Bijlage 1 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Winssen Zuid Fase 1
Tekst van het document
Conclusie
Het aspect 'bodem' vormt na sanering van de aangetoonde verontreinigingen, geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De benodigde saneringen worden uitgevoerd tijdens het bouwrijp maken van het plangebied.
28
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c [Winssen Zuid Fase 1]" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c [Winssen Zuid Fase 1]
5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Regelgeving
Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De gevoelige objecten zijn opgesplitst in: zeer kwetsbare gebouwen kwetsbare gebouwen en locaties beperkt kwetsbare gebouwen en locaties. Plaatsgebonden risico Bij het toelaten van milieubelastende activiteiten en bij het toedelen van locaties moet voor zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties het plaatsgebonden risico (PR-10-6contour) in acht worden genomen. Bij beperkt kwetsbare gebouwen en locaties moet er rekening worden gehouden met het plaatsgebonden risico. Dit betekent dat binnen een plaatsgebonden risicocontour van een risicobron geen zeer kwetsbare gebouwen of kwetsbare gebouwen en locaties mogen worden toegestaan en dat beperkt kwetsbare gebouwen of locaties pas na een beoordeling mogen worden toegestaan. Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden. Groepsrisico: aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen.
Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden voor branden, explosies en gifwolken. Uitgangspunt is dat personen in gebouwen buiten een aandachtsgebied (brand, explosie of gifwolk) voldoende zijn beschermd. Binnen aandachtsgebieden, of voor personen die verblijven op een locatie in de buitenlucht, zal bij nieuwe initiatieven moeten worden gekeken of en welke aanvullende beschermende maatregelen nodig en te treffen zijn. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor aandachtsgebieden in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen. 5.4.2
Doorvertaling planvoornemen
Op navolgende afbeeldingen is een uitsnede weergegeven van de risicokaart. Hierop zijn de PR contouren en de aandachtsgebieden weergegeven ten aanzien van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, transportroutes over weg, water en spoor en buisleidingen. Dit blijkt ook uit het externe veiligheidsonderzoek dat is uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 8 bij de motivering gevoegd. Hoewel dit onderzoek nog is opgesteld op basis van de oude wetgeving (voordat de Omgevingswet in werking is getreden), verandert de conclusie niet uitgaande van Omgevingswet en het Bkl.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c [Winssen Zuid Fase 1]" (vastgesteld)
29
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c [Winssen Zuid Fase 1]
Uitsnede risicokaart met globale aanduiding plangebied (blauwe omkadering) Kwetsbaarheid De beoogde woningen betreffen kwetsbare gebouwen. Plaatsgebonden risico Het plangebied is niet gelegen binnen een plaatsgebonden risicocontour. Groepsrisico: aandachtsgebieden Het plangebied is niet gelegen binnen een brand, explosie of gifwolk aandachtsgebied. In relatie tot het plan is alleen het vrijkomen van toxische wolken relevant. Deze kunnen vrijkomen bij calamiteiten op de A50 of N322. In het geval dat de wolk zich richting plangebied beweegt moeten aanwezigen direct worden gewaarschuwd, bijvoorbeeld met behulp van sirenes en NL-Alert. Ramen en deuren moeten worden gesloten en aanwezigen moeten inpandig schuilen tot het gevaar is geweken. Bij voorkeur worden de woningen uitgerust met ventilatievoorzieningen die eenvoudig centraal uitgeschakeld en/of dichtgezet kunnen worden. Gelet op de afstanden tot risicobronnen en mogelijke calamiteiten zal de nadruk van beheersing en bestrijding bij de bron liggen, ook wat betreft zorgverlening. Advies Veiligheidsregio Gelderland-Zuid Op basis van het advies van de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid van 25 maart 2024 wordt het onderdeel externe veiligheid voor dit plan niet relevant geacht, omdat er in de directe nabijheid van het plangebied geen relevante risicobronnen aanwezig zijn.
Voor het onderdeel bluswatervoorziening en bereikbaarheid zijn uitgangspunten meegegeven. 5.4.3
Conclusie
Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
30
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c [Winssen Zuid Fase 1]" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c [Winssen Zuid Fase 1]
5.5
Bedrijven en milieuzonering
5.5.1
Regelgeving
Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit. Bij milieuzonering gaat het specifiek om de milieuthema's die afstandsgerelateerd zijn. Afstandsgerelateerd wil zeggen dat de milieubelasting afneemt bij grotere afstand, zoals bij geluid en geur. Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van bedrijfsmatige activiteiten worden gerealiseerd, moet worden gemotiveerd in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige bedrijfsmatige activiteiten. Maar ook andersom moet aandacht worden besteed aan de rechten van de aanwezige bedrijfsmatige activiteiten. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering beperken. Datzelfde geldt uiteraard ook voor de situatie dat bedrijfsmatige activiteiten zich vestigen/wijzigen in de nabijheid van bestaande gevoelige functies. In de loop van 2024 wordt de VNG-uitgave 'Activiteiten en milieuzonering' verwacht. Er wordt in deze handreiking geen gebruik gemaakt van milieucategorieën, maar van gebruiksruimte. Onder gebruiksruimte wordt verstaan de ruimte die een bedrijf mag benutten. 5.5.2
Doorvertaling planvoornemen
Totdat de nieuwe VNG-handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' is verschenen, wordt nog uitgegaan van de richtafstanden uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. Voor het vaststellen van de minimum richtafstanden tussen bedrijven en milieugevoelige functies worden de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gebruikt. Bedrijven zijn in de VNG-handreiking ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd als sprake is van omgevingstype gemengd gebied.
Richtafstanden VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' Voorgaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een woonwijk en gemengd gebied. Als de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Wanneer niet aan de richtafstanden wordt voldaan, is een nadere beschouwing danwel onderzoek nodig. Er is een quickscan bedrijven en milieuzonering uitgevoerd voor de totale ontwikkeling in Winssen Zuid. Het onderzoek is als bijlage 7 bij de motivering gevoegd. Omdat fase 1 een kleiner gebied beslaat dan de totale ontwikkeling, zijn de resultaten van deze quickscan vertaald naar dit kleinere gebied.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c [Winssen Zuid Fase 1]" (vastgesteld)
31
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c [Winssen Zuid Fase 1]
Rondom het plangebied zijn 3 bestemmingen waarvoor nader akoestisch onderzoek gewenst is, wanneer binnen de richtafstand tot die bestemmingen woningen worden geprojecteerd. In tegenstelling tot wat in de quickscan is aangegeven blijft het bedrijf Willems Winssen in werking tijdens de realisatie van fase 1. Daarom is ook dit bedrijf nader beschouwd, hierbij is ervan uitgegaan dat sprake is van een gemengd gebied. Voor het bepalen van het gebiedstype van de omgeving van het plangebied Winssen Zuid Fase 1 sluit DGMR aan bij het akoestisch onderzoek van De Roever (kenmerk: 20140752/D01/SB, datum: 30-12-2014) dat in opdracht van Willems Winssen is opgesteld naar het geluid van het bedrijf voor de toenmalig gewenste uitbreiding. In dit onderzoek is op basis van de volgende overwegingen uitgegaan van het gebiedstype gemengd gebied: De in de structuurvisie aangeduide locaties voor mogelijke woningbouw zijn gelegen in een omgeving waarbij meerdere bedrijven zijn gevestigd (metaalbedrijf, loonbedrijf, agrarische bedrijven, transportbedrijf) en diverse maatschappelijke voorzieningen. De Geerstraat en de Leegstraat vormen de verbindende routes tussen het dorp en de Van Heemstraweg.
