CConstaterende datBeuningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 01: Toelichting BP Parapluplan Evenementen De Groene Heuvels, Ewijk

Raadsvergadering 10 oktober 2023, gemeente BeuningenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling Bestemmingsplan Parapluplan Evenementen De Groene Heuvels Ewijk15.623 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

TOELICHTING "PARAPLUPLAN EVENEMENTEN DE GROENE HEUVELS, EWIJK"

RUIMTEMEESTERS een heldere kijk op de leefomgeving

IMRO codering Versie Datum

NL.IMR0.0209.BPevenementGroeHeu-vadf Vastgesteld 22 augustus 2023

Inhoudsopgave 1.

Inleiding......................................................................................................................................... 1 1.1 Aanleiding...................................................................................................................................... 1 1.2 1.3

Plangebied..................................................................................................................................... 1 Geldend bestemmingsplan...........................................................................................................2

1.4

Leeswijzer..................................................................................................................................... 3 2. Planvoornemen............................................................................................................................. 4 2.1 Bestaande situatie ........................................................................................................................ 4 2.2 Toekomstige situatie..................................................................................................................... 5 3. Beleidskader..................................................................................................................................9 3.1

Rijksbeleid..................................................................................................................................... 9

3.2 Provinciaal beleid.......................................................................................................................... 9 3.3 Gemeentelijk beleid.................................................................................................................... 10 4. Omgevingskader ..........................................................................................................................13 4.1

Bodem ......................................................................................................................................... 13

4.2

Waterparagraaf ........................................................................................................................... 13

4.3 4.4

Ecologie........................................................................................................................................17 Bedrijven en milieuzonering .......................................................................................................20

4.5

Geluid ........................................................................................................................................... 21

4.6

Mobiliteit......................................................................................................................................25

4.7 4.8

Luchtkwaliteit.............................................................................................................................. 28 Externe veiligheid........................................................................................................................ 29

4.9 4.10 4.11

Archeologie en cultuurhistorie ................................................................................................... 31 Beoordeling milieueffectrapportage (m.e.r.) ............................................................................. 32 Kabels en leidingen ................................................................................................................... 32

5.

Juridische regeling...................................................................................................................... 33 5.1 Algemeen ................................................................................................................................... 33 5.2 Opbouw van de regels............................................................................................................... 33 5.3 Verbeelding ................................................................................................................................ 34

6.

Uitvoerbaarheid...........................................................................................................................35 6.1 6.2

Economische uitvoerbaarheid.................................................................................................... 35 Maatschappelijke uitvoerbaarheid............................................................................................. 35

Bijlagen bij deze toelichting 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12.

Lijst met kadastrale percelen. Notitie waterhuishouding van de Groene Heuvels (Sweco, rapport 51011065, 11 mei 2023) Toets Wet natuurbescherming (Bureau Waardenburg, rapport 21-271, 14 september 2022). Besluit verlenen Wnb vergunning (Provincie Gelderland, zaak 2021-002840, 6 oktober 2022). Akoestisch geluidsonderzoek (Peutz, rapport E 1079-10-RA-002, 22 december 2021). Mobiliteitsanalyse (Arcadis, rapport 30082635, 29 maart 2022). Luchtkwaliteitsonderzoek (Peutz, rapport EA 1079-2-RA-003, 8 augustus 2022). Externe veiligheidsrapportage (AVIV, rapport 214603, 23 februari 2022). Verantwoording groepsrisico’s (AVIV, rapport 214603, 16 december 2021). Omgevingsdialoog De Groene Heuvels (Leisurelands en Ruimtemeesters, 11 maart 2022). Enquêteresultaten (Leisurelands, 7 november 2022). Nota beantwoording vooroverlegreacties.

1.

Inleiding

1.1

Aanleiding

Op De Groene Heuvels worden sinds jaar en dag met regelmaat evenementen georganiseerd. De hui­ dige bestemmingsplannen kennen echter geen adequate regeling voor evenementen. Als gevolg hier­ van vragen evenementenorganisatoren voor individuele evenementen niet alleen een evenementenver­ gunning aan op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV), maar ook een omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan. Deze werkwijze is omslachtig, en zowel financieel als tijd technisch kostbaar. Daarom is er behoefte aan een toekomstbestendige regeling voor evenementen in een bestemmingsplan, met als nevendoelstelling om het betrokken gebied een structurele kwaliteits­ impuls te geven. Dit zorgt ervoor dat de evenementenorganisatoren zekerheid hebben over de evene­ menten die in de toekomst op De Groene Heuvels georganiseerd mogen worden, het ambtelijk apparaat ontlast wordt doordat niet periodiek een aanvraag omgevingsvergunning behandeld en beoordeeld hoeft te worden én de omgeving weet waar zij aan toe is. Derhalve is onderhavig parapluplan opgesteld.

1.2

Plangebied

Het plangebied betreft het recreatiegebied De Groene Heuvels met daaromheen een aantal agrarische gronden, gelegen in het buitengebied van de gemeente Beuningen. Een lijst met daarin alle kadastrale percelen is opgenomen in bijlage 1 van deze toelichting. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 190 hectare. Afbeelding 1: Ligging van het plangebied in de omgeving (plangebied blauw omcirkeld).

1

1.3

Geldend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied vigeert het bestemmingsplan “Buitengebied”, vastgesteld door de ge­ meenteraad op 1 augustus 2012. Op grond van dit bestemmingsplan kent het plangebied de bestemmin­ gen “Recreatie” (met de functieaanduiding: specifieke vorm van recreatie -1), “Agrarisch”, “Natuur -1”, “Verkeer” en “Water”, de dubbelbestemmingen “Waarde - Archeologie 2”, “Waarde - Archeologie 3” en “Leiding - Gas” en de gebiedsaanduiding “Hydrologische beschermingszone”. Een klein gedeelte van het grondgebied is gelegen binnen het bestemmingsplan “Partiële herziening De Groene Heuvels”, vast­ gesteld door de gemeenteraad op 23 september 2014. Een gedeelte van de gronden met een recreatie­ bestemming heeft hierdoor de functieaanduiding “specifieke vorm van recreatie - 2”. Afbeelding 3: Bestemmingsplan “Buitengebied" (plangebied blauw omlijnd).

Recreatie Agrarisch Natuur -1 Verkeer Water Waarde - Archeologie Hydrologische beschermingszone

2

Voorliggend plan voorziet in het organiseren van evenementen met de daarbij behorende parkeer-, kam­ peer- en productieterreinen. Deze activiteiten zijn op grond van het vigerende bestemmingsplan niet toegestaan. Om een passend juridisch-planologisch kader te bieden is dit parapluplan opgesteld.

1.4

Leeswijzer

Het eerste hoofdstuk “Inleiding” geeft kort weer waarom een bestemmingsplanprocedure is opgestart en op welk gebied deze procedure betrekking heeft. In het tweede hoofdstuk “Planvoornemen” wordt de bestaande situatie beschreven en het planvoornemen nader toegelicht. In het derde hoofdstuk “Be­ leidskader” worden relevante beleidsdocumenten behandeld. In het vierde hoofdstuk “Omgevingskader” worden eventuele (milieu)belemmeringen in kaart gebracht en wordt beargumenteerd hoe er sprake blijft van een goede ruimtelijke ordening. In het vijfde hoofdstuk “Juridische regeling” wordt de opbouw van het parapluplan beschouwd en in het zesde hoofdstuk “Uitvoerbaarheid” wordt zowel de maatschap­ pelijke als de economische uitvoerbaarheid van het plan besproken.

3

2.

