Bijlage 1: Reglement van orde voor de gemeenteraad 2026
Tekst van het document
Artikel 28 Beslissing De voorzitter kan de beraadslaging sluiten, als hij vaststelt dat een onderwerp voldoende is toegelicht. De voorzitter formuleert daarna de te nemen eindbeslissing (derde lid). Indien geen stemming wordt gevraagd, is het voorstel aangenomen op grond van artikel 32, derde lid, van de wet.
Paragraaf 3 Procedures bij stemmingen Artikel 29 Algemene bepalingen over stemming Indien een lid te kennen geeft een hoofdelijke stemming te wensen, moet de stemming plaatsvinden (eerste lid). De raad heeft niet de bevoegdheid om van deze bepaling van artikel 32 van de wet af te wijken. Vraagt niemand stemming, dan wordt het voorstel geacht te zijn aangenomen. Wellicht ten
overvloede wordt hierbij nog verwezen naar artikel 209, tweede lid, van de wet, welke een hoofdelijke stemming verplicht.
De regeling in het eerste deel van het tweede lid kan toepassing krijgen, indien de uitkomst van de
stemming tevoren duidelijk is en slechts enkele leden zouden tegenstemmen. Een raadslid kan zich alleen onthouden van stemming op grond van de artikelen 28 van de wet en 2:4 Algemene wet bestuursrecht. In alle andere gevallen is een raadslid verplicht stelling in te nemen en te stemmen. Stemmingen zijn in
principe ook openbaar. Een volksvertegenwoordiger dient duidelijk te zijn in zijn of haar rol. Door de
openbaarheid is het voor de achterban (kiezers) duidelijk hoe ze vertegenwoordigd worden. Bij wie de stemming begint, is geregeld in artikel 18.
Bij staking van stemmen is het bepaalde in artikel 32 van de wet van toepassing. Indien de vergadering voltallig is, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen. Is de vergadering niet voltallig, dan wordt het
nemen van het besluit tot een volgende vergadering uitgesteld. Als ook dan de stemmen staken, wordt het voorstel geacht niet te zijn aangenomen.
Artikel 30 Stemming over amendementen en moties Voor meer informatie over een amendement of een motie (betekenis, indiening e.d.) wordt verwezen naar de artikelen 1, 32 en 33 van dit reglement. Voor alle duidelijkheid wordt hier een verschil in procedure
aangegeven tussen een motie en een amendement. Een amendement komt in stemming voorafgaande aan de stemming over het onderliggende voorstel. Een motie strekt niet tot wijziging van een voorgesteld
besluit; over een motie wordt een apart besluit genomen, nadat de besluitvorming over het aanhangige
voorstel is afgerond. Bij een motie over een afzonderlijk onderwerp geldt dit uiteraard niet en is het vierde lid niet van toepassing. Bovendien kan de raad besluiten af te wijken van deze stemvolgorde.
Artikel 31 Stemming over personen Artikel 31, eerste lid, van de wet geeft aan dat de stemming over personen geheim dient te zijn. Sinds 1 februari 2016 is artikel 31 ook van toepassing op de stemming over de benoeming van een wethouder
(artikel 35, eerste lid, van de wet). Datzelfde geldt voor de stemming over het ontslag van een wethouder
in het geval een motie van wantrouwen niet tot onmiddellijk aftreden leidt (artikel 49 van de wet). Ook dat
gebeurt schriftelijk en is daarmee geheim. Het is mogelijk om met elektronische stemsystemen te werken, maar het reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad Beuningen 2026 gaat vooralsnog uit van een stemming door middel van behoorlijk ingevulde stembriefjes. Een blanco
stembriefje wordt niet aangemerkt als een behoorlijk ingevuld stembriefje (Kamerstukken II 1985/86, 19 403, nr. 3 p. 86). In geval van een schriftelijke stemming wordt dan ook geen rekening gehouden met blanco stembriefjes. Een blanco of verkeerd ingevuld stembriefje telt wel mee bij de bepaling van het quorum. De raad oordeelt of een stembriefje behoorlijk is ingevuld. Wat onder een (niet) behoorlijk ingevuld stembriefje moet worden verstaan, is in de wet niet geregeld.
