CConstaterende datBeuningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 01 Toelichting bestemmingsplan Verlengde Reekstraat 1 Beuningen

Commissie Ruimte 17 september 2024, gemeente BeuningenBij agendapunt: Bestemmingsplan Verlengde Reekstraat 1 Beuningen16.600 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

23 Toelichting bestemmingsplan Verlengde Reekstraat 1 te Beuningen

pensionstalling worden geboden aan circa 56 volwassen paarden. Gemiddeld heeft elke pensionklant twee volwassen paarden op locatie in pension staan. Pensionklanten bezoeken hun paard gemiddeld 3 keer in de week, in tegenstelling tot een manege waar paarden meerdere keren per dag door verschillende ruiters worden bereden. Derhalve kan worden uitgegaan van een verkeersgeneratie van gemiddeld 168 verkeersbewegingen per week en 672 verkeersbewegingen (licht verkeer) per maand. Ten behoeve van de pensionstal worden er tevens primaire en secundaire benodigdheden van en naar de locatie getransporteerd. Dit genereert navolgende verkeersgeneratie: Aanvoer ruwvoer/hooi Als basisregel wordt door de hippische sector geadviseerd 1,5 kg hooi per 100 kilogram lichaamsgewicht te voeren. Een paard weegt gemiddeld 600 tot 700 kg. Dit wil zeggen dat een paard circa 10 kg hooi per dag nodig heeft. Dit wil zeggen dat het bedrijf jaarlijks 204,4 ton hooi gebruikt voor 56 paarden. Op een vrachtwagen is ruimte voor 12 ton. Dit resulteert in 17 vrachten per jaar. Dit resulteert in 34 verkeersbewegingen per jaar en gemiddeld afgerond 3 verkeersbewegingen (zwaar verkeer) per maand. Aanvoer strooisel Per paardenbox wordt circa 8 kg per dag strooisel gebruikt. Voor 56 paarden komt dat uit op 163,5 ton strooisel per jaar. Op een vrachtwagen is ruimte voor 10 ton.

Dit resulteert in ongeveer 17 vrachten per jaar. Dit resulteert in 34 verkeersbewegingen per jaar, wat uitkomt op gemiddeld afgerond 3 verkeersbewegingen (zwaar verkeer) per maand. Aanvoer krachtvoer Gemiddeld genomen verbruikt een paard circa 1.000 kg krachtvoer per jaar. Krachtvoer wordt circa één keer in de drie weken per vrachtwagen aangevoerd. Dit resulteert dus in 35 verkeersbewegingen per jaar en afgerond 3 verkeersbewegingen (zwaar verkeer) per maand. Afvoer mest Paardenmest wordt één keer in de twee weken per vrachtwagen afgevoerd. Dit resulteert in 52 verkeersbewegingen per jaar en gemiddeld 4 verkeersbewegingen (zwaar verkeer) per maand. Hoefsmid Op de paardenhouderij zijn 56 paarden aanwezig welke door de hoefsmid behandeld dienen te worden. Volwassen paarden worden iedere 6 á 7 weken bekapt of beslagen door de hoefsmid. Hiervoor zal de hoefsmid circa 2 dagen aanwezig zijn op de locatie. Dit resulteert in 4 verkeersbewegingen per twee maanden en gemiddeld 2 verkeersbewegingen (licht verkeer) per maand. Diverse bezoekers Gemiddeld komen er verder nog twee overige erf betreders per week naar de locatie (adviseur, dierenarts, overige bezoekers, etc.). Dit resulteert in 4 verkeersbewegingen per week en gemiddeld 16 verkeersbewegingen (licht verkeer) per maand.

Bedrijfswoning Voor de verkeersbewegingen van en naar de woning wordt aangesloten bij de geldende verkeersgeneratie uit de CROW-publicatie ‘van parkeerencijfers naar parkeernorm’. Voor een vrijstaande woning geldt een verkeersgeneratie tussen 7,8 tot 8,6 per gemiddelde weekdag. Voor de berekening wordt uitgegaan van 8,2 verkeersbewegingen per gemiddelde weekdag. Dit resulteert in 246 verkeersbewegingen per maand. Totale verkeersgeneratie In totaal ontstaan er 13 zware verkeersbewegingen en 936 lichte verkeersbewegingen van en naar de locatie per maand. Navolgende tabel geeft een samenvatting weer van de verkeersgeneratie.

24 Toelichting bestemmingsplan Verlengde Reekstraat 1 te Beuningen

Tabel 1: Samenvatting verkeersgeneratie paardenhouderij beoogde situatie

Activiteit

Aanvoer ruwvoer/hooi Aanvoer strooisel Aanvoer krachtvoer Afvoer mest Hoefsmid Diverse bezoekers Woning Pensionklanten Totaal

Zware transportbewegingen (per maand) 3

Lichte transportbewegingen (per maand)

3 3 4 2 16

13

246 672 936

Conclusie De verkeersbewegingen in de Verlengde Reekstraat zullen in de beoogde situatie beduidend afnemen. Tevens worden er geen evenementen meer georganiseerd, waardoor de verkeersgeneratie sterk afneemt. De locatie beschikt over een brede inrit met daarachter voldoende manoeuvreer– en parkeerruimte, waardoor geen sprake zal zijn van obstructie op de openbare weg en de doorstroming niet in gevaar komt. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de verkeersafwikkeling afdoende is geregeld en er geen belemmeringen zijn voor het planvoornemen. 4.4.2 Parkeren De parkeernorm wordt vastgesteld op basis van de parkeerbehoefte per functie en het eventueel gecombineerd gebruik van parkeerplaatsen door verschillende functies. De parkeernorm geeft het totaal aantal parkeerplaatsen aan dat voor een ruimtelijk initiatief, plan of project aangelegd moet worden. De gemeente Beuningen hanteert geen specifiek beleid voor haar parkeernormen. Wanneer geen specifiek beleid is opgesteld wordt gebruik gemaakt van de CROW richtlijnen zoals deze zijn gepubliceerd door de stichting CROW in de publicatie met nummer 381. De parkeernorm kan hieruit worden vastgesteld op basis van de parkeerbehoefte per functie in combinatie met de stedelijkheidsgraad van de omgeving. Voor de omgeving van het plangebied geldt de norm voor ‘rest bebouwde kom’ met stedelijkheidsgraad ‘weinig stedelijk’.

