Bijlage 12 Natuuronderzoek
Tekst van het document
NATUURONDERZOEK SOORTENBESCHERMING TEN ZUIDEN VAN A73 TE BEUNINGEN
Rapportage natuuronderzoek soortenbescherming Windpark Beuningen te Beuningen Opdrachtgever
Bosch & van Rijn Franz-Lisztplantsoen 200 (1e verdieping) 3533 JG Utrecht
Rapportnummer Versienummer
10516.001 D3
Status
Eindrapportage
Datum
2 december 2020
Vestiging
Brabant Heinz Moormannstraat 1b 5831 AS Boxmeer 0485 - 581818 boxmeer@econsultancy.nl
Opsteller
Dhr. dr.ir. B.A. van de Pas
Paraaf
Kwaliteitscontrole
Dhr. E. Zwerver
Paraaf
Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2
3
ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 6 3.1 3.2 3.3 3.4
4
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 4
Natuuronderzoek soortenbescherming ............................................................................ 6 Vogelonderzoek ................................................................................................................ 6 Vleermuisonderzoek ......................................................................................................... 7 1%-criterium ...................................................................................................................... 8
NATUURONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ................................................... 9 4.1 4.2 4.3
Voorkomen van beschermde flora en fauna .................................................................... 9 Ongewervelden............................................................................................................... 11 Vaatplanten..................................................................................................................... 11
5
TOETSING AAN SOORTBESCHERMING .............................................................................. 12
6
VLEERMUISONDERZOEK ...................................................................................................... 13 6.1 6.2 6.3 6.4
7
VOGELONDERZOEK ............................................................................................................... 19 7.1 7.2
8
Aantallen en verspreiding van vogels binnen de onderzoekslocatie.............................. 19 Bepaling en beoordeling van de effecten op vogels....................................................... 22
CUMULATIE ............................................................................................................................. 27 8.1 8.2
9
Aantallen en verspreiding van vleermuizen binnen de onderzoekslocatie .................... 13 Betekenis van het plangebied voor vleermuizen ............................................................ 13 Inschatting van aantal aanvaringsslachtoffers ............................................................... 13 Effect op gunstige staat van instandhouding .................................................................. 15
Beschrijving resultaten natuurtoetsing cumulatieprojecten ............................................ 27 Effecten op vogels en vleermuizen inclusief cumulatie .................................................. 29
UITWERKING VOORKEURSALTERNATIEF .......................................................................... 30 9.1 Vleermuizen .................................................................................................................... 30 9.2 Vogels ............................................................................................................................. 31 te vragen. .................................................................................................................................. 31
10
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 35
Bijlage 1 Bijlage 2
toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 10516.001
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van Bosch & van Rijn opdracht gekregen voor het uitvoeren van een natuuronderzoek soortenbescherming ten zuiden van A73 te Beuningen. Het natuuronderzoek is uitgevoerd in het kader van de ontwikkeling van “Windpark Beuningen” en heeft als doel om in te schatten hoeveel aanvaringsslachtoffers van vogels en vleermuizen per jaar zullen vallen door de realisatie van de winturbines, of dit binnen de 1%-mortaliteitsnorm valt en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.
Rapport 10516.001 versie D3
Pagina 1 van 36
2 2.1
GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving
De onderzoekslocatie ligt ten zuiden van A73, circa 2 km kilometer ten zuidwesten van de kern van Beuningen. Volgens de topografische kaart van Nederland zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 177.120, Y = 429.700. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven.
Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.
De onderzoekslocatie betreft grotendeels agrarische percelen ten zuiden van de Rijksweg A73/Provinciale N322, nabij Beuningen. Ook zijn er enkele boerenerven, watergangen, bomenrijen en bosschages binnen de locatie gelegen. Circa 3 kilometer ten noorden is de Waal gelegen. Verder zijn er in de directe omgeving enkele meren en (grotere) bosschages gelegen. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 11 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.
Rapport 10516.001 versie D3
Pagina 2 van 36
Figuur 2. Luchtfoto van de onderzoekslocatie.
Figuur 3. Agrarisch perceel gezien richting noordwestzijde onderzoekslocatie.
Figuur 4. Agrarisch perceel gezien richting zuidwestzijde onderzoekslocatie.
Figuur 5. Agrarisch perceel nabij Keizershoeve.
Figuur 6. Agrarisch perceel oostzijde onderzoekslocatie gezien richting het noordwesten.
Figuur 7. Bomenlaan Elsenpas gezien richting het oosten.
Figuur 8. Grasland ten noorden van Zellerstraat 1.
Rapport 10516.001 versie D3
Pagina 3 van 36
Figuur 9. Bosschage nabij windturbine 8 (alternatief 3).
2.2
Figuur 10. Bosschage nabij windturbine 8 (alternatief 3).
Figuur 11. Bosschage nabij windturbine 3 (alternatief 1), 5 (alternatief 2) en 6 (alternatief 3).
Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen
De initiatiefnemer is voornemens een windpark te realiseren. Er zijn drie alternatieven voor wat betreft aantal turbines en locatie van de turbines voorgesteld. De alternatieven betreffen respectievelijk 4, 6 en 8 windturbines (zie figuur 12 t/m 14).
1
2
3
4
Figuur 12. Luchtfoto alternatief 1.
Rapport 10516.001 versie D3
Pagina 4 van 36
1 2 3 4
5
6
Figuur 13. Luchtfoto alternatief 2.
1 2 3 4 5 6 7
8
Figuur 14. Luchtfoto alternatief 3.
