CConstaterende datBeuningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Toelichting en regels bestemmingsplan Windpark Beuningen 2025

Raadsvergadering 16 december 2025, gemeente BeuningenBij agendapunt: Herstelbesluit Windpark Beuningen28.076 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Dit rekenprogramma volgt het Reken- en meetvoorschrift windturbines. Bij de beoordeling van geluid wordt primair gekeken naar de effecten op geluidgevoelige objecten zoals die zijn gedefinieerd in artikel 1 van de Wet geluidhinder. Overige objecten en terreinen worden niet beschermd tegen andersoortige geluidbronnen en worden daarom voor windturbinegeluid eveneens buiten beschouwing en normering gelaten. Op basis van voorgenoemde redenen wordt het Reken- en meetvoorschrift windturbines toepasbaar geacht om geluidberekeningen uit te voeren voor windturbinegeluid. De methodiek in het Reken- en meetvoorschrift is de best beschikbare methode waarmee de gevolgen voor het milieu inzichtelijk kunnen worden gemaakt.

4.4.2

Onderzoek Er is een akoestisch onderzoek opgesteld waarin het voornemen is onderzocht (Bijlage A). Hierin is een bandbreedte in de jaargemiddelde bronsterkte beschouwd die gebaseerd is op de bronsterktes van een aantal mogelijke windturbinetypes die aan 11 Het Reken- en meetvoorschrift windturbines was voor invoering van de Omgevingswet opgenomen

als Bijlage 4 bij de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer https://wetten.overheid.nl/BWBR0022830/2023-10-26#Bijlage4 en is in Bijlage 2 van de planregels integraal opgenomen. 12 Brief van de minister van VROM, 31 209, nr 135, 28-9-2010 13 Brief van de StaS van Economische Zaken en Klimaat d.d. 9 juni 2021, DGKE-WO/21119163

Toelichting

33 33

Windpark Beuningen Bestemmingsplan – toelichting en regels

de voorwaarden voor de afmetingen voldoen. Hiertoe zijn berekeningen uitgevoerd met het type met het laagste bronvermogen, de ‘Vestas V162 5.6’ (ondergrens bandbreedte) en het hoogste bronvermogen, de ‘Nordex N163/5.X’ (bovengrens bandbreedte). Ten behoeve van de beoordeling conform de beoordelingscriteria zoals gesteld in de notitie reikwijdte en detailniveau, zijn de 47 en 42 dB Ldencontouren van de onder- en bovengrens van het voorkeursalternatief weergegeven Figuur 9

Lden 47- en 42 dB-contour van de VKA-Ondergrens (V162-5.6 op 140m ashoogte).

34 Toelichting

34

Windpark Beuningen Bestemmingsplan – toelichting en regels

Figuur 10

Lden 47- en 42 dB-contour van de VKA-Bovengrens (N163 op 170m ashoogte).

Het aantal gevoelige objecten binnen de 42Lden contour bedraagt 11 woningen voor de ondergrens en 20 voor de bovengrens. Tabel 5

Aantallen woningen: samenvatting geluidsimmissie VKA onder- en bovenvariant.

Aantal woningen met Lden > 42

Aantal woningen met Lden > 47

11 20

1 4

Ondergrens Bovengrens

Zoals in bovenstaande tabel te zien is, zijn mitigerende maatregelen benodigd om met de onder- en bovengrens te kunnen voldoen aan de lokale norm van 47dB Lden voor geluidshinder. Deze mitigatie is mogelijk door een deel van de windturbines gedurende een periode in geluidsarme modus te laten draaien (zie akoestisch onderzoek). Na toepassing van mitigatie op de onder- en bovengrens ter reductie van het jaargemiddeld geluidsniveau, wordt voldaan aan de lokale norm voor wat betreft geluidhinder. Tabel 6

Aantal woningen binnen de geluidscontouren, inclusief het effect van mitigerende maatregelen.

Aantal woningen met Lden > 42 Ondergrens Bovengrens Ondergrens na mitigatie14 Bovengrens na mitigatie

14

Toelichting

11 20 8 10

Aantal woningen met Lden > 47 1 4 0 0

35

Voor de mitigatie zie het Akoestisch onderzoek (MER Bijlage B).

35

Windpark Beuningen Bestemmingsplan – toelichting en regels

4.4.3

Cumulatie Er zijn andere geluidsbronnen in de omgeving van het windpark, voornamelijk wegverkeerslawaai, het industrieterrein Schoenaker en de zandwinningsactiviteiten rond de Geertjesgolf. Cumulatie is in het akoestisch onderzoek (MER Bijlage B) voor onder- en bovengrens van het VKA in detail behandeld, inclusief een inventarisatie van het bestaande geluidsniveau op omliggende woningen door adviesbureau LBP-Sight. De gecumuleerde geluidsbelasting is berekend voor ca. 140 geluidsgevoelige objecten; zowel binnen een straal van 1000 meter rondom de zoekzone alsook diverse maatgevende punten die net buiten de 1000-metergrens vallen. Voor de beoordeling van het aspect cumulatie is aangesloten bij de beoordelingsmethodiek van het aspect gezondheid, welke is beschreven in Hoofdstuk 4.6. Zie Bijlage B van het MER voor meer details over de cumulatieve geluidsbelasting.

4.4.4

Conclusie Uit de rekenresultaten blijkt dat voldaan kan worden aan de lokaal geldende geluidsnorm. Voor zowel de onder- en bovengrens van Windpark Beuningen geldt dat normoverschrijding middels toepassing van geluid mitigerende modi kan worden voorkomen. Hierdoor is sprake van een goed woon- en leefklimaat.

4.5

Slagschaduw

4.5.1

Toetsingskader Tot voorkort gold een rechtstreeks geldende slagschaduwnorm voor windparken, opgenomen in de (ministeriële) Activiteitenregeling milieubeheer: voor gevoelige objecten binnen een afstand van 12 maal de rotordiameter gold dat de windturbine moet worden afgeschakeld wanneer er ‘’gemiddeld meer dan 17 dagen per jaar gedurende meer dan 20 minuten per dag slagschaduw kan optreden’’. Omdat voor het Activiteitenbesluit en bijbehorende Activiteitenregeling ten onrechte geen milieueffectrapport is opgesteld zijn deze normen door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State buiten toepassing verklaard voor windturbineprojecten die vallen onder bijlage II van de Europese Mer-richtlijn. In de uitspraak wordt expliciet door de RvS genoemd dat een gemeenteraad niet verplicht is aan te sluiten bij de normen uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling. De raad kan er ook voor kiezen om eigen normen te hanteren. Die normen moeten dan zijn voorzien van een actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en op de aan de orde zijnde situatie toegesneden motivering. Slagschaduwhinder

Dat neemt niet weg dat er een inhoudelijke onderbouwing voor de wettelijke norm bestaat. In de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State Toelichting

36 36

Windpark Beuningen Bestemmingsplan – toelichting en regels

(ABRvS) betreffende het inpassingsplan voor windpark De Drentse Monden-Oostermoer (ECLI:NL:RVS:2018:616, overweging 132) is opgenomen: “Voorts volgt, zo staat in het verweerschrift, uit onderzoek dat in 1999 in Duitsland is verricht, dat omwonenden van windturbines die een netto slagschaduwduur van meer dan 15 uur per jaar ervaren een hogere mate van dagelijkse hinder ervaren in hun leefomgeving. Naar aanleiding van dat onderzoek is in 2000 laboratoriumonderzoek verricht. Volgens dat laboratoriumonderzoek kan in de eerste 20 minuten dat harde slagschaduw optreedt een fysieke reactie worden veroorzaakt, die bij langere blootstelling daarna door het lichaam wordt gecompenseerd. De onderzoekers hebben aanbevolen de slagschaduwduur te beperken om effecten op langere termijn te voorkomen vanwege de energie die deze compensatie kost, zo is in het verweerschrift toegelicht. (…) Volgens de ministers worden, gelet op de conclusies uit deze onderzoeken, met de norm waarbij slagschaduw is beperkt tot maximaal 17 dagen gedurende maximaal 20 minuten per dag binnen een afstand van 12 maal de rotordiameter, gezondheidsklachten voorkomen en wordt de hinder in voldoende mate beperkt”. De genoemde Duitse onderzoeken (Pohl, 1999), (Pohl, 2000) en hun conclusies over het effect van slagschaduwhinder zijn nog steeds relevant voor de beoordeling van slagschaduweffecten.