Vanwege de bedrijfsactiviteiten die in de omgeving zijn toegestaan en het aantal wegen met een hoge verkeersintensiteit die op korte afstand aanwezig zijn, bestaat er geen twijfel dat het plangebied Winssen Zuid Fase 1 moet worden beoordeeld als het gebiedstype gemengd gebied. Functie
Adres
Milieucategorie Richtafstand Afstand tot het (m) plangebied (m)
Willems Winssen - Grond-, weg en waterbouwbedrijf - Loon- en sloopwerkbedrijf - Transportbedrijf - Bedrijf gericht op de verhuur van kraan- en grondverzetmachines
Geerstraat 3a
3.1
50
12
Transportbedrijf
Van Heemstraweg 75
3.1
50
25
Scouting
Kennedysingel 8a
1
10
0
Op basis van voorgaande tabel kan worden geconcludeerd dat het plangebied gelegen is in de geluidshindercontour van Willems Winssen, het transportbedrijf en de scouting. Ten aanzien van het transportbedrijf wordt desondanks wel aan de betreffende richtafstand voldaan omdat het woongebied op 50 m van de bedrijfsfunctie is voorzien. In geval van Willems Winssen en de scouting kan niet aan de richtafstand worden voldaan. Zodoende is voor zowel het bedrijf als voor de scouting een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd, zie voor de resultaten hiervan subparagraaf 5.6.2. Trillingen Het bedrijf Willems Winssen beschikt over een puinbreker die voor de duur van maximaal 6 dagen per jaar mag worden gebruikt. In het kader van deze activiteit is onderzoek uitgevoerd om te bepalen of voldaan wordt aan de normen voor continu trillingen, zie bijlage 12. In art 7.18 van het Besluit Bouwwerken leefomgeving zijn trillingsnormen voor bouw- en sloopwerkzaamheden opgenomen, omdat deze een beperkt aantal dagen mogen voorkomen. Uit artikel 7.38 van het Bbl volgt dat deze normen ook van toepassing zijn op het tijdelijk inzetten van een puinbreker. Het in bedrijf hebben van een puinbreker op het terrein van grondverzetbedrijf Willems in Winssen veroorzaakt trillingen die van invloed kunnen zijn op het nieuwbouwplan Winssen-Zuid.
Niet zozeer de activiteiten van de roterende puinbreker zelf alswel de voorbehandeling van puin en het vullen van de breker zijn activiteiten die de hoogste trillingen opwekken. De uitgevoerde prognoses op basis van referentiemeetprojecten geven aan dat: op een afstand van 100 meter van de breeklocatie er voldaan wordt aan de standaardwaarden uit het Bkl. op minimaal 150 meter afstand van de breeklocatie de te verwachten trillingen in te bouwen woningen onder de voelbaarheidsgrens zullen liggen.
32
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c [Winssen Zuid Fase 1]" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c [Winssen Zuid Fase 1]
Hieruit volgt dat voor de planinvulling een afstand van minimaal 100 meter tot de vergunde opstellocatie van de puinbreker is aan te houden. Het bebouwingsvlak valt buiten deze afstand. Stof Volgens de VNG-publicatie is de richtafstand voor stof 10 meter voor een gemengd gebied voor de hierboven beschreven bedrijfscategorieën die overeenkomen met de activiteiten van Willems Winssen. De richtafstand moet worden gemeten vanaf de grens van het bedrijfsterrein tot het bouwvlak waar woningen volgens het omgevingsplan mogen worden gerealiseerd. De grens van het bouwvlak van de nieuwe woningen die met het omgevingsplan mogelijk worden gemaakt, ligt op meer dan 30 meter afstand van de grens van de bestemming bedrijf waarbinnen Willems Winssen haar bedrijfsactiviteiten mag uitvoeren. Naast de beoordeling op basis van richtafstanden kan ook op basis van de regels uit het omgevingsplan en de voorschriften uit de geldende vergunning van Willems Winssen worden gemotiveerd dat op de beoogde locatie van de nieuwe woningen geen onaanvaardbare stofhinder vanwege Willems Winssen mag ontstaan. In artikel 22.20 van het omgevingsplan is voorgeschreven dat het bedrijf geen stofhinder voor de omgeving mag veroorzaken.
Volgens voorschrift 3.3.1 uit de omgevingsvergunning dient Willems Winssen het stof dat ontstaat bij het puinbreken op de volgende manier te beperken: “De puinbreekinstallatie dient voorzien te zijn van een vaste sproei-installatie. Tijdens het breken dient het bouw- en sloopafval zodanig vochtig te zijn of te worden gehouden dat stuiven wordt voorkomen. De dosering van het sproeiwater dient te worden afgestemd op de behoefte. Er mag hierbij geen afvalwater vrijkomen.” Op basis van de richtafstand en de voorschriften uit het omgevingsplan en de geldende vergunning, wordt geconcludeerd dat vanwege het aspect ‘stof’ sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat binnen het plangebied. Daarnaast kan de woningbouw de activiteiten van het bedrijf niet belemmeren. 5.5.3
Conclusie
Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.6
Geluid
5.6.1
Regelgeving
Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat instructieregels in afdeling 3.5 (o.a. normen) voor: het geluid van geluidveroorzakende activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en het toelaten van geluidgevoelige gebouwen in het geluidaandachtsgebied (van wegen, spoorwegen en industrieterreinen, artikel 3.18 lid 1 Bkl). Geluidgevoelige gebouwen Het Bkl bevat in artikel 3.21 een definitie van geluidgevoelige gebouwen. Hier vallen gebouwen onder met een woonfunctie, een onderwijsfunctie, een gezondheidszorgfunctie (met bedgebied) en kinderopvang (met bedgebied). Het Bkl bevat niet de mogelijkheid voor een gemeente om de definitie van geluidgevoelige gebouwen uit te breiden. Bij nieuwe ontwikkelingen moeten gemeenten in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wel rekening houden met geluid op niet door het Bkl aangewezen gebouwen en locaties. Geluidaandachtsgebieden In het Bkl is bepaald dat het omgevingsplan waarborgt dat het geluid veroorzaakt door een (spoor)weg of industrieterrein op een voor geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied aanvaardbaar is. Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen binnen een geluidbronsoort.