Huidige situatie Voor een manege geldt een parkeerbehoefte van 0,4 parkeerplaatsen per box. Het initiatief voorziet in 59 bezette paardenboxen. Dit resulteert in een parkeerbehoefte van 23,6 parkeerplaatsen. Voor twee bedrijfswoningen geldt een parkeerbehoefte van 4,8 parkeerplaatsen. Derhalve is er een parkeerbehoefte van 28,4 parkeerplaatsen. Beoogde situatie In de beoogde situatie wordt een gebruiksgerichte paardenhouderij ontwikkeld. Deze functie komt in CROW uitgave ‘parkeerkencijfers naar parkeernormen’ niet voor. Er is een norm voor de parkeerplaatsen voor maneges vastgelegd, maar zoals in de verkeersparagraaf reeds toegelicht ligt de vele malen lager dan deze norm. Voor een manege geldt een parkeerbehoefte van 0,4 parkeerplaatsen per box. Het initiatief voorziet in 56 bezette paardenboxen. Dit resulteert in een parkeerbehoefte van 22,4 parkeerplaatsen. Voor een bedrijfswoning geldt een parkeerbehoefte van 2,4 parkeerplaatsen. Derhalve is er een parkeerbehoefte van 24,8 parkeerplaatsen. Bovendien worden er in de beoogde situatie geen evenementen meer georganiseerd, waardoor de hoge parkeerdruk in de omgeving, voornamelijk in de weekenden, beduidend afneemt. Binnen het plangebied wordt voorzien in minimaal 30 parkeerplaatsen voor bezoekers. Privé vervoersmiddelen worden bij de bedrijfswoning geparkeerd.

Daarnaast zijn er aan de zuidzijde van het perceel 15 trailerplaatsen. Tevens wordt er een overdekte fietsenstalling gerealiseerd naast de parkeerplaatsen. Er kan geconcludeerd worden dat in het gehele plangebied voldoende ruimte is voor benodigde parkeervoorzieningen.

25 Toelichting bestemmingsplan Verlengde Reekstraat 1 te Beuningen

4.5 Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. In de Wnb zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. Deze drie onderdelen worden hierna separaat beschreven.

4.5.1

Bescherming op gebiedsniveau

De bescherming op gebiedsniveau wordt beschreven aan de hand van wetgeving ten aanzien van Natura 2000gebieden, WAV-gebieden en het Natuur Netwerk Nederland. Natura 2000-gebieden In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld vanaf een bepaalde referentiedatum. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wnb wordt aangevraagd.

In de omgeving van het plangebied zijn de volgende Natura-2000 gebieden gelegen (zie Afbeelding 11): ▪ ‘Rijntakken’ op een afstand circa 2,8 km; ▪ ‘Veluwe’ op een afstand circa 13,7 km; ▪ ‘De Bruuk’ op een afstand circa 15,1 km; ▪ ‘Sint Jansberg’ op een afstand circa 15,1 km;

Afbeelding 11: Omliggende Natura 2000-gebieden

Er zijn verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht spelen een belangrijke rol, omdat deze ook op grote afstand van een gebied voor effecten kunnen zorgen. Wanneer er vanuit een locatie stikstof neer slaat op een Natura 2000-gebied (hierna te noemen: stikstofdepositie) kan dit een negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. De wet maakte aanvankelijk een gedeeltelijke vrijstelling van de natuurvergunningplicht mogelijk voor een tijdelijke toename in stikstofemissie gedurende de bouw-, aanleg- en realisatiefase van een project. Op 2 november 2022 heeft de Raad van State uitspraak gedaan in de zogeheten Porthos-zaak waaruit volgt dat deze bouwvrijstelling in strijd is met het Europees natuurbeschermingsrecht. Het vervallen van de bouwvrijstelling leidt ertoe dat bij alle lopende en toekomstige vergunningsaanvragen eerst moet worden aangetoond dat er in de realisatiefase geen sprake is van stikstofdepositie, om aan te tonen dat er geen schade wordt aangericht aan de nabij gelegen Natura 2000gebieden.

26 Toelichting bestemmingsplan Verlengde Reekstraat 1 te Beuningen

Om de stikstofdepositie als gevolg van zowel de realisatie- als de gebruiksfase van het initiatief in kaart te brengen is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 6. Uit het onderzoek blijkt dat als gevolg van het plan geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn. Hiermee voldoet het plan op het aspect gebiedsbescherming. Wet ammoniak en veehouderij Naast de Wet natuurbescherming stelt de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) regels voor het houden van landbouwhuisdieren in of in een zone van 250 meter rondom WAV-gebieden (zeer kwetsbaar gebied). Oprichting van een nieuwe veehouderijen is niet toegestaan en uitbreiding van het aantal landbouwhuisdieren binnen een inrichting is eveneens niet is toegestaan, wanneer bestaande dierverblijven binnen de 250 meter zone liggen. Op grond van artikel 7, eerste lid, onder c van de Wav, is uitbreiding van het aantal dierenverblijven voor paarden en schapen wel toegestaan. De beoogde ontwikkeling aan de Verlengde Reekstraat 1 voorziet niet in de oprichting van dierverblijven in de zone van 250 meter rondom zeer kwetsbaar gebied. Aangezien binnen de inrichting uitsluitend paarden worden gehouden, is de uitzondering van toepassing en gelden er vanuit de Wav geen beperkingen voor de gewenste ontwikkeling van de bestaande paardenhouderij.

Natuur Netwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland is in 1990 geïntroduceerd als antwoord op de achteruitgang van de natuur en biodiversiteit in Nederland. Het is een netwerk van natuurgebieden waarmee biodiversiteit behouden en versterkt wordt. Planten en dieren kunnen zich van het ene naar het andere gebied verspreiden. Soorten raken hierdoor niet geïsoleerd en hebben dus minder kans op uitsterven. De NNN bestaat uit: ▪ Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 nationale parken; ▪ Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; ▪ Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ▪ Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee. Het plangebied is, zoals in onderstaande afbeelding te zien, niet gelegen in een ecologische hoofdstructuur. Doordat de beoogde ontwikkelingen buiten deze zones zijn gelegen blijven de natuurlijke en ecologische waarden van deze gebieden gehandhaafd. Bovendien wordt het plangebied voorzien van een gebiedseigen landschappelijke inpassing en waterberging, waardoor deze waarden worden versterkt.

Afbeelding 12: Uitsnede kaart Natuurnetwerk Nederland (bron: https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten)

4.5.2

Soortenbescherming

In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet mogen worden gedood, gevangen of verontrust en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het

27 Toelichting bestemmingsplan Verlengde Reekstraat 1 te Beuningen

wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming van beschermde flora- en fauna opgenomen. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes omschreven. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing en vrijstelling kan worden verleend. Er zijn drie beschermingsregimes, de soorten op basis van de Vogelrichtlijn, de soorten op basis van de Habitatrichtlijn en de andere soorten genoemd in de Wet natuurbescherming (hierna Wnb). Het planvoornemen houdt onder andere in dat er gebouwen worden gesloopt. Dit heeft mogelijk een negatief effect op vaste rust- en verblijfsplaatsen van beschermde soorten. Om te bepalen of er als gevolg van het initiatief mogelijk beschermde diersoorten verstoord worden is een quickscan flora en fauna uitgevoerd (Brabant Eco, 3006-2023, Bijlage 7). Daarnaast is er een aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd (Brabant Eco, 22-092023, Bijlage 8). De resultaten worden hieronder toegelicht. Op basis van de uitgevoerde QuickScan kan het voorkomen van verblijf-schuil, -nest- of rustplaatsen van vleermuizen niet met zekerheid worden uitgesloten.

