en diverse maatschappelijke voorzieningen. • De Geerstraat en de Leegstraat vormen de verbindende routes tussen het dorp en de Van Heemstraweg. Vanwege de bedrijfsactiviteiten die in de omgeving zijn toegestaan en het aantal wegen met een hoge verkeersintensiteit die op korte afstand aanwezig zijn, bestaat er geen twijfel dat het plangebied Winssen Zuid Fase 1 moet worden beoordeeld als het gebiedstype gemengd gebied.
Het geluid is op de maatgevende bouwlaag in het plangebied berekend. Dit betekent dat op lagere bouwhoogtes het geluidniveau dat afkomstig is van Willems Winssen lager is. Binnen het plangebied is de maximale toegestane bouwhoogte 11,0 meter. De representatieve hoogte van de onderste bouwlaag is 3,5 meter en van de eerste en tweede verdieping 3,0 meter. Het geluid is beoordeeld op 1,5 meter boven de verdiepingsvloer. Dat betekent dat 8,0 meter daarom een representatieve hoogte is om het geluid op de tweede verdieping te beoordelen. Het geluid is in het DGMR-rapport op de maatgevende hoogte gepresenteerd, wat betekent dat het geluid op de tweede verdieping hoger is in vergelijking met het niveau op de eerste verdieping.
2
Reactie zienswijzen omgevingsplan Winssen Zuid
k:\doc\m\2020\165500\165507\m2020165507n002v2 reactie zienswijzen winssen zuid dgmr.docx 18-07-2025
Op basis van de regels voor het geluid van activiteiten is het mogelijk om een aantal dagen per jaar meer geluid te veroorzaken dan op basis van de reguliere normen dagelijks is toegestaan. Het geluid van de puinbreker, dat hoger is dan het geluidniveau van de dagelijks voorkomende werkzaamheden en activiteiten, mag op basis van de vergunning van Willems Winssen maximaal 6 dagen per jaar voorkomen. Voor deze incidentele bedrijfssituatie staan in het onderzoek van De Roever geen grenswaarden. Voor het beoordelen van het geluid dat ontstaat bij het breken van puin, sluit DGMR aan bij de normen die in het Besluit bouwwerken leefomgeving voor een mobiele puinbreker zijn opgenomen. Uit artikel 7.39 volgt dat vanwege het breken van puin een beperkt aantal dagen per jaar hogere geluidniveaus als aanvaardbaar zijn te beschouwen. In onderstaande tabel staan de normen en het aantal toegestane dagen dat het geluid in de dagperiode mag voorkomen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. tabel 1: dagwaarden geluid en maximale blootstellingsduur mobiele puinbreker Dagwaarde
≤ 60 dB(A)
> 60 dB(A)
> 65 dB(A)
> 70 dB(A)
> 75 dB(A)
Maximale blootstellingsduur
65 dagen
65 dagen
15 dagen
5 dagen
0 dagen
In het onderzoek dat door DGMR naar het geluid van Willems Winssen is opgesteld, is beschreven dat uit de resultaten van de berekening van de puinbreker volgt dat binnen het plangebied een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 45 tot 70 dB(A) kan ontstaan vanwege de incidentele bedrijfssituatie. Op basis van de regels uit het Besluit bouwwerken leefomgeving is een geluidniveau van 70 dB(A) aanvaardbaar als dat maximaal 15 dagen per jaar ontstaat. Willems Winssen mag de puinbreker op basis van haar omgevingsvergunning 6 dagen per jaar gebruiken. Binnen het plangebied zijn daarom geluidniveaus vanwege de puinbreker tot 70 dB(A) als aanvaardbaar te beschouwen. De berekende geluidniveaus voldoen voor het gehele gebied waar op basis van het ontwerp omgevingsplan woningen mogen worden gerealiseerd, aan de grenswaarde van 70 dB(A) uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. Op basis van deze analyse heeft DGMR geconcludeerd dat, ondanks dat vanwege de puinbreker hoge geluidniveaus ontstaan, binnen het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Aangezien mensen wel hinder kunnen ondervinden van het geluid, heeft DGMR geadviseerd om de bewoners hierover voorafgaand aan deze werkzaamheden te informeren.
3
Reactie zienswijzen omgevingsplan Winssen Zuid
k:\doc\m\2020\165500\165507\m2020165507n002v2 reactie zienswijzen winssen zuid dgmr.docx 18-07-2025
In het geluidonderzoek is in figuur 7, hieronder weergegeven als figuur 1, met een groene lijn aangegeven binnen welk gebied het is toegestaan om woningen te realiseren zonder dat de vergunde bedrijfsvoering en bedrijfsactiviteiten van Willems Winssen belemmerd worden. Tussen de oranje en groene lijn kunnen alleen woningen worden ontwikkeld als de vergunningvoorschriften van het bedrijf Willems Winssen worden gewijzigd. De woningen die met fase 1 mogelijk worden gemaakt liggen buiten de groene lijn.
figuur 1: figuur 7 onderzoek geluid DGMR naar Willems Winssen: grenzen waarbinnen woningen kunnen worden gerealiseerd
Om ervoor te zorgen dat er geen woningen mogen worden gerealiseerd binnen de zone waarin het bedrijf Willems Winssen kan worden belemmerd, is op de kaart van het ontwerp TAMomgevingsplan Hoofdstuk 22c [Winssen Zuid Fase 1] de ‘overige zone industrielawaai’ opgenomen (zie figuur 2 hieronder). Voor deze zone is in artikel 7.4.2 lid a sub 2 de volgende regel opgenomen: “ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'overige zone - industrielawaai' mogen geen woningen worden gebouwd, tenzij het bedrijf aan de Geerstraat 3a te Winssen niet meer aanwezig is en er sprake is van een onherroepelijk omgevingsplan voor een activiteit die niet leidt tot hinderuitstraling op de hier beoogde woningen of als uit onderzoek blijkt dat er geen hinder bestaat vanuit het bedrijf op de woningen.”
