CConstaterende datBeuningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 16 Nota inspraak en vooroverleg voorontwerpbestemmingsplan

Raadsvergadering 16 december 2025, gemeente BeuningenBij agendapunt: Herstelbesluit Windpark Beuningen22.992 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Uit deze artikelen blijkt dat laagfrequent geluid van windturbines zodanige negatieve gevolgen heeft voor de gezondheid dat niet langer kan worden aangenomen dat de geluidnorm van 47 dB Lden voldoende bescherming biedt. Op grond van het voorzorgsbeginsel moet een zwaarwegend gewicht worden toegekend aan het voorkomen van gezondheidsrisico's voor omwonenden. Wat doet de gemeente 1

https://link.springer.com/content/pdf/10.1007/s40857-017-0115-6.pdf

Tevens is het goed om kennis te nemen van het recente artikel van het RIVM: ‘Health effects related to wind turbine sound, including low-frequency sound and infrasound’ uit 20181. Hierin wordt onder meer gesteld dat er geen bewijs is dat laagfrequent geluid en infrageluid specifieke effecten hebben, en dat gezondheidseffecten eerder gerelateerd zijn aan ergernis dan aan daarwerkelijke blootstelling. De gemeente ziet in de reactie van indiener geen aanleiding tot het aanpassen van de methode. Nadat een definitieve opstelling is gekozen zal hiervoor opnieuw, en in detail, de milieueffecten (waaronder gezondheid en geluid) worden onderzocht. In de paragraaf gezondheid worden de gezondheidseffecten in beeld gebracht.

4

Beuningen om gezondheidsrisico’s voor omwonenden als gevolg van geluid te voorkomen? Er is veel hinder van de windturbines te verwachten door een ernstig repeterend geluid. Het geluid wordt versterkt door de ontzanding Geertjesgolf in dit gebied, en door grote aantallen gekapte bomen.

De nieuwe situatie is betrokken in het akoestisch onderzoek. Ja Eventueel dempend effect van bomen wordt niet meegenomen in de berekening, waardoor de berekening als ‘conservatief’ kan worden beschouwd. Naar aanleiding van de ontvangen zienswijzen heeft de gemeente besloten om de geluidseffecten van de ontzanding mee te nemen in het geluidsonderzoek voor het definitieve MER.

5

Gedegen onderzoek nodig naar gezondheidseffecten. De wetenschappelijke bewijskracht van bestaand onderzoek is onvoldoende omdat eerdere onderzoeken doorgaans beperkt bleven tot interviews en vragenlijsten. Dat is helder onderbouwd in het voornoemde artikel ‘Windmolens maken wel degelijk ziek’ van het tijdschrift Medisch Contact. Uit dat artikel blijkt dat een substantieel deel van omwonenden van windturbines wereldwijd identieke klachten rapporteert: chronische slaapproblemen, hoofdpijn, tinnitus, een drukgevoel op de oren, vertigo, visusklachten, luchtwegproblemen, tachycardie, prikkelbaarheid, concentratie- en geheugenproblemen, en angstgevoelens samengaand met de sensatie van inwendige pulsaties of trillingen zowel slapend als in wakkere toestand. Als mogelijke oorzaken wordt gedacht aan het – deels hoorbare – geluid van turbines, de vibraties die voelbaar zijn, de slagschaduw op woningen, de (knipperende) lichten op de turbines en de visuele impact. Bij nader gezondheidsonderzoek valt te denken aan polysomnografie (slaaponderzoek) voor en na plaatsing van windturbines, meting van stimulus-responstijden bij kinderen voor en na plaatsing, aan tensie- en hartslagmetingen (gedurende de nacht) voor en na

In de Nota van Beantwoording van de NRD gaf de gemeente Nee aan dat om de effecten die optreden in relatie tot gezondheid, een GES wordt uitgevoerd. Dit is ontwikkeld om de gezondheidseffecten in beeld te brengen van het milieuaspect geluid. Dit in combinatie met de Nederlandse milieunormen voor windenergie, bieden volgens de gemeente voldoende bescherming tegen ontoelaatbare gezondheidseffecten. De gemeente voert wel een extra onderzoek uit in relatie tot de cumulatie van geluid van enkele geluidsbronnen zoals de A73.

6

plaatsing, enzovoort. In de nota van beantwoording op de inspraakreactie inzake het concept NRD gaf de gemeente Beuningen aan ons voorstel om dit onderwerp mee te nemen in het kader van de gezondheidseffectscreening (GES) in de m.e.r.-procedure “ter kennisgeving” aan te nemen (blz. 21). Is de gemeente Beuningen het ermee eens dat gedegen onderzoek naar de gezondheidseffecten noodzakelijk is? Windturbines passen niet in het Winssense landschap. Windturbines passen niet in het betreffende gebied omdat de oppervlakte veel te beperkt is t.o.v. de windturbines en omdat het gebied dusdanig landelijk is. De windturbines zijn vanwege de aanzienlijke hoogte van maximaal 245 meter (tiphoogte), vanuit de wijde omgeving goed zichtbaar zijn en hebben gezien hun omvang een behoorlijke negatieve impact op het landschap en de beleving ervan. Dit blijkt ook uit de concept combi-MER, waaruit blijkt dat geen van de locatiealternatieven past in het landschap (tabel 30, blz. 65; tabel 67, blz. 120; tabel 68, blz. 121). Uit de nota van beantwoording op de inspraakreacties NRD blijkt dat bijvoorbeeld ook de gemeente Overbetuwe hierover bezorgd is. Uit de zichtprojecties uit de combi-MER blijkt dat dit terecht is. Terecht, want uit de combi-MER blijkt dat de grootte van windturbines geen aansluiting vindt bij het omringende landschap.

In het kleinschalige serene landschap van Winssen, met weids uitzicht over de weilanden, zijn geen hoge bomen die de windturbines kunnen verhullen. Wij raken al een groot oppervlak van het mooie landschap kwijt door de komst van de Geertjesgolf. Toevoeging van windturbines is fnuikend voor de aantrekkelijkheid van het Winssense landschap voor toeristen.

Het landschap van de komgronden kent een open en groot- Nee schalige karakter. Door de openheid van het landschap zullen windturbines eerder waarneembaar zijn voor diegenen die zich in dit landschap bevinden. De windturbines tasten de beleving van openheid deels aan doordat ze onderdeel uitmaken van de horizon. Wegens de openheid en grootschaligheid zullen de hoogte van de windturbines minder effect hebben. Door de rationele verkaveling en de afwezigheid van opgaande beplating of kenmerkende cultuurhistorische elementen, worden de komgronden vaak ervaren als grootschalig productielandschappen. Hierin ‘passen’ windturbines beter dan bij gebieden die als natuurlijk of cultuurhistorisch waardevol worden ervaren. Het wordt erkend dat windturbines als een aantasting kunnen worden ervaren. Desondanks is het in het kader van duurzame ontwikkeling belangrijk om dergelijke initiatieven in te passen in het landschap. Binnen de komgronden is daar ruimte voor. Ons landschap is dynamisch en altijd aan verandering onderhevig. Nieuwe (innovatieve) inpassingen die vaak voortkomen uit de behoeftes van de maatschappij vragen om ruimte en inpassing binnen het landschap waardoor (cultuur)historische gewaardeerde (landschappelijke) eigenschappen langzaam veranderen. Windturbines kunnen een

aantasting zijn voor bepaalde landschappelijk/ruimtelijke eigenschappen en dan met name de beleving van deze eigenschappen. Er wordt geprobeerd aan de hand van een analyse van landschappelijke eigenschappen de impact van het plaatsen van windturbines in kaart te brengen en waar mogelijk mitigerende maatregelen toe te passen. 7

In MER verwerken van nieuwe inzichten van RIVM uit juni 2020 en van WHO uit oktober 2018 over omgevingsgeluid windturbines. In onze inspraakreactie op de concept-notitie reikwijdte en detailniveau hebben wij bepleit om de conclusies uit het in 2020 verwachte onderzoek van de RIVM, over de gezondheidsrisico’s van windturbines voor omwonenden, mee te nemen in het MER. In de nota van beantwoording op de inspraakreacties over de notitie reikwijdte en detailniveau staat op blz. 21 in reactie hierop: “De gemeente zal kennisnemen van het genoemde rapport wanneer het beschikbaar komt. Vooralsnog ziet de gemeente geen aanleiding om niet met de mer-procedure door te gaan.” Inmiddels heeft het RIVM in juni 2020 dit rapport uitgebracht, getiteld “Motie Schonis en de WHO richtlijnen voor omgevingsgeluid (2018). Het doel heiligt de middelen”, juni 2020. Heeft de gemeente Beuningen inmiddels kennisgenomen van dit rapport van het RIVM en welke consequenties trekt zij hieruit? Op blz. 33 stelt het RIVM dat de Guideline Development Group van de WHO aanbeveelt om de geluidniveaus die worden geproduceerd door windturbines te reduceren tot onder 45 dB (Lden), omdat het geluid van windturbines boven dit niveau wordt geassocieerd met negatieve gezondheidseffecten. Het RIVM steunt deze aanbevelingen van de WHO. Hiermee is sprake van nieuwe inzichten over de hinderlijkheid van windturbinegeluid.

