Bijlage 01 Toelichting bestemmingsplan Verlengde Reekstraat 1 Beuningen
Tekst van het document
Toelichting bestemmingsplan Verlengde Reekstraat 1, Beuningen
Gemeente Beuningen
Colofon: Opgesteld door:
Van Santvoort Advies B.V. Berg 2-4 5671 CC Nuenen
Plangebied:
Verlengde Reekstraat 1 6642 KM Beuningen
Kenmerk:
BCO100267
Datum:
4 juni 2024
Status:
Ter vaststelling
IMRO-code:
NL.IMRO.0209.BPVerlReekstr1-vadf
2 Toelichting bestemmingsplan Verlengde Reekstraat 1 te Beuningen
Inhoudsopgave 1
Inleiding ............................................................................................................................... 5 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
2
Planbeschrijving................................................................................................................... 8 2.1 2.2 2.3
3
Aanleiding en doel ................................................................................................................... 5 Ligging van het plangebied ...................................................................................................... 5 Vigerend bestemmingsplan ..................................................................................................... 5 Procedure ................................................................................................................................ 6 Leeswijzer ................................................................................................................................ 7
Bestaande situatie ................................................................................................................... 8 Beoogde situatie ...................................................................................................................... 9 Landschappelijk inpassingsplan ............................................................................................. 11
Beleidskader ...................................................................................................................... 13 3.1 Rijksbeleid .............................................................................................................................. 13 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie .............................................................................................. 13 3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking........................................................................... 13 3.2 Provinciaal beleid ................................................................................................................... 14 3.2.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland ................................................................................... 14 3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland ............................................................................... 15 3.3 Gemeentelijk beleid ............................................................................................................... 15 3.3.1 Omgevingsvisie gemeente Beuningen ........................................................................... 15 3.3.2 Bestemmingsplan .......................................................................................................... 16
4
Omgevingsaspecten .......................................................................................................... 17 4.1 Waterparagraaf ..................................................................................................................... 17 4.2 Bodem ................................................................................................................................... 20 4.3 Cultuurhistorie en Archeologie .............................................................................................. 20 4.3.1 Cultuurhistorie ............................................................................................................... 21 4.3.2 Archeologie .................................................................................................................... 21 4.4 Verkeer en parkeren .............................................................................................................. 23 4.4.1 Verkeer .......................................................................................................................... 23 4.4.2 Parkeren ........................................................................................................................ 25 4.5 Wet natuurbescherming ........................................................................................................
26 4.5.1 Bescherming op gebiedsniveau ..................................................................................... 26 4.5.2 Soortenbescherming...................................................................................................... 27 4.5.3 Houtopstanden .............................................................................................................. 28 4.6 Milieuaspecten ...................................................................................................................... 28 4.6.1 Bedrijven en milieuzonering .......................................................................................... 28 4.6.2 Geur ............................................................................................................................... 29 4.6.3 Geluid............................................................................................................................. 30 4.6.4 Luchtkwaliteit ................................................................................................................ 31 4.6.5 Externe veiligheid .......................................................................................................... 34 4.7 Vormvrije m.e.r-beoordeling ................................................................................................. 38
5
Juridische planopzet .......................................................................................................... 40 5.1 5.2 5.3
Planvorm................................................................................................................................ 40 Verbeelding............................................................................................................................ 40 Planregels .............................................................................................................................. 40 3
Toelichting bestemmingsplan Verlengde Reekstraat 1 te Beuningen
6
Uitvoerbaarheid ................................................................................................................ 41 6.1 6.2
7
Economische uitvoerbaarheid ............................................................................................... 41 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ........................................................................................ 41
Bijlagen .............................................................................................................................. 42
4 Toelichting bestemmingsplan Verlengde Reekstraat 1 te Beuningen
1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt een inleiding gegeven op het plan. Eerst worden de aanleiding en het doel van het plan, de ligging van het plangebied, het vigerend planologisch regime en de procedure beschreven. Tot slot is een leeswijzer voor deze toelichting opgenomen.
1.1 Aanleiding en doel Aan de Verlengde Reekstraat 1 te Beuningen was tot voorheen een manege gevestigd met onder andere twee bedrijfswoningen, een paardensportcentrum en paardenfaciliteiten. Initiatiefnemer is voornemens de manege te slopen en te herbouwen tot gebruiksgerichte paardenhouderij. De huidige bebouwing voldoet niet aan de gestelde dierenwelzijnsnormen, omdat de stallen en de rijbakken te klein zijn. Het doel van de gebruiksgerichte paardenhouderij is het bieden van (vol)pension voor paarden waarvan de eigenaren geen ruimte en/of tijd hebben voor de dagelijkse verzorging van het paard. Om het initiatief mogelijk te maken is een partiële herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Voor de ontwikkelingsplannen is een principeverzoek ingediend, waarop het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Beuningen op 21 maart 2023 aangegeven heeft medewerking te verlenen onder bepaalde voorwaarden. Bij de uitwerking van voorliggend bestemmingsplan zijn deze voorwaarden betrokken. Middels deze toelichting wordt het plan nader onderbouwd.
1.2 Ligging van het plangebied Het plangebied is gelegen aan de Verlengde Reekstraat 1, 6642KM te Beuningen. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Beuningen, sectie G, nummers 780, 782, 783, 784, 785, 802, 803, 874 en 876. Het plangebied is gelegen in het buitengebied ten zuidoosten van de kern Beuningen. Het is omgeven door de Beuningse Plas, waar momenteel zand gegraven wordt zodat er in de komende jaren een plas kan ontstaan. Aan de zuidzijde is de A73 gelegen en aan de noordzijde de Waal. In de navolgende afbeelding is de ligging ten opzichte van De Waal, Beuningen, Wezel, Wijchen, Beuningse Plas en Nijmegen weergeven. Navolgende afbeelding geeft de globale ligging van het plangebied weer.
Afbeelding 1: Ligging plangebied (bron: https://www.ruimtelijkeplannen.nl)
1.3 Vigerend bestemmingsplan Het vigerend planologisch regime ter plaatse van het plangebied is vervat in de bestemmingsplan ‘Verlengde Reekstraat 1’, dat is vastgesteld op 24-09-2019. Het plangebied heeft hierin de volgende bestemmingen en aanduidingen gekregen: ▪ Enkelbestemming: Sport; ▪ Dubbelbestemming: Leiding – Gas;
5 Toelichting bestemmingsplan Verlengde Reekstraat 1 te Beuningen
▪ ▪
Figuur: hartlijn leiding – gas; Bouwvlak.
De locatie heeft in het bestemmingsplan ‘Parapluplan Archeologie’, dat is vastgesteld op 11-07-2023, gedeeltelijk de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 6’ en de gebiedsaanduidingen ‘overige zone – attentiegebied archeologisch onderzoekgebied’ en ‘overige zone - bodemverstoringen’ gekregen. In Afbeelding 2 is een uitsnede van het plangebied opgenomen uit de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan. Het bouwvlak is geel omlijnd.
Afbeelding 2: Uitsnede vigerende bestemmingsplan
Het vigerende bestemmingsplan bevat geen binnenplanse afwijkings- en/of wijzigingsbevoegdheden om het initiatief mogelijk te maken. Het college heeft in haar principebesluit d.d. 21-03-2023 aangegeven medewerking te willen verlenen middels een partiële herziening. Het bestemmingsplan moet derhalve worden herzien conform artikel 3.1 van de Wro.
