CConstaterende datBeuningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 23 Bijlage motivering 22 Archeologisch onderzoek Leegstraat 14

Raadsvergadering 30 september 2025, gemeente BeuningenBij agendapunt: Tijdelijke Alternatieve Maatregelen (TAM) - Omgevingsplan Hoofdstuk 22c Winssen Zuid fase 124.137 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

RAPPORTAGE Archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek Leegstraat 14 (ong.), Winssen, gemeente Beuningen

Rapport archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek Leegstraat 14 (ong.) in Winssen Gemeente Beuningen Opdrachtgever

Jansen Bouwontwikkeling Postbus 278 6600 AG Wijchen

Rapportnummer Versienummer

1

25343.001 3

Datum

11 november 2024

Opsteller2

De heer E. Steijsiger, MSc en de heer ir. E.M. ten Broeke

Kwaliteitscontrole

De heer drs. A.H. Schutte

1

Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid. 2 Vrijgave In onze rapportages wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. Conform protocol en eisen uit het kwaliteitssysteem wordt het rapport aantoonbaar vrijgegeven.

Econsultancy Archeologisch Rapport

KWALITEITSZORG Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Ook is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteitsen milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Daarnaast staat veilig werken bij Econsultancy voorop en zijn we gecertificeerd voor VCA*. BETROUWBAARHEID Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn.

Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie. Al onze rapportages worden opgesteld conform de ‘Handreiking omgaan met AVG in bodemonderzoeken’ opgesteld door de VKB (29 juni 2022). Hiermee voldoet de rapportage aan de eisen die de wet, NEN en KNA protocollen ons stellen en wordt tevens voldaan aan de AVG. Hierbij wordt opgemerkt dat wetgeving, waaronder wettelijke eisen uit de Erfgoedwet, prevaleert boven de AVG. In het kader van de AVG dient, voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering aan derden, bijlagen met kadastrale uittreksels en namen van opdrachtgevers, door de publicerende instantie, verwijderd dan wel zwart gelakt te worden. RECHTEN © Econsultancy bv, Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld.

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot)

Econsultancy Archeologisch Rapport

INHOUDSOPGAVE ADMINISTRATIEVE GEGEVENS PLANGEBIED SAMENVATTING 1

INLEIDING .................................................................................................................................................. 1

2

BUREAUONDERZOEK ................................................................................................................................. 2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9

3

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK ..................................................................................................... 19 3.1 3.2 3.3

4

Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................................. 2 Methoden ...................................................................................................................................... 2 Afbakening en huidige situatie van het plangebied ....................................................................... 3 Toekomstige situatie ...................................................................................................................... 4 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................................. 5 Archeologische waarden ................................................................................................................ 9 Beschrijving van het historische gebruik ...................................................................................... 12 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ...................................................................... 16 Conclusie bureauonderzoek ......................................................................................................... 18

Doelstelling en onderzoeksvragen ............................................................................................... 19 Methoden .................................................................................................................................... 19 Resultaten .................................................................................................................................... 20

CONCLUSIE EN ADVIES ............................................................................................................................ 24

LITERATUUR BRONNEN KAARTEN BIJLAGEN

TABELLEN Tabel 2.1 Tabel 2.2 Tabel 2.3 Tabel 2.4 Tabel 2.5 Tabel 3.1 Tabel 3.2 onderzoek

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Grondwatertrappenindeling Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Verleende bouwvergunningen Gespecificeerde archeologische verwachting Hoofdlijn bodemopbouw de aangetroffen crevasse fasen gerelateerd aan de resultaten van eerder uitgevoerd archeologisch

FIGUREN Figuur 2.1 Figuur 3.1

Verplaatsing van het terrassenkruising. boorstaten naar lithologie met de aangetroffen vegetatie horizonten.

KAARTEN Kaart 1. Kaart 2. Kaart 3. Kaart 4. Kaart 5. Kaart 6. Kaart 7. Kaart 8. Kaart 9. Kaart 10. Kaart 11. Kaart 12. Kaart 13. Kaart 14. Kaart 15. Kaart 16. Kaart 17. Kaart 18. Kaart 19. Kaart 20. Kaart 21. Kaart 22. Kaart 23.

Het plangebied op de topografische kaart (1:25.000) Het plangebied op de kadastrale kaart Het plangebied op een luchtfoto uit 2023 Het plangebied op een luchtfoto uit 2023 met verdeling onderzoeken Het plangebied op de gemeentelijke beleidskaart Het plangebied op de gemeentelijke archeologische waarden- en verwachtingskaart Het plangebied op de Cultuurhistorische kenmerken kaart van de gemeente Beuingen Het plangebied op de Geomorfologische kaart 1: 50.000 van Nederland Het plangebied op het actueel hoogtebestand (AHN4) Het plangebied op de bodemkaart Stroomgordels nabij het plangebied Het plangebied op de zandbanenkaart van Gelderland/Overijssel Archeologische waarden en onderzoeken rondom het plangebied Het plangebied op de kadastrale minuutkaart uit 1811 - 1832 Het plangebied op de militaire topografische kaart uit 1868 Het plangebied op de militaire topografische kaart uit 1920 Het plangebied op de topografische kaart uit 1962 Het plangebied op de topografische kaart uit 1970 Het plangebied op de topografische kaart uit 1978 Het plangebied op de topografische kaart uit 2000 Het plangebied op de topografische kaart uit 2010 Boorpuntenkaart Resultaten van het booronderzoek

BIJLAGEN Bijlage 1. Bijlage 2. Bijlage 3. Bijlage 4. Bijlage 5. Bijlage 6. Bijlage 7.

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken AMK-terreinen Onderzoeksmeldingen Vondstmeldingen Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Boorstaten

ADMINISTRATIEVE GEGEVENS PLANGEBIED Projectcode

25343.001

Opdrachtgever

Jansen Bouwontwikkeling

Toponiem

Leegstraat 14 (ong.)

