Bijlage 12 Natuuronderzoek
Tekst van het document
Door het ontbreken van deze waterlichamen op de onderzoekslocatie valt uit te sluiten dat de realisatie van windpark Beuningen een negatief effect heeft op de gunstige staat van instandhouding van deze soort. Graspieper: De graspieper is rondom de onderzoekslocatie slechts zeer incidenteel waargenomen. De huidige staat van instandhouding is matig ongunstig. Het is echter wel een soort die regelmatig korte vluchten op rotorhoogte kan vliegen, waardoor toch 1 tot 2 aanvaringsslachtoffers per jaar kunnen vallen. Het is echter redelijkerwijs uit te sluiten dat dit enig effect heeft op de staat van instandhouding. Kievit: De kievit wordt regelmatig broedend waargenomen in de agrarische velden rondom de bouwlocaties van de windturbines. Daarnaast maken kieviten acrobatische baltsvluchten, waardoor ze een groter risico tot aanvaring lopen. Momenteel is de staat van instandhouding voor de kievit matig ongunstig vanwege een lichte negatieve trend in broedgevallen in de laatste 20 jaar. Zelfs in een worstcase aanname zal echter slechts 0.01% van de 1%-mortaliteitsnorm behaald worden. Dit betekent dat met zekerheid uitgesloten kan worden dat deze additionele sterfte een negatief effect heeft op de staat van instandhouding. Veldleeuwerik: De veldleeuwerik is regelmatig waargenomen rondom de onderzoekslocatie. De huidige staat van instandhouding is echter tevens matig ongunstig.
Het vlieggedrag van de veldleeuwerik is niet zodanig dat veel aanvaringsslachtoffers te verwachten zijn. Door de relatief grote aantallen in de omgeving zijn enkele slachtoffers echter niet uit te sluiten. Het is echter redelijkerwijs uit te sluiten dat dit enig effect heeft op de staat van instandhouding.
Rapport 10516.001 versie D3
Pagina 24 van 36
Witte kwikstaart: De witte kwikstaart komt net als de veldleeuwerik regelmatig voor rondom de onderzoekslocatie, heeft een matig ongunstige staat van instandhouding en heeft geen uitzonderlijk groot risico tot aanvaring. Toch zijn enkele slachtoffers niet uit te sluiten. Het is echter redelijkerwijs uit te sluiten dat dit enig effect heeft op de staat van instandhouding. 7.2.2
Habitatverlies of verstoring van broedende, foeragerende of rustende vogels
Aanlegfase: Tijdens de aanlegfase is er geen sprake van aanvaringsslachtoffers. Wel treedt er op de bouwlocatie zelf en tijdelijk op de wegen er naartoe habitatverlies op van broedende, foeragerende of rustende vogels. In de invloedzone van de werkzaamheden zijn geen jaarrond beschermde nesten aanwezig die verstoord kunnen worden. Derhalve kan op voorhand uitgesloten worden dat op dit vlak overtreding van de Wet natuurbescherming optreedt. Algemene broedvogels kunnen wel op de bouwlocatie en binnen de invloedzone van de werkzaamheden voorkomen. Het betreft zowel zangvogels, weidevogels en akkervogels. Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd en de werkzaamheden buiten het broedseizoen starten, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen.
Gebruiksfase: In de gebruiksfase kunnen draaiende windmolens verstoring van vogels in de directe omgeving veroorzaken door de bewegingen, de fysieke aanwezigheid en het geluid. Door deze verstoring kan habitatverlies voor broedende, foeragerende of rustende vogels optreden. De afstand tot waar een windturbine verstorend kan werken verschilt per soort. In de regel zijn zangvogels hier minder gevoelig voor en kunnen verstoring ervaren tot maximaal 100 meter van de turbine. Weidevogels en watervogels maken meer gebruik van open gebied en zijn hierdoor gevoeliger voor de verstoring en kunnen tot maximaal 200 meter afstand tot de turbine verstoring en habitatverlies ervaren. Het is aannemelijk dat binnen deze afstanden van de turbines er een afname zal zijn van broedgevallen. Binnen de verstoringsafstanden zijn geen jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Het is dus op voorhand uit te sluiten dat in de gebruiksfase significante verstoring van soorten met jaarrond beschermde nesten optreedt. Binnen de verstoringsafstand komen wel broedgevallen van algemene soorten voor. Het leefgebied voor deze soorten zal bij het in gebruik nemen van het windpark enigszins afnemen. Hierdoor zullen een aantal van de broedvogels elders in de omgeving gaan broeden, of in het ergste geval zal er een lichte afname van broedgevallen plaatsvinden.
Het is echter op voorhand uit te sluiten dat er significante negatieve effecten optreden op het lokaal voortbestaan van de populaties van de betreffende soorten.
Rapport 10516.001 versie D3
Pagina 25 van 36
7.2.3
Barrièrewerking
Barrièrewerking door windturbines is alleen van toepassing op de gebruiksfase van het project. De windturbines worden in een lijnvormige opstelling, parallel aan de A73 geplaatst. De lijnopstelling vormt geen barrière tussen twee natuurgebieden waar normaliter veel uitwisseling van vogels zou plaatsvinden. Daarnaast zijn er geen grote landschapselementen die vogels dwingt om door het windpark te vliegen. Er zal geen significant negatief effect op vogelsoorten plaatsvinden als gevolg van barrièrewerking van Windpark Beuningen.
Rapport 10516.001 versie D3
Pagina 26 van 36
8
CUMULATIE
Om de cumulatieve effecten van de realisatie van windparken op de aanvaringsslachtoffers te toetsen, zullen de effecten van geplande, maar niet gerealiseerde projecten ten tijde van het opstellen van de ecologische toetsing bekeken worden. Er zal gecumuleerd worden met alle projecten binnen 30 kilometer, onafhankelijk van de aard van de ingreep. Omdat echter alle effecten, behalve verhoogde mortaliteit van vogels en vleermuizen door aanvaringsslachtoffers op voorhand uit te sluiten zijn, zal alleen met andere windprojecten gecumuleerd worden, waarbij gekeken wordt naar de toename van aanvaringsslachtoffers van niet-broedvogels van de Natura 2000. In tabel X staat een overzicht van de windparken waarvan de cumulatieve effecten bekeken zullen worden en de status van het project weergegeven. Tabel II: Cumulatieprojecten en de status van het project.