Rapport 10516.001 versie D3
Pagina 5 van 36
3
ONDERZOEKSMETHODIEK
3.1
Natuuronderzoek soortenbescherming
Het natuuronderzoek soortenbescherming is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 19 augustus 2019. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. Het natuuronderzoek soortenbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar. Voor vogels en vleermuizen is een dergelijk onderzoek uitgevoerd. 3.2
Vogelonderzoek
Om een beeld te krijgen van de potentiële negatieve effecten van het windpark op vogels dienen drie verschillende aspecten onderzocht te worden. 1. Verstoring van jaarrond beschermde nesten van vogels. 2. Verstoring en sterfte van broedvogels rondom het plangebied. 3. Verstoring en sterfte van niet-broedvogels die over het plangebied vliegen. Voor de vogels zijn conform de werkwijze van Stelsel Natuur en Landschap (SNL) vijf veldrondes uitgevoerd met één waarnemer per ronde in de periode van maart t/m juni 2020. Binnen deze periode zijn vrijwel alle broedvogels actief op zoek naar een partner en daardoor goed te monitoren. Het aantal veldrondes is nodig omdat verschillende soorten op verschillende momenten in het seizoen het actiefst zijn en daardoor de aantallen goed inzichtelijk gemaakt kunnen worden. Tevens is op deze manier bepaald of jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn die tijdens de aanlegfase van het windpark verloren kunnen gaan. De veldbezoeken hebben op de volgende data plaatsgevonden: • • • • • • • • • •
16 oktober 2019 14 november 2019 19 december 2019 15 januari 2020 19 februari 2020 17 maart 2020 10 april 2020 28 april 2020 15 mei 2020 12 juni 2020
Rapport 10516.001 versie D3
08:30-14:30 09:00 - 15:00 09:30 - 15:30 09:30 - 15:30 09:30 - 15:30 07:00-11:00 07:00-11:00 06:30-10:30 06:00-10:30 05:30-09:30
12°C, half bewolkt 7°C, bewolkt 4°C, half bewolkt 3°C, bewolkt 2°C, half bewolkt 11°C, bewolkt 15°C, half bewolkt 14°C, half bewolkt 15°C, lichte bewolking 18°C, helder
Pagina 6 van 36
Deze onderzoeksinspanning geeft onvoldoende informatie over niet-broedvogels (trekvogels en watervogels) die over het gebied heen vliegen. De potentiële negatieve effecten van de voorgenomen plannen op niet-broedvogels worden bepaald aan de hand van vijf wintertellingen in de periode oktober 2019 tot en met februari 2020, tezamen met gegevens uit literatuur en verspreidingsgegevens, waarbij getoetst wordt aan de staat van instandhouding met behulp van het “1%-criterium”. Met behulp van deze analyse is bepaald of een significante verstoring op jaarrond beschermde nesten, broedvogels en/of niet-broedvogels optreedt. 3.3
Vleermuisonderzoek
Om de potentiële negatieve effecten ten opzichte van het windpark op vleermuizen te bepalen dienen tevens drie vergelijkbare aspecten onderzocht te worden. 1. Verstoring van vaste rust- en voortplantingsplaatsen van vleermuizen. 2. Verstoring en sterfte van foeragerende vleermuizen en vleermuizen langs een vliegroute. 3. Verstoring en sterfte van trekkende vleermuizen. Voor het onderzoek naar vleermuizen zijn in de periode augustus 2019 t/m juli 2020 in totaal acht veldbezoeken uitgevoerd met twee waarnemers. In de periode half mei tot half juli is in beeld gebracht hoeveel het plangebied gebruikt wordt door vleermuizen om te foerageren. In de periode half augustus tot eind september kan de functie van het plangebied voor onder andere doortrekkende ruige dwergvleermuizen aangetoond worden. Daarnaast is voornamelijk gefocust op vliegroutes van vleermuizen en foeragerende individuen. De inventarisatiemethode is conform het protocol voor vleermuisonderzoek (versie 2017), dat is opgesteld door het Vleermuisvakberaad van het Netwerk Groene Bureau's en de Zoogdiervereniging, in overleg met Dienst Landelijk Gebied en de Gegevensautoriteit Natuur. Het protocol heeft tot doel het belang van de functies van onderzoekslocaties voor soorten vleermuizen effectief en efficiënt vast te stellen dan wel uit te sluiten. De veldbezoeken zijn in de avonduren uitgevoerd.
Onderstaand is een overzicht van de veldbezoeken te zien: • • • • • • • •
3 september 2019 10 september 2019 19 september 2019 23 september 2019 12 juni 2020 21 juni 2020 27 juni 2020 30 juni 2020
21:00-00:00 21:00-00:00 21:00-00:00 20:30-00:00 22:00-00:00 22:00-02:00 22:00-02:00 22:00-03:00
14°C, bewolkt 12°C, lichte bewolking 12°C, bewolkt 14°C, bewolkt 19°C, bewolkt 17°C, bewolkt 20°C, bewolkt 15°C, bewolkt
Voor het onderzoek is gebruik gemaakt van professionele batdetectors met opnamemogelijkheid (Elekon Batlogger M). Een batdetector zet het voor het menselijk gehoor niet hoorbare ultrasone geluid van vleermuizen om naar frequenties die wel hoorbaar zijn. Op basis van de geluidsfrequenties en ritmes kunnen verschillende soorten vleermuizen worden onderscheiden. De opnamemogelijkheid is belangrijk omdat de geluidsopnames kunnen worden gebruikt voor het determineren van soorten die op basis van hun geluid moeilijk zijn te onderscheiden (met name Myotis-soort) en waarbij het sonogram uitsluitsel kan geven. Hiervoor is gebruik gemaakt van analyseprogramma Batsound. Aan de hand van de gegevens verkregen in het veldonderzoek, tezamen met gegevens uit literatuur en verspreidingsgegevens, is een risicoanalyse per soort uitgevoerd worden waarbij getoetst is aan de staat van instandhouding
Rapport 10516.001 versie D3
Pagina 7 van 36
met behulp van het “1%-criterium”. Met behulp van deze analyse is bepaald of een significante verstoring op onder andere foeragerende vleermuizen en/of doortrekkende vleermuizen optreedt. 3.4
1%-criterium
Het “1%-criterium” is een eerste maatstaaf om te bepalen of de sterfte van dieren een significant negatief effect kan hebben op de staat van instandhouding van een soort, of dat het aantal slachtoffers zodanig laag is dat het als ‘verwaarloosbaar’ gezien kan worden en binnen de marge van natuurlijke sterfte valt. Het Europese Hof van Justitie heeft het onderschreven als geaccepteerde methode voor windparken. Volgens dit criterium moet een lagere mortaliteit dan 1% van de totale jaarlijkse sterfte van de betrokken populatie (gemiddelde waarde) als acceptabele hoeveelheid worden beschouwd. Het 1%-criterium is niet juridisch bindend, maar wordt vanwege het gebrek aan tegenbewijs en het gebrek aan een exactere toetsingsmethode als maatstaaf aangehouden. Het overschrijden van het 1%-criterium door de voorgenomen plannen betekent niet per definitie dat er een significant negatief effect op de gunstige staat van instandhouding van een soort optreedt. Wel betekent het dat nader getoetst zal moeten worden hoe de betrokken populatie zich zal ontwikkelen in aantallen om hier een conclusie over te kunnen trekken.
Rapport 10516.001 versie D3
Pagina 8 van 36
4
NATUURONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA
4.1
Voorkomen van beschermde flora en fauna
Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat/verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- en voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. 4.1.1
Grondgebonden zoogdieren
Vrijwel alle in Nederland voorkomende zoogdieren zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Streng beschermde soorten Bunzing, hermelijn en wezel (kleine marterachtigen) De bunzing, hermelijn en wezel komen voor in uiteenlopende habitats zoals in bossen, houtwallen, duinen en agrarische landschappen. Voorwaarde is wel dat er voldoende dekking in de vorm van hoge vegetatie aanwezig is. Daarnaast hebben bovengenoemde soorten een sterke voorkeur voor lijnvormige elementen zoals hagen, houtwallen, bosschages, en muurtjes in het landschap. Veelal worden oude muizen- en konijnholen als verblijfplaats gebruikt. De bouwlocaties van de windturbines zijn ongeschikt als verblijfplaats voor kleine marterachtigen. De bosschages in de omgeving zijn wel potentieel geschikt, echter blijven deze behouden waardoor negatieve effecten ten aanzien van kleine marterachtigen zijn uitgesloten. Derhalve is een overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van bovengenoemde soorten als gevolg van de realisatie windturbines uitgesloten. Das Volgens de NDFF komt de das voor in de omgeving. De das komt met name voor in reliëfrijke gebieden waarin hoog- en laaggelegen gronden op korte afstand van elkaar liggen.
