CConstaterende datBeuningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 01: Toelichting BP Parapluplan Evenementen De Groene Heuvels, Ewijk

Raadsvergadering 10 oktober 2023, gemeente BeuningenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling Bestemmingsplan Parapluplan Evenementen De Groene Heuvels Ewijk15.623 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Voor de beschouwing wordt ervan uitgegaan dat het plangebied een “rustig buitengebied” betreft. Dit wil zeggen dat in het plangebied weinig sprake is van functiemenging. Derhalve mag de richtafstand niet met één trede worden verlaagd. Beschouwing

Een evenemententerrein (met bijbehorend productieterrein) kan worden gezien als een milieubelastende functie. Het is evident dat grootschalige evenementen geluidhinder kunnen veroorzaken bij dichtbijge­ legen milieugevoelige bestemmingen. Geluid is dan ook het zwaarstwegende milieuaspect voor een evenementenlocatie. Evenementenlocaties zijn niet opgenomen in de richtafstandenlijst die hoort bij de handreiking van de VNG. Ook bevindt zich in deze lijst geen reëel alternatief. Aangezien voor dit parapluplan een akoestisch geluidsonderzoek is uitgevoerd waarin het akoestisch woon- en leefklimaat ter plaatse van dichtbijgelegen milieugevoelige bestemmingen is onderzocht, is een beschouwing in het kader van milieuzonering niet noodzakelijk. Deze beschouwing vindt immers plaats in navolgende para­ graaf 4.5 “Geluid”. Een gedeelte van het plangebied zal - afhankelijk van het evenement - worden aangewend als parkeeren kampeerterrein. Ook deze functies kunnen worden aangemerkt als milieubelastend. Voor een par­ keerterrein geldt op basis van eerdergenoemde VNG-publicatie een richtafstand van 30 meter met geluid als maatgevend milieuaspect. Voor een kampeerterrein geldt een richtafstand van 50 meter, eveneens met geluid als maatgevend milieuaspect. In het noordoosten van het plangebied, aan de Zellerstraat 2, bevindt zich een bedrijfswoning bij een agrarisch bedrijf.

Aan de richtafstanden van 30 en 50 meter wordt ten opzichte van deze woning niet voldaan. Om eventuele hinder ter plaatse van de omliggende woning als gevolg van het gebruiken van delen van het plangebied als tijdelijk kampeer- en/of parkeerterrein te voorkomen is in de planregels opgenomen dat te allen tijde een afstand van 30 en 50 meter wordt gewaarborgd tussen woonpercelen en het tijdelijke kampeer- of parkeerterrein. Een tijdelijk kampeerterrein wordt tot slot niet beschouwd als een milieugevoelige bestemming. Een be­ zoeker verblijft hier enkel incidenteel en voor een zeer korte periode. Een beschouwing van nabijgelegen milieubelastende activiteiten is daarom niet aan orde. Gelet op het bovenstaande vormt het aspect be­ drijven en milieuzonering geen belemmering voor het planvoornemen.

4.5

Geluid

Evenementen zorgen mogelijk voor geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het bij het realiseren van een geluidsbelastende bestemming van belang dat er bij de omliggende geluidsgevoelige bestemmingen (zoals een woning of verpleeghuis) sprake blijft van een aanvaardbare akoes­ tische kwaliteit. De bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen is geregeld in de Wet geluidhinder voor geluid afkomstig van gezoneerde industrieterreinen, wegen of het spoor. Voor individuele bedrijven

21

of activiteiten die, volgens de definitie van de Wet milieubeheer, worden beschouwd als een inrichting, is deze bescherming geregeld in het Activiteitenbesluit. Aangezien de evenementenlocatie niet onder de Wet geluidhinder valt, niet wordt beschouwd als een inrichting en er landelijk geen geluidsnormen zijn voor evenementen, is de beoordeling van een aan­ vaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat aan het bevoegde gezag. In de huidige situatie vindt de be­ oordeling plaats bij de aanvraag van een omgevings- en evenementenvergunning. Bij de beoordeling van de aanvraag past de gemeente Beuningen op basis van het geldende evenementenbeleid maatwerk toe bij evenementen op De Groene Heuvels. Dat wil zeggen dat de organisatoren van evenementen een akoestisch geluidsonderzoek ter beoordeling voorleggen aan de gemeente. In verband met de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan - en de in verband daarmee te verrich­ ten belangenafweging - wordt hierna ingegaan op het aspect geluid en de aanvaardbaarheid van de optredende geluidbelasting. Met voorliggend bestemmingsplan wordt de organisatie van evenementen op deze locatie geborgd in een parapluplan en is niet langer sprake van een omgevingsvergunning per evenement. Voor onderhavig parapluplan is derhalve een akoestisch geluidsonderzoek uitgevoerd (Peutz, rapport E 1079-10-RA-002, 22 december 2021).

Dit onderzoek is raadpleegbaar in bijlage 5 van deze toelichting. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies uit dit onderzoek uiteengezet.

4.5.1 Muziekgeluid Voor de beoordeling van het muziekgeluid is aangesloten bij de nota “Evenementen met een luidruchtig karakter” van de Inspectie Milieuhygiëne Limburg (1996), ook wel aangeduid als de Nota Limburg. Deze nota is tot stand gekomen als antwoord op het toenemende aantal evenementen met een luidruchtig karakter dat in de provincie werd georganiseerd, maar waarbij een goed toetsingskader ontbrak. Van­ daag de dag is het toetsingskader uit de nota nog steeds bruikbaar en op basis van bestendige jurispru­ dentie wordt het toepassen van de nota ook algemeen geaccepteerd. De Nota Limburg schrijft voor dat de gevel van een geluidsgevoelig object maximaal belast mag worden met 70 à 75 dB(A) overdag en ‘s avonds, en met 45 à 50 dB(A) in de nacht. Door aan deze normen te voldoen wordt onduldbare hinder - gedefinieerd als een slechte spraakverstaanbaarheid in het geluidsgevoelige object en/of een mogelijke slaapverstoring - voorkomen. Muziekgeluid categorie 3 en 4 evenementen

De dB(A)-geluidsnormen voor de dag- en avondperiode worden overeenkomstig de berekende waarden gesteld op 70 dB(A) ter plaatse van de gevels van de omliggende woningen. De waarde van 70 dB(A) komt overeen met de onderste waarden van de bandbreedte van de Nota Limburg. Met een dB(A)-geluidsnorm van maximaal 50 dB(A) in de nachtperiode ter plaatse van de gevels van de omliggende be­ oordelingspunten, wordt onaanvaardbare hinder voorkomen. Uit de berekeningen blijkt dat ter plaatse van de gevels van alle beoordelingspunten aan deze gestelde geluidsnorm wordt voldaan. Met de hierboven aangegeven geluidnormering, passend binnen de bandbreedte van de Nota Limburg, wordt onduldbare hinder voorkomen waarbij voor de dag en avond rekening is gehouden met de spraak­ verstaanbaarheid in de woning en in de nacht met mogelijke slaapverstoring. De dB(C)-waarden bedragen tot 95 dB(C) voor de dag- en avondperiode en tot 74 dB(C) voor de nacht­ periode ter plaatse van de gevels van de gehanteerde beoordelingspunten. Er bestaat geen specifiek wettelijk beoordelingskader dat is gebaseerd op een breed gedragen wetenschappelijke consensus over de hinderlijkheid van dB(C)-waarden in woningen.

