Bijlage 01: Toelichting bestemmingsplan Vordingstraat tussen 43 en 45a
Tekst van het document
Toelichting Vordingstraat tussen 43 en 45a Ewijk
IMRO-idn: planstatus: datum:
NL.IMRO.0209.BPVordngstrOng1471-vadf bestemmingsplan definitief augustus 2023
Inhoud Hoofdstuk 1
Inleiding......................................................................................................................... 5
1.1
Aanleiding en doel....................................................................................................................5
1.2
Ligging plangebied....................................................................................................................5
1.3
Geldend bestemmingsplan.......................................................................................................6
1.4
Leeswijzer.................................................................................................................................6
Hoofdstuk 2
Gebiedsvisie................................................................................................................... 7
2.1
Bestaande situatie....................................................................................................................7
2.2
Toekomstige situatie................................................................................................................9
Hoofdstuk 3
Beleidskader................................................................................................................ 13
3.1
Algemeen.............................................................................................................................. 13
3.2
Rijksbeleid............................................................................................................................... 13
3.3
Provinciaal beleid...................................................................................................................14
3.4
Gemeentelijk beleid ............................................................................................................. 16
Hoofdstuk 4
Milieu- en omgevingsaspecten.................................................................................... 21
4.1
Algemeen................................................................................................................................21
4.2
Bedrijven en milieuzonering...................................................................................................21
4.3
Bodem....................................................................................................................................22
4.4
Wegverkeerslawaai................................................................................................................23
4.5
Luchtkwaliteit.........................................................................................................................24
4.6
Externe veiligheid...................................................................................................................24
4.7
Geur ....................................................................................................................................... 27
4.8
Waterhuishouding ................................................................................................................ 28
4.9
Ecologie ................................................................................................................................ 33
4.10
Cultuur & archeologie............................................................................................................35
4.10.1
Cultuurhistorie.............................................................................................................. 35
4.10.2
Archeologie................................................................................................................... 36
4.11
Verkeer en parkeren...............................................................................................................38
4.12
Leidingen .............................................................................................................................. 38
4.13
Vormvrije MER-beoordeling................................................................................................. 39
Hoofdstuk 5
Juridische opzet...........................................................................................................41
5.1
Inleiding ................................................................................................................................ 41
5.2
Algemene opbouw van de regels ......................................................................................... 41
5.3
Dit bestemmingsplan..............................................................................................................43
pagina 2
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
44
6.1 Economische uitvoerbaarheid.................................................................................................... 44 6.2 Overleg en inspraak.................................................................................................................... 44
Bijlagen bij de toelichting...................................................................................................................... 45 Bijlage 1
inpassingsplan ............................................................................................................... 45
Bijlage 2
milieukundig bodemonderzoek...................................................................................... 45
Bijlage 3
watertoets...................................................................................................................... 45
Bijlage 4
quickscan flora en fauna................................................................................................. 45
Bijlage 5
stikstofdepositie berekening.......................................................................................... 45
Bijlage 6
archeologisch onderzoek............................................................................................... 45
Bijlage 7
informeren omwonenden.............................................................................................. 45
Bijlage 8
archeologie selectiebesluit............................................................................................. 45
Bijlage 9
beeldkwaliteitsplan historische linten Ewijk.................................................................. 45
pagina 3
Ove rz i c hts ka a rt iT'-
Hooġe Waard
J
I
.Doddenda^U ï Poel hof-
ff» r&Vprdin
Marialušr» 'Den Àlsţ-
t Haasje.
ŵáľstëŕv'
iC'ĵääi *s:8ï
#w x \^à
îj'Akker , 4 Ť Diverstuk
■Viermorq
Knooppunt
Sc h oen a k e
Ml
pagina 4
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding en doel
In de vergadering van 19 december 2017 heeft de gemeenteraad het besluit genomen om bouwen in de linten van Ewijk mogelijk te maken, waarbij de uitganspunten door het college zijn uitgewerkt in een toetsingskader. Het college van burgemeester en wethouders heeft dit toetsingskader met spelregels vor de linten van Ewijk op 16 april 2019 vastgesteld. Op basis van het toetsingskader kunnen bouwinitiatieven nader worden uitgewerkt. In navolging op het toetsingskader heeft het voorliggende plan betrekking op een deel van het kadastrale perceel Ewijk, sectie E, nummer 1471, tussen Vordingstraat 43 en 45a. De initiatiefnemers zijn de beoogde nieuwe eigenaren van het plangebied, zij hebben het voornemen om ter plekke een vrijstaande woning te realiseren. Het college van B&W van de gemeente Beuningen heeft bij wijze van principe besluit op 17 mei 2022 ingestemd met deze ontwikkeling. Om deze ontwikkeling planologisch mogelijk te maken dient het voor het plangebied geldende bestemmingsplan te worden gewijzigd.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied ligt aan de zuidkant van Ewijk, de randzone van de bebouwde kom. Het omvat een deel van het kadastrale perceel gemeente Ewijk sectie E, nummer 1471. Dit perceel is totaal 8.300m2, het plangebied is ca. 1.600m2 aan de straatzijde van dit perceel. Het plangebied wordt begrensd door: » » » »
noordzijde: de Vordingstraat met het gemeentelijke monument De Mariahoeve, noordelijk van de Vordingstraat het woongebied De Uilenburg west: een waterplas ontstaan door zandwinning zuid- en zuidwest: agrarische percelen oost: het woonhuis Vordingstraat 43
luchtfoto omgeving met globale aanduiding van het plangebied, bron: kadaster
pagina 5
1.3 Geldend bestemmingsplan Voor deze locatie is het geldende bestemmingsplan het bestemmingsplan 'Randzone Ewijk 2021', vastgesteld op 20 december 2022. Het plangebied heeft de bestemming Agrarisch en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. Langs de Vordingstraat ligt op openbaar gebied een A-watergang, op het plangebied ligt de oostelijke beschermingszone van deze watergang. In deze plannen is geen mogelijkheid opgenomen voor het bouwen van een woonhuis. Met dit voorliggende bestemmingsplan wordt de bestemming gewijzigd naar wonen en wordt de mogelijkheid voor de bouw van één woonhuis toegevoegd.