Planvoornemen

2.1

Bestaande situatie

Op dit moment kent De Groene Heuvels een jaarrond recreatieve publieksaantrekkende functie. De aan­ wezigheid van een plas in combinatie met een zandstrand en ligweiden maakt het dat hier uiteenlopende activiteiten worden georganiseerd voor jong en oud. Deze activiteiten voorzien niet alleen in een be­ hoefte van de inwoners van de gemeente Beuningen, maar trekken ook bezoekers van ver buiten de gemeentegrenzen. In het gebied wordt gezwommen, gedoken, geklommen, gepaintballd en er vinden diverse evenementen plaats. De Groene Heuvels wordt vrijwel volledig omringd door agrarisch grond­ gebied, met uitzondering van het aangrenzende vakantiepark ‘t Broeckhuys. Dit vakantiepark biedt re­ creatief nachtverblijf en beschikt over faciliteiten als een feestzaal, bowlingbaan en restaurant. De afge­ lopen járen zijn er diverse evenementen georganiseerd op De Groene Heuvels, zoals introductiefeesten, obstakelraces en Down The Rabbit Hole. Voor het laatstgenoemde evenement is op 8 april 2022 een omgevingsvergunning verleend voor de edities 2022 tot en met 2025. Ten behoeve van de evenemen­ ten zijn in het verleden, indien nodig, de naastgelegen agrarische percelen ingezet als parkeer-, produc­ tie- en als kampeerterrein. Afbeelding 4: Luchtfoto van het evenement Down The Rabbit Hole op De Groene Heuvels.

4

2.2

Toekomstige situatie

Met dit parapluplan wordt beoogd het toegestane gebruik in het plangebied te verruimen, zonder daarbij de overige en reeds geldende bepalingen te wijzigen. In dit parapluplan is een regeling getroffen om in het plangebied het organiseren van evenementen planologisch mogelijk te maken, evenals de activitei­ ten behorende bij die evenementen (kampeer-, parkeer- en productieterrein). Afbeelding 5 geeft weer welk gedeelte van het plangebied in de toekomstige situatie gebruikt wordt als evenemententerrein (blauw) en als kampeer- en of parkeerterrein (groen). Zoals op de afbeelding is weergegeven overlappen deze terreinen elkaar (lichtblauw). Tot slot kan een gedeelte van het plangebied (zwarte stippellijn) bij de grotere evenementen gebruikt worden als productieterrein. Afbeelding 5: Globaal beoogd gebruik plangebied.

Op het evenemententerrein worden de benodigde faciliteiten voor een evenement geplaatst. Dit kan gaan om (podium)tenten of dansvloeren, maar ook om servicevoorzieningen (zoals stands voor eten en drinken) en rijplaten banen. Als er parkeerterreinen worden ingericht, worden op deze gronden rijplaten banen aangelegd. Als er kampeerterreinen worden ingericht, kunnen op deze gronden onder andere (naast tenten voor overnachting) badhuizen geplaatst worden, evenals servicevoorzieningen, met de daarbij benodigde rijplaten banen om deze voorzieningen te bereiken. Tot slot kan een productieterrein worden ingericht. Een productiegebied kenmerkt zich door het aanbrengen van voorzieningen ten be­ hoeve van de evenementen in de periode voorafgaand aan de opbouw tot en met de afbouw. Het terrein wordt in de betreffende periode ontsloten met rijplaten banen en er vindt op- en overslag plaats. Hier kunnen onder andere noodgebouwen worden geplaatst (bijvoorbeeld als kantoor of voor medewerkerscatering), maar ook lichtmasten, koelcontainers en generatoren. Het gebruik van het plangebied hangt echter sterk af van het type evenement wat wordt georganiseerd.

Om te duiden hoeveel evenementen in de toekomst georganiseerd gaan worden in het plangebied en wat voor kenmerken deze evenementen hebben (zoals een lage of een hoge geluidsproductie), is ge­ bruik gemaakt van een viertal evenementencategorieën: 5

^ ^

^ ^

Categorie 1 betreft evenementen met zeer beperkt versterkt geluid (zoals een spreekinstallatie) ter ondersteuning van het evenement, zoals een (hardloop)wedstrijd, obstakelrace, rommelmarkt of fair. Categorie 2 betreft evenementen met beperkt versterkt geluid waarbij kamperen is toegestaan, zoals een themabraderie, vakbeurs, kampeerdemo dagen, vakantiebeurs, introductiekamp of film­ festival. Categorie 3 betreft evenementen met podia en versterkt geluid, zoals concerten en festivals. Categorie 4 betreft evenementen met podia en versterkt geluid waarbij kamperen is toegestaan, zoals Down The Rabbit Hole en andere kampeerfestivals.

Op onderstaande afbeelding zijn de kaders voor iedere evenementencategorie weergegeven. Afbeelding 6: Kaders voor evenementen op De Groene Heuvels.

Maximaal

Categorie 1 evenementen Maximaal 3 evenementen per jaar

Maximaal

5

18

evenementen

dagen Categorie 2 evenementen

per kalenderjaar*

Maximaal 2 evenementen per jaar

4

)

waarvan maximaal

Beperkt geluid ter ondersteuning

Categorie 3 evenementen Maximaal 1 evenement per jaar

evenementen

4

Maximaal tot 23:00 uur, verlenging tot 01.00 uur voor dagen waarop een zaterdag, zondag of een feestdag volgt

dagen muziek evenementen

Maximaal 15.000 3 uur spreekinstallatie

ä

Ý b

Categorie 2 Maximaal 25.000 Beperkte geluidsinstallatie 2000 kamperen

aa v

Maximaal 4 dagen per evenement

Categorie 3 Maximaal 30.000 Muziek Max 11 uur Tot 23:00 uur Verlengde avondnorm

BB

Maximaal 1 dag per evenement

Categorie 4

Maximaal 2 evenementen per jaar*

Maximaal 60.000 Muziek Camping Nachtprogramma

* Aankoirat- en vertrekdagen voor kamperen - zander versterkt geluid - vallen hier niet onder

r

Maximaal 2 dagen per evenement

Categorie 4 evenementen

)J1 Muziek “ evenementen

9

Categorie 1

BB A

J

Maximaal 4 dagen per evenement*

Versie mei 2023

Een evenement is gedefinieerd als een voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak. Opeen­ volgende evenementen die gedurende aaneengesloten dagen plaatsvinden en gebruikmaken van de­ zelfde voorzieningen worden beschouwd als één evenement bestaande uit meerdere evenementenda­ gen. Onder een evenementendag wordt verstaan een dag waarop een evenement plaatsvindt voor een periode van 24 uur aansluitend, wat betekent dat de periode over twee kalenderdagen verspreid kan zijn. Aankomst- en vertrekdagen en op- en afbouwdagen worden niet beschouwd als een evenementen­ dag.

2.2.1 Verdeling van evenementen De vier evenementencategorieën weerspiegelen grofweg twee type evenementen. Gebiedseigen eve­ nementen zonder een luidruchtig karakter (categorie 1 en 2) en incidentele evenementen met een luid­ ruchtig karakter (categorie 3 en 4). In voorliggend bestemmingsplan wordt het mogelijk gemaakt om per kalenderjaar maximaal achttien dagen evenementen te organiseren. Per categorie worden aan het orga­ niseren van evenementen nadere regels verbonden. In zijn algemeenheid geldt dat er per kalenderjaar maximaal drie incidentele evenementen met een luidruchtig karakter mogen worden georganiseerd. Als er het ene kalenderjaar minder behoefte is aan dergelijke evenementen, kunnen deze evenementenda­ gen worden “vervangen” door gebiedseigen evenementen.