Vaak zijn dit kleinschalige akker- en weidelandschappen met voldoende opgaande begroeiing in de vorm van bijvoorbeeld houtwallen, singels en heggen. Vanwege het ontbreken aan reliëf en begroeiing op de locaties waar de winturbines worden gerealiseerd, zijn vaste verblijfplaatsen hier uit te sluiten. In de bosschages, welke gelegen zijn binnen de invloedsfeer van de windturbines, zijn geen burchten en/of sporen zoals uitwerpselen, graafputjes, voetafdrukken of anderzijds aangetroffen. Als foerageergebied is de onderzoekslocatie potentieel geschikt, echter zal na de realisatie van de windturbines het gebied weer geschikt zijn als foerageergebied van de das. Negatieve effecten ten aanzien van de das zijn uitgesloten. Eekhoorn De eekhoorn komt voornamelijk in naaldbossen of gemengde bossen met relatief veel naaldbomen voor. De soort wordt bij voldoende voedsel echter ook regelmatig binnen de bebouwde kom in tuinen en parken waargenomen. Eekhoorns bouwen een bolvormig nest met een doorsnede van 30 tot 50 cm op een hoogte van minstens 5 m boven de grond. Er worden voor de realisatie van de windturbi-
Rapport 10516.001 versie D3
Pagina 9 van 36
nes geen bomen geveld. Derhalve is een overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de eekhoorn uitgesloten. Steenmarter Steenmarters zijn cultuurvolgers en gebruiken veelal schuren, hooizolders, loze ruimtes onder het dak en dergelijke als verblijfplaats. Tevens worden holtes in bomen gebruikt. Ten behoeve van de realisatie van de windmolens worden geen bomen gekapt en er is geen bebouwing aanwezig. Derhalve is een overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de steenmarter uitgesloten. Tijdens het veldbezoek zijn echter geen sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen die duiden op een vaste rust- en/of voortplantingsplaats van deze soort. Bij intensief gebruik zijn dergelijke sporen van een steenmarter vrij eenvoudig aan te treffen. Gezien het ontbreken ervan, in combinatie met het feit dat deze soort gedurende de afgelopen 10 jaar volgens de NDFF niet binnen of in de omgeving van de onderzoekslocatie is waargenomen (ten zuiden van de A73/N322), kan worden gesteld dat de te slopen bebouwing noch de omgeving daarvan in gebruik is door de steenmarter. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van deze soort is uitgesloten. Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren.
Het gaat daarbij om algemene soorten als egel, haas, konijn, ree en diverse muis- en spitsmuissoorten. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat verblijfplaatsen worden vernietigd (zie hoofdstuk 4.4). 4.1.2
Reptielen
Volgens gegevens van de NDFF zijn er in de afgelopen 10 jaar geen reptielen binnen of in de directe omgeving van de onderzoekslocatie waargenomen. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren, welke niet op de onderzoekslocatie aanwezig zijn. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van reptielen is uitgesloten. 4.1.3
Amfibieën
Volgens gegevens van de NDFF zijn in de afgelopen 10 jaar de kamsalamander, knoflookpad en poelkikker in de omgeving van de onderzoekslocatie waargenomen. Op de onderzoekslocatie zelf zijn geen waarnemingen bekend. Kamsalamander, knoflookpad en poelkikker De kamsalamander plant zich voornamelijk voort in stilstaande, matig voedselrijke tot voedselrijke wateren met een goed ontwikkelde onderwatervegetatie. De knoflookpad is gebonden aan de stroomdalen van beken en rivieren. De poelkikker is een kritische soort die voornamelijk voorkomt in voedselarme en schone wateren. Geen van bovengenoemde habitats zijn binnen de onderzoekslocatie aanwezig. Alle drie de soorten zijn uitsluitend waargenomen in de uiterwaarden van de Waal of in de omgeving daarvan op circa 3 km afstand van de onderzoekslocatie. Daarnaast kunnen algemeen voorkomende amfibieënsoorten als bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander de onderzoekslocatie gebruiken als landhabitat.
Rapport 10516.001 versie D3
Pagina 10 van 36
4.1.4
Vissen
Volgens de NDFF is de streng beschermde grote modderkruiper waargenomen binnen de onderzoekslocatie. Door de voorgenomen plannen zullen geen watergangen verloren gaan. Echter is de grote modderkruiper zeer gevoelig voor geluid en trillingen. Aangezien de windturbines binnen de invloedssfeer van een klein deel van de aanwezige watergangen gepland staan, kan hierdoor ter plaatse verstoring van de grote modderkruiper optreden. Er zal echter geen wezenlijke invloed uitgaan van deze verstoring. Eventuele aanwezige grote modderkruipers hebben ruimschoots de mogelijkheid om een veilig heenkomen te zoeken. Negatieve effecten ten aanzien van deze soort zijn dan ook uit te sluiten. 4.2
Ongewervelden
Dagvlinders en libellen Er zijn slechts enkele dagvlinder- en libellensoorten die onder de Wet natuurbescherming bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebieden zijn te vinden. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten en zijn volgens de NDFF ook niet binnen of in de directe omgeving van de onderzoekslocatie waargenomen. Derhalve kan een overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van deze twee soortgroepen redelijkerwijs worden uitgesloten. 4.3
Vaatplanten
Volgens de NDFF is de grote bosaardbei op circa 1,7 km ten oosten van de onderzoekslocatie waargenomen. De standplaats van deze soort is voornamelijk in loofbossen op half beschaduwde plaatsen. Dergelijke groeiomstandigheden zijn niet aanwezig op de locaties waar de windturbines worden gerealiseerd. Daarnaast zijn er geen beschermde vaatplanten aangetroffen. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde vaatplanten zijn uitgesloten.
Rapport 10516.001 versie D3
Pagina 11 van 36
5
TOETSING AAN SOORTBESCHERMING
Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en overige natuurwetgeving en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten, anders dan vogels en vleermuizen, zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde. Voor de op de onderzoekslocatie incidenteel te verwachten algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën geldt dat de werkzaamheden verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen verblijfplaatsen worden vernietigd. Dit houdt normaliter een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in.
Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen.
Rapport 10516.001 versie D3
Pagina 12 van 36
6 6.1
VLEERMUISONDERZOEK Aantallen en verspreiding van vleermuizen binnen de onderzoekslocatie
Op de onderzoekslocatie zijn in totaal zeven vleermuissoorten waargenomen. Het betreft de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis, meervleermuis en watervleermuis. Per alternatief is een inschatting gemaakt van het aantal aanvaringsslachtoffers per vleermuissoort en is gekeken of er negatieve effecten aan de orde zijn. 6.2
Betekenis van het plangebied voor vleermuizen
Voor de aangetroffen soorten zijn verschillende functies binnen het plangebied mogelijk. In tabel I is een overzicht van het aantal waargenomen individuen en de functies van het plangebied per soort te zien. Vervolgens zal per functie beschreven worden waar deze zich bevinden binnen de onderzoekslocatie en hoe intensief deze gebruikt worden. Tabel I: Functie van het plangebied per soort.
Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Laatvlieger Rosse vleermuis Gewone grootoorvleermuis Watervleermuis Meervleermuis
6.3
Aantal waarnemingen 244 124 20 116 16
Verblijfplaatsen
4 4
Foerageergebied
Vliegroute
X X X X X
X X X X X
X X
X X
Migratie
X X
X
Inschatting van aantal aanvaringsslachtoffers
Om een inschatting te maken van het aantal aanvaringsslachtoffers dient rekening gehouden te worden met een aantal verschillende aspecten. Of een vleermuis in aanvaring komt met een windturbine hangt af van de precieze plaatsing en eigenschappen van de locatie (open gebied, kustgebied, bosgebied), de dichtheid van de verschillende soorten vleermuizen op het plangebied en het gedrag van de desbetreffende vleermuissoort. Het aantal voorspelde aanvaringsslachtoffers per vleermuissoort wordt daarom in twee stappen bepaald. Eerst wordt een inschatting gemaakt voor het totaal aantal vleermuisslachtoffers verdeeld over alle vleermuissoorten per jaar voor elke afzonderlijke turbine. Dit aantal wordt bepaald door te kijken naar de landschapselementen die invloed kunnen hebben op het aantal aanvaringsslachtoffers en het totaal aantal vleermuiswaarnemingen. Vervolgens wordt beredeneerd hoe de verdeling van vleermuissoorten is binnen de aanvaringsslachtoffers. Dit wordt bepaald aan de hand van de tellingen die ter plaatse zijn gedaan, de verspreidingsgegevens en het gedrag van de aangetroffen soorten. Er is een groot verschil in aantal aanvaringsslachtoffers tussen soorten. Dit is afhankelijk van het (foerageer)gedrag van de betreffende soort.
De gewone grootoorvleermuis, meervleermuis en watervleermuis zijn bijvoorbeeld soorten die relatief laag bij de grond foerageren en niet op rotorhoogte vliegen. Derhalve zijn deze soorten niet meegenomen in de berekeningen. De rosse vleermuis vliegt echter vaker op rotorhoogte en wordt ook eerder als aanvaringsslachtoffer waargenomen (Rydell et al., 2014), waardoor toch af en toe een aanvaringsslachtoffer kan worden verwacht. Deze verschillen in gedrag zijn ook een verklaring waarom bij verschillende alternatieven het aantal slachtoffers per
Rapport 10516.001 versie D3
Pagina 13 van 36
turbine gelijk blijft. Bij een groter rotoroppervlak gaat ook de tiplaagte omhoog, waardoor de aanvaringskans op lage (foerageer)hoogte lager wordt en het aantal slachtoffers gelijk zal blijven. Om een inschatting te maken van het aantal aanvaringsslachtoffers dient rekening gehouden te worden met een aantal verschillende aspecten. Of een vleermuis in aanvaring komt met een windturbine hangt af van de precieze plaatsing en eigenschappen van de turbine (open gebied, kustgebied, bosgebied), de dichtheid van de verschillende soorten vleermuizen op het plangebied en het gedrag van de specifieke vleermuissoort. De verschillende alternatieven liggen allemaal in relatief open landschap met verspreidt watergangen of iets hoger opgaand groen. Uit slachtofferstudies in bestaande windparken in Noordwest-Europa is gebleken dat de hoogste mortaliteit voor vleermuizen in bosgebieden is waar de rotorbladen boven de bosrand uitsteken (Simon et al., 2003). Hier vallen tussen de 5 en 30 aanvaringsslachtoffers per turbine per jaar. Hierbij vielen de meeste slachtoffers bij heuvelachtige gebieden met bos in de buurt van de kust en de minste slachtoffers bij vlakke bosgebieden ver verwijderd van de kust.
Turbines die zich bevinden vlak naast een lijnvormig natuurlijk element, zoals een bomenrij, groenstrook en/of watergang met natuurlijke oevers hebben jaarlijks een maximum van 5 vleermuis aanvaringsslachtoffers per turbine per jaar, onafhankelijk van de ligging ten opzichte van de kust. Door de voorspelde locaties van de windturbines in relatief open landschap met verspreidt opgaand groen en watergangen wordt er uitgegaan van 5 slachtoffers per turbine per jaar. 6.3.1
Alternatief 1
Bij alternatief 1 wordt het totale aantal aanvaringsslachtoffers op 20 individuen geschat (zie tabel II). De meeste aanvaringsslachtoffers vallen de onder gewone dwergvleermuis. Tabel II: Aantal slachtoffers per soort voor alternatief 1.
Locatie 1 Locatie 2 Locatie 3 Locatie 4 Totaal
6.3.2
Geschat totaal aantal slachtoffers 5 5 5 5 20
Gewone dwergvleermuis
Ruige dwergvleermuis
Rosse vleermuis
Laatvlieger
3 3 2 4 12
1 1 1 1 4
1 1 1 3
1 1
Alternatief 2
Bij alternatief 2 wordt het totale aantal aanvaringsslachtoffers op 30 individuen geschat (zie tabel III). De meeste aanvaringsslachtoffers vallen de onder gewone dwergvleermuis.
Rapport 10516.001 versie D3
Pagina 14 van 36
Tabel III: Aantal slachtoffers per soort voor alternatief 2.
Locatie 1 Locatie 2 Locatie 3 Locatie 4 Locatie 5 Locatie 6 Totaal
6.3.3
Geschat totaal aantal slachtoffers 5 5 5 5 5 5 30
Gewone dwergvleermuis
Ruige dwergvleermuis
Rosse vleermuis
Laatvlieger
3 3 4 3 2 4 19
1 1 1 1 1 1 6
1 1 1 3
1 1 2
Alternatief 3
Bij alternatief 3 wordt het totale aantal aanvaringsslachtoffers op 40 individuen geschat (zie tabel IV). De meeste aanvaringsslachtoffers vallen de onder gewone dwergvleermuis. Tabel IV: Aantal slachtoffers per soort voor alternatief 3.
Locatie 1 Locatie 2 Locatie 3 Locatie 4 Locatie 5 Locatie 6 Locatie 7 Locatie 8 Totaal
6.4
Geschat totaal aantal slachtoffers 5 5 5 5 5 5 5 5 40
Gewone dwergvleermuis
Ruige dwergvleermuis
Rosse vleermuis
Laatvlieger
3 3 4 3 3 2 4 3 25
1 1 1 1 1 1 1 1 8
1 1 1 1 1 5
1 1 2
Effect op gunstige staat van instandhouding
De vraag die uiteindelijk beantwoord dient te worden is of de realisatie van het windpark een significant negatief effect heeft op de gunstige staat van instandhouding van de verschillende aanwezige vleermuissoorten. De staat van instandhouding wordt als ‘gunstig’ gezien wanneer er een levensvatbare populatie aanwezig is en zich waarschijnlijk kan handhaven, het verspreidingsgebied van de soort niet merkbaar achteruit gaat en er voldoende habitat voor de soort aanwezig is om de populatie langdurig in stand te houden. Vogels zijn zeer mobiele dieren zich die over grote afstanden kunnen verplaatsen, waardoor er geen reden is om naar een kleinere populatie dan de landelijke populatie te kijken. Voor vleermuizen is dit anders. Vleermuizen maken gebruik van een zogenaamde ‘netwerkpopulatie’, waar vrouwtjes vaak voor lange tijd op dezelfde locatie blijven bij een kraamkolonie en uitwisseling van genen voornamelijk plaatsvindt door mannetjes die in de paarperiode uitzwermen naar andere kolonies. Hierdoor zijn verschillende kraamkolonies dus in meer of mindere mate aan elkaar verbonden door de uitwisseling van de mannetjes. De meest voor de hand liggende populatie om de effecten van de turbines aan te toetsen is dus de lokale netwerkpopulatie. Hoe ver de mannetjes zwermen is afhankelijk van de soort en van het landschap.
