Bijlage 01: Toelichting en Regels Zwembad Ooigraaf
Tekst van het document
Zwembad Ooigraaf
bestemmingsplan Zwembad Ooigraaf
Inhoudsopgave
Toelichting
5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging plangebied 1.3 Geldende plannen 1.4 Leeswijzer
6 6 6 7 9
Hoofdstuk 2 Gebiedsvisie 2.1 Bestaande situatie 2.2 Toekomstige situatie
10 10 10
Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid 3.4 Conclusie
12 12 13 15 16
Hoofdstuk 4 Milieu- & omgevingsaspecten 4.1 Verkeer & parkeren 4.2 Bodem 4.3 Geluid 4.4 Milieuzonering 4.5 Luchtkwaliteit 4.6 Geur 4.7 Externe veiligheid 4.8 Waterhuishouding 4.9 Ecologie 4.10 Archeologie & cultuurhistorie 4.11 Leidingen 4.12 Vormvrije MER-beoordeling
17 17 18 19 20 21 23 24 27 30 31 32 33
Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen 5.2 Bestemmingen
35 35 36
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Overleg 6.3 Maatschappelijke haalbaarheid
38 38 38 38
Bijlagen bij toelichting (externe bijlagen) Bijlage 1
Stedenbouwkundig kader en Beeldwaliteit
Bijlage 2
Verkennend bodemonderzoek
Bijlage 3
Akoestisch onderzoek industrielawaai
Bijlage 4
Onderzoek externe veiligheid
Bijlage 5
Waterhuishoudkundig onderzoek
Bijlage 6
Quickscan Wet natuurbescherming
Bijlage 7
Stikstofdepositieonderzoek
2
bestemmingsplan "Zwembad Ooigraaf" (vastgesteld)
bestemmingsplan Zwembad Ooigraaf
Regels Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
49 49 51
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8
Bestemmingsregels Groen Sport Water Leiding - Gas Waarde - Archeologie 4 Waterstaat - Beschermingszone watergang
52 52 53 54 55 57 60
Hoofdstuk 3 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12
Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels
62 62 63 65 66
Hoofdstuk 4 Artikel 13 Artikel 14
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
67 67 68
bestemmingsplan "Zwembad Ooigraaf" (vastgesteld)
3
bestemmingsplan Zwembad Ooigraaf
4
bestemmingsplan "Zwembad Ooigraaf" (vastgesteld)
bestemmingsplan Zwembad Ooigraaf
Toelichting
bestemmingsplan "Zwembad Ooigraaf" (vastgesteld)
5
bestemmingsplan Zwembad Ooigraaf
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Op 21 december 2021 ging de gemeenteraad akkoord met nieuwbouw van zwembad De Plons aan de Ooigraaf in Beuningen. Naast de bouw van het zwembad bestaat het voornemen om op onderhavig terrein ook een fitparcours en een outdoor basketbalveld met voldoende parkeergelegenheid voor de nieuwe voorzieningen te realiseren. De beoogde ontwikkeling is niet mogelijk op grond van de geldende bouwregels, vanwege de maximum bouwhoogte en het maximum bebouwd oppervlak. Deze zijn te beperkt. Zodoende dient voor het gehele plangebied het bestemmingsplan te worden herzien. Dit bestemmingsplan omvat de ruimtelijke onderbouwing die ten grondslag ligt aan de gewenste ruimtelijke ingreep. Binnen het plangebied is ook het terrein van de Korfbalvereniging NAS opgenomen. Dit terrein is in het geldende bestemmingsplan namelijk onderdeel van het bouwvlak dat ook ter plaatse van het toekomstige zwembad ligt. Indien het terrein van de korfbalvereniging niet in het onderhavige bestemmingsplan wordt opgenomen, blijft voor dit deel het ter plaatse geldende bestemmingsplan gelden. Op grond waarvan het resterende deel van het bouwvlak tot de maximum oppervlakte bebouwd mag worden. Terwijl deze maximum oppervlakte dus eigenlijk van toepassing was op een veel groter bouwvlak. Het resterende deel van het bouwvlak ter plaatse van het korfbalterrein zou dan dus te ruime bebouwingsmogelijkheden bieden.
Ook is een gedeelte van de bestaande watergang aan de zuidoostzijde van het plangebied meegenomen in het voorliggende bestemmingsplan, omdat de ligging van de waterbestemming in het bestemmingsplan 'Keizershoeve II' niet overeenkomt met de daadwerkelijke ligging. Zodoende is dit in het onderhavige bestemmingsplan gecorrigeerd. Daarnaast zijn aan de zuidzijde van het plangebied ook een gedeelte van de agrarische gronden uit het bestemmingsplan 'Randzone Ewijk 2021' opgenomen en bestemd als 'Groen' om het rechtdoor doortrekken van de in de 'Randzone Ewijk 2021' aangeduide langzaamverkeersverbinding mogelijk te maken.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied is onderdeel van een open zone tussen Beuningen en Ewijk, in sportpark Ooigraaf. De open zone loopt aan de noordzijde tot de van Heemstraweg en aan de zuidzijde tot bedrijventerrein Schoenaker. Sportpark Ooigraaf wordt ontsloten via de Ooigraaf op de Schoenaker. Het plangebied staats kadastraal bekend als gemeente Ewijk, sectie E, nummers 1444 (deels), 2351, 2352 (deels) en 2705 (deels) en wordt begrensd door: » Noordzijde: de Ooigraaf en het terrein van voetbalvereniging de Beuningse Boys; » Oostzijde: het terrein van hockeyclub MHCB en de Schoenaker; » (Zuid)westzijde: woningbouwontwikkeling 't Hof van Campe; Navolgende afbeeldingen tonen globaal de ligging en begrenzing van het plangebied in de omgeving. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding.
6
bestemmingsplan "Zwembad Ooigraaf' (vastgesteld)
bestemmingsplan Zwembad Ooigraaf
Globale ligging plangebied (rode stip)
Globale begrenzing plangebied (rode omkadering)
1.3
Geldende plannen
Nagenoeg het gehele plangebied is onderdeel van het bestemmingsplan 'Sportpark Schoenaker', zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 26 januari 2010. De gronden binnen het plangebied zijn bestemd als 'Sport' en voorzien van een bouwvlak. Daarnaast ligt aan de zuidoostzijde van het plangebied een tweetal gasleidingen, ter plaatse waarvan de omliggende gronden zijn voorzien van de dubbelbestemming 'Leiding - Gas'. Ook ligt langs de oostzijde van het plangebied een awatergang, waarvan een deel van de beschermingszone binnen het plangebied gelegen is en zodoende is voorzien van de dubbelbestemming 'Waterstaat - Beschermingszone watergang'.
