CConstaterende datBeuningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1: Reglement van orde voor de gemeenteraad 2026

Commissie Samenleving & Bestuur (S&B) 28 januari 2026, gemeente BeuningenBij agendapunt: Reglement van Orde voor de gemeenteraad 2026, Verordening op de commissies van de raad 2026 en protocol geheimhouding 202614.153 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Reglement van Orde De raad van de gemeente Beuningen;

gelet op artikel 16 van de Gemeentewet; BESLUIT:

vast te stellen het Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad Beuningen 2026

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Begripsomschrijvingen In dit reglement wordt verstaan onder: a.

voorzitter : de voorzitter van de raad of diens vervanger;

b.

amendement : voorstel van een raadslid tot wijziging van een ontwerpverordening of

c.

motie : korte en gemotiveerde verklaring over een onderwerp waardoor een oordeel, wens of

d. e. f.

g. h.

ontwerpbeslissing

verzoek wordt uitgesproken;

voorstel van orde : voorstel betreffende de orde van de vergadering;

initiatiefvoorstel : een voorstel van een raadslid voor een verordening of een ander voorstel griffier : griffier van de raad of diens plaatsvervanger

wet : Gemeentewet

commissie : raadscommissie op grond van artikel 82 van de Gemeentewet

Artikel 2 De voorzitter De voorzitter is belast met: a.

het leiden van de vergadering;

b.

het handhaven van de orde;

d.

hetgeen de wet of dit reglement hem verder opdraagt.

c.

het doen naleven van het reglement van orde;

Artikel 3 De griffier 1.

De griffier is in elke vergadering van de raad aanwezig.

2.

Bij verhindering of afwezigheid wordt de griffier vervangen door een door de raad, op voordracht

3.

De griffier kan, indien daartoe door de voorzitter uitgenodigd, aan de beraadslagingen als bedoeld

van de griffier, daartoe aangewezen plaatsvervangend griffier. in dit reglement deelnemen.

Artikel 4 De secretaris De raad kan het college verzoeken de secretaris in de vergadering aanwezig te laten zijn en deel te laten nemen aan de beraadslagingen als bedoeld in dit reglement.

Artikel 5 De Agendacommissie 1.

Er is een Agendacommissie die bestaat uit de voorzitter van de raad, de voorzitters van de beide

2.

De Agendacommissie bestaat, naast de voorzitter van de raad, uit twee leden van de oppositie en

commissies, twee plaatsvervangend voorzitters van de commissies

twee leden van de coalitie. Indien dit niet haalbaar is wordt zo veel mogelijk een evenredige vertegenwoordiging van oppositie en coalitie nagestreefd.

3.

De griffier is adviserend lid van de Agendacommissie.

4.

Indien het op stemmingen aankomt hebben de leden gelijk stemrecht.

5.

De Agendacommissie kan anderen uitnodigen deel te nemen aan haar vergaderingen.

6.

De taken van de agendacommissie zijn in ieder geval: a.

het voorbereiden en vaststellen van de voorlopige agenda’s voor de raadsvergaderingen

b.

het vaststellen van de vergadercyclus van de raad en van de commissies;

c.

adviseren over en voorstellen doen voor de wijze van agenderen en over de bijpassende

d.

beoordelen van agenderingsverzoeken;

e.

beoordelen van verzoeken voor bijeenkomsten en werkbezoeken van raads- en

f.

het doen van aanbevelingen aan de raad inzake de organisatie en het functioneren van de

g.

het voorbereiden van een voorstel voor de behandeling en de vaststelling van de

en de commissievergaderingen;

behandel- en vergaderwijze, ook van de onderwerpen opgenomen in de raadsplanning;

commissieleden en anderen; raad en de commissies.

begroting, de jaarrekening en het jaarverslag.

Artikel 6 Het Fractievoorzittersoverleg 1.

Er is een Fractievoorzittersoverleg dat bestaat uit de voorzitter van de raad en de

2.

De fractievoorzitters kunnen zich bij afwezigheid in het fractievoorzittersoverleg laten vervangen

fractievoorzitters.

door een raadslid van zijn of haar fractie. Enkel in het geval van een eenmansfractie kan de

fractievoorzitter zich bij afwezigheid in het fractievoorzittersoverleg laten vervangen door een commissielid van zijn of haar fractie. 3.

Het Fractievoorzittersoverleg kan anderen uitnodigen deel te nemen aan de vergaderingen.

4.

Het Fractievoorzittersoverleg heeft overleg en/of doet aanbevelingen aan de raad inzake de

organisatie en het functioneren van de raad en de commissie voor zover het niet betreft de taken van de Agendacommissie.

5.

Tweemaal per jaar vergadert het Fractievoorzittersoverleg in brede samenstelling met de

fractievoorzitters en de leden van het college om in ieder geval de raadsplanning te bespreken en de kwaliteit van de onderlinge verhouding tussen raad en college te evalueren.

Artikel 7 Het Seniorenconvent 1.

Er is een seniorenconvent, bestaande uit de fractievoorzitters en de voorzitter van de raad. De griffier is aanwezig ter ondersteuning. Indien nodig kan de gemeentesecretaris als adviseur deelnemen.

2.

De fractievoorzitters kunnen zich bij afwezigheid in het seniorenconvent laten vervangen door een

3.

De voorzitter van de raad is voorzitter van het seniorenconvent.

4.

In het seniorenconvent worden alleen zaken besproken die betrekking hebben op personen of

raadslid van zijn of haar fractie.

zaken die om juridische of andere zwaarwegende argumenten niet openbaar besproken kunnen worden.

5.

De voorzitter roept het seniorenconvent bijeen wanneer hij/zij dit nodig acht of op verzoek van

6.

Vergaderingen van het seniorenconvent zijn besloten.

7.

Van de vergadering wordt een beknopt besloten verslag gemaakt door de griffier. Dit verslag is

ten minste één fractievoorzitter.

niet openbaar en wordt uitsluitend ter inzage gelegd voor de leden van het seniorenconvent.

Hoofdstuk 2 Toelating van nieuwe leden; benoeming wethouders; fracties

Artikel 8 Onderzoek geloofsbrieven en beëdiging raadsleden 1.

Bij de benoeming van nieuwe raadsleden stelt de raad een commissie in bestaande uit drie

2.

Deze commissie onderzoekt de geloofsbrieven en de daarop betrekking hebbende stukken van de

raadsleden.

nieuw benoemde raadsleden en brengt vervolgens advies uit aan de raad over de toelating van de nieuw benoemde raadsleden tot de raad. Indien van toepassing, wordt van een minderheidsstandpunt melding gemaakt in dit advies.

3.

Het onderzoek van het proces-verbaal van het centraal stembureau gebeurt in de laatste

4.

Na een raadsverkiezing roept de voorzitter de toegelaten raadsleden op om in de eerste

raadsvergadering in oude samenstelling na de raadsverkiezingen.

raadsvergadering in nieuwe samenstelling de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen.

5.

In geval van een tussentijdse vacaturevervulling roept de voorzitter een nieuw benoemd raadslid

op voor de raadsvergadering waarin over diens toelating wordt beslist om de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen.

Artikel 9 Benoeming wethouders 1.

Bij de benoeming van een wethouder stelt de raad een commissie in bestaande uit drie raadsleden.

2.

Deze commissie onderzoekt of de benoeming van de kandidaat-wethouder voldoet aan de

3.

De commissie brengt vervolgens advies uit aan de raad over de benoeming tot wethouder.

4.

De burgemeester geeft voor aanvang van iedere ambtstermijn opdracht om de kandidaat-

vereisten van de artikelen 36a, 36b, 41b, eerste, derde en vierde lid, en 41c, eerste lid, van de wet.

wethouders aan een risicoanalyse integriteit te onderwerpen. De burgemeester brengt over het eindresultaat daarvan verslag uit aan de raad.

Artikel 10 Fracties 1.

De leden van de raad, die door het centraal stembureau op dezelfde kandidatenlijst verkozen zijn verklaard, worden bij de aanvang van de zitting als één fractie beschouwd. Is onder een lijstnummer slechts één lid verkozen, dan wordt dit lid als een fractie beschouwd.

2.