Enkelbestemming Agrarisch
____ Dubbelbestemming l*»*-1-! Waarde - Archeologie 2
_____ , Dubbelbestemming ITUX2VA] 0 ļcūŷuŅ Waterstaat - Waterlopen
Gebiedsaanduiding overige zone - rest bebouwde kom
Verbeelding bestemmingsplan 'Randzone Ewijk 2021' met globale aanduiding plangebied, bron: ruimtelijkeplannen.nl
1.4 Leeswijzer Dit bestemmingsplan bestaat uit de regels, de verbeelding en deze toelichting. De regels en de verbeelding vormen de juridisch bindende elementen van het bestemmingsplan. De toelichting is als volgt opgebouwd: »
» » » »
In hoofdstuk 2 wordt de gebiedsvisie beschreven. Eerst komt de ruimtelijke structuur van de huidige situatie aan de orde en daarna de ruimtelijke en functionele beschrijving van de nieuwe ontwikkelingen. In hoofdstuk 3 is het ruimtelijk relevante beleidskader van de verschillende overheidslagen weergegeven voor zover dat op het plangebied van toepassing is. In hoofdstuk 4 komen de uitkomsten van de onderzoeken met betrekking tot milieu- en omgevingsaspecten als bodem en archeologie. In hoofdstuk 5 volgt de juridische planbeschrijving. In dit hoofdstuk wordt uiteengezet hoe de juridische regeling is vormgegeven. In hoofdstuk 6 tenslotte komen de economische uitvoerbaarheid en het gevoerde overleg aan de orde.
pagina 6
Hoofdstuk 2
Gebiedsvisie
2.1 Bestaande situatie Ruimtelijk gezien vormt het gebied een overgang van het dorp en dichter bebouwde deel van Ewijk naar het meer landelijke gebied. Het plangebied ligt aan de zuidrand van het dorp Ewijk, op ca. 150m afstand van de kruising Vordingstraat - Koningstraat en ligt op de zuidelijke oeverwal van de rivier de Waal. Dit zijn hoger gelegen, zandige afzettingen van de rivier en vormden van oudsher een ideale vestigingsplaats. Het landschap kenmerkt zich door kleinschaligheid en variatie in bebouwing. De Vordingstraat is ter plekke een klein bebouwingslint bestaande uit (voormalige) agrarische bebouwing met tussenliggende vrijstaande burgerwoonhuizen. De erven bestaan veelal uit kloeke hoofdgebouwen met enkele bijgebouwen, waarbij het hoofdgebouw zich duidelijk naar de weg manifesteert. Door een relatief compacte opzet en de aanwezige erfbeplantingen zijn deze erven duidelijk als afzonderlijke ruimtelijke eenheden te herkennen. In combinatie met de doorzichten naar de open weilanden aan de oostkant van de Vordingstraat dragen zij bij aan de karakteristieke afwisseling van openheid en beslotenheid van de oeverwal. Op dit stuk van de Vordingstraat staan aan weerszijden van de Vordingstraat zomereiken. In de omgeving van het plangebied staat aan de oostzijde - de zijde van het plangebied - een dubbele rij bomen in een bijna 10m brede bermstrook.
Gezamenlijk met de daarnaast liggende watervoerende sloot geeft dit een sterk landelijk karakter.
brede berm met dubbele rij eikenbomen en watergang langs de Vordingstraat, zicht richting Koningstraat
pagina 7
de huidige situatie van het plangebied: een weiland
Aan de overzijde van de Vordingstraat staat De Mariahoeve, een voormalige boerderij en aangewezen als gemeentelijk monument.
De Mariahoeve, Vordingstraat 36, gemeentelijk monument
pagina 8
Eveneens aan de overzijde van de Vordingstraat ligt een waterplas die in eind jaren tachtig van de vorige eeuw is ontstaan door zandwinning. Aan de noordkant van de plas is een nieuwe woonwijk ontstaan.
waterplas aan de overzijde van de Vordingstraat
2.2 Toekomstige situatie Het doel van het bestemmingsplan is de wijziging van de bestemming van agrarisch naar wonen, waarbij de bouw van een vrijstaand woonhuis mogelijk wordt gemaakt. In de proefverkaveling van het toetsingskader historische linten Ewijk (zie ook paragraaf 3.4 hieronder) is ter plekke sprake van de toevoeging van één vrijstaande woning, haaks op de Vordingstraat, in de tweede bebouwingslijn. In deze proefverkaveling wordt aan de straatzijde een zgn. groene kamer voorzien:
proefverkaveling met globale begrenzing plangebied (rode omkadering)
pagina 9
Inpassingsplan De proefverkaveling is uitgewerkt in een inpassingsplan, zie bijlage 1 bij deze toelichting. Hierin is de groene kamer met fruitbomen opgenomen. Door de groene kamer blijft het straatbeeld ter plaatse van de Vordingstraat groen. De bestaande bomen langs de Vordingstraat blijven gehandhaafd, deze staan niet in het plangebied. Tijdens de bouwperiode moeten deze bomen worden beschermd tegen mogelijk schade. Ter plekke is al een inrit, waarmee het perceel goed bereikbaar is, deze inrit is in de bestaande situatie onverhard en zal voor het nieuwe erf verhard gaan worden. Langs de zijdelingse grenzen van het kavel wordt een haag geplant. De westelijke haag krijgt een breedte van tenminste 1m zodat dit een robuust landschapselement wordt, aan te planten in gebiedseigensoorten als meidoorn of haagdoorn. Een alternatief kan zijn een bredere strok van ca. 2 tot 3m met inheemse struiken in diverse soorten als een gemengde haag. Dit geeft meer biodiversiteit en minder onderhoud. Ter borging van de inrichting van het perceel is dit inpassingsplan ook in de regels van dit bestemmingsplan opgenomen.
Legenda
U O
nieuw aan te leggen halfvetharding o4 gebakken matetiaal nieuwte planten fruitbomen i hoog of mldde9ioog fruitbomen)
nieuw te planten solitair nieuw te planten luagţtrurturen oťerfafsohetding
Project: 2IT06 Onderwerp: inrichtingsplan Vordingstraat tussen 43 en 45 a Schaal: Formaat: Datum:
1500 A3 10-01-2023
inrichtingsplan, zie ook bijlage 1
Het bouwvlak van de nieuwe woning heeft een ruime afstand tot de straat. De positie is haaks op de straat, zodat doorzichten langs de woning gehandhaafd blijven. Conform het toetsingskader historische linten Ewijk krijgt de woning - het hoofdvolume - een eenduidige, rechthoekige vorm met een lage goot. Bijgebouwen zijn mogelijk vanaf 1 meter achter de voorgevel van de woning.
pagina 10
Schetsontwerp De gemeente Beuningen heeft voor alle plannen in de linten van Ewijk een beeldkwaliteitsplan laten opstellen, deze is als bijlage 9 aan deze toelichting toegevoegd. Het ontwerp voor de nieuwe woning dient passend te zijn binnen dit beeldkwaliteitsplan. Voor de nieuwe woning is een schetsontwerp gemaakt:
schetsontwerp nieuw woonhuis, voorgevel
schetsontwerp woonhuis, zijgevel, bron: Pieter Oosterhout Buro voor Architektuur BNA
Verbeelding De positie van de woning is vastgelegd in de verbeelding van dit bestemmingsplan door opname van een bouwvlak:
pagina 11
verbeelding van het nieuwe bestemmingsplan
Toegangsinrit en parkeren De huidige inrit ligt aan de noordkant van het perceel, dit blijft ongewijzigd. Er wordt op eigen terrein geparkeerd, daarvoor is voldoende ruimte aanwezig.
pagina 12
Hoofdstuk 3
Beleidskader
3.1 Algemeen In dit hoofdstuk worden kort de algemene ruimtelijke relevante beleidskaders beschreven, waarbinnen de ruimtelijke ontwikkeling zijn plek krijgt.