De waarden die bij toelaten van een geluidgevoelig gebouw voor de geluidbronsoorten met een geluidproductieplafond (gpp) als omgevingswaarde gelden, staan in navolgende tabel:
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c [Winssen Zuid Fase 1]" (vastgesteld)
33
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c [Winssen Zuid Fase 1]
Standaardwaarde (dB) (tabel 3.34 Bkl)
Grenswaarde (dB) (tabel 3.35 Bkl)
Provinciale wegen Rijkswegen
50 Lden
65 Lden
Gemeentewegen Waterschapswegen
53 Lden
70 Lden
Hoofdspoorwegen
55 Lden
70 Lden
Industrieterreinen
50 Lden
60 Lden
40 Lnight
50 Lnight
Geluidbronsoort
De geluidaandachtgebieden zijn - indien gepubliceerd - opgenomen op de kaart van de Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG). Dit geluidsregister is op dit moment nog vrijwel leeg. Voldoen aan de standaardwaarde is de hoofdregel (artikel 3.34 Bkl). Als het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 3.35 tot en met 3.40 Bkl en 5.78n e.v. Bkl ). In het omgevingsplan kunnen dan flexibiliteitsbepalingen worden opgenomen om voor het toelaten van een geluidgevoelig gebouw af te wijken van de standaardwaarden (vergelijkbaar met het hogere grenswaardenbesluit zoals we dat voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet kenden). Bij geluid tussen de standaardwaarde en de grenswaarde vindt een bestuurlijke afweging plaats en gelden een aantal eisen. Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als voldaan wordt aan een van de voorwaarden onder artikel 5.78z lid 1 onder a of b, 5.78z lid 2, 5.78ab lid 2, 5.78ac en 5.78ad Bkl.
Op grond van artikel 5.78i Omgevingswet hebben alle verharde wegen met een jaargemiddelde verkeersintensiteit van 1.000 motorvoertuigen of meer - los van de snelheid - ook een geluidaandachtsgebied, met uitzondering van woonerven. Zolang er geen basisgeluidsemissies met bijbehorende aandachtsgebieden vast zijn gelegd geldt op grond van artikel 17.5 van de Omgevingsregeling een geluidaandachtgebied waarbij bij een gemeentelijke weg of waterschapsweg de breedte van het geluidaandachtsgebied wordt bepaald door vaste afstanden tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip: Aantal rijstroken
Maximum snelheid weg (km/u)
Breedte zone (m)
1 of 2
30 of minder
100
1 of 2
meer dan 30
200
3 of meer
350
Geluid door activiteiten Onder 'geluid door activiteiten' vallen nagenoeg alle activiteiten (zoals activiteiten van bedrijven). Het Bkl wijst in artikel 5.55 de activiteiten aan die er niet onder vallen. Zo bepaalt het Bkl dat de activiteit wonen geen geluidveroorzakende activiteit is. Het Bkl bevat zelf geen definitie van het begrip wonen, maar de toelichting bij het Bkl geeft aan dat een beroep of bedrijf aan huis en een 'uit de hand gelopen hobby' geen verband houden met de activiteit wonen. Dit is vergelijkbaar met de wetgeving voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet waar de milieuregels ook van toepassing zijn op activiteiten die worden verricht in een omvang alsof zij bedrijfsmatig zijn. Het Bkl bepaalt in artikel 5.59 dat het omgevingsplan waarborgt dat het geluid veroorzaakt door een geluidveroorzakende activiteit (zoals activiteiten bij bedrijven) op een geluidgevoelig gebouw aanvaardbaar is. Er wordt voldaan aan dit aanvaardbaarheidsvereiste als het omgevingsplan de standaardwaarden van het Bkl overneemt. Het Bkl bevat standaardwaarden voor toelaatbaar geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. Deze standaardwaarden zijn overgenomen in navolgende tabel: 34
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c [Winssen Zuid Fase 1]" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c [Winssen Zuid Fase 1]
Standaardwaarde toelaatbaar geluid op 07.00 - 19.00 uur een geluidgevoelig gebouw
19.00 - 23.00 uur
23.00 - 7.00 uur
45 dB(A)
40 dB(A)
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen
70 dB(A)
70 dB(A)
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden
65 dB(A)
65 dB(A)
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten
50 dB(A)
Voldoen aan de standaardwaarde is de hoofdregel (artikel 5.64 Bkl). Als het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 5.65 en 5.66 Bkl). Indien de gemeente een soepelere norm wil opnemen in het omgevingsplan, moet door middel van onderzoek vaststaan dat de binnenwaarde (het geluid binnen de geluidgevoelige gebouwen) niet hoger is dan de normen die het Bkl daarvoor stelt. Indien de gemeente een strengere norm wil opnemen, moet aangetoond worden dat de bestaande geluidveroorzakende activiteiten niet worden beperkt ten opzichte van het huidige recht. In het omgevingsplan kunnen dan flexibiliteitsbepalingen worden opgenomen om voor één of meerdere geluidgevoelige ruimte(n) binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen af te wijken van de standaardwaarden. Deze mogen de grenswaarden niet overschrijden. De grenswaarden worden niet bepaald op de gevel, maar in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen.
De grenswaarden zijn overgenomen in navolgende tabel: Grenswaarde toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en 07.00 - 19.00 uur aanpandige geluidgevoelige gebouwen
19.00 - 23.00 uur
23.00 - 7.00 uur
30 dB(A)
25 dB(A)
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen
55 dB(A)
55 dB(A)
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden
45 dB(A)
45 dB(A)
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten
5.6.2
35 dB(A)
Doorvertaling planvoornemen
Wegverkeerslawaai In het kader van het planvoornemen is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd om de geluidbelasting afkomstig van wegverkeer, van onder andere de Van Heemstraweg, op de te realiseren woningen te bepalen. Dit onderzoek is als bijlage 9 bij de motivering gevoegd.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c [Winssen Zuid Fase 1]" (vastgesteld)
35
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c [Winssen Zuid Fase 1]
Berekend geluid als gevolg van gemeentewegen op 2 meter (links), 5 meter (midden) en 8 meter (rechts) Het geluid op de nieuw te bouwen woningen bedraagt ten hoogste 60 Lden als gevolg van de gemeentewegen, deze waarde is in de regels opgenomen voor de betreffende bouwvlakken. Er treedt een overschrijding op van de standaardwaarde binnen woonblokken 1 en 3. De grenswaarde van 70 Lden wordt niet overschreden. Het toepassen van een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is dan ook niet noodzakelijk. In hoofdstuk 5 van het onderzoek worden geluidbeperkende maatregelen overwogen om aan de standaardwaarde te kunnen voldoen. Het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen is echter niet doelmatig. Voor de woningen moet het akoestisch klimaat in de woning (het zogenaamde binnenniveau) worden gegarandeerd. Voor de bouw van een aantal woningen is in het kader van de omgevingsvergunningaanvraag voor bouwen een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels noodzakelijk. Het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (Bbl) geeft in artikel 4.103 de minimumeis voor de karakteristieke geluidwering. De karakteristieke geluidwering Ga;k van de gevel van een verblijfsgebied moet ten minste gelijk zijn aan de hoogste waarde van de geluidbelasting minus 33 dB óf 20 dB. Het verschil tussen het hoogste gezamenlijk geluid en 33 dB is 27 dB.