1.4 Procedure Het voornemen past niet binnen de bepalingen van het bestemmingsplan. Voor het planvoornemen dient een bestemmingsplan te worden vastgesteld, conform artikel 3.1 eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Blijkens artikel 3.8 Wro is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Dit houdt in dat het ontwerpplan gedurende zes weken voor eenieder ter inzage wordt gelegd. Tijdens deze periode van zes weken kan door belanghebbenden een zienswijze worden ingediend. Gedurende de inzagetermijn liggen de verbeelding, regels en toelichting inclusief bijlagen, ter inzage. Binnen twaalf weken nadat het ontwerp ter inzage heeft gelegen, moet de gemeente beslissen over de vaststelling van het plan (termijn van goede orde). Hierbij worden eventuele zienswijzen in acht genomen. Nadat het bestemmingsplan is vastgesteld wordt het opnieuw zes weken ter inzage gelegd. Binnen deze zes weken kunnen belanghebbenden beroep indienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als er geen beroep wordt ingesteld, dan is het plan daags na afloop van de beroepsperiode onherroepelijk. Zodra het plan in werking is getreden kunnen, indien van toepassing, de benodigde omgevingsvergunningen voor het beoogde initiatief worden ingediend.
6 Toelichting bestemmingsplan Verlengde Reekstraat 1 te Beuningen
1.5 Leeswijzer In deze toelichting zal nader worden ingegaan op de volgende aspecten, te weten; ▪ Planbeschrijving (hoofdstuk 2); ▪ Het beleidskader (hoofdstuk 3); ▪ De milieuaspecten (hoofdstuk 4); ▪ De juridische planopzet (hoofdstuk 5); ▪ De uitvoerbaarheid van het plan (hoofdstuk 6).
7 Toelichting bestemmingsplan Verlengde Reekstraat 1 te Beuningen
2 Planbeschrijving In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van de bestaande situatie en de beoogde situatie na de voorgenomen ontwikkeling.
2.1 Bestaande situatie Aan de Verlengde Reekstraat 1 te Beuningen is momenteel een manege gelegen. De percelen hebben een oppervlakte van 41.575 m2. Het geldende bouwvlak heeft een oppervlakte van ruim 9.000 m2. Navolgende afbeelding geeft een luchtfoto van het plangebied weer. Het plangebied is in het rood omlijnd.
Afbeelding 3: Luchtfoto plangebied (bron: https://www.ruimtelijkeplannen.nl) Op de bestaande manege worden 42 volwassen paarden, 28 paarden in opfok en 6 pony’s gehouden. Momenteel zijn er twee vrijstaande bedrijfswoningen, een paardensportcentrum, een vrijstaande schuur met opslagruimte en inpandige stapmolen, een mestplaat, een buitenpiste gelegen. In het paardensportcentrum zijn twee rijhallen, een bedrijfsgebouw met horecagelegenheid, paardenboxen en een kleinschalige ruitersportzaak aanwezig. De overige gronden zijn in gebruik als paddock of weide. Hieronder wordt een beschrijving gegeven van de bedrijfsbebouwing. ▪ Bedrijfswoning A Bedrijfswoning A heeft een oppervlakte van circa 190 m 2 en is gelegen op perceel 802. ▪ Bedrijfswoning B Bedrijfswoning B heeft een oppervlakte van circa 135 m 2 en is gelegen op perceel 803. ▪ Paardensportcentrum Het paardensportcentrum heeft een oppervlakte van circa 4.478 m2 en is gelegen op perceel 782. Rijhal A heeft een afmeting van 20 x 40 meter en rijhal B van 20 x 60 meter. Er zijn in totaal 68 paardenboxen gelegen. In het centrum zijn ook een horecagelegenheid en een kleinschalige ruitersportzaak gevestigd. ▪ Schuur met opslagruimte en inpandige stapmolen De schuur heeft een oppervlakte van circa 930 m2 en is gelegen op perceel 782. Ten noordwesten van deze schuur is een vaste mestplaat gelegen.
▪ Buitenpiste De buitenpiste heeft een afmeting van 20 x 60 meter en is gedeeltelijk op perceel 785 en 782 gelegen.
8 Toelichting bestemmingsplan Verlengde Reekstraat 1 te Beuningen
Navolgende afbeelding geeft een overzicht van de bedrijfsbebouwing weer.
Afbeelding 4: Overzicht bedrijfsbebouwing plangebied
2.2 Beoogde situatie Initiatiefnemers is voornemens een gebruiksgerichte paardenhouderij te realiseren en de bestaande manege te beëindigen en te slopen. Om de beoogde plannen te realiseren, zal circa 5600 m2 aan bedrijfsbebouwing gesloopt worden. De huidige bebouwing voldoet namelijk niet aan de gestelde dierenwelzijnsnormen, omdat de stallen en de rijbakken te klein zijn. Het is gewenst om 56 volwassen paarden te houden. Ten behoeve van de paardenhouderij worden een rijhal met twee binnenpistes, paardenboxen, wasplaatsen, een zadelkamer, een kantine, een vergaderruimte, een kantoor, een foyer en vier groomverblijven ontwikkeld. De zorg voor paarden is geen 9 tot 5 baan, omdat de paarden dag en nacht zorg nodig hebben. Daarom zullen er vier groomverblijven boven de foyer ontwikkeld worden. Daarnaast worden er twee buitenbakken, een opslagruimte, een stapmolen, een longeercirkel, een bijgebouw en een bedrijfswoning gerealiseerd. De overige gronden zullen in gebruik als paddock, weiland of tuin zijn. Het doel van de gebruiksgerichte paardenhouderij is het bieden van (vol)pension voor paarden waarvan de eigenaren geen ruimte en/of tijd hebben voor de dagelijkse verzorging van het paard. Tegen een maandelijks tarief biedt de paardenhouderij deze verzorging en alle bijbehorende taken aan voor paard en diens eigenaar.
Dit zijn taken zoals binnen en buiten zetten van het paard, het schoonmaken en op strooien van de stallen, het voeren van de paarden etc. Tevens is er de mogelijkheid tot halfpension. Dit houdt in dat de klant de verzorging rondom het paard geheel zelf uitvoert en alleen de paardenboxen en faciliteiten van de accommodatie huurt. Het streven is om kwaliteit te bieden voor zowel paard als eigenaar. Door de wensen en behoeften te bespreken staat tevredenheid en het welzijn van mens en dier hoog in het vaandel. De paardenhouderij biedt kwaliteit en professionaliteit waarbij het welzijn van de klant en het paard centraal staan. Wat het beginnen van een gebruiksgerichte paardenhouderij op deze locatie zo aantrekkelijk maakt zijn de vele faciliteiten waar gebruik van gemaakt kan worden. Denk hierbij aan een binnen- en buitenbak, een overdekte stapmolen en een longeercirkel. Zo kunnen paard en ruiter altijd terecht, onder alle soorten weersomstandigheden. De paardenhouderij en de bedrijfswoning worden gasloos en duurzaam gebouwd conform de moderne eisen ten aanzien van klimaatadaptatie en energiebesparing. De bedrijfswoning en de paardenhouderij zullen
9 Toelichting bestemmingsplan Verlengde Reekstraat 1 te Beuningen
zelfvoorzienend zijn op het gebied van energie. Het plan voorziet daarom niet alleen in zonnepanelen, maar wordt onder andere ondersteund door warmtepompen. Navolgende afbeelding geeft de beoogde indeling van het plangebied weer. De situatietekening op schaal is toegevoegd in Bijlage 1.