Indien boven de kandidatenlijst een aanduiding was geplaatst, voert de fractie in de raad deze

aanduiding als naam. Indien geen aanduiding boven de kandidatenlijst was geplaatst, deelt de

fractie in de eerste vergadering van de raad aan de voorzitter mee welke naam deze fractie in de raad wil voeren. 3.

De namen van degenen die als voorzitter van de fractie en als diens plaatsvervanger optreden

4.

Indien één of meer leden van een of meer fracties als zelfstandige fractie gaan optreden of indien

worden zo spoedig mogelijk doorgegeven aan de voorzitter.

één of meer leden van een fractie zich aansluiten bij een andere fractie wordt hiervan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling gedaan aan de voorzitter.

5.

De nieuwe naam van de fractie wordt gebruikt met ingang van de eerstvolgende vergadering van de raad dan wel commissie ingeval deze eerder vergadert dan de raad.

Hoofdstuk 3 Vergaderingen Paragraaf 1 Tijdstip van vergaderen; voorbereidingen Artikel 11 Vergaderfrequentie 1.

De vergaderingen van de raad vinden in de regel plaats op dinsdag, vangen aan om 19.30 uur en worden gehouden in de raadzaal van het gemeentehuis.

2.

De voorzitter kan in bijzondere gevallen een andere dag en aanvangsuur bepalen of een andere vergaderplaats aanwijzen. Hij voert hierover, tenzij er sprake is van een spoedeisende situatie, overleg met de agendacommissie.

3.

Als een vergadering tot later dan 23:30 uur duurt, wordt er op dat moment door de voorzitter een voorstel van orde gedaan voor het afronden van de agenda.

Artikel 12 Oproep 1.

De voorzitter zendt ten minste 7 dagen voor een vergadering de leden van de raad een schriftelijke

2.

De eerste voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken, met uitzondering van de in

oproep onder vermelding van dag, tijdstip en plaats van de vergadering.

hoofdstuk Va van de wet bedoelde stukken, worden tegelijkertijd met de schriftelijke oproep aan de leden van de raad verzonden.

3.

De voorzitter zendt aan de leden van de raad, gehoord het advies van de commissies, een tweede voorlopige agenda met daarbij een onderverdeling in bespreekstukken en hamerstukken.

Artikel 13 Agenda 1.

In spoedeisende gevallen kan de voorzitter na het verzenden van de schriftelijke oproep tot

uiterlijk 48 uur voor de aanvang van een vergadering een aanvullende agenda opstellen. Deze wordt met de daarbij behorende stukken aan de leden van de raad verzonden en openbaar gemaakt.

2.

Bij aanvang van de vergadering stelt de raad de agenda vast. Op voorstel van een lid van de raad of de voorzitter kan de raad bij de vaststelling van de agenda onderwerpen aan de agenda toevoegen of van de agenda afvoeren. De leden van de raad stemmen over het voorstel.

3.

Wanneer de raad een onderwerp onvoldoende voor de openbare beraadslaging voorbereid acht, kan hij het onderwerp verwijzen naar een commissie of aan het college nadere inlichtingen of advies vragen.

4.

De raad kan besluiten de besluitvorming na de openbare beraadslaging aan te houden.

5.

Op voorstel van een lid van de raad of van de voorzitter kan de raad de volgorde van behandeling

6.

Indien geen unanimiteit bestaat over de onderverdeling in bespreek- en hamerstukken, wordt bij

van de agendapunten wijzigen. De leden van de raad stemmen over het voorstel. meerderheid besloten.

Artikel 14 Ter inzage leggen van stukken 1.

Stukken, die ter toelichting van de onderwerpen of voorstellen op de agenda dienen, worden

gelijktijdig met het verzenden van de schriftelijke oproep openbaar op het raadsinformatiesysteem geplaatst. Indien na het verzenden van de schriftelijke oproep stukken worden geplaatst, wordt hiervan mededeling gedaan aan de leden van de raad en zo mogelijk in een openbare kennisgeving.

2.

Elektronisch beschikbare stukken worden op de website van de gemeente geplaatst.

3.

Informatie van de raad of aan de raad verstrekte informatie waaromtrent op grond van hoofdstuk Va van de wet geheimhouding is opgelegd, blijft in afwijking van het eerste ter inzage bij de griffier. Enkel raadsleden mogen deze informatie inzien.

Artikel 15 Openbare kennisgeving 1.

De vergadering wordt door aankondiging in het huis-aan-huisblad en door plaatsing op de

2.

In spoedeisende gevallen kan de openbare kennisgeving uitsluitend langs elektronische weg

3.

De openbare kennisgeving vermeldt:

4.

gemeentelijke website openbaar gemaakt. plaatsvinden.

a.

de datum, aanvangstijd en plaats, alsmede de voorlopige agenda van de vergadering;

b.

de wijze waarop en de plaats waar een ieder de bij de vergadering behorende stukken kan inzien.

De voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken worden op de website van de gemeente geplaatst.

Paragraaf 2 Orde der vergadering Artikel 16 Presentielijst Bij binnenkomst in de vergaderzaal tekent ieder lid van de raad de presentielijst. Aan het einde van elke vergadering wordt die lijst door de voorzitter en de griffier door ondertekening vastgesteld.

Artikel 16 Zitplaatsen 1.

De voorzitter, de leden van de raad en de griffier hebben een vaste zitplaats.

2.

Bij aanvang van de zittingsperiode van de raad wijst de voorzitter na overleg in de

3.

Indien daartoe aanleiding bestaat, kan de voorzitter de indeling herzien na overleg in de

4.

Namens de voorzitter draagt de griffier zorg voor een zitplaats voor de wethouders, secretaris

Agendacommissie aan betrokkenen een plaats toe. Agendacommissie.

en overige personen, die voor de vergadering zijn uitgenodigd.

Artikel 18 Opening vergadering; quorum 1.

De voorzitter opent de vergadering op het vastgestelde uur, indien het daarvoor door de wet vereiste aantal leden van de raad blijkens de presentielijst aanwezig is.

2.

Wanneer een kwartier na het vastgestelde tijdstip niet het vereiste aantal leden aanwezig is, bepaalt de voorzitter, na voorlezing van de namen der afwezige leden, dag en uur van de volgende vergadering, met inachtneming van artikel 20 van de wet.

Artikel 19 Primus bij beraadslaging en hoofdelijke stemming De volgorde waarin beraadslaging plaatsvindt deelt de voorzitter mee aan het begin van de vergadering. Het beginnend lid wordt bij loting aangewezen.

Artikel 20 Besluitenlijst 1.

Van de commissievergaderingen wordt een besluitenlijst gemaakt. Verder wordt er van een

2.

Bij het begin van de vergadering wordt de besluitenlijst van de vorige vergadering vastgesteld.

3.

Elektronisch beschikbare besluitenlijsten en beeldopnamen worden op de website van de

raadsvergadering een beeldopname gemaakt en vindt streaming plaats.

Vastgestelde besluitenlijsten worden ondertekend door de voorzitter en griffier. gemeente geplaatst.

Artikel 21 Ingekomen stukken 1.

Bij de raad ingekomen stukken, waaronder schriftelijke mededelingen van het college aan de

raad, worden op een lijst geplaatst. Raadsleden hebben via het raadsinformatiesysteem toegang tot de ingekomen stukken. Per raadsvergadering wordt een verzamellijst opgesteld.

2.

De raad stelt op voorstel van de griffie de wijze van afdoening van de ingekomen stukken vast.

3.

Een lid van de raad kan een schriftelijke vraag stellen over een ingekomen stuk, uiterlijk om 16 uur ’s middags de dag voor de raadsvergadering bij de voorzitter via de griffie.

Artikel 22 Aantal spreektermijnen 1.

De beraadslaging over een onderwerp of voorstel geschiedt in ten hoogste twee termijnen,

2.

Elke spreektermijn wordt door de voorzitter afgesloten. Het college krijgt vervolgens

3.

Een lid mag in een termijn niet meer dan eenmaal het woord voeren over hetzelfde onderwerp of

4.

Het derde lid is niet van toepassing op:

tenzij de voorzitter of de raad anders beslist.

gelegenheid te reageren op de inbreng van de leden. voorstel.

a.

de rapporteur van een commissie;

b.

het lid dat een amendement, een motie of een initiatiefvoorstel heeft ingediend, voor wat betreft dat amendement, die motie of dat voorstel.