Het oordeel of geluidshinder (on)aanvaardbaar is, is afhankelijk van de vraag of het college van burgemeester en wethouders aan de belangen die zijn gediend met de activiteit die het geluid veroorzaakt redelijkerwijs doorslaggevend gewicht heeft kunnen toekennen. Om onaanvaardbare geluidhinder bij omwonenden te voorkomen dan wel zo goed mogelijk te beperken, is een norm van 95 dB(C) (dag en avond) en 75 dB(C) (nacht) op de gevels van de beoorde-

22

lingspunten gekoppeld aan de evenementen. Bij het stellen van deze norm is enerzijds rekening gehou­ den met de voor de evenementen benodigde geluidruimte en is anderzijds aandacht geschonken aan het stellen van zodanige normen dat omwonenden niet onduldbaar worden gehinderd in hun woon- en leefgenot. Muziekgeluid categorie 2 evenementen

Bij categorie 2 evenementen kan bij woningen sprake zijn van geluidniveaus tot 45 dB(A) en 62 dB(C). In eerste instantie wordt opgemerkt dat de waarden ruim voldoen aan de normstelling uit de Nota Limburg. Omdat categorie 2 evenementen kunnen voorkomen tot ten hoogste 8 dagen per jaar, echter aanvullend op de mogelijk 9 dagen evenementen uit categorie 3 en 4, wordt niet enkel getoetst aan de Nota Lim­ burg. Indien dergelijke muziekgeluidniveaus worden afgezet tegen een reguliere normstelling zou worst case sprake zijn van een geluidbelasting van 55 dB(A)-etmaalwaarde, veroorzaakt door een geluidni­ veau, nu inclusief Cm, van ten hoogste 40 dB(A), vermeerderd met muziektoeslag van 10 dB bij eventuele hoorbaarheid van de muziek en de ‘etmaalwaardetoeslag’ van 5 dB voor de avondperiode. Een waarde van 55 dB(A) wordt zowel binnen de systematiek van de Wet geluidhinder, als de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening gezien als acceptabel. Illustratief mag gelden dat 55 dB(A) conform de Handreiking geldt als nog “vergunbaar” voor bestaande bedrijven. Met een dergelijke waarde voor worst case 8 dagen per jaar is deze geluidbelasting zeker niet als onacceptabel aan te merken.

4.5.2 Campings en parkeren Zoals eerder aangegeven worden terreinen om het eigenlijk evenemententerrein planologisch geschikt gemaakt voor campings en parkeren. Voor beide activiteiten geldt dat altijd wordt voldaan aan de richtafstanden zoals die genoemd zijn in de Handreiking Bedrijven en milieuzonering van de VNG. Hiermee is mede gezien het feit dat deze activiteiten slechts enkele dagen per jaar zullen voorkomen op dit punt zeker sprake van aan acceptabel woon- en leefklimaat. Specifiek voor de onderhavige situatie (en afwij­ kend van een reguliere camping) is het gebruik van aggregaten voor de elektriciteitsvoorziening, denk aan badhuizen en dergelijke. Hierop wordt in de navolgende paragraaf ingegaan.

4.5.3 Aggregaten Voor zover samenvallend met het muziekprogramma is de geluidemissie van aggregaten verwaarloos­ baar. Buiten het muziekprogramma is deze geluidemissie mogelijk wel relevant. Een groot deel van de aggregaten zal ook voor en na het eigenlijke evenement in bedrijf zijn, denk aan campings, badhuizen, horeca en dergelijke. Uit het onderzoek van Peutz volgt dat de geluidbelasting van de aggregaten bij woningen in de omgeving tot 35 dB(A) in de nacht bedraagt en daarmee tot 45 dB(A)-etmaalwaarde. Dit zijn geluidniveaus die passen bij een kwalificatie rustige woonwijk zoals ook gehanteerd in de Handrei­ king Bedrijven en milieuzonering van de VNG en daarmee zeer wel acceptabel. De geluidbelasting als gevolg van aggregaten in de nacht zal overigens alleen aan de orde zijn bij categorie 4 evenementen.

4.5.4

Maximale geluidniveaus

Met betrekking tot de optredende maximale geluidniveaus (dit zijn piekgeluiden, bijvoorbeeld als gevolg van laden en lossen, wisselen van afvalcontainers, parkeren van voertuigen, etc.) buiten de daadwerke­ lijke evenementtijden (zoals eerder aangegeven is tijdens de evenementtijden als gevolg van de dan hoge muziekgeluidniveaus toetsing van de maximale geluidniveaus niet zinvol), is voor de toetsing aan­ gesloten bij de algemeen gehanteerde 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Deze normen zijn ontleend aan de Handreiking en het Activiteitenbesluit. Uit het onderzoek van Peutz volgt dat maximale geluidniveaus worden verwacht tot ten hoogste 53 dB(A), waarmee deze ruim voldoen aan de dienaangaande acceptabel te achten waarden. Hierbij geldt dat maximale geluidniveaus bij categorie 3 en 4 evenementen vergelijkbaar zullen zijn. De in de bovengenoemde algemene regelgeving gehanteerde normering voor maximale geluidniveaus ter plaatse van de gevel van woningen is onder andere gebaseerd op binnen de woning acceptabel te

23

achten waarden. Nu naar blijkt zeer ruim wordt voldaan aan de algemene normering zal daarmee uiter­ aard ook binnen de woning sprake zijn van maximale geluidniveaus die ruim voldoen aan acceptabel te achten waarden.