bestemmingsplan "Zwembad Ooigraaf" (vastgesteld)
7
bestemmingsplan Zwembad Ooigraaf
Behalve het bestemmingsplan 'Sportpark Schoenaker', is ook het bestemmingsplan 'Keizershoeve II' van toepassing op een gedeelte van het plangebied. Dit bestemmingsplan is door de gemeenteraad vastgesteld op 2 juli 2013. In dit plan is binnen het onderhavige plangebied de waterbestemming opgenomen vanwege een toentertijd beoogde watergang. De ligging van de betreffende waterbestemming komt niet overeen met de ligging waar de watergang nadien daadwerkelijk is gerealiseerd. Ook het bestemmingsplan 'Randzone Ewijk 2021' geldt voor een klein gedeelte van het plangebied. Dit bestemmingsplan is door de gemeenteraad vastgesteld op 20 december 2022. De betreffende gronden hebben de bestemming 'Agrarisch' en zijn deels voorzien van de functieaanduiding 'langzaam verkeer'. Om in afwijking van de ligging van deze functieaanduiding het rechtdoor trekken van de langzaamverkeersverbinding mogelijk te maken, zijn de betreffende gronden meegenomen. Op basis van het 'Parapluplan Archeologie' is het gehele plangebied voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. Tevens zijn de gronden in het plangebied gelegen binnen het bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren' en vallen daarin binnen de gebiedsaanduiding 'overige zone - rest bebouwde kom'.
t
t
t
t
t
t
-v-vyr ry
itn
f
t*
V
TT
v
V r \Ţ
T
'r
T'rľ
"r
r' ^
t
jťn
-r
t
t
r/xr
-r
-rx-r
f jtx t-
-r
Uitsnede geldend bestemmingsplan met globale aanduiding plangebied (rode omkadering) De beoogde ontwikkeling van het zwembad is niet mogelijk op grond van het geldende bestemmingsplan. De geldende bouwregels met betrekking tot de maximum bouwhoogte en het maximum bebouwd oppervlak zijn te beperkt. Zodoende dient voor het gehele plangebied het bestemmingsplan te worden herzien.
8
bestemmingsplan "Zwembad Ooigraaf" (vastgesteld)
bestemmingsplan Zwembad Ooigraaf
1.4
Leeswijzer
Het bestemmingsplan bestaat uit meerdere onderdelen: een verbeelding waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven en regels waarin de bepalingen voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridische bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. De toelichting kan globaal opgedeeld worden in vier delen. Inleiding en gebiedsvisie In hoofdstuk 1 zijn de aanleidingen en het kader voor de planherziening beschreven. Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie van het plangebied. Verantwoording Hoofdstukken 3 en 4 geven de achtergronden, toelichting en motivatie op de gemaakte keuzen weer die uiteindelijk hebben geleid tot de uitgewerkte planopzet. In dit planonderdeel worden onder meer het (beleids)kader en de milieuaspecten uiteengezet. Juridische planbeschrijving In hoofdstuk 5 wordt de juridische planopzet beschreven. Doel is een nadere onderbouwing te geven wat met het plan wordt beoogd en hoe de instrumenten regels en verbeelding hierbij worden gehanteerd.
Uitvoerbaarheid Het laatste deel (hoofdstuk 6) gaat in op de financieel-economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
bestemmingsplan "Zwembad Ooigraaf" (vastgesteld)
9
bestemmingsplan Zwembad Ooigraaf
Hoofdstuk 2 2.1
Gebiedsvisie
Bestaande situatie
Het plangebied omvat de bestaande korfbalaccommodatie en een voormalige maïsakker. Het terrein van de korfbalvereniging bestaat uit een buitenspeelveld met toeschouwersmogelijkheden, een kleeden kantineruimte en enkele parkeerplaatsen. Het plangebied wordt omgeven door watergangen. Vanwege de ligging van het plangebied binnen Sportpark Ooigraaf zijn in de nabijheid nog twee sportterreinen van een hockey- en een voetbalclub gelegen, met ieder een eigen parkeervoorziening. Ten zuidwesten wordt de omgeving van het plangebied gekenmerkt door nieuwbouwwoningen. Op navolgende afbeeldingen zijn impressies van het plangebied en de omliggende bestaande bebouwing weergegeven.
Impressie van het plangebied, vanuit het noorden
Impressie bestaande bebouwing met globale aanduiding plangebied (rode omkadering)
2.2
10
Toekomstige situatie
bestemmingsplan "Zwembad Ooigraaf' (vastgesteld)
bestemmingsplan Zwembad Ooigraaf
Het bestaande terrein van de korfbalvereniging blijft ongewijzigd. De onderhavige ontwikkeling betreft nadrukkelijk het gebied daaromheen. De gemeente Beuningen heeft namelijk besloten de omliggende gronden te willen benutten voor een nieuw openbaar zwembad, ter vervanging van het huidige, in de kern gelegen, zwembad ‘De Plons’. Naast de bouw van het zwembad wordt binnen het plangebied ook een fitparcours en outdoor basketbalveld gerealiseerd. Evenals voldoende parkeergelegenheid voor deze voorzieningen. De nieuwe functies voegen zich centraal op Sportpark Ooigraaf in de bestaande context en dichtbij de bestaande infrastructuur. Hier vormt zich het nieuwe hart van de Ooigraaf. Het nieuwe hart hecht de bestaande sportvoorzieningen aaneen en wordt integraal vormgegeven. Het nieuwe zwembad vormt de blikvanger van het hart. Omzoomd door een royale groen-blauwe, landschappelijk ingerichte zone, ontstaat een prettig verblijfsklimaat met recreatieve functies. Hier wordt tevens de ruimte gezocht voor de benodigde extra waterberging. De exacte ligging en het ontwerp van de beoogde nieuwe functies is nog niet bepaald. Zodoende is ervoor gekozen om voor het planvoornemen een globaal kader te stellen, waarbinnen de beoogde functies mogelijk worden gemaakt. Navolgend is het stedenbouwkundig kader weergegeven.
Stedenbouwkundig kader, zie ook bijlage i bij de toelichting De witte arcering is het zoekgebied voor de beoogde bebouwing en het parkeren. De grijze arcering is ter plaatse van de tracés van de gasleidingen. Deze gronden mogen niet bebouwd worden, maar zouden eventueel wel benut kunnen worden voor parkeren. Voor de ontsluiting van het gebied wordt gebruik gemaakt van de bestaande ontsluiting op de Ooigraaf. De gele pijlen zijn mogelijke langzaamverkeersverbindingen om de bestaande langzaamverkeersroutes door te zetten en te verbinden. De ligging van de mogelijke langzaamverkeersverbindingen is indicatief. De bestaande watergangen blijven gehandhaafd en de brede groenzone tussen het sportpark en de nieuwe woonwijk wordt doorgezet.
bestemmingsplan "Zwembad Ooigraaf" (vastgesteld)
11
bestemmingsplan Zwembad Ooigraaf
Hoofdstuk 3
Beleidskader
3.1
Nationaal beleid
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de opvolger van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), waarin het Rijk een lange termijn visie geeft op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt keuzes te maken. Bij de afweging van keuzes wordt bij voorkeur gekozen voor slimme combinaties van functies, wordt uitgegaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden en worden beslissingen niet uitgesteld of doorgeschoven. De nationale belangen en opgaven waarop het Rijk wil sturen en richting wil geven, komen samen in de volgende vier prioriteiten: » Ruimte maken voor klimaatadaptatie en energietransitie; » De economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden; » Steden en regio's sterker en leefbaarder maken; » Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de prioriteiten uit de NOVI. De NOVI vormt geen belemmering voor dit plan.