5.

Bij de bepaling hoeveel malen een lid over hetzelfde onderwerp of voorstel het woord heeft gevoerd, wordt niet meegerekend het spreken over een voorstel van orde.

Artikel 23 Spreektijd Een lid van de raad kan een voorstel doen over de spreektijd van de leden en de overige aanwezigen.

Artikel 24 Handhaving orde; schorsing 1.

2.

Een spreker mag in zijn betoog niet worden gestoord, tenzij a.

de voorzitter het nodig oordeelt hem aan het opvolgen van dit reglement te herinneren;

b.

een lid hem interrumpeert. De voorzitter kan bepalen dat de spreker zonder verdere interrupties zijn betoog zal afronden.

Indien een spreker, zich beledigende of onbetamelijke uitdrukkingen veroorlooft, afwijkt van het in behandeling zijnde onderwerp, een andere spreker herhaaldelijk interrumpeert, dan wel anderszins de orde verstoort, wordt hij door de voorzitter tot de orde geroepen. Indien de betreffende spreker, hieraan geen gevolg geeft, kan de voorzitter hem gedurende de

vergadering, waarin zulks plaats heeft, over het aanhangige onderwerp het woord ontzeggen. 3.

De voorzitter kan ter handhaving van de orde de vergadering voor een door hem te bepalen tijd

schorsen en, indien na de heropening de orde opnieuw wordt verstoord, de vergadering sluiten.

Artikel 25 Beraadslaging 1.

De raad kan op voorstel van de voorzitter of een lid van de raad beslissen over één of meer

2.

Op verzoek van een lid van de raad of op voorstel van de voorzitter kan de raad besluiten de

onderdelen van een onderwerp of voorstel afzonderlijk te beraadslagen.

beraadslaging voor een door hem te bepalen tijd te schorsen teneinde het college of de leden de gelegenheid te geven tot onderling nader beraad. De beraadslagingen worden hervat nadat de schorsingsperiode verstreken is.

Artikel 26 Deelname aan de beraadslaging door anderen 1.

De raad kan bepalen dat anderen dan de in de vergadering aanwezige leden van de raad, de

2.

Een beslissing daartoe wordt op voorstel van de voorzitter of één der leden van de raad

wethouder, de griffier, de secretaris en de voorzitter deelnemen aan de beraadslaging.

genomen zo mogelijk voordat met de beraadslaging ten aanzien van het aan de orde zijnde agendapunt een aanvang wordt genomen.

Artikel 27 Stemverklaring Na het sluiten van de beraadslaging en voordat de raad tot stemming overgaat, heeft ieder lid het recht zijn stemgedrag te motiveren.

Artikel 28 Beslissing 1.

Wanneer de voorzitter vaststelt dat een onderwerp of voorstel voldoende is toegelicht, sluit hij

2.

Nadat de beraadslaging is gesloten, vindt, na een stemming over eventuele amendementen, de

de beraadslaging.

stemming plaats over het voorstel, zoals het dan luidt in zijn geheel, tenzij geen stemming wordt gevraagd.

3.

Voordat de stemming over het voorstel in zijn geheel plaatsvindt, formuleert de voorzitter het voorstel over de te nemen eindbeslissing.

Paragraaf 3 Procedures bij stemmingen Artikel 29 Algemene bepalingen over stemming 1.

De voorzitter vraagt, of stemming wordt verlangd. Indien geen stemming wordt gevraagd en

ook de voorzitter dit niet verlangt, stelt de voorzitter vast dat het voorstel zonder hoofdelijke stemming is aangenomen.

2.

In de vergadering aanwezige leden kunnen een aantekening in de besluitenlijst vragen, dat zij geacht willen worden te hebben tegengestemd of zich op grond van artikel 28 van de wet van deelneming aan de stemming te hebben onthouden.

3.

Indien door een of meer leden om stemming of hoofdelijke stemming wordt gevraagd, doet de

4.

De voorzitter (of de griffier) roept de leden van de raad bij naam op hun stem uit te brengen. De

5.

Bij hoofdelijke stemming is ieder ter vergadering aanwezig lid dat zich niet van deelneming aan

voorzitter daarvan mededeling aan de raad.

stemming begint bij het lid dat daarvoor overeenkomstig artikel 18 is aangewezen.

de stemming op grond van artikel 28 van de wet moet onthouden verplicht zijn hun stem uit te brengen.

6.

De leden brengen hun stem uit door het woord ‘voor’ of ‘tegen’ uit te spreken, zonder enige

7.

Heeft een lid zich bij het uitbrengen van zijn stem vergist, dan kan hij deze vergissing nog

toevoeging.

herstellen voordat het volgende lid gestemd heeft. Bemerkt het lid zijn vergissing pas later, dan kan hij nadat de voorzitter de uitslag van de stemming bekend heeft gemaakt wel aantekening vragen dat hij zich heeft vergist; in de uitslag van de stemming brengt dit echter geen verandering.

8.

De voorzitter deelt de uitslag na afloop van de stemming mede, met vermelding van het aantal voor en tegen uitgebrachte stemmen. Hij doet daarbij tevens mededeling van het genomen besluit.

Artikel 30 Stemming over amendementen en moties 1.

Indien een amendement op een aanhangig voorstel is ingediend, wordt eerst over dat

2.

Indien op een amendement een subamendement is ingediend, wordt eerst over het

3.

Indien twee of meer amendementen of subamendementen op een aanhangig voorstel zijn

amendement gestemd en vervolgens over het voorstel zoals het dan luidt in zijn geheel. subamendement gestemd en vervolgens over het amendement.

ingediend, bepaalt de voorzitter de volgorde waarin hierover zal worden gestemd. Daarbij geldt de regel, dat het meest verstrekkende amendement of subamendement het eerst in stemming wordt gebracht.

4.

Indien aangaande een aanhangig voorstel een motie is ingediend, wordt eerst over het voorstel gestemd en vervolgens over de motie.

Artikel 31 Stemming over personen 1.

Wanneer een stemming over personen voor het doen van een voordracht of het opstellen van een voordracht of aanbeveling moet plaatshebben, benoemt de voorzitter 3 leden tot stembureau.

2.

Aanwezige raadsleden die zich niet ingevolge artikel 28 van de wet van deelneming aan de

stemming moeten onthouden, zijn verplicht een door het stembureau verstrekt stembriefje in te leveren. De stembriefjes dienen identiek te zijn.

3.

Er hebben zoveel stemmingen plaats als er personen zijn te benoemen, voor te dragen of aan te bevelen. De raad kan op voorstel van de voorzitter beslissen dat bepaalde stemmingen worden samengevat op één briefje.

4.

Voor het bepalen van de volstrekte meerderheid als bedoeld in artikel 30 van de wet worden geacht geen stem te hebben uitgebracht die leden die geen behoorlijk stembriefje hebben ingeleverd.

5.

In geval van twijfel over de inhoud van een stembriefje beslist de raad, op voorstel van de

6.

Onder de zorg van de griffier worden de stembriefjes onmiddellijk na vaststelling van de uitslag

voorzitter.

vernietigd.

Artikel 32 Beslissing door het lot 1.

Wanneer het lot moet beslissen, worden de namen van hen tussen wie de beslissing moet

2.

Deze briefjes worden, nadat zij door het stembureau zijn gecontroleerd, op gelijke wijze

3.

Vervolgens neemt de voorzitter een van de briefjes uit de stembokaal. Degene wiens naam op

plaatshebben, door de voorzitter op afzonderlijke, geheel gelijke, briefjes geschreven. gevouwen, in een stembokaal gedeponeerd en omgeschud. dit briefje voorkomt, is gekozen.

Hoofdstuk 4 Rechten van leden Artikel 33 Amendementen 1.

Ieder lid van de raad kan tot het sluiten van de beraadslagingen amendementen indienen. Een amendement kan het voorstel inhouden om een geagendeerd voorstel in één of meer

onderdelen te splitsen, waarover afzonderlijke besluitvorming zal plaatsvinden. Alleen

beraadslaagd kan worden over amendementen die ingediend zijn door leden van de raad, die de presentielijst getekend hebben en op het moment van indiening van het amendement in de vergadering aanwezig zijn. 2.