4.5.5 Wegverkeer Bij de beoordeling van het geluid afkomstig van het wegverkeer is aangesloten bij de systematiek van de Wet geluidhinder. Hierbij is uitgegaan van de geluidbelasting voor de hoogste belaste dag bij instroom en de hoogste belaste dag bij uitstroom. Zoals uit het onderzoek van Peutz volgt, treden als gevolg van in- en uitstroom de hoogste geluidbelastingen op bij woningen aan de Leegstraat en Betenlaan, met geluidbelastingen Lden tot 62 dB. Deze geluidbelasting beperkt zich tot enkele dagen. De waarden zijn mede gezien de zeer beperkte tijd dat deze optreden niet als onacceptabel hoog aan te merken. Illustratief mag hierbij gewezen worden op het feit dat binnen de systematiek van de Wet geluidhinder sprake zou zijn van een te toetsen geluidbelasting (inclusief zogenaamde aftrek Wgh) van ten hoogste 57 dB, hetgeen enigszins hoger is dan de buitenstedelijk maximaal vast te stellen hogere waarde voor wegverkeerslawaai van 53 dB Lden, echter ruim lager dan de binnenstedelijk maximaal vast te stellen hogere waarde van 63 dB Lden. Deze woningen zijn weliswaar niet binnenstedelijk, maar daar staat tegenover dat de geluidbelasting zich beperkt tot slechts enkele dagen. Met de berekende waar­ den is daarmee geen sprake van een niet meer acceptabel woon- en leefklimaat.

Zoals verder op te maken uit het onderzoek van Peutz zorgen de transportbewegingen voor aan- en afvoer (backstageverkeer) en pendelbussen met name bij woningen langs de Ficarystraat en Elsenpas tot verhoogde geluidniveaus. Met geluidbelastingen tot 55 à 57 dB blijft echter sprake van een alleszins acceptabele situatie. Camperverkeer en Kiss&Ride verkeer resulteert tot slot in geluidbelastingen tot 52 dB (Wijksestraat) en is daarmee eveneens als acceptabel aan te merken.

4.5.6 Menselijk stemgeluid Mede op basis van ervaring kan worden gesteld dat menselijk stemgeluid een relevante geluidbijdrage kan leveren aan de bij omliggende woningen optredende geluidniveaus in dB(A). Uit het onderzoek van Peutz blijkt dat voor zover gelijktijdig optredend met muziek, deze muziek volledig bepalend zal zijn voor eventueel ondervonden hinder en dat het menselijk stemgeluid geen relevante bijdrage levert. Na afloop van het muziekprogramma kan nog wel sprake zijn van een bijdrage van stemgeluid. Dit kan een sterke variatie vertonen, mede afhankelijk van weersomstandigheden. Deze sterke variatie maakt een rekentechnische benadering lastig. Om die reden heeft Peutz met betrekking tot het stemgeluid gebruik gemaakt van metingen in de omgeving bij eerdere versies van Down The Rabbit Hole. Op basis daarvan kan worden gesteld dat als gevolg van stemgeluid na het muziekprogramma bij woningen in de omgeving sprake kan zijn van geluidniveaus tot 40 à 45 dB(A). Uitgaande van de reguliere systematiek van toetsen en daarmee een toe te passen meteocorrectie zullen de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus tot 35 à 40 dB(A) bedragen en daarmee nog voldoen aan bijvoorbeeld de conform de Handrei­ king industrielawaai en vergunningverlening dan wel het Activiteitenbesluit acceptabel te achten waar­ den.

4.5.7 Gecumuleerde geluidbelasting Als het gaat om de gecumuleerde geluidbelasting is in eerste aanleg de cumulatie van de geluiden sa­ menhangend met de evenementen zelf relevant. Verder zou sprake kunnen zijn van cumulatie van het evenement met de regulier in de betreffende omgeving aanwezige geluidbelasting. Peutz concludeert in hun onderzoek echter dat een beschouwing van de gecumuleerde geluidbelasting niet leidt tot andere conclusies dan de beoordeling per geluidsoort.

24

4.5.8 Borging geluidniveaus Gelet op bovenstaande paragrafen, waarbij muziekgeluid bepalend zal zijn voor de in de omgeving op­ tredende geluidniveaus, is het meest voor de hand liggend de maximaal optredende geluidniveaus te borgen met een in de planregels op te nemen generieke geluideis geldend voor in de omgeving gelegen geluidgevoelige bestemmingen van 70 dB(A) en 95 dB(C) in de dag en avond en 50 dB(A) en 75 dB(C) in de nacht.

4.5.9 Monitoring van geluid Bij de categorie 3 en 4 evenementen zal tijdens het gehele evenement sprake van een real time monito­ ring van de geluidniveaus in de omgeving, zowel middels meerdere onbemande meetsets als bemande metingen. Daarnaast worden de geluidniveaus per podium gemonitord zowel gericht op het voorkomen van onnodig hoge geluidniveaus als op het adequaat kunnen reageren op zich aandienende overschrij­ dingen van de normen in de omgeving.

4.6

Mobiliteit

Het organiseren van evenementen heeft invloed op de lokale verkeerssituatie. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat de lokale verkeerssituatie niet overbelast raakt. Dat wil zeggen dat de bestaande infrastructuur de extra vervoersbewegingen moet kunnen afwikkelen en dat de druk op de parkeervoorzieningen niet te groot wordt. Of de lokale verkeerssituatie overbelast raakt is afhankelijk van het extra verkeer dat wordt gegenereerd als gevolg van de evenementen. Derhalve is een mobiliteitsanalyse (Arcadis, rapport 30082635, 29 maart 2022) uitgevoerd. Dit onderzoek is als bij­ lage 6 bij deze toelichting bijgevoegd. In de analyse van Arcadis zijn de bezoekers van de vier categorieën verdeeld over de diverse modalitei­ ten (autoverkeer, langzaam verkeer, taxi, kiss S ride, campers, caravans en openbaar vervoer) en het aankomst en vertrekpatroon over verschillende dagen (indien van toepassing). Deze verdeling is geba­ seerd op eerdere edities van evenementen op De Groene Heuvels en ervaringscijfers van andere eve­ nementen. Op basis van de verdeling is per categorie beoordeeld of de infrastructuur het verkeer kan afwikkelen en of er sprake is van voldoende parkeercapaciteit. In deze analyse is, zoals eerder is ge­ noemd in paragraaf 2.2.5, rekening gehouden met twee scenario’s voor categorie 4 evenementen: sce­ nario 4a en scenario 4b.

In de mobiliteitsanalyse concludeert Arcadis dat De Groene Heuvels gedurende de evenementen goed bereikbaar is voor bezoekers zonder dat dit grote knelpunten oplevert op het wegennet. Wel is het daar­ voor noodzakelijk dat actief wordt gezorgd voor een goede spreiding van verkeer over de tijd, routes en modaliteiten. Dit kan door programmering, maar ook door goede informatievoorziening en verkeersmaat­ regelen. In deze paragraaf volgen de belangrijkste conclusies uit de analyse.

