CConstaterende datBeuningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 23 Bijlage motivering 22 Archeologisch onderzoek Leegstraat 14

Raadsvergadering 30 september 2025, gemeente BeuningenBij agendapunt: Tijdelijke Alternatieve Maatregelen (TAM) - Omgevingsplan Hoofdstuk 22c Winssen Zuid fase 124.137 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Archeologische resten uit de periode Laat-Paleolithicum – Mesolithicum worden verwacht in de top van de pleistocene afzettingen, ofwel de terrasafzettingen of komafzettingen van de Laag van Wijchen. Op deze afzettingen ontbreken vegetatieniveaus en hierom kan deze verwachting naar laag worden bijgesteld. De lage verwachting voor de periode Nieuwe tijd in het plangebied is bevestigd door het booronderzoek. De overslagafzettingen zijn verstoord geraakt bij recente bouw- en sloopwerkzaamheden. Geen vondsten aangetroffen

Proefsleuvenonderzoek

Zaaknummer: Uitvoerder: Datum: 5120052100 Transect 30-09-2021 320 meter ten noorden van het plangebied Winssen, gemeente Beuningen X:177.017 / Y:432.675 Vondstmateriaal dat is aangetroffen tijdens het proefsleuvenonderzoek toont aan dat het plangebied vanaf de (Romeinse) IJzertijd in gebruik is en in de Volle-Middeleeuwen werd bewoond. Uit overige perioden zijn geen nederzettingssporen

opgegraven, maar deze kunnen zich nog op een dieper niveau (vlak 2 op 5,4 - 6,6 m +NAP) bevinden. In de top van de komklei bevindt zich namelijk nog een vegetatiehorizont, die archeologische resten uit de periode Neolithicum - Bronstijd kan herbergen. Dit niveau werd maar sporadisch bereikt tijdens het proefsleuvenonderzoek, veroorzaakt door de grote dichtheid aan voornamelijk volmiddeleeuwse sporen in het niveau van vlak 1 (ca. 7,00 - 7,30 m +NAP). Dit middeleeuwse niveau in de top van de crevasseafzettingen zal eerst nader onderzocht moeten worden, voordat een dieper gelegen en ouder niveau kan worden onderzocht. Vondsten Begin datering Eind datering 2 fragmenten schelp

IJzertijd

Nieuwe tijd

280 fragmenten dierlijk bot

IJzertijd

Nieuwe tijd

3 fragmenten huttenlemen hutteleem

IJzertijd

Nieuwe tijd

308 fragmenten aardewerken gebruiksvoorwerp

IJzertijd

Nieuwe tijd

3 fragmenten hout

IJzertijd

Nieuwe tijd

58 fragmenten bouwaardewerken bouwmateriaal

Romeinse tijd

Recent

2 fragmenten vuursteen

onbekend

onbekend

82 fragmenten natuursteen

onbekend

onbekend

9 fragmenten metalen metaalslak

onbekend

onbekend

6 fragmenten metaal

onbekend

onbekend

Sporen

Begin datering

Eind datering

22 paalgaten/paalkuilen

IJzertijd

Nieuwe tijd

3 kuilen

IJzertijd

Nieuwe tijd

4 greppels/sloten

IJzertijd

Nieuwe tijd

Geen complexen aangetroffen of gemeld in ARCHIS

Opgraving

Zaaknummer: Uitvoerder: Datum: 5213502100 Transect 31-03-2022 320 meter ten noorden van het plangebied Winssen, gemeente Beuningen X:177.017 / Y:432.675 In het onderzoeksgebied is een erf aangetroffen waarvan de voorlopige datering tussen circa 850 - 1500 ligt. Het is nog niet duidelijk of het vondstmateriaal een continue bewoning in het onderzoeksgebied weerspiegeld of dat er sprake is van twee perioden met een hiaat ertussen. Geen vondsten gemeld in ARCHIS Geen grondsporen gemeld in ARCHIS Geen complexen gemeld in ARCHIS