4
Reactie zienswijzen omgevingsplan Winssen Zuid
figuur 2: kaart TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c [Winssen Zuid Fase 1] met ‘overige zone industrielawaai’
Met deze gebiedsaanduiding en de aanvullende regel heeft de gemeente Beuningen geborgd dat binnen het bouwvlak waar woningbouw is toegestaan er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ook zorgt de ontwikkeling van de woningen hiermee niet voor een belemmering van de activiteiten van Willems Winssen. 2.2 Stikstofdepositie
k:\doc\m\2020\165500\165507\m2020165507n002v2 reactie zienswijzen winssen zuid dgmr.docx 18-07-2025
Zienswijzen
Het aantal woningen en de verkeersgeneratie die op basis van deze uitgangspunten zijn berekend zijn aangepast in het onderzoek.
De ontwikkelaar heeft een reële en aannemelijk prognose van het materieel opgesteld, zoals dat op basis van onder andere de uitspraak over het bestemmingsplan en het exploitatieplan "Zandzoom 2019 voor een onderzoek stikstofdepositie voor een omgevingsplan vereist is. Van de Klok bouwt de woningen binnen het plangebied op basis van het BaseHome-concept. BaseHome-woningen zijn er in diverse types, beukmaten en uitvoeringen. De woningen zijn zeer efficiënt te ontwikkelen en te realiseren doordat een groot deel van de elementen standaard in fabrieken kunnen worden gemaakt. Daardoor is een lagere inzet van werktuigen nodig op de bouwplaats in vergelijking met andere projecten. De verkeersbewegingen van de zware en lichte
5
Reactie zienswijzen omgevingsplan Winssen Zuid
motorvoertuigen die tijdens de bouw ontstaan, zijn in tegenstelling wat in bovenstaande zienswijze wordt aangegeven, zowel van en naar als binnen het plangebied ingevoerd.
k:\doc\m\2020\165500\165507\m2020165507n002v2 reactie zienswijzen winssen zuid dgmr.docx 18-07-2025
De stikstofdepositie moet volgens de ‘Instructie gegevensinvoer AERIUS Calculator’ worden berekend op basis van de 12 maanden waarin de hoogste bijdrage op een Natura 2000-gebied ontstaat. In het onderzoek van DGMR is het effect van de aanleg- en gebruiksfase op basis van deze maatgevende periode berekend. De sloop- en saneringswerkzaamheden veroorzaken een lagere stikstofdepositie dan de werkzaamheden die in de 12 maatgevende maanden worden uitgevoerd. De sloop- en saneringswerkzaamheden zijn daarom niet maatgevend voor de beoordeling van de aanlegfase. Het aantal vrachtwagens en de inzet van de kraan die voor de sloop- en saneringswerkzaamheden nodig zijn, is ten eerste lager dan de bedrijfstijd van deze werktuigen en inzet van de voertuigen in de 12 maatgevende maanden van de aanlegfase waarvoor in het onderzoek een berekening is gemaakt. Ten tweede is zonder berekening te bepalen dat de uitstoot bij de realisatie van woningen hoger is, omdat bij deze werkzaamheden ook emissie van andere werktuigen ontstaat. Op basis van deze analyse kan met zekerheid worden geconcludeerd dat voorbereidingswerkzaamheden, zoals slopen en saneren, een lagere stikstofdepositie veroorzaken dan de maatgevende situatie die voor de aanlegfase in het onderzoek van DGMR is beschouwd.
Daarnaast worden de sloop- en saneringswerkzaamheden minimaal 12 maanden voor de start van andere werkzaamheden uitgevoerd waardoor deze bovendien niet in dezelfde periode plaatsvinden en daarom niet in samenhang beoordeeld hoeven te worden.
In een aanvullende berekening is door DGMR het effect van de realisatie van alle 259 woningen binnen één jaar inzichtelijk gemaakt in combinatie met het gebruik van alle woningen. Uitganspunt bij deze worstcaseberekening is dat als met de realisatie en het gebruik van alle woningen in één jaar geen overschrijding van de grenswaarde ontstaat, significante effecten ook uit te sluiten zijn bij een langere bouwperiode. De emissie die in de volledige bouw- en sloopfase van 5 jaar kan ontstaan, is door DGMR gezamenlijk doorgerekend met een referentiesituatie die gebaseerd is op het feitelijke gebruik (toelichting staat bij zienswijze 50). Daarmee houdt DGMR rekening met twee variabelen die in de zienswijzen ter discussie zijn gesteld. De uitgangspunten van de berekening staan in bijlage 1. De berekening is toegevoegd in bijlage 2. Een volledige omschrijving van de gegevens van de berekening staat in het onderzoek stikstofdepositie dat is opgesteld door DGMR (kenmerk: M.2020.1655.01.R001.v5).
6
Reactie zienswijzen omgevingsplan Winssen Zuid
Het omgevingsplan maakt het mogelijk dat een deel van de agrarische gronden, waarop geen woningen worden of zijn gebouwd, tijdens de aanlegfase overeenkomstig de geldende bestemming gebruikt worden. In het onderzoek heeft DGMR daarom aanvullend berekend met welke emissie die ontstaat vanwege bemesting, wel of geen significante toename van de stikstofdepositie optreedt. Hierbij is uitgegaan van het gebruik van alle 259 woningen van het plan en de bouw van 52 woningen, in overeenstemming met het scenario dat in het onderzoek stikstofdepositie inzichtelijk is gemaakt.
k:\doc\m\2020\165500\165507\m2020165507n002v2 reactie zienswijzen winssen zuid dgmr.docx 18-07-2025
De uitgangspunten van de berekening staan in bijlage 1. De berekening is toegevoegd in bijlage 3. Een volledige omschrijving van de gegevens van de berekening staat in het onderzoek stikstofdepositie dat is opgesteld door DGMR (kenmerk: M.2020.1655.01.R001.v5). Op dit moment is nog niet duidelijk in welke volgorde het woningplan wordt gerealiseerd. Daarom is ook nog niet vast te stellen voor welke percelen en met welke agrarische invulling de voortzetting van het gebruik van de gronden met een agrarische bestemming gewenst is. Door DGMR is daarom de maximale emissie van ammoniak (NH3) inzichtelijk gemaakt waarmee, in combinatie met de bouw- en gebruiksactiviteiten, geen significante toename van de stikstofdepositie ontstaat. Op basis van de emissie die maximaal kan ontstaan zonder significante toename te veroorzaken, heeft DGMR berekend hoeveel hectare van de gronden als grasland of voor fruitteelt kan worden gebruikt. Daarbij is ervan uitgegaan dat het voortgezette gebruik op alle percelen met een agrarische bestemming mogelijk is. Uit de resultaten van deze berekening volgt dat met een emissie die ontstaat als gevolg van bemesting van 192 kg/NH3/ha/jaar geen significante toename van de stikstofdepositie optreedt.