In de spouwmuren van de woningen en het paardencentrum zijn meerdere open stootvoegen aanwezig die door vleermuizen als verblijfplaats gebruikt zouden kunnen worden. Onder de pannendaken van de bedrijfswoningen zijn naar schatting 10 nesten van huismussen waargenomen en onder de overstekken 30 nesten van huiszwaluwen. In het paardencentrum zijn 3 nesten van de boerenzwaluw gevonden. De beoogde ontwikkeling kan de beschermde vogelsoorten en vleermuizen verstoren en nest- of verblijf locaties vernietigen, waardoor er een nader onderzoek naar vleermuizen is uitgevoerd. Daarnaast zal er een mitigatieplan voor de huismussen geschreven dienen te worden en zal er een ontheffing bij het bevoegd gezag moeten worden aangevraagd. Voor de huiszwaluwen en boerenzwaluwen zullen compenserende voorzieningen moeten worden gebouwd. Binnen het plangebied komt geen beschermde flora voor. Uit het nader onderzoek naar vleermuizen blijkt dat op basis van uitgevoerd veldonderzoek de voorgenomen ontwikkelingen door gebrek aan verblijfslocaties en het ontbreken van een gebruiksfunctie geen invloed zullen hebben op de aldaar voorkomende vleermuizen. Er zijn geen effecten te verwachten die van negatieve invloed zijn op de duurzame staat van instandhouding van de waargenomen soorten en hun functioneel leefgebied. De Wet natuurbescherming wordt niet overtreden door de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.

Uiteraard geldt in alle gevallen de algemene zorgplicht, indien tijdens werkzaamheden toch soorten worden aangetroffen. Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. Ook handelingen die een vaste rust- of verblijfsplaats van beschermde vogels verstoren zijn niet toegestaan. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen uitgevoerd mogen worden. In het kader van de vogelrichtlijn wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het om de periode 15 maart tot 15 juli.

4.5.3

Houtopstanden

Er worden geen houtopstanden gekapt. Toetsing aan de drie beschermingsregimes voor houtopstanden is daarmee niet aan de orde.

4.6 Milieuaspecten In dit hoofdstuk worden alle relevante milieuaspecten en overige sectorale aspecten benoemd. De beoogde ontwikkeling wordt aan deze aspecten getoetst.

4.6.1

Bedrijven en milieuzonering

Goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen). Voor ruimtelijke plannen is de VNG-brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (hierna brochure) van toepassing bij de beoordeling van de afstanden tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies. De afstanden die hierin opgenomen zijn betreffen richtafstanden. Wanneer voldaan wordt aan de opgenomen afstanden uit deze brochure, mag gesteld worden dat er sprake is van een aanvaardbaar en gewaarborgd woon- en leefklimaat. De VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking

28 Toelichting bestemmingsplan Verlengde Reekstraat 1 te Beuningen

geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: ▪ Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. ▪ Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden direct naast de hoofdinfrastructuur gelegen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Het plangebied is gelegen in het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Bij dit omgevingstype kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden, omdat de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kennen. Ten zuiden van het plangebied is de A73 gelegen en ten westen van omgeving is een woonwijk gevestigd. In het beoogde plan wordt de vorm van het bouwvlak gewijzigd en wordt het maximum oppervlakte van de bedrijfsbebouwing verhoogd.

De locatie van de stallen komt ten opzichte van de huidige situatie niet dichter bij de omliggende functies te liggen. In directe omgeving van het plangebied zijn de volgende gevoelige objecten gelegen: ▪ Verlengde Reekstraat 14 – Woning, gelegen op een afstand van circa 35 meter van het plangebied; ▪ Verlengde Reekstraat 9 – Woning, gelegen op een afstand van circa 50 meter van het plangebied. Conform de VNG brochure is voor een manege gelegen in gemengd gebeid de richtafstand die moet worden aangehouden 30 meter voor het aspect geur en 10 meter voor de aspecten stof en geluid. Aan deze richtafstanden wordt ten opzichte van alle locaties met gevoelige objecten in de omgeving ruimschoots voldaan. Bovendien verandert er, ten opzichte van huidige situatie, niets m.b.t. de afstand tot gevoelige objecten in de omgeving, omdat de paarden op dezelfde locatie gehouden zullen worden. Het woon- en leefklimaat rondom de locatie zal dus niet veranderen. De paardenhouderij is dus op gepaste afstand van gevoelige objecten in de omgeving gelegen. Het aspect ‘Bedrijven en milieuzonering’ legt geen beperkingen op aan het planvoornemen. Daarnaast zorgt het planvoornemen ook niet voor een negatief effect op gevoelige objecten.

4.6.2

Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is op 1 januari 2007 in werking getreden. De Wgv kent bescherming toe aan zogenaamde geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in algemeen om gebouwen bestemd voor wonen en verblijf, zoals woningen en bedrijfsgebouwen. Deze wet schrijft afstanden voor tussen een bedrijf waar landbouwhuisdieren worden gehouden en geurgevoelige objecten, die moeten worden gehanteerd bij de verlening van een omgevingsvergunning milieu voor het bedrijf waar landbouwhuisdieren worden gehouden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bij de ontwikkeling van een paardenhouderij te worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van bestaande geurgevoelige objecten acceptabel blijft. Bij de ontwikkeling van een nieuw geurgevoelig object dient het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied inzichtelijk te worden gemaakt. Omgekeerd dient te worden aangetoond dat de ontwikkeling niet beperkend is voor omliggende (agrarische) bedrijven. Paardenhouderij De dichtstbijzijnde geurgevoelige objecten betreffen: ▪ De burgerwoning aan de Verlengde Reekstraat 14, gelegen op een afstand van circa 100 meter van het bouwvlak. ▪ De burgerwoning aan de Verlengde Reekstraat 9, gelegen op een afstand van circa 140 meter van het bouwvlak.

Conform de Wgv geldt voor paardenhouderijen die zijn gelegen buiten de bebouwde kom een vaste afstand van 50 meter voor geur (emissiepunt) en 100 meter binnen de bebouwde kom. Tevens dient de buitenzijde van een dierenverblijf op minimaal 25 meter van een geurgevoelig object te worden geplaatst. Alle objecten liggen op grotere afstand dan het gestelde minimum van 50 en 100 meter. Overige gevoelige objecten liggen op een grotere

29 Toelichting bestemmingsplan Verlengde Reekstraat 1 te Beuningen

afstand dan de hierboven genoemde objecten. Hiermee wordt aan de wettelijk vastgestelde minimumafstanden voldaan en kan geconcludeerd worden dat het aspect geur geen belemmering zal vormen voor het planvoornemen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat met de ontwikkeling van een paardenhouderij een acceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse van geurgevoelige objecten gewaarborgd blijft. Woon- en leefklimaat Binnen het plangebied worden de twee bestaande bedrijfswoningen vervangen door één nieuwe bedrijfswoning. Binnen het huidige bouwvlak, zijn momenteel al gevoelige objecten toegestaan. De aanvaardbaarheid van dit gebruik is eerder afgewogen. Volledigheidshalve zal de toevoeging van een gevoelig object hieronder getoetst worden. Voor de voorgrondbelasting worden bedrijven individueel beoordeeld. Op grond van de Wgv geldt voor een veehouderij waar dieren worden gehouden waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld een vaste afstand van 50 meter tot een geurgevoelig object dat is gelegen buiten de bebouwde kom. Voor overige diercategorieën kan in beginsel gebruik worden gemaakt van de VNG-lijst Bedrijven en milieuzonering, waar ‘geur’ één van de toetsaspecten is. In de VNG-lijst geldt een richtafstand tot 200 meter voor veehouderijen voor het aspect geur. Deze afstand geldt voor intensieve veehouderijen, waarvoor de geurcontour verder rijkt dan de vaste afstanden uit de Wgv.