3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) borgt een aantal van de nationale ruimtelijke belangen die deel uitmaken van het beleid, zoals beschreven in de voorganger van de NOVI, oftewel de SVIR. Op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt, vervalt het Barro. De regels van het Barro worden dan vervangen door het Besluit kwaliteit leefomgeving (BKL). Het BKL wordt de uitwerking, in regelgeving, van het beleid dat in de NOVI staat. Zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is, is het Barro nog van toepassing. In het Barro, ook wel bekend als de AMvB Ruimte, zijn 14 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in provinciaal beleid en gemeentelijke bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro voor de opgenomen onderwerpen regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden. Daarnaast kan zij aan de gemeente opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. Planspecifiek Voor onderhavig plangebied zijn geen specifieke doelstellingen geformuleerd. Het Barro is niet specifiek van toepassing op het plangebied.
3.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking
De in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geïntroduceerde 'ladder voor duurzame verstedelijking' is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet in de toelichting een onderbouwing opgenomen worden van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De ladder wordt in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven: 'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.'
12
bestemmingsplan "Zwembad Ooigraaf' (vastgesteld)
bestemmingsplan Zwembad Ooigraaf
In het kader van de duurzame ladder wordt ten aanzien van de definitie van bestaand stedelijk gebied de definitie uit de Bro gehanteerd: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.' Volgens de nota van toelichting bij het Bro moet worden bekeken of door het benutten van leegstaande verstedelijkingsruimte in bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien in de behoefte. Zoals ook volgt uit onder andere de uitspraak met het nummer 201303578/1/R4 kunnen, naar het oordeel van de Raad van State, planologische mogelijkheden waarvan nog geen gebruik is gemaakt, als leegstaande verstedelijkingsruimte worden aangemerkt. Een dergelijke locatie wordt gezien als onderdeel van het bestaand stedelijk gebied. Planspecifiek Onderhavig bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een nieuw overdekt zwembad met een bebouwd oppervlak van circa 2.400 m2. Ondanks dat het zwembad wordt gebouwd ter vervanging van het bestaande zwembad 'De Plons', is de ontwikkeling aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het nieuwe zwembad wordt immers om een andere locatie gebouwd en huidige zwembad is kleiner.
Vervanging van het zwembad en de toename van de omvang van het zwembad is benodigd omdat het huidige zwembad gedateerd is en er vraag is naar uitbreiding van de capacteit. Verder is van belang dat het nieuwe bad in alle opzichten beter multifunctioneel inzetbaar is dan het huidige bad, duurzaam is en voorziet in de de bestaande en voorziene behoefte. Bovendien wordt de nieuwbouw gerealiseerd binnen een bestaand bouwvlak. Daarmee wordt voorzien in een duurzaam ruimtegebruik binnen bestaand stedelijk gebied.
3.1.4
Conclusie
In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Algemeen
Op 19 december 2018 hebben de Provinciale Staten de 'Omgevingsvisie Gaaf Gelderland' vastgesteld. De bijbehorende geactualiseerde 'Omgevingsverordening Gelderland (januari 2023)' hebben de Provinciale Staten op 21 december 2022 vastgesteld. In de Omgevingsvisie staan de hoofdlijnen van het beleid en in de Omgevingsverordening de regels en afspraken om de opgaven uit de Omgevingsvisie te realiseren. De Omgevingsvisie en -verordening zijn dynamische instrumenten. Doordat wetten veranderen of door de komst van nieuwe initiatieven, kijkt de provincie twee keer per jaar of de plannen moeten worden aangepast.
3.2.2
Omgevingsvisie
De wereld verandert ingrijpend en er komt veel op de inwoners van Gelderland af. Het energievraagstuk, klimaatverandering, uitputting van grondstoffen, kwetsbare biodiversiteit, digitalisering, internationalisering. Deze zaken vragen stevige antwoorden en oplossingen als investering in de toekomst. Met de schaarse ruimte en de vele uiteenlopende belangen en inzichten gaat dit niet vanzelf. We moeten samen keuzes maken over de voorliggende vraagstukken en de betekenis daarvan voor de inrichting van Gelderland. In onderling overleg zoeken naar synergie, samenhang en uitruilmogelijkheden. Daarom zet de provincie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Om Gelderland voor mensen en bedrijven aantrekkelijk te houden, is de kwaliteit van de leefomgeving van groot belang, zoals goed bereikbare voorzieningen, aansprekende evenementen, unieke cultuurhistorie, inspirerende culturele voorzieningen en een mooie natuur.
bestemmingsplan "Zwembad Ooigraaf" (vastgesteld)
13
bestemmingsplan Zwembad Ooigraaf
Om het landschap open, groen en het voorzieningenniveau op peil te houden en leegstand te voorkomen, is bouwen binnen bestaand verstedelijkt gebied het vertrekpunt. De provincie geeft de voorkeur aan het benutten van bestaande gebouwen. De provincie wil concentraties van bebouwing. Pas als er geen andere goede mogelijkheden zijn, is uitbreiden aan de randen van steden of dorpen een optie. Planspecifiek Voorliggend plan heeft betrekking op de realisatie van een modern en duurzaam overdekt zwembad, ter vervanging van het bestaande verouderde zwembad. Het zwembad wordt intergraal ontwikkeld in combinatie met de realisatie van een fitparcours en een outdoor basketbalveld. Zodoende wordt voorzien in een divers en kwalitatief goed aanbod aan sportvoorzieningen. Bovendien wordt door de beoogde ontwikkeling het voorzieningenniveau binnen de gemeente op peil gehouden. De Omgevingsvisie doet verder geen specifieke uitspraken die van belang zijn voor de voorliggende ontwikkeling. De Omgevingsvisie vormt daarom geen belemmering voor de realisatie van het plan.