Op basis van deze berekening kan tijdens de realisatie van het plan het volgende aantal hectare van de gronden met een bepaald gebruik van een agrarische bestemming worden bemest: • Fruitteelt: 10,6 hectare. • Grasland: 8,2 hectare. Met deze berekening is aangetoond dat een voortzetting van een groot deel van de agrarische gronden mogelijk is zonder significante toename van de stikstofdepositie in het maatgevende jaar te veroorzaken. Voordat de uitvoering van het plan start, moet in het projectspoor de stikstofdepositie met een AERIUS-berekening inzichtelijk worden gemaakt op basis van het aantal woningen dat in een jaar wordt gebouwd en in gebruik wordt genomen, in combinatie met de agrarische gronden waarvan het gebruik met het gewenste gewas wordt voortgezet. Als deze activiteiten gecombineerd mogelijk zijn zonder significante toename op een Natura 2000-gebied te veroorzaken kan hiervoor in het projectspoor een vergunning worden verleend.
7
Reactie zienswijzen omgevingsplan Winssen Zuid
k:\doc\m\2020\165500\165507\m2020165507n002v2 reactie zienswijzen winssen zuid dgmr.docx 18-07-2025
Willems Winssen geeft in de zienswijze aan dat het onderzoek niet correct is uitgevoerd, omdat DGMR voor de berekening van de bemesting niet is uitgegaan van het feitelijke gebruik en in het onderzoek niet is aangetoond dat de percelen in overeenstemming met de agrarische bestemming in gebruik zijn. Hieronder volgt een aanvullende onderbouwing van de regels over de referentiesituatie en de verwerking hiervan in het onderzoek van DGMR. Daarnaast is onderbouwd dat de gronden binnen het plangebied in overeenstemming met de agrarische bestemming in gebruik zijn. Algemene criteria beoordeling vaststellen referentiesituatie Voor de beoordeling van stikstofdepositie wordt in de Omgevingswet onderscheid gemaakt tussen plannen en projecten. Omdat voor het plan Winssen Zuid Fase 1 het omgevingsplan is gewijzigd moet de stikstofdepositie beoordeeld worden op basis van de regels voor een plan. Het onderscheid tussen plannen en projecten is van belang voor het vaststellen van de referentiesituatie. De referentiesituatie moet op basis van de volgende uitgangspunten worden bepaald: • De referentiesituatie is de feitelijke en planologisch legale situatie ten tijde van de vaststelling van het plan voor een onderzoek dat wordt opgesteld voor het wijzigen van het omgevingsplan. • Voor een project wordt de referentiesituatie primair bepaald op basis van een natuurtoestemming.
Dit is een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit of een eerdere vergunning op grond van de Wet natuurbescherming of de Natuurbeschermingswet 1998. Wanneer een bestaande situatie niet over een natuurtoestemming beschikt, dan moet de referentiesituatie vastgesteld worden op basis van de activiteiten die sinds de referentiedatum op basis van de Omgevingswet, Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht, Hinderwet, Activiteitenbesluit milieubeheer, of op basis van algemene regels zijn toegestaan. Als de (vergunnings-)situatie sinds de vaststellingsdatum is gewijzigd, dan geldt de laagst vergunde depositie vanaf de referentiedatum als uitgangspunt voor de referentiesituatie. Activiteiten mogen niet bij saldering worden betrokken als deze niet feitelijk zijn gerealiseerd of structureel zijn beëindigd. Beoordelingsmethode onderzoek stikstofdepositie DGMR Voor de saldering van toegestane bedrijfsactiviteiten is op basis van bovenstaande definities voor zowel plannen als projecten duidelijk in jurisprudentie vastgelegd hoe de stikstofdepositie moet worden berekend en beoordeeld. De berekening en beoordeling van het bemesten is niet één op één vergelijkbaar met reguliere bedrijfsactiviteiten, omdat bemesten niet vergunningplichtig is. De regels voor het berekenen en beoordelen van bemesting is voor plannen niet duidelijk in jurisprudentie of beleidsregels vastgelegd.
Voor projecten heeft de Raad van State wel in een uitspraak aangegeven hoe bemesting van percelen moet worden berekend en beoordeeld. Voor zowel plannen als projecten is het principe van saldering met bemesting op basis van de hierboven beschreven definities vergelijkbaar, omdat de activiteit niet vergunningplichtig is. Uit zowel de definitie van de referentiesituatie voor een project als een plan volgt dat saldering met de 8
Reactie zienswijzen omgevingsplan Winssen Zuid
bemesting van percelen is toegestaan als de agrarische activiteit feitelijk in overeenstemming met de bestemming aanwezig is. Voor projecten geldt de aanvullende eis dat de activiteit moet hebben plaatsgevonden vanaf de vaststellingsdatum van het Natura 2000-gebied. Daarnaast volgt uit de uitspraak van de Raad van State over de realisatie van 163 woningen in Egmond dat als gronden structureel niet meer in gebruik zijn als landbouwgrond, het bemesten alleen in de referentiesituatie mag worden meegenomen als daarvoor geen nieuwe natuurvergunning nodig is 1. Omdat de vereisten voor plannen en projecten voor het berekenen en beoordelen van het salderen met bemesting grotendeels vergelijkbaar zijn en in jurisprudentie en wet- en regelgeving hiervoor geen exacte richtlijnen voor plannen zijn vastgelegd, is in het onderzoek van DGMR de referentiesituatie bepaald op basis van onderstaande uitspraak van de Raad van State over het project Melkveehouderij in Baambrugge.
k:\doc\m\2020\165500\165507\m2020165507n002v2 reactie zienswijzen winssen zuid dgmr.docx 18-07-2025
Uit de uitspraak Raad van State ECLI:NL:RVS:20222:874 Melkveehouderij Baambrugge 2 volgt dat voor het bepalen van de emissie van bemesting, uitgegaan mag worden van de maximale planologisch mogelijkheden: “22. De Afdeling is gelet op het voorgaande van oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college bij het bepalen van de referentie situatie op bedrijfsniveau moet onderzoeken of er geen omzetting van akkerland naar grasland heeft plaatsgevonden en of er contra-indicaties zijn dat het bedrijf de aanwendingsnorm uit de meststoffenwet en -regelgeving altijd maximaal heeft benut. Ook hiervoor geldt dat de referentie situatie wordt ontleend aan dat wat is toegestaan en niet aan de mate waarin die toestemming feitelijk is benut.” Dit standpunt van de Raad van State is nadien in verschillende uitspraken bekrachtigd1. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak heeft op haar website de volgende uitleg van de uitspraak staan: “De Afdeling oordeelde dat de referentie situatie van bemesten en beweiden kan worden ontleend aan het planologisch regime dat voor die gronden geldt. Er hoeft dus niet te worden gekeken naar het feitelijke gebruik op het moment van aanwijzing tot Natura 2000gebied, maar naar dat wat het bestemmingsplan destijds mogelijk maakte.