Met de uitwerking van de bouwkundig ontwerpen wordt vanuit het bepaalde in de Bbl rekening gehouden met de vereiste gevelwering. karakteristieke geluidwering. Dit gebied is als zodanig aangeduid op de plankaart en geborgd in de regels. Railverkeerslawaai De woning in het plangebied is niet gelegen nabij een spoorlijn. Akoestisch onderzoek naar railverkeerslawaai is daarom niet benodigd. Industrielawaai (geluid door activiteiten) De woningen binnen het plangebied zijn niet gelegen binnen de zone van een geluidgezoneerd industrieterrein. Wel is ter plaatse van plangebied een deel van de geluidshindercontour van het bedrijf Willems Winssen en van de scouting gelegen. Willems Winssen Om de impact van het bedrijf op de beoogde woningen te bepalen is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 10 bij de motivering gevoegd. Op basis van het akoestisch onderzoek van De Roever uit 2019, is in voorliggend onderzoek inzichtelijk gemaakt binnen welk gebied het mogelijk is om woningen te ontwikkelen. Hierbij is zowel rekening gehouden met het voorkomen van het belemmeren van de bedrijfsvoering van Willems Winssen als met het realiseren van een goed woon- en leefklimaat van de nieuwe woningen. In navolgende figuur zijn alle contourlijnen samengevoegd die een beperking opleveren voor het ontwikkelen van woningen.
Met een groene lijn is aangegeven binnen welk gebied het is toegestaan om woningen te realiseren. Tussen de oranje en groene lijn kunnen alleen woningen worden ontwikkeld als de vergunningvoorschriften van het bedrijf Willems Winssen worden gewijzigd. Op navolgende afbeelding zijn de contouren uit het onderzoek over de verkavelingsopzet geprojecteerd:
36
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c [Winssen Zuid Fase 1]" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c [Winssen Zuid Fase 1]
De contouren laten zien waarbinnen woningen ontwikkeld kunnen worden. Omdat een deel van de woningen geprojecteerd is binnen de groene contour, maar buiten de oranje contour, wordt er een aanduiding op de verbeelding opgenomen dat de betreffende woningen niet eerder gerealiseerd kunnen worden, dan nadat het bedrijf niet meer aanwezig is en er sprake is van een onherroepelijk omgevingsplan voor een activiteit die niet leidt tot hinderuitstraling op de betreffende woningen of als uit onderzoek blijkt dat er geen hinder bestaat vanuit het bedrijf op de woningen. Verder adviseert het onderzoeksbureau om de voorzijde van de eerstelijns woningen richting de bedrijfskavel te richten, wordt een stillere achterzijde gecreëerd. Bewoners krijgen daardoor een woonkamer, hoofdslaapkamer en een tuin waar de bedrijfsactiviteiten minder geluid veroorzaken. Zoals te zien op de verkavelingsopzet is hiermee rekening gehouden bij de woningen die binnen de groene contour zijn gelegen. Tenslotte adviseert het onderzoeksbureau om potentiële bewoners vroegtijdig te informeren over de puinbreker die Willems Winssen gebruikt. In de directe nabijheid van de puinbreker kan 6 dagen per jaar een geluidsniveau optreden dat door bewoners als bijzonder hinderlijk kan worden ervaren. Scouting Om de impact van de scouting op de beoogde woningen te bepalen is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd.
Dit onderzoek is als bijlage 11 bij de motivering gevoegd. Het onderzoek industrielawaai heeft als doel het bepalen van de geluidsbelasting op de gevels van de nieuw te realiseren woningen als gevolg van de activiteiten van de scouting en deze te toetsen aan de waarde uit het vigerende Omgevingsplan. Het hoogst berekende langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en de indirecte hinder wordt berekend op de randen van de bouwvlakken naast de scouting. Aan de grenswaarden uit de bruidsschat wordt voldaan. De realisatie van de nieuwbouwwoningen zullen niet leiden tot een beperking van de activiteiten van de scouting.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c [Winssen Zuid Fase 1]" (vastgesteld)
37
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c [Winssen Zuid Fase 1]
5.6.3
Conclusie
Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.7
Luchtkwaliteit
5.7.1
Regelgeving
Uit artikel 1.2 lid 2 Ow volgt expliciet dat lucht onderdeel uitmaakt van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in dat een omgevingsplan regels kan bevatten die gericht zijn op het beschermen van lucht (zoals aangegeven in artikel 4.1 Ow). De rijksoverheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO 2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Er wordt getoetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 Bkl. Deze gaan over: beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden; ammoniakemissies van veehouderijen; geologische opslag van CO 2. 5.7.2
Doorvertaling planvoornemen
Het plangebied is niet gelegen in of nabij één van de aandachtsgebieden uit artikel 5.51, lid 2 Bkl. Bovendien geldt dat de ontwikkeling van een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Voorliggend initiatief voor fase 1 van Winssen Zuid maakt de realisatie van maximaal 259 woningen mogelijk en draagt zodoende niet in betekenende mate bij aan de verhoging van de luchtverontreiniging. Bestaande luchtkwaliteit Op basis van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK), zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het monitoringsjaar 2021 (monitoringsronde 2023) bepaald. Hieruit blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarden (40 µg/m3 voor NO2 en PM10 en 25 µg/m3 voor PM2,5) ter plaatse van het dichtstbijzijnde toetspunt (27364178_20288) op de meest nabij gelegen gemonitorde weg, de A50, niet worden overschreden. De waardes bedragen 25,2 µg/m3 voor NO2, 18,4 µg/m3 voor PM10 en 10,1 µg/m3 voor PM2,5. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. 5.7.3
Conclusie
Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
38
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c [Winssen Zuid Fase 1]" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c [Winssen Zuid Fase 1]
5.8
Geur
5.8.1
Regelgeving
Het Bkl bevat een instructieregel dat zorg gedragen moet worden dat geur veroorzaakt door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Geurgevoelige gebouwen De volgende gebouwen worden als 'geurgevoelige gebouwen' aangemerkt: gebouwen met een woonfunctie; gebouwen met een onderwijsfunctie; gebouwen met een gezondheidszorgfunctie (met bedgebied); gebouwen met een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang (met bedgebied). Geurveroorzakende activiteiten Voor 'geurveroorzakende activiteiten' wordt onderscheid gemaakt in: het houden van landbouwhuisdieren; andere agrarische activiteiten; zuiveringstechnische werken; overige bronnen van geurhinder (vaak betiteld als industriële geurhinder). 5.8.2
Doorvertaling planvoornemen
Vanwege veehouderijen in de omgeving van het plangebied is er een onderzoek geurhinder veehouderijen uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 13 bij de motivering gevoegd. Het bouwvlak van de meest nabijgelegen veehouderij, aan de Leegstraat 27, ligt op 120 meter afstand van de rand van het te ontwikkelen plangebied. Hiermee wordt ruim voldaan aan de in de Wet opgenomen vaste afstanden tussen veehouderijen en geurgevoelige locaties. Met betrekking tot de vaste afstanden worden geen belemmeringen voorzien voor de doorgang van het initiatief. Om inzicht te krijgen in de mate van geurhinder ter plaatse van de toekomstige woning is zowel de voorgrond- als de achtergrondbelasting berekend met respectievelijk V-Stacks vergunning en gebied (versie 2020). Op basis van de berekende voorgrondbelastingen wordt geconcludeerd dat de wettelijke geurnorm van 2,0 ouE/m³ ter plaatse van het plangebied enkel ten gevolge van de geuremissies van de veehouderij aan de Leegstraat 27 wordt overschreden. Nader onderzoek toont echter aan dat het agrarisch bedrijf niet meer actief is en er geen dieren meer aanwezig zijn. De veehouderij zal hierdoor geen relevante geuremissies veroorzaken. De voorgrondbelasting ter plaatse van het te ontwikkelen plangebied wordt derhalve acceptabel geacht. De maximale achtergrondbelasting bedraagt 2,3 ouE/m³ voor het plangebied.