Is de gemeente Beuningen bereid om deze nieuwe

Het RIVM-rapport uit 2020 is bij de gemeente bekend. Waar Nee het onderzoek voor weg- rail- en vliegverkeer sterke aanbevelingen doet is dat bij windturbines, wegens gebrek aan bewijs, niet het geval. De aanbevelingen van het RIVM omtrent windturbinegeluid staan op pagina 131 van het rapport, en omvatten geen lagere geluidsnorm.

8

9

inzichten in de m.e.r.-procedure te verwerken, aangezien is gebleken dat de norm bijstelling omlaag behoeft? Is de gemeente bereid dit advies van het RIVM en WHO over te nemen? Maatwerkvoorschriften met strengere geluidsnormen. In afwijking van de geluidsnormen van 47 dB Lden en 41 dB Lnight uit het Activiteitenbesluit milieubeheer kan het bevoegd gezag maatwerk verlenen. Indien sprake is van cumulatie van geluid van verschillende windturbines kunnen lagere normen voorgeschreven worden aan één of meer windturbines. De norm kan aan bestaande of nieuw te plaatsen windturbines opgelegd worden. In dit geval is sprake van cumulatie van geluid. Er zijn cumulatieve geluidseffecten met de A50, de A73, de Maas- en Waalweg (N322) en andere ontwikkelingen, zoals de ontzanding en de zeer zware machines die daar nog vele jaren hun werk doen, en laagfrequent geluid van schepen op de Waal. Als er dadelijk na de ontzandingen aaneengesloten meren van de Geertjesgolf liggen langs de Maas en Waalweg, wordt het geluid ook nog verdubbeld doordat geluid over water veel verder draagt.

Dit effect wordt versterkt doordat zeer veel bomen langs onder meer de Plaksestraat en Koningstraat zijn gekapt, zodat het geluid nog verder draagt, Als er dan ook nog eens uit zuidelijke of zuidwestelijke richtingen de wind waait, hetgeen zeer vaak het geval is, dan wordt het geluid richting het dorp Winssen daarbij nogmaals verdubbeld. Is de gemeente Beuningen bereid hiermee rekening te houden en gelet op de bijzondere lokale omstandigheden door middel van maatwerkvoorschriften strengere geluidnormen vast te stellen, aangezien dit noodzakelijk is vanwege de cumulatie van geluid en vanwege de draagwijdte van het geluid over de toekomstige Geertjesgolf? In de concept-MER ontbreekt een gezondheidseffectscreening (GES). In de nota van beantwoording op de inspraakreacties over de notitie reikwijdte en detailniveau staat op blz. 19: “Voor

De cumulatie van geluid van het windpark met andere bron- Ja nen is beschouwd. Uit het onderzoek blijkt dat cumulatie met scheepvaartverkeer geen significante rol speelt. Het effect van de overheersende windrichting en de hardheid van de bodem op de jaargemiddelde geluidsbelasting bij woningen is meegenomen in de berekening, conform het wettelijke Reken- en meetvoorschrift Windturbines. Bij de beoordeling van de uiteindelijke opstelling zal de gemeente oordelen of sprake is van bijzondere lokale omstandigheden die het opleggen van lagere normen rechtvaardigen. Naar aanleiding van de ontvangen zienswijzen heeft de gemeente besloten om de geluidseffecten van de ontzanding mee te nemen in het geluidsonderzoek voor het definitieve MER.

De GES is te vinden in paragraaf 4.2 van het Akoestisch On- Nee derzoek en in paragraaf 10.4 van het MER.

10

11

het MER zal een GES worden uitgevoerd conform het Handboek Gezondheidseffectscreening. Verder is de regionale GGD betrokken als vooroverlegpartner, waardoor de regionale GGD ook de kans heeft gehad om te reageren op de NRD.” Wanneer kan deze GES worden verwacht? In de combi-MER staat op blz. 98 wel: “Gezondheidseffectscreening blijkt dat de toename van de som van de GES scores voor de onderzochte woningen als gevolg van Alternatief 1 het minst toeneemt. Voor alternatieven 2 en 3 is de verslechtering groter.” De GES is echter niet bijgevoegd. Wat is de onderbouwing voor de stelling uit de combiMER dat bij alternatief 1 de som van de GES scores het minst zou toenemen? Voorkeursalternatief ontbreekt. Aangezien het voorkeursalternatief ontbreekt in de combi-MER, is niet duidelijk welke wijziging van het bestemmingsplan nu precies wordt voorgesteld. Daarom is een nieuwe inspraakprocedure noodzakelijk zodra het voorkeursalternatief bekend is.

Op dit moment is ook nog niet bekend welk type windturbine de voorkeur van de initiatiefnemer zal hebben (bron: blz. 134 concept-MER). Zodra dit bekend is, dienen de precieze gevolgen daarvan voor de MER en het bestemmingsplan alsnog te worden onderzocht.

Het voorkeursalternatief is op dit moment nog niet bekend. Nee Nadat er een voorkeursalternatief is gekozen (door een initiatiefnemer die hiervoor een vergunningaanvraag gaat indienen) wordt een ontwerpbestemmingsplan opgesteld. Het ontwerpbestemmingsplan wordt, samen met de ontwerpomgevingsvergunning, opnieuw ter inzage gelegd. Op dat moment wordt ook een nieuwe versie van het MER ter inzage gelegd, waarin de milieueffecten van het VKA zijn opgenomen. De keuze voor het definitieve windturbinetype vindt pas Nee plaats na vaststelling van het bestemmingsplan en verlening van de omgevingsvergunning. Wel wordt in deze stukken gerekend met een ‘bandbreedte’ van minimale en maximale effecten. Het uiteindelijk gekozen type moet binnen deze bandbreedte vallen. Daarmee worden de toekomstige milieueffecten voldoende duidelijk in beeld gebracht.

12

De initiatiefnemer zal er gelet op zijn eigen belangen voor willen kiezen om zich pas zo laat mogelijk vast te leggen op een bepaald type windturbine. De gemeente zou het algemeen belang hierbij moeten laten voorgaan: is de gemeente bereid om van de initiatiefnemer in dit stadium duidelijkheid te verlangen over het type windturbine, zodat de MER kan worden gepreciseerd?

Het vastleggen van het windturbinetype voorafgaand aan ver- Nee lening van de omgevingsvergunning is ongebruikelijk. De gemeente zal deze eis dan ook niet aan de initiatiefnemer opleggen. Wel kan het zo zijn dat de gemeente geen medewerking verleent wanneer een type turbine niet past binnen de beleidskaders en de voorwaarden (zoals bijvoorbeeld de bandbreedte) van de vergunning.

13

Op blz. 15 staat: “Leemten in kennis. Op dit moment is nog niet bekend welk type windturbine de voorkeur van de initiatiefnemer zal hebben. In het MER is – voor de alternatievenvergelijking – uitgegaan van realistische typen turbines. Het VKA zal tevens bestaan uit een band-breedte, meteen onder- en bovengrens. Nadat er definitief is gekozen voor een windturbinetype zijn de exacte te verwachten effecten te analyseren. Deze effecten zullen zich hoe dan ook bevinden binnen de in dit MER onderzochte minimale en maximale effecten.”

Het voorlopige MER dat ter inzage heeft gelegen bestaat uit Nee een algemene hoofdstukken (hoofdstuk 1, 2, 3, 4, 12), een planMERdeel (hoofdstuk 5 en 6) en een projectMERdeel (hoofdstuk 7 t/m 11).