6

2.2.2

Kaders voor gebiedseigen evenementen

Per kalenderjaar mogen er maximaal vijf categorie 1 en 2 evenementen georganiseerd worden, waarvan maximaal drie categorie 1 evenementen en maximaal twee categorie 2 evenementen. Voor categorie 1 evenementen geldt dat één evenement maximaal twee aaneengesloten evenementendagen mag duren. Voor categorie 2 evenementen is dit maximum gesteld op vier dagen. Het bovenstaande houdt in dat er per kalenderjaar maximaal zes dagen evenementen uit categorie 1 georganiseerd mogen worden en maximaal acht dagen evenementen uit categorie 2. Als deze mogelijk­ heden volledig worden benut, betekent dit dat er vier dagen over blijven voor het organiseren van inci­ dentele evenementen (categorie 3 en 4). Overige uitgangspunten voor gebiedseigen evenementen: ^ Het aantal bezoekers dat gelijktijdig aanwezig mag zijn bij een categorie 1 evenement bedraagt maximaal 15.000 bezoekers. ^ Het aantal bezoekers dat gelijktijdig aanwezig mag zijn bij een categorie 2 evenement bedraagt maximaal 25.000 bezoekers. ^ Een categorie 1 evenement mag maximaal 3 uur per evenementendag een spreekinstallatie inzetten ten behoeve van het evenement. ^ Een categorie 2 evenement mag maximaal 11 uur per evenementendag geluid ten gehore brengen, rekening houdend met een geluidsnorm van 45 dB(A) en 65 dB(C), tot een eindtijd van 23.00 uur.

^ Kamperen is toegestaan bij categorie 2 evenementen, tot een maximum van 2.000 bezoekers.

2.2.3

Kaders voor incidentele evenementen

Per kalenderjaar mogen er maximaal drie categorie 3 en 4 evenementen georganiseerd worden, waarvan maximaal één categorie 3 evenement en maximaal twee categorie 4 evenementen. Voor het categorie 3 evenement geldt dat het evenement één evenementendag mag duren. Voor categorie 4 evenementen is dit maximum gesteld op vier dagen. Het bovenstaande houdt in dat er per kalenderjaar maximaal één dag een evenement uit categorie 3 mag worden georganiseerd en maximaal acht dagen evenementen uit categorie 4. Als deze mogelijkhe­ den volledig worden benut, blijven er negen dagen over voor het organiseren van gebiedseigen evene­ menten (categorie 1 en 2). Overige uitgangspunten voor incidentele evenementen: ^ Het aantal bezoekers dat gelijktijdig aanwezig mag zijn bij een categorie 3 evenement bedraagt maximaal 30.000 bezoekers. ^ Het aantal bezoekers dat gelijktijdig aanwezig mag zijn bij een categorie 4 evenement bedraagt maximaal 60.000 bezoekers. ^ Een categorie 3 evenement mag maximaal 11 uur per evenementendag geluid ten gehore brengen, rekening houdend met een geluidsnorm van 70 dB(A) en 95 dB(C) tot een eindtijd van 23.00 uur. Voor dagen waarop een zaterdag, zondag of nationaal erkende feestdag volgt, kan de eindtijd met de daarbij behorende geluidsnorm worden verlengd tot 01.00 uur.

^ Een categorie 4 evenement mag, rekening houdend met een geluidsnorm van 70 dB(A) en 95 dB(C), geluid ten gehore brengen tot een eindtijd van 23.00 uur. Voor dagen waarop een zaterdag, zondag of nationaal erkende feestdag volgt, kan de eindtijd met de daarbij behorende geluidsnorm worden verlengd tot 01.00 uur. ^ Een categorie 4 evenement mag, rekening houdend met een geluidsnorm van 50 dB(A) en 75 dB(C), geluid ten gehore brengen tot een eindtijd van 05.00 uur. ^ Kamperen is toegestaan bij categorie 4 evenementen, tot een maximum van 60.000 bezoekers.

7

2.2.4

Kamperen bij een evenement

Het totaal aantal dagen dat er kamperen voor bezoekers van een evenement kan plaats vinden uit de categorieën 2 en 4 samen, is maximaal achttien etmalen per kalenderjaar. Kamperen voor medewerkers van het evenement valt daar niet onder.

2.2.5 Categorie 4 evenementen Categorie 4 evenementen zijn grote evenementen waar aanverwant kamperen kan plaatsvinden. Om die reden wordt voor deze categorie rekening gehouden met een tweetal scenario’s. In het eerste scenario (4a) is er sprake van een meerdaags evenement waarbij wordt gekampeerd en 100X van de bezoekers over een weekendkaart beschikt. Dat wil zeggen dat alle bezoekers op een kampeerterrein overnachten en er geen dagkaarten worden verkocht. In het tweede scenario (4b) is er sprake van een meerdaags evenement waarbij eveneens wordt gekampeerd, maar waarbij circa 70X van de bezoekers een week­ endkaart heeft. Dat wil zeggen dat niet alle bezoekers op het kampeerterrein overnachten en dat circa 30X van de bezoekers het evenemententerrein zal betreden met een dagkaart. Als gevolg zijn er in het tweede scenario dus meer unieke bezoekers en vinden er mogelijk ook meer verplaatsingen plaats. In hoofdstuk 4 wordt het planvoornemen getoetst aan diverse omgevingsaspecten. Daarbij wordt in de onderzoeksopzet, voor zover relevant, altijd uitgegaan van een worst-case benadering om te bepalen of het plangebied geschikt is voor de beoogde plannen. Voor categorie 4 evenementen betekent dit dat in de onderzoeksopzet rekening is gehouden met de twee hierboven genoemde scenario’s, maar dat altijd uit is gegaan van het worst-case scenario.

2.2.6 Tijdelijke bouwwerken en objecten In voorliggend parapluplan zijn geen bouwregels opgenomen. De tijdelijke bouwwerken en/of objecten die ten tijde van een evenement worden opgericht, worden niet beschouwd als een bouwwerk. Een bouwwerk is op basis van vaste jurisprudentie gedefinieerd als “elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functione­ ren.” Aangezien de tijdelijke bouwwerken en/of objecten behorend bij een evenement zeer incidenteel aanwezig zijn, zijn de constructies niet bedoeld om voor langere tijd ter plaatse te functioneren.

8

3.

Beleidskader

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie

In de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De Nationale Omgevingsvisie biedt perspectief op de grote en complexe opgaven (zoals klimaatverandering, de energietransitie en woningbouw) waar Nederland voor staat. De visie is in het bijzonder gericht op ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen en keuzes in samenhang gemaakt moeten worden tussen die nationale belangen. In totaal benoemt de visie 21 nationale belangen, zoals het bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland of het beperken van klimaatverandering. Nationale belangen zijn voor onderhavig initiatief niet aan de orde.

3.1.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

De ladder voor duurzame verstedelijk is per 1 oktober 2012 opgenomen als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 2). Het doel van de ladder is om ongewenste leegstand te voorkomen en duurzaam ruimtegebruik te stimuleren. Om die reden stelt de ladder een beschrijving van de behoefte aan het ruimtegebruik als eis wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Zo wordt gewaarborgd dat er een zorgvuldige afweging heeft plaatsgevonden. Aangezien het planvoornemen niet voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling conform de definitie uit artikel 1.1.1 van het Besluit ruimte­ lijke ordening, hoeft de ladder niet te worden toegepast.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland De omgevingsvisie Gaaf Gelderland is in 2018 door de provincie Gelderland vastgesteld. In deze visie heeft de provincie haar plannen, gewenste toekomstbeelden en ambities tot en met 2050 vastgelegd. Hieruit blijkt dat de provincie inzet op een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Dit willen zij bereiken door bij de uitoefening van hun taken de focus te leggen op duurzaamheid, verbondenheid en een krachtige economie. Om hier richting aan te geven heeft de provincie ambities geformuleerd op het terrein van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, econo­ misch vestigingsklimaat en het woon- en leefklimaat. In de omgevingsvisie benoemt de provincie vermaarde culturele voorzieningen, festivals en evenemen­ ten als unieke kwaliteit van Gelderland die gekoesterd moet worden. Aansprekende evenementen dra­ gen volgens de provincie bij aan het algehele woon- en leefklimaat en aan het economische vestigings­ klimaat. Zo blijft Gelderland aantrekkelijk voor mensen én bedrijven. De omgevingsvisie gaat gepaard met verbeeldingen voor sectorale beleidsthema’s. De provincie heeft ruimtelijk-, water-, milieu-, natuur en landschaps- en verkeers- en vervoersbeleid geformuleerd.