In open landschap met weinig beschutting en lijnvormige elementen kunnen vleermuizen minder makkelijk verplaatsen,
Rapport 10516.001 versie D3
Pagina 15 van 36
waardoor minder uitwisseling plaats zal vinden. Er is geen informatie beschikbaar over hoe groot de lokale netwerkpopulatie rondom de onderzoekslocatie precies is. Derhalve zullen we op basis van het landschapstype en gemiddelde dichtheid van de verschillende soorten een inschatting moeten doen van de omvang van de populaties. Uit genetisch- en ringonderzoek (Simon et al., 2003) is gebleken dat genetische uitwisseling plaatsvindt in cirkels met een maximale straal van 50 kilometer. In zeer open gebieden, waar verspreiding moeilijker is door het gebrek aan vliegroutes, was dit te vinden tot cirkels met een maximale straal van 30 kilometer. De cirkel die gekozen wordt als indicatie voor de netwerkpopulatie word de ‘catchment area’ genoemd. De onderzoekslocatie bevindt zich in relatief open gebied, maar wel met enige lijnvormige elementen, waardoor het aannemelijk is dat er genetische uitwisseling kan plaatsvinden tot 50 kilometer. Op basis van een worst-case scenario zal echter naar een 30 kilometer straal gekeken worden. Voor elke risicosoort waar meer dan incidentele sterfte wordt verwacht (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis) zal gekeken worden of de additionele sterfte door de realisatie van Windpark Beuningen een significant negatief effect heeft op de staat van instandhouding van de betreffende netwerkpopulatie.
Hierbij zal de additionele sterfte vergeleken worden met de 1%mortaliteitsnorm op basis van een netwerkpopulatie met een straal van 30 kilometer. 6.4.1
Gewone dwergvleermuis
De gewone dwergvleermuis is de meest voorkomende vleermuissoort in Nederland. Hij maakt voornamelijk gebruik van bebouwing als vaste rust- en voortplantingsplaats. Volgens de “European Topic Centre on Biological Diversity” bevindt zich in Nederland een populatie van tussen de 300.000 en de 600.000 individuen. Zekerheidshalve wordt er uit gegaan van de minimumpopulatie van 300.000 individuen. Omgerekend betekent dit dat er gemiddeld 9 gewone dwergvleermuizen per vierkante kilometer voorkomen in Nederland. Aangezien de gewone dwergvleermuis redelijk gelijk verspreid over Nederland voorkomt is dit ook voor de onderzoekslocatie een goede indicatie. Zoals eerder besproken heeft de catchment area een straal van 30 kilometer. Op de onderzoekslocatie zijn lijnvormige elementen aanwezig. De gewone dwergvleermuis is echter een kleine soort die normaliter geen grote afstanden aflegt om te foerageren. Vanuit een worst-case benadering wordt toch een catchment area met een straal van 30 kilometer aangehouden. Er is uitgegaan van een jaarlijkse natuurlijke sterfte van 20% (Sender & Simon, 2003). In tabel V is een overzicht te zien van de uitkomsten van de berekeningen om de voorspelde sterfte uit te zetten tegen de 1%-mortaliteitsnorm van de lokale netwerkpopulatie. Tabel V: Gewone dwergvleermuis, uitgaande van 20% jaarlijkse sterfte.
Straal van catchment area (km) Oppervlakte catchment area (km2) Landoppervlakte Nederland (km2) Populatiegrootte Nederland Dichtheid (individuen/km2) Netwerkpopulatie (individuen) 20% jaarlijkse natuurlijke sterfte (Sendor & Simon, 2003) 1%-mortaliteitsnorm (individuen) Voorspelde sterfte alternatief 1 Voorspelde sterfte alternatief 2 Voorspelde sterfte alternatief 3
Rapport 10516.001 versie D3
30 2.828 33.883 300.000 9 25.452 5.090 51 12 19 25
Pagina 16 van 36
De verwachte sterfte voor alternatief 1 wordt geschat op 12 individuen, voor alternatief 2 op 19 individuen en voor alternatief 3 op 25 individuen. Voor geen van de alternatieven wordt dus de 1%mortaliteitsnorm overschreden. 6.4.2 Rosse vleermuis De rosse vleermuis is één van de grotere vleermuissoorten van Nederland. Het is een soort met een groot territorium, maar komt in verhouding veel minder voor in Nederland. De geschatte populatie volgens de “European Topic Centre on Biological Diversity” ligt op 6.000 individuen. De soort komt redelijk wijd verspreid, maar niet door heel Nederland voor. In de Achterhoek en in Zeeland is deze soort niet aanwezig. In circa 80% van het land komt deze soort echter wel voor. Omgerekend betekent dit dat in de regio’s waar de rosse vleermuis wel voorkomt, er circa 0,18 individuen per vierkante kilometer zitten. In tabel VI is een overzicht te zien van de uitkomsten van de berekeningen om de voorspelde sterfte uit te zetten tegen de 1%-mortaliteitsnorm van de lokale netwerkpopulatie. Tabel VI: Rosse vleermuis, uitgaande van 20% jaarlijkse sterfte.
Straal van catchment area (km) Oppervlakte catchment area (km2) Landoppervlakte Nederland (km2) Populatiegrootte Nederland Dichtheid (individuen/km2) Netwerkpopulatie (individuen) 44% jaarlijkse natuurlijke sterfte (Heise & Blohm, 2003) 1%-mortaliteitsnorm (individuen) Voorspelde sterfte alternatief 1 Voorspelde sterfte alternatief 2 Voorspelde sterfte alternatief 3
30 2.828 33.883 6.000 0,2 566 250 2,5 3 3 5
De verwachte sterfte voor alternatieven 1 en 2 wordt geschat op 3 individuen, voor alternatief 3 zijn dit 5 individuen. Daarmee wordt de 1%-mortaliteitsnorm overschreden. 6.4.3 Ruige dwergvleermuis Ruige dwergvleermuizen jagen vooral in half open bosrijk landschap. Daarnaast jagen ruige dwergvleermuizen langs bosranden, door lanen, boven open plekken in bos en langs houtwallen. Waterpartijen en beschutte oevers in voedselrijke gebieden vormen een belangrijk aspect van het biotoop. Ruige dwergvleermuizen zijn relatief vaak waargenomen binnen de onderzoekslocatie. In tabel VII is een overzicht te zien van de uitkomsten van de berekeningen om de voorspelde sterfte uit te zetten tegen de 1%-mortaliteitsnorm van de lokale netwerkpopulatie.
Rapport 10516.001 versie D3
Pagina 17 van 36
Tabel VII: Ruige dwergvleermuis, uitgaande van 33% jaarlijkse sterfte.
Straal van catchment area (km) Oppervlakte catchment area (km2) Landoppervlakte Nederland (km2) Populatiegrootte Nederland Dichtheid (individuen/km2) Netwerkpopulatie (individuen) 33% jaarlijkse natuurlijke sterfte 1%-mortaliteitsnorm (individuen) Voorspelde sterfte alternatief 1 Voorspelde sterfte alternatief 2 Voorspelde sterfte alternatief 3
30 2.828 33.883 100.000 3 8.346 2.754 28 4 6 8
De verwachte sterfte voor alternatief 1 wordt geschat op 4 individuen, voor alternatief 2 op 6 individuen en voor alternatief 3 op 8 individuen. Voor geen van de alternatieven wordt de 1%-mortaliteitsnorm overschreden. 6.4.4 Laatvlieger De laatvlieger jaagt boven open tot halfopen landschap, vooral in de beschutting van opgaande elementen zoals bosranden, heggen en lanen. De laatvlieger vliegt meestal op enige afstand van de vegetatie boven (vochtige) graslanden en weilanden, langs kanalen en vaarten, in tuinen en in parken met vijvers. Bij windstil weer wordt het open gebied belangrijker. In tabel VIII is een overzicht te zien van de uitkomsten van de berekeningen om de voorspelde sterfte uit te zetten tegen de 1%mortaliteitsnorm van de lokale netwerkpopulatie. Tabel VIII: Laatvlieger, uitgaande van 16% jaarlijkse sterfte.