3.2 Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de opvolger van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), waarin het Rijk een lange termijn visie geeft op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt keuzes te maken. Bij de afweging van keuzes wordt bij voorkeur gekozen voor slimme combinaties van functies, wordt uitgegaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden en worden beslissingen niet uitgesteld of doorgeschoven. De nationale belangen en opgaven waarop het Rijk wil sturen en richting wil geven, komen samen in de volgende vier prioriteiten: » » » »
Ruimte maken voor klimaatadaptatie en energietransitie; De economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden; Steden en regio's sterker en leefbaarder maken Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen.
Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de prioriteiten uit de NOVI. De NOVI vormt geen belemmering voor dit plan. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) borgt een aantal van de nationale ruimtelijke belangen die deel uitmaken van het beleid, zoals beschreven in de voorganger van de NOVI, oftewel de SVIR. Op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt, vervalt het Barro. De regels van het Barro worden dan vervangen door het Besluit kwaliteit leefomgeving (BKL). Het BKL wordt de uitwerking, in regelgeving, van het beleid dat in de NOVI staat. Zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is, is het Barro nog van toepassing. In het Barro, ook wel bekend als de AMvB Ruimte, zijn 14 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in provinciaal beleid en gemeentelijke bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro voor de opgenomen onderwerpen regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden. Daarnaast kan zij aan de gemeente opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. Planspecifiek Voor onderhavig plangebied zijn geen specifieke doelstellingen geformuleerd. Het Barro is niet specifiek van toepassing op het plangebied.
Daarentegen is, op basis van de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro), het pagina 13
plangebied wel gelegen binnen een tweetal 'radar verstoringsgebieden'. Eén vanwege windturbines en één vanwege het radarstation op vliegbasis Volkel. Aangezien objecten met een grote hoogte aanleiding kunnen geven tot verstoring van het radarbeeld, moet ter plaatse van de betreffende radar verstoringsgebieden voor obstakels, hoger dan respectievelijk 90 m en 114 m boven N.A.P., worden berekend of er verstoring van de radar optreedt. Met de in onderhavig plan opgenomen hoogtebeperkingen wordt geen bebouwing hoger dan 90 m mogelijk gemaakt. Zodoende vormen de radar verstoringsgebieden geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. Ladder duurzame verstedelijking De in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geïntroduceerde 'ladder voor duurzame verstedelijking' is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet in de toelichting een onderbouwing opgenomen worden van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.
De ladder worden in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven: 'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.' In het kader van de duurzame ladder wordt ten aanzien van de definitie van bestaand stedelijk gebied de definitie uit de Bro gehanteerd: 'bestaandstedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.'Volgens de nota van toelichting bij het Bro moet worden bekeken of door het benutten van leegstaande verstedelijkingsruimte in bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien in de behoefte. Zoals ook volgt uit onder andere de uitspraak met het nummer 201303578/1/R4 kunnen, naar het oordeel van de Raad van State, planologische mogelijkheden waarvan nog geen gebruik is gemaakt, als leegstaande verstedelijkingsruimte worden aangemerkt. Een dergelijke locatie wordt gezien als onderdeel van het bestaand stedelijk gebied.
Conform actuele jurisprudentie wordt een ontwikkeling van 12 woningen of meer gezien als stedelijke ontwikkeling. Planspecifiek Onderhavig initiatief betreft het realiseren van maximaal één extra burgerwoning. Daarmee is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en hoeft niet worden getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Conclusie In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding.
3.3
Provinciaal beleid
Algemeen Op 19 december 2018 heeft het college van Gedeputeerde Staten de 'Omgevingsvisie Gaaf Gelderland' vastgesteld. De bijbehorende geactualiseerde 'Omgevingsverordening Gelderland (maart 2021)' heeft het college van Gedeputeerde Staten op 31 maart 2021 vastgesteld. In de pagina 14
Omgevingsvisie staan de hoofdlijnen van het beleid en in de Omgevingsverordening de regels en afspraken om de opgaven uit de Omgevingsvisie te realiseren. De Omgevingsvisie en -verordening zijn dynamische instrumenten. Doordat wetten veranderen of door de komst van nieuwe initiatieven, kijkt de provincie twee keer per jaar of de plannen moeten worden aangepast. Omgevingsvisie Gaaf Gelderland De wereld verandert ingrijpend en er komt veel op de inwoners van Gelderland af. Het energievraagstuk, klimaatverandering, uitputting van grondstoffen, kwetsbare biodiversiteit, digitalisering, internationalisering. Deze zaken vragen stevige antwoorden en oplossingen als investering in de toekomst. Met de schaarse ruimte en de vele uiteenlopende belangen en inzichten gaat dit niet vanzelf. We moeten samen keuzes maken over de voorliggende vraagstukken en de betekenis daarvan voor de inrichting van Gelderland. In onderling overleg zoeken naar synergie, samenhang en uitruilmogelijkheden. Daarom zet de provincie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Om Gelderland voor mensen en bedrijven aantrekkelijk te houden, is de kwaliteit van de leefomgeving van groot belang, zoals goed bereikbare voorzieningen, aansprekende evenementen, unieke cultuurhistorie, inspirerende culturele voorzieningen en een mooie natuur. Ook goed wonen hoort daarbij.
Gelderland heeft op woongebied een bijzondere positie met uiteenlopende stedelijke en landelijke woonkwaliteiten. Om het landschap open, groen en het voorzieningenniveau op peil te houden en leegstand te voorkomen, is bouwen binnen bestaand verstedelijkt gebied het vertrekpunt. De provincie geeft de voorkeur aan het benutten van bestaande gebouwen en het concentreren van bebouwing. Pas als er geen andere goede mogelijkheden zijn, kan er aan de randen van steden of dorpen uitgebreid worden. De dynamiek op de woningmarkt is groot. Mensen worden ouder, wonen steeds langer alleen en zelfstandig, worden steeds meer energiebewust en zijn mobieler dan vroeger, waardoor ze ook meer en makkelijker verhuizen. Het grootste deel van de woningen die in 2050 in Gelderland nodig zijn, staat er al. Maar deze woningen zijn niet klaar voor de toekomst en moeten aangepast of vervangen worden. Voor de provincie staat een goede balans tussen de vraag en aanbod van woningen in verschillende prijscategorieën voorop, ook voor specifieke doelgroepen. De meeste woningen zijn verre van energieneutraal en klimaatbestendig. De provincie stimuleert innovaties op dit terrein, zoals het aardgasloos maken van bestaande woningen en het verduurzamen van woonwijken. Daarnaast is de provincie met haar partners in gesprek over hoe het vraagstuk van klimaatadaptatie en wonen slimmer aangepakt kan worden.