Plaats

Winssen

Gemeente

Beuningen

Provincie

Gelderland

Kadastrale gegevens

gemeente Ewijk, sectie G: percelen 635, 675, 907, 908, 910, 915, 916

Omvang plangebied

Circa 2 ha; circa 1 ha alleen bureauonderzoek en circa 1 ha bureau- en verkennend booronderzoek

Kaartblad

39H (1:25.000)

Centrumcoördinaten (X/Y)

176.768/432.287

Archeoregio NOaA

13: Utrechts-Gelders rivierengebied

Bevoegde overheid

Gemeente Beuningen I. Heikoop E-mail: i.heikoop@beuningen.nl

Deskundige namens de bevoegde overheid

Regioarcheoloog Nijmegen E. Mietes Tel: +316216 518 44 E-Mail: esther@d7archeologie.nl

Uitvoeringsperiode

Juni 2024

Uitvoerders

Econsultancy, De heer E. Steijsiger, MSc en de heer ir. E.M. ten Broeke (Senior KNA Prospector)

Onderzoeksmelding ARCHIS3

Bureauonderzoek 5611691100

Beheer en plaats documentatie

Econsultancy en op termijn het provinciaal depot

Booronderzoek 5611707100

SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Jansen Bouwontwikkeling in juni 2024 een archeologisch bureauonderzoek binnen het gehele plangebied en een inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) door middel van boringen binnen een deel van het plangebied aan de Leegstraat te Winssen in de gemeente Beuningen uitgevoerd. . Het plangebied is onderdeel van het ontwikkelingsgebied Winssen Zuid, waar een nieuwe woonwijk zal worden gerealiseerd. Voor de ontwikkeling is een omgevingsvergunning nodig. Bij de aanvraag van deze vergunning is gebleken dat voor het plangebied een archeologische onderzoeksplicht geldt. Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om vast te stellen of er archeologische waarden aanwezig kunnen zijn binnen het plangebied en om te bepalen of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. De onderzoeksplicht vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992), de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, 2010) en de Erfgoedwet (2016). Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden.

Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Uit het bureauonderzoek blijkt dat de ondergrond binnen het plangebied waarschijnlijk bestaat uit Pleistocene terrasafzettingen met daarop Holocene rivierafzettingen. Binnen de Holocene rivierafzettingen zijn mogelijk vier verschillende vegetatiehorizonten aanwezig. Deze vegetatiehorizonten zijn (waarschijnlijk) in het Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen in fases ontstaan. Er geldt daarom een hoge archeologische verwachting voor het (Late-)Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Alleen voor het Neolithicum en Vroege-Bronstijd kan een lage verwachting gelden omdat het niet zeker is of er een vegetatie horizont uit deze perioden aanwezig is binnen het plangebied.

Resultaten inventariserend veldonderzoek Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat er binnen het noordelijke deel van het plangebied oeverafzettingen van drie crevasse fasen en geul afzettingen van een vierde crevasse fase aanwezig zijn. De oeverafzettingen van de crevasse fase 1 liggen aan het maaiveld en dateren tot de 3e tot 8e eeuw na Chr. De oeverafzettingen van de crevasse fase 2 liggen vanaf circa 6,7 à 7,0 tot 6,2 à 6,6 m NAP (90 à 110 tot 110 à 170 cm -mv) en dateren tot in

25343.001 versie 3

de IJzertijd/Romeinse tijd. De oeverafzettingen van de crevasse fase 3 liggen tussen 6,2 à 6,5 en 5,2 à 6,0 m NAP (130 à 170 tot 160 à 190 cm -mv) en dateert tot de Midden-Bronstijd. In de top van de afzettingen van deze drie crevasse fasen is een vegetatie horizont aangetroffen. De vegetatie horizont die aanwezig is de afzettingen van fase 3 is ontkalkt, wat betekend dat deze een lange periode aan het maaiveld heeft gelegen. Van de vierde crevasse fase is in het zuidelijke deel van het plangebied geul afzettingen aangetroffen. Op basis van de stratigrafie dateert deze fase waarschijnlijk tot in het Midden-Neolithicum tot Vroege-Bronstijd. In de top van deze crevase fase is geen vegetatie horizont aanwezig. Binnen de delen van het plangebied waar geen afzettingen van de crevasse fase 4 aanwezig zijn, liggen de crevasse afzettingen op komkleiafzettingen afkomstig van de Winssen Stroomgordel (actief van Neolithicum tot en met Bronstijd). Op ongeveer 3,7 á 4,5 m NAP (340 à 400 cm -mv) ligt een dunne Laag van Wijchen op de Pleistocene Laagterras afzettingen. De onderkant van de geul afzettingen van de crevasse fase 4 zijn niet bereikt en liggen dieper dan 500 cm -mv. Wel is duidelijk dat deze crevasse geul zich in het Laagterras heeft gesneden en de Laag van Wijchen en de top van het Laagterras heeft geërodeerd.

Conclusie en advies Omdat er geen vegetatie horizont is aangetroffen in de afzettingen van de crevasse fase 4, geldt er voor de perioden Neolithicum en Vroege-Bronstijd een lage archeologische verwachting. Gedurende deze perioden lagen de geulafzettingen van de crevase fase 4 en de komafzettingen van de Winssen stroomgordel aan het maaiveld binnen het plangebied. Van de crevasse fasen 1, 2 en 3 zijn wel oeverafzettingen met vegetatiehorizonten aangetroffen. Daarom blijft de hoge archeologische verwachting zoals die is weergeven in het bureauonderzoek, gelden. Om deze reden is er binnen het noordelijke deel van het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om de archeologische verwachting te toetsen. Deze kan binnen het gehele plangebied het beste worden uitgevoerd in de karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek. Binnen de delen van het plangebied waar enkel een bureauonderzoek is uitgevoerd is de bodemopbouw zeer waarschijnlijk vergelijkbaar als in het noordelijke deel van het plangebied. Daarom kan dit deel van het plangebied direct meegenomen worden met het vervolgonderzoek. Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het plangebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen.

Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Bovenstaand advies is van Econsultancy. Er is, op grond van de gebruikte onderzoeksmethode, geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven. Over de aan- of afwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig uitsluitsel worden gegeven. Aan dit advies kunnen geen rechten worden ontleend. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Beuningen), die vervolgens het advies over neemt of niet. Het rapport is beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Beuningen). De gemeente is niet akkoord met het bovenstaande advies. oor het plangebied wordt aangesloten bij het selectiebesluit o.b.v. het verkennend booronderzoek in Winssen-Zuid uit 2023 d.d. 21 april 2023. Er moet een vervolgonderzoek in de vorm van een

25343.001 versie 3

karterend booronderzoek worden uitgevoerd. Er dient mechanisch te worden geboord (Avegaar) met een diameter van 15 cm in een grid van 20x17 m. Daar waar op een dieper niveau resten uit de periode Paleolithicum, Mesolithicum en Vroeg-Neolithicum kunnen worden verwacht dient het grid verdicht te worden naar 10x8,5 m. In aanvulling daarop dient de aanleg van enkele proefsleuven ten behoeve van de duiding van de landschappelijke ondergrond te worden besproken als zinvolle optie. Voorafgaand aan het onderzoek dient overleg tussen bevoegd gezag en archeologisch uitvoerder plaats te vinden over de strategie. Aanvullend dient een plan van aanpak te worden opgesteld dat ter goedkeuring dient te worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente Beuningen wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen, moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het is verder raadzaam om ook de gemeente Beuningen op de hoogte te stellen.

