Bijlage 1 TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17
Tekst van het document
Dit betekent dat het aantal voertuigbewegingen slechts beperkt toeneemt met 19,6 (extra) voertuigbewegingen per weekdag. Ten opzichte van de bestaande situatie (de al toegestane vrijstaande koopwoning op dit perceel) zouden al extra voertuigbewegingen van 8,2 per dag mogelijk zijn geweest. Ten opzichte van de al toegestane planologische situatie neemt het aantal voertuigbewegingen dus toe met 19,6-8,2 = 11,4 voertuigbewegingen per etmaal. De capaciteit van de bestaande inrit en het omliggende wegennet is
"TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17" (vastgesteld)
25
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17
ruim voldoende om dit aantal voertuigbewegingen op te vangen. Het aspect 'verkeer' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van deze ruimtelijke ontwikkeling. 5.3.2
Parkeren
Voor het bepalen van de parkeerbehoefte is conform het 'Parapluplan Parkeren' gebruik gemaakt van CROW-kencijfers uit de CROW-publicatie 744 ‘Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering’. De parkeerkencijfers uit de publicaties van CROW worden weergegeven in de vorm van een bandbreedte. De gemeente Beuningen gaat bij het bepalen van de parkeerbehoefte uit van de gemiddelde parkeernorm. Voor onderhavige ontwikkeling, in de 'rest bebouwde kom', bedraagt de gemiddelde parkeernorm incl bezoekersparkeren: 2,0 parkeerplaatsen per woning (koop, tussen/hoek); 1,3 parkeerplaatsen per woning (huur, sociale huur). Uitgaande van de toevoeging van maximaal drie woningen, betekent dit dat er 2,0+2,0+1,3 = 5,3 (= afgerond 6) parkeerplaatsen nodig zijn om te voldoen aan de parkeernorm. Het uitgangspunt is dat de parkeervraag voor een nieuwe ontwikkeling op eigen terrein wordt opgelost. Voor de hoekwoningen zijn twee parkeerplaatsen opgenomen. In het noordelijke gedeelte van het plangebied is een extra parkeerkoffer opgenomen met nog vier parkeerplaatsen. De 6 geplande parkeerplaatsen zijn inzichtelijk gemaakt op de inpassingsschets. Het daadwerkelijk moeten voldoen aan de gestelde parkeernormen is bovendien geborgd in de algemene regels van dit ruimtelijk plan. Het aspect 'parkeren' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.4
Bodem
5.4.1
Regelgeving
Uit artikel 1.2 lid 2 Ow volgt expliciet dat bodem onderdeel uitmaakt van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in dat een omgevingsplan regels kan bevatten die gericht zijn op het beschermen van de bodem (zoals aangegeven in artikel 4.1 Ow). Daarnaast gelden er instructieregels vanuit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) die gemeenten in het omgevingsplan moeten verwerken. Het Bkl bepaalt voor bodem dat in het omgevingsplan: regels en waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem worden opgenomen voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie (artikel 5.89i t/m 5.89m Bkl); moet worden gewaarborgd dat sanerende en beschermende maatregelen in stand worden gehouden, worden onderhouden of worden vervangen (artikel 5.89n Bkl); bodembeheergebieden kunnen worden aangewezen voor het met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift afwijken van kwaliteitseisen (artikel 5.89o Bkl); en de landbodem van het gemeentelijk grondgebied wordt ingedeeld in bodemfunctieklassen (landbouw en natuur/wonen/industrie) (artikel 5.89p Bkl). Bodemgevoelige gebouwen Een bodemgevoelig gebouw wordt in het Bkl omschreven als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn.
Onder een gebouw wordt verstaan een bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen. Een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw of een bijbehorend bouwwerk tot 50 m2 valt niet onder het begrip bodemgevoelig gebouw. Bodemgevoelige locaties Een bodemgevoelige locatie is op basis van het Bkl in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw. De gemeente kan in het omgevingsplan aanvullende locaties aanwijzen als bodemgevoelige locatie, zoals kinderspeelplaatsen of moestuinen. In de gemeente Beuningen zijn dergeljke locaties
26
"TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17
vooralsnog niet aangewezen. Omgevingsplan Een omgevingsplan bevat dus waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, die per gebied of per gebruiksfunctie kunnen verschillen. Het uitgangspunt voor deze waardes zijn de interventiewaardes bodemkwaliteit, uit bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Deze waardes zijn wetenschappelijk onderbouwd en behoeven geen verdere motivering. Het omgevingsplan kan ook een hogere waarde bevatten dan de interventiewaardes, mits gemotiveerd en de waarden niet hoger zijn dan het humane Maximaal Toelaatbare Risiconiveau (MTR humaan, bijlage Vb Bkl). Ook mag niet leiden tot overschrijding van de toelaatbare concentraties in lucht (TCL) en geurdrempels (bijlage XIIIb Bkl). Bij functiewijzigingen moet worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. Om te kunnen beoordelen of de toelaatbare kwaliteit van de bodem uit het omgevingsplan is overschreden, is voorafgaand onderzoek naar de gesteldheid van de bodem nodig. Ingeval van een overschrijding van de waarden, is in het omgevingsplan opgenomen welke sanerende of beschermende maatregelen nodig zijn. 5.4.2
Doorvertaling planvoornemen
Er is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, rapportnummer 207268-10/R01, 9 augustus 2017. Dit onderzoek is nog voldoende actueel. De aangetoonde milieuhygiënische bodemkwaliteit levert geen belemmeringen op voor de voorgenomen bestemming. Bij graafwerkzaamheden wordt aanbevolen, met name ter plaatse van de met grind verharde terreindelen, attent te zijn op de aanwezigheid van een kolengruishoudende laag en deze laag bij aantreffen gescheiden van de onderliggende grond te ontgraven. Dit om verslechtering van de milieuhygiënische kwaliteit van de onderliggende grond te voorkomen. Het vrijkomende materiaal van de kolengruishoudende laag moet worden afgevoerd naar een erkende acceptant. Vrijkomende grond is niet zonder meer elders toepasbaar is. Op hergebruik van grond is het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. 5.4.3