Van het bestemmingsplan als referentie situatie kan verder alleen worden uitgegaan als er vanaf de referentiedatum ononderbroken een bestemming heeft gegolden op grond waarvan bemesten en beweiden zijn toegestaan en de gronden voor de referentiedatum voor landbouw in gebruik waren en werden bemest. De vraag is vervolgens van hoeveel bemesting in de referentie situatie mag worden uitgegaan. De Afdeling oordeelt dat daarvoor de hoogste stikstofgebruiksnorm geldt voor enig gewas dat op de gronden planologisch is toegestaan.” Nadere analyse feitelijke planologisch legale situatie ten tijde van de vaststelling van het plan Om nader te onderbouwen dat in het onderzoek van DGMR het bemesten op een juiste wijze is berekend en beoordeeld, is ook een analyse gemaakt van andere uitspraken van de Raad van State. Hierbij is inzichtelijk gemaakt of de gekozen beoordelingsmethode op basis van de uitspraak van de Melkveehouderij uit Baambrugge in overeenstemming is met overige jurisprudentie. Hiermee is geanalyseerd of op basis van andere uitspraken kan worden gemotiveerd dat de beoordelingsmethode voor bemesting voldoet aan het criterium voor de referentiesituatie van een plan waarop de zienswijze van Willems Winssen betrekking heeft. De definitie van de referentiesituatie van een plan is de feitelijke en planologisch legale situatie ten tijde van de vaststelling van het plan.
1
Uitspraak Raad van State realisatie 163 woningen Egmond (ECLI:RVS:2025:2404)
2
Uitspraak Raad van State ECLI:NL:RVS:20222:874 Melkveehouderij Baambrugge
9
Reactie zienswijzen omgevingsplan Winssen Zuid
k:\doc\m\2020\165500\165507\m2020165507n002v2 reactie zienswijzen winssen zuid dgmr.docx 18-07-2025
Het deel van de gronden waarmee is gesaldeerd in het onderzoek stikstofdepositie naar Winssen Zuid Fase 1, had een agrarische bestemming op het moment dat het onderzoek stikstofdepositie is opgesteld. De gronden mochten daarom bemest worden. Ook kan op basis van onderstaande luchtfoto worden vastgesteld dat de percelen in overeenstemming met de agrarische bestemming in gebruik waren op het moment van de uitvoering van het onderzoek. Voor de percelen waar water of een speelveldje aanwezig is in de huidige situatie, is hervatting van het agrarische gebruik mogelijk zonder natuurvergunning. Daarmee voldoen de gronden binnen het plangebied aan het criterium voor de referentiesituatie voor een plan dat sprake is van een planologische legale situatie voor het agrarische gebruik ten tijde van de vaststelling van het plan.
figuur 3: luchtfoto gronden binnen plangebied met agrarische bestemming in gebruik in overeenstemming met bestemmingsplan Kern Winssen Zuid
In de zienswijze is aangegeven dat het onderzoek niet correct is uitgevoerd, omdat DGMR niet is uitgegaan van het feitelijke gebruik. Uit verschillende uitspraken van de Raad van State kan worden herleid dat voor de beoordeling van stikstofdepositie met het feitelijke gebruik niet wordt bedoeld welke activiteit aanwezig is, maar dat de grond in overeenstemming met de toestemming of bestemming in gebruik is, of dat deze activiteit zonder omgevings- of natuurvergunning kan worden hervat. De Raad van State heeft in de uitspraken van 18 december 2024 over het bedrijf Rendac3 een nadere toelichting gegeven over de opvatting van de definitie van het begrip feitelijk voor de beoordeling van stikstofdepositie. De definitie van het feitelijke gebruik is ook toepasbaar op het bepalen van de referentiesituatie voor plannen, ondanks dat de uitspraak betrekking heeft op een project, omdat de Raad van State in de uitspraak aangeeft hoe het begrip feitelijk voor de 3
Uitspraak Raad van State natuurvergunning Rendac (ECLI:NL:RVS:2024.4923)
10
Reactie zienswijzen omgevingsplan Winssen Zuid
beoordeling van stikstofdepositie moet worden geïnterpreteerd en uit jurisprudentie niet een meer nauwkeurige definitie van het begrip feitelijk is te herleiden voor plannen. In de uitspraak over de realisatie van 163 woningen in Egmond 4 heeft de Raad van State bevestigt dat deze opvatting ook van toepassing is op het bepalen van de referentie situatie voor bemesting van agrarische percelen. Volgens de hiervoor genoemde uitspraken van de Raad van State3,4 mag een activiteit voor saldering worden betrokken als deze zonder natuur- en/of milieutoestemming kan worden hervat. Als de activiteit aan dit criterium voldoet kan het daarom voor de beoordeling van stikstofdepositie beschouwd worden als feitelijk aanwezig. Binnen het plangebied is een deel van de gronden in gebruik als waterberging, tuin of trapveldje. Aangezien het mogelijk is om het bemesten van deze gronden zonder natuur- of milieutoestemming te hervatten, mogen in het onderzoek alle percelen met een agrarische bestemming voor het bepalen van de referentiesituatie met de maximale bemesting die is toegestaan, voor interne saldering worden ingezet.