Voldoende groene ruimte, koele plekken, opvang van water in het licht van de klimaatverandering is immers van belang, zeker met het oog op de gezondheid van de Gelderlanders. Planspecifiek Onderhavig initiatief betreft het wijziging van een agrarische bestemming naar een woonbestemming en voorziet daarmee niet in een nieuwe ontwikkeling welke moet worden getoetst aan de doelstellingen van de omgevingsverordening van de provincie Gelderland. De beoogde ontwikkeling sluit aan bij het vertrekpunt dat zoveel mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied gebouwd wordt. Het plangebied ligt namelijk binnen de 'kernrandzone' van Ewijk, in de 'rest bebouwde kom', langs een lint met relatief veel bebouwing. Bovendien wordt met de onderhavige
pagina 15
ontwikkeling één extra woning toegevoegd, vandaar dat deze nieuw te bouwen woning is afgestemd in het woningbouwprogramma, zie hiervoor paragraaf 3.4, gemeentelijk beleid. Daarnaast wordt de nieuwe woning, aansluitend op de provinciale duurzaamheidsambities, zonder aardgasaansluiting en zoveel mogelijk zelfvoorzienend gerealiseerd. De Omgevingsvisie doet verder geen specifieke uitspraken die van belang zijn voor de voorliggende ontwikkeling. De Omgevingsvisie vormt daarom geen belemmering voor de nieuw te bouwen vrijstaande burgerwoning. Conclusie Het bestemmingsplan is passend binnen de provinciale beleidskaders.
3.4 Gemeentelijk beleid Woonvisie De gemeenteraad heeft de woonvisie voor de periode 2018 - 2023 op 19 december 2017 vastgesteld. De Woonvisie vormt de basis voor het woningbouwprogramma in de komende jaren, afstemming met de buurgemeenten en prestatieafspraken met Woonwaarts. De woonvisie gaat uit van een vitaal, zorgzaam en duurzame gemeente. In de toekomst (stip op de horizon circa 2030) bestaat de gemeente uit dorpen waarin het fijn wonen is voor mensen, ongeacht hun leeftijd, inkomen, mobiliteit of gezondheid. Kernen in een rustige, groene omgeving met de kracht van de nabijheid en bereikbaarheid van werk en voorzieningen in de stedelijke agglomeratie. De kernen zijn aantrekkelijke, duurzame en gezonde leefgemeenschappen, passend bij de (veranderende) vraag van de consument. De gemeente Beuningen is een bewuste keuze voor jonge gezinnen die de stad verlaten om in de gemeente rust en ruimte te zoeken, alsmede voor ouderen en zorgbehoevenden die in de gemeente willen blijven wonen. Met duurzame en zorgzame woonmilieus beschikt Beuningen over een onderscheidend, kwalitatief hoogwaardig palet aan woonmilieus in de regio. Voor de gemeenten Berg en Dal, Beuningen, Druten, Heumen, Mook en Middelaar, Nijmegen en Wijchen is sinds 15 december 2020 de nieuwe gezamenlijk regionale 'Woonagenda Nijmegen e.o. 2020-2030' van kracht.
Op basis van een analyse van de regionale behoefte, kunnen in de regio gedurende de looptijd van de agenda circa 20.500 woningen worden gebouwd. Voor Beuningen komt dit neer op circa 1.325 woningen. Planspecifiek Het plan betreft de toevoeging van één burgerwoonhuis. Het plan past kwantitatief zowel binnen de woonvisie alsmede binnen het gemeentelijke woningbouwprogramma van 1.325 woningen (en daarmee binnen de subregionale woonagenda). Kwalitatief sluit de bouw van de woning aan bij de behoefte om op eigen grond een woning te kunnen bouwen (particulier opdrachtgeverschap) en met de ontwikkeling van de linten wordt voorzien in een specifiek woonmilieu. Hiermee is het initiatief passend binnen de gemeentelijke woonvisie. Toetsingskader Historische Linten Ewijk In de vergadering van 19 december 2017 heeft de gemeenteraad het besluit genomen om bouwen in de linten van Ewijk mogelijk te maken, waarbij de uitgangspunten door het college zijn uitgewerkt in een toetsingskader. Het college van burgemeester en wethouders heeft dit toetsingskader met spelregels op 16 april 2019 vastgesteld. Op basis van het toetsingskader zijn de bestaande en pagina 16
mogelijk toekomstige bouwinitiatieven nader uitgewerkt. Het gaat daarbij zowel om de stedenbouwkundige opzet, de cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten alsmede de beeldkwaliteit. Het toetsingskader biedt een overzicht aan spelregels die dienen als leidraad voor bouwinitiatieven. Hiermee wil de gemeente duidelijk aanwezige kwaliteiten bewust conserveren en potentiele bouwers inspireren. Het toetsingskader is een inspiratiedocument dat laat zien hoe de linten ontwikkelt zouden kunnen worden. Het vastleggen als blauwdruk gaat voorbij aan het organische karakter en de spontaniteit en toevalligheid van de linten. Over het besef van kwaliteit van de oude linten van Ewijk is geen discussie. Met het 'bevriezen' van deze fase van de linten wil de gemeente de huidige kwaliteiten behouden; namelijk het spel tussen gevarieerde bebouwing en 'lucht', de doorzichten naar het landschap. Hierbij zijn de huidige kenmerken uitgangspunt voor verdere ontwikkeling van het gebied. Er is ruimte voor enige verdichting, maar in beperkte mate. Om de kwaliteiten te kunnen behouden en tegelijkertijd ontwikkeling mogelijk te maken zijn de belangrijkste doorzichten op het achterland vastgelegd, de zogenaamde vista's.
Deze vista's verankeren de linten met zijn omgeving door op een aantal plaatsen zicht te geven op het bestaande Ewijk, nieuw te ontwikkelen gebieden van Ewijk en het agrarische 'lege' achterland. Als contramal van de vista's in de oude linten is daarnaast ook een bepaalde 'dikte' van de verkaveling met bouwpercelen en boerenerven te zien. Achter deze verkaveling met de oorspronkelijke boerenerven en tal van bijbehorende gebouwen liggen de open velden. Deze dikte en de daarachter gelegen openheid maken het karakter van het landelijke lint. Samen vormen deze zaken het groene raamwerk. Planspecifiek De navolgende kaart laat het groene raamwerk rond de linten zien. De noordzijde van het plangebied is aangeduid als kleine groene kamer. Met een groene kamer wordt in het toetsingskader de afwisseling in bebouwing en "lucht" bedoeld, in de vorm van afwisselend een weitje, boomgaard of moestuin. Een groene kamer is altijd onderdeel van een (particulier) erf en draagt bij aan een interessant, speels beeld van verspringende rooilijnen en geeft ruimte op plekken waar het lint vrij smal is. De specifieke uitwerking van de beoogde groene kamer in het onderhavige bestemmingsplan is opgenomen in de landschappelijk inpassing (zie ook paragraaf 2.2 hierboven).
pagina 17
Uitsnede kaart Groene Raamwerk met globale aanduiding plangebied (rode omkadering)
De navolgende kaart laat de rode contramal rond de linten zien. Ter plaatse van het plangebied is sprake van een nieuwe toegevoegde dikte van het lint, in lijn met het naastgelegen woonerf Vordingstraat 43:
pagina 18
De navolgende kaart laat een overzicht zien van de gemeentelijke en particuliere gronden, waar mogelijk in de toekomst ontwikkeld kan worden langs de linten. Het plangebied is particuliere grond, en komt in eigendom van de initiatiefnemer. Het is weergegeven als ontwikkellocatie waar één extra woning mag worden toegevoegd.