Straal van catchment area (km) Oppervlakte catchment area (km2) Landoppervlakte Nederland (km2) Populatiegrootte Nederland Dichtheid (individuen/km2) Netwerkpopulatie (individuen) 16% jaarlijkse natuurlijke sterfte 1%-mortaliteitsnorm (individuen) Voorspelde sterfte alternatief 1 Voorspelde sterfte alternatief 2 Voorspelde sterfte alternatief 3
30 2.828 33.883 25.000 0,74 2.087 334 3 1 2 2
De verwachte sterfte voor alternatief 1 wordt geschat op 1 individu en voor alternatief 2 en 3 op 2 individuen. Voor geen van de alternatieven wordt de 1%-mortaliteitsnorm overschreden.
Rapport 10516.001 versie D3
Pagina 18 van 36
7
VOGELONDERZOEK
7.1 7.1.1
Aantallen en verspreiding van vogels binnen de onderzoekslocatie Vogels met jaarrond beschermde nesten
Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen het agrarische buitengebied kunnen dit zijn: huismus, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, boomvalk, buizerd, sperwer, havik, steenuil, kerkuil, slechtvalk, roek, ooievaar en wespendief. Huismus en gierzwaluw De huismus en gierzwaluw zijn volgens de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) waargenomen binnen de onderzoekslocatie, nabij de aldaar aanwezige bebouwing. De soorten nestelen onder andere onder dakpannen en in (grote) kieren in bebouwing. De gebouwen die in de omgeving van de windturbines gelegen zijn, bieden potentieel broedgelegenheid voor de huismus en gierzwaluw vanwege de aanwezigheid van geschikte openingen en ruimtes. De bebouwing wordt echter bij de voorgenomen plannen niet gesloopt of gerenoveerd, waardoor negatieve effecten ten aanzien van de huismus en gierzwaluw zijn uitgesloten. Negatieve effecten ten aanzien van de huismus zijn uitgesloten, aangezien huismussen niet op rotorhoogte vliegen. Het is echter niet uit te sluiten dat foeragerende gierzwaluwen in aanvaring komen met een windturbine, in de gebruiksfase van het windpark. Grote gele kwikstaart De grote gele kwikstaart is volgens de NDFF waargenomen in de nabijheid van de onderzoekslocatie.
De grote gele kwikstaart broedt voornamelijk langs de oevers van rivieren en beken met schoon stromend water, in een nis, muur of bij boomwortels. Binnen de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat aanwezig, vanwege het ontbreken van genoemde landschapselementen. Wel is de soort tijdens het vogelonderzoek 2019-2020 (wintertelling) overvliegend waargenomen. Negatieve effecten ten aanzien van een jaarrond beschermd nest van de grote gele kwikstaart zijn uitgesloten. Boomvalk Boomvalken gebruiken oude ekster- en kraaiennesten om te broeden. Volgens de NDFF is er in 2020 een parend paartje boomvalken waargenomen in een groenstrook op circa 300-400 meter van windturbine 1 en 2 van alternatief 2 en 3. Binnen de onderzoekslocatie is geen nest-indicerend gedrag van boomvalken waargenomen en er worden geen bomen gekapt. Wel is de soort overvliegend waargenomen. Negatieve effecten ten aanzien van een jaarrond beschermd nest van de boomvalk is uit te sluiten. Het is echter niet uit te sluiten dat foeragerende individuen verstoord of gedood worden in de gebruiksfase van het windpark. Buizerd Volgens de NDFF zijn er diverse waarnemingen bekend van roepende, overvliegende en jagende buizerds zowel binnen als buiten de onderzoekslocatie. Daarnaast zijn er tijdens het vogelonderzoek 2019-2020 buizerds waargenomen met nest-indicerend gedrag.
Windturbine 8 van alternatief 3 grenst aan een bosgebied waar nest-indicerend gedrag van buizerd is waargenomen, echter is hier geen (groot) nest aangetroffen wat mogelijk van een buizerd kan zijn. Negatieve effecten ten aanzien van een jaarrond beschermd nesten worden niet verwacht. Ten behoeve van de aanleg van het windpark worden geen bomen gekapt of gebouwen gesloopt, waardoor directe effecten op voorgenoemde soorten zijn uit te sluiten. Op dit moment zijn er geen jaarrond beschermde nestplaatsen bekend die op of nabij de geplande windturbinelocaties of toegangswegen zijn gelegen. Als er tegen de verwachting in, voor de aanlegfase van het windpark toch
Rapport 10516.001 versie D3
Pagina 19 van 36
negatieve effecten worden voorzien, dan zijn deze goed te mitigeren (b.v. alternatieve nestlocaties aanbieden), waardoor negatieve effecten worden voorkomen. Op circa 350 meter afstand van windturbine 3 (alternatief 1), windturbine 5 (alternatief 2) en windturbine 6 (alternatief 3) is tevens een bosschage gelegen waar buizerds met nest-indicerend gedrag zijn waargenomen. Gezien de afstand en het behoudt van de betreffende bosschage zijn negatieve effecten ten aanzien van een aanwezig nest hier uitgesloten. Sperwer en havik Volgens de NDFF zijn waarnemingen bekend van overvliegende sperwers en haviken nabij de betreffende bouwlocaties. Bij de voorgenomen plannen worden tevens geen bomen gekapt en daarnaast is geen nest-indicerend gedrag van sperwers en haviken waargenomen tijdens het vogelonderzoek. Negatieve effecten ten aanzien van een jaarrond beschermd nest van de sperwer en havik zijn redelijkerwijs uit te sluiten. Steenuil en kerkuil Binnen de onderzoekslocatie zijn volgens de NDFF geen waarnemingen van steenuilen bekend. Wel is de steenuil waargenomen tijdens het vleermuisonderzoek 2019-2020. Daarnaast zijn er diverse nestlocaties bekend van steenuilen in de omgeving van Bergharen. De bouwlocaties van de windturbines zelf zijn ongeschikt als broedlocatie voor de steenuil door het ontbreken van bebouwing en bomen met holtes aldaar.
