Bijlage 2 Bijlagen bij motivering Pastoor van der Marckstraat 7 Weurt
Tekst van het document
Ro94LuL8aB9P (12 november 2025)
2025 -
1,6 kg/j
26,4 kg/j
2/7
Projectberekening
Gebruiksfase (Beoogd), rekenjaar 2025 Emissiebronnen 3 4
Verkeer | Koude start: overig | Koude start appartementen Verkeer | Koude start: overig | Koude start woning Verkeersnetwerk
Ro94LuL8aB9P (12 november 2025)
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
0,4 kg/j 70,5 g/j 1,2 kg/j
2,4 kg/j 0,4 kg/j 23,6 kg/j
3/7
Projectberekening
Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.
500 m Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald
© OSM & Kadaster Grootste toename (projectberekening) Grootste afname (projectberekening) Hoogste totaal (achtergrond + projectberekening)
De letters bij de bronlabels op de kaart geven bij welke type situaties de bronnen horen: beoogde situatie (B), referentiesituatie (R) en/of salderingssituatie (S). Ro94LuL8aB9P (12 november 2025)
4/7
Projectberekening
Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Gebruiksfase" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Er zijn geen resultaten voor deze weergave.
Ro94LuL8aB9P (12 november 2025)
5/7
Projectberekening
Gebruiksfase, Rekenjaar 2025
1 Verkeer | Rijdend verkeer Naam Verkeersbewegingen appartementen Links Rechts NOₓ Locatie X:186123,53 Y:429707,33 Type scherm - - NO₂ Lengte 4.625,77 m Hoogte - - NH₃ Wegtype Binnen bebouwde kom (normaal) Afstand tot de weg - Rijrichting Beide richtingen Tunnelfactor 1 Type hoogteligging Normaal Weghoogte t.o.v. maaiveld 0 m Verkeer Maximum snelheid Aantal voertuigbewegingen
Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer
Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren
2 Verkeer | Rijdend verkeer Naam Verkeersbewegingen woning Locatie X:186117,78 Y:429697,8 Lengte 4.648,04 m Wegtype Binnen bebouwde kom (normaal) Rijrichting Beide richtingen Tunnelfactor 1 Type hoogteligging Normaal Weghoogte t.o.v. maaiveld 0 m Verkeer Maximum snelheid
Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer 3
Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren
Verkeer | Koude start: overig
Naam Locatie Oppervlakte Type voertuig
Koude start appartementen X:184562,63 Y:430039,29 0,20 ha
Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer 4
Verkeer | Koude start: overig
Naam Locatie Oppervlakte Type voertuig
Koude start woning X:184563,31 Y:430040,08 0,21 ha
Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer
Ro94LuL8aB9P (12 november 2025)
20,0 kg/j 2,2 kg/j 1,0 kg/j
In file
48,0 /etmaal 0,0 /etmaal 0,0 /etmaal 0,0 /etmaal
0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 %
Links Rechts NOₓ Type scherm - - NO₂ Hoogte - - NH₃ Afstand tot de weg - -
3,6 kg/j 0,4 kg/j 0,2 kg/j
Aantal voertuigbewegingen
In file
8,6 /etmaal 0,0 /etmaal 0,0 /etmaal 0,0 /etmaal
0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 %
NOₓ NH₃
2,4 kg/j 0,4 kg/j
Koude starts
24,0 /etmaal 0,0 /etmaal 0,0 /etmaal 0,0 /etmaal NOₓ NH₃
0,4 kg/j 70,5 g/j
Koude starts
4,3 /etmaal 0,0 /etmaal 0,0 /etmaal 0,0 /etmaal
6/7
Projectberekening
Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden. Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van AERIUS versie 2025.0.1_20251007_db4f14956b Database versie 2025.0.1_db4f14956b_calculator_nl_stable Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://link.aerius.nl/website
Ro94LuL8aB9P (12 november 2025)
7/7
Bijlage 5
Quickscan flora en fauna
80
QuickScan natuurwaardenonderzoek Pastoor van der Marckstraat 7 – Weurt ‘T centrum Effectbeoordeling in het kader van de Omgevingswet, Gelders Natuurnetwerk en Natura 2000
1
Colofon QuickScan natuurwaardenonderzoek Pastoor van der Marckstraat 7 - Weurt Effectbeoordeling in het kader van de Omgevingswet, Gelders Natuurnetwerk en Natura 2000
Uitgevoerd door: Natuurbank Overijssel Correspondentieadres: Nobelstraat 7-5 7131 PZ Lichtenvoorde BTW-ID: NL001388212B56 E: info@natuurbankoverijssel.nl Tel: 0850-509852
Opdrachtgever: DLV Advies
Abonnementhouder van de Nationale Databank Flora en Fauna
Projectnummer en versie: 8060 versie 1.0 Ligging plangebied: Pastoor van der Marckstraat 7 - Weurt Auteur: J. van Middelkoop Tweede lezer: M. Mateman
Status: Definitief Rapportdatum: 20-11-2025 Veldwerk uitgevoerd door: J. van Middelkoop
De vermelde medewerkers in deze rapportage zijn akkoord met openbaring van zijn of haar persoonsgegevens in het kader van de AVG-privacy wetgeving. Aansprakelijkheid Dit onderzoek is uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde natuurwet- en regelgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Natuurbank Overijssel accepteert geen aansprakelijkheid ten aanzien van beslissingen die de opdrachtgever neemt naar aanleiding van het door Natuurbank Overijssel uitgevoerde onderzoek. Natuurbank Overijssel is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Natuurbank Overijssel; opdrachtgever vrijwaart Natuurbank Overijssel voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing.
2
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1
Inleiding............................................................................................................................... 4