Ieder lid dat in de vergadering aanwezig is, is bevoegd op het amendement dat door een lid is

3.

Elk amendement en elk voorstel moet om in behandeling genomen te kunnen worden schriftelijk

ingediend, een wijziging voor te stellen (subamendement).

bij de voorzitter worden ingediend, tenzij de voorzitter oordeelt dat mondelinge indiening volstaat (een mondeling amendement).

4.

Intrekking, door de indiener(s), van het amendement is mogelijk, totdat de beraadslagingen over

5.

Het college wordt tijdens de vergadering in de gelegenheid gesteld ten aanzien van het

het aan de orde zijnde voorstel door de raad heeft plaatsgevonden.

amendement, als bedoeld in het eerste en tweede lid, voordat het in stemming wordt gebracht, zijn oordeel te doen blijken.

Artikel 34 Moties 1.

Ieder lid van de raad kan ter vergadering een motie indienen.

2.

Een motie moet om in behandeling genomen te kunnen worden schriftelijk bij de voorzitter worden ingediend, tenzij de voorzitter oordeelt dat mondelinge indiening volstaat (een mondelinge motie).

3.

De behandeling van een motie over een aanhangig onderwerp of voorstel vindt tegelijk met de

4.

De behandeling van een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp vindt plaats

beraadslaging over dat onderwerp of voorstel plaats.

nadat alle op de agenda voorkomende onderwerpen zijn behandeld, tenzij de voorzitter de raad anders voorstelt.

5.

Intrekking, door de indiener(s), van de motie is mogelijk totdat de beraadslaging door de raad

6.

Het college wordt tijdens de vergadering in de gelegenheid gesteld ten aanzien van de motie,

heeft plaatsgevonden.

als bedoeld in het eerste lid, voordat het in stemming wordt gebracht, zijn oordeel te doen blijken.

Artikel 35 Initiatiefvoorstel 1.

Een initiatiefvoorstel moet om in behandeling genomen te kunnen worden schriftelijk bij de voorzitter worden ingediend.

2.

De voorzitter plaatst het voorstel op de agenda van de eerstvolgende vergadering, tenzij de schriftelijke oproep hiervoor reeds verzonden is. Als de schriftelijke oproep hiervoor al is

verzonden, wordt het voorstel op de agenda van de daaropvolgende raadsvergadering geplaatst. 3.

Op een spoedeisend initiatiefvoorstel, inhoudende het ontslag van een wethouder, zijn de voorgaande bepalingen in dit artikel niet van toepassing. Een dergelijk voorstel kan na instemming van de raad terstond aan de agenda toegevoegd worden.

Artikel 36 Collegevoorstel 1.

Een voorstel van het college aan de raad, dat vermeld staat op de agenda van de

2.

Alvorens te besluiten wordt het college tijdens de vergadering in de gelegenheid gesteld de

3.

Indien de raad van oordeel is dat een voorstel als bedoeld in het eerste lid voor advies terug aan

raadsvergadering, kan niet worden ingetrokken zonder toestemming van de raad. motivering voor het voorstel tot intrekking toe te lichten.

het college moet worden gezonden, bepaalt de raad in welke vergadering het voorstel opnieuw geagendeerd wordt.

Artikel 37 Voorstellen van orde 1.

De voorzitter en ieder lid van de raad kunnen tijdens de vergadering mondeling een voorstel van

2.

Een voorstel van orde kan uitsluitend de orde van de vergadering betreffen.

3.

Over een voorstel van orde beslist de raad direct.

orde doen, dat kort kan worden toegelicht.

Artikel 38 Interpellatie 1.

Het verzoek tot het houden van een interpellatie wordt, behoudens naar het oordeel van de voorzitter, spoedeisende gevallen, ten minste 48 uur voor de aanvang van de vergadering

schriftelijk bij de voorzitter ingediend. Het verzoek bevat een duidelijke omschrijving van het onderwerp waarover inlichtingen worden verlangd alsmede de te stellen vragen. 2.

De voorzitter brengt de inhoud van het verzoek zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige leden van de raad en de wethouders. Bij de vaststelling van de agenda van de eerstvolgende vergadering na indiening van het verzoek wordt het verzoek in stemming gebracht. De raad bepaalt op welk tijdstip tijdens de vergadering de interpellatie zal worden gehouden.

3.

De interpellant voert niet meer dan tweemaal het woord, de overige leden van de raad, de

burgemeester en de wethouders niet meer dan eenmaal, tenzij de raad hen hiertoe verlof geeft.

Artikel 39 Vragenronde 1.

Bij aanvang van de raadsvergadering is er een vragenronde. Het lid van de raad dat tijdens de

vragenronde vragen wil stellen, meldt dit onder aanduiding van het onderwerp uiterlijk om 16

uur ’s middags de dag van te voren bij de voorzitter via de griffier en wel schriftelijk. De

voorzitter kan weigeren een onderwerp tijdens de vragenronde aan de orde te stellen indien hij het onderwerp niet voldoende nauwkeurig acht aangegeven of indien het onderwerp in de raadsvergadering op diezelfde dag aan de orde komt. 2.

De voorzitter bepaalt per onderwerp de spreektijd voor de vragensteller, voor het college, voor

3.

Per onderwerp wordt aan de vragensteller het woord verleend om één of meer vragen aan het

de burgemeester en voor de overige leden van de raad.

college, de burgemeester of aan andere leden van de raad te stellen en een toelichting daarop te geven.

4.

Na de beantwoording door diegene(n) aan wie de vraag is gericht, krijgt de vragensteller

5.

Vervolgens kan de voorzitter aan andere leden van de raad het woord verlenen om hetzij aan de

desgewenst het woord om aanvullende vragen te stellen.

vragensteller, hetzij aan het college of de burgemeester vragen te stellen over hetzelfde onderwerp.

Artikel 40 Schriftelijke vragen en Inlichtingen 1.

Schriftelijke vragen worden kort en duidelijk geformuleerd. De vragen kunnen van een

toelichting worden voorzien. Vragen die niet voldoen aan het hiervoor gestelde voorwaarden worden direct aan de indiener teruggestuurd.

2.

De vragen worden bij de griffier ingediend. Deze draagt er zorg voor dat de vragen zo spoedig

mogelijk ter kennis van de overige leden van de raad en het college of de burgemeester worden gebracht.

3.

Schriftelijke beantwoording vindt zo spoedig mogelijk plaats, in ieder geval binnen dertig

dagen, nadat de vragen zijn binnengekomen. Indien beantwoording niet binnen deze termijnen kan plaatsvinden, stelt het college of de burgemeester de vragensteller hiervan gemotiveerd in kennis, waarbij de termijn aangegeven wordt, waarbinnen beantwoording zal plaatsvinden. Dit bericht wordt behandeld als een antwoord.

4.

De antwoorden van het college of de burgemeester worden door tussenkomst van de griffier aan

5.

De vragensteller kan, bij schriftelijke beantwoording in de eerstvolgende raadsvergadering en bij

de leden van de raad toegezonden.

mondelinge beantwoording in dezelfde raadsvergadering, na de behandeling van de op de agenda voorkomende onderwerpen nadere inlichtingen vragen omtrent het door de burgemeester of door het college gegeven antwoord, tenzij de raad anders beslist.

6.

Indien een lid van de raad over een onderwerp inlichtingen als bedoeld in de artikelen 169,

derde lid, en 180, derde lid, van de wet verlangt, wordt een verzoek daartoe, door tussenkomst van de griffier schriftelijk ingediend bij het college of de burgemeester. De procedure zoals verwoord in dit artikel wordt bij de beantwoording in acht genomen.

Hoofdstuk 5 Lidmaatschap van andere organisaties Artikel 41 Verslag en verantwoording 1.

Een lid van de raad, een wethouder, de burgemeester of de secretaris, die door de

gemeenteraad is aangewezen tot lid van het algemeen bestuur van een openbaar lichaam of van een ander gemeenschappelijk orgaan, ingesteld op grond van de Wet gemeenschappelijke

regelingen, heeft het recht verslag te doen over zaken die in het algemeen bestuur als bedoeld

aan de orde zijn. Door de raad gewenste bespreking van dit verslag kan de voorzitter verwijzen naar de desbetreffende commissie. 2.