25343.001 versie 3

1

INLEIDING

Econsultancy heeft in opdracht van Jansen Bouwontwikkeling een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied aan de Leegstraat 14 (ong.) in Winssen, gemeente Beuningen. Dit plangebied is onderdeel van het groter plangebied Winssen Zuid dat tussen de Kennedysingel, Leegstraat, Van Heemstraweg en de Geerstraat ligt. De opdrachtgever heeft voornemens hier de nieuwe woonwijk Winssen Zuid te realiseren. Het ontwikkelingsgebied Wissen Zuid is al grotendeels archeologisch onderzocht (zie §2.6.1). Voor de ontwikkeling is een omgevingsvergunning nodig. Bij de aanvraag van deze vergunning is gebleken dat voor het plangebied een archeologische onderzoeksplicht geldt. Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om vast te stellen of er archeologische waarden aanwezig kunnen zijn binnen het plangebied en om te bepalen of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. De onderzoeksplicht vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992), de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, 2010) en de Erfgoedwet (2016).

Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2) dat voor het gehele plangebied zal worden uitgevoerd, en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 3) dat enkel binnen de kadastrale percelen gemeente Ewijk, sectie G, percelen 907, 908, 915 en 916 wordt uitgevoerd (zie kaart 4). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4). Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in juni door de heer E. Steijsiger, MSc en de heer ir. E.M. ten Broeke Senior KNA Prospector). Het rapport is gecontroleerd door de heer drs. A.H. Schutte (Senior KNA Archeoloog).

25343.001 versie 3

1 / 25

2

BUREAUONDERZOEK

2.1 Doelstelling en onderzoeksvragen Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Hiervoor wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand van deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld.

2.2 Methoden Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 19‑02‑2018) en volgens de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 19‑02‑2018, protocol 4002), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven volgens specificatie LS06.3 Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht: • • • • •

afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).

Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • • • • • • • •

het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; een recente topografische kaart; recente luchtfoto’s;

3 SIKB.

25343.001 versie 3

2 / 25

• • • • •

het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN4); de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Gelderland; de limeskaart; de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Beuningen; plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging.

2.3 Afbakening en huidige situatie van het plangebied Afbakening plan- en onderzoeksgebied Het plangebied is het gebied waarbinnen de ruimtelijke ontwikkeling plaats vindt. Het onderzoeksgebied is het gebied waarbinnen voor het bureauonderzoek relevante informatie wordt verzameld. Dit is het gebied in een straal van circa 500 m rondom het plangebied. Het ontwikkelingsgebied Winssen Zuid ligt globaal tussen de Leegstraat, Kennedysingel, Geerstraat, Van Heemstraat en heeft een oppervlakte van circa 12 ha. Het plangebied ligt binnen het oostelijke deel van het ontwikkelingsgebied aan de Leegstraat 14 en 14A, ten zuiden van de bebouwde kom van Winssen, in de gemeente Beuningen (zie kaart 1). Het gehele plangebied heeft een oppervlak van circa 2 ha, het deel van het plangebied waar ook een verkennend booronderzoek is uitgevoerd heeft een oppervlakte van circa 1 ha. Het maaiveld ligt volgens het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN4) rond 7,85 m NAP en de centrumcoördinaten van het plangebied zijn X: 176.768 en Y: 432.287. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Ewijk, sectie G en beslaat percelen 635 (gedeeltelijk), 675, 907, 908, 910, 915 en 916 (zie kaart 2). Binnen de percelen 635 (gedeeltelijk), 907, 908, 915 en 916 wordt ook een verkennend booronderzoek uitgevoerd.

Voor andere percelen heeft de opdrachtgever aangegeven dat het (nog) niet mogelijk/wenselijk is om een verkennend booronderzoek uit te voeren. Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens. Het plangebied is momenteel in gebruik als grasland en als boomgaard. In het noordelijke deel van het perceel 635 staat een kas dat als trouwlocatie gebruikt wordt (zie kaart 3). Vigerend beleid Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures.

25343.001 versie 3

3 / 25

Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan Parapluplan Archeologie. Volgens dit bestemmingsplan heeft het plangebied een dubbelbestemming Waarde – Archeologie 2. Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan: 100 m2 en dieper dan 30 cm beneden maaiveld.4 De dubbelbestemming is afgeleid van de archeologische beleidskaart van de gemeente Beuningen en de bijbehorende beleidsnota. Volgens de beleidskaart (zie kaart 5) ligt het plangebied in een waardevol archeologisch terrein, historische dorpskernen, oude woongronden, huisterpen en overige terreinen van archeologisch belang.5 Milieuhygiënische situatie Om te bepalen of de milieuhygiënische situatie in het plangebied een risico vormt voor de uitvoering van archeologisch veldonderzoek, is het omgevingsloket van provincie Gelderland geraadpleegd.6 Binnen het plangebied zijn verschillende bodemonderzoeken uitgevoerd, waaruit is gebleken dat de bodem op basis van de onderzoeken voornamelijk niet ernstig, licht tot matig verontreinigd is. Op het adres van Leegstraat 14a is de bodem potentieel ernstig verontreinigd. Met de Atlas Gelderland7 wil de provincie Gelderland inzicht geven in maatregelen die de afgelopen jaren getroffen zijn om de bodemkwaliteit binnen de provincie in kaart te brengen (bodemonderzoek) of te herstellen (bodemsanering).

Ook laat de Atlas Gelderland zien waar vroeger (bedrijfs-)activiteiten hebben plaatsgevonden die extra aandacht verdienen. Het raadplegen van de Atlas Gelderland heeft voor het plangebied zelf geen aanvullende gegevens opgeleverd.

2.4 Toekomstige situatie Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde. Het plangebied behoort tot het ontwikkelingsgebied Winssen Zuid waar een nieuwe woonwijk zal worden gerealiseerd. Het oppervlak en de diepte van verstoring ten behoeve van de nieuwbouw is onbekend. De geplande werkzaamheden kunnen tot gevolg hebben dat eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord.

4 Portaal voor Ruimtelijke Plannen. 5 Boshoven et al., 2022 6 Omgevingsloket Provincie Gelderland. 7 Atlas Gelderland.

25343.001 versie 3

4 / 25

2.5 Aardwetenschappelijke gegevens Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel 2.1

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied

Type gegevens

Gegevensomschrijving

Geologie8

Formatie van Echteld op Formatie van Krefeteheye

Zanddieptekaart9

Voornamelijk Pleistoceen zand op 2,0 – 3,0 m -mv (22), in het noordelijke gedeelte van het plangebied Pleistoceen zand op 3,0 – 4,0 m -mv (23)

Geomorfologie10

Oostelijke gedeelte plangebied binnen crevasserug (B47), westelijke gedeelte binnen stroomrugglooiing (H43)

Bodem11

Kalkhoudende ooivaaggronden, noordelijke gedeelte bestaande uit licht zavel (Rd10A), zuidelijke gedeelte uit zware zavel en lichte klei (Rd90A).