Conclusie
Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.5
Geluid
5.5.1
Regelgeving
Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat instructieregels in afdeling 3.5 (o.a. normen) voor: het geluid van geluidveroorzakende activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en het toelaten van geluidgevoelige gebouwen in het geluidaandachtsgebied (van wegen, spoorwegen en industrieterreinen, artikel 3.18 lid 1 Bkl). Geluidgevoelige gebouwen Het Bkl bevat in artikel 3.21 een definitie van geluidgevoelige gebouwen. Hier vallen gebouwen onder met een woonfunctie, een onderwijsfunctie, een gezondheidszorgfunctie (met bedgebied) en kinderopvang (met bedgebied). Het Bkl bevat niet de mogelijkheid voor een gemeente om de definitie van geluidgevoelige gebouwen uit te breiden. Bij nieuwe ontwikkelingen moeten gemeenten in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wel rekening houden met geluid op niet door het Bkl aangewezen gebouwen en locaties. Geluidaandachtsgebieden In het Bkl is bepaald dat het omgevingsplan waarborgt dat het geluid veroorzaakt door een (spoor)weg of industrieterrein op een voor geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied
"TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17" (vastgesteld)
27
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17
aanvaardbaar is. Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen binnen een geluidbronsoort. De waarden die bij toelaten van een geluidgevoelig gebouw voor de geluidbronsoorten met een geluidproductieplafond (gpp) als omgevingswaarde gelden, staan in navolgende tabel: Standaardwaarde (dB) (tabel 3.34 Bkl)
Grenswaarde (dB) (tabel 3.35 Bkl)
Provinciale wegen Rijkswegen
50 Lden
65 Lden
Gemeentewegen Waterschapswegen
53 Lden
70 Lden
Hoofdspoorwegen
55 Lden
70 Lden
Industrieterreinen
50 Lden
60 Lden
40 Lnight
50 Lnight
Geluidbronsoort
De geluidaandachtgebieden zijn - indien gepubliceerd - opgenomen op de kaart van de Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG). Dit geluidsregister is op dit moment nog vrijwel leeg. Voldoen aan de standaardwaarde is de hoofdregel (artikel 3.34 Bkl). Als het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 3.35 tot en met 3.40 Bkl). In het omgevingsplan kunnen dan flexibiliteitsbepalingen worden opgenomen om voor het toelaten van een geluidgevoelig gebouw af te wijken van de standaardwaarden (vergelijkbaar met het hogere grenswaardenbesluit zoals we dat voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet kenden). Bij geluid tussen de standaardwaarde en de grenswaarde vindt een bestuurlijke afweging plaats en gelden een aantal eisen. Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als voldaan wordt aan een van de voorwaarden onder artikel 5.78z lid 1 onder a of b, 5.78z lid 2, 5.78ab lid 2, 5.78ac en 5.78ad Bkl.
Op grond van artikel 5.78i Omgevingswet hebben alle verharde wegen met een jaargemiddelde verkeersintensiteit van 1.000 motorvoertuigen of meer - los van de snelheid - ook een geluidaandachtsgebied, met uitzondering van woonerven. Zolang er geen basisgeluidsemissies met bijbehorende aandachtsgebieden vast zijn gelegd geldt op grond van artikel 17.5 van de Omgevingsregeling een geluidaandachtgebied waarbij bij een gemeentelijke weg of waterschapsweg de breedte van het geluidaandachtsgebied wordt bepaald door vaste afstanden tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip: Aantal rijstroken
Maximum snelheid weg (km/u)
Breedte zone (m)
1 of 2
30 of minder
100
1 of 2
meer dan 30
200
3 of meer
350
Geluid door activiteiten Onder 'geluid door activiteiten' vallen nagenoeg alle activiteiten (zoals activiteiten van bedrijven). Het Bkl wijst in artikel 5.55 de activiteiten aan die er niet onder vallen. Zo bepaalt het Bkl dat de activiteit wonen geen geluidveroorzakende activiteit is. Het Bkl bevat zelf geen definitie van het begrip wonen, maar de toelichting bij het Bkl geeft aan dat een beroep of bedrijf aan huis en een 'uit de hand gelopen hobby' geen verband houden met de activiteit wonen. Dit is vergelijkbaar met de wetgeving voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet waar de milieuregels ook van toepassing zijn op activiteiten die worden verricht in een omvang alsof zij bedrijfsmatig zijn. Het Bkl bepaalt in artikel 5.59 dat het omgevingsplan waarborgt dat het geluid veroorzaakt door een geluidveroorzakende activiteit (zoals activiteiten bij bedrijven) op een geluidgevoelig gebouw aanvaardbaar is. Er wordt voldaan aan dit aanvaardbaarheidsvereiste als het omgevingsplan de
28
"TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17
standaardwaarden van het Bkl overneemt. Het Bkl bevat standaardwaarden voor toelaatbaar geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. Deze standaardwaarden zijn overgenomen in navolgende tabel: Standaardwaarde toelaatbaar geluid op 07.00 - 19.00 uur een geluidgevoelig gebouw
19.00 - 23.00 uur
23.00 - 7.00 uur
45 dB(A)
40 dB(A)
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen
70 dB(A)
70 dB(A)
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden
65 dB(A)
65 dB(A)
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten
50 dB(A)
Voldoen aan de standaardwaarde is de hoofdregel (artikel 5.64 Bkl). Als het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 5.65 en 5.66 Bkl). Indien de gemeente een soepelere norm wil opnemen in het omgevingsplan, moet door middel van onderzoek vaststaan dat de binnenwaarde (het geluid binnen de geluidgevoelige gebouwen) niet hoger is dan de normen die het Bkl daarvoor stelt. Indien de gemeente een strengere norm wil opnemen, moet aangetoond worden dat de bestaande geluidveroorzakende activiteiten nie tworden beperkt ten opzichte van het huidige recht. In het omgevingsplan kunnen dan flexibiliteitsbepalingen worden opgenomen om voor één of meerdere geluidgevoelige ruimte(n) binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen af te wijken van de standaardwaarden. Deze mogen de grenswaarden niet overschrijden. De grenswaarden worden niet bepaald op de gevel, maar in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen.