Ieder lid van de raad kan aan een persoon als bedoeld in het eerste lid, schriftelijke vragen

stellen. De regels voor het stellen van schriftelijke vragen, vastgesteld in artikel 39, zijn van overeenkomstige toepassing.

3.

Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op andere organisaties of instituties, waarin de raad één van zijn leden heeft benoemd.

Artikel 42 Werkgroepen 1.

De raad kan werkgroepen instellen.

2.

Werkgroepen kunnen voor een bepaalde tijd en rond een bepaald thema ingesteld worden.

3.

In het besluit van werkgroepen wordt ten minste duidelijk: a.

wat het doel en de opdracht van de werkgroep is;

b.

tot wanneer de werkgroep wordt ingesteld;

c.

op welk thema de werkgroep wordt ingesteld;

d.

wat de samenstelling van de werkgroep is;

e.

wat de werkwijze van de werkgroep is;

f.

wanneer en op welke wijze de werkgroep rapporteert aan de raad als opdrachtgever.

Hoofdstuk 6 Besloten vergadering Artikel 43 Algemeen Op een besloten vergadering zijn de bepalingen van dit Reglement van overeenkomstige toepassing voor zover deze bepalingen niet strijdig zijn met het besloten karakter van de vergadering.

Artikel 44 Besluitenlijsten en verslagen 1.

Conceptverslagen en -besluitenlijsten van besloten raadsvergaderingen worden niet verspreid,

2.

Deze verslagen en besluitenlijsten worden zo spoedig mogelijk in een besloten

maar liggen uitsluitend ter inzage bij de griffier.

raadsvergadering ter vaststelling aangeboden. Tijdens deze vergadering neemt de raad een

besluit over het al dan niet opheffen van de geheimhouding op het vastgestelde verslag en de besluitenlijst. 3.

De vastgestelde verslagen en besluitenlijsten worden door de voorzitter en de griffier ondertekend.

Artikel 45 Opheffing geheimhouding Als de raad op grond van artikel 89, vierde lid, van de wet voornemens is de geheimhouding van aan de

raad verstrekte informatie op te heffen, wordt, als het orgaan dat geheimhouding heeft opgelegd daarom verzoekt, daarover in een besloten raadsvergadering met het desbetreffende orgaan overleg gevoerd.

Hoofdstuk 7 Toehoorders en pers Artikel 46 Toehoorders en pers 1.

De toehoorders en vertegenwoordigers van de pers kunnen uitsluitend op de voor hen bestemde

2.

Het geven van tekenen van goed- of afkeuring of het op andere wijze verstoren van de orde is

plaatsen openbare vergaderingen bijwonen. verboden.

Artikel 47 Geluid- en beeldregistraties Degenen die in de vergaderzaal tijdens een openbare raadsvergadering geluid- dan wel beeldregistraties willen maken doen hiervan mededeling aan de voorzitter en gedragen zich naar zijn aanwijzingen. Deze aanwijzingen kunnen niet zover gaan dat zij de vrijheid van pers aantasten.

Hoofdstuk 8 Slotbepalingen Artikel 48 Uitleg reglement In de gevallen waarin dit Reglement niet voorziet of bij twijfel omtrent de toepassing van het Reglement, beslist de raad op voorstel van de voorzitter.

Artikel 49 Intrekken oude reglement Het reglement van orde voor de vergaderingen van de raad van de gemeente Beuningen 2023 wordt ingetrokken.

Artikel 50 Inwerkingtreding 1.

Dit Reglement treedt in werking op de dag na bekendmaking.

2.

Dit reglement wordt aangehaald als: Reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad Beuningen 2026.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 10 februari 2026,

De griffier,

de voorzitter,

Toelichting Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Begripsomschrijvingen De omschrijving van de termen amendement en initiatiefvoorstel luiden hetzelfde als in de artikelen 147a en 147b van de wet.

Artikel 2 De voorzitter De burgemeester is voorzitter van de raad. Artikel 9 van de wet schrijft dit dwingend voor. In artikel 77, eerste lid, van de wet is bepaald dat het langstzittende raadslid het raadsvoorzitterschap waarneemt bij verhindering of ontstentenis van de burgemeester. Als twee raadsleden even lang zitting hebben, is de oudst in jaren degene die het raadsvoorzitterschap waarneemt. Daarnaast heeft de raad altijd de

mogelijkheid zelf te kiezen voor een andere waarnemer. De burgemeester heeft het recht op grond van

artikel 21 van de wet in de vergadering aan de beraadslaging deel te nemen. Als voorzitter zorgt hij onder andere voor de handhaving van de orde in de vergadering.

Artikel 3 De griffier De raad is verplicht een griffier te benoemen (artikel 100 van de wet). De griffier is in eerste instantie

verantwoordelijk voor de bijstand aan de raad. Hij is in principe in elke vergadering van de raad aanwezig. De wet eist dat de raad de vervanging van de griffier regelt (artikel 107d, eerste lid). In het tweede lid is daarover een bepaling opgenomen. In verband met artikel 22 van de wet (verschoningsrecht) is in het

derde lid een bepaling opgenomen met betrekking tot het deelnemen van de griffier aan de beraadslaging.

Artikel 4 De secretaris De secretaris houdt zich voornamelijk bezig met de ondersteuning van het college en het leiden van de ambtelijke organisatie. In het kader van die twee taken kan het tevens wenselijk zijn dat de secretaris

deelneemt aan de beraadslagingen van de raad. De secretaris wordt echter benoemd en ontslagen door het college. Dit houdt in dat de raad de secretaris niet kan dwingen om in de raad aanwezig te zijn. De raad

zal het college moeten verzoeken of het college de secretaris opdraagt in de vergadering aanwezig te zijn om aan de beraadslagingen deel te nemen. Op deze wijze kan de raad onder meer een beroep doen op

kennis en informatie, die de secretaris bezit of kan de secretaris bijvoorbeeld deelnemen aan een discussie over het functioneren van de ambtelijke organisatie.

Artikel 5 De Agendacommissie De Agendacommissie heeft een belangrijke procedurele rol (vaststellen voorlopige agenda, uitnodigen

externen, wijzigen vergadermomenten e.d.). In artikel 5 is verder als aanvullende taak opgenomen dat de Agendacommissie aanbevelingen doet aan de raad inzake de organisatie van de werkzaamheden van de raad en zijn commissies. Hieronder vallen taken als: het initiëren van een aanpassing van het reglement van orde en aanbevelingen doen aan de raad ter bevordering van het dualiseringsproces.

In plaats van de voorzitter van de raad kan ook een lid van het college aansluiten. De griffier is bij elke vergadering aanwezig, omdat de griffier voor de ondersteuning van de raad zorgt. Hij moet weten hoe de agenda eruit komt te zien en welke punten besproken gaan worden.

Artikel 6 Het Fractievoorzittersoverleg Het Fractievoorzittersoverleg heeft voornamelijk een algemeen adviserende rol (aanbevelingen aan de raad inzake de organisatie en het functioneren van de raad). De VNG is van mening dat het

Fractievoorzittersoverleg voor wat betreft de inhoudelijke aspecten van het raadswerk een ondergeschikte rol dient te vervullen, omdat anders het gevaar bestaat dat er binnen de raad een nieuw bestuursorgaan

wordt gecreëerd, hetgeen niets strookt met de Grondwet, die het primaat immers expliciet bij de raad legt (artikel 125, eerste lid, van de Grondwet). Dat laat onverlet dat het Fractievoorzittersoverleg als

overlegorgaan een toegevoegde waarde kan hebben om over min of meer apolitieke onderwerpen te spreken.

De aanwezigheid van de gemeentesecretaris kan ook gewenst zijn, omdat de gemeentesecretaris aandacht moet kunnen vragen voor of een toelichting kan geven op onderwerpen die worden voorbereid door de ambtelijke organisatie.

Artikel 7 Het Seniorenconvent In het Fractievoorzittersoverleg (artikel 6) wordt er informatie uitgewisseld tussen de burgemeester, de griffier en de fractievoorzitters. Er ligt geen geheimhouding op deze informatie en dus staat het de fractievoorzitters vrij om de besproken informatie te delen met derden, zoals hun fractiegenoten.