Uitsnede kaart Mogelijk te ontwikkelen gronden, met globale aanduiding plangebied (rode omkadering)
De onderstaande proefverkaveling laat een mogelijke opzet van de verkaveling zien. Belangrijk hierin zijn de dwarssituering van de nieuwe woning, de open ruimte ten noorden van de woning in de vorm van een groene kamer en de sloot langs het lint. Vandaar dat deze aspecten zijn geborgd in het onderhavige bestemmingsplan en zijn opgenomen in de landschappelijke inpassing. půitìatŭwiĩ pond Vcrdifíįŗītfìiot ļņt/īĄĵ
Proefverkaveling met globale aanduiding plangebied (rode omkadering)
pagina 19
De beoogde ontwikkeling voldoet aan het 'Toetsingskader Historische Linten Ewijk'. Het plangebied is aangewezen als locatie voor verdichting van het lint in de vorm van woningbouw en de beoogde ontwikkeling sluit aan bij de uitgangspunten die zijn opgenomen in de proefverkaveling. Beeldkwaliteitsplan Voor alle plannen in de linten van Ewijk heeft de gemeente Beuningen een Beeldkwaliteitplan historische linten Ewijk op laten stellen, zie bijlage 1 van de regels van dit bestemmingsplan. Het ontwerp van de nieuwe woning zal worden getoetst aan dit beeldkwaliteitplan. Landschapsontwikkelingsplan In het landschapsontwikkelingsplan 'Landschap in beweging' (december 2006) voor de gemeente Beuningen, Druten en Wijchen wordt voor het deelgebied 'Waaloeverwal', waarbinnen het plangebied valt, een uitvoerige lijst met richtlijnen voor beeldkwaliteit van erven gegeven. Navolgend is een relevante selectie van deze richtlijnen opgenomen: » » »
» » »
Het streven naar een erf met een landelijk karakter; Het creëren van samenhang tussen bebouwing en beplanting op het erf; Het gebruiken van streekeigen, inheemse beplantingen, met royale afmetingen en voldoende ruimte om te groeien, die passen bij de maat en schaal van de bebouwing en het betreffende landschapstype; Het niet gebruiken van coniferen als erfafscheiding. Dit is geen inheemse beplanting, heeft weinig natuurwaarden en draagt niet bij aan de beleving van verschillende seizoenen; Het beperken van harde materialen zoals verharding, verlichting, hekwerken en paardenbakken; Het rond woonhuizen gebruikmaken van traditionele verhardingen, zeker waar deze in het oog springen, zoals grind en klinkers.
Het kleinschalige samenspel van bebouwingslinten, dorpen, weiden en boomgaarden in onregelmatige patronen is uitgangspunt bij ontwikkelingen, evenals de zeer groene uitstraling door erfbeplantingen, hagen en wegbeplantingen. Doelstellingen op de Waaloeverwal zijn daarbij onder andere: » » »
Het behouden en versterken van kleinschaligheid; Het toestaan van kleinschalige bebouwing; Het handhaven van groene zones tussen dorpen.
Planspecifiek Vanwege de ligging op de overgang van de bebouwde kom naar het buitengebied vindt er een extra kwaliteitsimpuls plaats op het gebied van landschappelijke inpassing. In aansluiting op het landschapsontwikkelingsplan bestaat alle nieuwe beplanting in het plangebied uit streekeigen, inheemse soorten en past de inpassing binnen de uitgangspunten van het beleid.
Conclusie Het initiatief past binnen het gemeentelijke beleid.
pagina 20
Hoofdstuk 4 4.1
Milieu- en omgevingsaspecten
Algemeen
Diverse wetten en beleidsregels schrijven voor dat er nader onderzoek gedaan moet worden naar de effecten van een voorgestelde ruimtelijke ingreep. In dit hoofdstuk worden de resultaten van de diverse onderzoeken weergegeven.
4.2
Bedrijven en milieuzonering
Indien door middel van een plan nieuwe, milieuhindergevoelige functies mogelijk worden gemaakt, dient te worden aangetoond dat deze niet worden gerealiseerd binnen de hinderzone van omliggende bedrijven. Anderzijds mogen milieuhindergevoelige functies in de directe omgeving van het plangebied niet negatief worden beïnvloed door de ontwikkelingen die met een plan mogelijk worden gemaakt. Wat betreft de aanbevolen afstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uit 2009 van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG richtlijn) geraadpleegd. Hierin worden richtafstanden voor zowel het omgevingstype 'gemengd gebied' als 'rustige woonwijk' aanbevolen. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een rustige woonwijk en buitengebied komen vrijwel geen andere functies voor. De richtafstanden gelden voor een gemiddeld nieuw bedrijf en gaan uit van het gebiedstype 'rustig woongebied'. Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd met één stap. De omgeving van het plangebied kan worden gekenmerkt als een rustig woongebied. Het plan maakt een nieuwe milieugevoelige functie mogelijk in de vorm van wonen.
Uitsnede verbeelding bestemmingsplan met aanduiding van het plangebied. De bestemmingsvlakken voor wonen zijn geel, het paarse vlak is een bedrijfsbestemming (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
pagina 21
Bedrijven in de omgeving In de omgeving is een bedrijf aanwezig, te weten: Vordingstraat 37 - opslag van auto's - Milieucategorie: 2 - Richtafstand: 30 meter (rustig woongebied) - Afstand tot plangebied: 130 meter Conclusie De aanwezige inrichtingen en bedrijven in de omgeving van het plangebied worden, als gevolg van dit bestemmingsplan, niet in hun bedrijfsvoering geschaad. Andersom geldt dat de beoogde woning geen overlast ondervindt van bedrijvigheid. Er is dus sprake van een goede woon- en leefomgeving vanuit het oogpunt van milieuzonering. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor dit plan.
4.3 Bodem Voor de ontwikkeling is een verkennend milieukundig bodemonderzoek, zie bijlage 1. Voor zover bekend is het perceel altijd in gebruik geweest voor agrarische doeleinden en is niet bebouwd geweest. In de vorige eeuw heeft er een aantal decennia fruitteelt op de locatie plaats gevonden. De bodem is onderzocht met een standaardpakket en daarnaast op organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB's) vanwege de fruitteelt uit het verleden. In de analyses van de monsters zijn geen verontreinigingen aangetoond.
pagina 22
boorpunten kaart van het milieukundige bodemonderzoek
Conclusie De milieukundige bodemkwaliteit levert geen belemmeringen op voor de bouw van een woning. Wanneer er grond van de locatie vrijkomt, dan kan deze niet zonder meer elders worden toegepast. Op hergebruik van grond is het Besluit bodemkwaliteit van toepassing.