Afbeelding 5: Situatieschets plangebied
In de navolgende afbeelding is een schets van de sfeerimpressie van het plangebied weergeven. De schets is toegevoegd in Bijlage 2.
Afbeelding 6: Schets sfeerimpressie plangebied
10 Toelichting bestemmingsplan Verlengde Reekstraat 1 te Beuningen
Om de plannen mogelijk te maken zal de vorm van het bouwvlak enigszins veranderd moeten worden, zodat alle bedrijfsbebouwing binnen het bouwvlak gebouwd kan worden. De oppervlakte van het bouwvlak blijft gelijk en zal dus niet toenemen. Echter zal de bebouwingsoppervlakte binnen het bouwvlak met circa 1.400 m2 toenemen. Daarnaast heeft het plangebied momenteel een sportbestemming. Binnen de huidige bestemming ‘Sport’ zijn de gronden bestemd voor het gebruik als manege en de daarbij behorende horeca en detailhandel. Om een gebruiksgerichte paardenhouderij te realiseren zal de bestemming veranderd moeten worden naar ‘Bedrijf’ met functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - gebruiksgerichte paardenhouderij', omdat een gebruiksgerichte paardenhouderij niet onder ‘Sport’ valt. De functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - gebruiksgerichte paardenhouderij' is gericht op een uit bedrijfseconomisch oogmerk opgezette houderij voor paarden die uitsluitend of in hoofdzaak is gericht op het trainen en het africhten van paarden van derden, waarbij tevens als ondergeschikte nevenactiviteit is toegestaan het geven van instructie aan ruiter en paard; hierbij zijn publieksen/of verkeersaantrekkende activiteiten niet toegestaan.
Een gebruiksgerichte paardenhouderij richt zich dus niet op het beoefenen van de paardensport en het lesgeven aan derden, waardoor het niet passend is binnen de huidige bestemming.
2.3 Landschappelijk inpassingsplan Om kwaliteitsverbetering te garanderen zal het initiatief zorgvuldig landschappelijk worden ingepast. Hiervoor is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Het plan bestaat uit diverse bestaande en nieuw aan te planten landschapselementen. De landschapselementen welke aanwezig zijn, aangelegd en onderhouden gaan worden zijn: ▪ Solitaire bomen, boom- groepen en rijen; ▪ Bosplantsoen; ▪ Gemengde hagen; ▪ Geschoren en blokhagen; ▪ Blokhaag; ▪ Heesterbeplanting. Binnen de gekozen beplanting is rekening gehouden met het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) van gemeenten Beuningen, Druten en Wijchen. Uitgangspunt is dat grotendeels streekeigen inheemse soorten worden aangeplant daarbij rekening houdend met de giftigheid van de beplanting voor paarden. Ook verhoogt het gebruik van inheemse soorten de beeldkwaliteit van het plangebied. Navolgend de afbeelding van het landschappelijk inpassingsplan. De rapportage en schets van het landschappelijk inpassingsplan zijn tevens bijgevoegd in Bijlage 3.
11 Toelichting bestemmingsplan Verlengde Reekstraat 1 te Beuningen
Afbeelding 7: Schets Landschappelijk inpassingsplan
12 Toelichting bestemmingsplan Verlengde Reekstraat 1 te Beuningen
3 Beleidskader In dit hoofdstuk wordt voor zover relevant het ruimtelijke beleid voor het plangebied beschreven.
3.1 Rijksbeleid Het beleidskader op nationaal niveau is vervat in de Nationale Omgevingsvisie en de Ladder voor duurzame verstedelijking.
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) bevat de hoofdzaken van het beleid voor de fysieke leefomgeving. Het biedt perspectief om grote opgaven aan te pakken, om samen het land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Uit de Omgevingswet volgt dat al het strategische beleid uit de bestaande beleidsdocumenten1, met en zonder wettelijke grondslag, én het nieuwe strategische beleid op het beleidsterrein van de fysieke leefomgeving worden opgenomen in de NOVI. De NOVI staat voor een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Het biedt ruimte voor economische ontwikkeling, mobiliteit, reductie van stikstofemissies, wonen en herstel van biodiversiteit.
De NOVI richt zich op vier prioriteiten; ▪ Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie ▪ Duurzaam economisch groeipotentieel ▪ Sterke en gezonde steden en regio’s ▪ Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Binnen het landelijk gebied stelt de NOVI de volgende beleidskeuzes: ▪ In het landelijk gebied verbeteren we de balans tussen het landgebruik en de omgevingswaarde van bodem, water en lucht; ▪ We beschermen en versterken de biodiversiteit, en benutten ons natuurlijk kapitaal duurzaam; ▪ We realiseren een duurzaam en vitaal landbouw- en voedselsysteem, gebaseerd op kringlopen en natuurinclusiviteit; ▪ Unieke landschappelijke kwaliteiten worden versterkt en beschermd. Nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebied voegen landschapskwaliteit toe. Omgevingsbeleid wordt landschap inclusief. Beoogde plannen omvatten een landschappelijk inpassingsplan welke extra landschapskwaliteit toevoegt. In paragraaf 2.3 ‘Landschappelijke inpassing’ is dit plan nader toegelicht. Daarnaast wordt er rekening gehouden met de omgevingswaarden bodem, water en lucht. Geconcludeerd kan worden dat beoogde plannen aansluiten bij beleidskeuzes van de NOVI.
3.1.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
In het geval van stedelijke ontwikkeling dient getoetst te worden aan de Ladder voor duurzame verstedelijking conform artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De ladder heeft als doel te komen tot een zorgvuldig ruimtegebruik waarbij goede afwegingen worden gemaakt waar gebouwd mag worden. Daarnaast is de ladder erop gericht om ontwikkelingen die een ruimtelijke impact hebben zoveel mogelijk binnen het bestaande stedelijk gebied op te vangen waardoor verstening van het buitengebied wordt tegengegaan. Het is een toetsingsinstrument dat gevolgd moet worden bij ruimtelijke ontwikkelingen. De Ladder is van toepassing op plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken en bepaalt dat de toelichting op dat plan een beschrijving dient te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling en - indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied - een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Voordat getoetst wordt aan de ladder, moet worden vastgesteld of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling, bedoeld als in artikel 1.1.1 Bro. Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: nieuwe bebouwing die een stedelijk karakter heeft zoals woningbouw, realisatie winkelruimte, kantoorpanden, bedrijventerreinen of overige stedelijke functies.