Op p. 36 van de combi-MER staat: “Verder is het voor de beoordeling van de geschiktheid van locaties niet nodig om meerdere windturbinetypen te onderzoeken. Dat is een detailniveau dat beter past bij het projectMER deel, waarin verschillende opstellingen binnen de zoekzone windenergie worden beoordeeld en vergeleken.”

14

Wordt dit alsnog onderzocht in een project-MER? Dit hoort thuis in de combi-MER, aangezien dit tevens een project-MER is. Op blz. 45 blijkt uit tabel 9 dat locatievariant D (dus: ten zuiden van de N322, oostelijk langs de A50 voor zover die ten zuiden van de N322 ligt) de minste woningen in de buurt heeft. Onduidelijk is waarom de voorkeur van de gemeente Beuningen desondanks lijkt uit te gaan naar varianten B en C (op blz. 67 staat dat de zoekzone, bestaande uit locatie B en C, “redelijk scoort”),

Het citaat uit p.36 gaat over het planMERdeel, waarin de verschillende locaties binnen de gemeente Beuningen met elkaar vergeleken worden. Die vergelijking vindt plaats op basis van een referentietype. Voor de opstellingsalternatieven die in hoofdstuk 9 zijn geformuleerd (projectMERdeel) zijn wel meerdere windturbinetypen beschouwd.

De taak van een MER is het in beeld brengen van de milieuef- Nee fecten. Dat betekent niet dat de keuzes enkel op basis daarvan gemaakt worden. Verder geldt dat in het plan-MER deel dat alle mogelijke locaties voor windturbines in kaart zijn gebracht en onderzocht

terwijl daar veel meer woningen in de zeer directe omgeving lig- op de milieueffecten. Uit de resultaten blijkt dat de zoekzone gen. Wind, vastgesteld door de gemeenteraad, een logische keuze is op basis van de milieueffecten. 15

16

Het minimaliseren van het aantal woningen in de nabije omgeving moet een doorslaggevend keuzecriterium zijn. Bij locatievariant D is het aantal woningen het minste. De impact op woningen zou bij variant D nog verder moeten worden beperkt door de meest noordelijke windturbine(s) uit die variant te verplaatsen naar het zuiden, en deze te plaatsen naast de meest zuidelijke windturbine(s), zodat er een rechthoek ontstaat. De gemeente Beuningen stelt in de nota van beantwoording bij de inspraakreacties over de concept-NRD: “De belemmering invliegfunnels van luchthavens en laagvlieggebieden wordt niet nader onderzocht in de paragraaf over externe veiligheid omdat deze belemmering op de beoogde locatie geen rol speelt. De gemeente baseert zich daarbij op de officiële kaarten met zone aanduidingen.” (blz. 24). In de praktijk wordt echter regelmatig buiten de route gevlogen en vliegen helikopters op zeer lage hoogte over Winssen. De laagvliegroute is vastgelegd in bijlage A van de Regeling minimum VFRvlieghoogten en VFR-vluchten buiten de daglichtperiode voor militaire vliegtuigen en helikopters (onder meer de route GLV IX (Maas/Waal) en de route VO 51°49'38.00"N 005°40'56.00"E (Hernen) en bijlage 11 van de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Het gaat dus om de directe nabijheid.

Is de gemeente Beuningen bereid om de laagvliegroute daarom alsnog in de m.e.r.- procedure te onderzoeken?

Het minimaliseren van het aantal woningen is geen doorslag- Nee gevend keuzecriterium. Het MER brengt de milieueffecten in beeld, zodat beleidsmakers de juiste belangenafweging kunnen maken, en kan worden getoetst of een voornemen aan de milieunormen kan voldoen. Bijlage 11 van de Regeling algemene regels ruimtelijke orde- Nee ning (Rarro) gaat over militaire laagvliegroutes voor jacht- en transportvliegtuigen. Deze routes lopen over noordoost Nederland (zie figuur) en komen dus niet in de buurt van het plangebied. Ook bijlage A van de ‘Regeling minimum VFR vlieghoogten […]’ heeft betrekking op deze twee routes. Het laagvlieggebied Maas/Waal wordt begrensd in lid 9 van bijlage B bij deze regeling. Uit deze begrenzing volgt dat het gebied niet over het plangebied valt.

Laagvlieggebied Maas/Waal en de laagvliegroute voor helikopters liggen buiten de zoekzone. Voor vluchten binnen deze gebieden gelden specifieke regels, die wettelijk zijn vastgelegd. Daarom ziet de gemeente geen aanvullende noodzaak voor onderzoek naar dit onderwerp. 17

Aannemelijk is dat de wieken van de windturbines tot in de laagvliegzone reiken en de opstelplaats daarbinnen zal komen te liggen. Hiermee doet zich strijd voor met artikel 2.6.10 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) omdat

Onderstaande figuur toont dat de afstand van de zoekzone Nee tot de laagvlieggebieden dermate is dat de wieken met zekerheid niet daarbinnen komen.

de wieken in de laagvliegzone draaien en omdat de windturbines veel hoger zouden zijn dan 40 m. Overleg met het Ministerie van Defensie heeft voor zover bekend niet plaatsgevonden over de beperkingen die aan de windturbines dienen te worden gesteld in verband met de laagvliegroute. Te wijzen valt voorts op de gevaren van het zogeheten wake effect voor het vliegverkeer. Turbulentie van de windmolens heeft ook gevolgen voor het vliegverkeer. Wordt er toestemming gevraagd aan het ministerie van Defensie?

Er wordt toestemming gevraagd aan het ministerie van Defensie en aan LVNL voordat het bestemmingsplan wordt vastgesteld. 18

In de nota van beantwoording bij de inspraakreacties NRD geeft de gemeente daarvoor als reden: “Radar is geen milieuthema en zal niet worden betrokken in het MER. Voordat een vergunning kan worden verleend moet evenwel eerst toestemming van het ministerie van Defensie zijn verkregen.” Ook de Omgevingsdienst Regio Nijmegen adviseert om radarverstoring te onderzoeken in de m.e.r.- procedure, zo blijkt uit de nota van beantwoording van de inspraakreacties op de NRD. Is de gemeente Beuningen bereid om verstoring van de defensieradar te onderzoeken in de m.e.r. procedure? En kan worden teruggekoppeld wat de reactie van het ministerie van Defensie is?

Voor voorkeursalternatief zal een radartoets worden uitge- Nee voerd en het voorkeursalternatief zal worden voorgelegd aan het ministerie van Defensie. De verklaring van geen bezwaar van het ministerie zal bij de uiteindelijke stukken gevoegd worden.

19

Is de gemeente het ermee eens dat een maximale bouwhoogte van 65 meter boven de top van de radarantenne Volkel geldt, aangezien deze defensieradar tussen de 15 en 75 km van Beuningen afligt (namelijk 30 km), en dat de tiphoogte dus 114 meter mag zijn volgens bijlage 10 van de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening? Voor de rechtmatigheid is van belang of de belangen van omwonenden bij de besluitvorming over het windpark goed in beeld zijn gebracht en afgewogen (zie uitspraak Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State ECLI:NL:RVS:2019:1947 , rechtsoverweging 29.2, tweede alinea). Dit moet worden beoordeeld aan de hand van de ingebrachte opmerkingen over onder meer de locatiekeuze, de hinder door geluid en slagschaduw en de aantasting van de landschappelijke waarden. In hoeverre worden/zijn de belangen van burgers meegewogen, nu vrijwel alle inspraakreacties van particulieren op de concept NRD kritisch getoonzet waren over de komst van windturbines?

Deze maximale tiphoogte betekent niet dat er geen windtur- Nee bines gebouwd mogen worden, maar dat toetsing verplicht is, om te onderzoeken of de radardetectiekans vanwege de windturbines niet ontoelaatbaar afneemt.

21

Is de gemeente bereid om onderzoek naar de omvang van het draagvlak te laten verrichten?

De gemeente wijst erop dat er reeds een uitgebreid ge- Nee biedsproces is doorlopen en waarbij inwoners argumenten konden uitwisselen en inbreng konden leveren.

22

Windmolens te groot voor vervoer onderdelen In variant 1, 2 en 3 uit de combi-MER, is de tiphoogte respectievelijk 245 meter, 210 meter en 180 meter. Dat is te hoog, niet alleen vanwege de gezondheidseffecten (hoe groter, hoe meer geluid), maar ook omdat de onderdelen niet zijn te vervoeren. Het oppervlak van de bladen is bij zeer grote windmolens vier keer zo groot. Dat betekent dat zij niet in het binnenland kunnen worden geplaatst, want de onderdelen passen niet onder rivierbruggen door, zo berichtte NRC onlangs.