De grenswaarden zijn overgenomen in navolgende tabel: Grenswaarde toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en 07.00 - 19.00 uur aanpandige geluidgevoelige gebouwen
19.00 - 23.00 uur
23.00 - 7.00 uur
30 dB(A)
25 dB(A)
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen
55 dB(A)
55 dB(A)
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden
45 dB(A)
45 dB(A)
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten
35 dB(A)
"TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17" (vastgesteld)
29
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17
5.5.2
Doorvertaling planvoornemen
Wegverkeerslawaai In het kader van het omgevingsplan is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Dit is bijgevoegd als bijlage 1. In dit onderzoek is de geluidbelasting vanwege het wegverkeerslawaai op de gewenste woningen aan de Burgemeester van Suchtelenstraat 17, Beuningen berekend. Toetsing standaardwaarden en grenswaarden De berekende geluidbelasting van gemeentelijke wegen bedraagt maximaal 50 dB. Hiermee worden de standaardwaarde van 53 dB en de grenswaarde van 70 dB niet overschreden. Maatregelen hoeven niet nader onderzocht te worden. Gevelwering en woon- en leefklimaat Benodigde gevelwering Het gezamenlijke geluid bedraagt ten hoogste 50 dB ter plaatse van de zuidgevel op de 1 e verdieping. De vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt dan maximaal 50 – 33 = 17 dB. Nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels is niet nodig. Woon- en leefklimaat De milieukwaliteit wordt geclassificeerd als ‘goed’ tot ‘zeer goed’. Het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de beoogde woning wordt als acceptabel aangemerkt. Op basis van het onderzoek kan gesteld worden dat het cumulatieve geluid een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat niet in de weg staat. Railverkeerslawaai De woning in het plangebied is niet gelegen nabij een spoorlijn. Akoestisch onderzoek naar railverkeerslawaai is derhalve niet benodigd.
Industrielawaai (geluid door activiteiten) De woningen in het plangebied zijn niet gelegen binnen de zone van een geluidgezoneerd industrieterrein. Akoestisch onderzoek naar industrielawaai is derhalve niet benodigd. 5.5.3
Conclusie
Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.6
Bedrijven en milieuzonering
5.6.1
Regelgeving
Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit. Bij milieuzonering gaat het specifiek om de milieuthema's die afstandsgerelateerd zijn. Afstandsgerelateerd wil zeggen dat de milieubelasting afneemt bij grotere afstand, zoals bij geluid en geur. Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van bedrijfsmatige activiteiten worden gerealiseerd, moet worden gemotiveerd in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige bedrijfsmatige activiteiten. Maar ook andersom moet aandacht worden besteed aan de rechten van de aanwezige bedrijfsmatige activiteiten. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering beperken. Datzelfde geldt uiteraard ook voor de situatie dat bedrijfsmatige activiteiten zich vestigen/wijzigen in de nabijheid van bestaande gevoelige functies.
30
"TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17
In 2024 is de VNG-uitgave 'Activiteiten en milieuzonering' uitgebracht. Er wordt in deze handreiking geen gebruik gemaakt van milieucategorieën, maar van gebruiksruimte. Onder gebruiksruimte wordt verstaan de ruimte die een bedrijf mag benutten. Totdat de nieuwe VNG-handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' is geïmplementeerd in het beleid van de gemeente, wordt nog uitgegaan van de richtafstanden uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. Voor het vaststellen van de minimum richtafstanden tussen bedrijven en milieugevoelige functies worden de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gebruikt. Bedrijven zijn in de VNG-handreiking ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woonen leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd als sprake is van omgevingstype gemengd gebied.
Richtafstanden VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' Voorgaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een woonwijk en gemengd gebied. Als de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Wanneer niet aan de richtafstanden wordt voldaan, is een nadere beschouwing danwel onderzoek nodig. 5.6.2
Doorvertaling planvoornemen
In de directe omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven gelegen met een hindercontour die een overlap kent met het plangebied. Hiermee vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de realisatie van het initiatief. 5.6.3
Conclusie
Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.7
Omgevingsveiligheid
5.7.1
Regelgeving
Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De gevoelige objecten zijn opgesplitst in: zeer kwetsbare gebouwen kwetsbare gebouwen en locaties beperkt kwetsbare gebouwen en locaties. De categorieën kwetsbare gebouwen en locaties zijn aangewezen in bijlage VI Bkl. Plaatsgebonden risico Bij het toelaten van milieubelastende activiteiten en bij het toedelen van locaties moet voor zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties het plaatsgebonden risico (PR-10-6-contour) in acht worden genomen. Bij beperkt kwetsbare gebouwen en locaties moet er rekening worden gehouden met het plaatsgebonden risico. Dit betekent dat binnen een plaatsgebonden risicocontour van een risicobron geen zeer kwetsbare gebouwen of kwetsbare gebouwen en locaties mogen worden toegestaan en dat beperkt kwetsbare gebouwen of locaties pas na een beoordeling (dus vergunning) mogen worden toegestaan. Voor het plaatsgebonden risico
"TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17" (vastgesteld)
31
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17
gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico: aandachtsgebieden Het Bkl introduceert zogenaamde 'aandachtsgebieden' rond risicobronnen. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl). Deze aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk en zijn zichtbaar in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Uitgangspunt is dat personen in gebouwen buiten een aandachtsgebied (brand, explosie of gifwolk) voldoende zijn beschermd. Binnen de aandachtsgebieden, of voor personen die verblijven op een locatie in de buitenlucht, zal bij nieuwe initiatieven moeten worden gekeken of en welke aanvullende beschermende maatregelen nodig en te treffen zijn. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor aandachtsgebieden in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Een (deel van een) aandachtsgebied kan in het omgevingsplan worden aangewezen als voorschriftengebied.