De meest nabijgelegen veehouderij bevindt zich op ca. 700 meter van het plangebied. Dit betreft een intensieve veehouderij, gelegen aan de Bijsterhuizenstraat 12 te Beuningen. Aan de minimale richtafstanden wordt dan ook ruimschoots voldaan. Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur. Omgekeerde werking Binnen het plangebied is al sprake van een bestaand geurgevoelig object in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij, te weten de aanwezige bedrijfswoningen. In de beoogde situatie wordt de locatie herbestemd tot gebruiksgerichte paardenhouderij. Het geurgevoelige object blijft dus onderdeel van een bedrijf waar landbouwhuisdieren worden gehouden. Derhalve kan worden geconcludeerd dat het initiatief niet leidt tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen.

4.6.3

Geluid

In paragraaf 4.6.1. ‘Bedrijven en milieuzonering’ zijn de afstanden tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies beoordeeld om vast te stellen dat er sprake is van een aanvaardbaar en gewaarborgd woon- en leefklimaat in het kader van een goede ruimtelijke ordening op grond van de Wet ruimtelijke ordening. In deze paragraaf wordt getoetst of wordt voldaan aan Wet geluidhinder (hierna Wgh), die op 1 januari 2007 (gewijzigd) in werking is getreden. Deze wet beschermt geluidgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van geluidsbronnen: wegverkeer, spoorwegen, industrie en luchtvaart. Door middel van zonering worden grenzen aangehouden waarmee geluidgevoelige objecten worden beschermd. De zonering betreft een afstand, uitgaande van een geluidsbron, waarbinnen het normenstelsel uit de Wgh van toepassing is. Voor de beoogde ontwikkeling zijn de volgende vragen van belang om te toetsen of voldaan wordt aan het aspect geluid: 1. Is er sprake van nieuwe geluidgevoelige objecten in de zin van de Wgh? Indien het antwoord hierop nee is, dan is verder onderzoek naar geluidoverlast op grond van de Wgh niet van toepassing. 2. Zo ja, is er dan sprake van geluidsoverlast: a. door wegverkeerslawaai? b. van een spoorweg? c. door de luchtvaart? d. van industrie ? 3.

Welk effect heeft het plan op de omgeving? Geluidgevoelige objecten Allereerst dient te worden vastgesteld of er sprake is van geluidgevoelige objecten die op grond van de Wgh beschermd dienen te worden. De Wet geluidhinder beschermt de volgende objecten:

30 Toelichting bestemmingsplan Verlengde Reekstraat 1 te Beuningen

▪ ▪ ▪

woningen; andere geluidsgevoelige gebouwen (o.a. onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven); geluidsgevoelige terreinen.

De beoogde bedrijfswoning is een geluidsgevoelig object en dus dient op grond van de Wgh onderzocht te worden of er sprake is van geluidsoverlast. Dit wordt hieronder per bron beoordeeld. Wegverkeerslawaai Gezien de ligging van de nieuwe woning binnen de geluidzones van de A73 en de Verlengde Reekstraat is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (Gbs Milieuadvies, 12-06-2023, Bijlage 9). Voor een nieuwe woning binnen de zone van een (rijks)weg geldt een voorkeursgrenswaarde van de geluidbelasting op de gevel van 48 dB. Na ontheffing kan op de gevel van de bedrijfswoningen horende bij een agrarisch bedrijf een hogere waarde ten gevolge van een rijksweg worden vastgesteld tot maximaal 58 dB. Uit de rekenresultaten blijkt dat de geluidbelasting vanwege het wegverkeer op de Verlengde Reekstraat ten hoogste 58 dB (inclusief aftrek van 2 dB op grond van artikel 110g Wgh) bedraagt. Aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden wordt niet voldaan. De maximale ontheffingswaarde van 58 dB Lden conform artikel 83 lid.4 wordt echter niet overschreden. De voorkeursgrenswaarde wordt overschreden en bron- en/of overdrachtsmaatregelen zijn niet voldoende efficiënt zijn om deze grenswaarde te bereiken. Hierdoor dienen ontheffingswaardes te worden aangevraagd vanwege wegverkeerslawaai.

Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen is een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd ter plaatse van de woningen. Het bevoegd gezag dient te beoordelen of een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels noodzakelijk is. Spoorweg In de omgeving van het plangebied is geen spoorweg gelegen. Dit is dus niet relevant voor beoogde ontwikkeling. Luchtvaart Het plangebied is niet gelegen in een geluidzone met betrekking tot de luchtvaart. De beoogde ontwikkeling zal derhalve geen geluidoverlast ondervinden door de luchtvaart. Industrie In de directe omgeving van het plangebied is geen industrie aanwezig. Derhalve zal er geen geluidsoverlast zijn met betrekking tot de industrie. Effect op de omgeving Het eventuele effect van de beoogde ontwikkeling op de omgeving qua geluid is nader toegelicht in paragraaf ‘Bedrijven en milieuzonering’. Hieruit kan geconcludeerd worden dat het aspect geluid geen belemmering zal vormen voor het planvoornemen.

4.6.4

Luchtkwaliteit

De regelgeving omtrent de luchtkwaliteit is opgenomen in de Wet milieubeheer (Wm). De belangrijkste aspecten t.a.v. de Europese luchtkwaliteitseisen zijn vernoemd in de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderdeel uit van de Wm; hoofdstuk 5, titel 5.2. Rijk, provincies en gemeenten werken samen om de Europese eisen en doelstellingen voor het verbeteren van de luchtkwaliteit te realiseren. Overheidsinstanties zijn verplicht om bij (ruimtelijke) ingrepen en ontwikkelingen de mogelijke gevolgen voor de luchtkwaliteit in beeld te brengen. Het opstellen en vaststellen van een bestemmingsplan behoort tot deze categorie, daarom is het noodzakelijk dat de eventuele gevolgen voor de luchtkwaliteit in beeld worden gebracht. Omgekeerd is het van belang dat ter plaatse het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit. Niet in betekenende mate Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden, bestuursorganen bepaalde bevoegdheden mogen uitoefenen. Wanneer bij de planvorming sprake is van één van de volgende punten vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering: ▪ Er is sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; ▪ Een plan leidt, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;

31 Toelichting bestemmingsplan Verlengde Reekstraat 1 te Beuningen

▪ ▪

Een plan draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; Een plan past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), of binnen een regionaal programma van maatregelen.