Booronderzoek

Zaaknummer: Uitvoerder: Datum: 5148347100 Transect 04-01-2022 320 meter ten oosten van het plangebied Winssen, gemeente Beuningen X:177.221 / Y:432.415 Uit het veldonderzoek is gebleken dat sprake is van zowel historische ophooglagen als intacte oeverafzettingen. Tot een diepte van 40-50 cm -Mv is sprake van de moderne bouwvoor in de top van ophooglagen. Deze ophooglagen zijn historisch van aard, gezien de aanwezigheid van stukken puin uit de 18e en 19e eeuw. Deze ophooglagen zijn aangetroffen tot een diepte van 100- 130 cm -Mv (7,5-7,8 m +NAP) en kunnen resten bevatten uit de periode Late-Middeleeuwen – Nieuwe tijd. Daarnaast zijn vanaf de onderzijde van deze ophooglagen intacte oeverafzettingen aangetroffen waarin sprake kan zijn van archeologische resten uit de IJzertijd tot en met de Late-Middeleeuwen. Gezien de intactheid van deze afzettingen is sprake van een hoge verwachting. Deze oeverafzettingen zijn aanwezig tot een diepte van 180-275 cm -Mv (6,1-7,1 m +NAP). Daarnaast is ter plaatse van boringen 4 en 5 vermoedelijk de Laag van Wijchen aangeboord, die ook een archeologisch relevant niveau vormt vanaf een diepte van 260-300 cm -Mv (5,8-5,9 m +NAP), waarin vermoedelijke resten uit het Neolithicum tot en met de IJzertijd aangetroffen kunnen worden. Geen vondsten aangetroffen

Bureauonderzoek en Booronderzoek

Zaaknummer: 4035577100 en 4035585100

Uitvoerder: Econsultancy BV

Datum: 20-02-2017

340 meter ten zuidwesten van het plangebied Winssen, gemeente Beuningen X:176.609 / Y:431.858 Vanuit het bureauonderzoek is de verwachting alleen hoog op het aantreffen van archeologische resten uit de perioden vanaf de Late-IJzertijd. Vanaf het (Laat-)Paleolithicum t/m het Midden-Neolithicum (Jagers-Verzamelaars) had het plangebied namelijk een ligging binnen vlechtende riviervlakte (Terras X), overgaand naar een ligging binnen een komgebied. Ook in de perioden Laat-Neolithicum - Midden-IJzertijd (Landbouwers) had het plangebied een relatief lage ligging in een komgebied. Met het ontstaan van de meandergordel van de Waal die vanaf circa 210 voor Chr. (LateIJzertijd) tot heden actief is kreeg het plangebied een landschappelijke ligging in een overgangszone tussen de ten noorden hogere delen van de oeverwal, direct naast dan wel nog binnen de meandergordel, en de ten zuiden lager gelegen komgebieden. Hoewel de hogere delen van de oeverwal de meest gunstige condities hadden werden deze overgangszones ook als gunstige bewoningslocaties gezien. Binnen het plangebied werden tijdens de actieve fase van de meandergordel van de Waal (en voordat bedijking plaatsvond) oeverwalafzettingen (zandige kleien) gesedimenteerd.

Ten aanzien van de perioden met een hoge archeologische verwachting, vanaf de Late-IJzertijd, worden archeologische resten verwacht in/in de top van de afdekkende laag oeverafzettingen. Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase direct gecombineerd met de karterende fase) blijkt dat de aangetroffen bodemopbouw goed overeenkomt met de verwachte bodemopbouw op basis van de paleogeografische kaart met archeologische verwachtingen van de gemeente Beuningen. Deze bestaat uit een circa 80 cm dikke afdekkende laag oeverwalafzettingen, gesedimenteerd tijdens de actieve fase van de meandergordel/stroomgordel van de Waal (en voordat bedijking plaatsvond), met hieronder komafzettingen. Tussen gemiddeld 115 en 135 cm -mv is een zogenaamde vegetatiehorizont of laklaag aanwezig. Een vegetatiehorizont duidt op een periode, meest waarschijnlijk tijdens het Neolithicum of de Bronstijd, dat sedimentatie gering was. Door vegetatiegroei en vervolgens afbraak ontstond er onder het voormalige maaiveld een humeuze bovenlaag (Ab-horizont) die heden begraven ligt onder de vanaf de Late-IJzertijd gesedimenteerde oeverwalafzettingen. In de perioden vóór de Late-IJzertijd had het plangebied wel een relatief lage/komachtige ligging en was als bewoningslocatie niet gunstig (te natte/drassige omstandigheden).