1.1 Inleiding ................................................................................................................................................. 4 1.2 Reikwijdte .............................................................................................................................................. 4 HOOFDSTUK 2
HET PLANGEBIED ...................................................................................................................... 5
2.1 Situering ................................................................................................................................................ 5 2.2 Beschrijving van het plangebied............................................................................................................ 6 HOOFDSTUK 3
VOORGENOMEN ACTIVITEITEN .................................................................................................... 7
3.1 Algemeen .............................................................................................................................................. 7 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden ............. 7 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer ............................................................................................................ 8 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied ................................................................................................. 8 HOOFDSTUK 4
TOETSINGSKADERS ................................................................................................................... 9
4.1 Algemeen .............................................................................................................................................. 9 4.2 Omgevingswet; Natura 2000................................................................................................................. 9 4.3 Omgevingswet; Soortenbescherming ................................................................................................... 9 4.4 Specifieke zorgplicht............................................................................................................................ 10 4.5 Beleid ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk ........................................................................... 12 HOOFDSTUK 5
GEBIEDSBESCHERMING............................................................................................................ 13
5.1 Algemeen ............................................................................................................................................ 13 5.2 Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone ...................................................................... 13 5.3 Natura 2000......................................................................................................................................... 14 5.4 Overige beschermde gebieden ........................................................................................................... 16 5.5 Slotconclusie........................................................................................................................................ 16 Hoofdstuk 6
Soortenbescherming ......................................................................................................... 17
6.1 Verwachting en bureauonderzoek ...................................................................................................... 17 6.1.1 Algemeen ......................................................................................................................................... 17 6.2 Te toetsen soorten .............................................................................................................................. 17 6.3 Toelichting met zekerheid afwezige soorten op basis van habitat en/of ingreep .............................. 17 6.4 Toetsing beschermde soorten............................................................................................................. 18 6.5 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep ............................................................................ 23 HOOFDSTUK 7
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN .............................................................................................. 27
7.1 Aanleiding en doel ............................................................................................................................... 27 7.2 Conclusie toetsing ............................................................................................................................... 27 7.3 Aanbevelingen en kansen biodiversiteit ............................................................................................. 28
3
HOOFDSTUK 1
INLEIDING
1.1 Inleiding Het voorliggende plan voorziet in de herontwikkeling van ’T centrum aan de Pastoor van der Marckstraat 7 te Weurt. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Omgevingswet niet op voorhand uitgesloten worden. De initiatiefnemer heeft Natuurbank Overijssel gevraagd een onderzoek uit te voeren naar mogelijke effecten van de voorgenomen werkzaamheden voor beschermde planten, dieren en (natuur)gebied. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied. 1.2 Reikwijdte Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet (soorten en Natura 2000-gebied) en de Omgevingsverordening Gelderland (Gelders Natuurnetwerk).