Zoals ook uit het geluidsonderzoek blijkt zijn grotere windtur- Nee bines niet per definitie luider.

20

De gemeente is vanaf 2015 gestart met het opstellen van haar Nee Energievisie. Op verschillende momenten konden inwoners meedenken over de invulling van de lokale energietransitie. In 2017 is op basis van die inbreng een keuze gemaakt en beleid vastgesteld over het opwekken van hernieuwbare energie in het buitengebied. Vervolgens is een gebiedsproces doorlopen waar argumenten en belangen zijn afgewogen. Inwoners van de gemeente zijn uitgebreid in staat gesteld om hiervoor inbreng te leveren (zowel tijdens het gebiedsproces alsook tijdens deze ruimtelijke procedure). Uiteindelijk heeft dat tot de keuze geleid om windenergie te realiseren.

De gemeente heeft vooralsnog geen signalen dat de aanvoerroute voor de windturbine-onderdelen problematisch is. De verantwoordelijkheid voor dit onderdeel ligt bij de initiatiefnemer.

23

24

25

Ecologisch onderzoek ontbreekt. De concept-MER meldt dat op dit moment het ecologisch onderzoek nog wordt uitgevoerd en dat de eindresultaten in het najaar van 2020 worden verwacht. Hierdoor is het in dit stadium niet mogelijk een volledig oordeel te geven. Op het moment dat het ecologisch onderzoek is afgerond, is daarom een aanvullende inspraakronde nodig. Op blz. 40 van de combi-MER staat: In dit planMERdeel worden geen berekeningen gemaakt voor geluid, slagschaduw, gezondheid en veiligheid. Deze berekeningen zouden alsnog moeten worden gemaakt, omdat de combi-MER nu geen op maat gemaakte inschatting van de milieu-effecten bevat, maar uitgaat van een model. Dit model houdt bijvoorbeeld geen rekening met het type windturbine, en zelfs niet met de hoogte van de windturbine. Op blz. 41 staat immers: “Ter illustratie is van een denkbeeldige opstelling van 3 windturbines met onderlinge afstand 600 meter en een rotordiameter en ashoogte van 150 meter (en dus een tiphoogte van 225 meter) berekend hoeveel geluid deze produceert.” (onderstreping toegevoegd). In de in Beuningen voorgestelde varianten 1, 2 en 3, is de tiphoogte echter respectievelijk 245 meter, 210 meter en 180 meter. Onderzocht zou dus niet een windturbine met een tiphoogte van 225 meter moeten worden, maar windturbines van 245, 210 en 180 meter.

In de nota van beantwoording op de inspraakreacties over de concept-NRD is hierover gesteld: “Voor de MER-alternatieven zal een referentiewindturbine type worden bepaald. Voor de omgevingsvergunningaanvraag zal een onderzoek op bandbreedte (minimale en maximale effecten) worden uitgevoerd en worden getoetst uit het activiteitenbesluit.” (blz. 22). Is de gemeente Beuningen bereid dit onderzoek te vervroegen naar de fase van de m.e.r.- procedure, aangezien het voor de beoordeling van de milieueffecten relevant is om de

Er zal, te zijner tijd, een nieuwe versie van het MER ter inzage Nee worden gelegd waarin zowel ecologie alsook de milieueffecten van het VKA worden opgenomen. Op deze stukken kan wederom eenieder een inspraakreactie indienen.

Het voorlopige MER dat ter inzage heeft gelegen bestaat uit Nee een algemene hoofdstukken (hoofdstuk 1, 2, 3, 4, 12), een planMERdeel (hoofdstuk 5 en 6) en een projectMERdeel (hoofdstuk 7 t/m 11). Het citaat uit p.40 gaat over het planMERdeel, waarin de verschillende locaties binnen de gemeente Beuningen met elkaar vergeleken worden. Die vergelijking vindt plaats op basis van een referentietype. Voor de opstellingsalternatieven die in hoofdstuk 9 zijn geformuleerd (projectMERdeel) zijn wel meerdere windturbinetypen beschouwd.

Het onderzoek op bandbreedte (minimale en maximale effec- Nee ten) zal worden uitgevoerd in de volgende versie van het MER waarin de milieueffecten van het VKA zijn opgenomen.

26

27

geluidseffecten van het specifieke windmolen dat wordt beoogd, te kennen? Cumulatie. Op blz. 13 en op blz. 89 van de combi-MER staat dat alternatieven 2 en 3 slecht scoren op cumulatie. Niet inzichtelijk is geworden dat de cumulatie van geluid bij alternatief 1 niet eveneens onaanvaardbaar zal zijn. Hoe verklaart de gemeente dit? Het gaat bij alternatief 1 om de hoogste windmolens. Hoe groter de windturbine, hoe meer lawaai. Grotere types windturbine produceren nóg meer laagfrequent geluid. Daardoor zullen ook de gezondheidseffecten toenemen. Waarom gaat de keuze slechts tussen ofwel heel veel wat lagere windmolens, ofwel wat minder windmolens, maar dan in XL formaat (variant 1, 2 en 3)? Waarom is er geen 4e alternatief met minder windmolens, die bovendien minder groot zijn?

De akoestische onderzoeken wijzen uit dat de toegenomen Nee geluidsbelasting op woningen als gevolg van cumulatie het laagste is bij alternatief 1. Zie paragraaf 10.2 van het combiMER en Bijlage B voor meer informatie over hoe de gecumuleerde geluidsbelasting is berekend. Tevens zijn de gezondheidseffecten als gevolg van cumulatie inzichtelijk gemaakt in de GES in paragraaf 10.4. Te onderzoeken MER-alternatieven moeten onderling zoveel Nee mogelijk verschillen en daarnaast realistisch zijn. Daarmee zijn de effecten van zowel de verschillende afmetingen als de verschillende aantallen in beeld gebracht. Op die manier worden de minimale en maximale milieueffecten van de voorgenomen ontwikkeling inzichtelijk gemaakt. Het nader te bepalen voorkeursalternatief hoeft niet een van deze MER-alternatieven te zijn, maar kan ook een opstelling zijn van meer grote of minder kleine windturbines.

28

Externe veiligheid Op blz. 12 van de combi-MER staat dat alternatief 1 en 2 niet of mogelijk niet voldoen aan bepaalde adviesafstanden van TenneT en/of regels van Rijkswaterstaat. Welk consequenties worden hieraan verbonden? Die alternatieven zouden moeten afvallen.

TenneT hanteert ten opzichte van haar hoogspanningsinfra- Nee structuur een adviesafstand gelijk aan de tiphoogte van de windturbines. Rijkswaterstaat staat windturbines rondom rijkswegen toe bij een afstand van ten minste de halve rotordiameter. Terecht wordt opgemerkt dat alternatief 1 en 2 aan één van deze adviesafstanden niet voldoen. Plaatsing van windturbines binnen de adviesafstand van zowel TenneT als Rijkswaterstaat wordt door hen toegestaan indien uit aanvullend onderzoek blijkt dat er geen onaanvaardbaar verhoogd risico is voor de leveringszekerheid (in geval

van TenneT) of voor de verkeersveiligheid (in geval van Rijkswaterstaat). Voor beide alternatieven leidt het niet voldoen aan de adviesafstand dan ook niet tot afvallen van het alternatief. Echter is de nabijheid van de hoogspanningsinfrastructuur / rijksweg voor deze alternatieven een belangrijk aandachtspunt waarbij vervolgonderzoek in samenspraak met TenneT / Rijkwaterstaat zal moeten uitwijzen of de risicoverhoging als aanvaardbaar mag worden beoordeeld. Uiteraard zal het bestemmingsplan uiteindelijk geen opstelling mogelijk maken die niet op goedkeuring van TenneT, Gasunie of Rijkswaterstaat kan rekenen doordat niet aan de veiligheidseisen wordt voldaan. 29

30

In de tabel op blz. 7 van de combi-MER (“Overzichtstabel milieueffecten van locatiealternatieven”) wordt alleen gewicht toegekend aan “Aantal woningen binnen 500m” en “Aantal woningen binnen 1000m”. Er moet ook worden gekeken naar “Aantal woningen binnen 1500m” en Aantal woningen binnen 2000 m”. De geluidseffecten houden immers niet op bij 1000 meter. Wij vinden dat het aantal objecten binnen 2500m met last van geluidshinder, slagschaduw en overige hinder opgenomen moet worden als beoordelingscriterium. In de regels bij bestemmingsplan ontbreekt een maximale hoogte van windturbines (noch een maximale tiphoogte, noch een maximale rotordiameter). Dit betekent dat in het plan is opengelaten wat de maximale tiphoogte en de rotordiameter van de windturbines zijn. Dit is ten onrechte, want op die manier is niet geborgd dat de gevolgen van de windturbines die van het voorkeursalternatief uit de MER niet overschrijden. Kan de ruimtelijke begrenzing worden toegevoegd?