De komafzettingen lopen door tot het einde van de boordiepte, tot 220 cm -mv. Het aanwezige bodemprofiel betreft een kalkhoudende poldervaaggrond en is afgezien van de huidige bouwvoor intact. In géén van de boringen zijn archeologische resten aangetroffen. Ook concentraties van houtskool of fosfaatvlekken, welke een aanwijzing kunnen zijn voor de aanwezigheid van een door de mens gevormde cultuurlaag, of indicatoren die kunnen wijzen op een oudere woongrond, zijn niet waargenomen. Op basis van deze resultaten is er geen aanleiding om de aanwezigheid van een archeologische vindplaats in het plangebied te vermoeden. Geen vondsten aangetroffen

Booronderzoek

Zaaknummer: 5312096100 380 meter ten noordwesten van het plangebied Winssen, gemeente Beuningen X:176.397 / Y:432.585 Geen resultaten bekend binnen ARCHIS.

Uitvoerder: Transect

Datum: 21-11-2022

Geen vondsten aangetroffen of gemeld in ARCHIS

Bureauonderzoek Zaaknummer: Uitvoerder: Datum: rnBooronderzoek 4714535100 Transect 14-06-2019 380 meter ten oosten van het plangebied Winssen, gemeente Beuningen X:177.275 / Y:432.415 Op basis van het bureauonderzoek geldt een hoge verwachting voor de aanwezigheid van archeologische resten uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Naar verwachting ligt het plangebied in en langs een geul van een oude meandergordel van de Waal, die actief is geweest tot 500 n. Chr. Ná het inactief worden van de meandergordel zou het plangebied bewoonbaar kunnen zijn geweest. Langs de geul is een weg aangelegd en werd erlangs gewoond in de Nieuwe tijd, maar mogelijk ook eerder. Op basis van historisch kaartmateriaal worden er geen bebouwings- of erfgerelateerde archeologische resten vanaf de 19e eeuw verwacht in het plangebied. De aanwezigheid van dergelijke resten uit de Middeleeuwen en vroege Nieuwe tijd kan echter niet worden uitgesloten en de verwachting hierop is hoog. Uit het booronderzoek blijkt dat in het oosten van het plangebied inderdaad een geul gelegen is, die tot minimaal 5,00 m -Mv diepte ligt. In het oosten is geen geul aangetroffen en zijn beddingafzettingen aanwezig op een diepte van 110 cm -Mv. Op de rivierafzettingen is een verstoringspakket aanwezig van 110 tot 150 cm dikte.

In dit pakket zijn geen aanwijzingen gevonden dat het een potentiële archeologische laag voor de periode Middeleeuwen – Nieuwe tijd betreft, aangezien er sprake is van recent bouwpuin in het gehele pakket. De archeologische verwachting voor deze periode kan naar laag worden bijgesteld. Er blijft een theoretische verwachting in stand op watergerelateerde archeologische resten in de intacte geulafzettingen. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat deze aanwezig zijn, maar het kan niet uitgesloten worden.

Geen vondsten aangetroffen

Booronderzoek

Zaaknummer: Uitvoerder: Datum: 5013076100 Transect 07-04-2021 410 meter ten zuidwesten van het plangebied Winssen, gemeente Beuningen X:176.494 / Y:431.829 Uit het booronderzoek blijkt sprake van de, vanuit het bureauonderzoek, verwachte bodemopbouw. Er zijn oever- op komafzettingen van de Waal aangetroffen. In de komafzettingen is op 130-150 cm -Mv sprake van een laklaag. Deze bood in het verleden mogelijk gunstige omstandigheden voor bewoning. De top van de oeverafzettingen is vermengd geraakt met een 50-85 cm dikke oude woongrond. Een deel van de woongrond is opgenomen in de moderne bouwvoor (tot circa 25-35 cm -Mv). In de oude woongrond is in het oosten sprake van baksteenpuin, glasfragmenten en natuursteen, dat kan duiden op oude bebouwing. Eén boring is hier op ondoordringbaar puin gestaakt op 80 cm -Mv. In het westen, waar de vondstzichtbaarheid beter was (braakgelegen akker), zijn diverse aardewerkfragmenten en pijpaardewerk gevonden uit de 16e-19e eeuw (en mogelijk 15e-16e eeuw). De bodemstratigrafie en de archeologische indicatoren duiden tezamen op de mogelijke aanwezigheid van archeologische resten uit de Late-Middeleeuwen/Nieuwe tijd. In het oosten wordt rekening gehouden met stenen bouwelementen; in het westen met erf-gerelateerde resten en resten van landgebruik. Vondsten Begin datering Eind datering 11 fragmenten aardewerken gebruiksvoorwerp