Het besluit ‘niet in betekenende mate bijdragen’ staat plannen toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende plan niet in betekenende mate is. De afkorting NIBM staat voor ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ aan de luchtverontreiniging. Hiermee worden ruimtelijke plannen of (te vergunnen) activiteiten bedoeld die slechts een zeer geringe bijdrage hebben aan de luchtverontreiniging. In deze gevallen is een toetsing aan de grenswaarden luchtkwaliteit niet nodig. Belangrijk bij toetsing van NIBM is dat aannemelijk gemaakt moet worden, dat de 3% grens niet wordt overschreden (artikel 2 van het Besluit NIBM). Wanneer gesteld kan worden dat het aannemelijk is dat de grens niet wordt overschreden, dan is het plan NIBM. De regeling NIBM geeft categorieën aan van gevallen en getalsmatige grenzen waarbinnen een plan altijd NIBM is, ongeacht de bijdrage ervan op de concentraties. Voor dergelijke gevallen mag er zonder meer van worden uitgegaan dat de bijdrage van het plan NIBM is. Voor woningbouw geldt dat een plan NIMB is wanneer er minder dan 1.500 woningen gebouwd worden. Het plan ziet op de herbestemming van een manege met twee bedrijfswoningen tot gebruiksgerichte paardenhouderij met slechts één bedrijfswoning. Hiermee wordt de NIBM grens voor woningbouw dus niet overschreden. Het plan is dus met zekerheid NIBM.

Bovendien nemen de verkeersbewegingen af, wat een positief effect heeft op de luchtkwaliteit in de omgeving. In de bestaande planologische situatie is reeds sprake van een manege. Het plan voorziet niet in de vergroting het bouwvlak ten behoeve van realisatie van de gebruiksgerichte paardenhouderij. Het aantal paarden dat binnen het plangebied gehouden wordt neemt af. Bovendien zijn er voor paarden geen emissiefactoren voor wat betreft de uitstoot van fijnstof vastgesteld. Hiermee is de beoogde ontwikkeling dermate kleinschalig van aard dat aangenomen kan worden dat dit NIBM is. De verkeersaantrekkende werking van de beoogde bedrijfsopzet is beschreven in paragraaf 4.4.1. Hieruit blijkt dat de weekdaggemiddelde verkeersgeneratie van de beoogde paardenhouderij 31,6 verkeersbewegingen bedraagt. In vergelijking tot de huidige situatie, neemt de verkeersgeneratie beduidend af. Uit de berekening van de NIBMtool blijkt dat bij een dagelijkse toename van 31,6 verkeersbewegingen van en naar de inrichting de bijdrage aan de fijnstofconcentratie nog NIBM is. De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving. Integendeel, de luchtkwaliteit verbetert wegens de afname van verkeersbewegingen.

Afbeelding 13: Uitsnede NIBM-tool

Woon- en leefklimaat Op grond van de Wet milieubeheer zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m 3. Vanaf 1 januari 2015 geldt tevens een grenswaarde voor zeer fijnstof (PM2,5) waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie.

32 Toelichting bestemmingsplan Verlengde Reekstraat 1 te Beuningen

De achtergrondconcentratie PM10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied kan worden geraadpleegd via de Grootschalige Concentratie- en depositiekaarten Nederland van het RIVM. Uit onderstaande afbeeldingen is op te maken dat de achtergrondconcentratie PM10 14,86 μg/m3 bedraagt en de achtergrondconcentratie PM 2,5 8,367 μg/m3. Er kan dus ruimschoots worden voldaan aan de grenswaarden voor wat betreft de concentratie PM 10 en PM2,5.

Afbeelding 14: Uitsnede GCN-kaart PM10

Afbeelding 15 Uitsnede GCN-kaart PM2,5

Voor de kortdurende blootstelling van de mens aan piekconcentraties van NO 2 geldt een grenswaarde van 200 μg/m3 voor het uurgemiddelde van NO2, die niet vaker dan 18 maal per kalenderjaar mag worden overschreden. De norm voor langdurende blootstelling van de bevolking is de grenswaarde van 40 μg/m3 voor de jaargemiddelde NO2-concentratie. De achtergrondconcentratie ter plaatse bedraagt 16.59 μg/m3 blijkt uit de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland. Er kan dus tevens worden voldaan aan de grenswaarde voor wat betreft NO2 concentratie.

33 Toelichting bestemmingsplan Verlengde Reekstraat 1 te Beuningen

Afbeelding 16: Uitsnede GCN-kaart NO2

Conclusie Door het feit dat de ontwikkeling ‘NIBM’ zal zijn kan worden geconcludeerd dat er geen negatieve gevolgen zullen zijn voor het aspect luchtkwaliteit. Daarnaast wordt er ruim voldaan aan de grenswaarden van de achtergrondconcentraties. Hierdoor is te concluderen dat er ook sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.6.5

Externe veiligheid

Het rijksbeleid voor externe veiligheid heeft tot doel het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving. Het gaat hierbij om situaties waarbij gevaarlijke stoffen en/of vliegtuigen nabij luchthavens betrokken zijn. Bij gevaarlijke stoffen moet men denken aan het vervoeren, transporteren, opslag, produceren etc. Bij externe veiligheid wordt het mogelijke risico in kaart gebracht wat derden lopen bij eventuele calamiteit. Het gaat hierbij om ‘slachtoffers van buiten de poort’. Mensen die niets met een activiteit van gevaarlijke stoffen en/of vliegtuigen te maken hebben, maar hier wel de dupe van worden bij een ramp. Bij externe veiligheid wordt een onderscheid gemaakt in externe veiligheid voor inrichtingen, voor transport van gevaarlijke stoffen en voor luchthavens. Het externe veiligheidsbeleid stelt twee doelstellingen centraal: ▪ Plaatsgebonden risico (PR): De bescherming van personen die zich bevinden in de nabijheid van een risicobron tegen de kans op overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen of ten gevolge van een ongeval met een vliegtuig op of nabij een luchthaven; ▪ Groepsrisico (GR): De bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een dergelijke ramp met een groot aantal slachtoffers.

Het PR geeft de kans per jaar aan dat een persoon, die permanent en onbeschermd aanwezig is op een bepaalde plaats buiten een bedrijf (inrichting) of in de buurt van een vervoersmodaliteit (vervoer via weg, water, spoor of buisleiding) of nabij een luchthaven, op die plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen binnen die inrichting of op die vervoersmodaliteit of als gevolg van een ongeval nabij de luchthaven. De norm die voor het PR geldt, is de kans van 1:1.000.000 (10 -6). Voor kwetsbare objecten is dit een grenswaarde welke moet worden opgevolgd. Voor beperkt kwetsbare objecten is het een richtwaarde. Het GR geeft aan wat de kans is op een ongeval waarbij tien of meer dodelijke slachtoffers vallen in de omgeving van de risicobron. Voor het groepsrisico is geen norm gesteld. Uit het vigerende beleid, zoals onder andere vastgelegd in het Bevi, geldt een verantwoordingsplicht. Iedere verandering (af- of toename) van het groepsrisico moet inzichtelijk worden gemaakt en worden voorzien van een onderbouwing. Het beleid ligt vast in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).