4.6.1 Parkeren Een groot deel van de bezoekers van de evenementen arriveert per auto of camper en de standaard parkeervoorzieningen op het recreatiegebied de Groene Heuvels zijn beperkt. Voor de organisatie van de evenementen is de inzet van omliggende agrarische graslanden ten behoeve van parkeervoorzienin­ gen beschikbaar. Zodat ieder zijn voertuig veilig en comfortabel kan parkeren zonder overlast voor de omgeving. Uit de analyse van Arcadis blijkt dat categorie 4 (scenario 4a: 100X weekend kaarten) een maatgevend scenario is. In dit scenario, waarin enkel weekendgasten aanwezig zijn en de parkeerplaat­ sen slechts eenmaal benut kunnen worden, is een verwachte parkeerbehoefte van 14.250 parkeerplaat­ sen. Bij de andere categorieën evenementen blijft de parkeerbehoefte onder de 8.021 parkeerplaatsen. In de analyse zijn mogelijke parkeerplaatsen weergegeven en is aangetoond hoe het kampeer- en/of parkeerterrein ingericht kan worden om 24.550 parkeerplaatsen te realiseren. Daarmee is er sprake van een 42X reservecapaciteit om fluctuaties op te vangen. Aangezien categorie 4 (scenario 4a) maatgevend 25

is, kan er vanuit worden gegaan dat er ook voldoende parkeercapaciteit is te realiseren voor de andere categorieën. De evenementen op de Groene Heuvels zijn zeer verschillend qua parkeerbehoefte. Dit wordt enerzijds beïnvloed door het aantal bezoekers, maar ook door het type evenement. Zo trekt een weekendevenement gericht op een jonge doelgroep minder auto’s aan dan een dagevenement gericht op een oudere doelgroep, ook al zijn het aantal bezoekers gelijk aan elkaar. Deze dynamiek, in combinatie met het ontbreken van CROW-kencijfers, zorgt voor grote fluctuaties in de parkeerbehoefte. Binnen het plangebied zijn echter meer dan voldoende gronden c.q. percelen voorhanden die benut kunnen worden voor parkeren. Deze percelen kunnen per evenement ingericht worden als parkeerter­ rein. Op die manier kan voor ieder evenement gewaarborgd worden dat er voldoende parkeercapaciteit beschikbaar is en wordt tevens parkeeroverlast voor de omgeving voorkomen. Naast voldoende parkeerplaatsen, vraagt ook de inrijcapaciteit om aandacht. De inrijcapaciteit van de parkeerplaatsen is afhankelijk van de controle op en/of de verkoop van parkeertickets. De hoeveelheid medewerkers, betaalterminals, vorm van betalen en het percentage verkochte parkeertickets in de voor­ verkoop is bepalend voor de afwikkeltijd.

Een terminal is een betaalmedewerker uitgerust met pinappa­ raat en/of scanapparaat voor het scannen en verkopen van parkeertickets. Maatgevend voor het inrijden is categorie 2 vanwege het hoge aandeel autoverkeer en een scherpe inrijpiek. Voor het kunnen ver­ werken van de inrijpiek dienen minimaal twaalf terminals aanwezig te zijn, waarvan drie terminals ook geschikt moeten zijn voor pinbetaling. Mocht er door een storing of een scherpe piek in het aanbod een te lange wachtrij ontstaan kan ervoor gekozen worden om tijdelijk niet meer te controleren op parkeer­ tickets waardoor instroomcapaciteit aanzienlijk wordt verhoogd.

4.6.2 Autoverkeer Voor de vier categorieën zijn door Arcadis in- en uitstroomprofielen opgesteld waarin per dag en per uur de hoeveelheid auto’s per aan- of uitrijdroute (zie de analyse) is opgenomen. Hieronder zijn per categorie de belangrijkste conclusies opgenomen. Categorie 1: ^ Er is voldoende capaciteit beschikbaar om het verkeer af te wikkelen; ^ Het aantal bezoekers per auto is hoog waardoor er ondanks het beperkte aantal bezoekers toch behoorlijke verkeersstromen ontstaan; ^ De uitstroom in de avondspits kan voor knelpunten zorgen in de omgeving. Een geringe verlenging van het programma kan deze knelpunten voorkomen. Categorie 2: ^ Door de scherpe instroompiek wordt de capaciteit van de N322 bijna bereikt en is er kans op knel­ punten. Een betere verdeling kan dit voorkomen; ^ De uitstroom in de avondspits kan voor knelpunten zorgen in de omgeving. Een geringe verlenging van het programma kan deze knelpunten voorkomen. Categorie 3: ^ Door de scherpe instroompiek wordt de capaciteit van de N322 licht overschreden in de avondspits op werkdagen en is er kans op knelpunten. Een betere verdeling kan dit voorkomen door bijvoor­ beeld het evenement eerder open te stellen of met een aantrekkelijker voorprogramma. Ook kan gekozen worden voor weekenddagen. ^ De uitstroom kan door de scherpe piek voor knelpunten zorgen in de omgeving.

Een geringe verle­ ning van het programma kan deze knelpunten voorkomen. Door de geringe hoeveelheid regulier verkeer zal het verkeer dan beperkt hinder ondervinden.

26

Categorie 4 (scenario 4a: 100X weekendkaarten): ^ De capaciteit van de N322 wordt zowel tijdens de instroom als de uitstroom niet overschreden. De goede spreiding over tijd, dag en modaliteiten zorgt dat de knelpunten beperkt blijven wanneer wordt doorgegroeid naar 60.000 bezoekers. Categorie 4 (scenario 4b: 70X weekendkaarten, 30X dagkaarten): ^ De capaciteit van de N322 wordt zowel tijdens de instroom als de uitstroom niet overschreden. De instroom van de weekendbezoekers op donderdag zorgt ervoor dat de aankomst van de 60.000 bezoekers beter wordt gespreid en de piek op vrijdag behoorlijk wordt afgevlakt.

4.6.3 Campers en caravans Categorie 4 trekt ook verkeer in de vorm van campers en caravans aan. Voor deze modaliteit wordt echter een separate route ingericht, los van het autoverkeer. De bijdrage van de campers en caravans op deze route is daardoor beperkt en er worden om die reden geen knelpunten verwacht.

4.6.4 Taxi's en kiss & ride Voor evenementen uit categorie 4 (scenario 4b: 70X weekendkaarten, 30X dagkaarten) is de in- en uit­ stroom van taxi’s en kiss & ride het hoogst. Dit maakt het noodzakelijk om voor deze modaliteit een aparte route in richten. De retourstroom lijkt echter niet te scheiden van de andere bezoekers. Op de Deestersteeg komen deze stromen samen. Aanvullende verkeersmaatregelen zijn noodzakelijk om beide stro­ men te faciliteren op de kruisvlakken om zo vertraging te beperken en onveilige situaties op de N322 te voorkomen. Voor de andere categorieën evenementen worden geen knelpunten verwacht.