Binnen een dergelijk gebied gelden op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) aanvullende bouwvoorschriften (artikel 4.90 tot en met 4.96 Bbl voor het verbeteren van de veiligheid) voor de nieuwbouw of vervangende nieuwbouw (en dus niet voor bestaande bouw) van zeer kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare gebouwen. Er geldt een plicht (artikel 5.14 Bkl) tot het aanwijzen van een voorschriftengebied als in een aandachtsgebied een zeer kwetsbaar gebouw wordt toegelaten. 5.7.2
Doorvertaling planvoornemen
Op navolgende afbeeldingen is een uitsnede weergegeven van de risicokaart. Hierop zijn de PR contouren en de aandachtsgebieden weergegeven ten aanzien van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, transportroutes over weg, water en spoor en buisleidingen. Onderstaande afbeelding toont de contouren die aanwezig zijn ten opzichte van het plangebied:
Uitsnede risicokaart met globale aanduiding plangebied (blauwe cirkel Bron: www.atlasleefomgeving.nl)
32
"TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17
Kwetsbaarheid De beoogde woningen betreffen kwetsbare gebouwen. Plaatsgebonden risico Het plangebied is niet gelegen binnen een PR 10-6 contour. Aandachtsgebied Dit plan voorziet in de toevoeging van een kwetsbaar gebouw in het brandaandachtsgebied van een hogedruk aardgasleiding. De brandaandachtsgebieden zijn opgenomen afhankelijk van de druk en diameter van de (hogedruktransport)leiding. Omdat het plan ligt buiten de PR 10-8 contour en buiten de house burning distance van de betreffende buisleidingen wordt ervan afgezien het plangebied aan te wijzen als voorschriftengebied. Groepsrisico De woningen zijn als kwetsbaar gebouw gelegen binnen het brandaandachtsgebied van een buisleiding. Gezien de woning in het brandaandachtsgebied is gelegen moet conform artikel 5.15, lid 1 Bkl rekening worden gehouden met de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door een activiteit. Hieraan is volgens 5.15, lid 2 Bkl voldaan als er maatregelen worden getroffen ter bescherming van personen in het gebouw of als het aantal doorgaans aanwezige personen of de tijd dat die aanwezig zijn in het gebouw beperkt is. Bij die te treffen maatregelen kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de inzet van de brandweer op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron.
Ook informatievoorziening over hoe te handelen in geval van brand is van belang. Bij een calamiteit is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen. 5.7.3
Conclusie
Het aspect 'omgevingsveiligheid' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.8
Luchtkwaliteit
5.8.1
Regelgeving
Uit artikel 1.2 lid 2 Ow volgt expliciet dat lucht onderdeel uitmaakt van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in dat een omgevingsplan regels kan bevatten die gericht zijn op het beschermen van lucht (zoals aangegeven in artikel 4.1 Ow). De rijksoverheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO 2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Er wordt getoetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 Bkl. Deze gaan over: beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden; ammoniakemissies van veehouderijen; geologische opslag van CO 2.
"TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17" (vastgesteld)
33
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17
5.8.2
Doorvertaling planvoornemen
Het plangebied is niet gelegen in of nabij één van de aandachtsgebieden uit artikel 5.51, lid 2 Bkl. Bovendien geldt dat de ontwikkeling van een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Voorliggend initiatief maakt de realisatie van maximaal 3 woningen mogelijk en draagt zodoende niet in betekenende mate bij aan de verhoging van de luchtverontreiniging. Bestaande luchtkwaliteit Op basis van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK), zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het monitoringsjaar 2023 (monitoringsronde 2024) bepaald. Hieruit blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarden (40 µg/m3 voor NO2 en PM10 en 25 µg/m3 voor PM2,5) ter plaatse van het dichtstbijzijnde toetspunt 27364178_9240 op de meest nabij gelegen gemonitorde weg, de A73, niet worden overschreden. De waardes bedragen 21,56 µg/m3 voor NO2, 16,25 µg/m3 voor PM10 en 8,97 µg/m3 voor PM2,5. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. 5.8.3
Conclusie
Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.9
Waterhuishouding
5.9.1
Regelgeving
Algemeen Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland. Voor het plangebied is het volgende waterhuishoudkundige beleid van toepassing: Rijksbeleid: Waterwet, Nationaal Waterplan 2016 - 2021, Waterbeleid in de 21e eeuw en Nationaal Bestuursakkoord Water; Provinciaal beleid: Omgevingsvisie Gelderland; Waterschapsbeleid: Watervisie 2050, Waterbeheerprogramma 2022-2027 'Versterken, verbinden, vergroenen', Nota riolering 'Samen door één buis' (2019) en de Keur voor waterkeringen en wateren; Gemeente: Beleidsplan Water en Riolering 2023-2027. Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert de overheid het volgende criterium met betrekking tot het duurzaam omgaan met water: Doordat een toename van het verhard oppervlak ertoe leidt dat het afvoerverloop niet meer natuurlijk is, is het beleid erop gericht het regenwater zoveel mogelijk te infiltreren naar het freatisch grondwater, waardoor een meer natuurlijk afvoerverloop ontstaat. Dit vertaalt zich in de volgende richtlijnen: 1. Nieuwe plannen moeten voldoen aan het principe van het 'hydrologisch neutraal' bouwen. Hierbij moet de hydrologische situatie, voor wat betreft de afvoer van hemelwater, minimaal gelijk blijven aan de oorspronkelijke situatie. De oorspronkelijke landelijke afvoer (naar het oppervlaktewater) mag niet overschreden worden. 2.
In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht moet worden hoe met het schone hemelwater omgegaan kan worden. 3. Bij alle nieuwbouwplannen moet (vuil) afvalwater en (schoon) hemelwater gescheiden worden behandeld. Het schone en vuile water worden daarbij apart aangeleverd aan de riolering of, indien mogelijk, wordt het schone water aan de natuur teruggegeven. Dit is ook het geval als in openbaar gebied nog steeds een gemengd rioolstelsel aanwezig is. Bij de inrichting, het bouwen en het beheer moeten zo min mogelijk vervuilende stoffen aan het bodem- en oppervlaktewatersysteem worden toegevoegd. Hierbij verdient het materiaalgebruik speciale aandacht: uitloogbare of uitspoelbare bouwmaterialen moeten worden vermeden om watervervuiling te voorkomen.
34
"TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17
Uitgangspunten Waterschap Rivierenland Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 'Versterken, verbinden, vergroenen' beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema's: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit. De uitgangspunten die door het waterschap worden gehanteerd in het kader van de watertoets kunnen worden verwoord als: a. Waterneutraal inrichten. Om te voorkomen dat door de aanleg van nieuw verhard oppervlak wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang om het verlies aan waterberging in de bodem te compenseren. b. Schoon inrichten. Om te voorkomen dat de waterkwaliteit van het oppervlaktewater negatief wordt beïnvloed. Binnen het stedelijk gebied zal daarom schoon hemelwater van nieuwbouwprojecten gescheiden van het vuilwater moeten worden afgevoerd: afkoppelen.