De gemeente is van mening dat de huidige beoordelingscrite- Nee ria voor leefomgeving voor het planMER voldoende zijn om de verschillende mogelijke locaties met elkaar te vergelijken. Effecten op de leefomgeving treden op in de omgeving van windturbines. 2500 meter is zo’n grote afstand dat van significante hinder geen sprake kan zijn.

Een eventuele vergunning wordt verleend op basis van een Nee bandbreedte (minimale en maximale afmetingen) en het uiteindelijk gekozen type moet binnen deze bandbreedte vallen. Onderzoeken op bandbreedte zullen worden daarom uitgevoerd in de volgende versie van het MER waarin de milieueffecten van het voorkeursalternatief zijn opgenomen. Daarmee worden de toekomstige milieueffecten voldoende duidelijk in beeld gebracht.

Het bestemmingsplan zal bouwregels bevatten waarmee de maximale afmetingen worden vastgelegd. 31

32

33

34

In de planregels is niet vastgelegd wat de maximale geluidbelasting mag zijn. Dat betekent dat in de planregels niet is geborgd dat de in de concept-MER voor het voorkeursalternatief berekende geluidbelasting niet zal worden overschreden. De wijziging van het bestemmingsplan is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb voorbereid (vergelijk https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RVS:2019:1258 rechtsoverweging 25.2). Is de gemeente Beuningen het ermee eens dat gelet op deze jurisprudentie in de planregels dient te worden opgenomen dat het windmolenpark niet tot een grotere geluidbelasting mag leiden dan berekend voor het voorkeursalternatief uit de MER? Op blz. 29 van de combi-MER staat dat de gemeenteraad op 9 april 2019 onder meer heeft besloten: “Geluid op burgerwoningen voldoet minimaal aan de wettelijke Lden norm van 47 dB(A), bovenwettelijke maatregelen worden in de MER-procedure onderzocht.” Is dit gebeurd en zo nee, gebeurt dit nog?

Het voorlopige MER bevat nog geen voorkeursalternatief. Als Nee dit bekend is worden hiervoor alle milieuonderzoeken opnieuw uitgevoerd en moet worden aangetoond dat de te vergunnen windturbines voldoen aan de landelijke norm.

Op blz. 89 van de combi-MER staat: “Alleen alternatief 1 voldoet zonder mitigatie aan de wettelijke norm voor geluidsbelasting op gevoelige objecten. Voor het VKA zal opnieuw moeten worden bepaald of mitigerende maatregelen nodig zijn.” Deze geluidsmitigerende maatregelen zijn hoe dan ook wenselijk, ongeacht de wettelijke norm. Bij een nachtelijk stabiele atmosfeer kunnen hogere windsnelheden ontstaan in de hogere luchtlagen. Dit zijn de zogeheten geostrofe windeffecten. Hierdoor kan in de avond- en nachtperiode een hogere geluidemissie optreden. Juist bij grote wind-

De gemeente Beuningen ziet op dit moment geen aanleiding Nee om af te wijken van de wettelijke norm voor wat betreft het onderwerp geluid.

Het bestemmingsplan zal geen algemene regels bevatten omtrent maximale geluidsbelasting, omdat deze reeds landelijk zijn vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 3.14a).

Het voorlopige MER beschouwt enkele mogelijke opstellingen Nee binnen het projectgebied om de milieu-effecten in beeld te brengen. De toegevoegde waarde van eventuele bovenwettelijke maatregelen op het gebied van geluid wordt onderzocht in de volgende versie van het MER, ten behoeve van het voorkeursalternatief.

De gemeente ziet in de reactie van de indiener geen aanlei- Nee ding om te twijfelen aan de stelling dat de landelijke geluidsnorm voldoende bescherming biedt aan omwonenden. Het zij

35

36

37

turbines zoals de voorgestelde bestemmingsplanwijziging mogelijk maken, is dit het geval. Bij de keuze voor de grenswaarde van 47 dB Lden is hiermee onvoldoende rekening gehouden. De inzichten over de hinderlijkheid van windturbinegeluid zijn in de afgelopen jaren gewijzigd. De veranderde inzichten zijn echter niet verdisconteerd in de geluidnormen in artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit. Die normen zijn namelijk een beleidsneutrale vertaling van de voorheen geldende normen en zijn gebaseerd op verouderde onderzoeken. In het bijzonder moet rekening worden gehouden met de gewijzigde aanbevelingen van de WHO van 10 oktober 2018, waarin voor windturbinegeluid een geluidniveau wordt aanbevolen van ten hoogste 45 dB Lden. Daarnaast veroorzaken windturbines een impulsachtig geluid, waardoor extra hinder optreedt. Hiervoor moet een straffactor van 5 dB worden gehanteerd. Als die factor wordt toegepast, moeten de berekende geluidcontouren worden herzien en komen er meer woningen binnen de contour van 47 dB Lden te liggen. Het windpark kan dan niet worden toegestaan. Om de geluidbelasting op woningen te berekenen, moet volgens het Reken- en meetvoorschrift windturbines (hierna: RMW), dat is opgenomen in bijlage 4 bij de Activiteitenregeling, gebruik worden gemaakt van metingen van de geluidemissie van de windturbines. Is dat in dit geval gebeurd?

daarbij opgemerkt dat voor de nachtperiode een aanvullende norm geldt (41 dB Lnight). In het genoemde WHO-onderzoek wordt gesteld dat er zeer Nee weinig bewijs beschikbaar is voor de nadelige effecten op de gezondheid door blootstelling aan geluid van windturbines. Mede daarom ziet de gemeente geen aanleiding om af te wijken van de landelijke geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit.

De stelling dat 5 dB aan het windturbinegeluid moet worden Nee toegevoegd voordat aan de norm wordt getoetst ontbeert inhoudelijke onderbouwing en wettelijke grondslag, aangezien dan wordt afgeweken van de wettelijk voorgeschreven rekenmethode (reken- en meetvoorschrift windturbines). Het Reken- en meetvoorschrift bevat voorschriften voor zo- Nee wel het meten aan windturbines als het rekenen eraan. De Activiteitenregeling milieubeheer schrijft voor waarmee in een akoestisch onderzoek rekening gehouden moet worden. Daarbij wordt verwezen naar hoofdstuk 3 van het RMV (Standaardrekenmethode), en niet naar hoofdstuk 2 (Standaardmeetmethode). Hoofdstuk 2 wordt enkel toegepast indien geluidsproductiegegevens van te onderzoeken windturbines ontbreken (artikel 3.14d Activiteitenregeling milieubeheer). Daarvan is in het betreffende akoestisch onderzoek geen sprake.

38

39

Men heeft niet inzichtelijk gemaakt wat de maximale geluidsbelasting, uitgaande van een maximale planologische invulling van de tussengelegen gebieden, onder het oude planologische regime zou zijn geweest noch wat de maximale geluidsbelasting bij maximale planologische invulling van de tussengelegen gebieden onder het nieuwe planologische regime zou zijn. In het verlengde hiervan is evenmin inzichtelijk gemaakt of het geluid van de windturbines, wederom bij een maximale invulling van de tussengelegen gebieden, cumuleert met het overige omgevingsgeluid of dat het geluid van de windturbines daardoor juist geheel of gedeeltelijk wordt overstemd. Dit betekent dat men niet kan stellen dat er bij een maximale planologische invulling van de tussengelegen gronden meer omgevingsgeluid kan zijn dan nu feitelijk het geval is met als argument dat op die gronden planologisch gezien bijvoorbeeld een muziektent of dagcamping kan worden gerealiseerd. Dat is geen onderbouwing en daarmee is de omvang van het planologisch nadeel als gevolg van geluidsoverlast onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt. In die zin: uitspraak Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State: ECLI:NL:RVS:2017:1637, rechtsoverweging 9.1)

De maximale te verwachten effecten worden aan het onder- Nee zoek (en het MER) toegevoegd nadat het voorkeursalternatief is gekozen.