Ruimtelijke ontwikkelingen waarmee een nieuw (beperkt) kwetsbaar object mogelijk wordt gemaakt, moeten aan de beleidsregels voor externe veiligheid worden getoetst. Met het beoogde plan wordt een paardenhouderij met een nieuwe bedrijfswoning mogelijk gemaakt.

34 Toelichting bestemmingsplan Verlengde Reekstraat 1 te Beuningen

Een woning wordt aangemerkt als een kwetsbaar object. Derhalve wordt het initiatief hierna getoetst aan de beleidsregels voor externe veiligheid. Bevi Gezien de aard van de voorgenomen activiteit (wijziging naar gebruiksgerichte paardenhouderij) is het Bevi niet van toepassing. De beoogde activiteit omvat niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit de risicokaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten aanwezig zijn op of nabij het plangebied. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting is gelegen aan de Elsenpas 3 te Beuningen. Hier is een risicobron gelegen in de vorm van een bovengrondse propaantank. Hiervoor geldt op grond van het Activiteitenbesluit een veiligheidsafstand van 15 meter tot een kwetsbaar object. De inrichting aan de Elsenpas 3 is op circa 1 kilometer van de beoogde bedrijfswoning gelegen. Er wordt dus ruimschoots voldaan aan de gestelde veiligheidsafstand. Daarom zijn er voor het plan geen belemmeringen vanuit het Bevi. Bevb In het noordwestelijke deel en ten oosten van het plangebied zijn in totaal een viertal (hogedruk) aardgastransportleidingen gelegen. In onderstaande tabel zijn de plaatsgebonden risicocontouren en invloedsgebieden van deze buisleidingen inzichtelijk gemaakt. Tabel 2: Leidinggegevens ondergrondse aardgastransportleidingen (bron: Toelichting BP 'Kern Beuningen' d.d. 3-6-2013)

Leidingtype A-524 A-533 N-576-01 A-663

Druk 66,2 bar 66,2 bar 40 bar 80 bar

Diameter 48” 48” 6” 48”

PR 10-6/jr Nihil Nihil Nihil Nihil

Invloedsgebied 540 m 540 m 70 m 580 m

De PR 10-6 risicocontour van alle vier de buisleidingen bedraagt 0 m en ligt daarmee op het hart van de leidingen. Ter hoogte van de drie buisleidingen die door het plangebied lopen liggen de paardenbakken. Dit blijft in de beoogde situatie ook het geval. De omheining rondom deze paardenbakken is voorzien van een open constructie, waardoor vluchten bij een calamiteit eenvoudig is. Aan weerszijden van de leidingen is een belemmeringenstrook van 5 meter opgenomen voor de aanleg, instandhouding en/of bescherming van de leidingen. Vanwege de ligging van het plangebied in het invloedsgebied van de buisleidingen is een groepsrisicoverantwoording op basis van artikel 12 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) noodzakelijk. Bevt In de Regeling Basisnet is een tabel met afstanden opgenomen met zowel de PR 10-6 contour als het invloedsgebied op basis van de stofcategorieën die over een transportroute vervoerd worden. Uit de risicokaart blijkt dat de locatie ligt binnen de invloedsfeer van wegen A73. De A73 heeft een invloedsgebied van 13 meter en een explosieaandachtsgebied van 200 meter, vanwege het vervoer van stoffen tot categorie G27. Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 100 meter van de A73. Uit de onderstaande afbeelding blijkt dat het plangebied zich bevindt binnen het explosie – en het gifwolkinvloedsgebied van de snelweg (A73).

Het plangebied is gelegen binnen de 200 meter zone van de A73, waardoor een verantwoording van het groepsrisico op grond van artikel 7 en 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) benodigd is.

35 Toelichting bestemmingsplan Verlengde Reekstraat 1 te Beuningen

Afbeelding 17: Uitsnede risicokaart Nederland (bron: risicokaart.nl)

Groepsrisicoverantwoording Volstaan kan worden met een korte onderbouwing wanneer: ▪ Het groepsrisico lager is dan 0,1 x OW of; ▪ De toename van het groepsrisico lager is dan 10% én het groepsrisico lager is dan 1,0 x OW. Het staat vast dat onderhavige kleinschalige ontwikkeling niet meer dan 10% bijdraagt aan het groepsrisico. Het aantal stallingsplaatsen in de paardenhouderij neemt niet toe. De verzorgers komen verspreid over de dag de paarden verzorgen. In vergelijking met de huidige situatie, zal het aantal aanwezige personen in de beoogde situatie afnemen. Bovendien worden er met het initiatief geen functies gerealiseerd die specifiek bedoeld zijn voor verminderd zelfredzame personen. De wijziging zal derhalve niet significant bijdragen aan het groepsrisico. Hierdoor kan zowel in het kader van het Bevb als het Bevt worden volstaan met een beperkte groepsrisicoverantwoording. Fakkelbrandincident Bij een beperkte groepsrisicoverantwoording dient de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid in het maatgevend rampscenario te worden beschreven. Het maatgevende scenario voor een aardgasleiding is een fakkelbrandincident. Deze kunnen ontstaan wanneer na een beschadiging van een leiding gas vrijkomt en dit ontsteekt. Bij bestrijdbaarheid gaat het om de mate waarin hulpdiensten de effecten van een ramp kunnen beperken.

Mocht zich een voorval voordoen, dan is het van belang dat de hulpdiensten snel ter plaatse zijn met de juiste hulpmiddelen en blusmiddelen. Bij een fakkelbrandincident zijn er geen effectieve mogelijkheden tot bronbestrijding. De leidingbeheerder dient de toevoer van het gas zo snel mogelijk af te sluiten. Het is de taak van de brandweer om te voorkomen dat de brand zich verder uitbreid. Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Dit kan door schuilen en indien nog mogelijk, vluchten uit het bedreigde gebied. Binnen de 100% letaliteitsgrens van een fakkelbrandincident, de zogenaamde 1e ring, is de hittestraling meer den 35 kW/m2. Personen die zich binnen de 1e ring in de buitenlucht bevinden op het moment dat een fakkelbrand plaatsvindt zullen allen komen te overlijden. In de zogenaamde 2e ring is de hittestraling tenminste 12,5 kW/m2, met secundaire branden tot gevolg. Hierdoor zullen er in de bebouwing in de tweede ring geen dodelijke slachtoffers vallen en in de buitenlucht vrijwel geen. Een fakkelbrandincident is zichtbaar en hoorbaar voor personen die zich in de 2 e ring bevinden.