Het waterschap streeft naar 100 % afkoppeling van schoon hemelwater van verharde oppervlakken (gebouwen, wegen en ander terreinverharding). c. Veilig inrichten. Door nieuwbouwplannen mag de veiligheid van een (primaire) waterkering, het waterkerend vermogen, niet worden aangetast. Dit geldt niet alleen voor de dijk zelf, maar tevens voor de beschermingszones ter weerszijden van de dijk. Voor het lozen van overtollig hemelwater op het oppervlaktewater, hetzij rechtstreeks, hetzij via een bestaande of een nieuwe inrichting (zoals een regenwaterriool), is een watervergunning noodzakelijk. Daarnaast moeten in die gebieden die onderhevig zijn aan rivierkwel de effecten van de voorgenomen plannen op de kwel in beeld worden gebracht. Indien compensatie vereist is hanteert Waterschap Rivierenland de volgende twee ontwerpbuien ten aanzien van de benodigde bergingscapaciteit: De T=10+10% neerslag. Hierbij mag het peil (van het oppervlaktewater) niet meer dan 0,2 of 0,3 m stijgen, afhankelijk van het deelgebied waarin de ontwikkeling plaats vindt. Vuistregel hierbij is 436 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 43,6 mm. De T=100+10%-neerslag. Hierbij is een peilstijging toegestaan tot laagste putdekselhoogte op wijkniveau. Vuistregel hierbij is 664 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 66,4 mm.
Deze vuistregel geldt vooral voor droogvallende voorzieningen. Indien de waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van droogvallende retentie, wordt onderscheid gemaakt tussen systemen waarbij infiltratie naar de ondergrond wel en niet mogelijk is. In dat laatste geval moet de bodem van de voorziening zich gelijk of hoger dan de GHG bevinden en mag bij een ontwerpbui T=100+10% het systeem tot aan maaiveld gevuld zijn. De ledigingstijd van het systeem moet 48 tot 96 uur bedragen. Uitgangspunten gemeente Beleidsplan Water en Riolering De gemeenteraad heeft het 'Beleidsplan Water en Riolering 2023-2027' in november 2022 vastgesteld. In dit plan legt de gemeente haar ambities en doelen voor het watersysteem vast en wordt nadere invulling gegeven aan de gemeentelijke watertaken en zorgplichten. Bij elke ingreep in de leefomgeving wil de gemeente afwegen hoe het water zo hoog mogelijk in de voorkeursvolgorde kan worden verwerkt. Hoe meer water wordt vastgehouden of geborgd hoe minder last is er van droogte, hoe minder is de inzet van pompen en gemalen nodig en des te hoger is het rendement van de RWZI's. Het afvoeren van regenwater is de laatste stap en de minst gewenste oplossing. Het uitgangspunt is dat de perceelseigenaar zelf het regenwater moet verwerken. Afvalwater en hemelwater worden afzonderlijk van elkaar ingezameld, getransporteerd en verwerkt.
Hierdoor komt er minder regenwater in het riool terecht, wat ten goede komt aan de werking van de zuiveringsinstallatie. Als verwerking op eigen terrein in redelijkheid niet mogelijk is, dan kan het overtollige regenwater afgevoerd worden naar het openbare terrein, al waar het afvoeren de verantwoordelijkheid van de gemeente is.
"TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17" (vastgesteld)
35
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17
5.9.2
Doorvertaling planvoornemen
In het kader van het omgevingsplan is een waterhuishoudkundig onderzoek uitgevoerd. Dit is bijgevoegd als bijlage 2 In dit onderzoek is de waterhuishoudkundige situatie van het plan getoetst aan het beleid van het waterschap en de gemeente. Bestaande situatie In de huidige situatie is het plangebied braakliggend en in gebruik als grasland. Er is momenteel geen bebouwing of verharding aanwezig. Het huidige maaiveld is gemiddeld gelegen op een hoogte van ca. 7,80 tot 7,90 m +NAP. De GHG is ingeschat op 7,0 m +NAP. De ontwatering is ten aanzien van huidige maaiveldniveau voldoende. Om instroming van hemelwater vanuit de omgeving te voorkomen wordt geadviseerd om de toekomstige bouwpeilen minimaal 20 tot 30 cm hoger aan te leggen dan het naastgelegen maaiveldniveaus en wegpeilen. De drooglegging bedraagt, uitgaande van maximaal peil van 6,70 m +NAP, 1,10 m tot 1,20 m. Waterkeringen In het voorliggende plangebied zijn geen waterkeringen aanwezig. Watergangen Het plangebied is niet gelegen ter plaatse van een watergang of een beschermingszone van het Waterschap. Aan de westzijde van de planlocatie, overzijde van de erftoegangsweg, ligt eentertiaire watergang (code: 093754). Tertiair water zijn sloten met vooral een waterbergende functie. Deze watergangen zijn van beperkt belang voor het waterbeheer en er geldt geen onderhoudsplicht.
Er zijn in de nabijheid van de watergang geen bouwactiviteiten gepland. Grondwater Voor de bepaling van de locatie specifieke grondwaterkarakteristieken is gebruik gemaakt van historische grondwaterdata van grondwatermeetpunten uit de omgeving. De historische meetreeksen van de gebruikte grondwatermeetpunten zijn geïnterpoleerd naar de planlocatie. Het grondwater van het eerste watervoerend pakket stroomt volgens de geraadpleegde bronnen in zuidwestelijke richting. Op basis van de beschikbare grondwatergegevens alsmede de grondwaterstromingsrichting is voor de planlocatie ingeschat dat de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) is gelegen op ca. 7,0 m +NAP. Hiermee zou de GHG zich op ca. 0,80 tot 0,90 m -mv bevinden. De planlocatie ligt niet in een grondwaterbeschermings-, grondwaterwin-, of intrekgebied. Watercompensatie Voor het compenseren van verhardingen binnen de nieuwbouwontwikkeling Hutgraaf II is de bestaande watergang aan de westzijde van de planlocatie verbreed. De waterberging binnen Hutgraaf II is, als gevolg van eerdere ontwerpen, steeds groter geworden waardoor waarschijnlijk geen overcapaciteit meer beschikbaar is. De minimale capaciteit van de hemelwaterberging is gerelateerd aan de totale omvang van het verharde oppervlak op het perceel.