Windproject Windpark Nijmegen Betuw 5e turbine Windpark Den Tol Windpark Bijvanck Windpark Koningspleij Windpark Zaltbommel Windpark Hattemerbroek Windpark Groene Delta Windpark InnoFase 8.1
Status van het project Definitief en onherroepelijk vergund en ontheft Definitief en onherroepelijk vergund en ontheft Definitief en onherroepelijk vergund en ontheft Definitief maar herroepelijk vergund en ontheft Definitief maar herroepelijk vergund en ontheft Definitief maar herroepelijk vergund en ontheft Vastgestelde ontwerpvergunning en ontheffing Ontheffings- en vergunningsaanvraag in behandeling
Beschrijving resultaten natuurtoetsing cumulatieprojecten
Windpark Nijmegen Betuwe 5e turbine Voor het windpark Nijmegen Betuwe wordt een vijfde turbine gerealiseerd. In de oriënterende fase is reeds uitgesloten dat significante effecten op broedvogels zullen plaatsvinden. In de toetsing voor de Natura 2000 is berekend wat het maximale aantal aanvaringsslachtoffers van niet-broedvogels zal bedragen (Verbeek en Lensink, 2014; Lensink, 2014). Hier worden aantallen van 0,7 grauwe ganzen, 1,3 kolganzen, 0,04 smienten en 0,79 wulpen als maximale aanvaringsslachtoffers per jaar genoemd. Voor de vijfde turbine is wederom geconcludeerd dat significante effecten zijn uit te sluiten, echter worden hier geen exacte aantallen genoemd. Door de toevoeging van één turbine worden geen extra vleermuisslachtoffers per jaar verwacht. Windpark Den Tol Voor Windpark Den Tol is een in de ecologische beoordeling een berekening gedaan voor het aantal aanvaringsslachtoffers onder vogels en vleermuizen. Voor de kolgans wordt voorspelt dat er maximaal 91 aanvaringsslachtoffers per jaar zullen vallen. Sterfte van meer kritische soorten worden redelijkerwijs uitgesloten. In de beoordeling wordt aangegeven dat het aantal aanvaringsslachtoffers onder vleermuizen zeer laag zal zijn en als incidenteel beschouwd kan worden (Brenninkmeijer & Biezenaar, 2011).
Voor vleermuizen is in het verkennend onderzoek reed gesteld dat onder de gewone dwergvleermuis, ruige dwegvleermuis en de laatvlieger per soort minder dan één slachtoffer zal vallen. Op basis van de waargenomen aantallen en de aanvaringskans in een worst-case aanname word in het kader van cumulatie aangehouden dat hier maximaal 1 gewone dwergvleermuis, 0,5 ruige dwergvleermuis en 0,2 laatvlieger per jaar slachtoffer zal vallen in de gebruiksfase.
Rapport 10516.001 versie D3
Pagina 27 van 36
Windpark Bijvanck Voor Windpark Bijvanck is in de natuurtoetsing bepaald dat onder vogels alleen zeer incidentele slachtoffers zullen vallen. Voor de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis werd meer dan incidentele sterfte verwacht, echter zijn stilstandvoorzieningen getroffen, waardoor het aantal slachtoffers ruimschoots gereduceerd wordt tot incidentele sterfte (Inpassingsplan Windpark Bijvanck, 2017). Op basis van de waargenomen aantallen en de aanvaringskans in een worst-case aanname word in het kader van cumulatie aangehouden dat hier maximaal 0,5 gewone dwergvleermuis, 0,5 ruige dwergvleermuis en 0,2 rosse vleermuis per jaar slachtoffer zal vallen in de gebruiksfase. Windpark Koningspleij In het kader van de realisatie van windpark Koningspleij is een natuurtoets uitgevoerd. In de toetsing is gebleken dat maximaal 80 vogelslachtoffers zullen vallen door de voorgenomen plannen, verdeeld over een groot aantal algemene soorten. Voor de vleermuizen wordt bij de gewone dwergvleermuis incidentele sterfte verwacht (voor de cumulatie wordt uitgegaan van 1 slachtoffer per jaar), echter wordt voor de ruige dwergvleermuis een maximum van 5 slachtoffers per jaar verwacht. (Kruijt en Heunks, 2016) Windpark Zaltbommel Uit de natuurtoets voor windpark Zaltbommel is gebleken dat voor vogels bij bepaalde soorten meer dan incidentele sterfte optreedt.
Voor de stormmeeuw, kokmeeuw, wilde eend, kievit en smient worden 1- 2 slachtoffers per jaar voorspeld. Overige soorten zullen niet meet dan incidentele slachtoffers van vallen. Voor vleermuizen werd voor de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger meer dan incidentele sterfte verwacht, echter zijn stilstandvoorzieningen getroffen om dit te voorkomen (Edinks et al., 2017). Op basis van de waargenomen aantallen en de aanvaringskans in een worst-case aanname word in het kader van cumulatie aangehouden dat hier maximaal 0,5 gewone dwergvleermuis en 0,2 laatvliegers per jaar slachtoffer zal vallen in de gebruiksfase. Windpark Hattemerbroek Voor Windpark Hattemerbroek is bepaald dat het redelijkerwijs is uit te sluiten dat er meer dan incidentele sterfte van vogels op zal treden. Tevens wordt voorspeld dat er slechts incidentele sterfte van de ruige dwergvleermuis en de rosse vleermuis op zal treden (Verweij et al., 2016). Effecten op de staat van instandhouding van de verschillende vogel- en vleermuissoorten zijn op voorhand uitgesloten. Op basis van de waargenomen aantallen en de aanvaringskans in een worst-case aanname word in het kader van cumulatie aangehouden dat hier maximaal 0,5 ruige dwergvleermuis en 0,2 rosse vleermuis per jaar slachtoffer zal vallen in de gebruiksfase.