4.6.5 Openbaar vervoer, pendelbussen en touringcars Bij de evenementen uit categorie 2, 3 en 4 maakt een deel van de bezoekers gebruik van het openbaar vervoer en komt per trein aan op NS station Wijchen of als de capaciteit onvoldoende is op NS station Nijmegen. Met name tijdens de evenementen uit categorie 3 en 4 (scenario 4b: 70X weekendkaarten, 30X dagkaarten) ontstaat een scherpe in- en uitstroompiek, waarbij categorie 3 maatgevend is. Tijdens deze evenementen kunnen de reizigersaantallen niet volledig worden verwerkt via NS station Wijchen en dient te worden uitgeweken naar NS station Nijmegen. De evenementen faciliteren tevens een pendeldienst van- en naar De Groene Heuvels om de bezoekers af te zetten dan wel op te halen. Om alle bezoekers binnen twee uur op een station te krijgen, zijn voor station Nijmegen circa 79 bussen nodig en voor station Wijchen circa 55 bussen. Dit heeft Arcadis bere­ kend op basis van een worst case scenario, waarbij is uitgegaan van een evenement uit categorie 3. Zij concluderen vervolgens dat deze hoeveelheid ritten goed is te verwerken op het reguliere wegennet, mede omdat het buiten de spits valt. Daarnaast wordt in categorie 4 (scenario 4b: 70X weekendkaarten, 30X dagkaarten) gebruik gemaakt van georganiseerde touringcars voor 3.360 bezoekers.

Arcadis concludeert dat de benodigde touring­ cars vergeleken met het autoverkeer en de pendelbussen beperkt zijn. Derhalve worden er geen pro­ blemen verwacht door de georganiseerde touringcars. Bovendien maken deze voertuigen gebruik van een eigen route naar het evenemententerrein.

4.6.6

Langzaam verkeer

Voor fietsers en voetgangers worden losse voorzieningen gefaciliteerd zoals routes en parkeerplaatsen. De aantallen zijn relatief laag en daarmee is de kans op capaciteitsproblemen op de route nihil. Voor fietsers worden voldoende stallingen gerealiseerd. Op basis van de prognose zijn dit maximaal 4.200 stallingsplaatsen bij categorie 4 (scenario 4a: 100X weekendkaarten) evenementen en bij de overige evenementen zijn dit er significant minder met een maximum van 2.400 stallingsplaatsen bij categorie 3.

27

4.7

Luchtkwaliteit

Hoofdstuk 5 (titel 5.2) van de Wet Milieubeheer (Wm) stelt de belangrijkste regels omtrent luchtkwaliteit in Nederland. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn grenswaarden opgenomen voor onder andere de concentraties stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10 en PM2,5), benzeen (CeHe), zwaveldioxide (SO2), kool­ monoxide (CO) en lood in de buitenlucht. Bij ruimtelijke plannen en projecten zijn vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof van belang. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat een ruimtelijke ontwikkeling er niet voor zorgt dat mensen langdurig in een gebied met een schadelijke luchtkwaliteit verblijven. Tabel 2 geeft de relevante grenswaarden weer. Daarnaast is het belangrijk dat de gevolgen van een ruimtelijke ontwikkeling op de luchtkwaliteit inzichtelijk worden ge­ maakt. Tabel 2: Grenswaarden conform de Wet milieubeheer.

Grenswaarden

Overschrijding per jaar

Stof

Type norm

Stikstofdioxide

Jaargemiddelde

40 gg/m3

-

Uurgemiddelde

200 gg/m3

Maximaal 18 keer

Jaargemiddelde

40 gg/m3

-

Daggemiddelde

50 gg/m3

Maximaal 35 keer

Jaargemiddelde

25 gg/m3

-

Zwevende deeltjes (PM10)

Zwevende deeltjes (PM2,5)

Via de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) zijn de concentraties PM10, PM2,5 en NO2 ter plaatse van het plangebied voor de jaren 2021 en 2025 afgelezen. Vanwege het mogelijke effect van de COVID maatregelen is er geen betrouwbare raming beschikbaar voor de periode 2022 tot en met 2024. Derhalve heeft het RIVM een kaart berekend voor het jaar 2025, waarin de ge­ raamde emissies zijn geïnterpoleerd. Deze kaart is een bovenschatting van de te verwachten emissies voor dat jaar en daarmee bruikbaar voor ruimtelijke besluitvorming. Uit de kaarten blijkt dat de jaarge­ middelde grenswaarden voor PM10 (16,10 gg/m3), PM2,5 (9,49 gg/m3) en NO2 (13,65 gg/m3) niet worden overschreden in 2021. Ditzelfde geldt voor de grenswaarden van PM10 (14,66 gg/m3), PM2,5 (8,01 gg/m3) en NO2 (12,25 gg/m3) in 2025. Daarmee kan worden aangenomen dat de toekomstige gebruikers van de planlocatie niet (overmatig) worden blootgesteld aan een schadelijke luchtkwaliteit. Daarnaast is het van belang dat de beoogde ontwikkeling niet significant negatief bijdraagt aan het ver­ slechteren van de luchtkwaliteit. Derhalve is door Peutz een luchtkwaliteitsonderzoek (rapport 1079-2RA-003, 8 augustus 2022) uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 7 bij deze toelichting bijgevoegd.

Doel van het luchtkwaliteitsonderzoek is het in kaart brengen van de gevolgen van de beoogde activiteiten op de optredende emmissieconcentraties NO2, PM10 en PM2,5 in de directe omgeving van De Groene Heuvels. Uit de resultaten van het onderzoek volgt dat: ^ ^

In de plansituatie geen sprake is van overschrijding van grenswaarden voor de stoffen NO2, PM10 en PM2,5; Aangezien de toename van de concentraties van voornoemde stoffen minder bedraagt dan 3X van de grenswaarden sprake is van een “niet in betekende mate bijdragen” (NIBM) van het plan.

Hiermee kan worden geconcludeerd dat voor het aspect luchtkwaliteit geldt dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

28

4.8

Externe veiligheid

Het externe veiligheidsbeleid van Nederland richt zich op het beheersen en voorkomen van risico’s voor de omgeving als gevolg van risicovolle bedrijfsactiviteiten en als gevolg van risicovol transport over de weg, het water, het spoor en door buisleidingen. Twee begrippen staan in het externe veiligheidsbeleid centraal. Dit zijn het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Met het PR wordt de aan te houden afstand geëvalueerd tussen de activiteit en kwetsbare functies in de omgeving. Of een functie kwetsbaar of beperkt kwetsbaar is, is vastgelegd in het Besluit externe veilig­ heid Inrichtingen (Bevi). Voorbeelden van kwetsbare objecten zijn woningen, scholen, ziekenhuizen en grote kantoorgebouwen. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder andere verspreid liggende woningen, sporthallen en bedrijfsgebouwen. Met het GR wordt geëvalueerd of als gevolg van een ongeval een groot aantal slachtoffers kan vallen, doordat een grote groep personen blootgesteld wordt. Afbeelding 11: Risicobronnen aanwezig in en nabij het plangebied.