k:\doc\m\2020\165500\165507\m2020165507n002v2 reactie zienswijzen winssen zuid dgmr.docx 18-07-2025
Het feit dat de term ‘feitelijk’ bij het vaststellen van de referentiesituatie niet inhoud dat een activiteit niet in overeenstemming met de maximale mogelijkheden aanwezig hoeft te zijn om deze volledig te mogen betrekken bij interne saldering, volgt ook uit de uitspraak van de Raad van State over de bestemmingsplannen Buitengebied Rucphen 2012, 3e herziening 5. Volgens de uitspraak mag voor het bepalen van de uitgangspunten van de referentiesituatie uit worden gegaan van een gebruik dat op een locatie is toegestaan en hoeft hiervoor niet van de laagste of laatste feitelijke bedrijfssituatie te worden uitgegaan. Op basis van bovenstaande uitspraken is met zekerheid te motiveren dat de maximale gebruiksnorm voor grasland voor peiljaar 2025 mag worden gebruikt om de emissie van bemesting voor de referentiesituatie van een planologisch onderzoek te bepalen. In het onderzoek stikstofdepositie dat door DGMR is opgesteld is de stikstofdepositie daarom op correcte wijze berekend en beoordeeld. In het rapport staat een uitleg van de uitgangspunten voor het bepalen van de emissie van bemesting.
Aanvullende berekening op basis feitelijke gebruik Ondanks dat op basis van de jurisprudentie vaststaat dat voor het bepalen van de referentiesituatie uit kan worden gegaan van de maximale bemesting die op basis van grasland is toegestaan, is door DGMR ook inzichtelijk gemaakt wat het effect van het huidige feitelijke gebruik van de gronden op de berekende stikstofdepositie is. Om een berekening op basis van het feitelijke gebruik te kunnen uitvoeren heeft DGMR bepaald op welke wijze de gronden binnen het plangebied op dit moment worden gebruikt. De referentiesituatie die gebaseerd is op het feitelijke gebruik is door DGMR berekend in combinatie met de emissie die in de volledige bouw- en sloopfase van 5 jaar (zie toelichting bij zienswijze 48) samen met het gebruik van alle woningen kan ontstaan. Daarmee wordt rekening gehouden met twee variabelen die in de zienswijze ter discussie zijn gesteld. De berekening is toegevoegd in bijlage 2. De uitgangspunten van de berekening staan in bijlage 1. Een volledige omschrijving van de gegevens van de berekening staat in het onderzoek stikstofdepositie (kenmerk: M.2020.1655.01.R001.v5).
4
Uitspraak Raad van State realisatie 163 woningen Egmond (ECLI:RVS:2025:2404)
5
Uitspraak Raad van State bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2012, 3e herziening (ECLI:NL:RVS:2020:2170)
11
Reactie zienswijzen omgevingsplan Winssen Zuid
Uit de resultaten van deze berekening met alternatieve uitgangspunten volgt dat ook bij het gebruik van alle woningen, de bouw van alle woningen in één jaar en een referentiesituatie die gebaseerd is op het feitelijke gebruik, geen significante toename van de stikstofdepositie ontstaat. Ondanks dat hiermee een overschatting van de emissie van de toekomstige situatie en een onderschatting van de referentiesituatie wordt gemaakt, is hiermee aangetoond dat ook met deze alternatieve uitgangspunten, significante effecten op een Natura 2000-gebied op voorhand zijn uit te sluiten.
k:\doc\m\2020\165500\165507\m2020165507n002v2 reactie zienswijzen winssen zuid dgmr.docx 18-07-2025
Bij het opstellen van het onderzoek is uitgegaan van de huidige jurisprudentie. Bovendien zijn de regels voor intern salderen van plannen niet aangepast in een vonnis dat na 18 december door de Raad van State is uitgesproken. In deze zaak van 24 december 2024 over het bestemmingsplan Energielandgoed Wells Meer (ECLI:NL:RVS:2024:5417) staat de volgende beschrijving van het beoordelingskader voor het beoordelen van intern salderen van plannen: “Als een plan ten opzichte van de referentiesituatie leidt tot een toename van de stikstofdepositie op reeds overbelaste stikstofgevoelige natuurwaarden in een Natura 2000-gebied, dan dienen de gevolgen van die toename voor de vaststelling van het plan verder te worden onderzocht. Als daaruit volgt dat significante gevolgen niet op voorhand op grond van objectieve gegevens kunnen worden uitgesloten (voortoets), dient een passende beoordeling te worden gemaakt.” Op basis van deze beschrijving is te concluderen dat het beoordelingskader voor intern salderen voor bestemmings- of omgevingsplannen niet is gewijzigd. Aangezien dit vonnis over het bestemmingsplan Energielandgoed Wells Meer na 18 december is uitgesproken, kan er op dit moment van worden uitgegaan dat de regels voor interne saldering voor het omgevingsplan niet zijn aangepast.
Tot slot merken wij op dat het juridisch niet mogelijk is om vooruit te lopen op eventuele toekomstige jurisprudentie waarvan nu mogelijk wordt gedacht dat dit aannemelijk is. De uitspraak van 18 december 2024 was vooraf ook niet aannemelijk en in veel opzichten verrassend.
Het is algemeen aanvaard dat voor het berekenen van het aantal vervoersbewegingen voor een onderzoek stikstofdepositie of verkeer, de kengetallen uit de CROW-publicatie 744 12
Reactie zienswijzen omgevingsplan Winssen Zuid
Parkeerkencijfers 2024 worden gebruikt. Hiermee wordt de verkeersgeneratie op basis van het type en aantal woningen en het gebiedstype bepaald. Voor een onderzoek stikstofdepositie wordt het aantal vervoersbewegingen op basis van het weekdaggemiddelde berekend. In het onderzoek stikstofdepositie van DGMR is het aantal vervoersbewegingen van 1827,4 per etmaal overgenomen uit het onderzoek van Ingenieursbureau Boot dat voor de beoordeling van de verkeersafwikkeling en het parkeren van het plan Winssen Zuid fase 1 is opgesteld 6. De verkeersgeneratie is door Ingenieursbureau Boot op basis van de maximale kengetallen uit de CROW-publicatie berekend. De gemeente legt in planregels vast dat het niet mogelijk is om af te wijken van de planinvulling, zonder met onderzoeken aan te tonen dat met een ander aantal of type woningen onaanvaardbare effecten op de omgeving of Natura 2000-gebieden ontstaan.
k:\doc\m\2020\165500\165507\m2020165507n002v2 reactie zienswijzen winssen zuid dgmr.docx 18-07-2025
Uit bovenstaande toelichting volgt dat het onderzoek stikstofdepositie door DGMR is uitgevoerd op basis van de juiste uitgangspunten. Daarnaast is geborgd dat geen hogere emissie kan ontstaan dan de invulling waarmee de stikstofdepositie is berekend.