Late-Middeleeuwen

Nieuwe tijd

1 fragment pijpaarden pijp

Nieuwe tijd

Nieuwe tijd

Booronderzoek

Zaaknummer: Uitvoerder: Datum: 4649841100 Transect 16-11-2018 430 meter ten noordwesten van het plangebied Winssen, gemeente Beuningen X:176.489 / Y:432.753 Op basis van het bureauonderzoek bevindt het plangebied zich vermoedelijk op een oeverwal van de Waal. Hierop is theoretisch gezien bewoning mogelijk geweest vanaf de IJzertijd (aangezien in die tijd de Waal actief geworden is). Sindsdien lag het plangebied naar verwachting relatief hoger in het landschap en bood het bewoningsmogelijkheden tot in de Late-Middeleeuwen. Ook na de bedijking was het plangebied bewoonbaar. De verwachting op archeologische resten uit die periode is volgens het bureauonderzoek hoog. Voor wat betreft de archeologische perioden vóór de IJzertijd is de verwachting laag, aangezien voor die periode binnen het plangebied geen aanwijsbare archeologisch relevante landschapselementen aanwezig zijn (kom). Voor wat betreft de Nieuwe tijd geldt op basis van het bureauonderzoek een lage archeologische verwachting. Er zijn geen aanwijzingen dat in het plangebied in het begin van de 19e eeuw bebouwing gestaan heeft. Hiermee is de verwachting op oudere bebouwing eveneens lag (teruggaand tot 1500 na Chr.). Op basis van het veldonderzoek is vastgesteld dat het plangebied in de overstromingsvlakte van de rivier de Waal heeft gelegen, waarvan in de ondergrond overstromingsafzettingen zijn gevonden (komafzettingen).

De verhoogde siltigheid van het traject tussen circa 60 en 80 cm -Mv wijst op de aanwezigheid van oeverafzettingen. De dikte van dit pakket is echter gering; de oorspronkelijke top ervan lijkt hier te zijn verdwenen. Waar dit exact mee samenhangt is niet exact duidelijk, maar getuige de aanwezigheid van puin in de lagen direct op deze oeverafzettingen zou het samen kunnen hangen met de ingebruikname van het terrein als bedrijfslocatie. Van een oeverwal is in ieder geval geen sprake. Ook concrete archeologische aanwijzingen zijn niet gevonden. De geringe dikte van oeverafzettingen in het plangebied, het ontbreken van archeologische aanwijzingen in de boringen en de beperkte intactheid van de bodemopbouw ter plaatse van het toekomstig bouwvlak bevestigt de op voorhand hoge archeologische verwachting uit het bureauonderzoek niet. De kans is klein dat op deze plek nog intacte nederzettingsresten aangetroffen zullen worden. Het is zelfs mogelijk dat het aangetroffen puin deel uitmaakt van een vroegere woning die in het onderzochte deel van het plangebied gestaan heeft. Voor de rest van het plangebied blijft de verwachting van het terrein bestaan, aangezien daar geen toetsing van het verwachtingsmodel heeft plaatsgevonden. Geen vondsten aangetroffen

Bureauonderzoek

Zaaknummer: Uitvoerder: Datum: 5389955100 Hamaland Advies vof 04-04-2023 430 meter ten noordoosten van het plangebied Winssen, gemeente Beuningen X:177.080 / Y:432.747 Voor het plangebied geldt volgens het uitgevoerde bureauonderzoek een (middel-)hoge verwachting op archeologische resten van bewoning en/of landgebruik vanaf het Laat-Paleolithicum t/m de recente tijd. Eerder uitgevoerde onderzoeken in de omgeving van het plangebied hebben op verscheidene niveaus binnen de crevasse- en komafzettingen archeologisch kansrijke lagen (vegetatiehorizonten) uit de periode vanaf de Late-Bronstijd/Vroege-IJzertijd, mogelijk ook uit het

Neolithicum/Vroege-Bronstijd, aangetoond. De bekende archeologische resten binnen het onderzoeksgebied duiden op (bewoning en) landgebruik in de periode IJzertijd-Romeinse tijd, evt. Vroege-Middeleeuwen A/B, alsmede bewoning en agrarisch landgebruik vanaf de Vroege-Middeleeuwen C t/m de recente tijd. Archeologische resten uit de Midden- en LateNieuwe tijd (incl. recente tijd) kunnen vanaf het maaiveld, oudere resten op diverse niveaus vanaf ca. 0,5 m -mv aangetroffen worden. Dit houdt in dat mogelijk archeologisch relevante niveaus verstoord worden bij de geplande graafwerkzaamheden. Booronderzoek