Op afbeelding 11 is weergegeven dat het totale plangebied binnen 200 meter van de A50 ligt waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd en dat de locatie wordt doorsneden door een hogedruk aardgaslei­ ding en gedeeltelijk binnen het invloedsgebied van een tweede aardgasleiding ligt. Om die reden is inzicht in de externe veiligheidsrisico’s nodig en heeft AVIV een externe veiligheidsrapportage (rapport 214603, 23 februari 2022) opgesteld. Deze is raadpleegbaar als bijlage 8 bij deze toelichting. De conclu­ sies uit dit onderzoek zijn in de navolgende paragraaf genoemd.

4.8.1 Conclusie externe veiligheidsrisico's Rijksweg A50 Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor het plangebied. Groepsrisico

Het groepsrisico is in zowel de huidige als toekomstige situatie kleiner dan 1096 van de oriëntatiewaarde. Daarom kan de verdere verantwoording van het groepsrisico achterwege blijven. Wel dient het bestuur van de veiligheidsregio in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen. In de toelichting bij het besluit dient in elk geval in te worden gegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrij­ ding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veilig­ heid te brengen indien een ramp zich voordoet.

29

Plasbrandaandachtsgebied

Het plangebied ligt deels in het plasbrandaandachtsgebied. Er worden echter geen bouwwerken opge­ richt en daarmee vormt het PAG geen belemmering voor de planontwikkeling. Hogedruk aardgasleidingen Plaatsgebonden risico

De berekeningen hebben niet geleid tot een PR 10'6 contour. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor het plan. Groepsrisico ^

^

N-575-60-deel 3: In de huidige situatie is geen sprake van een groepsrisico. In de toekomstige situ­ atie is het groepsrisico kleiner dan de oriëntatiewaarde maar groter dan 10% van de oriëntatiewaarde. Dit betekent dat een volledige verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is. A-555: Het groepsrisico neemt niet toe door de planontwikkeling en is kleiner dan de oriëntatie­ waarde. Dit betekent dat kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico.

Belemmeringenstrook

De belemmeringenstrook van buisleiding N-575-60-deel 3 ligt in het plangebied. Bij de uiteindelijke plan­ indeling moet hier rekening mee worden gehouden zodat de belemmeringenstrook vrij blijft van bebou­ wing.

4.8.2 Verantwoording groepsrisico's Op basis van de externe veiligheidsrisico’s zijn de groepsrisico’s van de drie risicobronnen beschouwd (AVIV, rapport 214603, 16 december 2021) in het licht van het beoogde planvoornemen. Voor de diverse verantwoordingen wordt verwezen naar de rapportage die is bijgevoegd als bijlage 9 bij deze toelichting. AVIV concludeert dat het groepsrisico aanvaardbaar is, in overweging nemende dat: ^ • ^ ^

de vaststelling van het plan leidt tot een geringe toename van de hoogte van het groepsrisico van de A50; de vaststelling van het plangebied tot een toename van het groepsrisico van buisleiding N-575-60deel 3 leidt, maar onder de oriëntatiewaarde blijft; de vaststelling van het plangebied niet leidt tot een verandering van de hoogte van het groepsrisico van buisleiding A-555; de vaststelling van het plan de interventiemogelijkheden van de hulpdiensten en de zelfredzaam­ heid van de aanwezigen niet negatief beïnvloedt;

Daarmee vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor het planvoornemen.

4.8.3 Advies veiligheidsregio In het kader van het vooroverleg (zie ook paragraaf 6.2) is het concept ontwerpbestemmingsplan naar de Veiligheidsregio Gelderland Zuid gestuurd. Zij hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt om advies te geven. De Veiligheidsregio adviseert evenementenorganisatoren om ten aanzien van: ^

de buisleiding N-575-60 bij de indeling van het gebied rekening te houden met de 100%-letaalzone en mogelijkheden te bieden om haaks van de bron af te kunnen vluchten. Aangeraden wordt om veiligheids- en/of ontruimingsplannen hierop af te stemmen. Centrale voorzieningen kunnen bijvoor­ beeld verder van de bron af worden geplaatst en mogelijk kan het gebied van de 100%-letaalzone dienen als parkeerzone;

30

»

4.9

de buisleiding A-555 bij de indeling van het gebied rekening te houden met de 100%-letaalzone en mogelijkheden te bieden om haaks van de bron af te kunnen vluchten. Aangeraden wordt om vei­ ligheids- en/of ontruimingsplannen hierop af te stemmen.

Archeologie en cultuurhistorie

Een gedeelte van het plangebied heeft in het bestemmingsplan “Buitengebied” de dubbelbestemming “Waarde - Archeologie 2” en “Waarde - Archeologie 3” toegewezen gekregen. Daarmee zijn de gronden, behalve voor de daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van waardevolle archeologische informatie in de bodem. Afbeelding 12: Dubbelbestemming archeologie bestemmingsplan “Buitengebied” (plangebied blauw omlijnd).

Deze dubbelbestemming houdt concreet in dat een archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd indien een bouwwerk groter dan 120 m2 (waarde - archeologie 2) of 2.000 m2 (waarde - archeologie 3) wordt opgericht of wanneer er grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dan wel wateren worden ge­ graven, gedempt of verdiept. Aangezien het planvoornemen niet het realiseren van permanente bouw­ werken met fundering behelst en er ten behoeve van het planvoornemen ook geen werken en/of werk­ zaamheden worden uitgevoerd waarbij de bodem wordt verstoord, is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Deze dubbelbestemmingen blijven van kracht, waarmee de archeologische waarden in de bodem beschermd blijven. Het aspect archeologie vormt in conclusie geen belemmering voor het plan­ voornemen. Binnen het plangebied en de omgeving hiervan bevinden zich geen cultuurhistorisch waardevolle ele­ menten of structureren die als gevolg van dit plan geschaad zouden kunnen worden. Bovendien ziet dit parapluplan op het toelaten van tijdelijke activiteiten (evenementen) en de tijdelijke oprichting van bouw­ werken en objecten ten behoeve van deze activiteiten. Ook wordt er niet gesloopt als onderdeel van dit plan. Van een blijvend effect op het plangebied en de omgeving is derhalve geen sprake.