Bij een benoeming stelt de raad een specifiek persoon aan in een bepaald ambt (raadslid, wethouder). Op
het stembiljet wordt de naam van de te benoemen persoon (of personen in geval van meerdere vacatures) met daarachter de opties 'voor' en 'tegen' vermeld. Het gaat hier overigens niet over de benoeming tot
raadslid, dit is een heel ander soort benoeming dat in artikel 7 van dit reglement wordt toegelicht. Onder voordracht wordt verstaan het als kandidaat voorstellen van een persoon voor een bepaald ambt. Een voordracht is voor de raad bindend, op de stembiljetten dienen de namen van de voorgedragen
perso(o)n(en) te worden vermeld met daarachter de opties 'voor' en 'tegen'. Bij een aanbeveling wordt voorgesteld om bepaalde personen voor een bepaald ambt voor te dragen, de raad mag van de
aanbevelingen afwijken. Het betreft hier een zogenaamde vrije stemming (zie ook toelichting bij artikel
28). Op de stembiljetten kunnen de namen van de aanbevolen personen worden vermeld met daarachter de opties 'voor' en 'tegen' én een vrije ruimte waar een kandidaat van eigen keuze kan worden ingevuld. De wetgever heeft nooit de bedoeling gehad de politieke verhoudingen in de raad te beïnvloeden door
middel van een verbod op het meestemmen van de kandidaat-wethouder. Los van de formeel-juridische context pleiten de volgende argumenten nog voor bovenstaande zienswijze:
Een democratisch gekozen vertegenwoordiger mag niet te snel het recht op stemming worden ontnomen. Stel: partij X beveelt meneer Janse en mevrouw Pieterse aan als wethouders. Als deze personen in de raad zitting hebben en niet mee mogen stemmen houdt dit in, dat de partij ineens twee stemmen in de raad minder heeft. Dat is onaanvaardbaar in het licht van de politieke verhoudingen;
Een aanbeveling is geen voordracht. Het spraakgebruik heeft het vaak over voordracht, maar een persoon nomineren als wethouder staat niet gelijk aan een voordracht;
Het is denkbaar dat een kandidaat-wethouder die voor benoeming wordt aanbevolen, uit moreel-politieke overwegingen en om iedere schijn van belangenverstrengeling te vermijden op eigen initiatief afziet van
het meestemmen over de benoeming. Alhoewel het uitgangspunt is dat zeer terughoudend moet worden omgegaan met het inperken van het stemrecht van gekozen volksvertegenwoordigers, laat de wet de betrokkenen de ruimte daarin een eigen afweging te maken.
Artikel 32 Beslissing door het lot In dit artikel wordt een nadere uitwerking gegeven van hetgeen in artikel 31, derde lid van de wet is voorgeschreven.
Hoofdstuk 4 Rechten van leden Artikel 33 Amendementen Elk lid van de raad kan wijzigingen op het voorstel van het college of op initiatiefvoorstellen indienen ter
behandeling in de raad, de zogenaamde amendementen. Wanneer een amendement is ingediend, kan dit voor een ander raadslid aanleiding zijn, op dit amendement nog weer een wijziging voor te stellen, het
subamendement. Een (sub)amendement kan ingediend worden op een voorgesteld besluit, dat aanhangig is. De beraadslaging over het (sub)amendement vindt plaats in ten hoogste twee termijnen. Indien (in
uitzonderlijke situaties) een ingediend amendement verdere beraadslaging noodzakelijk maakt, kan de raad besluiten tot een derde termijn (artikel 21).