Daarnaast blijft de aanwezige bebouwing in de nabijheid van de windturbines behouden. Bij de aanlegfase van de windturbines treden geen negatieve effecten op ten aanzien van een jaarrond beschermd nest van de steenuil. Kerkuilen komen voornamelijk voor in cultuurland met gras- en bouwlanden die begrensd worden door akkerranden, houtwallen, heggen of bosjes, maar nauwelijks in bossen. Kerkuilen broeden vooral in boerenschuren en torens. Tegenwoordig broedt de kerkuil voor circa 90% in nestkasten die in gebouwen zijn geplaatst. In uitzonderlijke gevallen broedt de kerkuil in holle bomen. Volgens de NDFF zijn diverse waarnemingen bekend van de kerkuil binnen en in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. Daarnaast is de kerkuil tijdens het vleermuisonderzoek 2019-2020 waargenomen. De bouwlocaties van de windturbines zelf zijn ongeschikt als broedlocatie van de kerkuil, vanwege de afwezigheid van bebouwing en bomen. Daarnaast blijft de aanwezige bebouwing in de nabijheid van de windturbines behouden. Negatieve effecten ten aanzien van een eventueel aanwezig nest van de kerkuil zijn uitgesloten. Slechtvalk De slechtvalk broedt normaliter op hoge stenige bebouwing of andere hoge constructies waaronder kantoorgebouwen en hoogspanningsmasten.
Binnen de onderzoekslocatie zijn hoogspanningsmasten aanwezig, echter zijn er gedurende het vogelonderzoek 2019-2020 geen nest-indicerende slechtvalken waargenomen. Wel is de soort foeragerend waargenomen binnen de onderzoekslocatie. De meeste waarnemingen en dichtstbijzijnde nestlocaties van de slechtvalk zitten volgens de NDFF nabij enkele bruggen over de waal op ten minste 3,5 kilometer afstand. Negatieve effecten ten aanzien van het verloren gaan van een jaarrond beschermd nest van de slechtvalk zijn uit te sluiten. Het is echter niet uit te sluiten dat foeragerende individuen verstoord of gedood worden in de gebruiksfase van het windpark. Roek De roek broedt in kolonies in bomengroepen. Indien een dergelijke kolonie aanwezig is op of nabij de onderzoekslocatie is dit gemakkelijk waar te nemen. Op of nabij de onderzoekslocatie zijn geen roekenkolonies aanwezig. Het is uit te sluiten dat jaarrond beschermde nesten van de roek verloren gaan door de voorgenomen plannen.
Rapport 10516.001 versie D3
Pagina 20 van 36
Ooievaar De ooievaar is een soort die bij voorkeur nestelt op menselijke bouwsels, zoals schoorstenen, hoogspanningsmasten of door de mens gemaakte palen met houten platform. Volgens de NDFF zijn binnen de onderzoekslocatie meerdere waarnemingen bekend van foeragerende ooievaars. Er zijn echter geen nesten of ooievaars met nest-indicerend gedrag waargenomen. Negatieve effecten ten aanzien van jaarrond beschermde nesten zijn uitgesloten. Het is echter niet uit te sluiten dat foeragerende individuen verstoord of gedood worden in de gebruiksfase van het windpark. Wespendief De wespendief is volgens de NDFF in 2016 baltsend waargenomen binnen de onderzoekslocatie, op circa 200-250 meter afstand van windturbine 2 (alternatief 1), windturbine 4 (alternatief 2) en windturbines 4 en 5 (alternatief 3). Gedurende het vogelonderzoek 2019-2020 zijn geen nesten of wespendieven met nest-indicerend gedrag waargenomen. Vanwege de afstand tot de bosschage en het verder niet voorkomen van de soort tijdens het vogelonderzoek zijn negatieve effecten ten aanzien van een jaarrond beschermd nest uitgesloten. 7.1.2 Lokale broedvogels Rondom de onderzoekslocatie zijn verschillende broedende vogels waargenomen. Onderstaand is een overzicht van vogels met nest-indicerend gedrag rondom de onderzoekslocatie weergegeven. • • • • • • • • • • • • • • • • • •
Boerenzwaluw Boomklever Boomkruiper Bosrietzanger Buizerd Ekster Gaai Gele Kwikstaart Grasmus Graspieper Groene Specht Groenling Grote Bonte Specht Grote Canadese Gans Havik Heggenmus Holenduif Houtduif
• • • • • • • • • • • • • • • • • •
Huismus Kauw Kievit Kleine karekiet Kneu Krakeend Kuifeend Meerkoet Merel Nachtegaal Nijlgans Patrijs Putter Ringmus Roodborst Roodborsttapuit Sijs Spreeuw
• • • • • • • • • • • • • • •
Tjiftjaf Torenvalk Turkse tortel Veldleeuwerik Vink Waterhoen Wilde Eend Winterkoning Wintertaling Witte Kwikstaart Wulp Zanglijster Zwarte Kraai Zwarte roodstaart Zwartkop
Naast eerder genoemde soorten zijn ook nog de aalscholver, blauwe kiekendief, blauwe reiger, fuut, gierzwaluw, grauwe gans, grote gele kwikstaart, grote zilverreiger, ijsvogel, kleine mantelmeeuw, knobbelzwaan, kokmeeuw, kolgans, oeverloper, ooievaar, roek, scholekster, slechtvalk, sperwer, stormmeeuw, visdief en zilvermeeuw waargenomen. Deze soorten vertoonden echter rondom de onderzoekslocatie geen nest-indicerend gedrag. In de wijdere omgeving van de onderzoekslocatie (tot 5 kilometer) zijn geen kolonies bekend van koloniebroeders als bijvoorbeeld de blauwe reiger, kokmeeuw en lepelaar. Op de onderzoekslocatie zullen dergelijke soorten dus ook niet incidenteel in grote getalen voorkomen. Van de roek is wel bekend dat binnen enkele kilometers een kolonie aanwezig is, echter is door de grote mate van geschikt
Rapport 10516.001 versie D3
Pagina 21 van 36
foerageergebied in de directe omgeving van deze kolonie niet te verwachten dat deze roeken zich in grote getale naar de onderzoekslocatie zullen begeven. Dit kan ook opgemaakt worden uit het lage aantal roeken wat binnen onderhavig onderzoek op de locatie is waargenomen. 7.1.3 Trekvogels en watervogels De onderzoekslocatie ligt op 3 kilometer ten zuiden van de Waal en bestaat met name uit (intensief beheerd) grasland en akkers, afgewisseld met enkele landerijen. Dit is aantrekkelijk habitat als rusten/of foerageerplaats voor trekvogels en overwinterende watervogels. Aan de hand van tellingen ter plaatse is in beeld gebracht welke soorten in de omgeving van het plangebied voorkomen en welke soorten/hoeveel individuen van een soort vliegbewegingen maakt op rotorhoogte van de geplande windturbines. In tabel IX is een overzicht te zien van de soorten die binnen en in de directe omgeving van het plangebied zijn waargenomen, het maximum aantal individuen ter plaatse en of de soorten tijdens de veldbezoeken vliegbewegingen op rotorhoogte hebben gemaakt. Aangezien in het veld niet exact gezien kan worden welk percentage van de aanwezige vogels door het bestemde rotorvlak vliegt, worden indicatieve termen aangehouden. Dit geeft een indicatie van hoeveel vogels door het rotorvlak vliegen relatief tot het totaal aantal aanwezige exemplaren van de betreffende soort.