Uit deze verbeeldingen blijkt dat er (op ruimtelijk beleid ten aanzien van zonneparken en windenergie na) geen relevant provinciaal beleid van toepassing is op het plangebied. Daarbij maakt het plangebied geen on­ derdeel uit van het Gelders Natuurnetwerk (GNN), de Groene Ontwikkelingszone (GO) of een stiltegebied. Het dichtstbijzijnde stiltegebied ligt op ruim 13 kilometer afstand. In de omgevingsvisie zijn dan ook geen beleidsuitgangspunten aangetroffen die het plan en dit parapluplan in de weg staan.

3.2.2 Omgevingsverordening De belangrijkste beleidsdoelen uit de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland zijn in de omgevingsverordening met regels verankerd. Het plangebied is aangewezen als locatie waarop zogeheten plussenbeleid van toepassing is. Dit houdt in dat een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf niet zonder meer (planolo­ gisch) mogelijk gemaakt mag worden op deze locatie. Daarnaast gelden voor het plangebied diverse

9

bepalingen die de nieuwvestiging, hervestiging en uitbreiding van glastuinbouwbedrijven verbieden. Verder is een gedeelte van het plangebied aangewezen als intrekgebied en als beschermingszone voor natte landnatuur. Hiervoor geldt dat bestemmingsplannen de winning van fossiele energie niet mogelijk mogen maken (intrekgebied), net als functies die significant nadelige effecten kunnen hebben op de instandhouding van de natte landnatuur. Tot slot geldt er voor een klein gedeelte van het plangebied een beschermingszone van de molen (molenbiotoop). Ter plaatse van de beschermingszone van de mo­ len is enkel het gebruik als kampeer- of parkeerterrein toegestaan. Voor beide functies geldt op basis van de planregels standaard een aan te houden afstand van minimaal 50 meter (in geval van parkeren) of 30 meter (in geval van parkeren) tot aan een woonperceel. Op basis van het bovenstaande worden in de beschermingszone geen (hoge) tijdelijke bouwwerken voorzien. Derhalve is voor de bescherming van de molenbiotoop geen aanvullende regeling in het bestemmingsplan opgenomen. In de omgevingsverordening zijn geen bepalingen aangetroffen die een belemmering vormen voor het planvoornemen.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Beuningen De Omgevingsvisie Beuningen is op 21 december 2021 vastgesteld door de gemeenteraad van Beunin­ gen. De Omgevingsvisie bevat een beschrijving van de hoofdlijnen van de kwaliteit van de fysieke leef­ omgeving (waarden), de hoofdlijnen van voorgenomen ontwikkelingen, gebruik en beheer en de hoofd­ zaken van het voor de fysieke leefomgeving te voeren integrale beleid (speerpunten). Behorend bij de omgevingsvisie is ook een visiekaart opgesteld. Afbeelding 7: Visiekaart Omgevingsvisie Beuningen

Relevant voor voorgenomen ontwikkeling is speerpunt 13 uit de omgevingsvisie: “Kansen bieden voor recreatieve en toeristische ontwikkelingen, passend bij de aard en kenmerken van de gemeente”. In dit speerpunt beschrijft de gemeente de wens om de dagrecreatie in Het Broek en De Groene Heuvels uit te breiden. Hierbij is behoefte aan een kwaliteitsslag en verdere verbreding/verdieping van het dag- en verblijfsrecreatieve aanbod voor iedere doelgroep. Dit is ook weergegeven op de visiekaart. De ster op de kaart staat voor het “recreatief ontwikkelen van De Groene Heuvels”. De gemeente heeft deze wens ook verder uitgewerkt in het “Omgevingsprogramma Recreatie en Toerisme Buitengebieden”. Onderhavig parapluplan voorziet in het uitbreiden van de recreatieve gebruiksmogelijkheden op De Groene Heuvels. Hiermee wordt de recreatieve aantrekkelijkheid van het gebied verder versterkt. Het planvoornemen sluit daarmee aan bij de Omgevingsvisie. 10

3.3.2 Omgevingsprogramma Recreatie en Toerisme buitengebieden In januari 2021 heeft de gemeenteraad van Beuningen de “Visie Recreatie en Toerisme” vastgesteld. Deze visie is nauw verweven met de Omgevingsvisie. De kernambitie van de Visie Recreatie en Toerisme luidt: “De ontwikkeling van een vitale recreatief-toeristische sector in de gemeente Beuningen, met be­ houd van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden, versterking van de economische kwaliteit en werkgelegenheid, én passend bij het karakter van Beuningen als woongemeente. ” Eén van de actie­

lijnen in deze visie is de versterking van het voorzieningenaanbod. Voor initiatieven (uitbreiding of nieuwe realisatie) in de buitengebieden is daarvoor een ruimtelijk kader gewenst. In het omgevingsprogramma “Recreatie en toerisme buitengebieden” beschrijft de gemeente de randvoorwaarden en mogelijkheden voor initiatieven. Dit doen zij gebiedsgericht voor de verschillende delen van de buitengebieden in de gemeente Beuningen. Voor de uiterwaarden, de oeverwallen, de kommen en voor Het Broek. Het plan­ gebied De Groene Heuvels is gelegen in deelgebied Het Broek. Deelgebied Het Broek

Het Broek wordt ruwweg begrensd door de A50, Nieuwe Wetering, Oude Wetering en de kern Bergharen. Vakantiepark ’t Broeckhuys en het recreatiegebied De Groene Heuvels maken deel uit van Het Broek. Dit gebied vervult een belangrijke rol voor waterrecreatie, voor sport en spel, als recreatief uit­ loopgebied, voor verblijfsrecreatie (vakantiepark) en als duurzaam evenemententerrein. Om die reden wordt in het omgevingsprogramma de wens uitgesproken om de recreatieve en toeristische potenties van het gebied (beter) te benutten. Een kwaliteitsimpuls is nodig om het gebied recreatief aantrekkelijk te maken en te houden. Het ruimtelijk kader voor het gebied Het Broek geeft daarom mogelijkheden voor ontwikkeling en ver­ nieuwing. Doel is om dit gebied duurzamer en aantrekkelijker te maken en om recreatie en toerisme in gemeente Beuningen te bevorderen. Daarvoor wil de gemeente onder andere inzetten op (1) het verster­ ken van de kwaliteit van recreatiegebied De Groene Heuvels en de daarop aanwezige bedrijven en ac­ tiviteiten en (2) een duurzame borging van evenementen zoals Down The Rabbit Hole op het recreatie­ gebied De Groene Heuvels. Om die reden is in het omgevingsprogramma ook benoemd dat het bestem­ mingsplan ter plaatse van De Groene Heuvels aangepast moet worden om deze duurzame borging te realiseren en daarmee ook de evenementen in de toekomst te behouden.

Het omgevingsprogramma beschrijft verder dat het recreatiegebied De Groene Heuvels zich ook goed leent voor evenementen. De ervaring met Down The Rabbit Hole leert dat met een goede organisatie een groot festival zonder noemenswaardige problemen qua verkeer, parkeren en/of overlast kan plaats­ vinden op deze locatie. Ook is er veel aandacht voor de inbedding in de lokale omgeving en is er sprake van goed contact met inwoners uit de omliggende kernen. Derhalve spreekt de gemeente de ambitie uit om samen met de evenementenorganisatoren vorm te willen geven aan de wijziging van het bestaande bestemmingsplan. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in deze wijziging en geeft daarmee concreet uitvoering aan de ambities die zijn uitgesproken in het omgevingsprogramma.