Grondwatertrap

VI

Landschappelijke ontwikkeling De belangrijkste landschappelijke ontwikkelingen van het plangebied vonden plaats in de laatste ijstijd, het Weichselien (116 – 11,7 duizend jaar geleden) en het huidige geologische tijdperk, het Holoceen (11,7 duizend jaar geleden tot heden). Gedurende het Weichselien bereikte het landijs Nederland niet. Wel heerste er een periglaciaal klimaat waar bijna geen vegetatie kon voorkomen. Aan het begin van het Weichselien stroomde de Rijn ongeveer via het huidige Gelderse IJssel dal naar het noorden. Pas ongeveer vanaf het midden van het Weichselien, vaak aangeduid als het Pleniglaciaal (55.000 tot 13.000 jaar geleden) voerde de Rijn al zijn water in westelijke richting naar de Noordzee af, ten zuiden van de Veluwe stuwwal. Omdat het zeeniveau in deze periode tot 120 meter lager lag dan tegenwoordig, lag de kustlijn van de Noordzee ten westen van het Nauw van Calais. De Rijn stroomde hierdoor over de bedding van de tegenwoordige Noordzee naar het Brits Kanaal, de rivier de Theems, monde uit in de Rijn en was daarmee een zijrivier van de Rijn. De Rijn en de Maas hadden in deze periode een vlechtend karakter met meerdere ondiepe, brede en snel verleggende geulen naast elkaar. Naast de geulen werden voornamelijk grofzandige en grindrijk sediment afgezet in de vorm van banken en terrassen. Deze afzettingen behoren tot de Formatie van Krefteheye.

Het terras dat in deze periode is gevormd wordt aangeduid als het Pleniglaciaal Terras of Laagterras. 8 De Mulder et al., 2003. 9 Cohen et al., 2009. 10 NGR/Wageningen Environmental Research (2019). 11 NGR/Wageningen Environmental Research (2018).

25343.001 versie 3

5 / 25

Aan het einde van het Weichselien, in het Laat-Glaciaal (13.000 tot 10.500 jaar geleden) waren er warme perioden, soms heerste er zelfs een klimaat dat vergelijkbaar is met het huidige klimaat. Het landschap raakte hierdoor geleidelijk aan bedekt met een aaneengesloten vegetatie. Hierdoor verminderde de sedimentaanvoer vanuit het achterland van de Rijn en Maas en werden de afvoer van de rivieren regelmatiger, waardoor de rivieren zich concentreerden in één geul met een meanderend karakter. Tijdens hoogwater overstroomde de rivieren en werd op het Laagterras een stugge zandige kleilaag afgezet dat bekend staat als de Laag van Wijchen (Wijchen I) van de Formatie van Krefteheye. Het Weichselien werd afgesloten met een korte en koude periode, het Jonge Dryas (10.500 – 10.150 jaar geleden). Door de kou stierf de vegetatie weer af en ontstond wederom een open landschap. De Rijn kreeg weer een vlechtend karakter waarbij het Laagterras deels werd geërodeerd en hersedimenteerde in een nieuw gevormd lager gelegen terras, het Terras X. Ook deze afzettingen worden gerekend tot de Formatie van Krefeteheye. Volgens de zanddieptekaart12 liggen de Pleistocene afzettingen van het Laagterras en Terras X voornamelijk op 2,0 – 3,0 mm -mv. Enkel in het noordelijke deel van het plangebied worden deze afzettingen op 3,0 – 4,0 m -mv verwacht.

Met het aantreden van het Holoceen verbeterde het klimaat met stijgende temperaturen en meer neerslag. Op de hogere delen ontwikkelde er loofvegetatie en in de lagere delen veen. De Rijn kreeg weer een meanderend karakter en sneed zich verder in het landschap. Tijdens de eerste overstromingen in het Vroeg-Holoceen werd een nieuwe laag stugge, zandige klei afgezet, aangeduid als de Laag van Wijchen (Wijchen II) van de Formatie van Krefteheye. Deze laag is vergelijkbaar met Wijchen I. Met de stijgende temperaturen, smolt het Scandinavische landijs af en steeg het zeeniveau. Hiermee schoof de terrassenkruising verder stroomopwaarts. Dit is het overgangspunt waar stroomopwaarts een rivier zich voornamelijk in het landschap snijdt en stroomafwaarts voornamelijk aggradeert (ophoogd). In een aggraderend systeem ontstaan er langs de actieve geul oeverwallen en stroomruggen, die voornamelijk uit zandig sediment bestaan. Deze landschapsvormen liggen hoog in het landschap en functioneerde als een natuurlijke dijk. Het fijnere materiaal, voornamelijk bestaande uit klei, wordt tijdens de jaarlijkse overstromingen verder weg van de actieve geul afgezet als komafzettingen. Doordat het maaiveld wordt opgehoogd, verdwijnen de oudere afzettingen over de loop van de tijd onder het jonger sediment.

Alle rivierafzettingen die tijdens het Holoceen zijn afgezet, worden gerekend tot de Formatie van Echteld. De terrassenkruising lag ongeveer 5000 jaar geleden (in het Midden-Neolithicum) ter hoogte van Winssen13 (zie figuur 2.1). Hiervoor stroomde de Rijn in de Winssen stroomgordel welke actief was tussen 6430 – 5105 jaar geleden, in het Vroeg- tot Midden-Neolithicum (zie kaart 11A). Deze stroomgordel wordt gezien als de laatste insnijdende meandergordel en niet als een aggraderende meandergordel. Al is er in de omgeving van het dorp Winssen een dik pakket aan sediment aanwezig van de Winssen stroomgordel. Dit pakket bestaat voornamelijk uit komklei afzettingen op het Laag Terras. Tussen het dorp Winssen en Beuningen (circa 500 meter ten oosten van het plangebied) is in de ondergrond een grote meanderbocht van de stroomgordel aanwezig. De oeverwallen langs deze bocht staken tot in de Romeinse tijd nog boven het landschap uit, en zijn in deze periode