Het percentage geurgehinderden blijft hiermee beperkt tot 6,9%. Op basis van het percentage geurgehinderden en de GGD-richtlijn kan gesteld worden dat de milieukwaliteit als gevolg van de veehouderijen tot goed zal zijn. Op basis van het geuronderzoek wordt geconcludeerd dat voor de realisatie van het nieuwbouwplan geen beperkingen gelden. Ter plaatse van de geurgevoelige locaties wordt voldaan aan de eisen uit de Omgevingswet. De bestaande veehouderijen worden door de realisatie van het plan niet beperkt en er wordt een acceptabel woon- en leefklimaat mogelijk gemaakt. 5.8.3
Conclusie
Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c [Winssen Zuid Fase 1]" (vastgesteld)
39
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c [Winssen Zuid Fase 1]
5.9
Waterhuishouding
5.9.1
Regelgeving
Algemeen Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland. Voor het plangebied is het volgende waterhuishoudkundige beleid van toepassing: Rijksbeleid: Waterwet, Nationaal Waterplan 2022 - 2027, Waterbeleid in de 21e eeuw en Nationaal Bestuursakkoord Water; Provinciaal beleid: Omgevingsvisie Gelderland; Waterschapsbeleid: Watervisie 2050, Waterbeheerprogramma 2022 - 2027 'Versterken, verbinden, vergroenen', Nota riolering 'Samen door één buis' (2019) en de Keur voor waterkeringen en wateren; Gemeente: Beleidsplan Water en Riolering 2023-2027 en Verordening afvoer hemel- en grondwater 2023. Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert de overheid het volgende criterium met betrekking tot het duurzaam omgaan met water: Doordat een toename van het verhard oppervlak ertoe leidt dat het afvoerverloop niet meer natuurlijk is, is het beleid erop gericht het regenwater zoveel mogelijk te infiltreren naar het freatisch grondwater, waardoor een meer natuurlijk afvoerverloop ontstaat. Dit vertaalt zich in de volgende richtlijnen: 1. Nieuwe plannen moeten voldoen aan het principe van het 'hydrologisch neutraal' bouwen. Hierbij moet de hydrologische situatie, voor wat betreft de afvoer van hemelwater, minimaal gelijk blijven aan de oorspronkelijke situatie.
De oorspronkelijke landelijke afvoer (naar het oppervlaktewater) mag niet overschreden worden. 2. In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht moet worden hoe met het schone hemelwater omgegaan kan worden. 3. Bij alle nieuwbouwplannen moet (vuil) afvalwater en (schoon) hemelwater gescheiden worden behandeld. Het schone en vuile water worden daarbij apart aangeleverd aan de riolering of, indien mogelijk, wordt het schone water aan de natuur teruggegeven. Dit is ook het geval als in openbaar gebied nog steeds een gemengd rioolstelsel aanwezig is. Bij de inrichting, het bouwen en het beheer moeten zo min mogelijk vervuilende stoffen aan het bodem- en oppervlaktewatersysteem worden toegevoegd. Hierbij verdient het materiaalgebruik speciale aandacht: uitloogbare of uitspoelbare bouwmaterialen moeten worden vermeden om watervervuiling te voorkomen. Uitgangspunten Waterschap Rivierenland Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 'Versterken, verbinden, vergroenen' beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd.
De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema's: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit. De uitgangspunten die door het waterschap worden gehanteerd in het kader van de watertoets kunnen worden verwoord als: a. Waterneutraal inrichten. Om te voorkomen dat door de aanleg van nieuw verhard oppervlak wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang om het verlies aan waterberging in de bodem te compenseren. b. Schoon inrichten. Om te voorkomen dat de waterkwaliteit van het oppervlaktewater negatief wordt beïnvloed. Binnen het stedelijk gebied zal daarom schoon hemelwater van nieuwbouwprojecten gescheiden van het vuilwater moeten worden afgevoerd: afkoppelen. Het waterschap streeft naar 100 % afkoppeling van schoon hemelwater van verharde oppervlakken (gebouwen, wegen en ander terreinverharding). c. Veilig inrichten. Door nieuwbouwplannen mag de veiligheid van een (primaire) waterkering, het waterkerend vermogen, niet worden aangetast. Dit geldt niet alleen voor de dijk zelf, maar tevens voor de beschermingszones ter weerszijden van de dijk.
40
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c [Winssen Zuid Fase 1]" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c [Winssen Zuid Fase 1]
Voor het lozen van overtollig hemelwater op het oppervlaktewater, hetzij rechtstreeks, hetzij via een bestaande of een nieuwe inrichting (zoals een regenwaterriool), is een watervergunning noodzakelijk. Daarnaast moeten in die gebieden die onderhevig zijn aan rivierkwel de effecten van de voorgenomen plannen op de kwel in beeld worden gebracht. Indien compensatie vereist is hanteert Waterschap Rivierenland de volgende twee ontwerpbuien ten aanzien van de benodigde bergingscapaciteit: De T=10+10% neerslag. Hierbij mag het peil (van het oppervlaktewater) niet meer dan 0,2 of 0,3 m stijgen, afhankelijk van het deelgebied waarin de ontwikkeling plaats vindt. Vuistregel hierbij is 436 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 43,6 mm. De T=100+10%-neerslag. Hierbij is een peilstijging toegestaan tot laagste putdekselhoogte op wijkniveau. Vuistregel hierbij is 664 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 66,4 mm. Deze vuistregel geldt vooral voor droogvallende voorzieningen. Indien de waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van droogvallende retentie, wordt onderscheid gemaakt tussen systemen waarbij infiltratie naar de ondergrond wel en niet mogelijk is.