De voorgenomen ontwikkeling wordt niet getoetst aan andere beschermde aspecten zoals houtopstanden, beschermingszone natte landnatuur of stiltegebied. De beoordeling van voorgenoemde gebiedsaanduidingen vinden plaats in andere onderzoeken.
4
HOOFDSTUK 2 HET PLANGEBIED 2.1 Situering Het plangebied is gesitueerd op het adres Pastoor van der Marckstraat 7 te Weurt, gemeente Beuningen. Het plangebied ligt aan de noordzijde van Weurt. Het plangebied wordt omgeven door stedelijk gebied. In Figuur 2.1 wordt de globale ligging van het plangebied weergegeven op een topografische kaart.
Figuur 2.1: Globale ligging van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid (bron: topotijdreis.nl).
5
2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied omvat een voormalig zalencentrum met bijgebouw, enkele uit- en aanbouwen, en de omliggende tuin en verharding. Het zalencentrum en het bijgebouw waren ten tijde van het veldbezoek wind- en waterdicht en in gebruik als B&B. Het zalencentrum is vermoedelijk gebouwd als een T-boerderij. Het woongedeelte, waarvan het dak parallel aan de weg ligt, heeft een zadeldak met wolfseinden. Het stalgedeelte staat haaks op het woongedeelte en heeft een eenvoudig zadeldak. De daken zijn gedekt met dakpannen; in het achterste deel zijn een dakkapel en enkele dakramen aangebracht. De gevels bestaan uit gemetselde steensgevels. Het bijgebouw heeft eveneens gemetselde gevels en een met dakpannen gedekt zadeldak, maar betreft halfsteens metselwerk. Aan beide gebouwen zijn uit- en aanbouwen toegevoegd. Dit zijn eenlaagse bouwdelen met platte daken, gedekt met bitumen. De voortuin is grotendeels verhard met grind. Voor het zalencentrum staan enkele lindes en zuilvormige bomen. Langs de straat en aan de westzijde van de tuin bevindt zich een beukenhaag; langs de oostzijde staat een ligusterhaag met drie coniferen. De achtertuin bestaat grotendeels uit gazon, aangevuld met diverse sierbeplanting en een schutting langs de perceelsranden. Het plangebied wordt omgeven door woningen, tuinen, bedrijfsmatige erven en de openbare weg.
In Figuur 2.2 is de begrenzing van het plangebied weergegeven. Voor een visuele weergave van de huidige situatie wordt verwezen naar de bijgevoegde fotorapportage.
Figuur 2.2: Luchtfoto met de begrenzing van het plangebied, aangegeven met de gele lijn (bron: Google maps).