12 Cohen et al., 2009. 13 Brendsen, 2002

25343.001 versie 3

6 / 25

dan ook intensief bewoond geweest. Tegenwoordig liggen de oeverwallen begraven onder de afzettingen van jongere de Waal. Na het passeren van de terrassenkruising, stroomde de Rijn voornamelijk ten noorden van het plangebied. Vanaf de IJzertijd stroomde de Rijn door de Waal ongeveer op zijn huidige locatie actief in verschillende stroomgordels (zie kaart 11B-D). De oeverwallen die langs de rivier ontstonden, waren niet overal even hoog. Hierdoor was het mogelijk dat bij (extreem) hoog water, de rivier over de laagste delen van de oeverwal heen stroomde. Door erosie kon een diepe geul door de oeverwal en in het achterland worden uitgesleten, een zogenaamde crevassegeul. Crevassegeulen gedragen zich als miniatuur rivierbeddingen, met langs de geul kleine oeverwallen en komafzettingen verder weg van de geul. De crevasse-afzettingen zijn lithologisch zeer complex en kunnen op korte afstand sterk verschillen. Meestal slibt een crevassegeul na verloop van de tijd weer dicht me zandige afzettingen. Omdat deze zandige afzettingen minder inklinken dan de kleiige komafzettingen, staken de opgevulde crevassegeulen als ruggen boven het landschap uit. Soms is de crevasse loop voordeliger voor de rivier, en kan de crevasse uitgroeien tot een rivier verlegging, er is dan sprake van een alvulsie. Na de bedijking van de Waal en Maas vanaf circa 1200 na Chr., lagen de rivieren nagenoeg vast.

De meeste crevassegeulen die voor de bedijking nog watervoerend waren, werden na de bedijking afgesneden van de rivier en bleven als laagtes in het landschap achter.

Figuur 2.1 Verplaatsing van het terrassenkruising. Bron: Berendsen, 2002

Uit eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek binnen het ontwikkelingsgebied Winssen Zuid (zie §2.6.1) blijkt dat er waarschijnlijk meerdere crevasse fasen aanwezig zijn binnen het huidige plangebied. De afzettingen van deze fasen liggen op elkaar. Onder de crevasse afzettingen komen waarschijnlijk (kom)klei afzettingen van de Winssen Stroomgordel voor. De diepe ondergrond bestaat uit de Laag van Wijchen op de Pleistocene terras afzettingen van de Formatie van Krefteheye. Binnen Holocene rivierafzettingen zijn verschillende vegetatiehorizonten aangetroffen.

25343.001 versie 3

7 / 25

DINO Het Dinoloket14 is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. In het Dinoloket zijn enkele boringen bestudeerd. 15 Hieruit blijkt dat de ondergrond tot circa 3 m -mv bestaat uit afzettingen van de Formatie van Echteld. Deze bestaan voornamelijk uit siltige klei waarin zandige klei lagen in zijn opgenomen. De onderste laag van de Formatie van Echteld zijn binnen deze boringen beschreven als sterk zandige klei, het gaat hier waarschijnlijk om de Laag van Wijchen van de Formatie van Krefteheye. Vanaf 3 m mv liggen de (grof)zandige Pleistocene afzettingen van de Formatie van Krefetheye, het Laagterras. Geomorfologie De geomorfologische kaart van Nederland geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Volgens de geomorfologische kaart ligt het oostelijke deel van het plangebied binnen een crevasserug (B47), terwijl het westelijke gedeelte binnen stroomrugglooiingen (H43) ligt (zie kaart 8).

Onder de weg Leegstraat en het traject Geerstraaat-Molenstraat lopen twee crevassegeulen naar de huidige Waal toe. Het gaat hier om de crevasseafzettingen die op basis van de eerder uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het ontwikkelingsgebied Winssen Zuid gedateerd kan worden tot in de 3e tot 8e eeuw na Chr. (zie ook §2.6.1). Deze geulen waren mogelijk tot aan de bedijking van de Waal in de 12e eeuw na Chr. watervoerend, en bleven daarna als een laagte achter in het landschap. Circa 600 meter ten zuiden van het plangebied liggen de komgebieden de huidige Waal. Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Het Actueel Hoogtebestand Nederland16 vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Op de AHN is zichtbaar dat het maaiveld vanaf het huidige Waal afloopt naar het zuiden toe. Hierin vormen de crevasse- en stroomgordelruggen hogere delen in het landschap. De lopen van meerdere crevasse geulen zijn nog herkenbaar aanwezig als laagtes in het landschap. Bodemkunde en Grondwatertrap Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het plangebied gekarteerd als kalkhoudende ooivaaggronden. In het noordelijke deel bestaan deze gronden uit lichte zavel.

In het zuidelijke deel bestaan de gronden voornamelijk uit zware zavel17 en lichte klei (zie kaart 10).

14 Dinoloket. 15 DINO boornummers B39H2097, B39H2096, B39H2096. 16 PDOK/Rijkswaterstaat (2023) ‘Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) WCS. 17 Zavel is een mengsel van klei en zand. Waarbij de lichte zavel voornamelijk uit zand bestaat, terwijl de zware zavel voornamelijk uit klei.

25343.001 versie 3

8 / 25

Ooivaaggronden zijn grondsoorten die zich voornamelijk ontwikkelen in rivierafzettingen. Deze gronden behoren tot de vaaggronden wat betekend dat er geen tot weinig bodemvorming heeft plaatsgevonden. De ooivaaggronden kennen relatief lage grondwaterstanden. Hierdoor kan er boven het grondwaterpeil bioturbatie optreden. Door dit proces wordt de bodemopbouw gehomogeniseerd en heeft een egale bruingrijze/grijsbruine kleur. Dit verschijnsel wordt daarom verbruining genoemd. Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. Het grondwaterpeil is een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten; hoe beter de ontwatering, hoe slechter de conservering. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven. Tabel 2.2 geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog.

Bij sommige grondwatertrappen is een * weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen. Tabel 2.2

Grondwatertrappenindeling18

Grondwatertra I p

II'

III'

IV

V'

VI

VII"

VIII

GHG (cm -mv)

-

<40

<40

>40

<40

40-80

>80

> 140

GLG (cm -mv)

<50

50-80

80-120

80-120

>120

>120

>120

-

') Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden ") Een met een * achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld

Het plangebied bevindt zich in een gebied dat wordt gekenmerkt met een grondwatertrap VI.19 De conservering van metalen en organische resten zal in het plangebied, vanwege de grondwaterstand, niet optimaal zijn.

2.6 Archeologische waarden 2.6.1

AMK-terreinen, onderzoeksmeldingen en vondsmeldingen

Om inzicht te krijgen in bekende archeologische waarden in de omgeving van het plangebied is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), de online database van de 18 Locher & De Bakker, 1990. 19 BRO Grondwaterspiegeldiepte Model, NGR/WER, 2021.