Zaaknummer: Uitvoerder: Datum: 5431133100 BAAC BV 16-05-2023 430 meter ten noordoosten van het plangebied Winssen, gemeente Beuningen X:177.084 / Y:432.747 Op basis van de resultaten van het verkennend booronderzoek kan worden geconcludeerd dat de bodemopbouw binnen het plangebied overeenkomt met de in het bureauonderzoek vermelde verwachte bodemopbouw. De verwachte crevasse-afzettingen met bodemvorming in de top alsmede de daaronder gelegen komkleien met laklaag zijn daadwerkelijk aangetroffen. Aan de onder de overslaggronden aanwezige crevasse-afzettingen moet, conform de in het bureauonderzoek opgestelde verwachting, een hoge verwachting worden toegekend. Het betreft hier de verwachting op vondstmateriaal en sporen uit de Vroege-Middeleeuwen C tot en met de Nieuwe tijd. Aangezien deze bodemlaag in alle (geplaatste) boringen is aangetroffen, geldt deze verwachting voor het gehele plangebied. De top van dit pakket bevindt zich op gemiddeld 7,7 m + NAP (vanaf 70 cm -mv). Conform de verwachting zoals opgesteld in het bureauonderzoek, is op een hoogte van gemiddeld 6,5 m + NAP (circa 2 m -mv) een laklaag in komklei aangetroffen. Op basis van het veldonderzoek is aan deze lag een middelhoge verwachting toegekend. Het betreft hier namelijk komafzettingen waarin zich een natuurlijke laklaag heeft gevormd. Komgebieden vormden niet de meest aantrekkelijke vestigingsgebieden (te nat).

In de directe omgeving van het plangebied zijn in deze laag echter wel degelijk vondsten aangetroffen. Derhalve kan dit voor onderhavig plangebied niet geheel worden uitgesloten. Geen vondsten aangetroffen of gemeld in ARCHIS

Proefsleuvenonderzoek

Zaaknummer: Uitvoerder: Datum: 5469586100 BAAC BV 10-10-2023 430 meter ten noordoosten van het plangebied Winssen, gemeente Beuningen X:177.083 / Y:432.744 Er is geen vindplaats aangetroffen. De stratigrafie (twee archeologische niveaus) zoals in het vooronderzoek beschreven is bevestigd en deels intact. Geen vondsten aangetroffen Geen grondsporen aangetroffen Geen complexen aangetroffen

Bureauonderzoek en Booronderzoek

Zaaknummer: Uitvoerder: Datum: 3294087100 en Econsultancy BV 21-07-2015 3294095100 460 meter ten zuidwesten van het plangebied Winssen, gemeente Beuningen X:176.221 / Y:432.038 Vanuit het bureauonderzoek is de verwachting alleen hoog op het aantreffen van archeologische resten uit de perioden vanaf de Late-IJzertijd. Vanaf het (Laat-)Paleolithicum t/m het Midden-Neolithicum (Jagers-Verzamelaars) had het plangebied namelijk een ligging binnen vlechtende riviervlakte (Terras X), overgaand naar een ligging binnen een komgebied. Ook in de perioden Laat-Neolithicum - Midden-IJzertijd (Landbouwers) had het plangebied een relatief lage ligging in een komgebied. Met het ontstaan van de meandergordel van de Waal die vanaf circa 210 voor Chr. (LateIJzertijd) tot heden actief is kreeg het plangebied een landschappelijke ligging in een overgangszone tussen de ten noorden hogere delen van de oeverwal, direct naast dan wel nog binnen de meandergordel, en de ten zuiden lager gelegen komgebieden. Hoewel de hogere delen van de oeverwal de meest gunstige condities hadden werden deze overgangszones ook als gunstige bewoningslocaties gezien. Binnen het plangebied werden tijdens de actieve fase van de meandergordel van de Waal (en voordat bedijking plaatsvond) oeverwalafzettingen (zandige kleien) gesedimenteerd.