In sommige gevallen, bijvoorbeeld bij informatie over gevoelige zaken of personen, is het wenselijk dat

deze informatie niet verder wordt verspreid dan de fractievoorzitters. Dit kan alleen gegarandeerd worden

wanneer er sprake is van een besloten vergadering, waarbij er geheimhouding op de informatie ligt. Omdat het niet wenselijk is om het Fractievoorzittersoverleg besloten van aard te maken (in het geval van

sommige informatie is het juist de bedoeling dat de fractievoorzitters de informatie verspreiden onder hun fractiegenoten), is ervoor gekozen om een Seniorenconvenant in het leven te roepen.

Wanneer de fractievoorzitter van een eenmansfractie niet aanwezig kan zijn, wordt het betreffende raadslid in de gelegenheid gesteld om naderhand het beknopte besloten verslag in te zien en indien nodig bijgepraat door de griffier.

Op grond van artikel 23 en 87 van de Gemeentewet geldt geheimhouding voor alles wat in de vergadering

wordt besproken, tenzij de raad deze opheft. De voorzitter wijst bij aanvang en sluiting van de vergadering op de geheimhoudingsplicht.

Hoofdstuk 2 Toelating van nieuwe leden; benoeming wethouders; fracties

Artikel 8 Onderzoek geloofsbrieven en beëdiging raadsleden

Met de geloofsbrief geeft de voorzitter van het centraal stembureau aan de benoemde kennis van zijn benoeming (artikel V1 Kieswet). Voor dit benoemingsbesluit is bij ministeriële regeling een model

vastgesteld. De benoemde geeft schriftelijk aan of hij de benoeming aanneemt (artikel V2 Kieswet).

Tegelijk met de mededeling dat hij zijn benoeming aanneemt worden aan de raad stukken overlegd

waaruit blijkt dat de benoemde voldoet aan de eisen om als lid van de raad toegelaten te worden. Dit

omvat de volgende stukken: een ondertekende verklaring met de openbare betrekkingen die hij bekleedt, een uittreksel uit de basisregistratie personen met zijn woonplaats, geboorteplaats en -datum, en (indien niet-Nederlander) stukken waaruit blijkt dat hij voldoet aan de vereisten van artikel 10, lid 2, van de

Gemeentewet (artikel V3 Kieswet). Het onderzoek van de geloofsbrieven en de beslissing over de toelating moeten in een openbare vergadering gebeuren. Bij het onderzoek zal ook de gedragscode (artikel 15,

derde lid, van de wet) betrokken worden. In deze code zijn onder meer bepalingen opgenomen over al dan niet toegestane nevenfuncties. De commissie welke de geloofsbrieven onderzoekt brengt verslag uit. Dit kan zowel mondeling als schriftelijk.

Ingevolge artikel V4 van de Kieswet beslist de raad over de toelating van zijn leden. Daarbij is er een

verschil in de procedure bij de samenstelling van een nieuwe raad of bij de vervulling van een tussentijdse vacature. Na een raadsverkiezing beslist de raad in oude samenstelling in zijn laatste vergadering over de toelating van de nieuw gekozen leden. Met ingang van 0:00 uur de volgende dag treedt de nieuwe raad aan (artikel 18 gemeentewet, artikel C4 tweede lid, kieswet).

Eerste en tweede lid

De formulering van het eerste lid benadrukt dat de raad en niet de voorzitter een commissie instelt, die het zogenaamde geloofsbrievenonderzoek verricht nadat de voorzitter van het centraal stembureau nieuwe leden heeft benoemd.

Derde lid

Het onderzoek van het proces-verbaal (onderzoek naar het verloop van de verkiezing of de vaststelling van de uitslag) gebeurt door de oude raad vlak voor de eerste samenkomst van de nieuwe raad na de

gemeenteraadsverkiezingen. Het onderzoek van het proces-verbaal strekt zich niet uit tot de geldigheid van de kandidatenlijsten.

Het derde lid ziet op de specifieke taak die de raad heeft na de raadsverkiezingen. Na de

gemeenteraadsverkiezingen heeft de commissie voor het geloofsbrievenonderzoek een extra taak, zij adviseert de raad ook over het verloop van de verkiezingen (of dit op wettige wijze is gebeurd) en het

vaststellen van de uitslag (of deze juist is vastgesteld). Zij doet dit op basis van het proces-verbaal van het centraal stembureau. De raad dient op basis van dit advies een besluit te nemen over het verloop van de verkiezingen en de vaststelling van de uitslag. Dit besluit is van belang omdat de raad de bevoegdheid

heeft om te besluiten tot het hertellen van de stemmen en zelfs de bevoegdheid om te besluiten tot een herstemming, beide eventueel in een deel van de gemeente bij een aantal specifieke stembureaus. Het proces-verbaal vormt de aanleiding tot een besluit tot hertelling of herstemming. Dit dient concrete

aanwijzingen te bevatten waarop de raad een dergelijk besluit kan baseren. Op 28 februari 2014 heeft de minister van BZK een circulaire uitgebracht waarin toegelicht wordt wanneer de raad gebruik kan maken

van deze bevoegdheid (Gemeenteraadverkiezingen: hertellingen, kenmerk 2014-0000116196, 28 februari 2014, Ministerie van BZK. Zie:

https://vng.nl/files/vng/publicatie_bijlagen/2014/20140319-hertelling-gemraadsverk-bzk2014-

0000116196.pdf). Deze circulaire was ook bij de raadsverkiezingen in 2018 en 2022 van toepassing. In deze circulaire wordt onder meer uiteengezet wanneer de raad tot hertelling kan besluiten. Het ligt niet voor de hand dat besloten wordt tot een hertelling waarvan tevoren duidelijk is dat deze niet tot een

andere samenstelling in de raad kan leiden. Ook een verschil in zetels tussen de voorlopige uitslag en de definitieve uitslag is geen reden om over te gaan tot hertelling.

Vierde en vijfde lid

Na een raadsverkiezing kunnen de toegelaten raadsleden op de eerste vergadering van de raad in nieuwe samenstelling als bedoeld in artikel 18 van de wet de eed of verklaring en belofte afleggen. De voorzitter zal hen hiervoor oproepen. Bij tussentijdse vacaturevervulling kan de eed of verklaring en belofte

aansluitend aan de beslissing van de raad over de toelating van het betrokken raadslid plaatsvinden (vijfde lid). De tekst van de eed of verklaring en belofte die een raadslid bij het aanvaarden van het raadslidmaatschap moet afleggen, is in artikel 14 van de wet vastgelegd.

Artikel 9 Benoeming wethouders Artikel 8 geeft invulling aan een leemte in de wet. Uit de Kieswet vloeit het geloofsbrievenonderzoek van

raadsleden voort. Aangezien de wethouder geen gekozen volksvertegenwoordiger is, is hierover niets in de Kieswet geregeld. De wet geeft wel aan welke formele eisen gesteld worden aan een wethouder maar niet op welk moment deze getoetst worden.

Het ligt voor de hand om voor het benoemen van wethouders ook een commissie voor het onderzoek naar de geloofsbrieven in te stellen (eerste lid). De formele eisen voor het wethouderschap zijn grotendeels vergelijkbaar met de vereisten voor het raadlidmaatschap (artikelen 36a, 36b, 41b en 41c van de wet).

Voor wethouders is er de aanvullende verplichting om een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) te

kunnen overleggen (artikel 36a, tweede lid, van de wet). De VOG kent een screeningsprofiel voor politieke ambtsdragers.

Bij de benoeming van een wethouder kan een integriteitstoets plaatsvinden. De gedragscode integriteit

raadsleden en raadscommissieleden speelt hierbij een rol. Na het onderzoek, bedoeld in het tweede lid, brengt de commissie advies uit aan de raad over de benoeming tot wethouder (derde lid).