Onder de Omgevingswet, die in werking treedt op 1 januari 2024, geldt het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalt dat de Ladder betrekking heeft op een stedelijke
13 Toelichting bestemmingsplan Verlengde Reekstraat 1 te Beuningen
ontwikkeling die voldoende substantieel is. Vooralsnog mag ervan worden uitgegaan dat de rechtspraak over de ladder voor duurzame verstedelijking onder Bro ook geldt voor het komende Bkl. De Raad van State heeft de norm voor een stedelijke ontwikkeling al veelvuldig ingevuld en daardoor verder begrensd. Op basis van de jurisprudentie dient voor toepassing van de Ladder voor duurzame verstedelijking getoetst te worden aan de volgende vragen: a. Voorziet het besluit in een stedelijke ontwikkeling? b. Voorziet het besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? c. Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? d. Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied? e. Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren? Als een vraag positief kan worden beantwoord dient de Ladder verder te worden doorlopen. Wanneer een vraag negatief wordt beantwoord is de Ladder niet (verder) van toepassing. a. Voorziet het besluit in een stedelijke ontwikkeling? De vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling hangt af van de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkeling. Beoordeeld dient te worden of het initiatief valt onder één van de genoemde ‘stedelijke ontwikkelingen’ in het Bro.
Verder dient de in een bestemmingsplan voorziene ontwikkeling voldoende substantieel te zijn om als stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt. Een stedelijke ontwikkeling is in het Bro gedefinieerd als ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of ander stedelijke voorzieningen’. Een gebruiksgerichte paardenhouderij kan worden aangewezen als accommodatie voor indoor sport en valt daarmee onder de categorie recreatie. Op basis hiervan behoort een pensionstal dus tot een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in de Bro. Gezien de aard en omvang van het initiatief kan dus worden geconcludeerd dat er hier sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Dat betekent dat verder wordt getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. b. Voorziet het besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? Om te bepalen of met de stedelijke ontwikkeling ook sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden beoordeeld of er een nieuw of groter beslag op de ruimte is. Of te wel, maakt het ruimtelijk besluit meer bebouwing mogelijk dan het geldende omgevingsplan toestaat. Van belang is dus welke planologisch beslag op de ruimte het initiatief mogelijk maakt in vergelijking met het vorige plan.
Een bestemmingsplan dat ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan geen uitbreiding van de maximaal toegelaten oppervlakte van bedrijfsbebouwing mogelijk maakt, maar alleen een planologische functiewijziging, voorziet in beginsel niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, tenzij die planologische functiewijziging een zodanige aard en omvang heeft dat desalniettemin sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 20 april 2016; ECLI:NL:RVS:2016:1075). Het plan voorziet ten opzichte van het vorige bestemmingsplaan niet in uitbreiding van de bebouwingsmogelijkheden, en derhalve niet in nieuwe ruimtebeslag, maar uitsluitend in uitbreiding van de gebruiksmogelijkheden. Bovendien werd een manege reeds als een stedelijk ontwikkeling gecategoriseerd, waardoor er bij de realisatie van een gebruiksgerichte paardenhouderij geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Derhalve is de Ladder niet verder van toepassing.
3.2 Provinciaal beleid Het relevante provinciaal beleid is vervat in de ‘Omgevingsvisie Gaaf Gelderland’ en de ‘Omgevingsverordening Gelderland’.
3.2.1
Omgevingsvisie Gaaf Gelderland
Op 19 december 2018 hebben de Provinciale Staten de ‘Omgevingsvisie Gaaf Gelderland’ vastgesteld. Hierin worden de lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving beschreven.
14 Toelichting bestemmingsplan Verlengde Reekstraat 1 te Beuningen
De provincie legt in deze visie de focus op een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Hierbij zijn er vier themakaarten opgesteld: Ruimtelijk beleid, Waterbeleid, Milieubeleid, Natuur- en Landschapsbeleid. Daarnaast zijn er zeven met elkaar samenhangende ambities vastgesteld: ▪ Energietransitie: van fossiel naar duurzaam. Een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend bij de Gelderse kwaliteiten; ▪ Klimaatadaptatie: omgaan met veranderend weer. Een op de toekomst toegerust klimaatbeleid; ▪ Circulaire economie: sluiten van kringlopen. Een voortvarend en innovatief circulair zonder afval; ▪ Biodiversiteit: werken met de natuur en een beschermend beleid voor biodiversiteit; ▪ Bereikbaarheid: efficiënte, duurzame en innovatieve bereikbaarheid, toegesneden op de veranderende vraag; ▪ Vestigingsklimaat; een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economische vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat; ▪ Woon- en leefklimaat: een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat anticipeert op ontwikkelingen. Conclusie De beoogde ontwikkeling is als kleinschalig aan te merken in verhouding tot de gebiedsambities van de provincie Gelderland.
Het plan voorziet in de herbestemming van een manege tot een gebruiksgerichte paardenhouderij en neemt daarbij de ruimtelijke kwaliteit in acht, doordat het bestemmings- en bouwvlak in omvang gelijk blijven. Gezien het schaalniveau raakt de ontwikkeling niet de basis- en hoofdopgaven uit de Omgevingsvisie. Daardoor past het plan in de opgenomen ambities en kaders uit de Omgevingsvisie.
3.2.2
Omgevingsverordening Gelderland
Het geldende ruimtelijke beleid van de provincie Gelderland is vervat in de Omgevingsverordening Gelderland (februari 2022). De provincie Gelderland heeft haar omgevingsverordening in 2021 met het actualisatieplan 8 vernieuwd. In deze verordening staan regels over hoe er met de buitenruimte en de leefomgeving moet worden omgegaan. Het actualisatieplan 8 bestaat uit twee delen, waarvan het eerste deel geldig is sinds 1 februari 2022. Hierin staan regels op het gebied van natuur, water, zonnevelden, provinciale wegen en glastuinbouw. Het andere deel gaat pas gelden als de Omgevingswet in werking treedt. In de Omgevingsverordening Gelderland zijn momenteel geen specifieke voorwaarden vastgesteld die van belang zijn voor de beoogde ontwikkeling. De Omgevingsverordening vormt hierdoor geen belemmering voor de nieuw te bouwen gebruiksgerichte paardenhouderij.
3.3 Gemeentelijk beleid Het relevante gemeentelijke beleid is vervat in de ‘Omgevingsvisie gemeente Beuningen’ en het bestemmingsplan ‘Verlengde Reekstraat 1’.
3.3.1
Omgevingsvisie gemeente Beuningen
Het relevante gemeentelijke beleid is op 21-12-2021 vastgelegd in de Omgevingsvisie Beuningen 2040. De Omgevingsvisie Beuningen 2040 is opgesteld met het oog op de komende Omgevingswet. De Omgevingsvisie is een visie op hoofdlijnen voor de héle gemeente. De visie gaat over de fysieke leefomgeving en richt zich op mogelijkheden om te wonen, werken, recreëren, ondernemen, maar ook op een gezond en veilig leefklimaat. In de Omgevingsvisie richt de gemeente Beuningen zich op vijf ambities. Deze ambities zijn gebaseerd op de analyse van de trends en ontwikkelingen die op de gemeente af komen en de beleidsanalyse, zoals die zijn opgenomen in de Notitie van Uitgangspunten Omgevingsvisie Beuningen. De vijf ambities voor de fysieke leefomgeving in de komende jaren zijn: ▪ Beuningen heeft voldoende woningen en voldoende bereikbare voorzieningen op de juiste plek, waardoor we leefbare kernen hebben; ▪ Beuningen is gezond, inclusief en veilig; ▪ Beuningen is energieneutraal en klimaatbestendig; ▪ Beuningen heeft een schone leefomgeving met een waterkwaliteit, bodemkwaliteit en luchtkwaliteit die voldoen aan de normen. Ook heeft Beuningen zo min mogelijk hinder van geluid, geur, licht en omgevingsrisico’s. Beuningen streeft naar vergroting van de biodiversiteit; ▪ Beuningen is ondernemend en uitnodigend. De opgaven voor specifieke plekken zijn op de visiekaart gezet.