31

4.10 Beoordeling milieueffectrapportage (m.e.r.) De procedure van een milieueffectrapportage is volgens de Wet milieubeheer verplicht bij de voorberei­ ding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van (private) partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Welke activiteiten dat betreft is aangege­ ven in het Besluit m.e.r. en de daarbij behorende bijlage. In de bijlage is onderscheid gemaakt tussen: » »

een C-lijst met m.e.r.-plichtige activiteiten en daarbij behorende drempelwaarden: een D-lijst met m.e.r.-beoordeling plichtige activiteiten en de daarbij behorende drempelwaarden.

Het doel van de m.e.r.-procedure is het milieubelang volwaardig mee te laten wegen bij de vaststelling van plannen en besluiten. Onderhavig planvoornemen behelst het organiseren van diverse evenemen­ ten. Deze activiteit komt niet voor in zowel de C- als de D-lijst. Een m.e.r-plicht of een m.e.r.-beoordeling is derhalve niet aan de orde.

4.11 Kabels en leidingen Zoals is weergegeven op afbeelding 13, is in het plangebied een gasleiding gelegen. Voor deze gaslei­ ding is in het geldende bestemmingsplan een dubbelbestemming opgenomen. Deze dubbelbestemming beperkt de bouw- en gebruiksmogelijkheden van die gronden. Het is niet toegestaan om daar werken en/of werkzaamheden uit te voeren die gevolgen (kunnen) hebben voor de gasleiding. Denk hierbij aan het aanbrengen van verharding of diepwortelende beplanting. Aangezien ten behoeve van het planvoor­ nemen dergelijke werken en/of werkzaamheden niet worden uitgevoerd, is nader onderzoek niet nood­ zakelijk. Overigens wordt blijft de dubbelbestemming Leiding - Gas van kracht. De gasleiding blijft hier­ mee in de toekomstige situatie planologisch beschermd met het aanlegvergunningstelsel. Daarmee vormt het aspect kabels en leidingen geen belemmering voor het planvoornemen.

32

5.

Juridische regeling

5.1

Algemeen

Het bestemmingsplan, in de vorm van een parapluplan, bestaat uit regels en een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende gedeelte van het be­ stemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Bij het raadplegen van het bestemmingsplan moet eerst naar de verbeelding worden gekeken. Vervol­ gens zijn in de planregels de bepalingen opgenomen. Hoewel de toelichting niet behoort tot het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, kan deze worden geraadpleegd om beter te begrijpen waarom bepaalde regels (al dan niet) zijn opgenomen in het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is opgezet volgens de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Met dit parapluplan wordt door middel van het opnemen van gebiedsaanduidingen op de verbeelding de functie als tijdelijk evenementen-, kampeer-, parkeer- en/of productieterrein toegevoegd aan het plan­ gebied. De overige regels uit de onderliggende bestemmingsplannen blijven verder onverminderd van toepassing. Voor de goede orde wordt opgemerkt dat, om een evenement daadwerkelijk te kunnen houden, naast de ruimtelijke aspecten ook de regels op grond van de openbare orde dienen te worden afgewogen.

Dit laatste blijft plaats vinden in het kader van de procedure voor een evenementenvergun­ ning op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening. Dit parapluplan geeft het ruimtelijk kader voor evenementen waarbinnen een flexibel vergunningen- en handhavingsapparaat op basis van de Alge­ mene Plaatselijke Verordening kan functioneren.

5.2

Opbouw van de regels

De hoofdstukindeling van de planregels behorende bij dit bestemmingsplan is als volgt: ^ • ^ ^

Hoofdstuk 1: Inleidende regels Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels Hoofdstuk 3: Algemene regels Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels

5.2.1

Inleidende regels

Dit hoofdstuk bevat alle bepalingen die nodig zijn om de overige planregels goed te kunnen hanteren. Begrippen (artikel 1) In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de planregels worden gehanteerd. Alleen de be­ grippen die in aanvulling op het dagelijks spraakgebruik nadere toelichting behoeven zijn opgenomen. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrip­ pen toegekende betekenis.

5.2.2

Bestemmingsregels

In dit bestemmingsplan zijn geen bestemmingen opgenomen, omdat de bestemmingen in de onderlig­ gende bestemmingsplannen onverminderd van toepassing blijven. Derhalve is de relatie met onderlig­ gende plannen in dit hoofdstuk beschreven. Relatie met onderliggende plannen (artikel 2) In dit artikel worden de onderliggende bestemmingsplannen benoemd en wordt vermeld dat voorliggend parapluplan in aanvulling op, en voor zover nodig, in afwijking op de regels van de genoemde bestem­ mingsplannen geldt.

33

5.2.3 Algemene regels Anti-dubbeltelregel (artikel 3) In dit artikel is de in het Besluit ruimtelijke ordening voorgeschreven anti-dubbeltelregel opgenomen. Algemene aanduidingsregels (artikel 4) Dit artikel bevat de gebiedsaanduidingen die gelden voor het plangebied, met daarin de ruimtelijk rele­ vante uitgangspunten voor het gebruiken van de gronden als evenementen-, kampeer-, parkeer- en/of productieterrein. Het gaat hierbij om de volgende gebiedsaanduidingen: » » »

Overige zone - evenementenzone 1; Overige zone - evenementenzone 2; Overige zone - evenementenzone 3.

Overige regels (artikel 5) Dit artikel bevat overige regels voor het waarborgen van voldoende parkeergelegenheid en een voor­ waardelijke verplichting ten aanzien van het extern salderen voor de aanleg, bouw en gebruik ten be­ hoeve van de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt.

5.2.4 Overgangs- en slotregels Overgangsrecht (artikel 6) Dit artikel bevat twee standaardbepalingen uit het Besluit ruimtelijke ordening. Artikel 6.1 heeft betrek­ king op bouwwerken en artikel 6.2 op gebruik. Met het overgangsrecht wordt gewaarborgd dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan bestaande bouwwerken en bestaand gebruik, welke met dit bestemmingsplan in strijd zijn, mag worden voortgezet. Slotregel (artikel 7) Tenslotte wordt in de regels vastgelegd op welk moment het bestemmingsplan is vastgesteld en welke naam het plan heeft.

5.3

Verbeelding

Navolgende afbeelding geeft de verbeelding van het parapluplan weer. Afbeelding 14: Verbeelding parapluplan.

34

6.

Uitvoerbaarheid

6.1

Economische uitvoerbaarheid

In de Wet ruimtelijke ordening is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom grondexploitatie opgenomen. De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouw­ activiteiten die planologisch mogelijk worden gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan en een afwijkingsbesluit (artikel 6.12). In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening staat omschreven om welke bouwactiviteiten dit gaat. Dit gaat onder meer over: ^ ^ ^ ^ ^

^

de bouw van een of meer woningen; de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1.000 m2 of met een of meer woningen; de verbouwing van een of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumu­ latieve oppervlakte van de nieuwe functies tenminste 1.500 m2 bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1000 m2.