3.2.3
Omgevingsverordening
De Omgevingsverordening vormt de juridische doorwerking in regels van het beleid uit de Omgevingsvisie. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Planspecifiek Op basis van artikel 2.65b van de omgevingsverordening dient voor nieuwe ontwikkelingen beschreven te worden welke maatregelen getroffen worden om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken. Het ontwerp van het zwembad en de inrichting van het gebied dient nog bepaald te worden. De gemeente heeft zichzelf opgelegd om te werken aan een klimaatbestendige en waterrobuuste leefomgeving, waarbij wordt geanticipeerd op de gevolgen van klimaatverandering (extremere wateroverlast, extremere droogte en extremere hitte).
Dit betekent dat hinder, overlast of schade door extremere weersomstandigheden in de ontwikkeling zelf aantoonbaar zijn voorkomen en niet worden afgewenteld op het omliggende gebied. Bij het ontwerp van het plan wordt dit nader ingevuld. Een van de uitgangspunten is in ieder geval dat het afstromend hemelwater (dak + verhard oppervlak) niet op het gemeentelijk riool mag worden aangesloten maar in de directe omgeving wordt opgevangen. In de omgevingsverordening zijn verder geen specifieke doelstellingen geformuleerd ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied. Vandaar dat de omgevingsverordening geen belemmering vormt voor de planrealisatie.
3.2.4
Conclusie
In het plangebied zijn geen provinciale belangen in het geding.
14
bestemmingsplan "Zwembad Ooigraaf' (vastgesteld)
bestemmingsplan Zwembad Ooigraaf
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Omgevingsvisie Beuningen
De gemeentebrede Omgevingsvisie is op 21 december 2021 vastgesteld. De Omgevingsvisie is een integrale en lange termijn visie tot 2040 over de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van de gemeente Beuningen. Het motto van de Omgevingsvisie bestaat uit de kernwaarden van de gemeente: verbinding, betrokkenheid en mooi plekje. De Omgevingsvisie richt zich op 5 ambities. Deze ambities zijn gebaseerd op de analyse van de trends en ontwikkelingen en de beleidsanalyse, zoals die zijn opgenomen in de Notitie van Uitgangspunten Omgevingsvisie Beuningen. De ambities laten zien welke onderwerpen de gemeente belangrijk vindt en waaraan de gemeente de komende jaren, in gezamenlijkheid met inwoners, organisaties, de regio en overige partners, wil werken. Bij het werken aan de toekomst van Beuningen worden de landschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden beschermd. Deze waarden zijn het uitgangspunt bij ontwikkelingen, samen met de kernwaarden uit het motto.
De vijf ambities voor de fysieke leefomgeving in de komende jaren zijn: » Beuningen heeft voldoende woningen en voldoende bereikbare voorzieningen op de juiste plek, waardoor we leefbare kernen hebben; » Beuningen is gezond, inclusief en veilig; » Beuningen is energieneutraal en klimaatbestendig; » Beuningen heeft een schone leefomgeving met een waterkwaliteit, bodemkwaliteit en luchtkwaliteit die voldoen aan de normen. Ook heeft Beuningen zo min mogelijk hinder van geluid, geur, licht en omgevingsrisico’s. Beuningen streeft naar vergroting van de biodiversiteit; » Beuningen is ondernemend en uitnodigend. Voldoende, bereikbare voorzieningen De gemeente streeft naar behoud en versterking van voldoende, bereikbare voorzieningen in de kernen. Denk aan winkels en horeca, maar ook aan sportvoorzieningen, buurthuizen en maatschappelijke voorzieningen als scholen en zorgvoorzieningen. Deze basisvoorzieningen moeten bereikbaar en toegankelijk zijn voor iedereen. Planspecifiek De ontwikkeling van het plangebied sluit aan bij de gemeentelijke omgevingsvisie. Met de vervanging van het zwembad en het toevoegen van een fitparcours en outdoor basketbalveld wordt een bijdrage geleverd aan het streven naar voldoende en bereikbare sportvoorzieningen. Daarnaast ligt het sportpark in de 'landschappelijke zone, ontwikkelen met ruimte voor beweging en sport'.
De toevoeging van sport gerelateerde functies past hierbinnen. Om haar functie als landschappelijke zone te blijven vervullen vraagt de landschappelijke inrichting van het gebied om extra aandacht. Temeer het gebied ook in de Omgevingsvisie gekenmerkt wordt als belangrijke buffer tussen Ewijk en Beuningen. Zodoende is langs de west-, zuid- en zuidoostzijde van het plangebied een brede groene zone opgenomen. Ook verwoordt de Omgevingsvisie de ambitie om meer natuurinclusief te bouwen. Natuurinclusief bouwen is een uitgangspunt/voorwaarde bij nieuwbouw. Het zwembad zal dan ook natuurinclusief worden gebouwd, conform het dan geldende gemeentelijke beleid. Verder ligt het sportpark in het deelgebied ‘Kommen’. Dit deelgebied kent in de omgevingsvisie twee speerpunten: behoud openheid en behoud agrarische functies. Binnen de contouren van het sportpark is, bestemmingsplantechnisch, geen sprake meer van agrarische functies. Het gebied kenmerkt zich door een zekere ‘openheid, maar wordt ook intensief gebruikt door de sportfuncties met aanverwante voorzieningen.
bestemmingsplan "Zwembad Ooigraaf" (vastgesteld)
15
bestemmingsplan Zwembad Ooigraaf
3.3.2
Groenbeleidsplan
In het Groenbeleidsplan 2022 worden de ambities voor het gemeentelijk bomenbestand, de biodiversiteit, een klimaatadaptieve woonomgeving en hoogwaardig nieuw groen verwoord. Uit het groenbeleidsplan volgen concrete acties, die opgenomen zijn in het uitvoeringsprogramma. Dit betreft regulier beheer, gerichte eenmalige maatregelen en het uitwerken van bepaalde beleidsthema’s naar concrete uitvoeringsmaatregelen en procedures. Planspecifiek In het gemeentelijke groenbeleidsplan is de landschappelijke zone tussen Ewijk en Beuningen aangewezen als een potentieel belangrijke ecologische verbinding. De inrichting van het gebied vraagt extra aandacht als het gaat om het behoud van de verbinding voor flora en fauna. Zodoende is langs de west-, zuid- en zuidoostzijde van het plangebied een brede groene zone opgenomen.
3.3.3
Conclusie
In het plangebied zijn geen gemeentelijke belangen in het geding.
3.4
Conclusie
Het bestemmingsplan is passend c.q. niet strijdig met het beleid van de verschillende overheden.