Ten aanzien van eventuele directe gezondheidseffecten in de vorm van (epileptische) beroertes geldt dat in diverse wetenschappelijke studies is aangetoond dat moderne windturbines geen risico geven op dergelijke effecten. Deze kunnen alleen (in zeer zeldzame gevallen) optreden bij flikkerfrequenties van 2.5 Hz of hoger, hetgeen niet voorkomt bij moderne windturbines. Zie bijvoorbeeld (Smedley, Webb, & Wilkins, 2010)). Hoewel er sinds 1999 diverse onderzoeken zijn uitgevoerd naar effecten van slagschaduw van windturbines op hinderbeleving en gezondheidseffecten15 zijn er geen nieuwe kwantitatieve inzichten die de conclusies uit 1999 en 2000 tegenspreken of veranderen. Wat betreft de objecten waarvoor de norm geldt kan worden aangesloten bij geluidgevoelige objecten. Het gaat immers om objecten waar langdurige aanwezigheid van personen aan de orde is, hetgeen voor zowel slagschaduwhinder als geluidshinder relevant is. Behalve geluidsgevoelige objecten kan ook naar kantoorpanden worden gekeken, aangezien ook daar sprake is van de langdurige aanwezigheid van personen die hinder kunnen ondervinden van slagschaduw. Lokale slagschaduwnorm gevoelige objecten

Het is ‘common practise’ in slagschaduw studies voor windparken om een grenswaarde van 5 uur en 40 minuten te hanteren voor gevoelige objecten, hetgeen een interpretatie is van de wettelijke norm uit de Activiteitenregeling (maximaal 17 dagen gedurende maximaal 20 minuten). Maar feitelijk is deze grenswaarde echter aanzienlijk strenger dan de wettelijke norm. Zo oordeelde de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (StAB) ook in haar deskundigenadvies over Windpark Drentse Monden Oostermoer (d.d. 17 februari 2017, kenmerk StAB -40218), waar getoetst werd aan maximaal 6 uur per jaar: “de streefwaarde van maximaal 6 uur slagschaduw per jaar voorziet in (veel) geringere aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden dan de normering in het

37

15 Zie bijvoorbeeld (Merlin, Newton, Ellery, Milverton, & Farah, 2013)

Toelichting

37

Windpark Beuningen Bestemmingsplan – toelichting en regels

Activiteitenbesluit milieubeheer. Ten eerste tellen nu ook de dagen mee waarop de slagschaduw minder is dan 20 minuten. Ten tweede worden alle minuten meer dan 20 minuten ook meegeteld.” Nog recenter heeft de Raad van State haar opstelling in dezen bevestigd in haar uitspraak ten aanzien van Windmolenpark Elzenburg – De Geer (ECLI:NL:RVS:2021:1681, overweging 15). Desondanks kiest de gemeente Beuningen ervoor om een nóg strengere norm te hanteren voor slagschaduw op gevoelige objecten. Als planregel wordt opgenomen dat windturbines moeten zijn voor zien van een automatische stilstandvoorziening die de windturbine afschakelt indien slagschaduw optreedt ter plaatse van gevoelige objecten voorzover de afstand tussen de windturbine en de gevoelige objecten minder dan 12 maal de rotordiameter bedraagt en voorzover zich in de door de slagschaduw getroffen uitwendige scheidingsconstructie van gevoelige gebouwen of woonwagens ramen bevinden. NB. In verband met de technische stilzettijd mag gemiddeld per jaar maximaal 30 minuten slagschaduw optreden ter plaatse van gevoelige objecten. De afstand geldt van een punt op ashoogte van de windturbine tot de gevel van het gevoelige object. Lokale slagschaduwnorm kantoren

De gemeente Beuningen vindt bescherming tegen bewegende slagschaduw van windturbines ook belangrijk voor panden met een kantoorfunctie; ook daar kan slagschaduw immers voor hinder zorgen. Door de slagschaduw tijdens doordeweekse kantooruren tot maximaal 6 uur per jaar te beperken wordt deze overlast tot een volgens de gemeente aanvaardbaar niveau teruggebracht. Dit motiveert zij door te stellen dat dergelijke beschermingsniveaus gangbaar zijn en worden toegepast voor woningen bij andere windparken. Als planregel wordt opgenomen dat windturbines moeten zijn voorzien van een automatische stilstandvoorziening die de windturbine afgeschakeld indien slagschaduw optreedt ter plaatse van panden met een kantoorfunctie voorzover de afstand tussen de windturbine en de panden met een kantoorfunctie minder dan 12 maal de rotordiameter bedraagt en gemiddeld meer dan 6 uur per jaar slagschaduw kan optreden gedurende weekdagen en tijdens kantooruren (08:30 t/m 17:30) en voorzover zich in de door de slagschaduw getroffen uitwendige scheidingsconstructie van panden met een kantoorfunctie ramen bevinden.

4.5.2

Onderzoek Gevoelige objecten

In het slagschaduwonderzoek (Bijlage C en Bijlage M oplegnotitie) is de opstelling onderzocht op de afmetingen 150 rotordiameter op 140 as (ondergrens) en 180 rotordiameter op 155 as (bovengrens). Dit onderzoek is representatief voor de windturbinetypes (maatvoering) die het bestemmingsplan maximaal mogelijk maakt. Als projectMER criteria zijn onderzocht het aantal gevoelige objecten gelegen binnen de 5:40u- en 0u slagschaduwcontouren van de onder- en bovengrens.

38 Toelichting

38

Windpark Beuningen Bestemmingsplan – toelichting en regels

Onderstaande figuren geven deze slagschaduwcontouren weer. De slagschaduwduur op gevoelige objecten gelegen buiten de 0 uur contour is verwaarloosbaar. Figuur 11

De 5:40u en 0u slagschaduwcontouren van de ondergrens. Hierbij zijn ook nabijgelegen woningen (gevoelige objecten) weergegeven.

39 Toelichting

39

Windpark Beuningen Bestemmingsplan – toelichting en regels

Figuur 12

De 5:40u en 0u slagschaduwcontouren van de bovengrens. Hierbij zijn ook nabijgelegen woningen (gevoelige objecten) weergegeven.

In de tabellen hieronder wordt het aantal gevoelige objecten van derden binnen de slagschaduwcontouren gegeven. Tabel 7

Aantal gevoelige objecten binnen de slagschaduwcontouren van de opstellingen.

Kop 1

Aantal woningen binnen 0 uur-contour 5:40 uur-contour Ondergrens Bovengrens

3113 3193

38 69

In het kader van het projectMER is daarnaast onderzocht hoeveel stilstand zou moeten worden toegepast met behulp van een stilstandvoorziening om slagschaduw per gevoelig object te beperken tot 05:40 uur per jaar. Deze voorziening schakelt de windturbine uit wanneer deze normoverschrijdende slagschaduw veroorzaakt, afhankelijk van tijd, datum, windrichting en bewolking. Het gaat om een totale stilstand van circa 24 uur en 30 minuten per jaar voor de ondergrens en 39 uur en 30 minuten per jaar voor de bovengrens. Tenslotte is inzichtelijk gemaakt hoeveel slagschaduw er in totaal door de windturbines op woningen wordt veroorzaakt. Dit is niet simpelweg een som van de schaduw per gevoelig object, omdat de schaduw bijna altijd meerdere objecten tegelijk zal beslaan. De berekende slagschaduw komt direct overeen met de stilstand die nodig is om alle slagschaduw op gevoelige objecten te voorkomen, waarmee wordt voldaan aan de lokaal geldende slagschaduwnorm. Zie MER Bijlage C en Bijlage M oplegnotitie voor de berekening. Toelichting

40 40

Windpark Beuningen Bestemmingsplan – toelichting en regels

Tabel 8

Verwachte jaarlijkse slagschaduw per opstelling.