25343.001 versie 3

9 / 25

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. 20 Deze database bevat onder meer informatie over archeologische onderzoeken, vondstmeldingen en archeologische monumentterreinen. In kaart 13 zijn de archeologische waarden en onderzoeken in de omgeving van het plangebied weer gegeven. Voor het onderzoek wordt vooralsnog gekeken naar de waarden binnen een straal van 500 m rondom het plangebied. Aangezien de gemeentelijke beleidskaart een hoger detailniveau heeft dan de landelijke IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd. AMK-terreinen De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Het plangebied ligt niet binnen een AMK-terrein. Binnen het onderzoeksgebied ligt het AMK-terrein 4606 (zie bijlage 2 en kaart 13). Binnen dit AMK-terrein zijn sporen van bewoning waargenomen uit de Romeinse tijd. Hierbij is er handgevormd en gedraaid aardewerk uit dezelfde periode gevonden.

Dit AMK-terrein ligt ongeveer 200 meter ten zuiden van de huidige Waaldijk, waarlangs tijdens de Romeinse tijd een belangrijke weg liep. 21 Onderzoeksmeldingen Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal 31 archeologische onderzoeken uitgevoerd (zie bijlage 3 en kaart 13). Er worden verschillende typen archeologische onderzoeken onderscheiden. Voor ons onderzoek zijn met name de archeologische veldonderzoeken van belang, dus de booronderzoeken, proefsleuvenonderzoeken, archeologische begeleidingen en opgravingen. Als er tijdens archeologisch onderzoek vondsten worden gedaan, dan kunnen er één of meerdere vondstlocaties worden geregistreerd. Direct ten westen van het plangebied zijn voor het ontwikkelingsplan Winssen Zuid zes archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het gaat hier om één bureauonderzoek22, drie booronderzoeken23, één proefsleuvenonderzoek24 en één opgraving25. Uit deze onderzoeken blijkt dat er drie archeologische lagen aanwezig zijn binnen het ontwikkelingsgebied. De jongste laag is vanaf het maaiveld aanwezig in crevasse afzettingen die over het algemeen ongeveer een meter dik zijn. Het oudste vondstmateriaal dat tijdens de gravende onderzoeken is aangetroffen in deze laag dateert tot de 3e tot 8e eeuw na Chr.

Omdat deze afzettingen aan het maaiveld liggen, zijn er ook sporen en vondsten (en verstoringen) uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd opgenomen.

20 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 21 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 22

Hos, 2020 (ARCHIS zaaknummer: 4952498100)

23 Schorn & Smit, 2005 (ARCHIS zaaknummer: 2101555100)/Vosselman, 2016 (ARCHIS zaaknummer: 4023142100)/Hanemaaijer 2023

(ARCHIS zaaknummer: 5323096100) 24 Hendriksen, 2019 (ARCHIS zaaknummer: 4677284100) 25 Hendriksen, 2021 (ARCHIS zaaknummer: 4720115100)

25343.001 versie 3

10 / 25

De middelste archeologische laag is voornamelijk in de zuidelijke en oostelijke delen van het ontwikkelingsgebied Winssen Zuid aangetroffen en bevindt zich direct onder de jongere crevasse afzettingen. In de top van deze crevasse afzettingen is een dunne vegetatie horizont waargenomen, waarin vondstmateriaal uit de IJzertijd en Romeinse tijd zijn aangetroffen. Deze afzettingen zijn daarom tot deze perioden gedateerd. Het gaat hier waarschijnlijk om oever- en komafzettingen van een crevasse fase. Binnen het ontwikkelingsplan Winssen Zuid is bijna overal op ongeveer 6 meter NAP een duidelijke vegetatiehorizont aanwezig. Alleen in het noordelijke hoek van het gebied is deze vegetatie horizont niet aangetroffen. Deze vegetatie horizont is in de (kom)klei-afzettingen en ‘oeverachtige afzettingen’ 26 aangetroffen. Op basis van het vondstmateriaal dat tijdens de gravende onderzoeken is aangetroffen dateert deze vegetatie horizont tot in de Midden-Bronstijd. Op enkele plekken binnen het ontwikkelingsgebied is onder de Midden-Bronstijd vegetatiehorizont nog een, oudere, vegetatiehorizont aangetroffen. Op basis van de stratigrafische ligging is deze vegetatiehorizont gedateerd tot het Neolithicum of Vroege-Bronstijd.

Ook binnen de andere archeologische begeleidingen, proefsleufonderzoeken en opgravingen die binnen het onderzoeksgebied zijn uitgevoerd zijn meerdere vegetatiehorizoten aangetroffen, aldanniet met archeologische waarden. Vooral langs op de oeverwallen van de Distelkamp – Afferden stroomgordel (ca. 700 meter ten noorden van het plangebied) die tijdens de IJzertijd en Romeinse tijd actief was, en langs de oeverwallen van een verlaten meanderbocht van de Winssen stroomgordel (ca. 450 meter ten oosten van het plangebied), zijn veel archeologische waarden uit de Romeinse tijd aangetroffen.27 Hier lag waarschijnlijk in de Romeinse tijd een belangrijke weg. Vondstmeldingen In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd, ook de vondstmeldingen die niet aan archeologische onderzoeken gerelateerd zijn. Binnen het onderzoeksgebied staan 5 vondstmeldingen geregistreerd die niet gerelateerd zijn aan de uitgevoerde archeologische onderzoeken .(zie bijlage 4 en Kaart 13). De vondsten die rondom het plangebied zijn gedaan laten zien dat er menselijke activiteiten hebben plaats gevonden in het onderzoeksgebied in de perioden Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Deze vondstmeldingen zijn waarschijnlijk voornamelijk in de bovenste crevasse afzettingen gedaan, wat bevestigd dat deze gronden in de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd gebruikt zijn. 28

26 Hanemaaijer, 2023 27 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 28 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort

25343.001 versie 3

11 / 25

2.6.2

Andere bronnen

Limeskaart Limes (uitgesproken als lie-mes) is Latijn voor ‘grens’ en ‘pad’. In Nederland loopt de limes van Katwijk via de oude Rijnloop langs Arnhem naar Duitsland. Dit was een militaire zone die bestond uit een weg, verdedigingswerken en burgernederzettingen. Het was ook een handelsroute waarlangs uitwisseling ontstond tussen inheemse en Romeinse culturele waarden. Op de limeskaart29 zijn vindplaatsen en waarnemingen uit de Romeinse tijd weergegeven. Ook wordt de trefkans weergegeven op het voorkomen van archeologische resten uit de Romeinse tijd, gerelateerd aan de limes. Volgens de limeskaart lag er vermoedelijk een Romeinse wegtracé langs de zuidelijke oeverwal van de Waal. De liep door het huidige centrum van Deest, en maakte nabij het huidige dorp Winssen een bocht naar het zuiden en volgde de oude meanderbocht van de Winssen stroomgordel. Het plangebied lag op ongeveer 500 tot 1200 meter van deze wegtracé, waardoor er een hoge verwachting geldt voor de Romeinse tijd, zoals ook bevestigd wordt door de aangetroffen archeologische waarden uit de Romeinse tijd binnen het onderzoeksgebied. Wetenschappelijke publicaties, archieven en provinciaal archeologisch depot In het kader van dit bureauonderzoek zijn geen wetenschappelijke publicaties geraadpleegd, aangezien er geen relevante publicaties gevonden zijn.