16
bestemmingsplan "Zwembad Ooigraaf' (vastgesteld)
bestemmingsplan Zwembad Ooigraaf
Hoofdstuk 4
Milieu- & omgevingsaspecten
4.1
Verkeer S parkeren
4.1.1
Verkeer
Om inzicht te bieden in de mate van verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling, die met dit bestemmingsplan wordt gefaciliteerd, moet de verkeersaantrekkende werking worden bepaald. Daarvoor is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen'. Om de verkeersgeneratie te bepalen is gekeken naar de ligging van het plangebied. De gemeente Beuningen is qua stedelijkheidsgraad aan te merken als een 'weinig stedelijk' gebied en het plangebied maakt onderdeel uit van de 'rest bebouwde kom', waardoor de verkeersgeneratie (uitgaande van het gemiddelde van de aangegeven bandbreedtes) uitkomt op: » 31,5 voertuigbewegingen per 100 m2 bassin, zwembad overdekt; Het beoogde zwembad krijg twee bassins. Een van 25,0 m x 12,9 m en een van 12,0 x 10,0 m. Dit betekent dat het aantal voertuigbewegingen toeneemt met (((25 x 12,9) + (12,0 x 10,0) : 100) x 31,5 ^ 139,4 extra voertuigbewegingen per weekdag. Het zwembad wordt uit alle richtingen goed ontsloten voor voetgangers en fietsers. Autoverkeer bereikt de parkeerplaatsen bij het zwembad via de bestaande inrit op de Ooigraaf. De capaciteit van deze wegen is ruim voldoende om de toename van het aantal voertuigbewegingen op te vangen. Aan de ontwikkelaar van het zwembad worden vanuit de gemeente eisen gesteld aan het ontwerp van de ontsluiting en wegen.
Het aspect 'verkeer' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.1.2
Parkeren
Voor het bepalen van de parkeerbehoefte is conform het 'Parapluplan Parkeren' gebruik gemaakt van CROW-kencijfers uit de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen'. De parkeerkencijfers uit de publicaties van CROW worden weergegeven in de vorm van een bandbreedte. De gemeente Beuningen gaat bij het bepalen van de parkeerbehoefte uit van de gemiddelde parkeernorm. Voor onderhavige ontwikkeling, in de 'rest bebouwde kom', bedraagt de gemiddelde parkeernorm: » 11,5 parkeerplaatsen per 100 m2 bassin, zwembad overdekt; Het beoogde zwembad krijg twee bassins. Een van 25,0 m x 10,4 m en een van 12,0 x 10,0 m. Dit betekent dat voorzien moet worden in (((25 x 10,4) + (12,0 x 10,0) : 100) x 11,5 ^ 43,7 parkeerplaatsen. Aanvullend wordt ten behoeve van het beoogde fitparcours en een outdoor basketbalveld rekening gehouden met nog 3 parkeerplaatsen, waarmee het benodigde aantal parkeerplaatsen uitkomt op 47 stuks. De korfbalvereniging voorziet reeds op eigen terrein in de eigen parkeerbehoefte. Het uitgangspunt in het 'Parapluplan Parkeren' is dat de parkeervraag voor een nieuwe ontwikkeling op eigen terrein wordt opgelost. Het daadwerkelijk moeten voldoen aan de parkeernormen is geborgd in de algemene regels van dit bestemmingsplan. Het aspect 'parkeren' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
bestemmingsplan "Zwembad Ooigraaf' (vastgesteld)
17
bestemmingsplan Zwembad Ooigraaf
4.2
Bodem
4.2.1
Regelgeving
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). De Wet bodembescherming heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. Op grond van de Woningwet en de Bouwverordening dient voor elke individuele bouwlocatie aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor de beoogde bebouwing, alvorens een omgevingsvergunning verleend kan worden. Bij het opstellen van een bestemmingsplan is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Dit is het zogenaamde stand still-beginsel.
Het vaststellen van de bodemkwaliteit wordt bij het opstellen/wijzigen van een bestemmingsplan dan ook alleen van belang geacht voor de locaties waar ontwikkelingen gepland zijn (zoals functiewijzigingen, bouwen, graven/ophogen).
4.2.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is ter plaatse van het plangebied een verkennend bodemonderzoek, inclusief historisch vooronderzoek en teeltlaagonderzoek, uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 2 bij de toelichting gevoegd. Voor het verkennend bodemonderzoek was de hypothese gesteld van een onverdachte locatie. Op basis van de onderzoeksresultaten kan de onverdachte hypothese worden aangenomen, aangezien in de grond en het grondwater maximaal licht verhoogde gehalten voor de onderzochte parameters (NEN en/of OCB) zijn aangetoond. De aangetoonde verhoogde gehalten in de grond betreffen overschrijdingen van de betreffend achtergrond- of streefwaarden. Aangezien de gestandaardiseerde meetwaarden de indexwaardevan 0,5 niet overschrijden, zijn verder geen vervolgstappen noodzakelijk in het kader van de Wbb. Zintuiglijk en analytisch zijn geen waarnemingen gedaan die duiden op de aanwezigheid van ernstige verontreinigingen als gevolg van een voormalige watergang en voormalige dam. Naar verwachting is voorafgaand aan de demping eventueel slib uit de watergang verwijderd en is de watergang gedempt met gebiedseigen grond. De voormalige dam is of volledig verwijderd of is niet met puin gerealiseerd. Op basis van de onderzoeksresultaten bestaan vanuit milieuhygienisch oogpunt geen belemmeringen tegen de voorgenomen herontwikkeling.
Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
18
bestemmingsplan "Zwembad Ooigraaf' (vastgesteld)
bestemmingsplan Zwembad Ooigraaf
4.3
Geluid
4.3.1
Regelgeving
Belangrijke basis voor de ruimtelijke afweging van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Overeenkomstig de Wgh zijn (spoor-)wegen en industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen voorzien van zones. Het gebied binnen deze zones geldt als akoestisch aandachtsgebied waar een toetsing uitgevoerd moet worden. Daarbij beperkt de Wgh zich tot een toetsing ter plaatse van zogenaamde geluidsgevoelige objecten. Dit zijn onder andere woningen, onderwijsgebouwen, gezondheidszorggebouwen, kinderdagverblijven, woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonboten. Voor de geluidsgevoelige gebouwen en terreinen die binnen bepaalde afstanden (zones) van de verschillende geluidsbronnen liggen, schrijft de Wgh voor dat een aangewezen bevoegd gezag (meestal Burgemeester en Wethouders) (maatwerk)grenswaarden bepaalt. De terminologie die de wet hiervoor hanteert is: ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. De getalsmatige invulling van deze grenswaarden voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per locatie en per geluidssoort. Naast grenswaarden op de gevels van de geluidsgevoelige gebouwen, zijn er in de Wgh ook grenswaarden gericht op de bescherming van het akoestische klimaat binnen de bestaande gebouwen. De grenswaarden moeten bij de aanleg, dan wel wijzigingen van een (spoor)weg of industrieterrein in acht worden genomen.