Cumulatie van windturbinegeluid met andere geluidsbronnen Nee is uitgebreid behandeld. Als een voorkeursalternatief is gekozen zullen de cumulatieve effecten ook in de maximale situatie worden onderzocht. Daarnaast gaat de uitspraak zoals hier naar wordt verwezen over een planschade zaak waarbij zowel een plan voor windturbines als recreatie werd mogelijk gemaakt. Het VOBP maakt geen muziektent of dagcamping mogelijk waar dat voorheen niet mogelijk was. Planologisch nadeel is alleen aan de orde bij een beroep op planschade. Voor het bepalen van de vraag of voor individuele gevallen sprake is van planschade, en (zo ja) hoe groot de omvang van deze schade is, kent de Wet ruimtelijke ordening (Wro) een aparte procedure. Indien men denkt in aanmerking te komen voor planschade kan men binnen 5 jaar na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan bij het college van Burgemeester en Wethouders van Beuningen een aanvraag voor een tegemoetkoming in schade doen. Meer informatie is te vinden op de gemeentelijke website https://www.beuningen.nl/bouwen_en_wonen/vergoeding_planschade. Verder heeft de gemeente reeds aan initiatiefnemers verzocht tijdig een planschadeanalyse te maken. Daarnaast verwacht de gemeente van de initiatiefnemers een proactieve

houding wanneer het aankomt op afspraken over de vergoeding. 40

Op blz. 62 van de combi-MER staat dat variant F, A en G het meest ongunstig zijn voor de natuur: “Aangezien locatie F gedeeltelijk in het Natura 2000 ligt (zie Figuur 1), is dit de meest ongunstige locatie. De zwarte stern heeft een gemiddelde foerageerafstand van 2 km binnen het broedseizoen. Dit betekent dat locatie A en G ook relatief ongunstig gelegen zijn.” Verderop dezelfde pagina staat echter dat het aantal aanvaringsslachtoffers (vogels en vleermuizen) bij locaties F, A en G juist relatief laag is ten opzichte van de andere locaties. Hoe is dit met elkaar te rijmen?

De Wet natuurbescherming kent verschillende hoofdstukken Nee en derhalve verschillende beschermingsregimes. Alle vogels (en vleermuizen) zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming. Daarnaast kent de Wet natuurbescherming ook het onderdeel gebiedsbescherming. Dit hoofdstuk regelt de bescherming van de Natura 2000-gebieden, inclusief de aangewezen doelsoorten voor deze gebieden. Voor het in de buurt gelegen Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ zijn diverse vogelsoorten aangewezen als doelsoort. Zodoende kan een vogelsoort, zoals een aalscholver, beschermd zijn door zowel het hoofdstuk soortenbescherming als gebiedsbescherming. Echter betekent dit niet automatisch dat een verwacht aanvaringsslachtoffer die voor een Natura 2000-gebied tevens is aangewezen als doelsoort onder beide beschermingsregimes valt. Daarvoor moet er wel een binding zijn met het betreffende Natura 2000-gebied. Het totaal aanvaringslachtoffers die (maximaal) verwacht worden is gebaseerd op het aantal windturbines en de ligging van de windturbines, maar heeft alleen betrekking op het onderdeel soortenbescherming. Kortom: in het combi-MER worden voor ecologie verschillende beoordelingscriteria gehanteerd, gestoeld op o.a. de verschillende hoofdstukken in de Wet natuurbescherming.

Hierdoor is het mogelijk dat de het ene beoordelingscriterium dubbel negatief scoort en het andere criterium negatief of zelfs neutraal.

41

Op blz. 70 staat dat de locatiekeuze “en geen invloed [mag] hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten”. Hoe wordt een negatieve invloed op de instandhouding van beschermde soorten voorkomen, aangezien alle locaties leiden tot aanvaringsslachtoffers met vogels?

Bij een concreet project zal een ontheffing in het kader van Nee de Wet natuurbescherming onderdeel soortenbescherming noodzakelijk zijn. In de onderbouwing van de Wnb-aanvraag zal moeten worden gemotiveerd waarom geen sprake is van een negatieve invloed op de staat van instandhouding, al dan niet door toepassing van mitigerende maatregelen. De methodiek die gehanteerd wordt om te bepalen of negatieve effecten op de staat van instandhouding kunnen worden uitgesloten betreft vaak de toetsing aan de ‘1%-mortaliteitsnorm’. Deze norm houdt in dat indien het effect van een initiatief leidt tot minder dan 1% van de jaarlijkse natuurlijke sterfte van de soort er geen aantoonbaar effect is op de populatieomvang van de soort en er daardoor dus ook geen aantasting is van de gunstige staat van instandhouding van de soort. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het gebruik van deze maatstaf toegestaan. Daarmee is het gebruik van deze maatstaf voor in ieder geval aanvaringsslachtoffers ten gevolge van windturbines gebruikelijk geworden.

42

Gebrek aan inzichtelijkheid van visualisaties (blz. 117 combiMER en volgende). Bij de vraag in hoeverre de verschillende windturbines vanuit ieders woningen zichtbaar zijn moet aandacht worden besteed aan de maximale invulling van de tussengelegen gebieden. Gelet evenwel op de ligging van de woningen op de foto’s en de grenzen van de verschillende tussengelegen gebieden, waarbij soms dezelfde schaal is gehanteerd, is niet duidelijk hoe men tot de ingetekende afstanden is gekomen. Voorts blijkt uit de zichtlijnenkaarten niet dat rekening is gehouden met bepaalde objecten. Tenslotte is niet inzichtelijk gemaakt in hoeverre ieder van de windturbines vanuit ieder van de tuinen zichtbaar zijn, mede gelet op de maximale invulling van de tussengelegen gebieden.

De visualisaties worden opgesteld door een gespecialiseerd Nee softwareprogramma dat aan de hand van data zoals, coördinaties, EXIF (Exchangeable Image File Format) informatie, referentieobjecten, weersomstandigheden en overige zaken de windturbines op een zo goed mogelijke wijze in de visualisaties projecteert. De visualisaties worden daarnaast door specialisten bewerkt en op nauwkeurigheid beoordeeld. Het blijven echter visualisaties en daardoor kan nooit honderd procent gegarandeerd worden dat de windturbines honderd procent waarheidsgetrouw zijn. Het is daarnaast binnen het proces o.a. juridisch en financieel gezien bijna onmogelijk om

vanuit alle woningen een visualisatie op te stellen. De gekozen locaties zijn beoordeeld en uitgekozen door een landschapsdeskundige om te beoordelen wat het effect op het landschap is. Daarnaast is geprobeerd om bebouwingsclusters in acht te nemen zodat omwonenden een zo realistisch mogelijk beeld kunnen scheppen van het initiatief.

Conclusie Bovenstaande inspraakreactie leidt tot aanpassing van het voorlopige MER of het VOBP. De geluidseffecten van de ontzanding van de Geertjesgolf zullen worden meegenomen in het geluidsonderzoek voor het definitieve MER.

R9 – Particuliere indiener Naam instantie/indiener:

Particuliere indiener IN20.03500

Datum inspraakreactie:

14 juli 2020

Inspraakreactie: Nr.

Tekst uit inspraakreactie

Beantwoording

Aanpassing MER/VOBP?

1

In alle tekeningen van het voorontwerpbestemmingsplan en het Concept-CombiMER Windpark Beuningen (o.a. figuur 1 en 3) zien wij onze huidige woning ingetekend aan de Ficarystraat 2B, echter niet het bouwperceel Ficarystraat 2, waarvoor reeds een omgevingsvergunning is verstrekt. Gelieve ook deze woning/bouwperceel mee te nemen, waarvoor reeds een omgevingsvergunning is verstrekt.

Deze nieuw gerealiseerde of te realiseren woningen zijn ten Ja onrechte niet opgenomen in de onderzoeken voor geluid en slagschaduw. Deze adressen waren mogelijk nog niet opgenomen in de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) ten tijde van het uitvoeren van de milieuonderzoeken. Deze nieuw gerealiseerde of te realiseren woningen zullen worden meegenomen in de milieuonderzoeken ten aanzien van geluid en slagschaduw.