Windpark Groene Delta In de natuurtoets uitgevoerd ten behoeve van de realisatie van Windpark Groene Delta is geconcludeerd dat onder vogels voor drie soorten meer dan incidentele sterfte (1 – 2 slachtoffers per jaar) op kan treden, namelijk voor de wilde eend, de kokmeeuw en de stormmeeuw. Voor de vleermuizen wordt voorspeld dat er alleen aanvaringsslachtoffers zullen vallen onder de gewone dwergvleermuis. Hiervan zullen maximaal 6 aanvaringsslachtoffers per jaar vallen (Smits et al., 2018). Onder andere vleermuissoorten worden geen slachtoffers verwacht. Windpark InnoFase In het rapport soortbescherming voor windpark InnoFase staat beschreven dat enkele vogel- en vleermuissoorten in aanvaring kunnen komen met de geplande turbines. Voor de vleermuizen betreft dit maximaal 10 aanvaringsslachtoffers, waarvan respectievelijk 6, 2 en 2 slachtoffers van de gewone dwergvleermuis, de ruige dwergvleermuis en de laatvlieger. Voor de vogels wordt meer dan incidentele slachtoffers verwacht voor een groot aantal algemene broedvogels en voor een aantal overwinte-
Rapport 10516.001 versie D3
Pagina 28 van 36
rende vogels, met specifiek de kolgans, grauwe gans en kokmeeuw waar een bovengemiddeld aantal slachtoffers zullen vallen. 8.2
Effecten op vogels en vleermuizen inclusief cumulatie
Met inachtneming van de aanvaringsslachtoffers van vogels in projecten waarmee gecumuleerd dient te worden, wordt de totale voorspelling van het aantal aanvaringsslachtoffers voor enkele soorten iets hoger. Dit is voornamelijk het geval voor de kolgans, stormmeeuw, kokmeeuw, wilde eend en kievit. Voor geen van deze (of andere) soorten wordt echter de 1%-mortaliteitsnorm overschreden, tevens met inachtneming van de cumulatie. Voor de vleermuizen worden ook slachtoffers verwacht in andere parken onder gewone dwergvleermuizen, ruige dwergvleermuizen, laatvliegers en rosse vleermuizen. De rosse vleermuis is in Nederland een relatief zeldzame soort, waar een laag aantal aanvaringsslachtoffers al snel een effect kan hebben op de populatie. Voor de gewone- en ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis is cumulatie wel van toepassing. In tabel XI t/m XIII is een overzicht te zien van de cumulatieve aanvaringsslachtoffers van de betreffende soorten ten opzichte van het 1%-mortaliteitscriterium. Tabel III: cumulatieve aanvaringsslachtoffers ten opzichte van het 1%-mortaliteitscriterium, Alternatief 1.
Soort Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Laatvlieger Rosse vleermuis
Cumulatieve aanvaringsslachtoffers 21 10,5 1,4 3,4
1%-mortaliteitsnorm 51 28 3 2,5
Tabel IV: cumulatieve aanvaringsslachtoffers ten opzichte van het 1%-mortaliteitscriterium, Alternatief 2.
Soort Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Laatvlieger Rosse vleermuis
Cumulatieve aanvaringsslachtoffers 28 12,5 2,4 3,4
1%-mortaliteitsnorm 51 28 3 2,5
Tabel XIII: cumulatieve aanvaringsslachtoffers ten opzichte van het 1%-mortaliteitscriterium, Alternatief 3.
Soort Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Laatvlieger Rosse vleermuis
Cumulatieve aanvaringsslachtoffers 37 14,5 1,4 3,4
1%-mortaliteitsnorm 51 28 3 2,5
De voorspelde sterfte overschrijdt de 1%-mortaliteitsnorm voor rosse vleermuis net. Dit betekent niet per definitie dat er een significant negatief effect op de staat van instandhouding ontstaat door de realisatie van Windpark Beuningen. De berekeningen zijn allemaal gedaan op basis van een worstcase benadering. De kans is groot dat het aantal daadwerkelijke slachtoffers lager zou komen te liggen dan wat hier voorspeld wordt. De rosse vleermuis heeft echter geen gunstige staat van instandhouding en wordt op de Rode Lijst aangemerkt als “kwetsbaar”. Derhalve wordt geadviseerd mitigerende maatregelen te treffen om de aanvaringsslachtoffers te verminderen. Met een kleine afname van het aantal slachtoffers kan de staat van instandhouding lokaal gewaarborgd worden.
Rapport 10516.001 versie D3
Pagina 29 van 36
9
UITWERKING VOORKEURSALTERNATIEF
Na de uitwerking van alternatief 1 t/m 3 is door de opdrachtgever een voorkeursalternatief met 5 windturbines aangedragen (figuur 15). Voor dit alternatief is de voorspelde sterfte van vogels en vleermuizen in onderhavig hoofdstuk uitgewerkt. Voor de locatie van windturbine 2 staan nog twee opties open. Hierbij is er geen verschil in voorspelde sterfte van vogels en vleermuizen tussen deze twee opties.
1 2
3 4 5
Figuur 15. Voorkeursalternatief.
9.1 Vleermuizen Voor het voorkeursalternatief is een inschatting gemaakt van het aantal aanvaringsslachtoffers per vleermuissoort en is gekeken of er negatieve effecten aan de orde zijn. In het voorkeursalternatief wordt het totale aantal aanvaringsslachtoffers op 25 individuen geschat (tabel XIV). De meeste aanvaringsslachtoffers vallen onder gewone dwergvleermuis. Tabel XIV: Aantal slachtoffers per soort voor het voorkeursalternatief.
Locatie 1 Locatie 2 Locatie 3 Locatie 4 Locatie 5 Totaal
Geschat totaal aantal slachtoffers 5 5 5 5 5 25
Rapport 10516.001 versie D3
Gewone dwergvleermuis
Ruige dwergvleermuis
Rosse vleermuis
Laatvlieger
3 3 3 4 4 17
1 1 1 1 1 5
1 1 2
1 1
Pagina 30 van 36
In tabel XV is het aantal aanvaringsslachtoffers van het voorkeursalternatief afgezet tegen de 1%mortaliteitsnorm. Voor geen van de genoemde soorten wordt de 1%-mortaliteitsnorm overschreden. De 1%-mortaliteitsnorm is afkomstig uit tabel XI t/m XIII. Tabel XV: Aantal aanvaringsslachtoffers voorkeursalternatief afgezet tegen de 1%-mortaliteitsnorm.
Soort Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Laatvlieger Rosse vleermuis
Aanvaringslachtoffers VKA 17 5 1 2
1%-mortaliteitsnorm 51 28 3 2,5
In tabel XVI is een overzicht te zien van de cumulatieve aanvaringsslachtoffers ten opzichte van de 1%-mortaliteitsnorm. Ook na cumulatie wordt de 1%-mortaliteitsnorm voor geen van de genoemde soorten overschreden. Tabel XVI: Cumulatieve aanvaringsslachtoffers ten opzichte van het 1%-mortaliteitscriterium, voorkeursalternatief.