Dit geldt ook bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan of bij een projectbesluit wanneer de betreffende gronden/gebouwen voor een geluidgevoelige functie in een geluidszone zijn gelegen. Onder bepaalde voorwaarden is een hogere geluidsbelasting dan de voorkeursgrenswaarde mogelijk (tot de maximaal toelaatbare geluidsbelasting). Hiervoor moet een “hogere waarde procedure” worden doorlopen door het college van burgemeester en wethouders. Een uitzondering waar toetsing aan de grenswaarden niet hoeft, is wanneer een geluidsgevoelig gebouw een zogenoemde 'dove' gevel heeft. Een 'dove gevel' is een bouwkundige constructie:\ » waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een bepaalde geluidwering; » waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte. Bij ontheffing van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting kan (in het kader van de omgevingsvergunning) een nader akoestisch onderzoek noodzakelijk zijn ten behoeve van het woonen leefklimaat in de woning. De karakteristieke geluidwering van de gevel moet voor nieuwbouw zodanig zijn dat wordt voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit, zijnde het verschil tussen de geluidsbelasting op de gevel en het gewenste binnenniveau met een minimum van 20 dB.
Wegverkeerslawaai In de Wgh en het Bgh is de zonering van wegen en het daarbij horende normenstelsel geregeld. Een zone is het akoestisch aandachtsgebied. Volgens de Wgh bevinden zich langs alle wegen wettelijke geluidzones, met uitzondering van woonerven, 30-km/uur-gebieden en wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveaukaart blijkt dat de geluidsbelasting op 10 m uit de meest nabij gelegen wegas 48 dB of minder bedraagt. Bij vaststelling van een bestemmingsplan moet voor alle wegen waarvan de zone een overlap met het plangebied kent, een akoestisch onderzoek worden verricht (artikel 76 lid 1 Wgh). De breedte van deze zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk), zie navolgende tabel. Zonebreedte Aantal rijstroken 5 of meer 3 of 4 1 of 2
Stedelijk gebied 350 meter 350 meter 200 meter
Buitenstedelijk gebied 600 meter 400 meter 250 meter
Overzicht zonebreedtes (vanaf de as van de weg tot de volgende breedte aan weerszijden van de weg) De definities van het buitenstedelijk en stedelijk gebied zijn opgenomen in artikel 1 van de Wgh. Als buitenstedelijk gebied wordt aangemerkt het gebied buiten de bebouwde kom en het gebied binnen de zone van een autoweg of autosnelweg, die binnen de bebouwde kom ligt. Voor nieuwe woningen bedraagt de wettelijke (voorkeurs)grenswaarde 48 dB.
bestemmingsplan "Zwembad Ooigraaf" (vastgesteld)
19
bestemmingsplan Zwembad Ooigraaf
4.3.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Het zwembad is geen gevoelig object in de zin van de Wet geluidhinder. Een akoestisch onderzoek voor onderhavig bestemmingsplan is daarmee niet noodzakelijk. De geluidsproductie van de beoogde sportvoorzieningen wordt behandeld in de paragraaf 4.4. Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.4
Milieuzonering
4.4.1
Regelgeving
Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van inrichtingen en/of bedrijven worden gerealiseerd, zal een milieukundig onderzoek uit moeten wijzen in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige inrichtingen en of bedrijven. Maar ook andersom moet aandacht worden besteed aan de rechten van de aanwezige inrichtingen en/of bedrijven. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering in de directe omgeving zullen beperken. Datzelfde geldt uiteraard ook voor de situatie dat inrichtingen en/of bedrijven wijzigen in de nabijheid van bestaande gevoelige functies. Via de milieuwetgeving wordt milieuhinder zoveel mogelijk voorkomen. Alle bedrijven en inrichtingen die in potentie hinder zouden kunnen veroorzaken, moeten een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer of moeten via een melding aantonen dat zij aan de hierin gestelde richtwaarden kunnen voldoen. De gestelde richtwaarden zijn veelal vertaald in minimale afstanden tussen de inrichtingen waar activiteiten plaatsvinden en de milieugevoelige functies in de directe omgeving. Behalve van de aard en omvang van een bedrijf of inrichting, is deze mede afhankelijk van de omgevingskarakteristiek. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor bijvoorbeeld drukke woonwijken of een gemengd gebied.
Voor het vaststellen van de genoemde minimum richtafstanden tussen inrichtingen en milieugevoelige functies worden in de regel de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gebruikt. Bedrijven zijn in de VNG-handreiking ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
Richtafstand omgevingstype rustige woonwijk, rustig buitengebied 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000m 1.500 m
Richtafstand omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Richtafstanden VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' Bovenstaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een woonwijk en gemengd gebied. Indien de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Indien niet aan de richtafstanden wordt voldaan, is een nadere beschouwing dan wel onderzoek nodig.
4.4.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Een zwembad is zelf geen gevoelige functie. Wel moet worden aangetoond dat milieuhindergevoelige functies in de directe omgeving van de beoogde sportfaciliteiten, zoals woningen, niet negatief worden beïnvloed door de beoogde ontwikkeling. Hiertoe is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 3 bij de toelichting gevoegd.
20
bestemmingsplan "Zwembad Ooigraaf' (vastgesteld)
bestemmingsplan Zwembad Ooigraaf
In het rekenmodel is een fictief gebouw geplaatst direct grenzend aan de maatgevende grenzen aan de west-noordwestzijde en de zuidwestzijde van het bouwvlak, is rekening gehouden parkeren, het laden/lossen van vrachtwagens, technische installaties en het outdoor basketbalveld. Ter plaatse van alle woningen en tuinen in de omgeving voldoen de berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus aan de richtwaarde van 45 dB(A) etmaalwaarde volgens stap 2 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering. Ook de berekende maximale geluidniveaus voldoen aan de richtwaarde van 65 dB(A) etmaalwaarde. Net als de berekende gecumuleerde langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus. Ook deze voldoen aan de richtwaarde van 45 dB(A) etmaalwaarde volgens stap 2 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering. Gesteld kan worden dat met de ontwikkeling van het plan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd kan worden ter plaatse van de woningen in de omgeving. Het aspect 'milieuzonering' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.5
Luchtkwaliteit
4.5.1
Regelgeving
Op 15 november 2007 is de wijziging van de Wet milieubeheer in werking getreden. Deze wet vervangt het 'Besluit luchtkwaliteit 2005' en is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om: » negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken. » mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De paragraaf luchtkwaliteit in de Wet milieubeheer voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: » er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. » een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt. » een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3 0Zo ten opzichte van de grenswaarde).
Het gaat hier bijvoorbeeld om woningbouwlocaties met één ontsluitingsweg en niet meer dan 1.500 nieuwe woningen, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen. » een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat in werking is getreden nadat de EU in april 2009 derogatie heeft verleend. Als aannemelijk kan worden gemaakt dat aan één of meerdere van de bovengenoemde criteria wordt voldaan, kan het project zonder toetsing aan de gestelde grenswaarden voor luchtkwaliteit worden uitgevoerd. In de Ministeriële regeling 'niet in betekenende mate bijdragen' zijn voor verschillende categorieën van projecten grenzen gesteld aan de projectomvang, waaronder een project met zekerheid NIBM bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van het 'Besluit gevoelige bestemmingen' (luchtkwaliteitseisen) extra bescherming: substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 m van een provinciale weg of 300 m van een rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden. De zones worden afgemeten vanaf de rand van de weg.