Ten aanzien van de perioden met een hoge archeologische verwachting, vanaf de Late-IJzertijd, worden archeologische resten verwacht in/in de top van de afdekkende laag oeverafzettingen. Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase direct gecombineerd met de karterende fase) blijkt dat de aangetroffen bodemopbouw goed overeenkomt met de verwachte bodemopbouw op basis van de paleogeografische kaart met archeologische verwachtingen van de gemeente Beuningen. Deze bestaat uit een circa 80 cm dikke afdekkende laag oeverwalafzettingen,

gesedimenteerd tijdens de actieve fase van de meandergordel/stroomgordel van de Waal (en voordat bedijking plaatsvond), met hieronder komafzettingen. Tussen gemiddeld 150 en 170 is een zogenaamde vegetatiehorizont of laklaag. Een vegetatiehorizont duidt op een periode, meest waarschijnlijk tijdens het Neolithicum of de Bronstijd, dat sedimentatie gering was. Door vegetatiegroei en vervolgens afbraak ontstond er onder het voormalige maaiveld een humeuze bovenlaag (Ab-horizont) die heden begraven ligt onder jongere sedimenten. Tijdens deze periode behield het plangebied wel zijn relatief lage/komachtige ligging. Als bewoningslocatie had het plangebied destijds geen gunstige ligging. De komafzettingen lopen door tot het einde van de boordiepte, tot 220 cm -mv. Het aanwezige bodemprofiel betreft een kalkhoudende poldervaaggrond en is afgezien van de huidige bouwvoor intact. In géén van de boringen zijn archeologische resten aangetroffen. Ook concentraties van houtskool of fosfaatvlekken, welke een aanwijzing kunnen zijn voor de aanwezigheid van een door de mens gevormde cultuurlaag, of indicatoren die kunnen wijzen op een oudere woongrond, zijn niet waargenomen. Op basis van deze resultaten is er geen aanleiding om de aanwezigheid van een archeologische vindplaats in het plangebied te vermoeden. Geen vondsten aangetroffen of gemeld in ARCHIS

Bureauonderzoek

Zaaknummer: Uitvoerder: Datum: 2262146100 Oranjewoud BV 15-10-2009 470 meter ten zuidoosten van het plangebied Rotonde Plakstraat Winssen te Winssen, gemeente Beuningen X:177.377 / Y:432.105 Afgaande op de datering van de binnen het plangebied en in de directe omgeving hiervan gelegen stroomruggen kunnen vindplaatsen vanaf de het Neolithicum worden verwacht, maar met name uit de IJzertijd, en vooral uit de Romeinse tijd en Vroege- en Late-Middeleeuwen. Er worden nederzettingsterreinen en/of (bijbehorende) begravingen/grafveld(en) verwacht. Daarnaast kunnen eventuele resten van een Romeinse weg worden verwacht alsmede de funderingen van een schoolgebouwtje uit de Nieuwe tijd. Aangezien dergelijke vindplaatsen zich manifesteren in de vorm van een duidelijk herkenbare vondstlaag, wordt geadviseerd het plangebied middels een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, karterende fase, te onderzoeken. Het booronderzoek dient om de aanwezigheid van een vindplaats (nederzetting) vast te stellen, en om eventuele verstoringen en de bodemopbouw (o.a. aan- af afwezigheid van oeverafzettingen) te bepalen. Booronderzoek

Zaaknummer: Uitvoerder: Datum: 2440273100 Bureau voor Archeologie 10-04-2014 480 meter ten oosten van het plangebied Ir van Stuivenbergweg 39 te Winssen, gemeente Beuningen X:177.402 / Y:432.437 In het plangebied zijn zeven boringen gezet tot maximaal 400 cm – mv. Hieruit blijkt dat in de ondergrond oeverafzettingen op beddingafzettingen aanwezig zijn. In het middendeel en in het noordelijk deel ligt op de oeverafzettingen een omgewerkte en opgehoogde laag van 70 tot 120 cm dik. Ten zuiden van het huidige erf is de bodem omgewerkt tot minimaal 150 cm diep. De top van de beddingafzettingen van de Waal ligt op 220 cm -mv. Geen vondsten aangetroffen of gemeld in ARCHIS

Bureauonderzoek

Zaaknummer: 5428956100 480 meter ten oosten van het plangebied Winssen, gemeente Beuningen X:177.397 / Y:432.412 Geen resultaten bekend binnen ARCHIS.

Booronderzoek

Uitvoerder: Bureau voor Archeologie

Datum: 09-05-2023

Zaaknummer: Uitvoerder: Datum: 5428964100 Bureau voor Archeologie 09-05-2023 480 meter ten oosten van het plangebied Winssen, gemeente Beuningen X:177.397 / Y:432.412 Het bodemmateriaal bestaat uit sterk/uiterst siltige en zandige klei (oeverafzettingen) op zand (beddingafzettingen). De top van de beddingafzettingen ligt tussen -3,5 en -4 m-mv. In twee boringen een fosfaat verkleuring aanwezig (1 keer ondiep, op ca. 70 en 1 keer diep, op 310), onduidelijk of dat oud is. Verder geen indicatoren gevonden. Geen vondsten aangetroffen of gemeld in ARCHIS

Bijlage 4.