Soort Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Laatvlieger Rosse vleermuis
Cumulatieve aanvaringsslachtoffers 26 11,5 1,4 2,4
1%-mortaliteitsnorm 51 28 3 2,5
9.2 Vogels Voor het voorkeursalternatief is geschat dat er ongeveer 100 vogelslachtoffers per jaar zullen vallen. Op basis van het aantal waarnemingen in het veld, de locatie van de waarnemingen en het gedrag, is een inschatting gemaakt van het aantal aanvaringsslachtoffers in de gebruiksfase. Voor 34 soorten is bepaald dat er potentieel meer dan incidentele sterfte (meer dan één slachtoffer per jaar) plaats kan vinden. Het wordt geadviseerd voor deze soorten een ontheffing van de Wet natuurbescherming aan te vragen. Tabel XVII: Maximaal aantal aanvaringsslachtoffers ten opzichte van de 1%-mortaliteitsnorm (gebaseerd op overlevingskansen op www.bto.org).
Populatiegrootte
1%-mortaliteitsnorm
Maximale aanvaringsslachtoffers per jaar
Staat van instandhouding
Boerenzwaluw
210.000
Boomklever
62.000
1.315
1
Gunstig
302
1–2
Gunstig
Boomkruiper
120.000
588
1
Gunstig
Boomvalk
450
1
<1
Matig ongunstig
60.000
318
<1
Gunstig
Broedvogels
Bosrietzanger Buizerd
10.000
10
1–2
Gunstig
Ekster
45.000
140
1–2
Gunstig
Gaai
45.000
185
1–2
Gunstig
Gele kwikstaart
40.000
187
1
Matig ongunstig
Gierzwaluw
40.000
79
1
Gunstig
Rapport 10516.001 versie D3
Pagina 31 van 36
Grasmus
150.000
914
1
Gunstig
Graspieper
80.000
366
1–2
Matig ongunstig
Groene specht
8.000
24
<1
Gunstig
Groenling
65.000
362
1
Gunstig
Grote bonte specht
75.000
225
<1
Gunstig
Havik
1.900
3
<1
Gunstig
Heggenmus
175.000
922
<1
Matig ongunstig
Holenduif
45.000
203
<1
Gunstig
Houtduif
250.000
983
1–2
Gunstig
Huismus
600.000
2.574
<1
Matig ongunstig
IJsvogel
1.150
8
<1
Gunstig
Kauw
70.000
413
1–2
Gunstig
Kievit
250.000
738
1–2
Matig ongunstig
Kleine karekiet
250.000
1325
<1
Gunstig
Kneu
30.000
189
<1
Matig ongunstig
Koekoek
5.700
11
<1
Matig ongunstig
Koolmees
375.000
1.718
1–2
Gunstig
Meerkoet
180.000
538
1–2
Gunstig
Merel
650.000
2.275
1–2
Gunstig
Nachtegaal
5.900
32
<1
Matig ongunstig
Ooievaar
1050
8
1
Gunstig
Patrijs
4.500
20
<1
Zeer ongunstig
Pimpelmees
250.000
1.170
1–2
Gunstig
Putter
35.000
220
1–2
Gunstig
Ringmus
40.000
227
<1
Zeer ongunstig
Roek
48.000
101
1
Matig ongunstig
Roodborst
250.000
1453
<1
Gunstig
Roodborsttapuit
15.000
93
1
Gunstig
300
2
<1
Matig ongunstig
Sijs Slechtvalk
500
1
<1
Gunstig
Sperwer
3.000
9
1
Gunstig
Spreeuw
450.000
1.409
1–2
Gunstig
Tjiftjaf
700.000
3.780
1–2
Gunstig
Torenvalk
6.000
19
<1
Matig ongunstig
Turkse tortel
110.000
394
1–2
Gunstig
Veldleeuwerik
70.000
341
1–2
Matig ongunstig
Vink
800.000
3.288
1–2
Gunstig
Winterkoning
800.000
5.448
1–2
Gunstig
Witgatje
110.000
290
<1
Gunstig
Witte kwikstaart
140.000
721
1–2
Matig ongunstig
Wulp
110.000
290
1
Gunstig
Zanglijster
110.000
481
1–2
Gunstig
Zwarte kraai
60.000
288
1–2
Gunstig
Rapport 10516.001 versie D3
Pagina 32 van 36
Zwarte roodstaart
13.000
80
<1
Gunstig
Zwartkop
640.000
3610
1
Gunstig
Niet-broedvogels Aalscholver
22.000
26
<1
Gunstig
Blauwe kiekendief
800
2
<1
Matig ongunstig
Blauwe reiger
18.000
48
<1
Gunstig
Fuut
11.000
41
<1
Gunstig
Grauwe gans
580.000
986
1–2
Gunstig
Grote Canadese Gans
9000
65
1
Gunstig
Grote Gele Kwikstaart
1000
5
<1
Gunstig
Grote zilverreiger
6.700
12
<1
Gunstig
Kleine mantelmeeuw
1.500
1
<1
Matig ongunstig
Knobbelzwaan
46.000
69
1
Gunstig
Kokmeeuw
105.000
105
1–2
Gunstig
Kolgans
970.000
2.677
14
Gunstig
Krakeend
99.000
277
<1
Gunstig
Kuifeend
230.000
667
<1
Matig ongunstig
Meerkoet
250.000
1.325
<1
Gunstig
Nijlgans
46.000
97
<1
Gunstig
Oeverloper
50
<1
<1
Gunstig
Ooievaar
750
1
<1
Gunstig
Scholekster
190.000
228
1
Zeer ongunstig
Stormmeeuw
480.000
672
<1
Gunstig
Toendrarietgans
310.000
856
<1
Gunstig
Visdief
15.000
15
<1
Zeer ongunstig
Waterhoen
90.000
399
<1
Matig ongunstig
Wilde eend
500.000
1.865
1–2
Gunstig
Wintertaling
110.000
517
<1
Gunstig
Zilvermeeuw
180.000
666
<1
Matig ongunstig
Rapport 10516.001 versie D3
Pagina 33 van 36
Voor de volgende 34 soorten wordt meer dan incidentele sterfte voorspeld en wordt aanbevolen ontheffing aan te vragen: • • • • • • • • • • • • • • • • •
Boerenzwaluw Boomklever Boomkruiper Buizerd Ekster Gaai Gele kwikstaart Gierzwaluw Grasmus Graspieper Groenling Houtduif Kauw Kievit Koolmees Meerkoet Merel
• • • • • • • • • • • • • • • • •
Ooievaar Pimpelmees Putter Roek Roodborsttapuit Sperwer Spreeuw Tjiftjaf Turkse tortel Veldleeuwerik Vink Winterkoning Witte kwikstaart Wulp Zanglijster Zwarte kraai Zwartkop
Met inachtneming van de aanvaringsslachtoffers van vogels in projecten waarmee gecumuleerd dient te worden, wordt de totale voorspelling van het aantal aanvaringsslachtoffers voor enkele soorten iets hoger. Dit is voornamelijk het geval voor de kolgans, stormmeeuw, kokmeeuw, wilde eend en kievit. Voor geen van deze (of andere) soorten wordt echter de 1%-mortaliteitsnorm overschreden, tevens met inachtneming van de cumulatie.