In bovenstaande reactie is uitgelegd op basis van welke uitgangspunten DGMR het onderzoek heeft uitgevoerd. In zienswijze 53 wordt daarnaast aangegeven dat in het onderzoek van DGMR niet is onderbouwd tot welk punt het verkeer van het plan is opgenomen in het heersende verkeersbeeld. In paragraaf 4.5 van het onderzoek stikstofdepositie van DGMR is beschreven hoe de verkeersaantrekkende werking is verwerkt in de berekeningen. Het verkeer van een plan of project is opgenomen in het heersende verkeersbeeld op het moment dat de aan- en afrijdende voertuigen zich niet meer onderscheiden van het autonome verkeer. Hierbij weegt ook de verhouding mee tussen het autonome verkeer en het aantal voertuigbewegingen dat ontstaat door het plan of project. De begrenzing van het heersend verkeersbeeld verschilt per situatie en kent geen vaste regels. In het onderzoek van DGMR staat op basis van bovenstaande criteria onderstaande onderbouwing voor de wijze waarop de rijdende voertuigen zijn ingevoerd. De verkeersaantrekkende werking is gemodelleerd tot het opgenomen is in het heersende verkeersbeeld. De verkeersgeneratie, de rijroutes en verkeersverdeling zijn overgenomen uit het onderzoek naar het verkeer van het plan dat is opgesteld door ingenieursbureau Boot7.
De verkeersaantrekkende werking is op basis van de volgende uitgangspunten ingevoerd: • 20% van het verkeer rijdt naar een bestemming binnen Winsen, zoals de supermarkt of de school. De rijroutes zijn tot aan het einde van het dorp ingevoerd. Langs deze routes zijn de belangrijkste reisdoelen binnen de bebouwde kom aanwezig zoals een grote supermarkt, school en kinderopvang. • De overige 80% van het verkeer rijdt in de gebruiksfase het dorp uit via de Leegstraat en de Van Heemstraweg. Voor de bouwfase gaan wij ervan uit dat alle voertuigen via de kortste route van en naar de Van Heemstraweg rijden. Het verkeer is zowel voor de bouw- als gebruiksfase ingevoerd tot de kruising van de Leegstraat met de Van Heemstraweg. 6
Ingenieursbureau Boot (2025), Woningbouwplan Winssen-Zuid te Winssen, 21-03-2025
7
Ingenieursbureau Boot(2025), Woningbouwplan Winssen-Zuid te Winssen, 21-03-2025
13
Reactie zienswijzen omgevingsplan Winssen Zuid
∙ De rijlijnen zijn tot dit punt gemodelleerd, omdat de Van Heemstraweg de eerste kruisende
weg is met een significante verkeersintensiteit in verhouding tot de verkeersgeneratie van het plan. Omdat het verkeer zich volgens de berekeningen van bureau Boot in de gebruiksfase voor 55% in westelijke richting en voor 45% in oostelijke richting over de Van Heemstraweg verdeeld, is het verkeer in de gebruiksfase na het passeren van de kruising voldoende verdund om niet meer herkenbaar te zijn ten opzichte van de verkeersintensiteit van ongeveer 4.700 – 5.300 voertuigbewegingen, waarvan 260 door zware motorvoertuigen, die op de Van Heemstraweg op een gemiddeld etmaal aanwezig zijn. In de bouwfase is het aantal voertuigen dat per etmaal van en naar het plan rijdt significant lager dan in de gebruiksfase. ∙ Naast de aanwezige verkeersintensiteit geldt bovendien dat het verkeer van een project of plan is opgenomen in het heersende verkeersbeeld als dat aansluit op een provinciale weg. Ondanks dat de Van Heemstraweg op het betreffende punt waarop het de Leegstraat kruist niet in beheer is bij de provincie, is deze weg vanwege de regionale doorstroomfunctie en verkeersintensiteit vergelijkbaar met andere provinciale wegen. Daarnaast heeft de provincie het deel van de Van Heemstraweg wel in beheer dat 14 kilometer in westelijke richting van Winssen ligt.
Het feitelijke beheer van een weg is, in tegenstelling tot de verkeersintensiteit en kenmerken van een weg, in principe niet leidend om te beoordelen op welk punt de voertuigen zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld.
k:\doc\m\2020\165500\165507\m2020165507n002v2 reactie zienswijzen winssen zuid dgmr.docx 18-07-2025
Op basis van het feit dat op de Van Heemstraweg een significante verkeersintensiteit in verhouding tot het planverkeer aanwezig is en de weg vanwege de aard en functie vergelijkbaar is met een provinciale weg, is het verkeer van het plan na het passeren van de kruising tussen de Leegstraat en de Van Heemstraweg opgenomen in het heersende verkeersbeeld. 2.3 Bedrijven en milieuzonering
Voor Willems Winssen zijn geluid en stof de maatgevende milieuaspecten. Voor de onderbouwing van het aspect geluid, dat vanwege Willems Winssen ontstaat, heeft DGMR in een gedetailleerd geluidrapport onderbouwd dat binnen het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat uitgaande van de vergunde bedrijfsactiviteiten (zie rapport met kenmerk: M.2021.1199.01.R001, geactualiseerde versie datum: 24-04-2025). Voor het aspect trillingen heeft DGMR in een aparte notitie onderbouwd dat geen onaanvaardbare hinder bij de nieuwe woningen ontstaat (kenmerk: M.2021.1199.02.N001). Voor de analyse van het aspect ‘stof’ is voor dit plan aangesloten bij de systematiek uit de VNGpublicatie Bedrijven en milieuzonering. De VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering is een algemeen geaccepteerd beoordelingskader voor het beoordelen van de invloed van bedrijfsmatige functies in de ruimtelijke ordening. In deze publicatie staan voor verschillende milieuaspecten per bedrijfscategorie richtafstanden waarmee beoordeeld kan worden of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de gevoelige bestemmingen en of belemmeringen optreden voor bestaande bedrijven. In de VNG-publicatie wordt de beoordeling gemaakt op basis van de volgende twee gebiedstypen: 14
Reactie zienswijzen omgevingsplan Winssen Zuid
• •
rustig gebied (woonwijk en rustig buitengebied); gemengd gebied.