Het plangebied is op basis van de Omgevingsvisiekaart in ‘De Kommen’ en ‘Landschappelijke zone ontwikkelen met ruimte voor beweging en sport’ gelegen. Onder
15 Toelichting bestemmingsplan Verlengde Reekstraat 1 te Beuningen
het deelgebied ‘Kommen’ valt het buitengebied ten zuiden van de oeverwallen. Kenmerkend voor het gebied zijn de grootschalige openheid en rechte verkaveling, met lange rechte wegen en laanbeplanting. In het kommengebied zijn nieuwe functies mogelijk in combinatie met bestaande agrarische functies (functieverbreding van het agrarische bedrijf) of als functieverandering van een voormalig agrarisch bouwperceel. De volgende ontwikkelingen zijn in de Kommen gewenst: ▪ Behoud agrarische functie; ▪ Versterken biodiversiteit op agrarische percelen; ▪ Recreatieve (hoogwaardige) verbindingen vanuit de kernen en regionale fietsroutestructuren; ▪ Recreatie in combinatie met natuurontwikkeling/waterberging; ▪ Landschappelijke en ecologische versterking door de toename van diversiteit in de natuur en verbinding van (natuur)gebieden; ▪ Energiepark (met doorzichten, educatie, recreatie). Navolgende afbeelding geeft de gebiedsgerichte uitwerking weer. Het plangebied is in het rood omcirkeld.
Afbeelding 8: Uitsnede gebiedsgerichte uitwerking omgevingsvisie De ontwikkeling omvat het herbestemmen van een manege tot een gebruiksgerichte paardenhouderij. Dit sluit goed aan bij de omgevingsvisie van de gemeente. In de omgevingsvisie wordt stilgestaan bij de recreatieve ontwikkelingen in het buitengebied. De huidige verouderde bebouwing wordt gesloopt en in plaats daarvan wordt een kwalitatief hoogwaardige paardenhouderij met diverse faciliteiten ontwikkeld. Deze ontwikkeling heeft een positief effect op de omgeving, waarbij het landschappelijke en natuurlijke karakter van het gebied behouden blijft. Derhalve is het initiatief passend binnen de Omgevingsvisie van gemeente Beuningen.
3.3.2
Bestemmingsplan
In paragraaf 1.3 van deze toelichting is het vigerende bestemmingsplan dat op het plangebied van toepassing is toegelicht. Hieruit blijkt dat het vigerende bestemmingsplan geen binnenplanse afwijkings- en/of wijzigingsbevoegdheden bevat voor de realisatie van een nieuw bouwvlak binnen de huidige bestemmingen. Het college heeft in haar principebesluit d.d. 21 maart 2023 aangegeven medewerking te willen verlenen middels een partiële herziening. Het bestemmingsplan moet derhalve worden herzien op conform artikel 3.1 van de Wro.
16 Toelichting bestemmingsplan Verlengde Reekstraat 1 te Beuningen
4 Omgevingsaspecten In dit hoofdstuk worden alle relevante omgevingsaspecten benoemd. Doel van dit hoofdstuk is om aan te tonen dat de ontwikkeling past binnen een goede ruimtelijke ordening, een goed woon- en leefklimaat en de ontwikkeling wordt getoetst aan milieutechnische aspecten.
4.1 Waterparagraaf Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient er op basis van Europees beleid, Rijksbeleid en provinciaal beleid rekening gehouden te worden met de aanwezige watersystemen en waterketens. Het waarborgen en zorgdragen voor een goede afvoer en doorstroming van water moet verplicht opgenomen worden in ieder plan. Derhalve moet ieder plan voorzien zijn van een waterparagraaf. Rijksbeleid Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is van toepassing. In dit plan is het nationaal waterbeleid op hoofdlijnen omschreven en zijn de ruimtelijke aspecten die de doelstellingen die hieruit voorkomen opgenomen. Het Rijksbeleid richt zich met name op de waterveiligheid t.a.v. de grote rivieren; de Maas, Waal en Rijn en de kustlijn, de omgang met zoetwatergebieden, de algemene waterkwaliteit en grote watergebieden zoals Rijn-Maas delta, IJsselmeer gebied etc. De beoogde ontwikkelingen zijn van dermate kleine omvang dat het rijksbeleid geen gevolgen dan wel consequenties heeft voor het beoogde plan. Provinciaal beleid Het Regionaal waterprogramma 2021-2027 is van toepassing. Op 15 december 2021 hebben de Provinciale Staten van Gelderland het Regionaal waterprogramma 2021-2027 vastgesteld.
In dit Regionaal waterprogramma worden de uitdagingen waarvoor we staan, waar we naartoe willen werken en wat we concreet de komende tijd op het gebied van water gaan bijdragen aan de ambities uit onze Omgevingsvisie en het coalitieakkoord. In het programma wordt beschreven waar de provincie Gelderland voor staat, waar ze naartoe willen en wat ze concreet de komende tijd op het gebied van water gaan bijdragen aan de ambities uit de Omgevingsvisie en het coalitieakkoord. Voor het waterbeleid zijn er 3 uitgangspunten: ▪ Voorkomen is beter dan genezen. Het bodem- en watersysteem is een belangrijke basis voor onze fysieke leefomgeving en een sleutel naar duurzaamheid en klimaatbestendigheid. We werken aan herstel en we zorgen dat nieuwe functies en nieuwe ontwikkelingen het systeem versterken. ▪ Als ontwikkelingen verwachte negatieve effecten hebben op het bodem- en watersysteem, verwachten we van initiatiefnemers maatregelen om die te beperken en/of compenseren. ▪ Diverse grote maatschappelijke opgaven waaraan we met onze partners werken, vragen om een gebiedsgerichte aanpak. Denk aan het verminderen van stikstof en uitstoot van CO2, de aanpak van PFAS, medicijnresten en nieuwe stoffen, aanpassing aan het veranderende klimaat, vergroten van de biodiversiteit, de stijgende vraag naar grond- en drinkwater, en ruimte voor nieuwe woningen of natuur.
Deze opgaven komen samen in gebieden. Daarom is een aanpak per gebied het effectiefst. Waar mogelijk proberen we hierbij gebruik te maken van innovatietechnieken en vormen van samenwerking. In relatie tot Europese doelen is het waterprogramma bindend voor de waterschappen. Het werkt door als toetsingskader voor milieubelastende activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor watersystemen en wateractiviteiten als bedoeld in de Omgevingswet. Dit waterprogramma houdt uiteraard rekening met de inhoudelijke thema’s van het Nationaal waterprogramma (NWP) van het Rijk. Waterschap Rivierenland - Waterbeheerprogramma 2022 – 2027 Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 'Versterken, verbinden, vergroenen' beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema's: ▪ beschermen tegen overstromingen ▪ water eerlijk verdelen ▪ voorbereiden op extreem weer ▪ streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit ▪ bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur ▪ kwaliteitsverbetering zwemwater
17 Toelichting bestemmingsplan Verlengde Reekstraat 1 te Beuningen
▪ ▪
toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit toewerken naar circulariteit.