Het recht van amendement is neergelegd in artikel 147b van de wet. Dit artikel verplicht de raad nadere
regels te stellen. Deze nadere regels staan in artikel 27, 29 en 32. Op basis van artikel 147b, tweede lid, juncto artikel 147a, tweede lid, van de wet is de raad verplicht een amendement te behandelen,
overeenkomstig de door de raad vastgestelde regels. Uit de bewoordingen van artikel 147b, tweede lid, van de wet blijkt dat het recht om amendementen in te dienen aan elk individueel raadslid toekomt; drempelsteun is derhalve niet vereist (MvT, Kamerstukken II 2000/01, 27751, 3, p. 109).
Het is praktisch dat een raadslid aanwezig is voor de behandeling van zijn (sub)amendement. Dit omdat
doorgaans een (sub)amendement toegelicht wordt door de indiener. Daarom is bepaald dat er alleen wordt beraadslaagd over amendementen en subamendementen die ingediend zijn door raadsleden die de presentielijst getekend hebben (tweede lid).
Artikel 34 Moties In artikel 1 is de definitie van het begrip motie gegeven. Een motie is een voorstel tot het doen van een
uitspraak. Het kan gaan om het uitspreken van een wens (van inhoudelijke, politieke, procedurele aard),
het uitspreken van instemming dan wel afkeuring over bepaalde ontwikkelingen of om het doen van een verzoek. Een motie betreft dus niet een concreet besluit dat op rechtsgevolg is gericht; een motie heeft
geen juridische, maar een politieke betekenis. Daarom is het college formeel niet aan een motie gebonden of tot uitvoering ervan verplicht. Wel kan het naast zich neerleggen van een motie door het college leiden
tot een vertrouwensbreuk tussen raad en college en hieruit kan het college dan zijn consequentie trekken.
Voor wat betreft de besluitvormingsprocedure omtrent een motie wordt opgemerkt, dat over een motie
een apart besluit wordt genomen. Voor de beraadslaging over een motie over een aanhangig onderwerp
geldt, dat deze niet plaatsvindt in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het onderwerp, waarop de motie betrekking heeft.
Een besluit over een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp vindt aan het einde van de
vergadering plaats. Dergelijke moties benaderen de in artikel 34 geregelde initiatiefvoorstellen. Dualisering veronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden.
Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Dat wil zeggen dat het voor een effectief gebruik van deze instrumenten wenselijk is dat ook het
individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. De mogelijkheid om
zonder drempelsteun een motie in te dienen staat dan ook ten dienste van een effectieve uitoefening van de inkadering en controle door de raad.
Indien een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp wordt aangehouden, wordt de motie geagendeerd voor de eerstvolgende raadsvergadering, tenzij anders aangegeven door de steller.
In de wet wordt één specifieke motie uitgewerkt, namelijk in artikel 49. Dit betreft die “motie van
wantrouwen” waarbij de raad uitspreekt het vertrouwen in een wethouder te hebben verloren. Het is een wethouder niet toegestaan om na een aangenomen motie van wantrouwen aan te blijven. Indien hij zelf niet opstapt, dient de raad actie te ondernemen.
Artikel 35 Initiatiefvoorstellen Het is de taak van het college aan de raad de nodige voorstellen te doen, maar de raadsleden kunnen ook zelf een voorstel voor een verordening of beslissing ter behandeling bij de raad indienen. Hiervoor is het recht van initiatief toegekend.
In artikel 147a, eerste lid, van de wet is dit uitgewerkt. Hier is bepaald dat een lid van de raad een
initiatiefvoorstel kan indienen; met deze formulering wordt tot uitdrukking gebracht dat dit recht aan elk
individueel raadslid toekomt, drempelsteun is dus niet vereist (MvT, Kamerstukken II 2000/01, 27751, 3, p. 109).
Het tweede en derde lid van artikel 147a van de wet bepalen dat de raad regelt op welke wijze een initiatiefvoorstel voor een verordening of beslissing wordt ingediend en behandeld.