Vondstmeldingen

Gevonden tijdens: Zaaknummer: niet-archeologisch: kartering 2814331100 170 meter ten zuiden van het plangebied Leegstraat te Winssen, gemeente Beuningen X:176.800 / Y:432.000 Oude woongrond. Middeleeuwse en latere bewoning. Vondsten

Vinder: Stichting voor Bodemkartering

Vondst datum: 01-01-1948

Begin datering

Eind datering

fragmenten keramisch aardewerk, ondetermineerbaar Complexen

Late-Middeleeuwen

Nieuwe tijd

Begin datering

Eind datering

1 Bewoning (inclusief verdediging) onbepaald

Late-Middeleeuwen

Nieuwe tijd

Gevonden tijdens: Zaaknummer: niet-archeologisch: graafwerk 3101281100 300 meter ten noorden van het plangebied Winssen-Dorp te Winssen, gemeente Beuningen X:176.940 / Y:432.650 geen toelichting bekend binnen ARCHIS Sporen

Vinder: particulier

Vondst datum: 01-01-1965

Begin datering

Eind datering

1 waterput/waterreservoir

Middeleeuwen

Middeleeuwen

Complexen

Begin datering

Eind datering

1 Bewoning (inclusief verdediging) onbepaald

Middeleeuwen

Middeleeuwen

Gevonden tijdens: Zaaknummer: niet-archeologisch: graafwerk 2724770100 300 meter ten noorden van het plangebied Winssen te Winssen, gemeente Beuningen X:176.770 / Y:432.670 Datering: 13e t/m 14e eeuw. Vondsten

Vinder: particulier

Vondst datum: 01-01-1972

Begin datering

Eind datering

fragmenten keramisch kogelpot

Late-Middeleeuwen B

Late-Middeleeuwen B

fragmenten keramisch grijsbakkend handgevormd: kom fragmenten keramisch steengoed: kan

Late-Middeleeuwen B

Late-Middeleeuwen B

Late-Middeleeuwen B

Late-Middeleeuwen B

Complexen

Begin datering

Eind datering

3 Bewoning (inclusief verdediging) onbepaald

Late-Middeleeuwen B

Late-Middeleeuwen B

Gevonden tijdens: Zaaknummer: niet-archeologisch: kartering 3101273100 340 meter ten noordwesten van het plangebied Kennedysingel te Winssen, gemeente Beuningen X:176.550 / Y:432.650 Oude woongrond. Vondsten

Vinder: Stichting voor Bodemkartering

Vondst datum: 01-01-1948

Begin datering

Eind datering

fragmenten keramisch aardewerk, ondetermineerbaar Complexen

Late-Middeleeuwen

Nieuwe tijd

Begin datering

Eind datering

1 Bewoning (inclusief verdediging) onbepaald

Late-Middeleeuwen

Nieuwe tijd

Gevonden tijdens: Zaaknummer: archeologisch 3108386100 350 meter ten zuidwesten van het plangebied Gasthuishof, Winssen te Winssen, gemeente Beuningen

Vinder: particulier

Vondst datum: Onbekend

X:176.500 / Y:431.950 Ter plaatse zijn verschillende kavelsloten opgehaald i.v.m. ruilverkaveling. Stroomrug, klei op blauwe komklei. Vondsten Begin datering Eind datering fragmenten keramisch steengoed

Nieuwe tijd Vroeg

Nieuwe tijd Midden

fragmenten metalen werktuig/gereedschapsonderdeel Complexen

Nieuwe tijd Vroeg

Nieuwe tijd Midden

Begin datering

Eind datering

2 complextype niet te bepalen

Nieuwe tijd Vroeg

Nieuwe tijd Midden

Bijlage 5.

Bewoningsgeschiedenis van Nederland

Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot circa 8800 v. Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, circa 300.000130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het Laat-Paleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (circa 8800-4900 v. Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (circa 9000 v. Chr.) verbeterde het klimaat voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.

Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, en maakte plaats voor meer territorium gebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (circa 5300-2000 v. Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.

Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolithische bevolking die een half agrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels. Bronstijd (circa 2000-800 v. Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit.

De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste instantie voortgezet, maar rond 1200 v. Chr. vervangen door begravingen in

urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in NoordwestEuropa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het LaatNeolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (circa 800-12 v. Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd. Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen (raatakkers). Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven.