3.3.3

Beleef het in Beuningen

De gemeente Beuningen beschrijft in het evenementenbeleid Beleef het in Beuningen, vastgesteld door de gemeenteraad op 3 maart 2020, waarom evenementen voor de gemeente van belang zijn. Zo ziet de gemeente evenementen als belangrijke drijfveren voor de lokale economie, de levendigheid binnen de gemeente, het imago en de onderlinge sociale cohesie. Evenementen trekken namelijk niet alleen koop­ krachtige bezoekers aan, wat de levendigheid ten goede komt en de lokale economie stimuleert, maar laten deze bezoekers ook op een aangename manier kennis maken met Beuningen. Evenementen vor­ men vaak de inhoud van positieve gesprekken over de gemeente. Bovendien bieden evenementen een zinvolle tijdsbesteding aan tal van vrijwilligers, versterken ze de betrokkenheid bij de gemeente, kunnen ze een brug slaan tussen verschillende bevolkingsgroepen en vergroten ze gevoelens van trots, saam­ horigheid en eigenwaarde.

11

Evenementen kunnen echter ook leiden tot een toenemende druk op het woon- en leefklimaat. Om die reden stelt de gemeente eisen op het gebied van geluidproductie, verkeer, beveiliging en verkoop van alcoholische dranken voor verschillende categorieën evenementen. In het evenementenbeleid staat ech­ ter opgenomen dat de diverse aandachtspunten en geluidsnormen niet van toepassing zijn op het ge­ bied De Groene Heuvels. Voor De Groene Heuvels en de bijzondere evenementen die daar plaatsvinden is maatwerk het uitgangspunt. Dit maatwerk komt er in de kern op neer dat bij de vergunningverlening voor een evenement op De Groene Heuvels een akoestisch onderzoek moet worden overgelegd dat afgestemd is op het evenement. Desalniettemin dienen de andere aspecten te worden meegenomen. Uit het evenementenbeleid komt naar voren dat in het kader van verkeer diverse verkeersmaatregelen getroffen moeten worden om over­ last voor de omgeving zoveel mogelijk te voorkomen. Bij elk evenement dient in ieder geval een mobili­ teitsplan te worden ontwikkeld. Hierin moet beschreven worden welke verkeersmaatregelen, verkeersveiligheidsmaatregelen, afsluitingen en omleidingen geregeld worden. Aandacht dient hierbij uit te gaan naar de diverse vervoersstromen, (calamiteiten)routes, parkeervoorzieningen en bebording. Per type evenement is maatwerk noodzakelijk.

In het voortraject dient nauw samen te worden gewerkt met de openbare orde en veiligheid diensten en wegbeheerders van de gemeente Beuningen en Wijchen, de provincie Gelderland en de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid. Een mobiliteitsplan waarin maatregelen en oplossingen van knelpunten zijn uitgewerkt is onderdeel van het evenementenvergunning traject. Verder dienen organisatoren zorg te dragen voor het beheer van de openbare ruimte (denk aan afval, groen, overige eigendommen) en zijn zij verantwoordelijk voor de aanwezigheid van gecertificeerde be­ veiligers. Tot slot wordt in het evenementenbeleid aangehaald dat de gemeente tot op heden geen lo­ caties als evenemententerrein heeft bestemd. De gemeente geeft hierbij aan dat het treffen van een planologische regeling in een bestemmingsplan mogelijk is voor locaties waar veelvuldig evenementen worden georganiseerd. Daarmee sluit het planvoornemen aan op het evenementenbeleid.

12

4.

Omgevingskader

4.1

Bodem

Bij een ruimtelijke ontwikkeling is het van belang dat er een afweging heeft plaatsvonden ten aanzien van de bodemkwaliteit in relatie tot de beoogde bestemming. Met het oog op een goede ruimtelijke ordening geldt als uitgangspunt dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico mag opleveren voor de gebruikers van die bodem en dat verontreiniging (door gebruik of grondverzet) moet worden voorko­ men. Voor vervuilde bodems geldt dat deze functiegericht en kostenefficiënt gesaneerd moeten worden. Met dit parapluplan wordt het toegestane gebruik binnen het plangebied verruimd. In het plangebied wordt het mogelijk om óók evenementen te organiseren en ten behoeve van die evenementen een aan­ tal gronden tijdelijk in te zetten als parkeer-, kampeer- en productieterrein. Aangezien voor het organise­ ren van evenementen enkel tijdelijke (en eenvoudig op te bouwen en af te breken) objecten worden geplaatst, zoals (feest)tenten en rijplaten, kan worden uitgesloten dat het planvoornemen leidt tot een verontreiniging van de bodem. De bodem wordt namelijk niet geroerd of bewerkt. Daarnaast kan worden aangenomen dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de gevoelige functies die in het plangebied mogelijk worden gemaakt (organiseren van evenementen en kamperen). Het nieuwe ge­ bruik wijkt namelijk nauwelijks af van het bestaande gebruik.

Zo worden de gronden waarop de evene­ menten georganiseerd gaan worden al jaren gebruikt voor recreatiedoeleinden. Ook de agrarische gron­ den waarop het kamperen is voorzien worden al met enige regelmaat ingezet als kampeerterrein. Dit laatstgenoemde blijft ook het voornemen: het kamperen wordt slechts kortdurend en incidenteel moge­ lijk gemaakt. Tot slot zijn er in het plangebied geen verdachte activiteiten of voormalige verontreinigen bekend die een nader onderzoek vereisen. Derhalve vormt het aspect bodem geen belemmering voor het planvoornemen.

4.2

Waterparagraaf

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit omgevingsrecht is het verplicht om in de toelichting van een bestemmingsplan een waterparagraaf toe te voegen. Het doel van de waterparagraaf is om rekening te houden met de waterhuishoudkundige belangen van het plangebied en de omgeving. In deze paragraaf wordt eerst ingegaan op het geldende waterbeleid en vervolgens op de gevolgen van het planvoornemen op de waterhuishoudkundige situatie.

4.2.1 Waterbeleid Nationaal beleid

De afgelopen decennia is verschillend waterbeleid vastgesteld op rijksniveau. Het belangrijkste beleid komt voort uit het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). Met het NBW heeft het Rijk diverse uitgangs­ punten vastgelegd voor het waterbeleid in de 21e eeuw. Het NBW is primair gericht op het voorkomen en verminderen van wateroverlast (door overstroming) vanwege een grote hoeveelheid neerslag in een korte tijd. Hiertoe zijn onder andere de volgende uitgangspunten geformuleerd: ^ ^ ^

Anticiperen in plaats van reageren; Niet afwentelen van waterproblemen op het volgende stroomgebied, maar handelen volgens de driestapstrategie van vasthouden-bergen-afvoeren; Meer ruimtelijke maatregelen toepassen naast technische ingrepen.

13

In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is bedoeld om ruimte­ lijke plannen en besluiten meer waterbestendig te maken, doordat waterbelangen van gemeente, water­ schap en eventueel andere waterbeheerders vroegtijdig en expliciet worden betrokken in de belangen­ afweging. De watertoets is later ook verankerd in het Besluit omgevingsrecht. Beleid Waterschap Rivierenland

Het Waterschap Rivierenland is medeverantwoordelijk voor het (regionale) waterbeleid in en om de ge­ meente Beuningen. Het waterschap zorgt voor een evenwichtig watersysteem. Ten behoeve van een evenwichtig watersysteem heeft het Waterschap beleid en regels opgesteld. De uitgangspunten die door het waterschap worden gehanteerd in het kader van de watertoets kunnen worden verwoord als: ^ ^

^

Waterneutraal inrichten: Voorkomen dat door de aanleg van nieuwe verhard oppervlak waterover­ last ontstaat. Indien nieuw verhard oppervlak wordt aangebracht, geldt een compensatieplicht. Schoon inrichten: Voorkomen dat de waterkwaliteit van het oppervlaktewater negatief wordt beïn­ vloed. Om die reden is het verplicht om bij nieuwbouwplannen schoon hemelwater gescheiden van het vuilwater af te voeren. Veilig inrichten: Voorkomen dat het waterkerend vermogen van een (primaire) waterkering wordt aangetast. Dit geldt ook voor de beschermingszones aan weerszijden van de waterkering.