Voor het bepalen van het gebiedstype van de omgeving van Willems Winssen sluit DGMR aan bij het akoestisch onderzoek van De Roever (kenmerk: 20140752/D01/SB, datum: 30-12-2014) dat in opdracht van Willems Winssen is opgesteld naar het geluid van het bedrijf voor de gewenste uitbreiding. In dit onderzoek is op basis van de volgende overwegingen uitgegaan van het gebiedstype gemengd gebied: • De in de structuurvisie aangeduide locaties voor mogelijke woningbouw zijn gelegen in een omgeving waarbij meerdere bedrijven zijn gevestigd (metaalbedrijf, loonbedrijf, agrarische bedrijven, transportbedrijf) en diverse maatschappelijke voorzieningen. • De Geerstraat en de Leegstraat vormen de verbindende routes tussen het dorp en de Van Heemstraweg.
k:\doc\m\2020\165500\165507\m2020165507n002v2 reactie zienswijzen winssen zuid dgmr.docx 18-07-2025
In de VNG-publicatie zijn richtafstanden opgenomen voor verschillende activiteiten. De bedrijfsactiviteiten van Willems Winssen komen het meest overeen met de volgende bedrijfscategorieën uit de VNG-publicatie: • Grondverzetbedrijf • Groothandel in zand en grind • Aannemersbedrijf > 1.000 m2 Volgens de VNG-publicatie is de richtafstand voor stof 10 meter voor een gemengd gebied voor de hierboven beschreven bedrijfscategorieën die overeenkomen met de activiteiten van Willems Winssen. De richtafstand moet worden gemeten vanaf de grens van het bedrijfsterrein tot het bouwvlak waar woningen volgens het omgevingsplan mogen worden gerealiseerd. De grens van het bouwvlak van de nieuwe woningen die met het omgevingsplan mogelijk worden gemaakt, ligt op meer dan 30 meter afstand van de grens van de bestemming bedrijf waarbinnen Willems Winssen haar bedrijfsactiviteiten mag uitvoeren. Naast de beoordeling op basis van richtafstanden kan ook op basis van de regels uit het omgevingsplan en de voorschriften uit de geldende vergunning van Willems Winssen worden gemotiveerd dat op de beoogde locatie van de nieuwe woningen geen onaanvaardbare stofhinder vanwege Willems Winssen mag ontstaan. In artikel 22.20 van het omgevingsplan is voorgeschreven dat het bedrijf geen stofhinder voor de omgeving mag veroorzaken.
Volgens voorschrift 3.3.1 uit de omgevingsvergunning dient Willems Winssen het stof dat ontstaat bij het puinbreken op de volgende manier te beperken: “De puinbreekinstallatie dient voorzien te zijn van een vaste sproei-installatie. Tijdens het breken dient het bouw- en sloopafval zodanig vochtig te zijn of te worden gehouden dat stuiven wordt voorkomen. De dosering van het sproeiwater dient te worden afgestemd op de behoefte. Er mag hierbij geen afvalwater vrijkomen.” Op basis van de richtafstand en de voorschriften uit het omgevingsplan en de geldende vergunning, concluderen wij dat vanwege het aspect ‘stof’ sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat binnen het plangebied. Daarnaast kan de woningbouw de activiteiten van het bedrijf niet belemmeren.
ing. M.H.M. (Michel) van Kesteren DGMR Industrie, Verkeer en Milieu B.V. 15
Reactie zienswijzen omgevingsplan Winssen Zuid
Bijlage 1 Titel
Uitgangspunten AERIUS-berekeningen
M.2020.1655 Woningplan Winssen Zuid Bijlage 1
Uitgangspunten Winssen Zuid Gebruiksfase Verkeer woningen Verkeersgeneratie
Situatie
Gebiedstype
Niet stedelijk
Locatie
Rest bebouwde kom
Onderdeel
Eigendom
koop Vrijstaande woningen koop/huur Rijtjeswoningen koop Twee-onder-één kap woningen koop/huur Appartementen sociale huur Rijtjeswoningen sociale huur Appartementen * (2025) Ingenieursbureau Boot, Woningbouwplan Winssen-Zuid te Winssen, 21-03-2025
Aantal 21 119 41 25 15 38 259
Kengetal* (vervoersbewegingen per etmaal) 8,6 7,8 8,2 6,4 5,2 3,8
Vervoersbewegingen (etmaal)* 180,6 928,2 336,2 160 78 144,4 1827,4 913,7
Aantal koude starts
Bron nr.