Wanneer ter hoogte van het plangebied een leidingbreuk plaatsvindt én als gevolg daarvan gas tot ontsteking komt kan de 2e ring worden ontvlucht, mits er zo min mogelijk factoren zijn die de zelfredzaamheid van aanwezige personen kan belemmeren. Bij de uitwerking van het plan zal derhalve rekening worden gehouden met de volgende aspecten om de zelfredzaamheid te vergroten: ▪ (Nood)Uitgangen van de buisleiding africhten;

36 Toelichting bestemmingsplan Verlengde Reekstraat 1 te Beuningen

▪ ▪ ▪

Indien mogelijk: de wezenlijke vluchtroutes afschermen tegen hittestraling; Bedrijfsnoodplan met strategie conform scenario fakkelbrand; Een verzamelplaats kiezen en inrichten op scenario fakkelbrand.

Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion Het maatgevend scenario in het brandaandachtsgebied van een transportroute is een Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion (BLEVE). Een BLEVE is een explosie als gevolg van het ontvlammen van brandbare gassen. Een warme BLEVE kan plaatsvinden wanneer de druk in bijvoorbeeld een LPG tank toeneemt als gevolg van oplopende temperaturen door brand. Hierdoor verzwakt de tankwand en zal deze uiteindelijk bezwijken, waarna een vuurbal ontstaat gevolgd door een drukgolf. Dit gebeurt normaliter binnen circa 20 minuten. Bij een koude BLEVE bezwijkt de tank door een mechanische oorzaak, waardoor een scheur of gat in de tankwand ontstaat met een directe explosie tot gevolg. Hierdoor is er geen tijd om te vluchten. De bestrijding van een warme BLEVE vindt direct bij de bron – dus op de transportroute – plaats. Een (dreigende) warme BLEVE kan alleen voorkomen worden door een effectieve koeling op te zetten, van het voertuig zelf én de directe omgeving om secundaire branden tegen te gaan. Daarbij zal de brandweer gezien de beperkte vluchttijd inzetten op het ontruimen van de aangrenzende rijbanen. Binnen het plangebied zal in het scenario van een BLEVE derhalve moeten worden ingezet op zelfredding door van de bron af te vluchten.

Afhankelijk van de locatie waar de BLEVE plaatsvindt kan dit via de Verlengde Reekstraat in de richting van de Lagunesingel of de Krommestraat. Geadviseerd wordt om binnen het invloedsgebied van een BLEVE daarnaast in zijn algemeenheid rekening te houden met de volgende aspecten om de zelfredzaamheid te vergroten: ▪ Ten minste één inpandige vluchtweg van de risicobron africhten; ▪ Het borgen van bluswatervoorzieningen; ▪ Risicocommunicatie en voorbereiding, waaronder het hebben van een verzamelplaats. Toxisch scenario Voor wat betreft de bestrijdbaarheid van een calamiteit waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. In het kader van zelfredzaamheid is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten.

In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen. Aan nieuwe woningen/gebouwen worden hoge eisen gesteld aan kierdichtheid. Indien desalniettemin bij een toxische wolk wordt besloten het gebied te ontruimen, is het van belang dat personen haaks op de wolk kunnen vluchten. Hiervoor is het nodig dat er haaks op elkaar staande vluchtwegen beschikbaar zijn, die van de bron af gericht zijn. De bestaande wegen rond het plangebied zijn geschikt om haaks op een wolk vanaf de bronnen te kunnen vluchten. De mogelijkheden om op eigen kracht te kunnen vluchten nemen toe door (nood)uitgangen en vluchtroutes zoveel mogelijk loodrecht van de bronnen af te richten. Op die manier worden vluchtende personen afgeschermd door de bebouwing zelf. De inrichting van het plangebied heeft geen invloed op de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen ter plaatse van de risicobron. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid bij een zwaar ongeval met toxische stoffen ter hoogte van de A73. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan gesteld hoeven te worden in het kader van het toxisch scenario. Conclusie Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor het initiatief.

37 Toelichting bestemmingsplan Verlengde Reekstraat 1 te Beuningen

4.7 Vormvrije m.e.r-beoordeling Ingevolge het Besluit m.e.r. wordt getoetst of het bestemmingsplan voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Hiervoor zijn in de bijlage bij het Besluit m.e.r. lijsten opgenomen waarin activiteiten zijn aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (lijst C) of ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (lijst D). In de lijsten zijn (indicatieve) drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de Europese richtlijn milieubeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet plan MER-plichtig. De criteria als bedoeld betreffen: ▪ De kenmerken van de activiteit (onder andere omvang en cumulatie); ▪ De plaats waar de activiteiten worden verricht (de kenmerken van het plangebied in relatie met de kwetsbaarheid van de omgeving); ▪ De kenmerken van de gevolgen van de activiteit (mogelijk effecten van de activiteit, onder andere bereik, waarschijnlijkheid en omkeerbaarheid).

Het planvoornemen voorziet in de herontwikkeling van manege tot gebruiksgerichte paardenhouderij, waarbij de vorm van het bouwvlak gewijzigd wordt. De wijziging is noodzakelijk om de gewenste bouw- en gebruiksmogelijkheden te creëren. De ontwikkeling in het plangebied valt onder categorie D14 van het besluit milieueffectrapportage. De drempelwaarde voor het oprichten, wijzigen of uitbreiden van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren ligt op 100 paarden en pony’s, waarbij het aantal bijbehorende dieren in opfok jonger dan 3 jaar niet wordt meegeteld. Het initiatief blijft hier met de realisatie van een paardenhouderij voor 56 paarden ver onder. Er geldt derhalve geen plan MER-plicht. Wel dient er door het college van burgemeester en wethouders voorafgaand aan het besluit op het ontwerpbestemmingsplan een m.e.r.-beoordelingsbesluit te worden genomen. Om te bepalen of een activiteit m.e.r - beoordelingsplichtig is op grond van de Europese richtlijn milieubeoordeling wordt de activiteit hierna getoetst aan de hierboven genoemde criteria. Kenmerken van de activiteit De manege wordt herbestemd naar een gebruiksgerichte paardenhouderij, waarbij de oppervlakte van het bouwvlak hetzelfde blijft. De huidige bebouwing zal volledig gesaneerd worden. Hiervoor in de plaats wordt een kwalitatief hoogwaardige paardenhouderij gerealiseerd.

De verkeerbewegingen dalen hierbij drastisch en daarmee ook de impact van de locatie op de omgeving en het milieu. Plaats waar de activiteit wordt verricht Het plangebied is gelegen in het buitengebied, ten zuidoosten van de kern Beuningen. Een uitgebreidere omschrijving van de ligging van het plangebied is opgenomen in hoofdstuk 1 en 2 van deze toelichting. Het plangebied betreft een bestaande manege, waarbij in de directe omgeving diverse woonpercelen en natuurgronden zijn gelegen. Het plangebied is niet gelegen binnen de natuurgebieden (zie hoofdstuk 3) en ook niet binnen een Natura 2000gebied, of in de nabijheid daarvan (zie hoofdstuk 4). Gezien de afstand tot de beschermde gebieden en beperkte beoogde ontwikkelingen (herontwikkeling manege naar gebruiksgerichte paardenhouderij), kan gesteld worden dat er geen effecten op kwalificerende habitats en het natuurnetwerk zullen optreden door de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan voor de locatie. Gezien de aard van de ontwikkeling, de van oorsprong aanwezige functies in het plangebied en de reeds aanwezige functies in de omgeving van de meest nabijgelegen natuurlijke elementen kan gesteld worden dat er geen nadelige effecten op de realisering van het natuurnetwerk zullen optreden door het planvoornemen.