Algemeen uitgangspunt is dat dualisering de versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden inhoudt. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te
beschikken over adequate instrumenten. Voor een effectief gebruik van deze instrumenten is het wenselijk dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. Het
ontbreken van de eis van drempelsteun bij het recht van initiatief staat ten dienste van een effectieve
uitoefening van de inkadering en controle door de raad. Ook kleine fracties en individuele raadsleden
worden zo in staat gesteld actief deel te nemen aan de controlerende, vertegenwoordigende en budgettaire functie.
De wet maakt onderscheid tussen initiatiefvoorstellen voor verordeningen en overige initiatiefvoorstellen. Ieder raadslid kan een initiatiefvoorstel voor een verordening indienen. Een dergelijk voorstel moet
aanhangig worden gemaakt door het schriftelijk en ondertekend aan de voorzitter te zenden (eerste lid).
De verdere wijze van behandeling moet de raad zelf regelen. De raad moet ook regelen op welke wijze en onder welke voorwaarden overige initiatiefvoorstellen (voorstellen die betrekking hebben op iets anders
dan een verordening) in behandeling worden genomen. Ook dit initiatiefrecht komt toe aan individuele raadsleden, hetgeen inhoudt dat geen drempels mogen worden opgeworpen.
Het tweede lid houdt in dat de voorzitter het initiatiefvoorstel zo spoedig mogelijk op de agenda plaatst
nadat het college in de gelegenheid is gesteld om zijn wensen en bedenkingen ter kennis van de raad te
brengen. Als de oproep voor die vergadering echter al verzonden is, dan plaatst de voorzitter het niet op de agenda van eerstvolgende, maar daaropvolgende raadsvergadering. Dit laat de mogelijkheid onverlet voor het individuele raadslid om op grond van artikel 12, eerste lid, voor te stellen het initiatiefvoorstel toch aan de agenda toe te voegen.
Voor het overige is het aan de raad om vervolgens te bepalen hoe het initiatiefvoorstel verder wordt
behandeld als het op de agenda staat. Indien de wensen of bedenkingen van het college daar aanleiding toe geven kan de indiener van het voorstel eventuele wijzigingen doorvoeren. Hij of zij is daartoe echter
niet verplicht, omdat de wet alleen aangeeft dat het college de mogelijkheid moet hebben om een visie op
het initiatiefvoorstel te hebben. Er is geen verplichting om de wensen of bedenkingen ook daadwerkelijk in het voorstel te verwerken.
Artikel 36 Collegevoorstel Dit artikel heeft betrekking op het agenderingsrecht van de raad. De raad is de enige die een voorstel voor een verordening of een ander voorstel dat het college heeft voorbereid kan agenderen. Als het college het
voorstel heeft voorbereid, betekent dit niet dat het college het door hen voorbereide voorstel kan intrekken indien het college van oordeel is dat verdere behandeling van het voorstel niet wenselijk is (bijvoorbeeld omdat zij een voorstel willen wijzigen). De raad moet hier toestemming voor geven (eerste lid).
Indien de raad van oordeel is dat een voorstel voor een verordening of een ander voorstel niet voldoende is voorbereid, kan de raad het voorstel voor een verordening of een ander voorstel op grond van het tweede lid nogmaals voor advies aan het college zenden. De raad kan het college bijvoorbeeld verzoeken het
voorstel voor een verordening of ander voorstel nader te onderbouwen. De raad bepaalt echter wanneer het voorstel voor een verordening of ander voorstel, dat door het college verder voorbereid is, opnieuw
behandeld wordt. De raad kan dit in dezelfde raadsvergadering regelen, maar de raad kan dit ook aan de Agendacommissie overlaten.
Artikel 37 Voorstellen van orde De voorzitter legt aan de raad ter beslissing voor of er inderdaad sprake is van een voorstel van orde. Over een voorstel van orde wordt direct, zonder beraadslaging, besloten door de raad. Bij staken van stemmen is het voorstel niet aangenomen, (artikel 32, lid 4, van de wet is hierop niet van toepassing). Een voorstel
van orde betreft bijvoorbeeld het schorsen van de vergadering voor een pauze. Indien het gaat om een niet geagendeerd voorstel, dient de procedure van een initiatiefvoorstel gevolgd te worden (artikel 34).