De kandidaat-wethouders kunnen in opdracht van de burgemeester voor aanvang van iedere ambtstermijn aan een integriteitstoets worden onderworpen. De burgemeester krijgt zicht op de volledige rapportage van de risicoanalyse. Zo heeft hij een goed beeld van de kandidaat en kan hij met de kandidaat een gesprek voeren over de uitkomsten. De burgemeester kan ten aanzien van de risicoanalyse en de

conclusies geheimhouding opleggen aan de raad. Met de Wet bevorderen integriteit en functioneren

decentraal bestuur (nu geregeld in artikel 87 van de wet) is de burgemeester hiertoe expliciet bevoegd gemaakt (vierde lid van dit reglement).

Artikel 8 is ook van toepassing als er geen wethouder van buiten maar uit de raad wordt benoemd. De incompatibiliteiten en nevenfuncties dienen dan immers opnieuw beoordeeld te worden.

Een raadslid dat benoemd wordt tot wethouder mag raadslid blijven totdat de geloofsbrieven van zijn opvolger zijn goedgekeurd (artikel 36b, tweede lid, van de wet).

Artikel 10 Fracties In een aantal gevallen blijkt behoefte te bestaan aan een regeling van wat onder een fractie moet worden verstaan. De Kieswet en de Gemeentewet kennen een dergelijk begrip niet. In de Gemeentewet in artikel

33, tweede lid, wordt wel uitgegaan van het bestaan van in de raad vertegenwoordigde groeperingen (recht op fractie-ondersteuning).

Bij de aanvang van de eerste zitting van de nieuwe raad na de verkiezingen, worden de leden die op

dezelfde lijst hebben gestaan, als één fractie beschouwd. De fractie gebruikt in de vergadering van de raad

de aanduiding die zij boven de kandidatenlijst had staan. Op deze wijze is de relatie tussen de fractie in de raad en de fractie op de kandidatenlijst voor de inwoner duidelijk. Het kan echter voorkomen dat een

fractie geen aanduiding boven de kandidatenlijst heeft staan. In een dergelijk geval deelt de fractie in de eerste vergadering de aanduiding mee.

In de loop van een zittingsperiode kan het voorkomen dat leden de raad verlaten. In een dergelijk geval

vindt er een verandering in de samenstelling van de fractie plaats. Als dit het geval is, deelt de fractie dit

aan de voorzitter mede. Ook andere wijzigingen zijn mogelijk, bijvoorbeeld een fusie van twee fracties. Een andere (tijdelijke) wisseling in een fractie kan het gevolg zijn van ziekte of zwangerschap van een raadslid. Voor deze gevallen is in de Kieswet een vervangingsregeling opgenomen (hoofdstuk X, Kieswet).

Uitgangspunt van ons kiesstelsel is dat volksvertegenwoordigers op persoonlijke titel worden verkozen en benoemd. Dit uitgangspunt is gebaseerd op artikel 27 van de gemeentewet en artikel 129 van de Grondwet, waarin is bepaald dat elk bindend mandaat van een lid van de raad nietig is. De

volksvertegenwoordiger handelt naar eigen overtuiging en is bij stemmingen niet gebonden aan een lastgeving. Geen andere persoon of instantie kan hem rechtens bindende instructies opleggen met

betrekking tot zijn stemgedrag. Het is de individuele volksvertegenwoordiger die een mandaat van de

kiezer heeft gekregen. De volksvertegenwoordiger heeft daardoor ook de mogelijkheid om tussentijds van fractie te veranderen of zelfstandig verder te gaan.

Hoofdstuk 3 Vergaderingen Paragraaf 1 Tijd van vergaderen; voorbereidingen Artikel 11 Tijd en plaats van vergaderen Ingevolge artikel 17 van de wet vergadert de raad zo vaak hij daartoe heeft besloten en voorts indien de burgemeester het nodig oordeelt of indien ten minste een vijfde van het aantal leden van de raad schriftelijk met opgave van redenen daarom vraagt.

Artikel 12 Oproep In artikel 19, eerste lid van de wet is bepaald dat de burgemeester de leden van de raad schriftelijk uitnodigt voor de vergadering.

Het eerste lid bepaalt dat de voorzitter ten minste zeven dagen vóór een vergadering de leden een oproep stuurt, waarin de vergadering wordt aangekondigd. De oproep vermeldt de dag, tijdstip en plaats van de

vergadering. Het tweede lid stelt verplicht dat de voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken, met uitzondering van hoofdstuk Va van de wet bedoelde stukken, tegelijkertijd met de oproep aan de leden worden verzonden. De in hoofdstuk Va, bedoelde stukken zijn stukken ten aanzien waarvan

geheimhouding is opgelegd. Hier wordt melding van gemaakt op de stukken. Uiteraard is het mogelijk, indien de raad dit wenst de stukken en oproep niet per post maar via elektronische weg te versturen.

Artikel 13 Agenda

De Agendacommissie bepaalt hoe de agenda eruit komt te zien (artikel 5). Het versturen van de agenda en stukken is geregeld in artikel 11. Dit is echter een voorlopige agenda. In de dagelijkse praktijk van de

gemeente zal het niet altijd mogelijk zijn om een week voor de vergadering een agenda op te stellen, die

ook zicht heeft op de 'waan' van de dag. In een dergelijke situatie kan de voorzitter na het verzenden van de schriftelijke oproep zo nodig een aanvullende agenda en stukken rondsturen. Het derde lid heeft tot doel om de raad een actievere rol te geven in de opstelling van de raadsagenda. Individuele raadsleden

kunnen door middel van een agenderingsverzoek in de Agendacommissie onderwerpen voor de agenda voordragen. Zij kunnen echter ook bij aanvang van de raadsvergadering een voorstel doen om

onderwerpen aan de agenda toe te voegen of van de agenda af te voeren. Daarmee kan het individuele raadslid in ieder geval op twee momenten invloed uitoefenen op de vaststelling van de agenda.

Het vierde lid vloeit voort uit de verplichting van het college om de raad van voldoende informatie te

voorzien. Als de raad niet voldoende op de hoogte is van de inhoud en strekking van een onderwerp, is het niet gewenst dat de raad zich over dit onderwerp uitspreekt. In een dergelijk geval heeft de raad de

mogelijkheid, het onderwerp naar een commissie te verwijzen of aan het college nadere inlichtingen of

advies te vragen. Het vijfde lid regelt dat de raad op verzoek van een lid of op voorstel van de voorzitter de volgorde van behandeling van de agendapunten kan wijzigen.

Voorstellen aan de raad kunnen van diverse actoren afkomstig zijn. In de eerste plaats zijn dit het college

en de burgemeester. Daarnaast kunnen raadsleden initiatiefvoorstellen indienen. De Agendacommissie kan voorstellen doen die te maken hebben met de organisatie en de werkzaamheden van de raad (zie artikel 5, lid 6).

Artikel 14 Ter inzage leggen van stukken Geïnteresseerden moeten de mogelijkheid hebben om informatie in te zien. Daarom wordt alle informatie gelijktijdig met het verzenden van de schriftelijke oproep openbaar op het raadsinformatiesysteem geplaatst (eerste lid).

Informatie is een ‘document’ in de zin van de Wet open overheid (hierna: Woo). Een ‘document’ houdt in: een bij een bestuursorgaan berustend stuk of ander materiaal dat gegevens bevat. Onder documenten vallen niet alleen de door de overheidsorganen gecreëerde stukken of andere materiaal. Ook alle van

buiten komende stukken en andere voor overheidsorganen bestemd materiaal zoals agenda’s, verslagen,

(concept)adviezen, al dan niet in elektronische vorm, verkrijgen de status van ‘document’ in de zien van de Woo.

Bij de Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur is de reikwijdte van de Gemeentewet

uitgebreid van ‘stukken’: naar ‘informatie’ (artikel 87 en artikel 19, tweede lid, van de wet). Verder hoeft de raad de geheimhouding niet meer te bekrachtigen. College, burgemeester en commissies mogen voortaan zelf geheimhouding opleggen (artikel 87 van de wet).