Rapport 10516.001 versie D3
Pagina 34 van 36
10
SAMENVATTING EN CONCLUSIES
Econsultancy heeft in opdracht van Bosch & van Rijn een toetsing natuuronderzoek soortenbescherming uitgevoerd ten behoeve van de realisatie van ten zuiden van A73 te Beuningen. Het natuuronderzoek is uitgevoerd in het kader van de ontwikkeling van “Windpark Beuningen” en heeft als doel om in te schatten hoeveel aanvaringsslachtoffers van vogels en vleermuizen per jaar zullen vallen door de realisatie van de winturbines en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Voorgenomen ingreep De initiatiefnemer is voornemens Windpark Beuningen te realiseren. Hierbij zijn drie alternatieven opgenomen, bestaande uit respectievelijk 4, 6 en 8 tal windturbines. Tevens is er op verzoek van de klant een voorkeursalternatief uitgewerkt waarbij 5 windturbines geplaatst te worden. Functie onderzoekslocatie voor vleermuizen De onderzoekslocatie heeft verschillende functies voor de waargenomen vleermuizen. Voor alle soorten kan mogelijk meer dan incidentele sterfte optreden door aanvaringsslachtoffers, maar blijven allemaal onder de 1% mortaliteitsnorm met uitzondering van de rosse vleermuis binnen alternatief 1 t/m 3.
De aantallen voor de rosse vleermuis komen boven het 1%-criterium, waardoor significante negatieve effecten op de staat van instandhouding binnen de alternatieven 1 t/m 3 niet op voorhand zijn uit te sluiten. Binnen het voorkeursalternatief blijven alle vleermuissoorten onder de 1%-mortaliteitsnorm. Door de voorgenomen plannen gaan geen vaste rust- en voortplantingsplaatsen en/of vaste vliegroutes van vleermuizen verloren. Functie onderzoekslocatie voor vogels Op en rondom de onderzoekslocatie zijn een aantal broedvogels aanwezig waarvoor mogelijk meer dan incidentele aanvaringsslachtoffers kunnen vallen. Daarnaast is voor de niet-broedvogels met behulp van tellingen in de directe omgeving van het plangebied tevens voorspeld dat er een aantal soorten meer dan incidenteel in aanvaring met de windturbines kunnen komen. In totaal zijn er 34 soorten waarvoor meer dan incidentele sterfte wordt voorspeld. Voor geen van deze soorten wordt echter voorspeld dat er een negatief effect op de staat van instandhouding tot stand komt. Het wordt geadviseerd voor het doden deze soorten een ontheffing aan te vragen. Het betreft de volgende soorten: • • • • • • • • • • •
Boerenzwaluw Boomklever Boomkruiper Buizerd Ekster Gaai Gele kwikstaart Gierzwaluw Grasmus Graspieper Groenling
Rapport 10516.001 versie D3
• • • • • • • • • • •
Ooievaar Pimpelmees Putter Roek Roodborsttapuit Sperwer Spreeuw Tjiftjaf Turkse tortel Veldleeuwerik Vink
Pagina 35 van 36
• • • • • •
Houtduif Kauw Kievit Koolmees Meerkoet Merel
• • • • • •
Winterkoning Witte kwikstaart Wulp Zanglijster Zwarte kraai Zwartkop
Door de voorgenomen plannen gaan geen jaarrond beschermde nesten van vogels verloren. Tevens gaat er geen significant deel van leefgebied van vogels verloren en treedt er geen barrièrewerking op. Functie onderzoekslocatie en gevolgen voor overige soorten Door de voorgenomen plannen worden geen andere soorten dan vogels en vleermuizen, die een strengere bescherming genieten, verstoord. Wel dient voor de algemene soorten te allen tijde rekening gehouden te worden met de zorgplicht. Tevens dient rekening gehouden te worden met het broedseizoen van algemene broedvogels. Cumulatie De cumulatieve effecten van de voorgenomen plannen met alle windinitiatieven die reeds vergund, maar nog niet gerealiseerd zijn, zijn tevens in acht genomen. Inclusief de cumulatieve effecten wordt echter voor nog geen vogel- en/of vleermuissoort (afgezien van rosse vleermuis binnen alternatief 1 t/m 3) het 1%-mortaliteitscriterium overschreden.
Econsultancy Boxmeer, 2 december 2020
Rapport 10516.001 versie D3
Pagina 36 van 36
GERAADPLEEGDE BRONNEN Limpens H., Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Brenninkmeijer, A., Biezenaar, P., 2011. Ecologische beoordeling Windpark Den Tol te Netterden. A&W-rapport 1619, Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek. Edink, M., Pustjens, W., Rooijmans, P., Starmansm J., Vogelaar, B. & de Bekker, J., 2017. Millieueffectrapport Windpark Bommelerwaard-A-2, Pondera Consult. Fijn, R.C., Krijgsveld, K.L., Prinsen, H.A.M., Tijsen, W., Dirksen, S., 2007. Effects of the ECN test wind farm in the Wieringermeer on swans and geese. Collision probabilities and disturbance of foraging birds (in Dutch). Bureau Waardenburg Report No. 07- 094. Bureau Waardenburg, Culemborg. Kruijt, D., B., 2016. Effecten van Windpark Koningspleij op beschermde soorten, toetsing in het kader van de Flora- en faunawet, Bureau Waardenburg. Inpassingsplan Windpark Bijvanck, 2017, Rho Adviseurs B.V. J.C. Kleyheeg-Hartman, K.L. Krijgsveld, M.P. Collier, M.J.M. Poot, A.R. Boon, T.A. Troost, S. Dirksen, Predicting bird collisions with wind turbines: Comparison of the new empirical Flux Collision Model with the SOSS Band model, Ecological Modelling, Volume 387, 2018, Pages 144153, ISSN 0304-3800, https://doi.org/10.1016/j.ecolmodel.2018.06.025. Kos, G. & Koolstra B.J.H., 2015. Passende Beoordeling Windpark Den Tol. Arcadis Nederland BV Lensink, R., 2014.