2

Kunt u mij bevestigen dat in alle toekomstige tekeningen en be- Ja. rekeningen ook dit bouwperceel Ficarystraat 2 te Beuningen wordt meegenomen?

Ja

3

Wij hopen dat u de komende periode ook rekening houdt met de Zoals beschreven in paragraaf 5.6.4. van het voorlopige MER Nee plannen in de Gemeente Wijchen van Wind in Wijchen, onze wo- zijn de plannen voor een windpark in Wijchen nog niet ver geningen/bouwperceel zouden dan van zowel zuidelijke als noor- noeg gevorderd om met deze voornemens rekening te houden. Mocht gedurende de procedure voor windpark Beuningen een formele planologische procedure gestart worden

delijke zijde belast met alle, mogelijke hinder/overlast van wind- voor WP Bijsterhuizen zal deze autonome ontwikkeling alsnog molens. Van beide zijde is wel “’n beetje teveel van het goede” worden beschouwd. en maken hier dan ook bezwaar tegen.

Conclusie Bovenstaande inspraakreactie leidt tot aanpassing van het voorlopige MER of het VOBP. De betreffende nieuw gerealiseerde of te realiseren woningen zullen worden meegenomen in de milieuonderzoeken ten aanzien van geluid en slagschaduw.

R10 – Particuliere indiener Naam instantie/indiener:

Particuliere indiener (geanonimiseerd) IN20.02924

Datum inspraakreactie:

15 juni 2020

Inspraakreactie: Nr.

Tekst uit inspraakreactie

Beantwoording

1

Wij hebben begin 2018 een stuk grond gekocht zonder dat wij wisten dat er sprake was van een aantal windturbines op de plek waar ze nu waarschijnlijk terecht gaan komen. Wij hebben destijds contact gehad met de gemeente Wijchen (omdat Bergharen tot die gemeente behoort) en niet met Beuningen.

In april 2019 is door de gemeenteraad van Beuningen beslo- Nee ten om de mogelijkheden voor windenergie in de zoekzone te onderzoeken. Eerder was dit voornemen als (informeel) bekend. In de afgelopen jaren is in Beuningen een gebiedsproces doorlopen om een keuze te maken over de invulling van de lokale energietransitie. In dit proces is via divere media een oproep gedaan om mee te denken.

2

Wij zijn bezorgd, omdat de beoogde grootte/hoogte van de windmolens zo enorm is, dat het een ongelofelijke impact zal hebben op wie daar ook maar een beetje in de buurt woont, zoals wij. Wij zijn o.a. bang voor overlast van het geluid, voor het/ons uitzicht (een XL windturbine in een landelijke omgeving levert een hele grote schaalfout op en wij kijken straks zoals het er nu naar uitziet, recht vanuit ons raam op zo’n windturbine) en wij denken dat onze nieuw gebouwde vrijstaande woning enorm in waarde zal dalen.

Windturbines zijn vanwege hun grootte goed zichtbaar in het Nee landschap. Om de landschappelijke impact te beperken is gekozen voor een lijnopstelling. Dit neemt niet weg dat de windturbines vanuit bepaalde woningen en tuinen zichtbaar zijn. Het landschap van de komgronden kent een open en grootschalige karakter. Door de openheid van het landschap zullen windturbines eerder waarneembaar zijn voor diegene die zich in dit landschap bevinden. De windturbines tasten de bele-

Aanpassing MER/VOBP?

ving van openheid gedeeltelijk aan doordat ze onderdeel uitmaken van de horizon. Wegens de openheid en grootschaligheid zal de hoogte van de windturbines minder effect hebben (dan in kleinschalige landschappen). Door de rationele verkaveling en de afwezigheid van veel opgaande beplating of kenmerkende cultuurhistorische elementen, worden de komgronden vaak ervaren als grootschalig productielandschappen. Hierin ‘passen’ windturbines beter dan bij gebieden die als natuurlijk of cultuurhistorisch waardevol worden ervaren. Het wordt erkend dat windturbines als een aantasting kunnen worden ervaren. Desondanks is het in het kader van duurzame ontwikkeling belangrijk om dergelijke initiatieven in te passen in het landschap. Binnen de komgronden is daar ruimte voor. Om een beeld te krijgen van de landschappelijke impact zijn fotovisualisaties gemaakt. Vanuit de omgeving van de indiener is fotovisualisatie E gemaakt (zie bijlage E van het CombiMER). Het is niet uitgesloten dat omwonenden hinder ondervinden van de beoogde windturbines. Echter zal aan alle wet- en regelgeving (o.a. geluid en slagschaduw) worden voldaan, zodat een goed woon- en leefklimaat geborgd is. Er kan sprake zijn van waardevermindering (planschade) indien het nieuwe planologische regime nadeliger wordt ten opzichte van het eerdere regime voor de omwonenden.

Dit kan zich voordoen wanneer er sprake is van vermindering van het woon- en leefgenot of wanneer nieuwe planologische beperkingen worden gesteld aan het gebruik of de bouwmogelijkheden van het onroerend goed.

Voor het bepalen van de vraag of voor individuele gevallen sprake is van planschade, en (zo ja) hoe groot de omvang van deze schade is, kent de Wet ruimtelijke ordening (Wro) een aparte procedure. Indien men denkt in aanmerking te komen voor planschade kan men binnen 5 jaar na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan bij het college van Burgemeester en Wethouders van Beuningen een aanvraag voor een tegemoetkoming in schade doen. Meer informatie is te vinden op de gemeentelijke website https://www.beuningen.nl/bouwen_en_wonen/vergoeding_planschade. Verder heeft de gemeente reeds aan initiatiefnemers verzocht tijdig een planschadeanalyse te maken. Daarnaast verwacht de gemeente van de initiatiefnemers een proactieve houding wanneer het aankomt op afspraken over de vergoeding.

Conclusie Bovenstaande inspraakreactie leidt niet tot aanpassing van het voorlopige MER of het VOBP.

R11 – Geldersch Landschap & Kasteelen Naam instantie/indiener:

Geldersch Landschap & Kasteelen (IN20.03238)

Datum inspraakreactie:

29 juni 2020

Inspraakreactie: Nr.

Tekst uit inspraakreactie

Beantwoording

Aanpassing MER/VOBP?

1

Wij zijn van mening dat windturbines alleen geplaatst mogen worden op de landschappelijk minder waardevolle locaties en niet in of nabij kleinschalige oude cultuurlandschappen of natuurterreinen die onderdeel uitmaken van het Gelders natuurnetwerk. Zonne-energie op land daarentegen is landschappelijk veel beter verantwoord in te passen nabij voornoemde locaties en daarvoor zijn meer mogelijkheden.

Het CombiMER Windpark Beuningen gaat alleen over de Nee plaatsing van windturbines. Bij het zoeken naar locaties voor de windturbines is rekening gehouden met onder andere wettelijke, milieutechnische, politieke, contractuele en beleidsmatige bepalingen. Binnen de beleidsmatige bepalingen van onder andere de gemeente en de provincie zijn landschappelijke aspecten (waardevolle landschappen) opgenomen. Er is met dit beleid rekening gehouden bij het bepalen van de locaties van de beoogde windturbines.

2

Uit uw Landschappelijke beoordeling, als onderdeel van de MER, is terecht opgenomen dat de verschillende alternatieven voor bijvoorbeeld het Rivierduinen gebied zeer negatief scoren. In de voorbeeldvisualisaties uit uw onderzoeken is te zien dat de windturbines op circa 10 keer de afstand van de tiphoogte de horizon al beginnen te domineren. Voorts dat op een afstand van circa 17 keer de tiphoogte deze nog niet beeldbepalend zijn op de horizon.

Het bepalen van de exacte locaties van de windturbines ge- Nee beurt op basis van, onder andere, wettelijke, milieutechnische, politieke en contractuele invloeden. De landschappelijke waardering en mogelijke (negatieve) impact is hierbij een belangrijk gegeven. Daarom wordt geprobeerd om aan de hand van een analyse van landschappelijke eigenschappen de impact van het plaatsen van windturbines in kaart te brengen en waar mogelijk mitigerende maatregelen toe te passen.