In dat laatste geval moet de bodem van de voorziening zich gelijk of hoger dan de GHG bevinden en mag bij een ontwerpbui T=100+10% het systeem tot aan maaiveld gevuld zijn. De ledigingstijd van het systeem moet 48 tot 96 uur bedragen. Uitgangspunten gemeente Beleidsplan Water en Riolering De gemeenteraad heeft het 'Beleidsplan Water en Riolering 2023 - 2027' in november 2022 vastgesteld. In dit plan legt de gemeente haar ambities en doelen voor het watersysteem vast en wordt nadere invulling gegeven aan de gemeentelijke watertaken en zorgplichten. Bij elke ingreep in de leefomgeving wil de gemeente afwegen hoe het water zo hoog mogelijk in de voorkeursvolgorde kan worden verwerkt. Hoe meer water wordt vastgehouden of geborgd hoe minder last is er van droogte, hoe minder is de inzet van pompen en gemalen nodig en des te hoger is het rendement van de RWZI's. Het afvoeren van regenwater is de laatste stap en de minst gewenste oplossing. Het uitgangspunt is dat de perceelseigenaar zelf het regenwater moet verwerken. Afvalwater en hemelwater worden afzonderlijk van elkaar ingezameld, getransporteerd en verwerkt. Hierdoor komt er minder regenwater in het riool terecht, wat ten goede komt aan de werking van de zuiveringsinstallatie.
Als verwerking op eigen terrein in redelijkheid niet mogelijk is, dan kan het overtollige regenwater afgevoerd worden naar het openbare terrein, al waar het afvoeren de verantwoordelijkheid van de gemeente is. 5.9.2
Doorvertaling planvoornemen
Er is een waterhuishoudkundig plan opgesteld waarin het beoogde watersysteem binnen het toekomstige woongebied is doorberekend. Dit plan is als bijlage 14 bij de motivering gevoegd. De bijlagen 1 t/m 6 behorende bij dit onderzoek zijn als bijlage 15 bij de motivering gevoegd. Bijlagen 7 t/m 10a zijn als bijlage 16 aan de motivering gevoegd. In overleg met gemeente Beuningen bestaat het proces watertoets voor dit plan uit twee waterhuishoudkundige plannen. In dit waterhuishoudkundig plan deel 1 (whh-plan 1) is een inhoudelijke verkenning gemaakt van het gebied en de waterhuishouding. De (geo-)hydrologie binnen het plan is beschreven en de beleidsuitgangspunten en richtlijnen zijn benoemd voor het plangebied (fase 1 en fase 2). Daarnaast is het type watersysteem en zijn de gevolgen voor het plan voor fase 1 beschreven. Fase 2 is hierbij buiten beschouwing gelaten. Whh-plan 1 is bedoeld voor de omgevingsplanprocedure. In whh-plan 2 zal de waterhuishouding verder worden uitgewerkt als onderdeel van het definitief ontwerp.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c [Winssen Zuid Fase 1]" (vastgesteld)
41
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c [Winssen Zuid Fase 1]
De bestaande waterlopen en het landschap is onderlegger en zijn mede-ordenend voor de ruimtelijke opzet van het stedenbouwkundig plan met bijbehorend watersysteem. Het hemelwater wordt verwerkt conform de voorkeursvolgorde vasthouden-bergen-afvoeren. De (hoofd)waterstructuren worden primair voor aan- en afvoeren gebruikt. Bestaande waterlopen blijven zo veel als mogelijk gehandhaafd en worden waar mogelijk verbreed. De bestaande waterhuishouding en verloop van grondwater blijft hierdoor zo veel als mogelijk gehandhaafd. Het plan kenmerkt zich door de centrale primaire waterloop welke wordt ingericht als groen/blauwe loper met aan één zijde (zijde fase 1) een natuurvriendelijke oever (NVO) en aan de andere zijde (fase 2) een verbreding van de waterloop met een flauw talud. Naast de verbreding van de centrale waterloop wordt waterberging gevonden in retentievoorzieningen en verlaagde bermen. Deze bergingsvoorzieningen zijn centraal in de woonwijken, dicht bij waar het hemelwater valt, in ‘dorpse routes’ gesitueerd en zijn vooral noord/zuid gericht. Aan de zuid-/zuidwestzijde is een groot gebied met retentievoorzieningen gesitueerd. De verlaagde bermen zorgen voor berging en voorzuivering van het water alvorens dit water verder afstroomt naar de waterlopen.
De verlaagde bermen staan met elkaar in verbinding door middel van open (rooster)goten of hemelwater riolering in combinatie met slokops. Op deze manier functioneren ze als één systeem. Het systeem zal langzaam leeg lopen naar de omliggende waterlopen met een maximale afvoer van 1,5 l/s/ha. Dit zal per afwateringsgebied berekend moeten worden waarbij een knijpconstructie, zoals bijvoorbeeld een inspectieput met geknepen doorlaat, deze maximale landelijke afvoer waarborgt. Vanuit de ‘wadi’s’ wordt het water afgevoerd naar de secundaire waterlopen welke met name oost/west zijn gericht. De secundaire waterlopen stromen af naar de centrale primaire waterloop (groen/blauwe loper). In deze secundaire waterlopen wordt waterberging gevonden door deze te verbreden, binnen fase 2. Daarnaast worden binnen fase 1 aan de zuidzijde twee nieuwe secundaire waterlopen gegraven. De minimale aanlegpeilen per functie kunnen worden bepaald op basis van de minimaal benodigde ontwateringsdiepte (t.o.v. GHG 7.00) en drooglegging (t.o.v. zomerpeil +6.65 m NAP). Voor plan Winssen Zuid zijn voor alle gebruiksfuncties de ontwateringseis maatgevend. Tabel E in paragraaf 5.1 van het Waterhuishoudingsplan presenteert deze gegevens in tabelvorm, met in de laatste kolom het minimale aanlegpeil. De uitgangspunten van ontwatering zijn afkomstig uit Leidraad Riolering.