Voor het brengen van water in een oppervlaktewater (of het onttrekken daarvan) is bovendien, behalve als hiervoor vrijstelling kan worden verleend, een watervergunning nodig. In de Watervisie 2050 heeft het waterschap haar lange termijn visie gegeven op een toekomstbestendig rivierengebied. In de Watervisie heeft het waterschap een zevental leidende principes geformuleerd. Deze principes helpen om belangen af te wegen, opgaven te prioriteren en heldere beleidskeuzes te maken. Deze principes zijn de volgende: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

De natuurlijke kenmerken van de ondergrond vormen het uitgangspunt van ons werk; Water is bepalen voor de inrichting van het gebied; We zijn zuinig op water en grondstoffen; Bescherming van het gebied tegen overstroming is onze focus; We pakken uitdagingen op binnen deze generatie en wentelen deze niet af; Waterbeheer van de toekomst: we maken maatschappelijk verantwoorde keuzes; Met elkaar zorgen we voor een toekomstbestendig rivierengebied.

In het Waterbeheerprogramma is de watervisie tactisch vertaald voor de periode 2022-2027. In het Waterbeheerprogramma zijn de opgaven voor het beheergebied gedefinieerd en is aangegeven hoe deze worden opgepakt. Het waterbeheerprogramma vormt daarmee het beleidshart voor het waterschap. In het waterbeheerprogramma gaat het waterschap in op de volgende opgaven: ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^

Beschermen tegen overstromingen; Water eerlijk verdelen; Voorbereiden op extreem weer; Werken aan schoon water; Bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; Toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; Toewerken naar circulariteit.

Beleid gemeente Beuningen

Met het Gemeentelijk Riool en Waterplan, vastgesteld door de gemeenteraad op 23 januari 2018, streeft de gemeente Beuningen naar een klimaatbestendige en water robuuste inrichting van de gemeente. Met inachtneming van de planlocatie (gelegen in het buitengebied) is met name de visie van de gemeente 14

op afvloeiend hemelwater en op oppervlaktewater van belang. Hieronder volgt een samenvatting van de belangrijkste beleidsuitgangspunten. Voor wat betreft afvloeiend hemelwater: ^ De trits vasthouden - bergen - afvoeren wordt gehanteerd; ^ Perceeleigenaren moeten afstromend hemelwater op eigen terrein verwerken. Enkel als dit redelij­ kerwijs niet mogelijk is, wordt op een oppervlaktewater en/of openbare hemelwatervoorziening ge­ loosd; ^ Ruimtelijke functies zijn onderling op elkaar afgestemd en de ruimtelijke effecten zijn vastgelegd in een bestemmingsplan of omgevingsplan; • Afvalwater en hemelwater worden afzonderlijk van elkaar ingezameld, getransporteerd en verwerkt; •

Verontreinigd hemelwater wordt lokaal behandeld, en waar dit niet doelmatig is als afvalwater naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie getransporteerd.

Voor wat betreft oppervlaktewater: • Bij het ontwikkelen van nieuwe ruimtelijke plannen neemt klimaatadaptatie een belangrijke plaats in zodat vanuit oppervlaktewater geen nieuwe kwetsbaarheden of gezondheidsrisico’s ontstaan door extreme neerslag, langdurige droogte en extreme hitte. Bestemmingsplan Buitengebied

Het plangebied ligt binnen de aanduiding “milieuzone - hydrologische beschermingszone”. Daarmee is het plangebied mede aangewezen voor de bescherming van de waterhuishoudkundige situatie en de daar voorkomende natuurwaarden. In dat kader is een omgevingsvergunning nodig om: a. b. c. d.

grond te verzetten van meer dan 100 m3 of op een diepte van meer dan 60 cm onder maaiveld; drainage aan te leggen, tenzij het gaat om vervanging van een reeds bestaande drainage; de waterstand te verlagen anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen, met uitzondering van grondwateronttrekkingen; niet-omkeerbare verhardingen en/of verharde oppervlakten van meer dan 100 m2, anders dan een bouwwerk, aan te brengen.

4.2.2

Bestaande waterhuishoudkundige situatie

Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Beuningen. Het plangebied bestaat voorna­ melijk uit grote onverharde lappen grond die, als er geen evenementen plaatsvinden, worden gebruikt voor recreatieve, agrarische en/of landschappelijke doeleinden. Een beschouwing van de Legger van het Waterschap geeft weer dat in het plangebied diverse A-, B- en C-wateren zijn gelegen. A-wateren zijn wateren die door het waterschap worden onderhouden. B- en C-wateren daarentegen worden door (aangrenzende) perceeleigenaren onderhouden. In het plangebied zijn geen (beschermingszones van) waterkeringen en overige staatkundige elementen aanwezig. Bovendien is het plangebied niet gelegen in het Gelders natuurnetwerk. Een klein gedeelte van het plangebied is wel aangewezen als intrekgebied en als beschermingszone voor natte landnatuur. Hiervoor geldt dat een nieuw bestemmingsplan de winning van fossiele energie niet mogelijk mag maken (intrekgebied), net als functies die significant nadelige effecten kunnen hebben op de instandhouding van de natte landnatuur.

4.2.3 Toekomstige waterhuishoudkundige situatie Evenementen hebben een tijdelijk en incidenteel karakter. Als gevolg zullen de bouwwerken en objecten die ten tijde van een evenement worden opgericht (welke overigens per evenement verschillen), nooit permanent aanwezig zijn en tijdig weer worden afgebroken.

15

Evenementen kunnen in de voorbereiding, tijdens en bij de afbouw van een evenement wel tijdelijk lei­ den tot een toename aan verhard oppervlak. Een tijdelijke toename aan verhard oppervlak kan effect hebben op de waterhuishoudkundige situatie van een gebied, bijvoorbeeld doordat neerslag als gevolg van dit verhard oppervlak versneld tot afvoer komt. In bijlage 2 bij deze toelichting is daarom een notitie opgenomen waarin het effect van de tijdelijke toe­ name aan verhard oppervlak als gevolg van een evenement op de waterhuishouding van De Groene Heuvels is onderzocht (Sweco, rapport 51011065, 11 mei 2023). In de notitie is per terrein (waarbij onder­ scheid is gemaakt tussen een evenemententerrein, parkeerterrein en kampeerterrein) en evenementen­ categorie een inschatting gemaakt van de effecten van de tijdelijke toename aan verhard oppervlak. Voor de duur van een evenement is rekening gehouden met de voorbereiding, het evenement zelf en de afbouw. Uit de notitie blijkt dat de verwachte impact van het planvoornemen op het watersysteem aanvaardbaar is. Het beleid van het Waterschap Rivierenland schrijft voor dat het verboden is om zonder watervergunning neerslag door nieuw verhard oppervlak versneld tot afvoer te laten komen (artikel 3.4 Keur).