6
HOOFDSTUK 3
VOORGENOMEN ACTIVITEITEN
3.1 Algemeen Het voornemen is om het zalencentrum te verbouwen tot acht appartementen. De uitstraling van het gebouw blijft hierbij behouden; de werkzaamheden vinden daarom voornamelijk inpandig plaats en omvatten onder andere verbouw en isolatie. De werkzaamheden aan de buitenzijde blijven beperkt, alleen een deel van de uitbouw aan de westzijde wordt verwijderd en de entree wordt vergroot. Het is nog niet bekend of de dakpannen verwijdert moeten worden om het dak te isoleren. Het bijgebouw wordt volledig gesloopt om plaats te maken voor een nieuwe woning, die meer richting de straat wordt gerealiseerd en in lijn komt te liggen met het bestaande zalencentrum. Aan de achterzijde van het perceel worden acht kleine bergingen voor de appartementen geplaatst, evenals een grotere berging ten behoeve van de nieuwe woning. De tuin en de omliggende verharding worden volledig heringericht. In figuur 3.1 geeft de situatiekaart een overzicht van zowel de huidige situatie als de gewenste eindsituatie.
Figuur 3.1: Situatiekaart met bestaande situatie (links) en beoogde eindsituatie (rechts) (bron: Strategie Architecten)
De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Omgevingswet flora- en fauna-activiteiten: • Slopen van het bestaande bijgebouw; • Bouwrijp maken; • Bouwen nieuwe woning; • Verbouwen zalencentrum tot appartementen; • Bouwen nieuwe bergingen; • Aanbrengen nieuwe beplanting en verharding; • Bewonen van de nieuwe woning en appartementen; 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden:
7
•
Verstoren rust- en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, licht en trillingen tijdens de werkzaamheden;
Mogelijke permanente invloeden: • Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of voortplantingsplaatsen en/of jaarrond beschermde nesten; • Vernielen/verdwijnen van beschermde soorten; • Aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten; 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voor komen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het onderzoeksgebied. Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. In deze studie wordt gekeken naar de uitvoering van sloop- en bouwwerkzaamheden. Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: Om de effecten van de voorgenomen activiteiten zorgvuldig in beeld te brengen, is het van belang om, waar relevant, ook buiten het plangebied te kijken. In dit geval wordt het plangebied begrensd door omliggende woningen, tuinen en de openbare weg. Omdat er sprake is van dagelijkse bedrijvigheid en er geen aanleiding is om buiten het plangebied werkzaamheden uit te voeren, wordt de invloedsfeer slechts in beperkte mate uitgebreid rondom de bestaande gebouwen.
De ruimtelijke en ecologische effecten hiervan zijn zeer gering. 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied is niet gelijk aan het plangebied. Om het onderzoeksgebied te bepalen wordt het plangebied, aangegeven met gele markering, uitgebreid in alle richtingen. Er is aanleiding om te verwachten dat alle werkzaamheden binnen de grenzen van de bestaande verharding blijven.
Figuur 3.2: Luchtfoto met de begrenzing van het onderzoeksgebied, aangegeven met de rode lijn. De gele lijn weergeeft het plangebied. 8
HOOFDSTUK 4
TOETSINGSKADERS
4.1 Algemeen In dit Hoofdstuk worden de diverse toetsingskaders toegelicht waaraan het initiatief getoetst wordt. 4.2 Omgevingswet; Natura 2000 Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning noodzakelijk. 4.3 Omgevingswet; Soortenbescherming In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten.
In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (Artikel 11.37 t/m Artikel 11.40 Bal): 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van, van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; b. het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels; c. het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld onder a; of d. het opzettelijk storen van vogels als bedoeld onder a. 2. Het verbod geldt niet, als: a. het verrichten van die activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de artikelen 9, eerste en tweede lid, en 13 van de vogelrichtlijn; of b. de activiteit uitvoering geeft aan: 1°. Een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2°. Een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn.
3. Het verbod op het opzettelijk storen van vogels, bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt niet, als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort Soorten Habitatrichtlijn (Artikel 11.46 t/m Artikel 11.48 Bal); Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn; b. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a; 9
c. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a; d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en e. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Andere Soorten (Artikel 11.54 Bal) Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A; b. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en c. het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B. Het verbod geldt niet als: a.
het gaat om het doden of vangen van de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis, of om het beschadigen of vernielen van hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden; b. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de eisen die zijn opgenomen artikel 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of c. de activiteit deel uitmaakt van: 1°. Een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2°. Een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld dient bij overtreding van de verbodsbepalingen uit de Ow een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit te worden aangevraagd. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is.
Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Omgevingswet. Er is dan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit nodig. 4.4 Specifieke zorgplicht Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten.
10
Het Bal geeft aan waaruit de specifieke zorgplicht in ieder geval bestaat. Dat is in Tabel 4.1 en 4.2 toegelicht.
Tabel 4.1: Toelichting op de verschillende verbodsbepalingen Bal.
Tabel 4.2: Toelichting mbt de soorten waarop regelgeving van toepassing is.
Het is niet geheel duidelijk wat de consequenties zijn van een effect van een activiteit op soorten die vermeld staan op de Rode Lijst, evenals het toetsen van het effect van een activiteit op ‘trekvogels’.
11
Voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat: a. voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van: 1° van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn; 2° van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn; 3° dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3°, van de wet; en 4° voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats; b. als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; c.
als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; d. alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen; e. tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en f. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen Nieuw is de zorgplicht voor het aantasten van belangrijke leefgebieden en natuurlijke habitats van vogels en soorten van de Rode lijst. Voor activiteiten die leiden tot overtreding van een verbodsbepaling dient een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen te worden (dit heette in de Omgevingswet een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit). Indien sprake is van het aantasten van belangrijk leefgebied of natuurlijke habitat van een Rode lijstsoort, dient een document opgesteld te worden. Dit zal vergelijkbaar zijn met een ecologisch werkprotocol (EWP).
In een EWP wordt beschreven op welke wijze een negatief effect op beschermde soorten, soorten van de Rode Lijst en belangrijke leefgebieden en natuurlijke habitats voorkomen kan worden, of hoe dit hersteld kan worden. Ook wordt een monitoringsplicht ingevoerd tijdens en na de uitvoering van de werkzaamheden, indien maatregelen getroffen worden. Dit geldt alleen voor belangrijke leefgebieden en natuurlijke habitats. 4.5 Beleid ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk (NNN)/Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is verankerd. De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen.
In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Gelderland zijn opgenomen in de vigerende provinciale omgevingsverordening van de provincie Gelderland.
12
HOOFDSTUK 5
GEBIEDSBESCHERMING
5.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteiten op Natura 2000gebied en het Gelders Natuurnetwerk. 5.2 Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone Om de biodiversiteit nu en voor toekomstige generaties Gelderlanders veilig te stellen, beschermt de provincie het Gelders Natuurnetwerk. Het Gelders Natuurnetwerk is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. Een groot deel van de Gelderse natuurgebieden is internationaal beschermd: de Natura 2000-gebieden. Juist in deze gebieden moet de biodiversiteit worden behouden of verbeterd. De provincie geeft in het natuurbeleid prioriteit aan het behalen van de Natura 2000-doelen in de Natura 2000-gebieden. Het Gelders Natuurnetwerk vervult daarnaast een belangrijke rol bij het behoud van de biodiversiteit. De Ecologische verbindingszones maken voor een klein deel uit van het Gelders Natuurnetwerk. De provincie wil de natuur van het Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone beschermen tegen aantasting en heeft daarom regels opgenomen in de Omgevingsverordening. Centraal staat de versterking van de kernkwaliteiten. De kernkwaliteiten bestaan uit bestaande natuurwaarden, uit nog te ontwikkelen potentiële waarden en de omgevingscondities zoals stilte.
De (nog te ontwikkelen) natuurwaarden zijn beschreven en als bijlage bij de Omgevingsverordening opgenomen. De omgevingscondities zijn in de bijlage bij de Omgevingsverordening wel benoemd, maar er heeft geen provincie dekkende inventarisatie plaatsgevonden. Bij projecten kan op maat een effectbeschrijving worden gemaakt voor de relevante omgevingscondities. Ligging t.o.v. het Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone Het onderzoeksgebied ligt buiten gronden die tot het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene ontwikkelingszone (Go) behoren. Dit is weergegeven in Figuur 5.1.