Dat is de optelsom van alle bebouwing (het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken) plus alle terreinverharding, zoals terrassen. Als de toename in het verhard oppervlak niet meer bedraagt dan 500 m² worden er vanuit het waterschap verder geen compenserende maatregelen geëist. Als de totale omvang van het verhard oppervlak op het perceel niet meer is dan 500 m², moet vanuit gemeentelijk beleid de capaciteit van de hemelwaterberging 10 liter per m² verhard oppervlak zijn (oftewel 10 mm). Op basis van de toekomstig verhard oppervlak bedraagt de waterbergingsopgave voor de planlocatie in totaal 5 m³ (490 m2 x 10 mm). Uitgaande van de aanleg van een wadi binnen de gereserveerde ruimte met een diepte van 0,4 meter en een talud van 1 op 3 kan bij een waking van 0,1 meter (waterhoogte 0,3 m) ca. 10 m3 water worden geborgen. De haalbaarheid van het plan in het kader van de waterhuishouding is daarmee voldoende aangetoond. 5.9.3
Wateradvies
In het kader van de planontwikkeling is het proces van de digitale watertoets doorlopen. Op basis van de digitale procedure blijkt dat de gangbare watertoetsprocedure gevolgd moet worden. Dit betekent dat er nader overleg plaats moet vinden met Waterschap Rivierenland.
36
"TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17
Het planvoornemen is aan het waterschap voorgelegd. Zij adviseren positief over het plan, mits in de regels in de functie 'Wonen' de aanwezigheid van water en waterhuishoudkundige voorzieningen mogelijk worden gemaakt. Dit is verwerkt in de regels. Conclusie Het aspect 'waterhuishouding' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.10
Natuur en ecologie
5.10.1 Regelgeving Onder de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende activiteiten die de natuur betreffen. Daarbij kan bij de meest voorkomende activiteiten een tweedeling worden gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. De Omgevingswet introduceert daarbij nieuwe terminologie: zo wordt een activiteit die significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied voortaan aangeduid als een 'Natura 2000-activiteit', en een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten als een 'flora- en fauna-activiteit'. Een verdere vernieuwing onder de Omgevingswet is de vormgeving van de zorgplicht voor natuur. De provincie blijft in beginsel het bevoegd gezag voor taken op het gebied van de natuur (artikel 2.18, lid 1, onder g Ow). Zorgplicht De zorgplicht is in de omgevingswet opgedeeld in de algemene zorgplicht (afdeling 1.3 Ow) en de specifieke zorgplicht, waarbij de specifieke zorgplicht kan worden opgedeeld in de Specifieke zorgplicht natura2000 (art.11.6 Bal), Specifieke zorgplicht soorten (artikel 11.27 Bal) en de Specifieke zorgplicht houtopstanden (artikel 11.116 Bal). Uit de toelichting bij het Bal volgt dat deze specifieke zorgplichten voortborduren op de algemene zorgplicht in de Omgevingswet, maar concreter zijn.
Omdat zij concreter zijn, kunnen zij volgens de toelichting niet uitsluitend bestuursrechtelijk, maar ook strafrechtelijk worden gehandhaafd. De zorgplicht geldt daarbij ook voor vergunningsplichtige activiteiten. Soortenbescherming Op grond van artikel 5.1 lid 2 Ow is het verboden een flora-en-fauna-activiteit te verrichten, voor zover het gaat om een geval dat is aangewezen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Uit bijlage 1 Omgevingswet volgt dat een flora-en-fauna-activiteit een activiteit is met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (artikel 11.37 Bal), Habitatrichtlijnsoorten (artikel 11.46 Bal) en Andere soorten (artikel 11.54 Bal). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. De regels over wanneer het bevoegd gezag een omgevingsvergunning of een vrijstelling mag verlenen voor flora- en fauna-activiteiten, staan in afdeling 8.6.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Gebiedsbescherming Artikel 11.6, lid 1 van het Bal bepaalt dat degene die een activiteit verricht die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kan hebben, en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van de natuurbescherming, verplicht is om: alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Stikstofdepositie Artikel 2.15a Ow geven de (resultaatsverplichtende) omgevingswaarden voor stikstofdepositie gehandhaafd. Een activiteit die voor stikstofdepositie zorgt, wordt aangemerkt als een vergunningsplichtige Natura 2000-activiteit als significante effecten op een Natura 2000-gebied niet kunnen worden uitgesloten. De beoordelingsregels kunnen er in dat geval toe strekken dat de
"TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17" (vastgesteld)
37
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17
omgevingsvergunning alleen wordt verleend als geregistreerde stikstofdepositieruimte aan de Natura 2000-activiteit wordt toegedeeld (artikel 5.29, lid 3 Ow). 5.10.2 Doorvertaling planvoornemen Ten behoeve van voorgaande procedure is er een quickscan flora en fauna uitgevoerd voor de ontwikkeling van één vrijstaande woning achter de Burgemeester van Suchtelenstraat 17. De fruitbomen zijn al een tijd geleden gekapt en het perceel is al een geruime tijd een braakliggend grasveld. Er zijn ook geen opstallen (meer) aanwezig. Conclusie uit het voorgaande onderzoek is dat gelet op de gevonden en te verwachten ecologische waarden en de beoogde planontwikkeling het de verwachting is dat de wijziging van de functie uitvoerbaar is. Gezien de staat van het perceel is het niet aannemelijk dat deze situatie tussentijds veranderd is. Soortenbescherming In het onderzoek is op basis van de soortenbescherming geconcludeerd dat ten aanzien van algemene broedvogels overtredingen voorkomen kunnen worden door rekening te houden met het broedseizoen. Daarnaast dient bij werkzaamheden te allen tijde de zorgplicht in acht te worden genomen ten aanzien van onder andere algemene zoogdieren en amfibieën. Gezien de ongeschiktheid van de locatie is nader onderzoek toentertijd dan ook niet nodig geacht. Gebiedsbescherming De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied.
Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toenamen van geluid, licht of depositie van stikstof. Externe effecten als gevolg van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand (± 1.9 km) tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden in combinatie met de aard van de plannen (woningbouw) niet te verwachten. Daarnaast is het plangebied op bijna 3 kilometer afstand van een onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland gelegen. De wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk zullen derhalve niet worden aangetast. Met betrekking op gebiedsbescherming zijn ten aanzien van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie geen negatieve effecten te verwachten op Natura-2000 gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Het voorliggende initiatief van drie (aaneengebouwde) woningen wordt dan ook uitvoerbaar geacht. Onderzoek stikstofdepositie Er is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd voor de aanlegfase en voor de gebruiksfase. Dit onderzoek is als bijlage 3 bij de motivering gevoegd. In dit stikstofdepositieonderzoek is voor de aanlegfase en gebruiksfase van het plan Burgemeester van Suchtelenstraat 17 te Beuningen de te verwachten stikstofdepositie ter plaatse van de relevante Natura 2000-gebieden berekend.
Uit de gecombineerde berekening van de aanlegfase en gebruiksfase blijkt dat de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol N/ha/jaar. Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden dus geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Het project is daarmee in het kader van stikstofdepositie niet aan te merken als een Natura 2000-activiteit. 5.10.3 Conclusie De aspecten 'natuur' en 'ecologie' vormen geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.11
Cultureel erfgoed
Het onderdeel cultureel erfgoed gaat over zowel archeologie als cultuurhistorie. 5.11.1 Regelgeving Uit artikel 1.2 lid 2 van de Ow volgt dat cultureel erfgoed en werelderfgoed onderdeel uitmaken van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in dat een omgevingsplan regels kan bevatten die gericht zijn op het beschermen van erfgoederen (zoals aangegeven in artikel 4.1 Ow).
38
"TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17
De essentie van het beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische en cultuurhistorische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Het doel van deze wetgeving is om archeologische resten in de bodem zoveel mogelijk te behouden en cultureel erfgoed en landschap zoveel mogelijk te beschermen. Daarnaast zijn er ten aanzien van de bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden een aantal beginselen geformuleerd (artikel 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd: archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. 5.11.2 Doorvertaling planvoornemen Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan is het 'Parapluplan Archeologie' waarin het geactualiseerde archeologische beleid van 24 januari 2022 is geborgd. Deze archeologische waarden zijn doorvertaald in archeologische dubbelbestemmingen.
Archeologie Op onderstaande uitsnede is een fragment te zien van de archeologische beleidskaart:
Uitsnede archeologische beleidskaart met globale aanduiding plangebied (rode contour) Ten behoeve van de archeologische waarden is er een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 1200 m². Voor het plangebied is als tijdelijk omgevingsplan het 'Paraplubestemmingsplan Archeologie Gemeente Beuningen (2023)' van toepassing. In dit plan heeft het plangebied een Waarde – Archeologie 4. Vanwege deze aanduiding is een archeologisch onderzoek verplicht voor bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 250 m² en dieper dan 30 cm -Mv. Het archeologisch vooronderzoek is als bijlage 4 aan dit plan toegevoegd. In het advies is geconcludeerd dat naar verwachting het archeologisch relevante niveau bij de uitvoering van de werkzaamheden verstoord zal worden. Dit betreft de oeverafzettingen, die direct onder de moderne bouwvoor liggen op een diepte van circa 20 tot 65 cm -Mv (7,77 – 7,25 m +NAP). Vanaf deze diepte kunnen mogelijk nog intacte archeologische resten in de bodem aanwezig zijn.
"TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17" (vastgesteld)
39
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17
Om deze reden is de bescherming van de archeologische waarden in de regels van dit plan opgenomen. Hierdoor worden de eventueel aanwezige archeologische waarden van het gebied blijvend beschermd. In het kader van het TAM-omgevingsplan zijn de archeologische waarden op deze manier voldoende geborgd. Ten behoeve van de vergunningverlening in latere fase is er het advies om een aanvullend archeologisch onderzoek uit te voeren in de vorm van een Inventariserend Veldonderzoek met proefsleuven (IVO-P), conform KNA Protocol 4003. Hiermee kan vastgesteld worden of zich binnen het toekomstig te verstoren gebied een behoudenswaardige vindplaats bevindt. Indien tijdens het proefsleuvenonderzoek archeologische resten worden aangetroffen, kunnen deze worden gewaardeerd. De dubbelbestemmingen zijn in onderhavig TAM-omgevingsplan, conform de regels uit het 'Parapluplan Archeologie', geborgd op de verbeelding en in de regels. Cultuurhistorie Op basis van de gemeentelijke cultuurhistorische kenmerkenkaart is het plangebied gelegen binnen 'oud cultuurland' (Vroege Middeleeuwen). Daarnaast is er sprake van wegbeplanting.
Uitsnede gemeentelijke cultuurhistorische kenmerkenkaart met plangebied (oranje omkadering) De burgemeester van Suchtelenstraat ten noorden van het plangebied is aangeduid als 'weg of pad, situatie 1832' en als 'achterwende (Middeleeuwen)'. Langs de Burgemeester van Suchtelenstraat is de aanduiding 'wegbeplanting' opgenomen. Feitelijk is deze wegbeplanting op deze plek niet in betekenende mate aanwezig. Deze aanduidingen zijn verder niet van invloed op de beoogde ontwikkeling in het plangebied. De inrit wordt aangesloten op de Burgemeester van Suchtelenstraat, maar de inrit is bestaand en hiervoor hoeft geen wegbeplanting verwijderd te worden.