Artikel 38 Interpellatie Artikel 37 stelt nadere regels bij artikel 155, tweede lid, van de wet. Het interpellatierecht ligt in het
verlengde van het mondelinge vragenrecht en is een zwaarder instrument. Het gaat om het recht van een
volksvertegenwoordiger om tijdens een vergadering over een niet geagendeerd onderwerp inlichtingen aan
het college of de burgemeester te vragen. Daarvoor is verlof van de raad nodig, omdat de vergaderorde wordt doorbroken.
Het vragen- en informatierecht (artikelen 39, 40) In de gemeente Beuningen heeft de raad eerder gevraagd om duidelijker dan op grond van de
modelverordening van de VNG te regelen welke vragen de raad of raadsleden kunnen stellen en op welke wijze dit dient te gebeuren. Dat het in de praktijk lastig gevonden wordt het reglement van orde op dit
punt te volgen is vooral gelegen in het feit dat in de wet in verschillende artikelen het recht op informatie
is geregeld. In artikel 155 is opgenomen dat een raadslid mondeling of schriftelijk vragen kan stellen en is
het recht tot het houden van een interpellatie geregeld. In artikel 169 is het vragen en geven in inlichtingen geregeld, onder meer in lid drie, waarin het college de raad mondeling of schriftelijk gevraagde
inlichtingen dient te verstrekken. In artikel 180 is deze inlichtingenrelatie geregeld voor de burgemeester en de raad.
Technische vragen Niet in dit reglement opgenomen is het stellen van technische vragen. In het dagelijks verkeer tussen
ambtenaren en raadsleden is het van belang om hierover goede werkafspraken te maken. Soms is het
lastig scherp te bepalen wanneer een vraag technisch is en wanneer beleidsgevoelig of politiek-bestuurlijk. Het verschil is gelegen in het feit dat technische vragen louter gaan over feiten of dat van een collegelid niet kan worden verlangd dat het antwoord behoort tot zijn parate kennis, maar wel van die van een
ambtenaar. De raad is van mening dat raadsleden makkelijk toegang moeten krijgen tot ambtenaren om
antwoorden te krijgen op deze technische vragen. Indien deze ‘informele weg’ niet leidt tot bevredigende
antwoorden, dan kunnen technische vragen via het format ‘vragen’ schriftelijk worden ingediend. Uiterlijk 16:00 uur de dag voor de raadsvergadering. Beantwoording vindt schriftelijk of mondeling tijdens de
commissie plaats. De commissievergaderingen zijn er primair om beleidsinhoudelijke vragen te stellen. De verschillende instrumenten staan opgesomd in de gereedschapskist van een raadslid Beuningen. De verordening Ambtelijke bijstand is eerder op bovenstaande punten aangepast.
Artikel 39 Vragenronde Deze bepaling vormt een invulling op het voorgesteld artikel 155, eerste lid, van de wet met betrekking tot het vragenrecht. Het is een facultatieve bepaling. Het is aan de raad om te bepalen of de instelling van een vragenronde en daarmee het opnemen van een dergelijke bepaling in het reglement van orde wenselijk is.
Bewust is er gekozen voor een algemene regeling van de vragenronde en deze dient twee doelen, namelijk het mogelijk te maken dat raadsleden:
vragen kunnen stellen aan het college (over het gevoerde beleid); vragen kunnen stellen over onderwerpen die niet geagendeerd staan en daarbij het college/mederaadsleden uitnodigen tot het geven van een reactie.
Veelal fungeert vragenronde in de raadsvergadering als een mogelijkheid tot het stellen van vragen. In een dualistisch stelsel is het echter niet meer vanzelfsprekend dat de ter zake kundige wethouder aanwezig is.