Figuur 5.1: Ligging van het plangebied ten opzichte van GNN en GO (Bron: Gelderland.maps.arcgis)
13
Beschermingsregime De bescherming van het GNN en de Go kennen geen externe werking. Toetsing aan provinciaal beleid Omdat het plangebied buiten de GNN en Go ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. de GNN en Go. 5.3 Natura 2000 De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden. Beschermingsregime Het Besluit activiteit leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan.
Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: • De leefgebieden van vogels; • De natuurlijke habitats of habitats van soorten; De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een ‘voortoets’. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden.
14
Ligging van het plangebied t.o.v. Natura-2000 Het plangebied ligt op minimaal 170 meter afstand van Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is Rijntakken. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven.
Figuur 5.2: Ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de blauwe omkadering aangeduid. Gronden die tot Nederlandse Natura 2000-gebieden behoren worden met de groene, gele of blauwe kleur aangeduid (bron: www.natura2000.nl/gebieden/gelderland)
Effectbeoordeling Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten Het plangebied is door de tussenliggende bebouwing, beplanting en het aanwezige dijklichaam niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Ook zijn in het Natura 2000-gebied geen negatieve effecten, zoals trillingen waarneembaar. Negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen uitgesloten worden. Beoordeling stikstof (ontwikkelfase) Ten behoeve van de totale ontwikkeling, wordt materieel met een verbrandingsmotor ingezet en vindt er een tijdelijke toename plaats van verkeersbewegingen als gevolg van de afvoer van sloopmateriaal, de aanvoer van bouwmaterialen en vervoer van materieel en personeel. Gelet op de afstand tot Natura 2000gebied kan een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, niet op voorhand uitgesloten worden. Er is een stikstofberekening nodig om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000- gebied. Beoordeling stikstof (gebruiksfase) Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden er enkele wooneenheden toegevoegd. Anderzijds worden het gebouw en de nieuwe woning duurzamer.
Het is niet op voorhand in te schatten hoe de extra wooneenheden en de verduurzaming zich verhouden tegenover de huidige situatie. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied, kan voor de gebruiksfase een negatief effect op Natura 2000 gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, niet met zekerheid op voorhand uitgesloten worden. Indien 15
juridische zekerheid vergreken wil worden, is een stikstofberekening nodig om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied. 5.4 Overige beschermde gebieden Naast de alreeds beschreven gebieden, zijn er nog diverse planologisch beschermde gebieden. Deze gebieden worden om uiteenlopende redenen beschermd. Om de invloed van de voorgenomen ontwikkeling op deze gebieden te kunnen bepalen, is de ligging van de planlocatie en de aard/ omvang van de voorgenomen ontwikkeling in relatie tot de deze beschermde gebieden onderzocht. Gebied
Kernkwaliteit
Weidevogelgebied Ganzenrustgebied Oude bosgroeiplaatsen Beschermde natte landnatuur
Rust, dekking en voedsel Rust, voedsel, ruimte, openheid en nabij water Behoud oppervlakte, behouden bomen bodemkwaliteit waarborgen Habitat, Waterkwaliteit en bodemstructuur
en
Invloed voorgenomen ontwikkeling N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t.
Tabel 5.1: Invloed van voorgenomen ontwikkeling op overige beschermde gebieden met kernkwaliteiten.