Kop 1

Opstelling

Slagschaduw per jaar (uu:mm)

Derving (%)

Ondergrens Bovengrens

414:43 533:06

1,00% 1,28%

Kantoren

Voor alle kantoorpanden binnen een afstand van 12 maal de rotordiameter is onderzocht hoeveel slagschaduw jaarlijks zal optreden als gevolg van de bovengrens van het VKA, wanneer geen stilstand wordt toegepast. Uit de berekening volgt dat er 42 kantoren zijn waar als gevolg van de bovengrens een jaarlijkse hoeveelheid slagschaduw wordt verwacht op doordeweekse dagen, binnen kantooruren (08:30-17:30). Vervolgens is voor de bovengrens berekend hoeveel stilstand er benodigd is om de slagschaduw te beperken tot maximaal 6 uur per kantoor per jaar op doordeweekse dagen, binnen kantooruren (08:30-17:30). Dit is de benodigde stilstand om te kunnen voldoen aan de lokale norm voor slagschaduw op kantoorpanden. Tabel 9

Kop 1

Verwachte jaarlijkse stilstand om normoverschrijding bij kantoorpanden te voorkomen.

Opstelling

Stilstand per jaar (uu:mm)

Bovengrens

4.5.3

49:26

Derving (% van draaiuren) 0,12%

Conclusie Uit het onderzoek blijkt dat kan worden voldaan aan de lokale normen voor slagschaduw. Door een stilstandvoorziening toe te passen wordt normoverschrijding ter plaatse van gevoelige objecten en kantoren voorkomen. Voor woningen in de omgeving van het windpark betekent dit dat er in de praktijk maximaal 30 minuten slagschaduw per jaar kan optreden als gevolg van de tijd die nodig is om de windturbine af te schakelen op het moment dat er slagschaduw optreedt.

4.6

Gezondheid Effecten Screening (GES)

4.6.1

Toetsingskader Voor windenergie geldt dat geluid het enige aspect is dat in verband wordt gebracht met gezondheid. Daarom wordt bij de bepaling van de GES-score (gezondheidseffectscreening) de geluidsbelasting ter plaatse van omliggende woningen beschouwd. GES is ontwikkeld om bij ruimtelijke planvorming in beeld te brengen wat de werkelijke gezondheidsrisico’s zijn rondom enkele milieufactoren, in aanvulling op wettelijke milieunormen of afspraken, die niet altijd voldoende zijn om risico’s

Toelichting

41 41

Windpark Beuningen Bestemmingsplan – toelichting en regels

en klachten te vermijden. Niet alleen de feitelijke kwaliteit in de omgeving wordt daarbij in aanmerking genomen, maar ook het aantal blootgestelde mensen. Geluid is één van de milieusegmenten die met een GES beoordeeld worden op mogelijke gezondheidseffecten. (Bron: InfoMil). Aangezien de cumulatieregels alle geluid omrekenen naar wegverkeer equivalente geluidsniveaus wordt de GES-beoordeling van wegverkeer gehanteerd om het gecumuleerde geluidsniveau om te rekenen naar een GES-score. Op deze manier krijgt dus elke woning een GES-score waarbij cumulatie met andere geluidsbronnen in de omgeving is verwerkt. Een GES-score is een getal van 0 t/m 8, waarbij bij score 6 het Maximaal Toelaatbare Risico wordt overschreden. In het MER is voor woningen in de buurt van het windpark een GES-score berekend. Tabel 10

Relatie tussen de cumulatieve geluidsbelasting en de GES-scores. GES-score Beoordeling van (dB) tot (dB) GES 0 Zeer goed 0 43 GES 1 Goed 43 48 GES 2 Redelijk 48 53 GES 4 Matig 53 58 GES 5 Zeer matig 58 63 GES 6 Onvoldoende 63 68 GES 7 Ruim onvoldoende 68 73 GES 8 Zeer onvoldoende 73 100

4.6.2

Onderzoek De GES-scores zijn bepaald door het cumulatieve geluidsniveau voor en na de komst van de windturbines te berekenen. De som van de GES-scores van de woningen is een (versimpelde) maat voor het totale gezondheidseffect van een situatie. De toename van deze GES-score is gebruikt om het gezondheidseffect van de onder- en bovengrens van het VKA te meten. Onderstaande tabel toont de uitkomsten van de GES beoordeling voor de ca. 140 onderzochte omliggende woningen, alsmede de toename ervan ten opzichte van de referentiesituatie.

Tabel 11

Toelichting

Aantallen woningen per GES-klasse, per alternatief. Huidig VKA excl mitigatie onder boven 0 0 0 GES 0 10 7 6 GES 1

VKA incl mitigatie onder boven 0 0

0

28 58 28 15 5 0

22 62 28 18 5 0

8 27 58 28 15 5 0

141

141

141

141

GES 2

29

GES 4

59

GES 5

23

GES 6

15

GES 7

5

GES 8 Totaal

8 25 60 28 15 5 0 141

42 42

Windpark Beuningen Bestemmingsplan – toelichting en regels

Totale GES-score Toename to.v. huidig*

544

560 12

581 16

559 11

563 13

* Het feit dat de toename van de GES-score kleiner is dan het verschil tussen de sommen van de GESscores wordt veroorzaakt door het feit das GES-score 3 niet bestaat. Voorbeeld: een woning die van score 1 naar score 4 gaat ondervindt een toename van 2 klassen.

Daarnaast is in het akoestisch onderzoek (MER Bijlage B) de toename van het cumulatieve geluidsniveau van de individuele woningen onderzocht: ➢

Tabel 12

Bij zowel de onder- als de bovengrens zijn er 2 woningen waar de toename van het cumulatief geluidsniveau tenminste 5 dB bedraagt. Bij geen van de omliggende woningen verhoogt de GES-score naar 6 (onvoldoende). Zie onderstaande tabel:

Overzicht van alle woningen waar de cumulatieve geluidsbelasting a.g.v. het VKA met 5 dB of meer toeneemt. Een GES-score van 5 is te classificeren als ‘zeer matig’.

Adres Kooistraat 7 Winssen Elsenpas 2 Ewijk oostgevel

huidig

VKA onder (incl. mitigatie)

VKA boven (incl mitigatie)

2 4

5 5

5 5

Er zijn geen woningen waar de GES-score als gevolg van het windpark toeneemt naar een 6 (‘onvoldoende’). ➢ Hoewel er een groot verschil zit in de geluidsproductie van de onder- en bovengrens van het VKA is het verschil in effect op de GES-scores gering. Dit is te verklaren door de mitigatie: er moet voor de bovengrens meer worden teruggeregeld dan voor de ondergrens. Dit heeft een nivellerend effect. ➢

4.6.3

Conclusie Bij geen van de onderzochte woningen is sprake van een toename in de GES-score naar 6 als gevolg van het windpark. Dit betekent dat het Maximaal Toelaatbare Risico wordt niet wordt overschreden als gevolg van het windpark. Daarnaast blijkt dat er weinig verschil bestaat tussen de onder- en bovengrens van het VKA, voor wat betreft gezondheidseffecten.

4.7

Bodem, archeologie, Water

4.7.1

Bodem Voor het milieuaspect bodem wordt getoetst of op de locatie verontreinigde gronden te verwachten zijn. Hiermee kan een inschatting worden gemaakt of verontreiniging te verwachten en aan te treffen is tijdens de bouw van het windpark.

Toelichting

43 43

Windpark Beuningen Bestemmingsplan – toelichting en regels

Toetsingskader

Op grond van de Wet bodembescherming dient, in verband met de uitvoerbaarheid van een plan of project, rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak (ernstige verontreinigingen). In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik. Onderzoek en resultaten

Bij de aanleg van de windmolens zullen bodemwerkzaamheden plaatsvinden. De verankering van de windmolens vindt plaats met een betonnen voet. Daardoor zal een hoeveelheid grond ontgraven moeten worden. Voor de uitvoeringsfase zal in het kader van de bouwvergunning en de Arbowet een bodemonderzoek ter plaatse van de posities moeten worden uitgevoerd. Vanuit de functie van windturbines worden verder geen eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Er is immers geen sprake van de langdurige aanwezigheid van personen. Voor moderne windturbines geldt dat er geen sprake is van potentieel bodembedreigende activiteiten. Bij aanof afvoer van grond zal uiteraard aan het Besluit bodemkwaliteit worden voldaan. Voor het afgraven van grond ten behoeve van de aanleg van de molenfundamenten, bouw- en onderhoudswegen en kraanopstel-plaatsen is in sommige gevallen een vergunning nodig op grond van de Ontgrondingenwet.