Hiervoor geldt een vrijstelling als het totaal aan nieuw verhard oppervlak (in landelijk gebied) niet meer bedraagt dan 1.500 m2 (WT 5, artikel 1, Algemene regels). Nieuw verhard oppervlak is in de Beleidsregels van het Waterschap gedefinieerd als: “Alle oppervlakken die voor nieuwbouw, wegen, etc. verhard worden. Hierdoor kan het hemelwater ter plaatse niet langer in de (voorheen onverharde) grond infiltreren en treedt er een versnelde afvoer van het water op.”

Uit de hierboven opgenomen definitie van nieuw verhard oppervlak blijkt niet of de definitie aansluit bij de bouwwerken en/of objecten die ten tijde van een evenement worden opgericht. Denk hierbij aan houten vloerdelen, tentstructuren, podiumstructuren en rijplaten. In het beleid van het waterschap is ook geen bijzondere regeling opgenomen ten aanzien van evenementen. Aangezien uit de notitie van Sweco blijkt dat de verwachte impact op het watersysteem aanvaardbaar is en het beleid van het Waterschap niet in het bijzonder rekening houdt met (een toename aan verharding als gevolg van) evenementen, moet nader bezien worden of compensatie vereist is. Hiervoor wordt bij het Waterschap een watervergunning aangevraagd. Afvalwater

Afvalwater van evenementen moet gescheiden worden aangeleverd. Vooralsnog zijn hiertoe twee mo­ gelijkheden: gebruik maken van de op het terrein aanwezige buffervat of gebruik maken van tankwagens om het afvalwater rechtstreeks te bezorgen aan de RWZI in Weurt. Het voornemen bestaat om het afvalwatertransport te verbeteren en bedrijfszekerder te maken. Daarom wordt op dit moment een haalbaar­ heidsstudie uitgevoerd en een (schets)ontwerp opgesteld. Het plan is om het afvalwater van het evene­ mententerrein via een persleiding naar de kern Beuningen (gemeente Beuningen) te transporteren. Via de kern Beuningen stroom het afvalwater vervolgens richting de RWZI Nijmegen. Het voornemen bestaat om op het evenemententerrein een netwerk van persleidingen aan te leggen. Hierop zal één vast rioolgemaal worden aangesloten. Om flexibiliteit in de organisatie van de evenemen­ ten te houden kunnen op het netwerk tijdelijke rioolgemalen aangesloten worden. Het reeds aanwezige buffervat (silo 800 m3) wordt hierbij als back-up voorziening in het stelsel opgenomen. Het ontwerp voor deze voorziening(en) wordt in samenwerking met de gemeente Beuningen en het Waterschap Rivieren­ land verder uitgewerkt. Gelet op bovenstaande bevindingen heeft het planvoornemen geen nadelige gevolgen voor de waterhuishoudkundige situatie van het plangebied en vormt het aspect water geen belemmering.

16

4.3

Ecologie

4.3.1 Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming ziet toe op het beschermen van de leefgebieden van in het wild levende vogelsoorten en inheemse plant- en (overige) diersoorten. De belangrijkste leefgebieden in Nederland zijn het Natuurnetwerk Nederland en de Natura 2000-gebieden. Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland worden aangewezen in de provinciale verordening. In de provincie Gelderland heet dit het Gelders Natuurnetwerk. Het uitgangspunt is dat in het Gelders natuurnetwerk geen nieuwe initiatieven plaatsvinden, behalve ontwikkelingen van groot algemeen of provinciaal belang of waarvoor geen alternatieven bestaan. Afbeelding 8 geeft weer dat het plangebied niet is gelegen in het Gelders Natuurnetwerk. Derhalve geldt het Gelders Natuurnetwerk beleid niet als toetsingskader. Afbeelding 8: Uitsnede provinciale omgevingsverordening (plangebied blauw omlijnd).

/y Beschermingszone natte landnatuur

YZ Ganzen rustgebied

I Gelders natuurnetwerk ļ Groene ontwikkelingszone ĵ Verkenningsgebied bijzondere voorwaarden natuurbegraven Gelders natuurnetwerk ĵ Verkenningsgebied voorwaarden natuurbegraven Gelders natuurnetwerk

nn

Verkenningsgebied voorwaarden windturbines Gelders natuurnetwerk Weidevogelgebied

Omdat het plangebied volledig buiten het Gelders Natuurnetwerk ligt, zijn alleen mogelijk optredende externe effecten relevant. Hoewel het Gelders Natuurnetwerk geen externe werking kent, is een goede ruimtelijke ordening van functies wel relevant. Kernkwaliteiten die genoemd worden in de Omgevings­ verordening als eigenschap van “Rivierduinengordel Overasselt - Bergharen” worden niet aangetast door de te houden evenementen. Deze terreinen liggen namelijk op relatief grote afstand van de te hou­ den evenementen. Van (extra) betreding van die terreinen tijdens evenementen zal geen sprake zijn. De percelen behouden hun huidige vorm, begroeiing en natuurbestemming. Effecten kunnen daarom wor­ den uitgesloten. De Natura 2000-gebieden zijn op Rijksniveau aangewezen. Voor deze gebieden geldt dat het verboden is om zonder vergunning van Gedeputeerde Staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Om die reden heeft Bureau Waardenburg een toets aan de Wet natuurbescherming (Bureau Waardenburg, rapport 21-271,14 september 2022) uitgevoerd. Deze toets is als bijlage 3 bij deze toelichting te raadple­ gen.

Bureau Waardenburg concludeert dat op grond van de omvang van de invloedssfeer en de grote afstand tot Natura 2000-gebieden (significant) negatieve effecten van mechanische verstoring, habitatverlies, verstoring door licht, geluid of menselijke aanwezigheid en verontreiniging kunnen worden uitgesloten.

17

In het kader van de toetsing van verontreiniging is uitsluitend stikstofdepositie relevant. Door middel van extern salderen wordt een netto toevoeging van stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden voorkomen. Van (significant) negatieve effecten ten gevolge van stikstof is geen sprake. Hiervoor is separaat een Wnb-vergunning verleend door de provincie Gelderland (zaaknummer 2021-002840, 6 oktober 2022). Deze Wnb-vergunning is opgenomen als bijlage 4 bij deze toelichting. Afbeelding 9: Uitsnede Natura 2000 (plangebied blauw omcirkeld). -

Rhenen

Oriel

Lienden

Kesteren

.

Opheusden zetten

Eist Dodewaard OditervžC

s.

Herveld-Noord

’

«

Druten Bo/en-Leeuwen

den -Leeuwen

Oostertiout

Ewijk

©

Lent Beun In gen

Weurt

6 Nijmegen

Wijchen

Tot slot is een gedeelte van het plangebied in het bestemmingsplan Buitengebied bestemd als “Natuur - 1”. Het betreffende gebied betreft een weiland: een intensief gebruikt agrarisch grasland. Het betreft een met Engels raaigras begroeid grasland dat wordt bemest. Er broeden geen weidevogels vanwege de ligging naast opgaande populieren. Andere minder algemeen voorkomende natuurwaarden komen evenmin voor. Afbeelding 10: Bestemmingsplan “Buitengebied” (natuurbestemming rood omlijnd).

Recreatie Agrarisch Natuur -1 Verkeer Water Waarde - Archeologie Hydrologische beschermingszone

18

Gedurende de evenementen worden deze gronden gebruikt om te parkeren en te kamperen. Ook is het terrein als productiegebied voorzien. Een productiegebied kenmerkt zich door het aanbrengen van func­ ties ten behoeve van de evenementen in de periode voorafgaand aan de opbouw tot en met de afbouw. Het terrein wordt in de betreffende periode ontsloten met rijplaten en er vindt op- en overslag plaats. Noodgebouwen met kantoorfunctie en medewerkerscatering wordt aangebracht, maar ook lichtmasten, koelcontainers en generatoren. Dit gebruik is maximaal 8 weken per jaar voorzien. Omdat het gebruik tijdelijk is en niet tot schade leidt, vormt het geen belemmering voor het beschreven natuurtype.