Onder de ‘informatie’ als bedoeld in het derde lid wordt verstaan: informatie van de raad en aan de raad verstrekte informatie, waaronder de zogeheten ‘achterliggende’ stuken waarvan in raadsvoorstellen

melding wordt gemaakt (ambtelijke adviezen, toelichtende nota’s, etc.) waarop geheimhouding is gelegd. Indien het gaat om geheime of vertrouwelijke stukken, waarop geheimhouding is gelegd door het

bestuursorgaan dat het document aanbiedt aan de raad, dient dit duidelijk op het stuk te zijn aangegeven. Ook kan worden overwegen hiervan geen kopieën te laten maken, omdat het gevaar bestaat dat

gekopieerde stukken toch in de openbaarheid komen. Indien de geheimhouding op informatie anders dan

in schriftelijke vorm rust, moet de verplichting op een passende wijze kenbaar worden gemaakt (artikel 89, eerste lid, van wet).

De griffier vervult de secretariaatsfunctie ten dienste van de raad. Daarom wordt informatie die betrekking

hebben op de agenda en de voorstellen van de raadsvergadering en die geheim moeten blijven bij hem ter inzage gelegd voor raadsleden (derde lid).

Artikel 15 Openbare kennisgeving Met dit artikel wordt invulling gegeven aan het voorschrift van artikel 19, tweede lid, van de wet. In artikel 14 wordt vastgelegd op welke wijze raadsvergaderingen worden aangekondigd.

Bij de herziening van het reglement is tevens de verplichting opgenomen de agenda en stukken ook op het internet te plaatsen. Vanuit het oogpunt van service aan de inwoner is dit gewenst. Elke gemeente beschikt over een website. Dit is echter niet verplicht op grond van de wet.

Paragraaf 2 Orde der vergadering Artikel 16 Presentielijst De verplichting tot het hebben van een presentielijst vloeit voort uit artikel 20 van de wet. In dit artikel

wordt de procedure vastgelegd. De handtekeningen op de presentielijst zijn bedoeld om formeel vast te

stellen, dat het vergaderquorum aanwezig is. De lijst kan niet dienen om het stemquorum vast te stellen; daarvoor geldt artikel 29 van de wet.

De griffier geeft de ambtelijke ondersteuning die de raad nodig heeft. Daarom zorgt hij voor het bijhouden van de presentielijst en stelt hij samen met de voorzitter deze vast en ondertekent deze. Deze ondertekening dient te waarborgen dat de lijst volledig is en het quorum aanwezig was.

Artikel 17 Zitplaatsen Lid 2 en 3 maken het mogelijk zitplaatsen te wijzigen als daartoe aanleiding bestaat. Dit kan het geval zijn bij een wijziging in de raad, in de coalitie of fracties.

Artikel 18 Opening vergadering; quorum De vergadering kan beginnen, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende raadsleden

aanwezig is en de presentielijst heeft getekend. Artikel 20 van de wet voorziet in een procedure voor een tweede vergadering indien het vereiste aantal leden niet op komt dagen.

Artikel 19 Primus bij beraadslaging en hoofdelijke stemming Praktisch gezien verdient het aanbeveling de volgorde van stemmen te bepalen aan het begin van de vergadering; deze volgorde geldt dan voor de gehele vergadering, ook na een eventuele schorsing.

Artikel 20 Besluitenlijst Van de raadsvergaderingen wordt een besluitenlijst gemaakt. Dit is een verplichting volgens de wet (artikel 23, vijfde lid van de wet). Verder wordt er van een raadsvergadering een beeldopname gemaakt.

Artikel 21 Ingekomen stukken; mededelingen Bij de raad ingekomen stukken, waaronder schriftelijke mededelingen van het college aan de raad, worden op een lijst geplaatst. Raadsleden hebben via het raadsinformatiesysteem toegang tot de ingekomen

stukken. De griffie geeft een advies over de afdoening van een ingekomen stuk. Per vergadering van de

raad wordt een verzamellijst opgesteld. De raad stelt de wijze van afdoening van de ingekomen stukken

vast of in het geval van onverwijlde spoed de griffier. In Beuningen is het mogelijk een vraag te stellen over een ingekomen stuk tijdens de raadsvergadering. Deze vraag dient schriftelijk te worden aangeleverd in het juiste format.

Artikel 22 Aantal spreektermijnen Indien de raad van mening is, dat na de tweede termijn verdere beraadslaging nodig is, kan hij daartoe

uitdrukkelijk besluiten. Het tweede lid benadrukt dat de voorzitter elke spreektermijn afsluit. Dit behoeft

overigens niets te veranderen aan de praktijk dat een portefeuillehouder antwoordt na de inbreng van de raadsleden in de eerste en tweede termijn.

Het stellen van vragen dient ook als een spreektermijn beschouwd te worden. Een verzoek van een raadslid na afloop van de tweede termijn om nog een korte reactie te geven, dient de voorzitter niet te honoreren. De beraadslaging over een motie vindt niet plaats in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het betreffende, aan de orde zijnde onderwerp.

Artikel 23 Spreektijd Het artikel strekt ertoe te benadrukken dat de raad ook uit eigen initiatief regels kan stellen over de

spreektijd van de leden. De voorzitter hoeft dit niet voor te stellen. De voorzitter kan in het kader van zijn taak tot het handhaven van de orde tijdens de vergadering wel wijzigingen voorstellen in de omvang van de spreektijd.

Artikel 24 Handhaving orde; schorsing Het eerste lid verzekert dat raadsleden vrijelijk kunnen spreken. Wel zijn interrupties toegestaan voor zover de voorzitter bij een overvloed aan interrupties of in het belang van de voortgang van de

beraadslagingen niet bepaalt dat een spreker zijn betoog zonder verdere interrupties afrondt. Om te

bevorderen dat leden van de raad zich niet belemmerd voelen om hun mening te uiten, is in artikel 22 van de wet bepaald dat zij niet in rechte te vervolgd kunnen worden, aan te spreken zijn of verplicht zijn

getuigenis af te leggen over hetgeen zij in de vergadering zeggen of schriftelijk overleggen. Het tweede lid heeft naast de leden die het woord voeren, ook betrekking op de wethouders, de secretaris, de griffier of

andere personen, die het woord voeren. De voorzitter kan hen tot de orde roepen. Indien zij hieraan geen gehoor geven, kan hen het woord worden ontzegd.

Onder interruptie is overigens niet te verstaan het geven van tekenen van goed- of afkeuring; deze

uitingen worden beschouwd als verstoringen van de orde. Voor wat betreft de handhaving van de orde op de publieke tribune wordt verwezen naar artikel 45 van dit reglement.

Artikel 25 Beraadslaging Teneinde de vergaderduur niet te zeer te verlengen wordt over een voorstel dat in onderdelen of artikelen is verdeeld, in principe in zijn geheel beraadslaagd. In het eerste lid is een uitzonderingsmogelijkheid opgenomen.

Door de toevoeging 'of een lid van de raad' wordt ook raadsleden het recht toegekend om voor te stellen

een voorstel gesplitst te behandelen. Dit brengt tot uitdrukking dat de raad zijn eigen werkwijze bepaalt. Het recht is aan ieder individueel raadslid toegekend. Dit past in het streven naar dualisering, aangezien dualisering versterking van de vertegenwoordigende en daarmee agenderende rol van de raad

veronderstelt. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties over adequate instrumenten te beschikken.

Indien de schorsing als bedoeld in het tweede lid aan het einde van de tweede termijn plaatsvindt, zijn er

vervolgens twee mogelijkheden: er wordt direct tot stemming overgegaan of aan de beraadslagingen wordt een derde termijn toegevoegd (zie artikel 21).

In het tweede lid wordt onder meer gesproken over het college dat de mogelijkheid krijgt tot nader beraad. Dit is uiteraard alleen het geval indien het college bij de bespreking van het betreffende onderwerp vertegenwoordigd is.

Artikel 26 Deelname aan de beraadslaging door anderen Deze bepaling is noodzakelijk in verband met het in artikel 22 van de wet geregelde immuniteit. Het is

uiteraard ook mogelijk dat de raad bepaalt dat een bepaalde functionaris in bepaalde gevallen altijd aan de beraadslaging mag deelnemen.

Artikel 27 Stemverklaring Stemverklaringen zullen kort moeten zijn en mogen niet het karakter krijgen van een derde termijn, als

laatste reactie op de vorige spreker. De stemverklaringen worden gegeven vóór de hoofdelijke oproep van de leden dat de stemming begint.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beuningen&id=d7742797-8ad2-4830-90cb-c9e5137b5903