Aanvulling op MER Windpark Grift. Bureau Waardenburg. Smits, R.R., Hille Ris Lambers, I. & Prinsen, H.A.M., 2018. Natuurtoets voor Windpark De Groene Delta – Nijmegen, Toetsing in het kader van de natuurwetgeving, Bureau Waardenburg. van Straalen, K.D., R.R. Smits & C. Heunks, 2014. Natuurtoets windpark Avri. Toetsing in het kader van de Flora- en faunawet. Rapport 14-149. Bureau Waardenburg, Culemborg. van der Vliet, Roland & Tilborghs, J & Heijligers, W. (2011). Maximale foerageerafstanden op een rij gezet voor 97 beschermde vogelsoorten. Toets. 18. 6-10. Verbeek, R.G., Lensink, R. & van Straalen, K.D., 2016. Windpark Deil en effecten op natuur, Achter grondrapport Natuur voor combi-MER Windpark Deil, Bureau Waardenburg Verbeek, R.G., Lensink R., 2014. Oriëntatiefase Natuurbeschermingswet windturbines de Grift A15. Toets in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998. Bureau Waardenburg.
Rapport 10516.001 versie D3
Bijlage 1 toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel II). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Tabel II. Zorgplicht Artikel 1.11. Zorgplicht 1.
Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.
2.
Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; “de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor het betreffende beschermde natuurgebied en de betreffende soortgroep in deze rapportage worden aangegeven. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In tabel III t/m V worden deze artikelen nader toegelicht.
Rapport 10516.001 versie D3
Tabel III. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.1 Wet natuurbescherming Artikel 3.1. Soorten van de Vogelrichtlijn 1.
Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
2. 3. 4. 5.
Toelichting Alle inheemse vogelsoorten in Nederland vallen onder de Vogelrichtlijn. De Vogelrichtlijn is een richtlijn vanuit de Europese Unie uit 1979 en heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. De lijst met soorten is niet limitatief.
Tabel IV. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.5 Wet natuurbescherming Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn
1. 2. 3. 4. 5.
Het is verboden in het wild levende dieren van deze soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten uit de Habitatrichtlijn of het Verdrag van Bern in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Toelichting Het gaat bij artikel 3.5 over in het wild levende dieren van verschillende soortgroepen. In de wet wordt voor vogelsoorten uit bijlage II van het verdrag van Bern geen uitzondering gemaakt. Van de vogelsoorten die in Nederland voorkomen is hieronder een selectie gemaakt. Van de overige soortengroepen zijn alle soorten genoemd. Soorten Planten
drijvende waterweegbree, groenknolorchis, kruipend moerasscherm, zomerschroeforchis
Zoogdieren
bever, hamster, hazelmuis, lynx, Noordse woelmuis, otter, wolf, wilde kat
Walvisachtigen
bruinvis, bultrug, butskop (hille), dwergpotvis, dwergvinvis, gestreepte dolfijn, gewone dolfijn, gewone spitsdolfijn, gewone vinvis, griend, grijze dolfijn, kleine zwaardwalvis, narwal, Noordse vinvis, orka, potvis, spitsdolfijn van Gray, tuimelaar, walrus witflankdolfijn, witsnuitdolfijn, witte dolfijn
Vleermuizen
Bechsteins vleermuis, bosvleermuis, Brandts vleermuis, franjestaart, gewone baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, grote hoefijzerneus, grote rosse vleermuis, ingekorven vleermuis, kleine dwergvleermuis, kleine hoefijzerneus, laatvlieger, meervleermuis, mopsvleermuis, Noordse vleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, vale vleermuis, watervleermuis
Amfibieën
boomkikker, geelbuikvuurpad, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker, rugstreeppad, vroedmeesterpad
Reptielen
dikkopschildpad, gladde slang, Kemps’ zeeschildpad, lederschildpad, muurhagedis, soepschildpad, zandhagedis
Vissen
houting, steur
Vlinders
apollovlinder, boszandoog, donker pimpernelblauwtje, grote vuurvlinder, moerasparelmoervlinder, monarchvlinder, pimpernelblauwtje, teunisbloempijlstaart, tijmblauwtje, zilverstreephooibeestje
Libellen
bronslibel, gaffellibel, gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker, mercuurwaterjuffer, Noordse winterjuffer, oostelijke witsnuitlibel, rivierrombout, sierlijke witsnuitlibel
Insecten
brede geelrandwaterroofkever, gestreepte waterroofkever, heldenbok, juchtleerkever, oeveraas, vermiljoenkever
Overig
Bataafse stroommossel, platte schijfhoren
Rapport 10516.001 versie D3
Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn appelvink, baardman, beflijster, bergeend, bergfluiter, bijeneter, blauwborst, blauwe kiekendief, boerenzwaluw, bontbekplevier, bonte strandloper, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, boompieper, boomvalk, bosrietzanger bosruiter, bosuil, braamsluiper, brandgans, bruine kiekendief, buizerd, casarca, Cetti’s zanger, draaihals, duinpieper, dwergmeeuw, dwergstern, Engelse kwikstaart, Europese kanarie, fitis, fluiter, geelgors, gekraagde roodstaart, gele kwikstaart, geoorde fuut, glanskop, goudhaan, grasmus, graspieper, graszanger, grauwe kiekendief, grauwe klauwier, grauwe vliegenvanger, griel, groene specht, groenling, grote bonte specht, grote gele kwikstaart, grote karekiet, grote stern, grote zilverreiger, havik, heggenmus, hop, huiszwaluw, ijsvogel, kerkuil, klapekster, klein waterhoen, kleine barmsijs, kleine bonte specht, kleine karekiet, kleine plevier, kleine zilverreiger, kleinst waterhoen, kluut, kneu, koolmees, koereiger, kraanvogel, krekelzanger, kortsnavelboomkruiper, kruisbek, kuifmees, kwak, kwartelkoning, lepelaar, matkop, middelste bonte specht, nachtegaal, Noordse stern, oehoe, oeverloper, oeverpieper, oeverzwaluw, ooievaar, orpheusspotvogel, paapje, pestvogel,
pimpelmees, poelruiter, porseleinhoen, purperreiger, putter, ransuil, rietgors, rietzanger, rode wouw, roerdomp, roodborst, roodborsttapuit, roodhalsfuut, rouwkwikstaart, sijs, slangenarend, slechtvalk, smelleken, snor, sperwer, spotvogel, sprinkhaanzanger, steenuil, steltkluut, strandplevier, taigaboomkruiper, tapuit, tjiftjaf, torenvalk, tuinfluiter, velduil, visarend, visdief, vuurgoudhaan, wespendief, wielewaal, winterkoning, witbandkruisbek, witte kwikstaart, witwangstern, nachtzwaluw, woudaap, zeearend, zwarte mees, zwarte ooievaar, zwarte roodstaart, zwarte specht, zwarte stern, zwarte wouw, zwartkop, zwartkopmeeuw
Vogels
Tabel V. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.10 Wet natuurbescherming Artikel 3.10. Andere soorten Het is verboden om: 1. 2. 3.