Het watertoetsproces moet ervoor zorgen dat bij ruimtelijke plannen en besluiten voldoende rekening wordt gehouden met water en watervoorzieningen. De uitgangspunten die door het waterschap worden gehanteerd in het kader van de watertoets kunnen worden verwoord als: ▪ Waterneutraal inrichten: om te voorkomen dat door de aanleg van nieuw verhard oppervlak wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang om het verlies aan waterberging in de bodem te compenseren. ▪ Schoon inrichten: om te voorkomen dat de waterkwaliteit van het oppervlaktewater negatief wordt beïnvloed. Binnen het stedelijk gebied zal daarom schoon hemelwater van nieuwbouwprojecten gescheiden van het vuilwater moeten worden afgevoerd: afkoppelen. Het waterschap streeft naar 100% afkoppeling van schoon hemelwater van verharde oppervlakken (gebouwen, wegen en ander terreinverharding). ▪ Veilig inrichten: door nieuwbouwplannen mag de veiligheid van een (primaire) waterkering, het waterkerend vermogen, niet worden aangetast. Dit geldt niet alleen voor de dijk zelf, maar tevens voor de beschermingszones ter weerszijden van de dijk. Voor het lozen van overtollig hemelwater op het oppervlaktewater, hetzij rechtstreeks, hetzij via een bestaande of een nieuwe inrichting (zoals een regenwaterriool), is een watervergunning noodzakelijk.
Daarnaast moeten in die gebieden die onderhevig zijn aan rivierkwel de effecten van de voorgenomen plannen op de kwel in beeld worden gebracht. Indien compensatie vereist is hanteert Waterschap Rivierenland de volgende twee ontwerpbuien ten aanzien van de benodigde bergingscapaciteit: ▪ De T=10+10% neerslag. Hierbij mag het peil (van het oppervlaktewater) niet meer dan 0,2 of 0,3 m stijgen, afhankelijk van het deelgebied waarin de ontwikkeling plaats vindt. Vuistregel hierbij is 436 m 3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 43,6 mm. ▪ De T=100+10%-neerslag. Hierbij is een peilstijging toegestaan tot laagste putdekselhoogte op wijkniveau. Vuistregel hierbij is 664 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 66,4 mm. Deze vuistregel geldt vooral voor droogvallende voorzieningen. Indien de waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van droogvallende retentie, wordt onderscheid gemaakt tussen systemen waarbij infiltratie naar de ondergrond wel en niet mogelijk is. In dat laatste geval moet de bodem van de voorziening zich gelijk of hoger dan de GHG bevinden en mag bij een ontwerpbui T=100+10% het systeem tot aan maaiveld gevuld zijn. De ledigingstijd van het systeem moet 48 tot 96 uur bedragen.
Legger Een legger is een door het waterschap vastgesteld register en geeft een overzicht van: ▪ Alle aanwezige waterlopen (sloten) en waterkeringen (dijken) inclusief kunstwerken; ▪ Wie verantwoordelijk is voor het beheer en onderhoud van sloten en kunstwerken. Dat betekent dat het gaat om de beheertaken en onderhoudsplichten van het waterschap en om de onderhoudsplichten van derden waarop het waterschap toezicht uitoefent; ▪ Waar de beschermingszone ligt, die noodzakelijk zijn voor het waterschap om haar beheerstaken te kunnen uitvoeren. Op deze beschermingszone zijn verbodsbepalingen, volgens de keur, van toepassing zijn. Ook is de legger een naslagwerk ten aanzien van waterstaatswerken. In navolgende afbeelding is een uitsnede opgenomen uit de Leggerkaart van Waterschap Rivierenland. De dichtstbijzijnde watergang in de omgeving is gelegen rondom het plangebied. Dit betreft een B-watergang. Voor de aangrenzende B-watergang geldt een minimaal 1 meter brede, obstakelvrije onderhoudsstrook en een onderhoudsplicht. Voor de aangrenzende C-watergang geldt een instandhoudingsplicht.
18 Toelichting bestemmingsplan Verlengde Reekstraat 1 te Beuningen
Afbeelding 9: Uitsnede Legger Waterschap Rivierenland
Afvalwater Het huishoudelijke afvalwater van de nieuwe woning wordt aangesloten op het bestaande vuilwaterriool. Hemelwater Het hemelwater wordt op eigen terrein verwerkt conform de voorkeursvolgorden hergebruik-infiltreren-bergenbovengronds afvoeren. Watertoets In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het afvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool net zoals het bedrijfsafvalwater. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel nietverontreinigd hemelwater geloosd wat afkomstig is van de daken en erfverharding. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Door middel van afschot van daken en erfverharding wordt dit hemelwater geloosd op omliggende perceelsloten. In de beoogde situatie wordt de manege herontwikkeld tot gebruiksgerichte paardenhouderij. Het verhard oppervlak zal van 5.114 m2 toenemen naar 6.460 m2. De beoogde paardenhouderij en de bedrijfswoning zullen opnieuw worden aangesloten op het gemeentelijk riool. De bedrijfsgebouwen kunnen gebruik maken van de bestaande rioolaansluiting. In de onderstaande tabel zijn de oppervlakten van de bebouwing in de huidige en beoogde situatie weergeven. Oppervlakten Paardenhouderij Bedrijfswoning(en) Opslag loods Mestopslag Stapmolen Longeercirkel Totaal
Huidige situatie (m2) 4.478 325 930 (inclusief stapmolen) 130 5.863
Beoogde situatie (m2) 5.965 225 450 110 260 260 7.270
Door middel van de Keur van Waterschap de Rivierenland kan worden bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Dit om versnelde afvoer van hemelwater op het watersysteem te voorkomen. Bij voorkeur wordt ervoor gezorgd dat het hemelwater alsnog kan infiltreren in de bodem, eventueel via mitigerende maatregelen zoals een retentievoorziening. Volgens De Keur is het nodig mitigerende maatregelen te voorzien wanneer het verhard oppervlak toeneemt met meer dan 500 m2, na inwerkingtreding van de Keur 2009 (01-04-2021). De grootte van de retentievoorziening moet in dat geval worden berekend conform de rekenregel die in de Algemene regels van de Keur van de waterschappen is geïntroduceerd. Deze rekenregel luidt als volgt:
19 Toelichting bestemmingsplan Verlengde Reekstraat 1 te Beuningen
Benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (m2) x ‘0,0436 of 0,0664’ (m3) Het hemelwater wat terecht komt op de erfverharding vloeit onder afschot direct af naar omliggende gronden. Hier is dus geen sprake van een toename in verhard oppervlak met puntlozing. In de beoogde situatie wordt het hemelwater, wat terecht komt op de buitenrijbakken, via het eb- en vloedsysteem opgevangen en gereguleerd. Het water wordt vastgehouden in natte periodes en vrijgegeven in droge periodes. De retentievoorziening hiervoor is beoogd aan de linkerzijde van de buitenbakken. Uit de verhardingsbalans blijkt dat de hoeveelheid verhard oppervlak met 1.346 m2 (6.460 – 5.114) toeneemt ten opzichte van de bestaande situatie. Door de toenemende verharding, zal er een compensatiemaatregel nodig zijn omdat deze meer bedraagt dan 500 m2. Hiervoor geldt dat er per hectare extra verhard oppervlak 436 m3 extra berging moet worden gerealiseerd in oppervlaktewater of 664 m3 in andere kunstmatige waterbergende voorzieningen. Als compenserende maatregel zal een retentievoorziening worden gerealiseerd. Deze voorziening mag niet dieper worden afgegraven dan de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) ter plaatse.