Om die reden en omdat het de herkenbaarheid van de controlerende taak van de raad ten goede komt, kan hiervoor een aparte gelegenheid gecreëerd worden. De drempel om vragen te stellen wordt verlaagd en de
media-aandacht voor de lokale politiek kan worden vergroot. In het vragenuur krijgt de raad de
mogelijkheid over vooraf ingebrachte onderwerpen (leden van) het college aan de tand te voelen. Het karakter van de vragenronde verschilt dan ook van het recht van interpellatie. Het recht van
interpellatie heeft als instrument een zwaarder politiek karakter. Leden van de raad kunnen aan het college inlichtingen vragen over het door hem gevoerde bestuur, voor zover dat niet bij geagendeerde
onderwerpen aan de orde komt. Raadsleden vragen daarmee leden van het college zich te verantwoorden voor het door hen gevoerde bestuur.
In het eerste lid is een aanmeldingstermijn tot 16 uur de dag voor de raadsvergadering voor vragen
opgenomen. Vragen die binnenkomen worden zo spoedig mogelijk naar het college en de overige leden van de raad doorgezonden.
Het interpellatierecht (artikel 155 van de wet) ligt in het verlengde van het mondelinge vragenrecht. Het
gaat om een recht van een volksvertegenwoordiger om tijdens een vergadering over een niet geagendeerd
onderwerp inlichtingen aan het college of de burgemeester te vragen. Daarvoor is verlof van de raad nodig.
Artikel 40 Schriftelijke vragen en Inlichtingen Het vragenrecht geeft aan de leden van de raad het recht informatie te vragen over aangelegenheden die
tot de bevoegdheid van het college of de burgemeester behoren. Het karakter van deze vragen is primair van informatieve strekking. Op grond van deze bepaling kan een raadslid schriftelijke vragen stellen aan het college of de burgemeester, al naar gelang wie verantwoordelijk is. Deze vraag dient schriftelijk te
worden aangeleverd in het juiste format. De verantwoordelijke portefeuillehouder dient de vragensteller gemotiveerd in kennis te stellen, indien de beantwoording niet binnen de gestelde termijnen kan
plaatsvinden. Niet de voorzitter, maar het verantwoordelijk collegelid of de burgemeester geeft daarom het antwoord. De raad kan oordelen dat het bijvoorbeeld wenselijk is dat een collegelid of de burgemeester
direct kan antwoorden op een vraag. Om die reden is in het zesde lid ingevoegd dat de raad anders kan beslissen.
In de hier aangegeven procedure wordt de vragensteller in de gelegenheid gesteld nadere inlichtingen over het antwoord te vragen aan degene die het antwoord heeft gegeven. Indien de vragensteller van mening is, dat de beantwoording van de vragen tot een besluit van de raad moet leiden, kan hij het recht van initiatief of het interpellatierecht benutten om het onderwerp of het voorstel op de agenda van de raad te krijgen. In artikel 39 wordt een procedurele uitwerking gegeven van de inlichtingenplicht die het college en de
burgemeester hebben ten opzichte van de raad. De passieve inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 169, derde lid, van de wet is de klassieke informatieplicht die het college opdraagt de door de raad gevraagde
inlichtingen te verstrekken, tenzij het openbare belang zich daartegen verzet. Dit recht om inlichtingen te vragen komt eveneens toe aan individuele raadsleden. Daarmee wordt voorkomen dat een
raadsmeerderheid om (partij)politieke redenen belemmeringen opwerpt tegen het vragen van inlichtingen door een raadslid of raadsminderheid. Wel kan de raad via het reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad Beuningen 2026 op grond van doelmatigheidsoverwegingen een
zekere ordening aanbrengen in de wijze waarop het inlichtingenrecht wordt uitgeoefend. De raad gaat immers over de agenda en de vergaderorde.
De weigeringsgrond ‘strijd met het openbaar belang’ is, zo blijkt uit de bewoordingen van artikel 169 van de wet, wettelijk objectief en algemeen omschreven. Het moet dan gaan om zwaarwegende belangen.