Verderop in het hoofdstuk is eveneens beoordeeld dat er geen effecten op kwalificerende soorten zijn te veronderstellen. Kenmerken van de gevolgen van de activiteit Alle relevante milieuaspecten zijn in het kader van dit bestemmingsplan in dit hoofdstuk uitvoering onderzocht en nader beschreven. Hieruit zijn geen belangrijke nadelige milieueffecten naar voren gekomen die een belemmering

38 Toelichting bestemmingsplan Verlengde Reekstraat 1 te Beuningen

kunnen opleveren voor het planvoornemen. Een positief effect is dat de verkeersgeneratie in de beoogde situatie beduidend af zal nemen. Conclusie Door de aard en kleinschaligheid van het planvoornemen wordt niet verwacht dat negatieve effecten zullen optreden door de voorgenomen ontwikkelingen op in de directe omgeving aanwezige waarden en belangen of op aanwezige beschermde gebieden en soorten. Het plan is niet binnen een kwetsbaar of waardevol gebied gelegen en heeft ook geen belangrijke nadelige milieugevolgen voor de omgeving. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de in dit plan besloten ontwikkeling in voldoende mate is afgewogen en dat er geen nadelige effecten zijn te verwachten. Deze toelichting kan worden beschouwd als een vormvrije m.e.r.beoordeling op basis waarvan het college een besluit kan nemen.

39 Toelichting bestemmingsplan Verlengde Reekstraat 1 te Beuningen

5 Juridische planopzet In dit hoofdstuk is een beschrijving van de juridische planopzet opgenomen. Dit wordt uiteen gezet aan de hand van de planvorm, verbeelding en planregels.

5.1 Planvorm De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Het gaat om planregels, een verbeelding en de bijbehorende toelichting. De verbeelding vormt samen met de planregels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Op de verbeelding zijn op een topografische ondergrond de bestemmingen aangeduid, met daaraan gekoppelde regels met betrekking tot bouwen en gebruik. De toelichting bij het plan heeft geen juridisch bindende werking maar biedt een overzicht van de onderzoeksresultaten en planmotivatie.

5.2 Verbeelding De verbeelding visualiseert het plangebied. Uit de verbeelding blijkt de begrenzing en de ligging van het plangebied. De verbeelding is direct verbonden met de bijbehorende regels. In de regels worden de condities en voorwaarden voor de bestemmingen en aanduidingen gesteld. De verbeelding is vervaardigd conform wettelijke eisen en geldende standaarden. De verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:500 en bestaat uit één kaart. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd. Op de verbeelding zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen: ▪ Enkelbestemming: Bedrijf; ▪ Dubbelbestemming: Leiding - Gas; ▪ Dubbelbestemming: Leiding – Riool; ▪ Figuur: hartlijn leiding – gas; ▪ Figuur: hartlijn leiding – riool; ▪ Bouwvlak; ▪ Functieaanduiding: specifieke vorm van bedrijf – gebruiksgerichte paardenhouderij; ▪ Gebiedsaanduiding: overige zone – bodemverstoringen; ▪ Gebiedsaanduiding: overige zone - attentiegebied archeologisch onderzoeksgebied;

5.3 Planregels De regels behorende bij voorliggend bestemmingsplan bestaan uit inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. De in het bestemmingsplan opgenomen regels zijn geheel overeenkomstig de regels van de moederplannen ‘Verlengde Reekstraat 1’ en ‘Buitengebied’ van de gemeente Beuningen.

40 Toelichting bestemmingsplan Verlengde Reekstraat 1 te Beuningen

6 Uitvoerbaarheid In de Wet ruimtelijke ordening is vastgelegd dat ieder bestemmingsplan en wijzigingsplan inzicht moet geven in de uitvoerbaarheid ervan. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.

6.1 Economische uitvoerbaarheid Een gemeente is (in beginsel) verplicht om, op grond van artikel 6.12 eerste lid, Wro een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een in het Bro aangewezen bouwplan is voorgenomen. De gemeenteraad kan echter besluiten om geen exploitatieplan vast te stellen indien: ▪ Het verhaal van de kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins is verzekerd; ▪ Het bepalen van een tijdvak voor de exploitatie of een fasering van de uitvoering van werken, werkzaamheden, maatregelen en bouwplannen niet nodig is; ▪ Het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onder b, c en d Wro niet noodzakelijk is. Met het planvoornemen is sprake van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. Dit betekent dat het kostenverhaal verzekerd moet zijn. Door middel van een anterieure overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer zal hierin worden voorzien.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De maatschappelijke haalbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het plan maatschappelijk draagvlak heeft. In dat kader is er een omgevingsdialoog gevoerd met de omwonenden en vooroverleg met de daartoe aangewezen instanties. Het verslag van de omgevingsdialoog is opgenomen in Bijlage 10. Er zijn vanuit het Waterschap opmerkingen gekomen die hebben geleid tot aanpassing van het plan. De regels zijn hierdoor aangepast en de waterparagraaf in de toelichting is verder uitgewerkt. De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is van toepassing). Het ontwerp is in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken, van 15 december 2023 tot en met 25 januari 2024. Gedurende deze periode is eenieder in de gelegenheid gesteld zienswijzen kenbaar te maken. Van deze mogelijkheid is door twee partijen gebruik gemaakt. De zienswijzen en de manier waarop deze zijn verwerkt in het plan wordt besproken in de Nota van zienswijzen, welk eis opgenomen in Bijlage 11. Het plan is ter vaststelling aangeboden aan de gemeenteraad. Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd.

Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens kan er beroep worden ingesteld tegen de eventueel gewijzigde onderdelen. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.

41 Toelichting bestemmingsplan Verlengde Reekstraat 1 te Beuningen

7 Bijlagen ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3: Bijlage 4: Bijlage 5: Bijlage 6a: Bijlage 6b: Bijlage 6c: Bijlage 7: Bijlage 8: Bijlage 9: Bijlage 10: Bijlage 11:

Situatietekening Schets sfeerimpressie Landschappelijk inpassingsplan Bodemonderzoek Archeologisch onderzoek Stikstofdepositieonderzoek AERIUS-verschilberekening bestaande situatie en realisatiefase AERIUS-verschilberekening bestaande- en beoogde situatie Ecologisch quickscan flora en fauna Nader onderzoek vleermuizen Akoestisch onderzoek Verslag omgevingsdialoog Nota van zienswijzen

42 Toelichting bestemmingsplan Verlengde Reekstraat 1 te Beuningen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beuningen&id=66b7c912-e851-49d8-998c-16f67ed8fec9