Vervoersbewegingen*
Verkeerscategorie
1 2 3 4 5 6 7 Alleen VAW Totaal
159,9 139,3 159,6 179,8 78,8 102,6 72,2 21,5 913,7
Licht verkeer Licht verkeer Licht verkeer Licht verkeer Licht verkeer Licht verkeer Licht verkeer Licht verkeer
Rijtjeswoningen koop/huur 27 25 22 19 12 14
Appartementen sociale huur
3 4 4 5
Twee-onder-één kap woningen 7 6 10 18
Rijtjeswoningen sociale huur 5
5 21
41
15
Vrijstaande woningen
Appartementen koop/huur
6 4 10 15
38 119
38
25
*Het aantal vervoersbewegingen is gedeeld door 2, omdat de rijroutes voor de heen- en terugweg zijn ingevoerd. Voor vijf vrijstaande woningen langs de Leegstraat is alleen de verkeersaantrekkende werking over de openbare wegen ingevoerd Naam VAW 1
VAW 2 VAW 3
VAW 4
Toelichting
Vervoersbewegingen
Route oostelijk deel plan binnen Winssen naar centrum Route oostelijk deel plan binnen Winssen naar van Heemstraweg Route zuidellijk deel plan binnen Winssen naar centrum Route zuidelijk deel plan binnen Winssen naar van Heemstraweg
295,6 1182,2 69,9 279,7
Mogelijke voortzetting agrarische gebruik Mogelijke emissie ammoniak (kg/NH3/ha/jaar)
Activiteit Bemesting land grasland feitelijk Bemesting fruitteelt feitelijk
192 192
Kengetal emissie ammoniak (kg/NH3/ha/jaar) 23,3 18,2
Oppervlakte (ha) 8,2 10,6
Bouwfase Mobiele werktuigen
Mobiel werktuig
Vermogen (kW)
Bouwjaar
Stage-klasse
Gemiddelde motorbelasting (%) (tabel 5 TNO AUB methodiek)
SCR / AdBlue
TNO categorie*
met SCR met SCR met SCR met SCR met SCR met SCR
D D D D D D
Nox emissie* (g/uur)
Nox vracht (kg/jaar)
NH3 emissie* (g/uur)
NH3 vracht (kg/jaar)
92,49
4,75
0,90
0,05
Mobiele kraan (elektrisch) 170-330 Rupskraan t.b.v. gevels plaatsen 300 2021 Stage-V Graafmachine 112 2019 Stage-IV Graafmachine 120 2014 Stage-IV Shovel 114 2020 Stage-IV Heistelling 183 2021 Stage-V Betonmixer 300 2019 Stage-IV * berekend op basis van AUB methodiek (AdBlue verbruik, Uren, en Brandstofverbruik) TNO, 2021 R12305 d.d. 10 december 2021
36,7% hydrauliek - dynamische belast. (bv wielladers/graafmachines) 45,6% hydrauliek - constante belast. (bv wielladers/graafmachines) 45,6% hydrauliek - constante belast. (bv wielladers/graafmachines) 45,6% hydrauliek - constante belast. (bv wielladers/graafmachines) 36,7% hydrauliek - dynamische belast. (bv wielladers/graafmachines) 37,0% transmissie - constante belasting (bv landbouwtrekkers)
Verkeer
Voertuigen Personenwagens en bestelbussen Vrachtwagens
Verkeerscategorie Licht verkeer Zwaar vrachtverkeer
Aantal voertuigen (totaal project)
Aantal voertuigen per jaar
Aantal koude starts per jaar
43.755 5.141
8.751 1.028
8.751 0
Voertuigen (aantal per jaar)
Draaiuren (minuten/voertuig)
Draaiuren (uren/jaar)
Stationaire voertuigen
Activiteit
Verkeerscategorie
Vrachtwagens laden/lossen Zwaar wegverkeer 1.028 3 51 * berekend met kentallen bijlage 1 Stationaire emissies wegverkeer van "Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2024", versie 1, oktober 2024
Draaiuren totaal (uren/jaar)
Brandstof-verbruik (liter/jaar)
AdBlue verbruik (liter/jaar)
NOx vracht (kg/jaar)
NH3 vracht (kg/jaar)
5.150 569 284 633 636 514 386
16.353 3.923 9.804 8.846 9.119 11.408
981 235 588 531 547 684 Totaal Totaal per jaar
91,1 22,6 56,1 51,0 51,8 63,8 336,4 67,3
3,9 0,9 2,4 2,1 2,2 2,7 14,3 2,9
M.2020.1655 Woningplan Winssen Zuid Bijlage 1
Referentie situatie Bemesting grasland Soort mest
Kg N/ha op basis van niet-derogatie
% ammoniakale N
Kg NH3/ha.jr dierlijke mest
Vervluchtigingspercentage
Toegestane kunstmestgift (kg/N/ha/jaar)
Emissiefactor kunstmest (%/NH3/N)
NH3-emissie uit kunstmest (kg NH3/ha/jr)
Toegestane hoeveelheid ammoniak kg/NH3/ha.jr
Percentage soort mest Nederland
170
48%
99,1
17%
16,8
308,0
102,0
206,0
2,5%
6,3
23,1
86%
19,9
170
52%
107,3
17%
18,2
308,0
102,0
206,0
2,5%
6,3
24,5
14% Totaal
3,4 23,3
Kg N/ha op basis van niet-derogatie
% ammoniakale N
Kg NH3/ha.jr dierlijke mest
Vervluchtigingspercentage
Toegestane kunstmestgift (kg/N/ha/jaar)
Emissiefactor kunstmest (%/NH3/N)
NH3-emissie uit kunstmest (kg NH3/ha/jr)
Toegestane hoeveelheid ammoniak kg/NH3/ha.jr
Percentage soort mest Nederland
Gemiddelde verdeling emissie soort mest (kg/NH3/ha/jaar)
170
48%
99,1
17%
16,8
140,0
102,0
38,0
2,5%
1,2
18,0
86%
15,5
17%
18,2
140,0
102,0
38,0
2,5%
1,2
19,4
14% Totaal
2,7 18,2
Rundveemest (86%) Varkensmest (14%)
Kg NH3Stikstofgebruiksnorm NVWerking dierlijke mest vervluchtiging/ha.jr uit gebieden grasland 2025 (kg/N/ha/jaar) dierlijke mest (kg/N/ha/jaar)
Gemiddelde verdeling emissie soort mest (kg/NH3/ha/jaar)
Bemesting fruitteelt
Soort mest Rundveemest (86%) Varkensmest (14%)
170
Activiteit Bemesting land grasland maximaal
Activiteit Bemesting land grasland feitelijk Bemesting fruitteelt feitelijk
52% Oppervlakte bemeste deel (ha) 11,45 Oppervlakte bemeste deel (ha) 1,13 8,67
107,3 Kengetal emissie ammoniak (kg/NH3/ha/jaar) 23,3 Kengetal emissie ammoniak (kg/NH3/ha/jaar) 23,3 18,2 Totaal
Emissie ammoniak (kg/NH3/jaar) 266,7 Emissie ammoniak (kg/NH3/jaar) 26,3 157,7 184,1
Kg NH3Stikstofgebruiksnorm NVWerking dierlijke mest vervluchtiging/ha.jr uit gebieden fruitbomen (kg/N/ha/jaar) dierlijke mest 2025 (kg/N/ha/jaar)
Reactie zienswijzen omgevingsplan Winssen Zuid
Bijlage 2 Titel
AERIUS-berekening volledige bouw in één jaar, volledige gebruiksfase en referentiesituatie gebaseerd op feitelijke gebruik
Reactie zienswijzen omgevingsplan Winssen Zuid
Bijlage 3 Titel
AERIUS-berekening mogelijkheden voortzetting gebruik agrarische gronden