Voor de inschatting van de bodemkwaliteit op de locaties van de windturbines is bekeken of er op dit moment bedrijfsactiviteiten op de locaties plaatsvinden, waarbij potentieel bodemverontreiniging kan ontstaan en of in het verleden activiteiten hebben plaatsgevonden, waarbij verontreiniging is ontstaan. Om dit inzichtelijk te maken is aansluiting gezocht bij de bodemkwaliteitskaart van de Milieusamenwerking en Afvalverwerking Regio Nijmegen (MARN). Zoals te zien in onderstaande figuur ligt het plangebied volledig in de bodemkwaliteitszone buitengebied. In het rapport bij de bodemkwaliteitskaart MARN wordt toegelicht dat het gehele buitengebied (groen gemarkeerd in Figuur 13) na bodemonderzoeken is geclassificeerd als bodem met een hoge kwaliteit, namelijk Landbouw/natuur (achtergrondwaarden – AW2000). De aanleg van kabels is geen onderdeel van dit bestemmingsplan. Daarvoor wordt, indien nodig, een onderzoek en melding Bbk uitgevoerd.

44 Toelichting

44

Windpark Beuningen Bestemmingsplan – toelichting en regels

Figuur 13

Uitsnede van bodemkwaliteitskaart met legenda.

4.7.2

Archeologie Voor het milieuaspect archeologie wordt getoetst of op een bepaalde locatie archeologische waarden bekend zijn dan wel te verwachten zijn. Ten behoeve hiervan worden windturbines die binnen of in de nabijheid van een terrein van archeologische waarde of een gebied met een (middel)hoge archeologische verwachting zijn gelegen in beeld gebracht. Hiermee kan een inschatting gemaakt worden of archeologische waarden te verwachten en aan te treffen zijn tijdens de bouw van het windpark. Toetsingskader

Wet op de archeologische monumentenzorg In de Wet op de archeologische monumentenzorg (2007) zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta (1992) binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen, waarbij in beginsel geldt: “de veroorzaker betaalt”. Het belangrijkste doel van de wet is het behoud van het bodemarchief “in situ” (ter plekke), omdat de bodem de Toelichting

45 45

Windpark Beuningen Bestemmingsplan – toelichting en regels

beste garantie biedt voor een goede conservering van de archeologische waarden. Gemeenten zijn verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologievriendelijke alternatieven. Na de invoering van het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving hebben provincies de bevoegdheid gekregen om zogenaamde attentiegebieden aan te wijzen. Dit zijn gebieden die archeologisch waardevol zijn of naar verwachting waardevol zijn. Gemeenten zullen in dat geval verplicht worden hun bestemmingsplan(nen) in het desbetreffende gebied te herzien. Gemeenten kunnen dan in het bestemmingsplan deze gebieden archeologische waarden toekennen waarbij een vergunning met onderbouwend archeologisch onderzoek verplicht gesteld wordt. Onderzoek en resultaten Figuur 14

Uitsnede bestemmingsplan Buitengebied gemeente Beuningen, onherroepelijk: 01-08-2012. Plangebied WP Beuningen is rood omcirkeld.

Bovenstaande uitsnede laat zien dat het gehele plangebied is aangeduid met de dubbelbestemmingen ‘waarde archeologie’ [+++]. Voor een klein gedeelte van het plangebied, gelegen in de hoek die wordt gevormd door de N322 (Maas en Waalweg) en de Betenlaan, gaat het om de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. In de rest van het gebied is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ van toepassing. Voor het VKA geldt dat alle windturbines zijn gesitueerd in gebied met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. Volgens de regels bij het bestemmingsplan zal een archeologisch rapport moeten worden overlegd wanneer een bouwwerk in dit gebied groter is dan 2000m2. Uit het archeologisch vooronderzoek dat naar aanleiding van deze bepaling is uitgevoerd blijkt dat voor delen van het projectgebied Toelichting

46 46

Windpark Beuningen Bestemmingsplan – toelichting en regels

nader archeologisch onderzoek noodzakelijk is. De archeologische waarde wordt overgenomen in het bestemmingsplan waarmee de verplichting tot nader archeologisch onderzoek en de aanlegvergunningplicht blijft bestaan.

4.7.3

Water Voor het milieuaspect water wordt getoetst of windturbines voorzien zijn op of nabij gronden die relevant zijn voor de waterhuishouding. Ten behoeve hiervan wordt gekeken naar grondwater, grondwaterbeschermings- en waterwingebieden en naar waterbergingsgebieden. Toetsingskader

Op grond van de Wro moet bij een ruimtelijke ontwikkeling inzicht worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding. In de Waterwet is de waterhuishouding, veiligheidsnormering voor primaire waterkeringen, het beheer van oppervlaktewater en grondwater geregeld. Waterschap Rivierenland draagt in het plangebied zorg voor het functioneren van het watersysteem. De Keur van het Waterschap Rivierenland 2014 is van kracht op de waterhuishouding in het plangebied. Bijbehorende leggers bepalen het toepassingsgebied van de keur. Onderzoek

Onderstaande figuur toont de aanduidingen gerelateerd aan water uit de omgevingsverordening van de provincie Gelderland. Figuur 15

Omgevingsverordening Gelderland. Kaart 6: regels Water en milieu. Projectgebied in rood.

Grondwater Door gebruik te maken van niet-uitlogende bouwmaterialen wordt uitspoelen van stoffen voorkomen. Uitspoelen van stoffen, en daarmee veranderingen van de Toelichting

47 47

Windpark Beuningen Bestemmingsplan – toelichting en regels

grondwaterkwaliteit, wordt daarmee uitgesloten. Als de windturbines eenmaal in werking zijn, dus nadat mogelijke bemalingen tijdens de bouwfase zijn beëindigd, is er geen relatie met het grondwater. Figuur 13 laat zien dat er zich geen waterwingebieden bevinden binnen het plangebied. Het intrekgebied in het meest westelijke deel van het gebied kent alleen een verbod op fossiele energiewinning en is daarom voor Windpark Beuningen niet relevant. Hemelwaterafvoer Door de aanleg van windturbinefunderingen, kraanopstelplaatsen, toegangswegen en transformatorhuizen neemt het verhard oppervlak toe. In de Keur Waterschap Rivierenland 2014 staat opgenomen dat toevoeging van verhard oppervlakte verboden is zonder watervergunning en dat compensatie voor nieuwe verharde oppervlaktes dient plaats te vinden. In de beleidsregel (Algemene regels behorende bij de Keur Waterschap Rivierenland 2014) wordt hierop een uitzondering gemaakt voor nieuw verhard oppervlak tot 1500 m2 in landelijk gebied. Voor het VKA wordt deze grens overschreden en daarom is de initiatiefnemer in overleg getreden met het waterschap Rivierenland over de benodigde compenserende maatregelen. Onderdeel van deze procedure is de uitwerking van aan water gerelateerde aandachtspunten in een waterparagraaf (Zie Bijlage I).

Bij de realisatie van de benodigde compenserende maatregelen zullen tevens één of meerdere zogenaamde natuurvriendelijke oevers worden ingericht. Hiermee wordt invulling gegeven aan het beschermingsregime van de milieuzone-hydrologische beschermingszone uit het huidige bestemmingsplan.

4.8

Externe Veiligheid

4.8.1

Toetsingskader Inleiding

De gemeente Beuningen vindt de veiligheid van haar inwoners belangrijk. Ten behoeve van de beoordeling van de externe-veiligheidsrisico’s voor (beperkt) kwetsbare objecten kiest de gemeente er daarom voor om een beschermingsniveau te hanteren dat overeenkomt met de normstelling voor overige risicovolle activiteiten, volgend uit diverse externe-veiligheidsbesluiten zoals het Bevi, Bevb en Bevt. Omdat in deze besluiten een aanvaardbare mate van risico is omschreven die niet afhankelijk is van het type inrichting acht de gemeente het niet nodig voor windturbines afwijkende normen voor te schrijven. Uit het externe veiligheidsonderzoek en de bijbehorende oplegnotitie die is opgesteld naar aanleiding van de RvS-uitspraak is gebleken dat realisatie van Windpark Beuningen niet zal leiden tot overschrijding van de gangbare normen voor het plaatsgebonden risico.