De eisen van drooglegging zijn afkomstig van het waterschap. De bouwpeilen van enkele bestaande woning rondom het plangebied zijn gemeten. Op basis van de ontwaterings- en droogleggingseis (zie hoofdstuk 5.1), de (bouw)peilen in de omgeving en huidige terreinhoogte is het advies om minimaal de volgende aanlegpeilen te hanteren: Bouwpeil: minimaal +8.00 m NAP; Wegen: minimaal +7.70 m NAP; Maaiveld: minimaal +7.50 m NAP; Bij verdere uitwerking van het plan dienen de bouw- en aanlegpeilen verder te worden uitgewerkt en vastgesteld. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de grondbalans, bestaande maaiveldhoogte plangrenzen, kwel, ontwatering, drooglegging, klimaatrobuustheid en afwatering over maaiveld. Nieuwe aanlegpeilen van het maaiveld mogen niet leiden tot wateroverlast voor de percelen rondom het plangebied. Aangezien het grootste deel van de percelen binnen het plangebied particulier eigendom wordt zullen ook de toekomstige eigenaren van de percelen hier rekening mee dienen te houden. Deze verdere uitwerking van het Waterhuishoudingsplan vindt plaats in het zogenaamde 'whh-plan 2'. Het opstellen en uitvoeren van dit onderzoek c.q. de onderzoeksresultaten is als voorwaardelijke verplichting in dit omgevingsplan opgenomen. 5.9.3
Conclusie
Het aspect 'waterhuishouding' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
42
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c [Winssen Zuid Fase 1]" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c [Winssen Zuid Fase 1]
5.10
Natuur en ecologie
5.10.1 Regelgeving Onder de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende activiteiten die de natuur betreffen. Daarbij kan bij de meest voorkomende activiteiten een tweedeling worden gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. De Omgevingswet introduceert daarbij nieuwe terminologie: zo wordt een activiteit die significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied voortaan aangeduid als een 'Natura 2000-activiteit', en een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten als een 'flora- en fauna-activiteit'. Een verdere vernieuwing onder de Omgevingswet is de vormgeving van de zorgplicht voor natuur. De provincie blijft in beginsel het bevoegd gezag voor taken op het gebied van de natuur (artikel 2.18, lid 1, onder g Ow). Zorgplicht De zorgplicht is in de omgevingswet opgedeeld in de algemene zorgplicht (afdeling 1.3 Ow) en de specifieke zorgplicht, waarbij de specifieke zorgplicht kan worden opgedeeld in de Specifieke zorgplicht natura2000 (art.11.6 Bal), Specifieke zorgplicht soorten (artikel 11.27 Bal) en de Specifieke zorgplicht houtopstanden (artikel 11.116 Bal). Uit de toelichting bij het Bal volgt dat deze specifieke zorgplichten voortborduren op de algemene zorgplicht in de Omgevingswet, maar concreter zijn.
Omdat zij concreter zijn, kunnen zij volgens de toelichting niet uitsluitend bestuursrechtelijk, maar ook strafrechtelijk worden gehandhaafd. De zorgplicht geldt daarbij ook voor vergunningsplichtige activiteiten. Soortenbescherming Op grond van artikel 5.1 lid 2 Ow is het verboden een flora-en-fauna-activiteit te verrichten, voor zover het gaat om een geval dat is aangewezen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Uit bijlage 1 Omgevingswet volgt dat een flora-en-fauna-activiteit een activiteit is met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (artikel 11.37 Bal), Habitatrichtlijnsoorten (artikel 11.46 Bal) en Andere soorten (artikel 11.54 Bal). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. De regels over wanneer het bevoegd gezag een omgevingsvergunning of een vrijstelling mag verlenen voor flora- en fauna-activiteiten, staan in afdeling 8.6.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Gebiedsbescherming Artikel 11.6, lid 1 van het Bal bepaalt dat degene die een activiteit verricht die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kan hebben, en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van de natuurbescherming, verplicht is om: alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Stikstofdepositie Artikel 2.15a Ow geven de (resultaatsverplichtende) omgevingswaarden voor stikstofdepositie gehandhaafd. Een activiteit die voor stikstofdepositie zorgt, wordt aangemerkt als een vergunningsplichtige Natura 2000-activiteit als significante effecten op een Natura 2000-gebied niet kunnen worden uitgesloten. De beoordelingsregels kunnen er in dat geval toe strekken dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als geregistreerde stikstofdepositieruimte aan de Natura 2000-activiteit wordt toegedeeld (artikel 5.29, lid 3 Ow).
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c [Winssen Zuid Fase 1]" (vastgesteld)
43
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c [Winssen Zuid Fase 1]
5.10.2 Doorvertaling planvoornemen Soortenbescherming Er is een quickscan ecologie uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 17 bij de motivering gevoegd. Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden onderstaande in acht wordt genomen: Het plangebied beidt potentieel leefgebied voor steenuil. Vervolgonderzoek gedurende het juiste seizoen dient uitsluitsel te geven of het plangebied tot het territorium van een steenuil behoort; Onderzoek dient de aanwezigheid van steenmarter, wezel, hermelijn en bunzing aan te tonen dan wel uit te sluiten; Vervolgonderzoek naar de aanwezigheid van beschermde soorten amfibieën (rugstreeppad, poelkikker en kamsalamander) dient te worden uitgevoerd om de functies binnen het plangebied te bepalen; Ten aanzien van vleermuizen dient licht gericht of uitstralend op opgaand groen zoveel mogelijk te worden vermeden; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Hierbij is het goed op te merken dat de quickscan ook uitspraken doet over het scoutinggebouw.
Aangezien deze geen onderdeel uitmaakt van dit omgevingsplan, zijn de resultaten en conclusies hieromtrent ook niet van invloed op. Naar aanleiding van de resultaten van de quickscan is een nader ecologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 18 bij de motivering gevoegd. De resultaten zijn als volgt: Gierzwaluw: binnen en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen waarnemingen van de gierzwaluw gedaan. Negatieve effecten op de gierzwaluw en een overtreding is van een verbodsbepaling van de Omgevingswet is daarmee redelijkerwijs uitgesloten. Steenuil: binnen en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen waarnemingen van de steenuil gedaan. Negatieve effecten op de steenuil en een overtreding is van een verbodsbepaling van de Omgevingswet is daarmee redelijkerwijs uitgesloten. Vleermuizen: binnen en in de omgeving van het plangebied zijn geen rust- en verblijfplaatsen van een vleermuissoort waargenomen. Er gaan bij werkzaamheden geen rust- en verblijfplaatsen verloren. Wel zijn er foeragerende vleermuizen waargenomen bij de bomen in het noordwesten van het plangebied en in het oosten naast het scoutingterrein. Deze bomen zullen echter behouden blijven. Overtreding van een verbodsbepaling van de Omgevingswet met betrekking tot een vleermuissoort is uitgesloten.