In het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, vlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A1, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen. De vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B2, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Toelichting Het gaat bij artikel 10 om in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, vlinders, libellen en kevers. Dieren zijn opgenomen in bijlage onderdeel A1. Planten zijn opgenomen in bijlage onderdeel B2 van de Wet natuurbescherming. Voor een aantal zoogdieren, amfibieen en reptielen geldt per provincie een vrijstelling onder bepaalde voorwaarden. Dit verschilt per provincie. De betreffende soorten zijn aangegeven met een sterretje. Daarnaast is het mogelijk dat sommige provincies ook ‘eigen’ beschermde soorten hanteren, als aanvulling op het landelijke. Soorten Dieren
Planten
Zoogdieren
aardmuis*, boommarter, bosmuis*, bunzing*, damhert, das, dwergmuis*, dwergspitsmuis*, edelhert, eekhoorn*, egel*, eikelmuis, gewone bosspitsmuis*, gewone zeehond, grote bosmuis, grijze zeehond, haas*, hermelijn*, huisspitsmuis*, konijn*, molmuis, ondergrondse woelmuis*, ree*, rosse woelmuis*, steenmarter*, tweekleurige bosspitsmuis*, veldmuis*, veldspitsmuis, vos*, waterspitsmuis, wezel*, wild zwijn, woelrat*
Amfibieën
Alpenwatersalamander, bruine kikker*, gewone pad*, kleine watersalamander*, meerkikker*, middelste groene kikker*, vinpootsalamander, vuursalamander
Reptielen
adder, hazelworm*, levendbarende hagedis*, ringslang
Vissen
beekdonderpad, beekprik, elrits, gestippelde alver, grote modderkruiper, kwabaal
vlinders
aardbeivlinder, bosparelmoervlinder, bruin dikkopje, bruine eikenpage, donker pimpernelblauwtje, duinparelmoervlinder, gentiaanblauwtje, grote parelmoervlinder, grote vos, grote vuurvlinder, grote weerschijnvlinder, iepenpage, kleine heivlinder, kleine ijsvogelvlinder, kommavlinder, pimpernelblauwtje, sleedoornpage, spiegeldikkopje, veenbesblauwtje, veenbesparelmoervlinder, veenhooibeestje, veldparelmoervlinder, zilveren maan
Libellen
beekrombout, bosbeekjuffer, donkere waterjuffer, gevlekte glanslibel, gewone bronlibel, hoogveenglanslibel, Kempense heidelibel, speerwaterjuffer
Overige soorten
Europese rivierkreeft, vliegend hert
akkerboterbloem, akkerdoornzaad, akkerogentroost, beklierde ogentroost, berggamander, bergnachtorchis, blaasvaren, blauw guichelheil, bokkenorchis, bosboterbloem, bosdravik, brave hendrik, brede wolfsmelk, breed wollegras, bruinrode wespenorchis, dennenorchis, dreps, echte gamander, franjegentiaan, geelgroene wespenorchis, geplooide vrouwenmantel, getande veldsla, gevlekt zonneroosje, glad biggenkruid, gladde zegge, groene nachtorchis, groensteel, groot spiegelklokje, grote bosaardbei, grote leeuwenklauw, honingorchis, kalkboterbloem, kalketrip, karthuizeranjer, karwijselie, kleine ereprijs, kleine schorseneer, stijve wolfsmelk, kleine wolfsmelk, kluwenklokje, knollathyrus, knolspirea, korensla, kranskarwij, kruiptijm, lange zonnedauw, liggende ereprijs, moerasgamander, muurbloem, naakte lathyrus, naaldenkervel, pijlscheefkalk, roggelelie, rood peperboompje, rozenkransje, ruw parelzaad, scherpkruid, schubvaren, schubzegge, smalle raai, spits havikskruid, steenbraam
Rapport 10516.001 versie D3
Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden onder conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. Binnen de Wet natuurbescherming zijn op houtopstanden de artikelen van toepassing die zijn opgenomen in tabel VI. Tabel VI.
Bescherming houtopstanden in de Wet natuurbescherming
Artikel 4.1
De artikelen uitgezonderd artikel 4.6 zijn niet van toepassing op: a) Houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) Houtopstanden op erven of in tuinen; c) Fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) Naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) Kweekgoed; f) Wegbeplantingen, beplantingen langs waterwagen en eenrijige beplantingen langs landbouwgronden bestaande uit wilgen en populieren; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: 1. ten minste eens per tien jaar worden geoogst; 2. bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en 3. zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Artikel 4.2
1. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij gedeputeerde staten. 3. Gedeputeerde staten kunnen het vellen van houtopstanden telkens voor ten hoogste vijf jaar verbieden ter bescherming van bijzondere natuur- of landschapswaarden.
Artikel 4.3 lid 1 en 2
Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, of anderszins teniet is gegaan, draagt de rechthebbende zorg voor het op bosbouwkundig verantwoorde wijze herbeplanten van dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand. De rechthebbende vervangt binnen drie jaar na de herbeplanting, bedoeld in het eerste lid, herbeplanting die niet is aangeslagen.
Artikel 4.4 lid 1
De artikelen 4.2, eerste en derde lid, en 4.3, eerste en tweede lid, zijn niet van toepassing op: het vellen van houtopstanden en herbeplanten op een wijze die is beschreven in en aantoonbaar wordt gerealiseerd overeenkomstig een door Onze Minister goedgekeurde gedragscode. het vellen van houtopstanden ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel in het kader van natuurontwikkeling en -beheer
Artikel 4.5
Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van artikel 4.3, eerste en tweede lid, ten behoeve van herbeplanting op andere grond, indien de herbeplanting voldoet aan bij provinciale verordening gestelde regels.