48 Toelichting

48

Windpark Beuningen Bestemmingsplan – toelichting en regels

Ten behoeve van het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen stelt de gemeente daarnaast aanvullende eisen op het gebied van certificering, veiligheid en onderhoud. Veiligheidsnormen

Vanwege de kans op falen kunnen windturbines een risico opleveren voor de omgeving. De risico’s van een windturbine worden gevormd door 3 typen falen: 1. het afbreken van (een gedeelte van) een windturbineblad, a) bij overtoeren b) bij nominaal vermogen 2. het omvallen van een windturbine door mastbreuk, en het naar beneden vallen van de gondel en/of rotor. Bij de toetsing op veiligheidsaspecten wordt gebruik gemaakt van verschillende (wettelijke) kaders. Tot voorkort volgden de normen omtrent windturbines en bebouwing (plaatsgebonden risico voor (beperkt) kwetsbare objecten) uit het Activiteitenbesluit milieubeheer16. Omdat voor het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling ten onrechte geen milieueffectrapport is opgesteld zijn deze normen door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (RvS) buiten toepassing verklaard voor windturbineprojecten die vallen onder bijlage II van de Europese Mer-richtlijn. In de uitspraak wordt expliciet door de RvS genoemd dat een gemeenteraad niet verplicht is aan te sluiten bij de normen uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling. De raad kan er ook voor kiezen om eigen normen te hanteren. Die normen moeten dan zijn voorzien van een actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en op de aan de orde zijnde situatie toegesneden motivering.

Normen voor het plaatsgebonden risico (PR) voor (beperkt) kwetsbare objecten volgen niet alleen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer, maar zijn ook wettelijk vastgelegd in overige besluiten aangaande risicovolle activiteiten zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Omdat in deze besluiten een aanvaardbare mate van risico is omschreven die niet afhankelijk is van het type inrichting acht de gemeente het niet nodig voor windturbines afwijkende normen voor te schrijven. Nu het Activiteitenbesluit milieubeheer buiten toepassing is verklaard kiest de gemeente ervoor om bij deze overige besluiten aan te sluiten voor normstelling voor (beperkt) kwetsbare objecten: 1.

16

Toelichting

Het plaatsgebonden risico voor een buiten de inrichting gelegen kwetsbaar object, veroorzaakt door een windturbine of een combinatie van windturbines, is niet hoger dan 10-6 per jaar.

Behalve normen voor het plaatsgebonden risico (PR) waren in het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer normen ten aanzien van certificering en onderhoud van windturbines opgenomen. Ten behoeve van het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen zijn in het bestemmingsplan aparte regels opgenomen ten aanzien van certificering, veiligheid en onderhoud.

49 49

Windpark Beuningen Bestemmingsplan – toelichting en regels

2.

Het plaatsgebonden risico voor een buiten de inrichting gelegen beperkt kwetsbaar object, veroorzaakt door een windturbine of een combinatie van windturbines, is niet hoger dan 10-5 per jaar.

Voor de definitie van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten kan ook worden aangesloten bij de definitie uit artikel 1 lid 1b en artikel 1 lid 1l uit het Bevi. Voor het berekenen van het plaatsgebonden risico kan gebruik worden gemaakt van het door het RIVM opgestelde Rekenvoorschrift Omgevingsveiligheid Module IV – Windturbines. Dit rekenvoorschrift bevat de meest actuele en recente rekenmethoden om het plaatsgebonden risico rondom een windturbine te bepalen. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - In mei 2004 is het “Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi) in werking getreden. Hiermee zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Windturbines vallen niet onder de categorieën van inrichtingen waarop het Bevi zich richt. Windturbines kunnen wel resulteren in een risicoverhoging van nabijgelegen Bevi-inrichtingen. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) - Windturbines kunnen een risico vormen op buisleidingen. Indien windturbines nabij een buisleiding geplaatst worden moet getoetst worden aan het “Besluit externe veiligheid buisleidingen” (Bevb). Hierin zijn risiconormen opgenomen voor vervoer van gevaarlijke stoffen in buisleidingen.

Handreiking Risicozonering Windturbines (HRW 2020) - De “Handreiking Risicozonering Windturbines17” geeft richtlijnen om de risico’s rond windturbines te toetsen. Uit de handreiking blijkt dat windturbines geen substantiële bijdrage mogen leveren aan een hoger risico van een inrichting (bijv. BEVI-inrichting). Dat komt er op neer dat de windturbines geen effect hebben op de voor de inrichting geldende Groepsrisico, Persoonsgebonden Risico en afstanden tot (beperkt) kwetsbare objecten. Om dit te toetsen wordt in eerste instantie gekeken of de windturbines een toename van de catastrofale faalfrequentie van risicovolle installaties behorende tot de inrichting tot gevolg hebben. Indien deze toename een bepaalde richtwaarde niet overschrijdt dan is plaatsing van de windturbine uit oogpunt van risicobeoordeling toegestaan. Als uitgangspunt voor deze richtwaarde wordt volgens de Handreiking Risicozonering Windturbines een toename van 10% gehanteerd. Indien de toename deze richtwaarde overschrijdt, is plaatsing niet direct uitgesloten, maar wordt door een uitgebreidere analyse bepaald of er na plaatsing nog steeds voldaan wordt aan de normen uit het Bevi en Bevb.

Ten aanzien van gasleidingen en hoogspanningsinfrastructuur hanteren respectievelijk de Gasunie en TenneT een afstand van ‘werpafstand bij nominaal toerental’ waarbuiten geen negatieve invloed van een windturbine te verwachten is (Handreiking Risicozonering Windturbines, 2020). Binnen deze adviesafstand is in overleg met Gasunie en TenneT en afhankelijk van een locatie specifieke risicoanalyse in sommige gevallen kleinere afstanden mogelijk.

17

Toelichting

50

Handboek Risicozonering Windturbines versie 3.1, sep 2014 50

Windpark Beuningen Bestemmingsplan – toelichting en regels

Met de implementatie wetgeving van de herziening van de m.e.r.-richtlijn is in mei 2017 het element risico’s op zware ongevallen of rampen toegevoegd aan de onderwerpen die beschreven dienen te worden in het MER. Windturbines zelf kunnen geen zware ongevallen of rampen veroorzaken, maar kunnen wel een verhoging van deze risico’s daarvan bij risicovolle installaties teweegbrengen. Dit wordt daarom, voor zover relevant, voor deze inrichtingen beschreven. Infrastructuur In aanvulling op het externe-veiligheidsbeleid dat algemeen van toepassing is, hanteert Rijkswaterstaat eigen risicocriteria voor windturbines die zijn opgenomen in het document “Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over Rijkswaterstaatwerken”. Deze beleidskader geldt alleen voor Rijkswegen. Voor overige wegen gelden geen afstandsnormen maar dient getoetst te worden aan het Individuele Passanten Risico (IPR) en het Maatschappelijke Risico (MR) welke staan beschreven in de beleidsregel “Windturbines langs auto-, spoor-, en vaarwegen – Beoordeling van veiligheidsrisico’s”. Wanneer voldaan wordt aan de beleidsregel is er geen hinder voor verkeer, wal- en scheepradar te verwachten. Aanvullend onderzoek is alleen vereist wanneer windturbines binnen een afstand gelijk aan minder dan de halve rotordiameter tot de rand van de auto- of vaarweg geplaatst worden (art 4, lid 1 en 2 uit de beleidsregel).

IJsafworp Voor ijsafworp geldt geen wettelijk kader en is in het kader van het MER geen beoordelingscriterium opgenomen. Wel is in het kader van het onderdeel ‘Wegen’ onderzocht wat het risico is dat ijs op nabijgelegen wegen terechtkomt. Veiligheid waterkeringen Er liggen geen waterkeringen in of nabij het projectgebied.