Marterachtigen: de gevonden resultaten wijzen niet op een mogelijke aanwezigheid van de wezel, bunzing, hermelijn en steenmarter binnen het plangebied. De aanwezigheid van de marterachtigen is dan ook redelijkerwijs uitgesloten. In bijlage 19 wordt onderbouwd dat het omgevingsplan uitvoerbaar is. Omdat voldoende alternatieve verblijfplaatsen voor de (eventueel toch aanwezige) marters worden gecreëerd in de vorm van permanente marterkasten, en omdat het plan valt onder de belangen van ruimtelijke ontwikkeling en algemeen belang, wordt verwacht dat de vergunning zonder problemen zal worden verleend. Dit betekent dat het ontbreken van een nog goedgekeurd activiteitenplan geen belemmering hoeft te vormen voor de vaststelling van het omgevingsplan. Overige soorten: andere diersoorten als vogels, zoogdieren en amfibieën kunnen in het plangebied aanwezig zijn. Hiervoor geldt de zorgplicht. Dit houdt in dat men zorg moet dragen voor aanwezige individuen, ook algemene soorten. Men moet deze dieren de tijd geven om het plangebied te verlaten. Weinig mobiele soorten als egel of pad kunnen met beleid naar buiten het plangebied worden verplaatst. Daarnaast zijn broedende vogels en hun nesten tijdens het broedseizoen beschermd. Geadviseerd wordt om het opgaand groen binnen het plangebied buiten het broedseizoen te verwijderen, om verstoring van broedende vogels te voorkomen.
Het broedseizoen loopt gemiddeld van half maart tot half augustus. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval. Onderzoek stikstofdepositie Er is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 20 bij de motivering gevoegd. In dit onderzoek is beoordeeld of in de gebruiks- of bouwfase van fase 1 van het plan, een significant effect optreedt op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden in de omgeving. Uit de berekening volgt dat het plan geen significant negatief effect veroorzaakt op de stikstofgevoelige
44
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c [Winssen Zuid Fase 1]" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c [Winssen Zuid Fase 1]
Natura 2000-gebieden in de omgeving, ten opzichte van de referentie situatie. De toename van de stikstofdepositie voldoet voor alle berekende situaties aan de grenswaarde van afgerond 0,00 mol/ha/jaar. Op basis van de resultaten kunnen daarom vanwege de ontwikkeling van de woningen die het plan mogelijk maakt, significante negatieve effecten op voorhand worden uitgesloten. Om iedere twijfel over de uitvoerbaarheid van het plan uit te sluiten is in het onderzoek naar aanleiding van de zienswijzen die door Willems Winssen zijn ingediend, een berekening uitgevoerd waarmee inzichtelijk wordt gemaakt wat het effect is van het aanpassen van een aantal uitgangspunten. Uit deze analyse volgt dat het plan in het maatgevende jaar van de bouw- en gebruiksfase geen significant negatief effect veroorzaakt op de stikstofgevoelige Natura 2000gebieden in de omgeving, ten opzichte van de referentiesituatie. De toename van de stikstofdepositie voldoet aan de grenswaarde van afgerond 0,00 mol/ha/jaar. Op basis van de resultaten kunnen vanwege de ontwikkeling van de woningen die het plan mogelijk maakt, ook met de alternatieve uitgangspunten significante negatieve effecten op voorhand worden uitgesloten. 5.10.3 Conclusie De aspecten 'natuur' en 'ecologie' vormen geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.11
Cultureel erfgoed
Het onderdeel cultureel erfgoed gaat over zowel archeologie als cultuurhistorie. 5.11.1 Regelgeving Uit artikel 1.2 lid 2 van de Ow volgt dat cultureel erfgoed en werelderfgoed onderdeel uitmaken van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in dat een omgevingsplan regels kan bevatten die gericht zijn op het beschermen van erfgoederen (zoals aangegeven in artikel 4.1 Ow). De essentie van het beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische en cultuurhistorische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Het doel van deze wetgeving is om archeologische resten in de bodem zoveel mogelijk te behouden en cultureel erfgoed en landschap zoveel mogelijk te beschermen. Daarnaast zijn er ten aanzien van de bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden een aantal beginselen geformuleerd (artikel 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd: archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
5.11.2 Doorvertaling planvoornemen Archeologie Er is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd binnen het plangebied. Deze is als bijlage 21 bij de motivering gevoegd. Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Volgens de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting is de kans hoog op het aantreffen van sporen en vondsten van jagers en verzamelaars uit het Paleolithicum en het Mesolithicum. De kans op het aantreffen van sporen en vondsten van landbouwers uit het Neolithicum tot en met de Midden-Bronstijd is laag vanwege natte landschappelijke omstandigheden. De kans op het aantreffen van sporen en vondsten uit de Late-Bronstijd tot en met de Nieuwe tijd is hoog.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c [Winssen Zuid Fase 1]" (vastgesteld)
45
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c [Winssen Zuid Fase 1]
Het plangebied is gelegen op een stroomrugglooiing ten zuiden van de Waal tussen twee crevassegeulen in. Stroomrugglooiingen en met name de crevasseafzettingen zijn in het verleden gunstige locaties voor landbouwers geweest. Daarnaast heeft vermoedelijk vlak ten noorden van het plangebied, door de huidige kern van Winssen, een Romeinse weg gelopen. Bekend is dat langs deze wegen nederzettingen en grafvelden uit de Romeinse tijd aanwezig zijn. Op historische kaarten is te zien dat er al bebouwing is langs de Geerstraat en de Leegstraat. Het is niet duidelijk tot hoe ver deze bewoning teruggaat. Mogelijk is dat al tot de Late-Middeleeuwen. Bij opgravingen in 2020 op de locatie van de waterberging in het plangebied zijn sporen uit de late prehistorie, Romeinse tijd en de Middeleeuwen aangetroffen. Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Er wordt geadviseerd om eerst een verkennend booronderzoek uit te voeren in die delen van het plangebied die nog niet zijn onderzocht. Hiermee kan inzicht verkregen worden in de aanwezigheid, verspreiding en diepteligging van aanwezige leeflagen. Hier opvolgend kan het best een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd worden teneinde de bekende vindplaatsen te begrenzen en nieuwe op te sporen.
Tevens is er een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek voor de Leegstraat 14 uitgevoerd. Deze is als bijlage 22 bij de motivering gevoegd. Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Hieruit blijkt dat de ondergrond binnen het plangebied waarschijnlijk bestaat uit Pleistocene terrasafzettingen met daarop Holocene rivierafzettingen. Binnen de Holocene rivierafzettingen zijn mogelijk vier verschillende vegetatiehorizonten aanwezig. Deze vegetatiehorizonten zijn (waarschijnlijk) in het Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen in fases ontstaan. Er geldt daarom een hoge archeologische verwachting voor het (Late-)Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Alleen voor het Neolithicum en Vroege-Bronstijd kan een lage verwachting gelden omdat het niet zeker is of er een vegetatie horizont uit deze perioden aanwezig is binnen het plangebied. Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten moet een vervolgonderzoek in de vorm van een karterend booronderzoek worden uitgevoerd. Er dient mechanisch te worden geboord (Avegaar) met een diameter van 15 cm in een grid van 20x17 m. Daar waar op een dieper niveau resten uit de periode Paleolithicum, Mesolithicum en Vroeg-Neolithicum kunnen worden verwacht dient het grid verdicht te worden naar 10x8,5 m.