Conclusie beschermde gebieden De planlocatie is niet gelegen binnen de grenzen of nabij ‘overige beschermde gebied’. Het is dan ook uitgesloten dat de voorgenomen ontwikkeling de kernkwaliteiten van deze gebieden beïnvloedt. Omdat kernkwaliteiten gewaarborgd blijven, zijn wettelijke consequenties met betrekking op ‘overige beschermde gebieden’ niet van toepassing. 5.5 Slotconclusie Het plangebied behoort niet tot het Gelders natuurnetwerk, de groene ontwikkelingszone, Natura 2000gebied of overige beschermde gebieden. Vanwege de ligging buiten het Gelders natuurnetwerk of de groene ontwikkelingszone, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het GNN of GO (geen externe werking). Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, de duur van de ontwikkelfase en de afstand tot het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied kan een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, niet op voorhand uitgesloten worden. Het uitvoeren van een stikstofberekening is voor zowel de ontwikkel- als gebruiksfase noodzakelijk indien juridische zekerheid vereist is. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen wel worden uitgesloten.
16
HOOFDSTUK 6
SOORTENBESCHERMING
6.1 Verwachting en bureauonderzoek 6.1.1 Algemeen De mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten is bepaald aan de hand van de volgende gegevens: • Regionale en landelijke verspreidingsatlassen (waaronder de NDFF) en • Een oriënterend veldbezoek, uitgevoerd op 23 oktober 2025. Tijdens het oriënterende veldbezoek is gecontroleerd of de locatie voldoet aan eisen die soorten aan hun leefomgeving stellen. Ook is gekeken naar de aanwezigheid van (sporen van) beschermde soorten. 6.2 Te toetsen soorten Onderstaande tabel geeft een overzicht van alle beschermde soorten die op basis van verspreidingsgegevens mogelijk in (de omgeving van) het plangebied voorkomen (tabel 6.2). Bij het bepalen van de beschermde soorten die mogelijk in het plangebied voorkomen wordt rekening gehouden met de in het onderzoeksgebied aanwezige habitats, inrichting, gevoerde beheer en aspecten zoals afstand tot bebouwing en beplanting in verband met verstoring. Niet alle beschermde soorten die in de omgeving voorkomen worden daarom weergegeven in onderstaande tabel. Soortgroep Flora Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Vogels jaarrond beschermde nesten Vogels - jaarrond beschermd: afhankelijk van ecologische factoren Vogels – in gebruik zijnde nesten Amfibieën Reptielen Vissen Vlinders Libellen Overige ongewervelden
Mogelijk aanwezige beschermde soorten Geen. Geschikte standplaatsomstandigheden voor beschermde planten ontbreken op het perceel. Huisspitsmuis, bosmuis, rosse woelmuis, steenmarter, bunzing, wezel, hermelijn, egel, eekhoorn, haas, konijn, das, bever Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, baardvleermuis, brandtsvleermuis, meervleermuis Steenuil, ransuil, kerkuil, huismus, gierzwaluw, roek, buizerd, sperwer, torenvalk Boerenzwaluw, bonte vliegenvanger, huiszwaluw, boomklever, boomkruiper, gekraagde roodstaart, glanskop, grauwe vliegenvanger, groene specht, grote bonte specht, spreeuw, zwarte roodstaart, zwarte kraai Diverse algemene broedvogels Gewone pad, bruine kikker, bastaardkikker, alpenwatersalamander, kamsalamander, poelkikker Geen. Geschikt habitat ontbreekt volledig Geen. Geschikt habitat ontbreekt volledig Grote vos, teunisbloempijlstaart Rivierrombout Geen. Geschikt habitat ontbreekt volledig
Tabel 6.1: Beschermde soorten die op basis van verspreidingsgegeven mogelijk in (de omgeving van) het plangebied voorkomen