4.8.2

Onderzoek Om te toetsen aan het wettelijke kader is een veiligheidsanalyse uitgevoerd (Bijlage D en de oplegnotitie, Bijlage N) Voor de locatie zijn met betrekking tot de externe werking van windturbines de volgende onderwerpen van belang: ➢ ➢ ➢ ➢ ➢

(Beperkt) kwetsbare objecten Risicovolle installaties Buisleidingen Hoogspanningsinfrastructuur Wegen

Gebouwen In onderstaand figuur is te zien dat er zich geen (geprojecteerde) kwetsbare objecten zich bevinden binnen de 10-5 en 10-6 contour. Wel is sprake van een object binnen de 10-6 contour, namelijk een kippenstal. Aangezien een deel van de processen geautomatiseerd zijn en er slechts een beperkt aantal werknemers tegelijk aanwezig is kan dit object niet gelijkgesteld worden aan een object als bedoeld in artikel 1 lid 1l van het Bevi. Daarnaast is het plaatsgebonden risico dat optreedt niet hoger dan 10-5 per jaar. Hiermee is sprake van een goede ruimtelijke ordening en wordt

51 Toelichting

51

Windpark Beuningen Bestemmingsplan – toelichting en regels

voldaan aan de gehanteerde normen voor het plaatsgebonden risico voor (beperkt) kwetsbare objecten. Figuur 16

Risicocontouren rond de windturbines (bovengrens VKA)

Risicovolle installaties De berekende maximale werpstanden (bij overtoeren) zijn ingetekend op de kaart en voor de locatie is nagegaan of binnen deze maximale werpafstanden risicovolle installaties aanwezig zijn.

52 Toelichting

52

Windpark Beuningen Bestemmingsplan – toelichting en regels

Figuur 17

Maximale werpafstand bij overtoeren van de windturbines en risicovolle installaties

Doordat bij 2 risicovolle installaties de afstand kleiner is dan de tiphoogte heeft naast het scenario wiekbreuk ook het scenario mastbreuk een risico verhogend effect. Daarom is de trefkans berekend voor het scenario wiekbreuk en mastbreuk, waarbij de totale trefkans een optelling is van beide scenario’s. De totale trefkans is vergeleken met de intrinsieke faalkans van de installaties. Onderstaande tabel bevat de vergelijking van de trefkans van de windturbines met de intrinsieke faalkans van de installatie: Tabel 13

Verhoging faalkans van risicovolle installaties

Alternatief

Installatie

Bovengrens Bovengrens Bovengrens Bovengrens Bovengrens

Propaantank 1 Propaantank 2 Propaantank 5m3 Propaantank 2,7m3 Propaantank 1,6m3

Intr. Faalkans 1,00*10-5 1,00*10-5 1,00*10-5 1,00*10-5 1,00*10-5

Trefkans 1,81*10-05 1,63*10-05 1,35*10-08 1,10*10-08 1,18*10-08

Verhoging faalkans 180,87% 162,69% 0,13% 0,11% 0,12%

Uit bovenstaande tabel blijkt dat er bij 2 installaties niet wordt voldaan aan de richtwaarde van 10%. Echter zijn de twee installaties propaantanks met een inhoud kleiner dan 13m3. Voor deze installaties gelden er veiligheidsafstanden (geen QRA plicht), waarbij de nieuw te plaatsen windturbines geen invloed hebben op de geldende afstanden. Hierdoor hoeft er geen aanvullend onderzoek plaats te vinden.

53 Toelichting

53

Windpark Beuningen Bestemmingsplan – toelichting en regels

Buisleidingen Uit onderstaande figuur blijkt dat er bij windturbine 5 niet wordt voldaan aan de adviesafstand van Gasunie. De werpafstand bij nominaal toerental reikt over de buisleiding (afstand windturbine tot buisleiding: 196m). Verder blijkt uit onderstaande figuur dat de windturbines zich bevinden buiten de leidingstrook zoals aangewezen in de leidingstrook Structuurvisie Buisleidingen. Figuur 18

Buisleidingen en adviesafstanden Gasunie

De berekening voor de werpafstand bij nominaal toerental is echter uitgevoerd voor een worst-case windturbine. Hieronder wordt voor bestaande windturbinetypes met gegevens van de fabrikant de werpafstand bij nominaal toerental berekend: Type Enercon E160 Nordex N163 Siemens SWT6.0-170 Vestas V162

Ashoogte 165 163,5 160 164

Rotordiameter

Werpafstand bij nominaal toerental

160 163 170 162

150 145 146 187

Uit bovenstaande tabel blijkt dat bij de commercieel beschikbare windturbinetypes binnen de bandbreedte ruimschoots wordt voldaan aan de adviesafstand van Gasunie. Hierdoor is het mogelijk om te concluderen dat het aspect Buisleidingen de realisatie van Windpark Beuningen niet in de weg staat. Om dit te borgen is in dit bestemmingsplan een regel opgenomen dat het uiteindelijk gekozen windturbinetype moet voldoen aan de adviesafstand van de Gasunie.

54 Toelichting

54

Windpark Beuningen Bestemmingsplan – toelichting en regels

Hoogspanningsinfrastructuur Uit onderstaande figuur blijkt dat er geen hoogspanningsinfrastructuur is gelegen binnen de werpafstand bij nominaal toerental of de valafstand. Er zijn derhalve geen aandachtspunten. Figuur 19

Tiphoogte en hoogspanningsinfrastructuur

Wegen Uit onderstaande figuur blijkt dat twee windturbines over een openbare weg draaien. WTB 4 draait over de Steeg en WTB 2 draait over de Betenlaan. Doordat er overdraai plaatsvindt wordt de kans berekend dat een persoon wordt geraakt door een afgebroken wiek, mast en/of gondel. De totale trefkans komt neer op 5,62*10-12 per passage Bij de bovengrens wordt aan het IPR voldaan zolang één passant niet meer dan 177.935 keer per jaar de windturbine passeert. Dit komt overeen met 487 passages per dag, gedurende een heel jaar, door een en dezelfde persoon. Tevens wordt aan het MR (2*10-03) voldaan zolang niet meer dan 355.871.886 passanten per jaar de windturbines passeren. Gelet op de aard van de weg is het niet realistisch dat het IPR of het MR wordt overschreven.

55 Toelichting

55

Windpark Beuningen Bestemmingsplan – toelichting en regels

Figuur 20

Overdraai van de windturbines over openbare wegen

4.8.3

Conclusie Er treden geen onacceptabele risico’s op ten aanzien van (geprojecteerde) beperkt kwetsbare objecten en locaties, risicovolle installaties, buisleidingen, hoogspanningsinfrastructuur en wegen. Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid de uitvoering van het plan niet in de weg staat. De verhoging van het risico voor (beperkt) kwetsbare objecten en passanten is dusdanig laag dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

4.9

Landschap De provinciale omgevingsverordening (Provincie Gelderland) stelt dat bij het opstellen van een bestemmingsplan dat de oprichting van een windturbine of windturbinepark mogelijk maakt, aandacht besteed moet worden aan de volgende aspecten (art. 2.62). a. b. c. d. e.

de ruimtelijke kenmerken van het landschap; de maat, schaal en inrichting in het landschap; de visuele interferentie met een nabij gelegen windturbine of windturbines; de cultuurhistorische achtergrond en waarden van het landschap; de beleving van de windturbine of het windturbinepark in het landschap.