In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien.
bestemmingsplan "Zwembad Ooigraaf" (vastgesteld)
21
bestemmingsplan Zwembad Ooigraaf
4.5.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Met dit bestemmingsplan wordt de realisatie van een zwembad mogelijk gemaakt. In subparagraaf 4.1.1 is bepaald hoeveel extra voertuigbewegingen dit oplevert en met de NIBM-tool is vervolgens gekeken of sprake is van een NIBM-bijdrage aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie
2024
Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
139,4
Aandeel vrachtverkeer
IÛ.0%
NO2 in pg/m'
0,22
PM10 in pg/m'
0,03
Extra verkeer als gevolg van het plan
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in pg/m2
1.2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig Uitvoer NIBM-tool Uit de NIBM-tool blijkt dat ruimschoots onder de norm van 1,2 pg/m3 gebleven wordt en sprake is van een NIBM-bijdrage aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Er is ook geen sprake van de realisatie van een gevoelige bestemming zoals opgenomen in het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. Vandaar dat onderzoek op grond van de Wet luchtkwaliteit niet noodzakelijk is. Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn aan de hand van de Grootschalige Concentratieen Depositiekaarten (GCN en GDN), de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter hoogte van het plangebied. Daaruit blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarden van 40 pgZm3 (voor NO2 en PM10) en 25 pgZm3 (voor PM2,5) niet worden overschreden. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
22
bestemmingsplan "Zwembad Ooigraaf' (vastgesteld)
bestemmingsplan Zwembad Ooigraaf
4.6
Geur
4.6.1
Regelgeving
Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningsplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt: » voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv)) geldt een maximale geurbelasting) op een geurgevoelig object; » voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en nietconcentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, zie onderstaande tabel.
Binnen bebouwde kom diercategorieën Rgv
Buiten bebouwde kom
Concentratiegebied
Nietconcentratiegebied
maximaal 3 ouE/m3
maximaal 2 ouE^
andere diercategorieën minimaal 100 m t.o.v. geurgevoelig object
minimaal 100 m t.o.v. geurgevoelig object
diercategorieën Rgv
maximaal 14 ouBm3
maximaal 8 ouE^
andere diercategorieën minimaal 50 m t.o.v. geurgevoelig object
minimaal 50 m t.o.v. geurgevoelig object
Geurnormen Wgv De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om afwijkende geurnormen vast te stellen voor (delen van) het grondgebied. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen dat is afgestemd op de plaatselijke situatie. Regeling geurhinder en veehouderij In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is de wijze vastgelegd waarop: » de geurbelasting wordt bepaald; » de afstand tussen veehouderij en geurgevoelig object) wordt gemeten. Activiteitenbesluit Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelastingen geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee). Geur bij niet-agrarische bedrijven Het voorkomen van (nieuwe) geurhinder is het algemene uitgangspunt in het rijksbeleid.
Dit uitgangspunt is uitgewerkt in het landelijk informatiedocument 'Handleiding Geur Industrie' en beschrijft de methodiek voor de bepaling van het aanvaardbaar hinderniveau voor geur ten gevolge van bedrijfsmatige activiteiten. Vanwege het lokale aspect van geurhinder is de hoogte van het aanvaardbaar hinderniveau niet landelijk vastgelegd. Het bevoegd gezag moet daar een eigen afweging in maken. De provincie Gelderland heeft deze afweging uitgewerkt in de 'Beleidsregels geur bedrijven (niet-veehouderijen) Gelderland 2017' voor de industriële bedrijven waarvoor de provincie het bevoegde gezag is. Daarin is het aanvaardbaar geurhinderniveau vertaald naar streef-, richt- en grenswaarden. De streefwaarde is de waarde waaronder geen sprake is van hinder. De grenswaarde is de waarde waarboven sprake is van ernstige hinder. Over het algemeen wordt een geurcontour die ligt tussen streef- en grenswaarde als aanvaardbaar geurhinderniveau vastgesteld en vastgelegd in de milieuvergunning voor een industrieel geurrelevant bedrijf.
bestemmingsplan "Zwembad Ooigraaf" (vastgesteld)
23
bestemmingsplan Zwembad Ooigraaf
4.6.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Er is geen sprake van agrarische bedrijven in de directe omgeving van het plangebied, met een geurcontour die (deels) over het plangebied ligt. Bovendien zijn tussen de omliggende agrarische bedrijven en het plangebied andere gevoelige (woon)bestemmingen gelegen, die maatgevend zijn voor de bedrijfsvoering van de betreffende agrarische bedrijven. Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.7
Externe veiligheid
4.7.1
Regelgeving
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten. In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas. Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Dit is de zogenaamde 1 %-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1 /o van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied).
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij woningen, kantoren, ziekenhuizen, scholen of winkels. Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van ruimtelijke plannen met externe veiligheid rekening te houden. Het gaat daarbij niet alleen om het oprichten van of veranderen van inrichtingen of projecteren van nieuwe bestemmingen. Ook bij het vaststellen of herzien van een bestemmingsplan moet de externe veiligheid worden beoordeeld. In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) is geregeld hoe een gemeente moet omgaan me risico's langs relevante buisleidingen. De hogedruk gasleidingen van Gasunie zijn het meest relevant. De risico's worden vooral bepaald door de maximale druk en diameter van de leiding, maar ook door getroffen maatregelen. De Wet basisnet voorziet in een wijziging van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen ('Wvgs') ter verankering van een landelijk basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Het basisnet is een samenstel van wegen, binnenwateren en hoofdspoorwegen waaraan een bepaalde risicoruimte voor het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt toegekend. Als deze risicoruimte, de zogenaamde risicoplafonds, door een groei van het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt overschreden of dreigt te worden overschreden, moet de minister maatregelen nemen. De risicoplafonds moeten daarnaast in acht worden genomen bij het toestaan van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van basisnetroutes. Op deze manier kan de veiligheid langs de transportroutes voor gevaarlijke stoffen in toenemende mate worden gegarandeerd. Gelijktijdig met de Wet Basisnet zijn ook andere regelingen in werking getreden zoals de wijziging van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen (Bvgs), de Regeling basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is een aandachtsgebied gedefinieerd waarbinnen het groepsrisico verantwoord moet worden (200 m). Buiten deze zone hoeft in het invloedsgebied alleen ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid (beperkte verantwoording).