Onderhavig parapluplan ziet toe op een planologische regeling voor het structureel kunnen blijven orga­ niseren van evenementen op de locatie De Groene Heuvels. Voor deze ontwikkeling is met de initiatief­ nemers een anterieure overeenkomst gesloten ten behoeve van het kostenverhaal en eventuele planschade. Het kostenverhaal is daarmee verzekerd en een exploitatieplan is daarmee niet noodzakelijk.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Omgevingsdialoog

In het kader van deze bestemmingsplanprocedure is een omgevingsdialoog georganiseerd. De omgevingsdialoog is georganiseerd op 16 februari en een ieder kon hieraan deelnemen. Uiteindelijk hebben 40 personen deelgenomen. De resultaten van de omgevingsdialoog zijn reeds verwerkt in dit bestem­ mingsplan. Voor meer informatie over de omgevingsdialoog en de aanpassingen die zijn gemaakt naar aanleiding ervan, kan bijlage 10 behorend bij deze toelichting worden geraadpleegd. Leefbaarheidsgroepen

Naar aanleiding van de georganiseerde omgevingsdialoog hebben de voorzitters van de leefbaarheids­ groepen Bergharen, Hernen en Leur op 9 april 2022 een brief gezonden aan de colleges van burge­ meester en wethouders van de gemeenten Beuningen en Wijchen. Hierin hebben zij op constructieve wijze hun zorgen geuit over het proces en de inhoud van de voorgenomen plannen en hebben zij ver­ zocht om een gesprek. Ook is in de brief aangegeven dat onder de bewoners van Bergharen, Hernen en Leur een enquête verspreid zou worden. Op 20 juni 2022 zijn de burgemeester en verantwoordelijk wethouder van de gemeente Beuningen, initiatiefnemer Leisurelands en MOJO als organisator van Down The Rabbit Hole met de voorzitters van de leefbaarheidsgroepen in gesprek gegaan. Tijdens dit gesprek zijn de zorgen en het verdere proces besproken. De zorgen van de leefbaarheidsgroepen gaan hoofdzakelijk over geluid en bereikbaarheid. Daarnaast hebben de voorzitters van de leefbaarheidsgroepen, samen met de verantwoordelijke wet­ houders van de gemeente Wijchen, een locatiebezoek gebracht aan het evenemententerrein van Down The Rabbit Hole op 1 juli 2022. Op 4 oktober 2022 hebben de voorzitters van de leefbaarheidsgroepen een presentatie gegeven aan Leisurelands en MOJO. Aanleiding hiervoor was de bekendmaking van de enquêteresultaten van de 35

enquête die eerder in het jaar was verspreid onder de bewoners. De enquêteresultaten en de reactie van Leisurelands hierop zijn te raadplegen als bijlage 11 bij deze toelichting. De reactie van Leisurelands op de enquêteresultaten is op 7 november 2022 met de leefbaarheidsgroepen gedeeld. Natuurorganisaties

Ook zijn de natuurorganisaties Stichting Das & Boom, Natuur en Milieu Gelderland en IVN Maas en Waal betrokken geweest bij het traject. De natuurorganisaties hebben op 17 februari 2022 uitleg gekregen over de voorgenomen plannen en hebben op 6 april 2022 samen met Leisurelands een locatiebezoek gebracht aan het plangebied. De natuurorganisaties hebben zorgen geuit over het leefklimaat van de das, de biodiversiteit en mogelijke effecten op flora en fauna. Ten aanzien van deze onderwerpen zijn diverse ecologische onderzoeken uitgevoerd (zie ook bijlage 3 bij deze toelichting). De natuurorganisa­ ties hebben op 4 november 2022 de uitgevoerde ecologische onderzoeken ontvangen en zijn uitgeno­ digd om mee te denken aan een natuurverbeterplan, met als doel om de natuur en de biodiversiteit op en in de directie omgeving van het plangebied te kunnen verbeteren Vooroverleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleggen met het bestuur van de bij het plan betrok­ ken waterschap. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Diverse vooroverlegpartners zijn daarom in de gelegenheid gebracht om op het concept ontwerpbestemmingsplan te reageren. In bijlage 12 bij deze toelichting zijn de vooroverlegreacties opgenomen en van beantwoording voorzien. Zienswijzen

Conform artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening wordt het ontwerpbestemmingsplan zes weken ter inzage gelegd. Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen belanghebbenden over het bestem­ mingsplan hun zienswijze naar voren brengen. Dit ontwerpbestemmingsplan heeft van 16 juni 2023 tot en met 27 juli 2023 ter inzage gelegen. Tegen het ontwerpbestemmingsplan zijn vijfentwintig zienswijzen ingediend. De nota beantwoording zienswijzen is als bijlage 13 aan deze toelichting gehecht.

36

Bijlage 1 Lijst met kadastrale percelen De bijlage is separaat bijgevoegd.

37

Bijlage 2 Notitie waterhuishouding van de Groene Heuvels De bijlage is separaat bijgevoegd.

38

Bijlage 3 Toets Wet natuurbescherming De bijlage is separaat bijgevoegd.

39

Bijlage 4 Vergunning Wet natuurbescherming De bijlage is separaat bijgevoegd. In de bijlage is mogelijk rekening gehouden met een hoger aantal (categorie 3) evenementen. Dit betreft een worst-case benadering, omdat het daadwerkelijke aantal is afgenomen.

40

Bijlage 5 Akoestisch geluidonderzoek De bijlage is separaat bijgevoegd.

41

Bijlage 6 Mobiliteitsanalyse De bijlage is separaat bijgevoegd.

42

Bijlage 7 Luchtkwaliteitsonderzoek De bijlage is separaat bijgevoegd. In de bijlage is mogelijk rekening gehouden met een hoger aantal (categorie 3) evenementen. Dit betreft een worst-case benadering, omdat het daadwerkelijke aantal is afgenomen.

43

Bijlage 8 Externe veiligheidsrapportage De bijlage is separaat bijgevoegd. In de bijlage is mogelijk rekening gehouden met een hoger aantal (categorie 3) evenementen. Dit betreft een worst-case benadering, omdat het daadwerkelijke aantal is afgenomen.

44

Bijlage 9 Verantwoording groepsrisico's De bijlage is separaat bijgevoegd.

45

Bijlage 10 Omgevingsdialoog De Groene Heuvels De bijlage is separaat bijgevoegd.

46

Bijlage 11 Enquêteresultaten De bijlage is separaat bijgevoegd.

47

Bijlage 12 Nota beantwoording vooroverlegreacties De bijlage is separaat bijgevoegd.

48

Bijlage 13 Nota beantwoording zienswijzen De bijlage is separaat bijgevoegd.

49

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beuningen&id=1a215861-b7c9-4f3c-9948-938fd1dcbbbf