4.4 Wegverkeerslawaai Wonen is een geluidsgevoelige functie ingevolge de Wet geluidhinder (Wgh). In de Wgh (art. 74 lid 1) is bepaald dat elke weg van rechtswege een zone heeft. Een zone is het akoestisch aandachtsgebied. Volgens de Wgh bevinden zich langs alle wegen wettelijke geluidzones, met uitzondering van woonerven, 30km^ur gebieden en wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveaukaart blijkt dat de geluidsbelasting op 10m uit de meest nabij gelegen wegas 48dB of minder bedraagt. Indien de zone van de weg een overlap kent met het plangebied, is een akoestisch onderzoek (Wgh art. 76 lid 1) noodzakelijk en dient de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting in acht te worden genomen. De breedte van deze zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk), zie navolgende tabel. Aantal rijstroken 5 of meer 3 of 4 1 of 2
Stedelijk gebied 350 meter 350 meter 200 meter
Buiten stedelijk gebied 600 meter 400 meter 250 meter
De locatie is binnenstedelijk en omliggende wegen hebben 1 of 2 rijstroken, de in aanmerking te nemen zone is 200 meter. Op deze wegen geldt een maximum snelheid van 30km^ur. pagina 23
Conclusie Het plangebied ligt niet binnen de geluidscontour van een weg met een snelheidsregime van 50 km/u of meer, de Vordingstraat en andere straten in de directe omgeving kennen een snelheidsgrens van maximaal 30km^ur. Daarom hoeft er geen akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd te worden voor de beoogde woning in het plangebied. Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.5
Luchtkwaliteit
Op 15 november 2007 is een nieuw wettelijk stelsel voor luchtkwaliteitseisen van kracht geworden. Dit is opgenomen in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2, Wm). Artikel 5.16 Wm (eerste lid) geeft aan hoe en onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden kunnen uitoefenen in relatie tot luchtkwaliteitseisen. Als aannemelijk is dat aan één of een combinatie van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een project leidt - al dan niet per saldo - niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een project draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de concentratie van een stof; d. een project is genoemd of past binnen het NSL of binnen een regionaal programma van maatregelen. Onderdeel c. is uitgewerkt in het Besluit en Regeling "niet in betekenende mate bijdragen" (NIBM). Voor woningbouwlocaties is als NIBM-grens aangegeven dat locaties kleiner of gelijk aan minder dan 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg niet in betekenende mate bijdragen. Dit plan voldoet hier ruim aan en draagt dus niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Nadere toetsing is volgens de Regeling NIBM niet noodzakelijk.
Conclusie Dit plan voldoet ruim aan het Besluit en Regeling "niet in betekenende mate bijdragen" aan de luchtverontreiniging. Nadere toetsing is volgens de Regeling NIBM niet noodzakelijk.
4.6
Externe veiligheid
Onder externe veiligheid wordt verstaan het beheersen van risico's die voortvloeien uit de opslag, productie, het gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Voor (de omgeving van) de meeste risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. In artikel 1 van het Bevi is bepaald wat kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten zijn. In het besluit zijn ook het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gedefinieerd. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn veiligheidsafstanden opgenomen tot risicobronnen. Aanvullend zijn in het Vuurwerkbesluit en het Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer (Barim) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Daarnaast is voor de omgeving van transportassen de Wet Basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Btev) recentelijk inwerking getreden. Voor buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. In het Bevb is opgenomen, dat wanneer een nieuwe ontwikkeling in het invloedsgebied plaatsvindt (door middel van onder andere een bestemmingsplanwijziging) onderzocht dient worden of de ontwikkeling binnen het plaatsgebonden risico van pagina 24
10-6/jr komt te liggen en dat het groepsrisico bepaald dient te worden. Kwetsbare objecten mogen niet binnen de PR 10-6 contour liggen. De contour van 10-6 voor het plaatsgebonden risico betekent de afbakening van een gebied waarbinnen een risico groter is dan 1 op 1 miljoen waarbij een denkbeeldige persoon die permanent op de betreffende plek aanwezig is, dodelijk verongelukt door een ongeluk. Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Planspecifiek: Het plan betreft de toevoeging van één woonhuis, woningen zijn gedefinieerd als kwetsbare objecten in het Bevi. Op grond hiervan moeten mogelijke risico's in de omgeving van het plangebied worden bezien. Inrichtingen c.q. bedrijven Op bedrijventerrein Schoenaker (buiten het plangebied) is het bedrijf InterCheM gelegen met een veiligheidsrisico als bedoeld in het Bevi, waarvan het invloedsgebied tot in het plangebied reikt.
Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet gekeken worden naar de ligging van de10-6Zjaar plaatsgebonden risicocontour. Nieuwe kwetsbare bestemmingen mogen niet binnen deze plaatsgebonden risicocontour worden geplaatst. Het plangebied ligt met een afstand van circa 970 m ruimschoots buiten de plaatsgebonden risicocontour van InterCheM. Tevens betekent deze afstand dat de toevoeging van één woning geen significante bijdrage levert aan het groepsrisico en zodoende een verantwoording niet aan de orde is. In de nabijheid van het plangebied zijn verder geen bedrijven aanwezig waarvan het invloedsgebied tot in het plangebied reikt. Vervoer van gevaarlijke stoffen Het plangebied is op circa 630 m van de rijksweg A50 gelegen. De 10-6 plaatsgebonden risicocontour wordt vanuit de as van de weg gemeten en bedraagt 13 m. Van een groepsrisicoplafond is geen sprake. Het plasbrandaandachtsgebied bedraagt 30 m uit de zijkant van de weg. Deze zones liggen allemaal buiten het plangebied. Het plangebied is niet gelegen in de directe nabijheid van een spoorlijn of vaarweg. Vervoer van gevaarlijke stoffen door een buisleiding Het plangebied ligt circa 1,1 km van twee aardgastransportleidingen: één van 36 inch en één van 42 inch. Voor deze buisleidingen geldt dat de 10-6/jaar plaatsgebonden risicocontour 0 m bedraagt.
De maatgevende leiding heeft een inventarisatieafstand van 490 m in het kader van het groepsrisico. Het plangebied ligt niet binnen deze afstand. Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.
pagina 25
Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen. Aan nieuwe woningen worden hoge eisen gesteld aan kierdichtheid. Indien desalniettemin bij een toxische wolk wordt besloten het gebied te ontruimen, is het van belang dat personen haaks op de wolk kunnen vluchten. Hiervoor is het nodig dat er haaks op elkaar staande vluchtwegen beschikbaar zijn, die van de bron af gericht zijn. De bestaande wegen rond het plangebied zijn geschikt om haaks op een wolk vanaf de bronnen te kunnen vluchten. De mogelijkheden om op eigen kracht te kunnen vluchten nemen toe door (nood)uitgangen en vluchtroutes zoveel mogelijk loodrecht van de bronnen af te richten. Op die manier worden vluchtende personen afgeschermd door de bebouwing zelf. De inrichting van het plangebied heeft geen invloed op de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen ter plaatse van de risicobron.
Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid bij een zwaar ongeval ter hoogte van de bronnen. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan gesteld hoeven te worden in het kader van het aspect externe veiligheid. Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
pagina 26
kaart inrichtingen, transportwegen en - leidingen + risicocontour in de omgeving van het plangebied, bron: atlas voor de leefomgeving
Conclusie Op grond van het aspect externe veiligheid is er geen bezwaar voor de wijziging van de bestemming van agrarisch naar wonen en de toevoeging van één woonhuis.
4.7 Geur Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt in eerste instantie het wettelijk kader bij de beoordeling van een aanvraag om een milieuvergunning voor dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft hiervoor geurbelastings- en afstandsnormen in relatie met geurgevoelige objecten in de nabijheid van de (geprojecteerde) veehouderij. De Wgv heeft betrekking op twee aspecten. Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging ten behoeve van een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad. De hindercontour volgt uit het Besluit landbouw milieubeheer en betreft 100 meter tussen inrichting en geurgevoelig object categorie I of II en 50 meter tussen inrichting en geurgevoelig object categorie III, IV of V.
pagina 27
Planspecifiek: In de nabijheid van het plangebied is geen veehouderij gevestigd. Het meest nabij is Koningstraat 39 Ewijk hier is een kalvermesterij gevestigd. Dit bouwvlak ligt op meer dan 500m hemelsbreed verwijderd van het plangebied, deze afstand is ruimschoots verder dan de minimale voorgeschreven afstand van 100m op grond van het aspect geur voor het fokken en houden van rundvee (VNGrichtlijn, zie paragraaf 4.2 hierboven). Conclusie: Vanuit de Wet geurhinder en veehouderij is er geen bezwaar voor de wijzigng van de bestemming van agrarisch naar wonen en de toevoeging van een woonhuis.
4.8
Waterhuishouding
Regelgeving Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland. Voor het plangebied is het volgende waterhuishoudkundige beleid van toepassing: » » »
»
Rijksbeleid: Waterwet, Nationaal Waterplan 2016 - 2021, Waterbeleid in de 21e eeuw en Nationaal Bestuursakkoord Water; Provinciaal beleid: Omgevingsvisie Gelderland; Waterschapsbeleid: Watervisie 2050, Waterbeheerprogramma 2022 - 2027 'Versterken, Verbinden, Vergroenen', Nota riolering 'Samen door één buis' (2019) en de Keur voor waterkeringen en wateren; Gemeente: Gemeentelijk riool- en waterplan 2018 - 2022.
Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert de overheid het volgende criterium met betrekking tot het duurzaam omgaan met water: Doordat een toename van het verhard oppervlak ertoe leidt dat het afvoerverloop niet meer natuurlijk is, is het beleid erop gericht het regenwater zoveel mogelijk te infiltreren naar het freatisch grondwater, waardoor een meer natuurlijk afvoerverloop ontstaat. Dit vertaalt zich in de volgende richtlijnen: 1.
2.
3.
Nieuwe plannen moeten voldoen aan het principe van het 'hydrologisch neutraal' bouwen. Hierbij moet de hydrologische situatie, voor wat betreft de afvoer van hemelwater, minimaal gelijk blijven aan de oorspronkelijke situatie. De oorspronkelijke landelijke afvoer (naar het oppervlaktewater) mag niet overschreden worden. In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht moet worden hoe met het schone hemelwater omgegaan kan worden. Bij alle nieuwbouwplannen moet (vuil) afvalwater en (schoon) hemelwater gescheiden worden behandeld. Het schone en vuile water worden daarbij apart aangeleverd aan de riolering of, indien mogelijk, wordt het schone water aan de natuur teruggegeven. Dit is ook het geval als in openbaar gebied nog steeds een gemengd rioolstelsel aanwezig is.
Bij de inrichting, het bouwen en het beheer moeten zo min mogelijk vervuilende stoffen aan het bodem- en oppervlaktewatersysteem worden toegevoegd. Hierbij verdient het materiaalgebruik speciale aandacht: uitloogbare of uitspoelbare bouwmaterialen moeten worden vermeden om watervervuiling te voorkomen.
pagina 28
Beleid Waterschap Rivierenland Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 'Versterken, Verbinden, Vergroenen' beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022 - 2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogamma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van het Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema's: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van deen goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit. Keur: Voor het lozen van overtollig hemelwater op het oppervlaktewater, hetzij rechtstreeks, hetzij via een bestaande of een nieuwe inrichting (zoals een regenwaterriool), is een watervergunning noodzakelijk. Daarnaast moeten in die gebieden die onderhevig zijn aan rivierkwel de effecten van de voorgenomen plannen op de kwel in beeld worden gebracht. Indien compensatie is vereist, dan hanteert Waterschap Rivierenland de volgende twee ontwerpbuien ten aanzien van de benodigde bergingscapaciteit: »
»
De T^0 +10% neerslag. Hierbij mag het peil (van het oppervlaktewater) niet meer dan 0,2 of 0,3 m stijgen, afhankelijk van het deelgebied waarin de ontwikkeling plaats vindt. Vuistregel hierbij is 436 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 43,6 mm. De T^00 +10%-neerslag. Hierbij is een peilstijging toegestaan tot laagste putdekselhoogte op wijkniveau. Daarbij geldt als vuistregel dat er 436m3 waterberging nodig is per hectare verharding. Deze vuistregel geldt alleen bij waterberging in open water. Voor watercompensatie in kunstmatige voorzieningen, zoals bijvoorbeeld wadi's of kratten, geldt als vuistregel dat er 664m3 waterberging nodig is per hectare verharding.
Om te voorkomen dat individuele bewoners voor kleine voorzieningen zoals serres, tuinschuurtjes, enkele woning, etc. moeten compenseren geldt er een eenmalige vrijstelling van 500m2 voor stedelijk gebied en 1.500m2 voor landelijk gebied. (Voor kleinere oppervlaktes hoeft niet te worden gecompenseerd, bij grotere oppervlaktes mogen de vrijgestelde oppervlaktes daarop in mindering worden gebracht.)