24
bestemmingsplan "Zwembad Ooigraaf' (vastgesteld)
bestemmingsplan Zwembad Ooigraaf
4.7.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Ten behoeve van de realisatie van het zwembad is een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 4 bij de toelichting gevoegd. Op basis van de signaleringskaart is onderzocht welke bestaande risicobronnen in, en in de omgeving van, het plangebied relevant zijn in het kader van externe veiligheid. Navolgende afbeelding geeft de ligging van de risicobronnen ten opzichte van het plangebied (rode vlak) weer.
Een risicobron is relevant wanneer het invloedsgebied of de veiligheidsafstand (deels) over het plangebied valt. Dit is het geval wanneer de grootte van het invloedsgebied of veiligheidsafstand groter is dan de kortste afstand tussen de risicobron en het plangebied. De relevante risicobronnen zijn in onderstaande tabel vetgedrukt en cursief opgenomen. Risicobron
Afstand tot plangebied
Invloedsgebied/ Veiligheidsafstand
Relevant?
1
Autosnelweg A50 (Valburg-Ewijk)
1.800 m
355 m
Nee
2
Autosnelweg A73 (Ewijk-Neerbosch)
1.200 m
355 m
Nee
3
Inter-Che-M B.V.
1.300 m
1.700 m
Ja
4
Hogedruk aardgastransportleiding A-505
< 10 m
430 m
Ja
5
Hogedruk aardgastransportleiding A-507
< 10 m
480 m
Ja
6
(Lpg-)tankstation Shell Beuningen
160 m
150 m
Nee
Hogedruk aardgastransportleiding A-505 en A-507 De ondergrondse buisleidingen A-505 en A507 zijn binnen het plangebied gelegen. Door deze buisleidingen wordt aardgas onder hoge druk getransporteerd. Het planvoornemen valt binnen het invloedsgebied van beide leidingen, waardoor beide relevant zijn in het kader van de externe veiligheid van het planvoornemen. Aardgastransportleidingen met een druk hoger dan 16 bar vallen onder de werkingssfeer van het Bevb. Conform het Bevb dient er in het kader van externe veiligheid toetsing uitgevoerd te worden aan het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). De veranderingen van het PR en het GR van de hogedruk aardgastransportleidingen A-505 en A-507 zijn in het onderzoek berekend. Voor beide
bestemmingsplan "Zwembad Ooigraaf" (vastgesteld)
25
bestemmingsplan Zwembad Ooigraaf
buisleidingen geldt er geen plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar buiten het leidingtracé. Dit geldt voor de huidige situatie en voor de toekomstige situatie. Het groepsrisico van de hogedruk aardgasleidingen neemt significant toe ten gevolge van de realisatie van het planvoornemen. De maatgevende kilometer (kilometer aardgasleiding met het hoogste groepsrisico) verschuift tot ter hoogte van het planvoornemen, voor beide leidingen. Voor beide leidingen betreft het een toename van meer dan 10o0o. Het groepsrisico ligt onder de 1 maal de oriëntatiewaarde. Dit betekent dat voor beide situaties conform artikel 12 van het Bevb het groepsrisico dient te worden verantwoord. Daarnaast geldt op grond van het Bevb voor buisleidingen een belemmeringenstrook van minimaal 5 meter (gemeten vanuit het hart van de buisleiding) aan weerszijden. Deze strook leidt tot beperkingen voor onder meer bouwwerken (niet gerelateerd aan de buisleiding) en voor graafwerkzaamheden. Het beoogde bouwvlak ligt hier buiten. InterCheM Op 1300 m ten zuiden van het plangebied ligt het bedrijf InterCheM. InterCheM is een Brzo-inrichting die valt onder de werkingssfeer van het Bevi. InterCheM is een afvalverwerkingsbedrijf met gevaarlijke stoffen. Het invloedsgebied valt over het plangebied. Conform het Bevi dient het groepsrisico te worden bepaald.
Het groepsrisico is berekend voor het planvoornemen Hoge Woerd. Ten gevolge van het planvoornemen Hoge Woerd is de hoogte van het groepsrisico beperkt toegenomen naar 0,002 maal de oriëntatiewaarde. Gezien de afstand van het onderhavige planvoornemen tot de inrichting (1300 m) zal het groepsrisico naar verwachting niet significant toenemen ten opzichte van de uitgevoerde kwantitatieve risicoanalyse. Verantwoording groepsrisico Bron- en ruimtelijke maatregelen » De hogedruk aardgastransportleidingen kunnen worden afgedekt met platen om de risico's te beperken. Hiermee wordt het groepsrisico in de praktijk verlaagd. » Een verbod op het uitvoeren van reguliere onderhoudswerkzaamheden aan de hogedruk aardgastransportleidingen gedurende de openingstijden van het zwembad en de sporthal zorgt voor een aanzienlijke reductie van de kans van optreden. » Het groepsrisico veroorzaakt door InterCheM neemt niet significant toe ten gevolge van het planvoornemen. Extra maatregelen ten opzichte van de bestaande (bron-)maatregelen bij InterCheM zijn om deze redenen niet beschouwd. Ongevalsscenario's met gevaarlijke stoffen Het maatgevende scenario voor de buisleidingen is een fakkelbrand en voor InterCheM is dit een toxische wolk. Een fakkelbrand (volledige breuk van de aardgastransportleiding) bij een buisleiding kan optreden als gevolg van een (ernstige) beschadiging.
Bijvoorbeeld als gevolg van graafwerkzaamheden, uitgevoerd door derden in de directe omgeving van de aardgastransportleiding. Indien de aardgastransportleiding ineens breekt, komt een grote hoeveelheid aardgas vrij. Dit aardgas zal in de meeste gevallen direct ontsteken, wat een (verticale) fakkel tot gevolg heeft. De fakkel kan afhankelijk van de eigenschappen van de aardgastransportleiding tot een hoogte van enkele honderden meters reiken. Binnen een afstand de 1o0o letaliteitsafstand kan een fakkelbrand leiden tot slachtoffers, schade en brand in de omgeving van de buisleiding. Binnen de 1000 letaliteitsafstand van de buisleiding is er een grote kans op overlijden. Een toxische wolk ontstaat door toxische stoffen die vrij kunnen komen als gevolg van bijvoorbeeld een incident bij de installatie. Bij een toxische plas zal deze vervolgens (gedeeltelijk) verdampen, waarbij een toxische wolk wordt gevormd. Bij het vrijkomen van een toxisch gas zal al het gas direct verdampen en leiden tot een toxische wolk. Afhankelijk van de windrichting en de weersomstandigheden kan de toxische wolk richting het plangebied drijven of in andere richtingen. Rampenbestrijding Algemeen: Hulpdiensten moeten op de hoogte zijn van de specifieke risico's in de omgeving als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen. De veiligheidsregio kan het beschikbare materieel hierop afstemmen.