56 Toelichting

56

Windpark Beuningen Bestemmingsplan – toelichting en regels

De landschapstypen en andere beoordelingsaspecten (bijvoorbeeld cultuurhistorische elementen) zijn voortgekomen uit de analyse van het landschap. In totaal zijn er 6 landschapstypen gedefinieerd in het landschap rondom Beuningen, namelijk: uiterwaarden, oeverwallen, komgronden, rivierduinen, kampenlandschap en grootschalige infrastructuur. Voor de aandachtspunten ‘De ruimtelijke kenmerken van het landschap’ en ‘Maat, schaal en inrichting in het landschap’ geldt dat deze veel overeenkomsten hebben met elkaar. De maat, schaal en inrichting van een landschap gaan een direct verband aan met de ruimtelijke kenmerken van het landschap. Deze twee aandachtspunten zijn daarom tijdens de beoordeling samengevoegd. Beoordeling VKA: De ruimtelijke kenmerken van het landschap & Maat, schaal en inrichting van het landschap Uiterwaarden De uiterwaarden liggen op een relatief grote afstand ten opzichte van de posities van het VKA, op ca. 3.5 km afstand. Dit is buiten de 10x de tiphoogte zone. Hoe groter de windturbines hoe meer prominent aanwezig waardoor ze het open natuurlijke karakter zullen verstoren. De grote windturbines van het VKA bovengrens zijn daarom meer storend dan die van de ondergrens. Het verschil is echter beperkt. Oeverwallen De windturbines van het VKA staan relatief dicht bij de oeverwallen en de dorpskernen, hierdoor worden deze aangetast.

Hoe meer windturbines hoe groter deze aantasting is. Er is dan namelijk een groter horizonbeslag door windturbines. Ook onregelmatige afstanden tussen windturbines kan storend ogen. Met de keuze voor het VKA is ingezet op maximale energieproductie met zo min mogelijk windturbines. Komgronden Bij de grote windturbines van het VKA kan het schaal verkleinende effect optreden waardoor het grootschalige landschap verkleind lijkt. Dit is een negatief effect op dit kenmerk van de komgronden. Hoe groter de windturbine hoe meer dit effect zal optreden. Maar ook plaatsingsafstand en aantallen zal hier invloed op uitoefenen. Rivierduinen De rivierduinen kennen een wat meer besloten en kleinschaliger karakter. De windturbines die een zeer groot landschap overstijgend karakter hebben verstoren dit karakter. De dorpen hebben een landelijk karakter en kennen relatief veel groen. Daarentegen hebben de windturbines van het VKA een wat meer industrieel karakter. Deze zijn daarom een grotere storende factor. Het uitzicht vanaf de hoger gelegen rivierduinen op het open landschap rondom wordt verstoort. Hierdoor verliezen de rivierduinen identiteit. Deze verstoring is zowel bij de onder- als bovengrens in dezelfde mate aanwezig. Kampenlandschap Het landschap van het kampenlandschap is een kleinschaliger landschap in vergelijking met de komgronden.

De dynamische vormen binnen dit landschap staan tegenover de rechtlijnige opstelling van het VKA. De beekstromen die een natuurlijk Toelichting

57 57

Windpark Beuningen Bestemmingsplan – toelichting en regels

karakter hebben zullen worden aangetast door de industriële windturbines. Door de aanwezigheid van (laan)beplanting zullen de windturbines minder prominent aanwezig zijn. Daarin zit geen tot een minimaal verschil tussen het VKA onder- en bovengrens. Grootschalige infrastructuur Het VKA bestaan uit meerdere windturbines welke langs het wegtracé komen te liggen. Het karakter van zowel de snelweg als de windturbines is vergelijkbaar (industrieel). Daardoor valt er nauwelijks te spreken over een negatief effect op beleving van de infrastructurele lijn. Het VKA volgt in grote lijnen de A73 waardoor deze deels aansluit. Beoordeling VKA: Visuele interferentie met een nabijgelegen windpark De hoogspanningsmasten zijn aanzienlijk kleiner dan de windturbines van het VKA. Ondanks dat er vanuit bepaalde waarnemingspunten interferentie ontstaat door perspectief verkleining, is er slechts in kleine mate te spreken over invloed op de herkenbaarheid van elkaars opstelling. Wel is er te spreken over ophoping van ‘vervuiling’ van de horizon. Beoordeling VKA: cultuurhistorische achtergrond van het landschap De winterdijken Er vindt een verkleinend effect plaats op de schaal van het landschap en daardoor ook op de beleving van het landschap en de dijken. De dijken, met name de beleving vanaf de Waaldijk, zijn wel op redelijke afstand van het VKA. De impact zal daarom beperkt zijn.

De impact bij de hogere windturbines van het VKA-bovengrens is iets groter dan bij de ondergrens, maar het verschil is zeer gering. Steenfabriek aan de Dijk (Tussen Beuningen en Weurt) De windturbines van het VKA zijn mogelijk waar te nemen vanuit de omgeving van de steenfabriek. De windturbines zullen met name vanaf het water en vanaf de Waaldijk zichtbaar zijn. Dit heeft impact op de karakteristieke hoge schoorsteen. Deze zal hierdoor kleiner lijken. Ook doordat er meer objecten in de horizon verschijnen zal deze minder zichtbaar worden. De impact op deze kwaliteit is daarom aanwezig. Deze negatieve impact is wel klein omdat de steenfabriek op redelijk grote afstand (ca. 4 kilometer) ligt van de dichtstbijzijnde windturbines van het VKA. Het verschil in waarneming tussen de onder- en bovengrens van VKA zal nihil zijn. Kasteel Hernen De windturbines van het VKA zijn mogelijk waar te nemen vanuit de omgeving van Kasteel Hernen. Het kasteel wordt omringt door veel opgaande beplanting en direct zicht vanaf het kasteel is daarom vrij minimaal. Desondanks zullen moderne windturbines niet passend zijn en tasten ze dit cultuurhistorische bouwwerk aan. De impact op de kwaliteiten is echter wel klein, mede door het minimale zicht en de afstand. Het verschil in waarneming tussen de onder-en bovengrens van VKA zal nihil zijn.

(Dorpskerk) Leur De windturbines van het VKA zijn mogelijk waar te nemen vanuit de omgeving van de Dorpskerk Leur. Moderne windturbines zijn niet passend vanuit dit perspectief en tasten dit cultuurhistorische bouwwerk aan. Voor het hele dorp van Leur geldt Toelichting

58 58

Windpark Beuningen Bestemmingsplan – toelichting en regels

dat deze als een beschermd dorpsgezicht is bestempeld. Vanuit andere plekken in Leur zal de aantasting dus ook aanwezig zijn. Deze impact op de kwaliteiten heeft echter in kleine mate invloed omdat (de Dorpskerk) Leur op redelijk grote afstand van ca. 4 kilometer ligt van de dichtstbijzijnde windturbines van het VKA. Het verschil in waarneming tussen de onder- en bovengrens van VKA zal nihil zijn. Hernense Molen De windturbines van het VKA zijn mogelijk waar te nemen vanuit de omgeving van de Molen in Hernen. Er vindt een verkleinend effect plaats waardoor de molen minder opvalt. De impact op de kwaliteiten is echter wel klein omdat de molen op ca. 3 kilometer ligt vanaf de dichtstbijzijnde windturbines van het VKA. Het verschil in waarneming tussen de onder- en bovengrens van VKA zal nihil zijn. Wel zal het verkleinend effect van de bovengrens van het VKA iets groter zijn. Beatrixmolen (Winssen) De windturbines van het VKA zijn mogelijk waar te nemen vanuit de omgeving van de Beatrixmolen. Er vindt een verkleinend effect plaats waardoor de molen minder opvalt. De impact op de kwaliteiten is nihil. Het verschil in waarneming tussen de onder- en bovengrens van VKA zal ook nihil zijn. Wel zal het verkleinend effect van de bovengrens van het VKA iets groter zijn dan van de ondergrens.

Molen De Verrekijker (Bergharen) De windturbines van het VKA zijn waar te nemen in de omgeving van de Molen de Verrekijker. De moderne windturbines zijn niet passend in de omgeving van de molen en tasten daarom dit cultuurhistorische bouwwerk aan. Er vindt een verkleinend effect plaats waardoor de molen minder opvalt. Er is daarom impact op de kwaliteiten van de molen De Verrekijker. Het verschil in waarneming tussen de onder- en bovengrens van het VKA zal nihil zijn. Wel zal het verkleinend effect van de bovengrens van het VKA iets groter zijn dan van de ondergrens. Beoordeling VKA Beleving van het windpark in het landschap Uiterwaarden De uiterwaarden, waarbinnen ook weinig infrastructuur aanwezig is, zijn voor de beleving ook een oase aan rust. Door het draaien van de wieken van de windturbines zal deze rust verstoord worden. Hoe meer windturbines hoe meer dit verstoord wordt. Met de keuze voor het VKA is ingezet op maximale energieproductie met zo min mogelijk windturbines. De windturbines staan op een redelijke afstand van ca. 3.5 kilometer. Daarom is niet te spreken over een ernstige verstoring. De grote windturbines van het VKA-bovengrens zijn iets beter zichtbaar, maar dit verschil is nihil.