Rapport 10516.001 versie D3
Bijlage 2
Verklarende woordenlijst
Externe werking Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied/NNN hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied, ook activiteiten buiten het gebied kunnen de natuurwaarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt "externe werking" genoemd. Er bestaat geen ruimtelijke grens voor externe werking: bepalend zijn de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied/NNN, ongeacht de afstand tot het beschermde gebied. Expert Judgement Inschatting van een deskundige op grond van zijn kennis en ervaring. Foerageerhabitat Het gebied waarbinnen een soort voedsel zoekt. Foerageren Zoeken en vinden van voedsel door dieren (jachtgebied). Functioneel leefgebied Hiermee wordt het gebied dat is benodigd om de functionaliteit van een voortplantingsplaats of van een vaste- rust of voortplantingsplaats te behouden. Een nestlocatie of voortplantingsplaats kan bijvoorbeeld alleen succesvol functioneren, wanneer er voldoende habitat (schuilgelegenheid, voedsel etc.) van voldoende kwaliteit aanwezig is om te kunnen paren, eieren te leggen en jongen groot te brengen. Gunstige staat van instandhouding Er is sprake van een gunstige staat van instandhouding van een soort of habitattype als de omstandigheden waarin de soort of het habitattype voorkomt perspectief bieden op een duurzaam voortbestaan van die soort of dat habitattype.
Habitat Omvat de plaatsen waar een bepaald organisme voorkomt doordat de abiotische en biotische factoren (niet levende en levende natuur) van die plaatsen voldoen aan de eisen en toleranties die het organisme stelt om te kunnen overleven, groeien en zich voortplanten. Kraamverblijfplaats Voortplantingsplaats van vleermuizen. Het gaat hierbij vaak om de vrouwelijke exemplaren van een kolonie (ook wel kraamgroep genoemd) die gezamenlijk hun jongen grootbrengen. De aantallen vleermuizen in een kraamgroep kan oplopen tot meerdere honderden exemplaren. Landschappelijk inpassingsplan Het inpassen van ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied middels een ontwerp van de groenvoorziening, dat voldoet aan het beleid ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. Hierdoor wordt zorg gedragen dat een ruimtelijke ontwikkeling past in het landschap. Landhabitat Amfibieën zijn voor de voortplanting afhankelijk van water. Buiten de voortplantingsperiode maakt de soortgroep gebruik van landhabitat als onderdeel van het leefgebied. Landhabitat voor amfibieën omvat onder andere structuurrijke of opgaande vegetatie zoals (loof)bos, houtwallen, struikgewas, heide, ruigtekruiden, vegetaties en moeras. Mitigerende maatregelen Maatregelen die negatieve effecten bij een ingreep voorkomen of reduceren.
Omgevingscheck Een omgevingscheck wordt uitgevoerd bij verlies van leefgebied van een jaarrond beschermde functie van een soort die door een ingreep (tijdelijk) verloren gaat. De omgeving van de ingreep wordt door een ter zake deskundige beoordeeld op aanwezigheid van voldoende alternatief leefgebied en/of potentiële verblijfplaatsen. Ontheffing De Wet natuurbescherming is bedoeld om planten- en diersoorten die vrij in het wild leven te beschermen. Om deze kwetsbare soorten te beschermen bevat de Wet natuurbescherming een aantal verbodsbepalingen. Onder bepaalde voorwaarden mogen de activiteiten wel doorgaan, daarvoor kan een ontheffing benodigd zijn. Een ontheffing is een besluit waarbij in een individueel concreet geval een uitzondering op een wettelijk verbod wordt gemaakt.
Rapport 10516.001 versie D3
Paarverblijfplaats Dit is een verblijfplaats die hoofdzakelijk in het najaar (september/oktober) door vleermuizen worden gebruikt om te paren. Eén mannetje kan een dergelijke verblijfplaats met meerdere vrouwtjes delen. In de omgeving van de paarverblijfplaats wordt veelal door het territoriale mannetje middels baltsvluchten getracht vrouwtjes aan te lokken. Projectplan Een projectplan dient als begeleidend document voor een ontheffingsaanvraag. In het projectplan zijn maatregelen verwoord waarmee de functionaliteit van een rust- of voortplantingsplaats van een beschermde soort behouden blijft en schade aan individuen wordt voorkomen. Populatie Een biologische populatie is een groep individuen van dezelfde soort die zich onderling voortplant en als zodanig geïsoleerd is van andere zulke groepen. Rode Lijst Rode Lijsten laten zien welke soorten zijn verdwenen en welke soorten in een gebied sterk zijn achteruitgegaan of zeldzaam zijn. Er bestaan verschillende Rode Lijsten. Voor vogels, voor zoogdieren, planten, paddenstoelen, insecten en voor allerlei andere soortgroepen. Rode Lijsten hebben geen officiële juridische status. Plaatsing op de lijst maakt een dier dus nog geen 'beschermde diersoort' in de zin van de Wet natuurbescherming. De Rode Lijsten hebben in de praktijk wel een belangrijke signaleringfunctie.
Door de Rode Lijst te raadplegen, kunnen alle instellingen die met natuurbehoud te maken hebben rekening houden met bedreigde soorten. Significant negatief effect Een effect is in het kader van de Wet natuurbescherming significant als de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000gebied dreigen te worden aangetast. Het begrip 'significant' staat centraal in de toepassing van het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden bij zowel vaststelling van beheerplannen als de vergunningverlening. Het bepaalt of een uitvoerige toetsing, een zogenaamde passende beoordeling, moet worden uitgevoerd. Indien als gevolg van een ingreep de toekomstige oppervlakte habitat of leefgebied, aantal van een soort of kwaliteit van een habitat lager zal worden dan zoals bedoeld in de instandhoudingsdoelstelling, dan kan sprake zijn van significante gevolgen. Voor het goede begrip, de soorten hoeven er niet te zitten, het gebied moet geschikt zijn voor de soorten. Voortplantingsplaats of rustplaats Een plek binnen het leefgebied van een soort die essentieel is voor de levenscyclus van een individu. De Wet natuurbescherming omschrijft niet exact wat een vaste rust- of voortplantingsplaats is. Dit is soortafhankelijk. Vliegroute Een vaste route die door vleermuizen wordt gebruikt tussen de verblijfplaatsen naar foerageergebieden.
Winterverblijfplaats Verblijfplaats die gebruikt wordt om de periode van winterrust te overbruggen. Voor vleermuizen zijn dit vorstvrije, maar koele en vochtige plekken. Er kans sprake zijn van massaverblijfplaatsen, verblijfplaatsen van kleine groepen of één of enkele individuen. Zomerverblijfplaats Buiten de kraamperiode worden deze door groepjes vrouwtjes en jongen gebruikt, in de kraamperiode door individuele mannetjes.
Rapport 10516.001 versie D3