6.3 Toelichting met zekerheid afwezige soorten op basis van habitat en/of ingreep Sommige van de soorten uit tabel 6.1 kunnen op basis van verspreidingsgegevens niet op voorhand worden uitgesloten. Op basis van het op 23 oktober 2025 uitgevoerde veldbezoek blijkt echter dat het negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden kunnen worden uitgesloten op de volgende soortgroepen: Flora Beschermde planten worden niet verwacht in het plangebied. De meeste beschermde planten stellen bijzondere eisen aan hun groeiplaats en soms aan het beheer (zoals hooilandbeheer). Beschermde planten 17
zijn vaak afhankelijk van schrale, voedselarme of matig voedselrijke standplaatsen of een gebufferde standplaats door de aanwezigheid van kalk in de bodem of gebufferd kwel dat in de wortelzone komt. Dergelijke standplaatsfactoren ontbreken in het plangebied. Grondgebonden zoogdieren Hermelijn Hermelijnen hebben een ruime verspreiding in ons land, maar zijn ten opzichte van wezels veel zeldzamer. Hermelijnen treffen we vooral aan in meer extensief beheerde agrarische landschappen of natuurgebieden en broekbossen. Voor de hermelijn is het plangebied geen geschikt leefgebied. De soort wordt vooral aangetroffen in wat vochtigere habitats zoals nattere natuurgebieden (moeras) en natte hooilanden. In het plangebied is geen geschikt habitat aanwezig voor de soort. In een ruim gebied rondom het erf ontbreken waarnemingen van hermelijn in de NDFF. De NDFF is weliswaar niet geschikt om een soort ‘uit te kunnen sluiten’ in het plangebied, maar het ontbreken van de soort in een groot gebied rondom het erf, bevestigt het beeld dat de soort zeldzaam is. De soort komt niet voor in het plangebied. Bever De bever komt voornamelijk voor in zoetwaterhabitats, waaronder langzaam stromende rivieren, beken, meren en moerasgebieden. Deze omgevingen worden gekenmerkt door een stabiel waterpeil, een brede oeverzone en een gevarieerde aanwezigheid van loofhoutsoorten zoals wilg, berk en populier.
Dergelijke vegetatie vormt zowel een belangrijke voedselbron als een essentieel onderdeel van de ecologische structuur van het leefgebied. Daarnaast geven bevers de voorkeur aan gebieden met een natuurlijke overgang tussen water en land, waar oevers geleidelijk aflopen en voldoende ruimte bieden voor de ontwikkeling van oeverplanten. Door het ontbreken van open water of een watergang in het plangebied wordt het plangebied niet als leefgebied van de bever beschouwd. Vlinders Het voorkomen van beschermde vlinders is sterk gekoppeld aan bestaande populaties en hun verspreiding en de aanwezigheid van waardplanten. Vanwege het ontbreken van geschikte waardplanten voor teunisbloempijlstaart, wordt de aanwezigheid van deze soorten uitgesloten in het onderzoeksgebied. Grote vossen zijn de laatste jaren sterk toegenomen en zwervende individuen kunnen overal opduiken in de omgeving. Gelet op het zeer schaarse voorkomen valt te stellen dat de soort een verblijfplaats bezet in het onderzoeksgebied. Libellen De rivierrombout is een libellensoort die voorkomt langs brede, stromende rivieren met een zandige of zanderige-kleiige bodem. De larven leven ingegraven in de rivierbodem, waar het water schoon, zuurstofrijk en niet te snel stromend is. Volwassen dieren verblijven graag op open, zonnige oevers met weinig verstoring, waar ze kunnen jagen en rusten op zandige plekken of lage vegetatie.
De rivier ligt op dermate grote afstand dat het plangebied niet als leefgebied voor de rivierrombout beschouwd wordt. 6.4 Toetsing beschermde soorten In de volgende paragrafen zijn de effecten van de beoogde ontwikkeling op de in tabel 4.2 genoemde soorten beschreven. Grondgebonden zoogdieren Boommarter De boommarter komt voor in de omgeving van het plangebied. Uitgezonderd zwervende exemplaren bezetten boommarters doorgaans een verblijfplaats in bossen. Erven met minimale begroeiing in een woonwijk worden niet als potentiële verblijfplaats voor boommarters beschouwd.
18