Oeverwallen Door de aanwezigheid van onder andere veel bebouwing en bedrijfspanden kennen de oeverwallen in vergelijking met de uiterwaarden en komgronden een wat meer industrieel (bebouwd) karakter. Dit is daardoor ook de plek waar de meeste waarnemers zich zullen bevinden en voortbewegen. Juist ook door de beslotenheid door de aanwezigheid van bebouwing zijn de windturbines ook minder zichtbaar dan bijvoorbeeld in de uiterwaarden of in de komgronden. Hoe meer windturbines en hoe groter deze zijn hoe groter deze aantasting is omdat deze voor waarnemers eerder

59 Toelichting

59

Windpark Beuningen Bestemmingsplan – toelichting en regels

zichtbaar zullen zijn. Met de keuze voor het VKA is ingezet op maximale energieproductie met zo min mogelijk windturbines. Het verschil tussen de onder- en bovengrens van het VKA is klein. Daarnaast geldt ook dat wanneer er geen gelijke plaatsingsafstand is en de windturbines niet in een rechte lijn zijn gesitueerd, dit als meer storend zal worden ervaren. Het VKA is geen rechte strakke lijn. Komgronden De windturbines van het VKA zullen duidelijk zichtbaar zijn vanuit de komgronden. De windturbines van het VKA zijn niet in een rechte lijn gesitueerd, dit zal als meer storend worden ervaren. Door de rationele verkaveling en de afwezigheid van veel opgaande beplanting of kenmerkende cultuurhistorische elementen, worden de komgronden vaak ervaren als grootschalig productielandschappen. Hierin ‘passen’ windturbines beter dan in gebieden die als natuurlijk of cultuurhistorisch waardevol worden ervaren/beleeft. Rivierduinen Met de keuze voor het VKA is ingezet op maximale energieproductie met zo min mogelijk windturbines. Daardoor betreft het een kleiner aantal windturbines, die echter wel groter zijn. Hoe meer windturbines, alsook grotere windturbines, hebben een grotere aantasting omdat deze voor waarnemers eerder zichtbaar zullen zijn.

Daarnaast geldt ook dat wanneer er geen gelijke plaatsingsafstand is en de windturbines niet in een rechte lijn zijn gesitueerd, dit als meer storend zal worden ervaren. Het VKA is geen rechte strakke lijn. Kampenlandschap Met de keuze voor het VKA is ingezet op maximale energieproductie met zo min mogelijk windturbines. Daardoor betreft het een kleiner aantal windturbines, die echter wel groter zijn. Hoe meer windturbines, alsook grotere windturbines, hebben een grotere aantasting omdat deze voor waarnemers eerder zichtbaar zullen zijn. Daarnaast geldt ook dat wanneer er geen gelijke plaatsingsafstand is en de windturbines niet in een rechte lijn zijn gesitueerd, dit als meer storend zal worden ervaren. Het VKA is geen rechte strakke lijn. Grootschalige infrastructuur Door het wegtracé A50 en A73 zal het windpark op lokaal en op macroniveau ook onderdeel gaan uitmaken van deze grootschalige infrastructuren. Hier zal eerder een koppeling mee gemaakt worden wanneer men zich door het landschap of over de lijnen heen beweegt. Wanneer er geen gelijke plaatsingsafstand is en de windturbines niet in een rechte lijn zijn gesitueerd, dan zal dit als meer storend worden ervaren. Het VKA is geen rechte lijn, maar deze volgt wel het wegtracé hierdoor zal de impact voor gebruikers van de A73 minder storend zijn.

4.9.1

Conclusie Het landschap in en rondom Beuningen zal worden aangetast door de komst van de beoogde windturbines van Windpark Beuningen. Vanwege de landschappelijke en cultuurhistorische waarden zal de meeste negatieve impact zich voordoen bij de

60 Toelichting

60

Windpark Beuningen Bestemmingsplan – toelichting en regels

rivierduinen. Karakteristieken en belevingswaarden van de uiterwaarden, oeverwallen en komgronden zullen ook negatief worden beïnvloed. De beleving en aantasting ten aanzien van de snelwegen, welke in de landschappelijke beoordeling zijn getypeerd als landschapstype ‘grootschalige infrastructuur’, kent de minst negatieve impact. Het VKA is bij enkele aspecten minder gewenst ten opzichte van de MER alternatieven. Dit geldt in alle gevallen voor de beleving van de eenheid van de opstelling. Desondanks zijn de scores op de beoordelingscriteria van het VKA niet lager dan bijvoorbeeld de scores van MER alternatief 1 (deze opstellingen zijn t.a.v. veel aspecten vergelijkbaar). Dit heeft te maken met het feit dat de scores op de beoordelingscriteria opgebouwd zijn uit verschillende sub-scores op meerde aspecten. Daarnaast zijn de gradaties in scores van de m.e.r.-systematiek niet uiteenlopend genoeg om alleen voor het sub-aspect ‘eenheid van de opstelling’ een negatievere beoordeling te geven aan een beoordelingscriterium in zijn totaliteit. Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘landschap’ uitvoering van het plan niet in de weg staat. De negatieve impact op het landschap is echter wel in grote mate aanwezig. Er zal daarom goed moeten worden gekeken welke mitigerende maatregelen de pijn t.a.v. het landschap kunnen verzachten.

4.10

Ecologie

4.10.1

Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) bevat het juridisch kader voor het ecologisch onderzoek. Hoofdstuk 2 van deze wet betreft de regels voor bescherming van de natura-2000 gebieden. De wet is verder ingedeeld aan de hand van de betreffende Europese richtlijnen. Het ‘beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn’ staat in § 3.1, het ‘beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn’ in § 3.2 en het ‘beschermingsregime andere soorten’ in § 3.3. Verder geldt een algemene zorgplicht op basis van art. 1.11 voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten. Gebiedsbescherming Het onderdeel gebiedsbescherming is gericht op het beschermen en in stand houden van bijzondere gebieden in Nederland. Art. 2.7 lid 2 Wnb bepaalt dat voor het realiseren van projecten met mogelijke significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied een vergunning nodig is. De aanvrager van de vergunning dient, als significante negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, hiervoor een passende beoordeling op te stellen. De Natura 2000-gebieden hebben dus een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze zones plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Voor cumulatieve effecten dienen alle activiteiten en plannen te worden betrokken, die op dezelfde instandhoudingsdoelstellingen voor de Natura 2000-gebieden negatieve effecten kunnen hebben als het eigen project/plan.

Toelichting

61 61

Windpark Beuningen Bestemmingsplan – toelichting en regels

Verder is op grond van art. 1.12 gedeputeerde staten verantwoordelijk de zorg voor de totstandkoming en instandhouding van het Natuurnetwerk Nederland. Er geldt in de provincie Gelderland geen externe werking voor het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming Dit onderdeel is gericht op de bescherming van dier- en plantensoorten in hun natuurlijke leefgebied. De Wnb bevat onder meer verbodsbepalingen met betrekking tot het opzettelijk doden of vangen, en het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfsplaatsen. Per beschermingsregime gelden verschillende verboden. Voor soorten uit de Vogelrichtlijn geldt het volgende verbod: - Opzettelijk doden of vangen; - Opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, rustplaatsen of eieren; - Opzettelijk storen van vogels (tenzij dit niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding). Voor soorten uit de Habitatrichtlijn geldt het volgende verbod: - Opzettelijk doden of vangen; - Opzettelijk verstoren; - Beschadigen of vernielen van voortplantings- of rustplaatsen of eieren. Voor het beschermingsregime andere soorten geldt het volgende: - Opzettelijk doden of vangen; - Opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantings- of rustplaatsen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beuningen&id=042f5f8c-dad4-4ce4-8295-2d3f4f532655