Dit onderbouwt ons eerdere standpunt dat plaatsing van windturbines in ieder geval aan de westzijde van de A50 ernstig afbreuk doet aan de beleving en kwaliteiten van de kleinschalige oude cultuurlandschappen in het stuifduinengebied van Bergharen en Hernen en vinden wij daarom niet gewenst. Een exact minimaal noodzakelijke afstand tot onze voornoemde landschappelijk waardevolle kleinschalige cultuurlandschappen van Bergharen en Hernen hangt mede af van de opstelling en andere invloeden, maar zal indicatief liggen tussen de 10 tot 17 keer de tiphoogte (bij een tiphoogte van 245 meter is dit minimaal tussen de 2,5 km tot 4,2 km). Onderzoek toont aan dat ook de economische waarde van recreatief aantrekkelijke landschappen, zoals onderhavige, enorm achteruit gaat door ruimtelijke ontwikkelingen die de landschapskwaliteit schaden. Het is van belang goed te wegen of en waar grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen plaats kunnen vinden, opdat ondernemers, eigenaren en samenleving niet met kosten of verliezen van deze ontwikkelingen worden geconfronteerd. Mooie landschappen zoals in de stuifduinen van Bergharen en Hernen zijn schaars geworden in Nederland, terwijl de recreatieve vraag ernaar mede vanwege de betekenis voor gezondheid en welzijn van mensen, juist fors groeit.

Niet voor niets is het Land van Maas en Waal vanaf 1999 door een aantal ministeries geselecteerd als Belvedère gebied vanwege de hoge cultuurhistorische en daarmee samenhangende landschappelijke kwaliteiten. Vanuit dat perspectief is het van belang dat deze belangrijke economische drager van het buitengebied duurzaam wordt beschermd en verder versterkt.

Hierbij is rekening gehouden met onder andere de waardevolle cultuurlandschappen van Bergharen en Hernen. De keuze voor windenergie aan weerszijden van de A50 is een politieke, waarbij belangenafweging heeft plaatsgevonden tussen (onder andere) landschappelijke impact enerzijds, en het duurzaamheidsbelang anderzijds.

Ons landschap is dynamisch en altijd aan verandering onder- Nee hevig. Nieuwe (innovatieve) inpassingen die vaak voortkomen uit de behoeftes van onze maatschappij vragen om ruimte en inpassing binnen het landschap waardoor (cultuur)historische gewaardeerde (landschappelijke) eigenschappen langzaam veranderen. Windturbines kunnen een aantasting zijn voor bepaalde landschappelijk/ruimtelijke eigenschappen en dan met name de beleving van deze eigenschappen. Er wordt geprobeerd aan de hand van een analyse van landschappelijke eigenschappen de impact van het plaatsen van windturbines in kaart te brengen en waar mogelijk mitigerende maatregelen toe te passen. Het onderzoek waarnaar indiener verwijst kan niet in de beantwoording worden betrokken omdat een verwijzing ontbreekt.

3

Wij verzoeken u om de landschappelijke impact en alles wat daarmee samenhangt zwaarder te laten meewegen in uw besluitvorming en indachtig deze ruimtelijk zeer ingrijpende ontwikkeling te heroverwegen. Wij wensen u veel wijsheid toe bij uw oordeelsvorming.

De gemeente is zich bewust dat de windturbines een land- Nee schappelijke impact hebben. Deze en de andere milieueffecten worden meegenomen in het bepalen van het Voorkeursalternatief (VKA).

Conclusie Bovenstaande inspraakreactie leidt niet tot aanpassing van het voorlopige MER of het VOBP.

R12 – Groep particuliere indieners uit wijk De Heuve Naam instantie/indiener:

Groep particuliere indieners uit wijk De Heuve (IN20.03534)

Datum inspraakreactie:

14 juli 2020

Inspraakreactie: Nr.

Tekst uit inspraakreactie

Beantwoording

Aanpassing MER/VOBP?

1

De materie is complex en om hier gedegen met concrete punten op te reageren is lastig. Diverse inwoners hebben dan ook bij mij aangegeven hier vanaf te zien. Ik vind het belangrijk om dit signaal aan de gemeente mee te geven. We vinden het jammer dan de gemeente heeft gekozen voor een zogenaamde CombiMER. Hierdoor gaan beoordelingen van de MER rapportage door elkaar heen lopen en wordt het voor de minder geschoolde burgers nog moeilijker om te reageren. Ons inziens is een projectMER dadelijk niet alleen van toepassing op een het zogenaamde VoorkeursAlternatief maar ook op de exacte positie van de molens, zo niet zelfs per te plaatsenwindmolen.

De gemeente Beuningen neemt dit ter kennisgeving aan.

Nee

Waarom maakt de gemeente Beuningen voor de helderheid van het besluitvormingsproces en de inspraakmogelijkheden niet de keuze om de Plan en Project-MER te scheiden?

Het planMER deel is een verplichte stap om te nemen. Daarmee brengt de gemeente het hele grondgebied in kaart om te bepalen welke andere locaties er zijn. Het projectMER deel richt zich op de zoekzone. Dit deel wordt nog aangevuld met (de milieueffecten van) het voorkeursalternatief (VKA). Ver-

2

Het voorlopige MER dat ter inzage heeft gelegen bestaat uit Nee een aantal algemene hoofdstukken (hoofdstuk 1, 2, 3, 4, 12), een planMERdeel (hoofdstuk 5 en 6) en een projectMERdeel (hoofdstuk 7 t/m 11). Het feit dat beide ‘MERren’ samen in een combiMER zijn opgenomen wil niet zeggen dat de beoordeling door elkaar gaat lopen.

volgens dient het VKA ter onderbouwing van de vergunningaanvraag en heeft het dus betrekking op de concrete windturbineposities. 3

4

5

De overheid heeft een commissieMER geïnstalleerd om gemeentes en burgers van dienst te zijn bij het goed opstellen. Hiermee kan een onafhankelijke commissie beoordelen of een MER goed opgesteld is. Dit geeft burgers ook een basis van vertrouwen in de wijze van rapporteren en de gebruikte argumenten. Waarom maakt de gemeente geen gebruik van de Commissie MER als zij weten dat er veel onrust onder de bewoners van Beuningen is? Kan de gemeente beamen dat dit een uitgebreide MER procedure betreft en dat er daarmee een verplichte toetsing van de MER door de CommissieMER moet plaats vinden? Over de planMER beoordelingscriteria: De criteria met bijbehorende beoordeling van plussen en minnetjes is bijzonder arbitrair. Zo wordt onder de categorie Veiligheid de indruk gewekt dat het ene alternatief “veiliger” is dan het andere doordat er meer of minder minnetjes staan. Wordt de toelichting hier op na geslagen gaat het vooral over adviezen van de verschillende instanties die een object in het betreffende gebied hebben. Daar staat tegenover dat in ieder gebied windmolens geplaatst kunnen worden die voldoen aan de harde veiligheidseisen en de adviezen van deze instanties. Belangrijk is natuurlijk om de veiligheid mee te nemen, maar zodra deze geen onderscheidend puntmeer is tussen de gebieden is deze daarna niet meer van belang bij de boordeling.

De commissie voor de m.e.r. wordt wel degelijk betrokken bij Nee de beoordeling van de milieueffectrapportage. Omdat het hier een voorlopig MER betreft (waarin het voorkeursalternatief en het ecologisch onderzoek nog ontbreken) zal de bijdrage van de commissie-m.e.r. pas plaatsvinden in de fase van het ontwerpbestemmingsplan en het concept-MER. Het betreft een uitgebreide m.e.r.-procedure. De commissie- Nee m.e.r. zal zeker de definitieve MER gaan beoordelen. Terecht wordt benoemd dat alle toekomstige windturbines Nee binnen de inrichtingsalternatieven moeten voldoen aan de harde veiligheidseisen die door het bevoegd gezag worden gesteld. De reden om het aspect “externe veiligheid” als criterium in de effectbeoordeling mee te nemen is dan ook niet geweest om te stellen dat het ene alternatief veiliger zou zijn dan het andere, daar alle toekomstige windturbines voldoende veilig moeten zijn. Wel geldt dat de nabijheid van objecten met relevantie op het gebied van externe veiligheid mogelijk van invloed zal zijn op de plaatsingsmogelijkheden van windturbines binnen de onderzochte inrichtingsalternatieven. Om deze reden is een inrichtingsalternatief waartoe deze objecten op kortere afstand zijn gelegen vanuit het oogpunt van de ontwikkelaar of gemeente minder aantrekkelijk dan een inrichtingsalternatief waartoe deze objecten op grotere afstand zijn gelegen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beuningen&id=b15143a9-4666-43d2-82db-05ca06270f76