Bij een toename van de verharding van 1.346 m2 dient open water met een bergingscapaciteit van circa 59 m3 te worden aangelegd (1.346 m2 x 436 m3/ha) of circa 89 m3 als een retentievoorzienging zoals een wadi of infiltratiekratten (1.346 m2 x 664 m3/ha). Ten zuiden van de longeercirkel is ruimte voor een retentievoorziening in de vorm van open water. Om de benodigde oppervlakte te berekenen dient het aantal m 3 gedeeld te worden door de hoogste grondwaterstand. Dit om te voorkomen dat grondwater terecht komt in de retentievoorziening. De hoogste grondwaterstand in het plangebied is circa 30 centimeter. Hieruit volgt een benodigde oppervlakte van 197 m2. Ten zuiden van de longeercirkel is voldoende ruimte om een laagte van 197m2 te realiseren. Het aspect water vormt derhalve geen belemmering voor het initiatief.
4.2 Bodem De Wet bodembescherming (Wbb) stelt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen de kwaliteit, maar ook verdachte plekken van de bodem inclusief het grondwater in kaart dienen te worden gebracht in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De Wbb is op 1 januari 1987 in werking getreden en wordt door vertaald in diverse besluiten en regelingen en vervolgens op gemeentelijk niveau in de bestemmingsplannen. Uitgangspunt is dat de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige én toekomstige gebruik van die bodem. De bodemkwaliteit als gevolg van eventueel aanwezige bodemverontreiniging mag geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit (humane) risico’s met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering. Ten tijde van de aankoop van de accommodatie is er reeds een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (ORTAGEO Noordoost B, 05-09-2022, Bijlage 4). Hieruit is gebleken dat de bodem ter plaatse van de initiatieflocatie vrij is van verontreiningen. De verruiming van de gebruiksmogelijkheden brengt geen gebruiksmogelijkheden voort die een zwaardere toetsing vereisen dan de reeds aanwezige
4.3 Cultuurhistorie en Archeologie De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. De rijksoverheid wil dat er in de monumentenzorg ook aandacht is voor de omgeving waarin het monument staat. Hierbij is het belangrijk dat er niet alleen aandacht voor het monument zelf is, maar ook voor de omgeving. De uitvoering hiervan is vastgelegd in de Momo (modernisering monumentenzorg). Belangrijkste punt uit de Momo voor dit plan is dat er bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden moet worden met de aanwezige cultuurhistorische waarden en monumenten in de directe nabijheid van het plangebied. In artikel 3.1.6 lid 5 van het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat in de toelichting van een ruimtelijk plan ten minste een beschrijving wordt opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Met deze wetswijziging wordt de huidige Monumentenwet 1988 opgesplitst: een gedeelte (dat ziet op de fysieke leefomgeving) zal opgaan in de Omgevingswet, het overige
20 Toelichting bestemmingsplan Verlengde Reekstraat 1 te Beuningen
gedeelte is opgenomen in de nieuwe Erfgoedwet. Daarbij is voorzien in overgangsrecht. De bedoeling is dat in de Erfgoedwet een betere integratie met verschillende soorten erfgoed komt. Daarnaast worden de procedures uniformer en daarmee overzichtelijker. Onderdelen van de Monumentenwet 1988 met betrekking tot de fysieke leefomgeving, worden opgenomen in de Omgevingswet. De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed - beschermde stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen - en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving, komen in de Omgevingswet terecht en zijn dus niet in de Erfgoedwet geregeld. Hierbij wordt als vuistregel gehanteerd: omgang met het erfgoed in de Omgevingswet, duiding van het erfgoed in de Erfgoedwet. Voor de onderdelen die in de Omgevingswet zullen worden opgenomen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de tussengelegen periode. De bepalingen uit de Monumentenwet 1988 die naar de Omgevingswet over zullen gaan, blijven van kracht tot de Omgevingswet in werking treedt. Het Besluit ruimtelijke ordening en de Erfgoedwet schrijven niet voor in welke mate met archeologie rekening moet worden gehouden. De gemeente heeft wat dit betreft beleidsvrijheid en kan het archeologische belang afwegen ten opzichte van andere belangen, de belangen van de burger en van de gemeente.
4.3.1
Cultuurhistorie
Binnen het plangebied is geen sprake van provinciale cultuurhistorische belangen. De bestaande bebouwing heeft geen cultuurhistorische waarden. Enkele landschapsvormen over een groter gebied zijn aangewezen als cultuurhistorisch kenmerk. Het plan laat de landschappelijke karakteristiek in groter verband ongemoeid, waarmee aantasting van cultuurhistorische waarden is uitgesloten.
4.3.2
Archeologie
Gemeenten hebben de wettelijke taak om verantwoord om te gaan met het archeologisch erfgoed (zorgplicht). De gemeente Beuningen heeft hiervoor een beleidsplan opgesteld, dat is overgenomen in het bestemmingsplan ‘Verlengde Reekstraat 1’. In hoofdlijnen komt het erop neer dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is in gebieden met een middelhoge en hoge verwachtingswaarde en in gebieden met archeologische resten. In het bestemmingsplan ‘Parapluplan Archeologie’ en de archeologische beleidskaart van de gemeente Beuningen is voor het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 6’ opgenomen. Uit bijbehorende regels blijkt dat daar, zonder een vergunning met aanvullend onderzoek, geen gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd, mits het gaat om: a. vervanging van bestaande gebouwen of bouwwerken waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid en uitsluitend de bestaande fundering wordt benut; b. het uitbreiden van bestaande bebouwing tot maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering; c. een gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, met een oppervlakte van ten hoogste 5.000 m 2; d. een gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat zonder graafwerkzaamheden niet dieper dan 0,3 m onder het bestaande maaiveld en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst.