In de praktijk bestaan verschillende wettelijke en politieke figuren om als de raad en het college met elkaar te communiceren buiten de openbaarheid. De openbaarheid van stukken en vergaderingen bijvoorbeeld kan al dan niet tijdelijk worden opgeheven. Vervolgens kent de wet een algemene actieve
inlichtingenplicht. Artikel 169, tweede lid, van de wet verplicht het college uit eigen beweging de raad alle inlichtingen te verstrekken die de raad nodig heeft voor de uitoefening van zijn taak. Het college moet permanent nagaan welke informatie de raad behoeft voor een goede taakvervulling. Hier liggen grote
politieke risico’s als de raad het college in het ongewisse laat over de aard en omvang van de gewenste informatie. In het geval dat raad en college daarover geen afspraken maken is de kans groot dat het college de raad veiligheidshalve overstelpt met papier. Van controleren komt dan weinig terecht.
Dezelfde risico’s doen zich voor met betrekking tot een tweede actieve, meer specifieke inlichtingenplicht. Artikel 169, vierde lid, van de wet verplicht het college de raad vooraf te informeren over de voorgenomen uitoefening van een gemeentewettelijke bestuursbevoegdheid als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder e, f, g en h, van de wet indien de toepassing daarvan ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente
of indien de raad daarom verzoekt. Het college mag dan niet eerder een besluit nemen dan nadat de raad
in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen naar voren te brengen. De term ‘ingrijpend’ is in de wet niet nader omschreven. De raad en het college dienen, op basis van de situatie in de eigen
gemeente, tot een afbakening te komen. De wetgever heeft destijds het oog gehad op substantiële
financiële gevolgen van privaatrechtelijke overeenkomsten. De raad en het college moeten hier derhalve zelf een modus in vinden.
Het verstrekken van inlichtingen kan overigens niet via de rechter worden afgedwongen.
Hoofdstuk 5 Lidmaatschap van andere organisaties Artikel 41 Verslag en verantwoording Leden van de raad (of in voorkomende gevallen de burgemeester, een wethouder of de
gemeentesecretaris), die lid zijn van een algemeen bestuur van een gemeenschappelijke regeling,
verrichten aldaar hun taak zowel als leden van dat bestuur en als vertegenwoordiger van en in naam van de gemeente. Voor de wijze, waarop zij in het bestuur van de gemeenschappelijke regeling functioneren, zijn zij verantwoording verschuldigd aan de raad die hen heeft aangewezen. Ook de gemeenschappelijke
regeling dient over deze verantwoordingsplicht en over de informatieverstrekking aan de raad bepalingen te bevatten.
In het eerste lid van dit artikel is een regeling getroffen voor mondelinge verslaglegging (uiteraard kan ook een ander moment worden gekozen). En wordt aangegeven dat bespreking in een commissie kan plaatsvinden.
In het tweede lid wordt de mogelijkheid tot het stellen van schriftelijke vragen aangegeven, overeenkomstig de regels, daarvoor gesteld in artikel 39.
Het is zinvol de bepalingen van dit artikel ook van toepassing te verklaren op andere organisaties, waarin de raad een of meer van zijn leden heeft benoemd. Hierbij valt te denken aan privaatrechtelijke
rechtspersonen en vennootschappen, zoals een (raad van commissarissen van) een NV. Hierin voorziet het derde lid.
Artikel 42 Werkgroepen
Dit artikel stelt een aantal regels met betrekking tot werkgroepen. Zo wordt bepaald dat een werkgroep
altijd voor een beperkte periode wordt ingesteld (lid 2) en stelt het artikel eveneens een minimum aan wat in een instellingsbesluit van een werkgroep geregeld moet zijn.
Hiermee wordt beoogd dat werkgroepen altijd een duidelijke en afdwingbare rol hebben in het
democratisch proces en zich op een afgesproken manier verhouden tot het reguliere proces van de gemeenteraad. In de werkgroepvergaderingen vinden enkel technische discussies plaats.
In de Verordening op de ambtelijke bijstand en fractieondersteuning is uitgewerkt hoe raadsleden en commissieleden ambtelijke bijstand vragen en waar die uit kan bestaan. Het ligt in de rede dat voor
werkgroepen deze bijstand wordt opgenomen in het instellingsbesluit, maar dit is geen verplichting.