De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (circa 12 v. Chr. - 450 n. Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron. Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 n. Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 n. Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker. In veel inheemsRomeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting.

De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de derde eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. Middeleeuwen (circa 450-1500 n. Chr.) Over de Vroege-Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 n. Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen. De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Romeinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand.

Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'.

Vanaf de 10e – 11e eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adellijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie. Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling die resulteert in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriële revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt.

Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19e tot het begin van de 20e eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat zich tot in het begin van de 20e eeuw uit in de kunsten.

Bijlage 6.

AMZ-cyclus

Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan de bevoegde overheid besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.

Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.

De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.

Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan de bevoegde overheid beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen en indien proefsleuvenonderzoek door praktische redenen niet uitvoerbaar is, kan besloten worden tot proefsleuven variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.

De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan de bevoegde overheid besluiten over te gaan tot een opgraving. Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot een opgraving variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.

Schema van de Archeologische Monumenten Zorg Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling ▼ Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente, Provincie, Rijk) ► Vergunningverlening indien geen onderzoek ▼ noodzakelijk wordt geacht. Bureauonderzoek* (verzamelen gegevens en opstellen verwachtingsmodel) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van ▼ archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie Inventariserend veldonderzoek* (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan ▼ ▼ besloten worden over te gaan op het begeleiden van de Verkennend veldonderzoek ►**** Karterend veldonderzoek graafwerkzaamheden door archeologen.*** Door middel van: Door middel van: - terreininspectie - oppervlaktekartering - booronderzoek** - booronderzoek** - proefsleuven*** ▼ ▼***** Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van ▼ archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie Bewezen of hoge kans op de aanwezigheid van archeologie (eventueel met bouwkundige voorwaarden).

Ook kan ▼****** besloten worden over te gaan op het begeleiden van de Waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** graafwerkzaamheden door archeologen.*** (variant begeleiding) ▼ Besluit ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) archeologie, wel archeologische waarden aanwezig ▼ ▼ maar geen vervolgonderzoek noodzakelijk op grond van Opgraven*** Beschermen waardering. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie Verwijderen van de Bescherming van de (eventueel met bouwkundige voorwaarden). archeologische resten archeologie door door archeologen planaanpassing (variant begeleiding) * Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennende of karterende fase mogelijk, indien een PvA aanwezig is. ** Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. *** Voorafgaand aan het onderzoek dient een PvE en PvA te worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. **** Na een verkennend booronderzoek kan de bevoegde overheid besluiten dat een aanvullend karterend bureauonderzoek moet worden uitgevoerd. ***** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid.

****** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven of een IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid.

Bijlage 7.

Boorstaten

Boornummer

X coördinaat

Y coördinaat

Maaiveld hoogte m + NAP

1

176.758

432.246

7,80

2

176.711

432.254

7,65

3

176.742

432.288

7,75

4

176.698

432.299

7,60

5

176.778

432.328

7,85

6

176.732

432.336

7,75

7

176.825

432.308

8,05

Legenda (conform NEN 5104) grind

klei

geur

Grind, siltig

Klei, zwak siltig

Grind, zwak zandig

Klei, matig siltig

Grind, matig zandig

Klei, sterk siltig

Grind, sterk zandig

Klei, uiterst siltig

Grind, uiterst zandig

Klei, zwak zandig

geen geur zwakke geur matige geur sterke geur uiterste geur

olie geen olie-water reactie zwakke olie-water reactie matige olie-water reactie sterke olie-water reactie Klei, matig zandig

Klei, sterk zandig

zand

uiterste olie-water reactie

p.i.d.-waarde >0

Zand, kleiïg

>1 >10 Zand, zwak siltig

>100

leem

>1000

Zand, matig siltig

Leem, zwak zandig

>10000

Zand, sterk siltig

Leem, sterk zandig

monsters geroerd monster

Zand, uiterst siltig

overige toevoegingen zwak humeus

veen Veen, mineraalarm

matig humeus

Veen, zwak kleiïg

sterk humeus

ongeroerd monster volumering

overig bijzonder bestanddeel Gemiddeld hoogste grondwaterstand grondwaterstand

Veen, sterk kleiïg

zwak grindig

Veen, zwak zandig

matig grindig

Veen, sterk zandig

sterk grindig

Gemiddeld laagste grondwaterstand slib

water

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beuningen&id=9655c3e6-7022-4593-b5c6-aa0a1f1b70d3