Tabel IX: Overzicht van de waargenomen wintersoorten in de directe omgeving van de onderzoekslocatie met maximum aantal individuen en analyse of de soort soms op rotorhoogte vliegt. Soort Aalscholver Blauwe reiger Fuut Grauwe gans Grote Canadese gans Grote zilverreiger IJsvogel Kievit Kleine mantelmeeuw Kokmeeuw Kolgans Knobbelzwaan Krakeend Kuifeend Meerkoet Nijlgans Stormmeeuw Toendrarietgans Wilde eend Wintertaling Zilvermeeuw
7.2
Maximum aantal individuen 25 23 1 300 6 33 1 350 5 475 1341 7 7 2 9 45 25 13 28 15 6
Vlucht op rotorhoogte incidenteel incidenteel nee regelmatig incidenteel incidenteel nee incidenteel incidenteel incidenteel regelmatig incidenteel nee nee incidenteel incidenteel incidenteel incidenteel incidenteel nee incidenteel
Bepaling en beoordeling van de effecten op vogels
Bij ecologische toetsingen voor windturbines wordt in de regel naar drie verschillende verstoringstypes voor vogels gekeken, namelijk aanvaringsslachtoffers (sterfte), habitatverlies of verstoring van broedende, foeragerende of rustende vogels en barrièrewerking voor vogels. Windpark Beuningen zal een bepaalde invloed hebben op de huidige vogelpopulatie in het gebied en op de vogels die voorbij het gebied trekken. Onderstaand worden de potentiële effecten bepaald en beoordeeld.
Rapport 10516.001 versie D3
Pagina 22 van 36
7.2.1
Sterfte van vogels
Algemeen: Uit slachtofferonderzoeken van bestaande windparken in Nederland en België van de afgelopen 15 jaar blijkt dat in een windpark gemiddeld 20 aanvaringsslachtoffers per turbine per jaar vallen (A Brenninkmeijer & C. van der Weyde, 2011; E. Klop & A Brenninkmeijer, 2014). Verschillende gezamenlijke factoren bepalen hoeveel vogels in aanvaring komen met een windturbine. Dit wordt onder andere bepaald door de aantallen en soorten vogels die vliegen rondom de onderzoekslocatie, de eigenschappen van de windturbine (hoogte, rotordiameter) en de omstandigheden rond de onderzoekslocatie met betrekking tot bijvoorbeeld achtergrondverlichting en landschapselementen die vliegbewegingen richting de turbines kunnen sturen. Op een heldere dag zullen vrijwel nooit aanvaringsslachtoffers vallen overdag. Vrijwel alle slachtoffers vallen in de nacht en dan voornamelijk in nachten met slecht zicht door regen en/of mist. Indien op de locatie veel achtergrondverlichting aanwezig is zal de aanvaringskans lager zijn, aangezien de vogels beter de turbines kunnen ontwijken. Voor Windpark Beuningen wordt verwacht dat, ondanks de grotere hoogte en rotordiameter, in verhouding tot de referentieparken globaal evenveel aanvaringsslachtoffers per turbine zullen vallen.
Voornamelijk trekvogels, maar ook lokale broedvogels, zijn in vergelijking tot de referentieparken redelijk abundant rondom het plangebied. Echter is vanwege de ligging van Rijksweg A73/Provinciale N322 relatief veel achtergrondverlichting aanwezig. Vanwege deze parameters is de verwachting op basis van expert judgement dat bij Windpark Beuningen maximaal circa 20 aanvaringsslachtoffers per turbine per jaar zullen vallen. Dit betekent dat voor het volledige windpark er maximaal tussen 80 en 160 aanvaringsslachtoffers van vogels per jaar zullen vallen, afhankelijk van wel scenario gekozen gaat worden. Effecten op broedvogels: Tijdens de aanlegfase kunnen in gebruik zijnde nesten, zoals nesten van weidevogels vernietigd worden, wat een overtreding van de Wet natuurbescherming zou betekenen. Dit is echter relatief eenvoudig te voorkomen door mitigerende maatregelen te treffen zoals de werkzaamheden buiten het broedseizoen uitvoeren en/of een broedvogelcheck uitvoeren voor aanvang van de werkzaamheden. Vernietiging van nesten is derhalve te voorkomen, waardoor een ontheffing op deze verbodsbepaling niet noodzakelijk geacht wordt. Broedvogels in de omgeving lopen een kans om in aanvaring te komen met de windturbines. Zoals in paragraaf 7.1.2 is beschreven is een groot aantal broedvogelsoorten rondom de onderzoekslocatie aanwezig.
Het betreft zowel zangvogels, weidevogels en akkersoorten. Zangvogels lopen vanwege hun vlieggedrag weinig risico om in aanvaring te komen met een windturbine. Daarnaast zijn de plaatselijke broedvogels goed bekend met de gevaren in de omgeving en kunnen hier goed op anticiperen, waardoor weinig slachtoffers vallen. Voor met name de kievit is er wel een verhoogd risico op aanvaringen vanwege de hoge baltsvluchten in het voorjaar. Voor elke aanwezige broedvogel is een inschatting gemaakt van het aantal aanvaringsslachtoffers per jaar en is met behulp van de 1%mortaliteitsnorm bekeken of de gunstige staat van instandhouding in het geding komt. Effecten op niet-broedvogels: Tijdens de veldbezoeken zijn waarnemingen gedaan van verschillende trekvogels en watervogels. Voor de soorten die zijn waargenomen is een berekening uitgevoerd om een voorspelling te doen van het aantal aanvaringsslachtoffers per soort per jaar, waarbij is uitgegaan van een worst-case benadering. Met behulp van deze aantallen is een berekening uitgevoerd op basis van de principes van het Flux-Collision Model van Bureau Waardenburg (Kleyheeg-Hartman et al., 2018) om een maximaal aantal aanvaringsslachtoffers per soort te bepalen. De volgende aannames zijn gedaan en dienen als parameters voor het Flux-Collision Model.
Rapport 10516.001 versie D3
Pagina 23 van 36
• • • •
80% van de vogels die bij de bouwlocaties van de windturbines vliegt, zal bewust om of over de windturbines vliegen. Het percentage van de vogelflux door het windpark wat vliegt op de hoogte van de windturbines is afhankelijk per soort en gebaseerd op waarnemingen in het veld (tabel IX). In één vlucht worden alle windturbines gepasseerd door de vogels. De aanvaringskans van vogels die door het rotorvlak van de turbines vliegen is 1% voor de ganzensoorten en 0,5% voor de andere soorten. Deze aantallen zijn significant hoger dan in de literatuur wordt aangehouden (Fijn et al., 2007).
Beoordeling effect op gunstige staat van instandhouding: Op basis van het aantal waarnemingen in het veld, de locatie van de waarnemingen en het gedrag, is een inschatting gemaakt van het aantal aanvaringsslachtoffers in de gebruiksfase. Voor 34 soorten is bepaald dat er potentieel meer dan incidentele sterfte (meer dan één slachtoffer per jaar) plaats kan vinden. Het wordt geadviseerd voor deze soorten een ontheffing van de Wet natuurbescherming aan te vragen. Bij geen van de soorten overschrijdt de voorspelling van het maximaal aantal aanvaringsslachtoffers de 1%-mortaliteitsnorm. Derhalve kan redelijkerwijs uitgesloten worden dat de additionele sterfte door de realisatie van Windpark Beuningen een significant negatief effect heeft op de gunstige staat van instandhouding van de soorten. Onderstaand worden eventuele slachtoffers van soorten waar meer dan incidentele sterfte plaats kan vinden met (matig) ongunstige staat van instandhouding nader besproken. Boomvalk: De boomvalk komt in de nabijheid van de onderzoekslocatie voor, echter komt deze maar incidenteel voor op de onderzoekslocatie. De voornaamste voedselbron van deze soort zijn libellen welke de boomvalk vaak boven meren en vennen vangt.