Hoofdstuk 6. Besloten vergadering Artikel 43 Algemeen Dit artikel bepaalt dat de bepalingen van dit reglement van overeenkomstige toepassing zijn op een
raadsvergadering achter gesloten deuren. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de bepalingen
omtrent het tijdig verzenden van stukken, het recht van amendement, het recht van motie, het maken van het verslag.
De bepalingen van het reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad Beuningen 2026 zijn echter niet van toepassing, voor zover het toepassen van die bepalingen strijdig is
met het besloten karakter van de vergadering. Zo zullen er bijvoorbeeld geen beeld- en geluidsregistraties voor openbaar gebruik gemaakt kunnen worden. Ten aanzien van de stukken die betrekking hebben op
een besloten vergadering en het behandelde zal de raad moeten besluiten of geheimhouding als bedoeld in artikel 23, vierde lid, de wet wordt opgeheven.
In artikel 23 van de wet zijn procedurevoorschriften opgenomen voor 'het sluiten van de deuren', de wijze waarop een vergadering een besloten vergadering wordt.
Artikel 44 Besluitenlijsten en Verslagen In dit artikel wordt uitwerking gegeven aan artikel 23, vierde lid, van de wet. In overeenstemming met
artikel 19 is de griffier verantwoordelijk voor het verslag van de raadsvergadering. Dit geldt ook voor het verslag van een besloten vergadering.
Artikel 45 Opheffing geheimhouding Op grond van artikel 87 van de wet, kan geheimhouding op informatie worden opgelegd door het college, de burgemeester en een commissie. De opgelegde geheimhouding met betrekking tot aan de raad
verstrekte informatie vervalt, indien de raad de verplichting tot geheimhouding opheft (artikel 89, vierde
lid, van de wet). Wel bestaat er een overlegverplichting, waarmee recht wordt gedaan aan het principe van hoor en wederhoor.
Als de raad een opgelegde geheimhouding opheft, wil dat niet zegen dat de desbetreffende informatie dan actief openbaar gemaakt moet worden. De Wet open overheid (Woo) is nog steeds op deze informatie van toepassing. Wanneer om openbaarmaking wordt verzocht moet dat verzoek dus aan de
uitzonderingsgronden in de Woo worden getoetst om tot een besluit te komen over het al dan niet
openbaar maken van de desbetreffende informatie. Dan kan uiteraard blijken dat er inmiddels geen grond meer is om openbaarmaking te weigeren.
Hoofdstuk 7. Toehoorders en pers Artikel 46 Toehoorders en pers De hier aangegeven procedurebepalingen zijn gebaseerd op de in artikel 26 van de wet gegeven
bevoegdheid aan de voorzitter van de raad om toehoorders die de orde verstoren, te doen vertrekken en bij volharding in hun gedrag de toegang te ontzeggen.
Artikel 47 Geluid- en beeldregistraties Aangezien de vergaderingen van een de raad in principe openbaar zijn, kunnen radio- en tv-stations
geluid- en beeldregistraties maken. Dit is uiteraard niet het geval als het een besloten vergadering betreft.
Wel dient rekening gehouden te worden met de privacy van insprekers of publiek. Raadsleden daarentegen hebben een publieke functie. Het is mogelijk om een aanwijzing te geven dat publiek slechts vanaf een
bepaalde afstand in beeld mag worden gebracht. Ook kan een aanwijzing zijn dat inwoners die inspreken niet gefilmd mogen worden, uiteraard in overleg met de insprekers. Mogelijk hebben zij geen probleem met beeldregistraties.
Hoofdstuk 8. Slotbepalingen Artikel 48 Uitleg reglement Dit artikel behoeft geen toelichting.
Artikel 49 Intrekken oude reglement. Dit artikel behoeft geen toelichting.
Artikel 50 Inwerkingtreding Dit artikel behoeft geen toelichting.