Er heeft in het kader van dit bureauonderzoek geen archiefonderzoek of depotonderzoek plaats gevonden, aangezien verwacht werd dat dit voor dit plangebied geen meerwaarde zou hebben.

2.7 Beschrijving van het historische gebruik In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20e eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Korte bewoningsgeschiedenis van Winssen In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 5. In de Vroege-Middeleeuwen nam de afvoer van de Waal alsmaar toe, ten kosten van de Neder-Rijn. Hierdoor concentreerde de bewoning zich op hoge oeverwallen langs de Waal. Het achterland zal regelmatig onder water hebben gestaan. Ook het dorp Winssen is in deze periode ontstaan als een bevolkingskern op de oeverwal. Hierbij zullen de gronden op de oeverwal aan weerzijden van het dorp gebruikt worden als akkers. De lage en natte komgebieden werden gebruikt als weidegronden voor het vee. Gepaard met een groeiende bevolking, groeide ook de vraag aan woon- en landbouwgrond.

Daarom werden meer gronden ontgonnen. Om de gronden

29 Limeskaart.

25343.001 versie 3

12 / 25

en goederen te beschermen, werden, net zoals bij de meeste dorpen langs de Rijn en Maas, in de 9e en 10e eeuw zij- en achterkades aangelegd. De achterkade van Winssen komt ongeveer overeen met de huidige Koningsweg. De achterkades lagen parallel aan de oeverwallen en moesten het hoge water uit de komgebieden tegenhouden. De zijkades werden haaks op de oeverwal aangelegd om de het water van de stroomopwaarts gelegen dorpspolders af te leiden. Bij Winssen lag deze ter hoogte van de Kruksche Dijk. De ontgonnen gronden tussen deze kades vormen het oude cultuurland. Dit oude cultuurland bestond uit een lappendeken van relatief kleine weiden, boomgaarden en akkerpercelen. Het plangebied ligt in dit oude cultuurlandschap. Vrijwel alle noord-zuid georiënteerde wegen en paden in het oude cultuurlandschap in overloopgeulen (oude crevassegeulen). Zo ook de Leeghstraat dat direct naast het plangebied ligt. De hogere oevergronden langs de overloopgronden waren zeer vruchtbaar en werden vanaf de eerste ontginningen benut als akkergronden. De boerderijen werden langs de overloopgeulen gebouwd, zodat deze wel veilig waren voor overstromingen en tegelijkertijd zo min als mogelijk van de vruchtbare gronden verloren ging. De geulen zelf werden gebruikt als veedriften, waarlangs het vee naar de zuidelijke weidegronden werd gedreven.

Om het vee van de akkergronden af te houden, werden de geulen afgezet met dicht struweel en houtwallen. Ook werden de overloopgeulen gebruikt voor lokale afwatering. Hiermee hadden de overloopgeulen meerdere functies: als wegen, ontginningsas, veedrift, (af)watergang en winplaats van geriefhout. Met de loop van de tijd werden er langs de overloopgeulen geleidelijk aan meer gebouwd. De omgeving van het plangebied droeg het veldtoponiem ‘Den Hogen Kamp’, wat mogelijk komt door de meerdere crevasseruggen die hier voorkomen. Direct ten zuiden van het plangebied staat het Rijksmoment ‘het Hoogh Huys’ (monument nummer 9559). Dit herenhuis droeg vroeger de naam Hooge Kamp, dezelfde naam als het veldtoponiem. Het huidige herenhuis is in 1803 gebouwd door Willem Libotté (1763 – 1839). Hoewel Libotté van oorsprong een landbouwer was, hield hij zich meer bezig met de politiek. Zo was hij onder andere lid van de Provinciale Staten van Gelderland en de Eerste Kamer, waarschijnlijk als eerste uit het Land tussen Maas en Waal. Het Hoogh Huys is een kapitale Tboerderij met een fors, diep drie-beukig achterhuis. De gevels zijn opgetrokken in een handvorm baksteen in kruisverband en een gepleisterde plint. De voorgevel van het rechthoekige voorhuis heeft een symmetrische vijfassige indeling met in de middenas een deurpartij.

De vensters zijn licht getoogd en de huidige T-indeling dateert uit het einde van de 19e eeuw. De zijgevels zijn asymmetrisch qua opzet en indeling. De achtergevel van het achterhuis heeft een indrukwekkende hoge tuitgevelvormige en symmetrisch uitgevoerde topgevel met hoger opgetrokken schouders, vlechtingen en een gemetselde tuit in de top met een staafanker met jaartal 1803. De naastgelegen schuur behoorde oorspronkelijk bij de boerderij en dateert uit dezelfde periode. In deze periode was het gebruikelijk om het achterhuis met het vee, de belangrijkste inkomstenbron van een landbouwer, naar het oosten, naar het licht, te bouwen. Het Hoogh Huys is echter met het voorhuis naar het oosten gebouwd. De landbouw was namelijk niet de belangrijkste inkomsten bron van Libotté, waarom hij mogelijk heeft gekozen voor woongemak. Vanwege de hoge ligging langs een oude overloopgeul en omdat de oude naam van het herenhuis gelijk is aan het veldtoponiem, is het mogelijk dat er eerdere bebouwing heeft gestaan voor het Hoogh Huys. De deuren van het voorhuis met panelen van schouderboogmotief, een stijl daterend uit de 18 e eeuw, doen vermoeden dat deze zijn overgenomen van een voorganger.

25343.001 versie 3

13 / 25

Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel 2.3

Geraadpleegd historisch kaartmateriaal

Bron

Periode

Kadastrale minuut30

1811-1832

Schaal

Omschrijving plangebied

Bijzonderheden/directe omgeving

1:2.500

Het plangebied ligt langs (de voorloper van) de Leegstraat. Het zuidelijke deel wordt gebruikt aks boomgaard, het noordelijk als bouwland. Het huidige Hoge Huis bestaat al. Ten noordenwesten van het gebouw staan twee ronde gebouwen. Ten zuiden van het gebouw staat de schuur. In het noordoostelijk hoek van het plangebied staat een woning deels in het plangebied.