4.3.2 Soortenbescherming De Wet natuurbescherming bevat ook een algemene zorgplicht voor alle in het wild levende dier- en plantensoorten in Nederland (art. 1.11 lid 1) en in het bijzonder voor de inheemse dier- en plantsoorten die vallen onder het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn (Ş3.1), Habitatrichtlijn (Ş3.2) en andere soorten (Ş3.3). Er geldt een verbod voor initiatieven die deze soorten significant (kunnen) schaden. Om die reden heeft een toets aan de Wet natuurbescherming (Bureau Waardenburg, rapport 21-271, 14 september 2022) plaatsgevonden. Hierin is onderzocht of er op of nabij De Groene Heuvels plant- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en nadelig beïnvloed kunnen worden door het planvoornemen. In het plangebied komen beschermde soorten voor (of kunnen er voorkomen). Ten aanzien van soortenbescherming volgen uit de Toets aan de Wet natuurbescherming de volgende conclusies: ^

^

^

Opzettelijke beschadiging of vernieling van verblijfplaatsen (zoals burchten) van dassen en kleine marterachtigen dient te worden voorkomen (zie randvoorwaarde hieronder). Het vernietigen of aan­ tasten van verblijfplaatsen van deze soorten is een overtreding van de Wnb artikel 3.10 lid 1 b. Met monitoring van het gebiedsgebruik van dassen en de maatregelen uit de randvoorwaarden wordt overtreding van dit verbod voorkomen. Voor het vernietigen van (jaarrond beschermde) nesten die in gebruik zijn en het verstoren van in gebruik zijnde nesten van vogels zodanig dat broedsels mislukken is geen ontheffing mogelijk. Met monitoring en de maatregelen uit de randvoorwaarden wordt overtreding van dit verbod voorko­ men. Het vernietigen en verstoren van in gebruik zijnde nesten wordt voorkomen door de randvoor­ waarde op te volgen Het vernietigen of aantasten van verblijfplaatsen van vleermuizen is een overtreding van de Wnb artikel 3.5 lid 1 en 4. Rust- of verblijfplaatsen gaan niet verloren als gevolg van het evenement, omdat geen bomen worden gekapt. Verstoring van verblijfplaatsen door verlichting is te voorkomen door de randvoorwaarden op te volgen.

Randvoorwaarden ^

^

^ •

^ ^

Monitor het gebruik van het plangebied door dassen door een ter zake kundige. Het doel hiervan is veranderingen in terreingebruik en burchtgebruik tijdig te signaleren. Neem indien nodig extra pre­ ventieve maatregelen om negatieve effecten op dassen te voorkomen. De kwetsbare periode van de das is de voortplantingsperiode; deze begint bij de zwangerschap in december en eindigt op het moment dat de jongen zelfstandig hun weg kunnen gaan (juni I juli). De genoemde perioden kunnen eerder of later beginnen of eindigen, afhankelijk van bijvoorbeeld weersomstandigheden. De ter zake kundige kan de exacte periode van voortplanting aangeven. Neem indien nodig extra preventieve maatregelen om negatieve effecten op dassen te voorkomen. Voer voorafgaand aan evenementen nader onderzoek uit naar aanwezigheid van (jaarrond be­ schermde) nesten. Voer voorafgaand aan evenementen nader onderzoek uit naar broedende vogels. Dit betreft een onderzoek naar opvallende I zichtbare nesten van (onder meer) soorten als zwarte kraai, houtduif, spechten, watervogels. Ten behoeve van aangetroffen nesten zullen maatregelen worden gegeven om verstoring te voorkomen. Voorkom verlichting van bosranden om vliegroutes van vleermuizen niet te storen. Verlicht bomen met holten niet om uitvliegende vleermuizen niet te verstoren. 19

4.3.3 Conclusie Wnb - onderdeel soortenbescherming

Door de randvoorwaarden op te volgen worden verbodsbepalingen ten aanzien van beschermde soor­ ten als gevolg van het plaatsvinden van evenementen voorkomen. Wnb - onderdeel gebiedsbescherming

(Significante) effecten op instandhoudingsdoelen, habitattypen, soorten en vogels van Natura 2000-gebieden als gevolg van evenementen worden uitgesloten. Toetsing aan het beleid voor het NNN

Significante effecten op wezenlijke kenmerken waarden van het NNN als gevolg van de evenementen worden uitgesloten. Toetsing aan het bestemmingsplan

Effecten op natuur treden niet op, omdat het terrein weinig natuurwaarden heeft en het gebruik slechts tijdelijk is.

4.4

Bedrijven en milieuzonering

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het belangrijk dat voorzienbare hinder als gevolg van milieubelastende activiteiten zoveel mogelijk wordt voorkomen bij milieugevoelige bestemmingen (zoals woningen) door het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding. Dit geldt ook andersom: een nieuwe mi­ lieugevoelige bestemming dient op voldoende afstand van een bestaande milieubelastende bestemmin­ gen te worden gepositioneerd om te voorkomen dat het bedrijf wordt belemmerd in gebruiks- en/of uit­ breidingsmogelijkheden. Voor het inpassen van milieubelastende en -gevoelige bestemmingen in de fysieke leefomgeving heeft de VNG de handreiking Bedrijven en milieuzonering 2009 ontwikkeld. In de handreiking zijn bedrijven en bedrijfsactiviteiten ingedeeld in typen bedrijvigheid met bijbehorende milieucategorieën. Voor ieder type bedrijvigheid is vervolgens op grond van een viertal milieuaspecten (geur, stof, geluid en gevaar) een aan te houden richtafstand geadviseerd, variërend tussen de 10 en 1.500 meter. Deze richtafstanden zijn in tabel 1 weergegeven. De milieubelasting dient vervolgens te worden afgezet tegen de belasting waarvan in de omgeving al sprake is. Hiervoor wordt onderscheid gemaakt tussen een rustig buitenge­ bied en een gemengd gebied.

De gedachte daarbij is dat gebieden met gemengde functies hogere achtergrondwaarden voor wat betreft de vier hinderaspecten kennen, waardoor milieubelasting van een specifiek bedrijf meer op zal gaan in de omgeving en minder snel als hinder wordt ervaren. Indien sprake is van een gemengd gebied mag de richtafstand met één stap worden verlaagd. De toepassing van deze handreiking wordt op basis van bestendige jurisprudentie algemeen geaccepteerd. Tabel 1: Richtafstanden milieuzonering behorend bij de VNG-handreiking.

Milieucategorie

Richtafstanden rustig buitengebied

1

10 meter

0 meter

2

30 meter

10 meter

3.1 3.2

50 meter

30 meter

100 meter

50 meter

4.1

200 meter

100 meter

4.2

300 meter

200 meter

5.1

500 meter

300 meter

5.2

700 meter

500 meter

5.3

1.000 meter

700 meter

6

1.500 meter

1.000 meter

Richtafstanden gemengd gebied

20

Gemotiveerd toepassen

Het is niet altijd duidelijk welke milieucategorie van toepassing is voor een bepaalde bedrijvigheid. Ook kan de werkelijke situatie verschillen van de “gemiddelde milieubelasting” door bijvoorbeeld specifieke bedrijfsprocessen en/of hinderbeperkende maatregelen. Derhalve kan - indien gedegen gemotiveerd afgeweken worden van de richtafstanden. Wijze van meten

De richtafstand geldt in eerste instantie vanaf de grens van het perceel waarop een milieubelastende bestemming aanwezig is tot de grens van het perceel waarop een milieugevoelige bestemming volgens het bestemmingsplan mogelijk is. Wanneer deze afstand niet toereikend is, worden de maximale bouw­ mogelijkheden beschouwd. Type gebied

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beuningen&id=1a215861-b7c9-4f3c-9948-938fd1dcbbbf