40
"TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17
5.11.3 Conclusie De aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' vormen geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.12
Duurzaamheid
5.12.1 Regelgeving Energiebesparing is een eerste vereiste om de energievraag te minimaliseren. Het gaat daarbij om het minimaliseren van zowel de energievraag van gebouwen als die van bedrijfsprocessen. De energie die dan nog gebruikt wordt, wordt zoveel mogelijk duurzaam opgewekt. Uitgangspunt is dat bij nieuwbouw daken geschikt moeten zijn voor zonnepanelen. Nieuwbouw moet voldoen aan de BENG. In het kader van natuurinclusief bouwen wordt er bewust ruimte gemaakt voor biodiversiteit op, aan of in een gebouw of de omgeving, zodat er meer verschillende planten- en diersoorten kunnen leven, bijvoorbeeld in de vorm van nestkasten. 5.12.2 Doorvertaling planvoornemen Door in het ontwerp van de openbare ruimte rekening te houden met de mogelijke gevolgen van klimaatverandering wordt de leefbaarheid van de nieuwe woningen in de toekomst gegarandeerd. Deze verwachte gevolgen zullen het meest merkbaar zijn in een toenemende regenintensiteit enerzijds en een toenemende droogte en hitte anderzijds. De woningen worden groen ingepast, waar dit voorheen niet planologisch was geborgd. Aspecten die gaan over water en biodiversiteit worden beschreven in paragraaf 2.2, 5.9 en 5.10. Gemeente Beuningen heeft op basis van de Woondeal 2.0 ambities opgenomen op het gebied van duurzaamheid.
Hierin wordt gestuurd op duurzame en circulaire bouw en bescherming van de biodiversiteit en wordt onder andere gestreefd naar 25% industriële bouw en 25% minder gebruik van primaire grondstoffen. Daarnaast is er oog voor verschillende doelgroepen en bouwt men levensloopbestendig en woningen die geschikt zijn voor bijzondere woonvormen. Voor het realiseren van de woningen wordt er gestreefd naar een energiezuinig plan waarin energiebesparende maatregelen worden genomen. Daarnaast is het streven om natuurinclusief te bouwen door een goede inpassing in de omgeving en het treffen van ecologische voorzieningen, e.e.a. conform de 'Kwaliteitseisen Natuurinclusief Ontwikkelen in de gemeente Beuningen' van de gemeente. De daken van de woningen worden voorzien van hellend groen met zonnepanelen. De woningen moeten uiteraard voldoen aan de laatste wettelijke normen op gebied van isolatie. De woningen in het plangebied worden duurzaam, levensloopbestendig en energiezuinig gebouwd, waarbij er aandacht is voor onder andere klimaatadaptief bouwen. Het dak van de woningen wordt afgekoppeld en al het hemelwater kan op eigen terrein infiltreren in de naastgelegen waterberging. Uiteraard worden de woningen gasloos uitgevoerd en er zal daarnaast sprake zijn van goede isolatie en een duurzame vorm van verwarming.
5.12.3 Conclusie Het aspect 'duurzaamheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
"TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17" (vastgesteld)
41
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
In dit hoofdstuk wordt verslag gedaan van de economische haalbaarheid van de nieuwe ontwikkelingen en de uitkomsten van overleg en inspraak.
6.1
Economische uitvoerbaarheid
Alle kosten die gemaakt moeten worden met het opstellen van een ruimtelijk plan zijn voor rekening van de initiatiefnemers. Hiervoor is een overeenkomst afgesloten, waarin ook de afwikkeling van eventuele verzoeken tot tegemoetkoming in planschade c.q nadeelcompensatie is geregeld. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente afdoende geregeld.
6.2
Participatie
Onderdeel van het zorgvuldig opstellen van een TAM-omgevingsplan is participatie. Bij participatie worden burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties voorafgaand aan de besluitvorming actief betrokken. De omgeving en betrokken instanties vroeg bij een project betrekken, vergroot het draagvlak en voorkomt vaak bezwaren in een later stadium. Participatie In het kader van de beoogde ontwikkeling is door de initiatiefnemers met de omwonenden gesproken. De participatie is opgenomen in het participatieverslag. Opmerkingen van omwonenden zijn waar mogelijk meegenomen in de verdere uitwerking van het plan. Zienswijzen Te zijner tijd zal het ontwerp TAM-omgevingsplan gedurende zes weken ter visie worden gelegd. De zienswijzen zullen hier of in een separate nota zienswijzen van een gemeentelijke reactie worden voorzien.
6.3
Consultatie
In het kader van het vooroverleg is het plan voorgelegd aan het Waterschap Rivierenland. Het Waterschap adviseert positief over het plan, mits in de regels in de functie 'Wonen' de aanwezigheid van water en waterhuishoudkundige voorzieningen mogelijk worden gemaakt. Dit is verwerkt in de regels.
6.4
Zienswijzen
Het ontwerp TAM-omgevingsplan “Hoofdstuk 22f [Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17]” heeft ingevolge het bepaalde in artikel 16.40 Omgevingswet (Ow) en afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 16 december 2025 tot en met 26 januari 2026 als ontwerp ter inzage gelegen. Gedurende deze periode kon eenieder - zowel mondeling als schriftelijk - zienswijzen indienen tegen het ontwerp TAM-omgevingsplan. Er is één zienswijze ontvangen. De zienswijze is binnen de gestelde termijn ingediend. In de zienswijzennota wordt de zienswijze samengevat weergegeven en van een reactie voorzien, zie bijlage 5.
42
"TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17
Bijlagen bij motivering
"TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17" (vastgesteld)
43
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17
Bijlage 1
44
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
"TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17
Bijlage 2
Watertoets
"TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17" (vastgesteld)
45
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17
Bijlage 3
46
Stikstofdepositieonderzoek
"TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17
Bijlage 4
Archeologisch onderzoek
"TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17" (vastgesteld)
47
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17
Bijlage 5
48
Nota zienswijzen
"TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17
Regels
"TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17" (vastgesteld)
49
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17
Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1
Inleidende bepalingen
Toepassingsbereik
Omgevingsplan Beuningen
Dit plan wijzigt het omgevingsplan gemeente Beuningen in die zin dat na hoofdstuk 22 een hoofdstuk 22f wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in dit plan moeten gelezen worden als afdelingen van hoofdstuk 22f van het omgevingsplan gemeente Beuningen. In de artikelkop van de artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer 22f. gelezen worden. In de kop van de bijlagen moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage 22f. gelezen worden. 1.2
Tijdelijk omgevingsplan - bestemmingsplan
De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in 1.4. 1.3
Tijdelijk omgevingsplan - bruidsschat
De regels in afdeling 22.2 met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit plan. 1.4
Verwijzing naar verbeelding
De regels in dit plan zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0209.TAMSuchtelenstr17- zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl en https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/.
50
"TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Burgemeester van Suchtelenstraat achter 17
Artikel 2
Begrippen
2.1 van toepassing verklaring Begripsbepalingen die zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit plan. 2.2