Uitgangspunten gemeente Gemeentelijk riool- en waterplan 2018 - 2022 De gemeenteraad heeft het Gemeentelijk Riool- en waterplan in januari 2018 vastgesteld. Hierin is het beleid voor de zorgplicht voor het afvalwater, het afvloeiend hemelwater en het grondwater vastgelegd. Samengevat hieruit het volgende: In 2020 moeten gemeenten verankerd hebben hoe ze omgaan met waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hittestress. Rioolsystemen (ondergronds) hebben bij hevige buien niet altijd voldoende capaciteit voor de afvoer en berging van het hemelwater. Voor het borgen van een adequate afvoer en berging van het hemelwater moet ook gebruik worden gemaakt van de inrichting van de openbare ruimte (bovengronds). Daarmee wordt de gemeentelijke zorgplicht meer bovengronds zichtbaar in wegen en groen en is de relatie met ruimtelijke ordening, openbare ruimte en vergunningverlening cruciaal. pagina 29
Het klimaatbestendig maken van stedelijk gebied vergt bewuste keuzes bij stedelijke inrichting en stedelijke activiteiten. Bij nieuwe ruimtelijke plannen is een klimaatbestendige en water robuuste inrichting van groot belang. Ruimtelijke functies moeten onderling op elkaar afgestemd zijn en de ruimtelijke effecten op waterhuishouding (en vice versa) moeten vastgelegd worden in een bestemmingsplan of omgevingsplan. Het uitgangspunt is dat de perceelseigenaar zelf het regenwater moet verwerken. Hierdoor komt er minder regenwater in het riool terecht, wat ten goede komt aan de werking van de zuiveringsinstallatie. Als verwerking op eigen terrein in redelijkheid niet mogelijk is, dan kan het overtollige regenwater afgevoerd worden naar het openbare terrein, al waar het afvoeren de verantwoordelijkheid van de gemeente is. Planspecifiek: Het plangebied is in de huidige situatie een onbebouwd weiland. De bestemming wordt gewijzigd van agrarisch naar wonen en er wordt een bouwvlak opgenomen voor de bouw van een vrijstaande woning.
- .
Waterloop: 094358 094358
legger van het waterschap
Aan de noordzijde van het plangebied, langs de Vordingstraat is een A-watergang aanwezig. Deze watergang ligt niet in het plangebied, maar wel de beschermingszone van 4 meter breed aan de zuidzijde. Deze beschermingszone dient in stand en obstakelvrij te worden gehouden. De beschermingszone is opgenomen op de verbeelding van dit plan en in de regels geborgd. Inrit De inrit naar het perceel is in de bestaande situatie een onverharde beduikerde inrit om de Awatergang over te kunnen steken. Het plan voorziet niet in een wijziging van de locatie van de inrit. pagina 30
Bij aanpassing van de inrit, waaronder verharding, dient vooraf vergunning van het Waterschap Rivierenland te worden gevraagd.
foto van de bestaande inrit
Watercompensatie De bebouwing wijzigt door het plan. De bestaande situatie is een onbebouwd weiland. Het plan betreft de bouw van een vrijstaand woonhuis + erfinrichting. Er is een verhardingsbalans opgesteld om te laten zien hoe de bestaande situatie en de toekomstige situatie zich tot elkaar verhouden: Dakoppervlak (m2) Terreinoppervlak (m2) Onverhard (m2) Totaal (m2) Bestaande situatie
0
0
1.600
1.600
Toekomstige situatie
150 woning 120 bijgebouw
200
1.130
1.600
Verschil
+270
+200
-470
Uit de verhardingsbalans blijkt dat de hoeveelheid verhard oppervlak met 470 m2 toeneemt ten opzichte van de bestaande situatie. Tot op heden heeft de initiatiefnemer nog geen gebruik gemaakt van de vrijstelling van 500 m2 in stedelijk gebied, vandaar dat er in principe geen sprake is van een bergingsopgave voor de 470 m2 extra verhard oppervlak. Dit betekent dat er op basis van het beleid van het waterschap geen compensatie hoeft plaats te vinden. Hiervoor zal te zijner tijd een vergunning worden aangevraagd. Indien alsnog gecompenseerd dient te worden, dan is op het perceel ruim voldoende oppervlak aanwezig om een infiltratievoorziening aan te leggen. Bij een toename van de verharding van 470m2 pagina 31
dient open water met een bergingscapaciteit van 20m3 te worden aangelegd (470m2 x 436m3^a) of 31m3 als een wadi of infiltratiekratten (470m2 x 664m3/ha). Bij infiltratiekratten met een diepte van 1m is dat een oppervlakte van 31m2. Onderstaand is op het voorerf een locatie voor te plaatsen kratten aangegeven, het plaatsen van de kratten is hier goed mogelijk.
locatie voor infiltratiekratten op basis van het inrichtingsplan
Afvoer vuilwater en hemelwater Het hemelwater van het verhard oppervlak mag niet afvoeren op het vuilwater rioolsysteem. Voor nieuwbouw wordt door de gemeente en het waterschap hiervoor het beleid gehanteerd van Vasthouden - Bergen - Afvoeren. In dit geval moet het hemelwater op het eigen perceel worden verwerkt, zoals in feite in de bestaande situatie als agrarisch perceel ook het geval is. Het perceel is voldoende groot hiervoor, ook met de nieuwe bebouwing en verharding. Bij de vergunningaanvraag voor de bouw van de woning dient concreet te worden aangegeven hoe wordt voorzien in de verwerking van het hemelwater op het eigen perceel. De afvoer van het vuilwater wordt aangesloten op het riool onder de Vordingstraat, dit is onderdeel van het vrijvervalsysteem. Vooraf aan aansluiting moet het aanlegpeil worden bepaald en hierbij dient rekening te worden gehouden met het peil van de bestaande riolering en de kruising van de watergang (duiker + inrit). Initiatiefnemer is verantwoordelijk voor de aanvraag van een rioolaansluiting. Watertoets De watertoets voor dit plan heeft plaatsgevonden via de Digitale Watertoets van waterschap Rivierenland, zie bijlage 3. Uit deze toets komt de bovengenoemde beschermingszone van de Awatergang naar voren.
De uitkomst van de digitale watertoets is dat de normale procedure voor het plan dient te worden gevolgd en voor advies aan het Waterschap Rivierenland dient te worden voorgelegd.
pagina 32
Grondwater Voor woningen met een kruipruimte geldt een ontwateringsdiepte van 0,7m -mv. Zonder kruipruimte geldt een ontwateringsdiepte van 0,5m -mv. Bij het bouwplan van de woning moet rekening worden gehouden met hoge grondwaterstanden, onder invloed van de waterstanden in de rivier (kwel). Dit kan leiden tot bijvoorbeeld water in de kruipruimte. Conclusie Het aspect 'waterhuishouding' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Het Waterschap Rivierenland heeft instemmend gereageerd op het ontwerp bestemmingsplan, zie hieronder. Bij de uitwerking van het bouwplan zullen de infiltratiekratten nader worden uitgewerkt. Onze eerdere opmerkingen op het voorontwerp bestemmingsplan zijn naar wens uitgewerkt. Wij kunnen dan ook positief adviseren en dienen geen zienswijze in op het plan. Wel geven we graag nog enkele aandachtspunten mee die belangrijk zijn voor de aanvraag van de watervergunning. In dit plan wordt compensatie in infiltratiekratten gerealiseerd. Hierbij is voor de aanvraag van de watervergunning van belang dat er een beheer en onderhoudsplan is waarin conform de voorschriften van de leverancier de aanleg, instandhouding en vereiste onderhoud wordt aangegeven.