De kern van Winssen bestaat uit een kerk en enkele losse erven. De gronden tussen de erven worden gebruikt als akkergronden. Nabij enkele erven liggen boomgaarden.

kaart 1868

1:50.000

Geen significante veranderingen

Geen significante veranderingen

Bonneblad

1920

1:25.000

De twee ronde gebouwen zijn niet meer aangegeven. Vrijwel alle gronden worden nu gebruikt als boomgaard. De bebouwing in de noordoostelijke hoek van het plangebied is gesloopt.

Meer gronden worden als boomgaard gebruikt. Enkele nieuwe erven zijn aangegeven langs de bestaande wegen.

Topografische kaart

1962

1:25.000

Geen significante veranderingen

Sterke uitbreiding van het wegennetwerk en van de bebouwde kom langs de bestaande en nieuwe wegen. Uitbreiding van de kern van Winssen. De landbouwgronden worden voornamelijk als boomgaarden gebruikt.

Militaire topografische (veldminuut)31

Kaartblad

30 Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed/HISGIS. 31 Kadaster Topotijdreis (bron voor deze kaart en de hierop volgende kaarten in deze tabel).

25343.001 versie 3

14 / 25

Topografische kaart

1970

1:25.000

Alleen het noordelijke Geen significante perceel is een boomgaard. De veranderingen overige gronden worden gebruikt als akker. Ook staan er enkele kassen/ warenhuizen. De huidige bebouwing op het adres Leegstraat 14A is gerealiseerd

Topografische kaart

1978

1:25.000

Geen significante veranderingen

Verdere uitbreiding van de bebouwde kom van Winssen

Topografische kaart

2000

1:25.000

Het plangebied is weer voornamelijk in gebruik als boomgaard, er staan nog twee kassen binnen het plangebied.

Verdere uitbreiding van de bebouwde kom van Winssen

Topografische kaart

2010

1:25.000

Huidige situatie bestaat

Huidige situatie bestaat

Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal (zie tabel 2.3) blijkt dat het plangebied afwisselend gebruikt als boomgaard of akker. In de tweede helft van de 20e eeuw zijn er enkele warenhuizen (opslagloodsen) en kassen gebouwd ten noordwesten van het herenhuis het Hoogh Huys. Tegelijkertijd is de bebouwing aan op het adres Leegstraat 14A gerealiseerd. De warenhuizen en bijna alle kassen zijn aan het einde van de 20e eeuw en/of het begin van de 21e eeuw gesloopt. Eén kas is overgebleven, welke tot op heden aanwezig is in het plangebied. Bouwhistorische gegevens Bij de gemeente Beuningen is bij het gemeentelijk archief een aanvraag gedaan tot inzage van bouwdossiers voor de bebouwing binnen het plangebied. Tabel 2.4 geeft een opsomming van de verleende bouwvergunningen voor het plangebied. Tabel 2.4

Verleende bouwvergunningen

Adres

Jaartal

Omschrijving

Funderingsdiepte

Leegstraat 14

1959

Nieuwbouw warenhuis (in huidig perceel G916)

60 cm -mv

Leegstraat 14

1961

Nieuwbouw warenhuis (in huidig perceel G915)

Onbekend

Leegstraat 14

1968

Nieuwbouw kas (bestaande kas)

75 cm -mv

Leegstraat 14A

1959

Nieuwbouw warenhuis (in huidig perceel G908/G910)

60 cm -mv

Leegstraat 14A

1961

Nieuwbouw warenhuis (in huidig perceel (G908/G907)

Onbekend

Leegstraat 14A

1961

Nieuwbouw woonhuis (huidig woonhuis)

75 cm -mv

Leegstraat 14A

2002

Uitbreiding woonhuis

100 cm -mv

Leegstraat 14A

2012

Nieuwbouw schuur (huidige schuur)

80 cm -mv

25343.001 versie 3

15 / 25

De funderingsdiepte van het Hoogh Huys en bijbehorende schuur is onbekend. Wel is bekend dat het voorhuis van het Hoogh Huys deels is onderkelderd tot 140 cm -mv. Het woonhuis van adres Leegstraat 14A is deels tot 75 en deels tot 100 cm -m gefundeerd. De schuur uit 2012 binnen dit perceel is tot 80 cm -m gefundeerd. Uit de verkregen bouwtekeningen blijkt dat de warenhuizen in twee fases zijn gebouwd, in 1959 en in 1961. De oudste warenhuizen waren tot 60 cm -mv gefundeerd. De funderingsdiepte van de jongste warenhuizen is onbekend, mogelijk is dit ook 60 cm -mv. De kas binnen het plangebied is tot 75 cm -mv gefundeerd. De oorspronkelijke bouwjaren die binnen het Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) van de bestaande bebouwing bekend zijn, komen meestal overeen met de bekende historie en de bouwtekeningen. Alleen voor de schuur van het Hoge Huis klopt binnen de BAG niet.32 Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd. 33 Het raadplegen van deze bronnen geeft geen redenen om aan te nemen dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn.

Historische Vereniging Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de plaatselijke historische vereniging Historisch Besef Beuningen, maar dit heeft binnen het tijdsbestek van de uitvoering van dit onderzoek geen aanvullende informatie opgeleverd.

2.8 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel 2.5

Gespecificeerde archeologische verwachting

Archeologische periode

Gespecificeerde verwachting

Te verwachten complextype/resten

Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld

(Laat-)Paleolithicum en Mesolithicum

Hoog

Kampementen, vuursteenstrooiïngen In de Pleistocene Laagterras en vuurstenen gebruiksvoorwerpen. afzettingen en Laag van Wijchen, circa 4,50 m -mv.

Neolithicum tot en met Vroeg-Bronstijd

laag

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen.

Als een vegetatie horizont in crevasse afzettingen aanwezig zijn: hoog. Als er komafzettingen van de Winssen stroomgordel voorkomen: laag.

32 Kadaster, Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG). 33 Amersfoort & Kamphuis, 1990/Indicatieve kaart Militair Erfgoed/Jong, 1969 – 1994/ Klep & Schoenmaker, 1995/Ruimingskaart/VEO

Bommenkaart/Zwanenburg, 1990/Luchtfoto’s RAF.

25343.001 versie 3

16 / 25

Midden- en LateBronstijd

Hoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, Op circa 150 à 200 cm -mv, mogelijk in grafvelden, rituele plaatsen: kleine kom- of ‘oeverachtige’ afzettingen fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen.

IJzertijd en Romeinse tijd

Hoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, In crevasse afzettingen, circa 1 m -mv. grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beuningen&id=9655c3e6-7022-4593-b5c6-aa0a1f1b70d3