21 Toelichting bestemmingsplan Verlengde Reekstraat 1 te Beuningen
Afbeelding 10: Uitsnede Archeologische beleidskaart gemeente Beuningen
Met het plan wordt bestaande bebouwing volledig gesloopt en herbouwd. Er wordt dus grotendeels gebruik gemaakt van de fundamenten en kelders van de bestaande gebouwen. De gronden aansluitend aan deze fundamenten zijn hier reeds verstoord door het doen van afgravingen en verrichten van bouwwerkzaamheden ten tijde van de realisatie van de bestaande bebouwing en erfverharding. Grotendeels van de gronden zijn dus reeds verstoord door funderingsdiepte. Er wordt circa 1.400 m2 aan nieuwe bebouwing mogelijk gemaakt. Ter plaatse van de buitenbakken, de longeercirkel en de stapmolen zal de diepte van meer dan 0,3 meter niet overschreden worden. Echter beslaat het totale plangebied waar werkzaamheden uitgevoerd zullen worden meer dan 5.000 m2. Er is derhalve een verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd om de potentieel aanwezige archeologische waarden ter plaatse van het plangebied inzichtelijk te maken (ArcheoPro, 14-03-2024, Bijlage 5). Hierna volgt een samenvatting van de onderzoeksresultaten: In en rond het plangebied is al in 2003 door RAAP booronderzoek verricht waarbij binnen het plangebied veertien boringen zijn gezet. Hierbij zijn binnen het plangebied geen relevante archeologische indicatoren of verdachte zones aangetroffen.
Het plangebied ligt relatief laag ten opzichte van een op korte afstand ten oosten van het plangebied gelegen deel van het Kreftenheye terras dat hier zelfs dagzoomt. Ook in deze zone zijn echter door RAAP tijdens booronderzoek en een oppervlaktekartering, geen archeologische vondsten gedaan of verdachte lagen aangetroffen. Het plangebied ligt duidelijk lager dan dit terreindeel en deels zelfs in een restgeul en is daardoor altijd aanmerkelijk minder aantrekkelijk geweest voor bewoning. In verband hiermee geldt voor het plangebied een lage verwachting voor resten van bewoning uit alle perioden. Alleen voor de zone rond een kleine pleistocene opduiking tegen de oostrand van het plangebied, geldt een middelhoge verwachting voor resten van bewoning uit de prehistorie. Voor resten van bebouwing uit de late middeleeuwen en de nieuwe tijd is de verwachting in verband met de ligging van oudsher op akkers en weilanden, voor het gehele plangebied laag. Sinds het door RAAP verrichte booronderzoek hebben binnen het plangebied aanzienlijke bodemingrepen plaatsgevonden. Op het noordwestelijke deel van het plangebied is een leiding aangelegd en is een sloot uitgegraven en op het zuidwestelijke deel van het plangebied is een grote manege gebouwd met bijbehorende gebouwen en infrastructuur. Hierdoor zal de bodem op deze delen van het plangebied al ingrijpend zijn verstoord.
In verband met de lage archeologische verwachting binnen het plangebied, het ontbreken van archeologische indicatoren en verdachte lagen tijdens eerder binnen het plangebied verricht archeologisch booronderzoek en de grootschalige bodemverstoringen die sindsdien hebben plaatsgevonden, bestaat voor het overgrote deel van het plangebied derhalve onvoldoende aanleiding om aanvullend veldonderzoek te adviseren. Dit geldt in elk geval voor de zuidoostelijke helft van het plangebied waarin de bestaande bebouwing vervangen zal worden door nieuwbouw en nauwelijks nieuwe bodemverstoring zal plaatsvinden. Op de noordwestelijke helft van het plangebied blijven de voorgenomen inrichtingswerkzaamheden beperkt tot de aanleg van buitenbakken, weilanden en een parkeerplaats met fietsenstalling en zal derhalve nauwelijks bodemroering plaatsvinden. Voor de aanleg van de buitenbakken en de weilanden op de noordwestelijke helft van het plangebied zullen geen bodemingrepen plaatsvinden die dieper reiken dan dertig centimeter beneden het huidige maaiveld. Dit geldt ook voor de longeercirkel en de stapmolen
22 Toelichting bestemmingsplan Verlengde Reekstraat 1 te Beuningen
op de zuidoostelijke helft van het plangebied. In deze zones kan eventueel de archeologische dubbelbestemming gehandhaafd blijven. Op het noordoostelijke deel van het plangebied zou op en rond de locatie van de in 2003 door RAAP gezette boring 56 een voor bewoning aantrekkelijke pleistocene kop aanwezig kunnen zijn. De geplande bodemingrepen kunnen hier bovendien tot aantasting van eventueel aanwezige archeologische waarden leiden. Om na te gaan of dit inderdaad zo is, is in overleg met het bevoegd gezag besloten om op en rond dit punt een karterend booronderzoek te verrichten. Uit de resultaten van dit booronderzoek is gebleken dat in dit deel van het plangebied de top van de pleistocene afzettingen op maximaal 6.63 meter +NAP ligt. In de hier en hieromheen gezette boringen zijn echter volstrekt geen archeologische indicatoren aangetroffen. Gezien het bovenstaande geven de resultaten van het onderzoek geen aanleiding om archeologisch vervolgonderzoek te adviseren. Evenmin zijn tijdens het onderzoek archeologische resten aangetroffen waarmee tijdens de verdere planvorming of bij de uitvoering van de geplande werkzaamheden rekening zou moeten worden gehouden.
In alle gevallen blijft onverminderd van kracht dat indien bij toekomstig graafwerk toch archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, deze direct gemeld dienen te worden bij de minister conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 & 5.11. Wij adviseren om dit te doen bij de gemeente Beuningen.
4.4 Verkeer en parkeren In deze paragraaf zijn de aspecten ‘parkeren’ en ‘verkeer’ nader bekeken. Hierbij is gekeken naar de parkeernorm en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Daarnaast is ook gekeken naar de verkeersaantrekkende werking die bij de beoogde ontwikkeling zal plaatsvinden.
4.4.1
Verkeer
Het plangebied is gelegen aan de Verlengde Reekstraat, een lokale ontsluitingsweg voor bestemmingsverkeer. De weg kent een geringe verkeersintensiteit. De ontsluiting aansluitend op de Verlengde Reekstraat vindt plaats via de Lagunesingel naar de wijk Beuningse Plas voor de inwoners van de kern Beuningen en naar de Nieuwe Pieckelaan voor het overige verkeer. De Lagunesingel is een intensief gebruikte ontsluitingsweg voor de wijk Beuningse Plas. Klanten zullen in de beoogde situatie gestimuleerd worden om via de Nieuwe Pieckelaan te rijden. Voor de omgeving van het plangebied geldt de norm voor ‘rest bebouwde kom’ met stedelijkheidsgraad ‘weinig stedelijk’. Huidige situatie Voor wat betreft een manege geldt er volgens de CROW uitgave ‘parkeerkencijfers naar parkeernormen’ een verkeersgeneratie van 3,0 verkeersbewegingen per bezette box. Ten behoeve van de manege worden 42 volwassen paarden, 28 paarden in opfok en 6 pony’s gehouden. In totaal komt de verkeersgeneratie van de manege dus uit op een gemiddelde verkeersgeneratie van 228 verkeersbewegingen per dag. Het gebruik van de manege leidt ook tot zware verkeersbewegingen. Circa 10% van het totale aantal verkeersbewegingen wordt in de berekening gecategoriseerd als zware verkeersbeweging. Dit resulteert in 205 lichte- en 23 zware verkeersbewegingen per dag en dus 6.150 lichte- en 690 zware verkeersbewegingen per maand.
Bedrijfswoningen Voor de verkeersbewegingen van en naar de woning wordt aangesloten bij de geldende verkeersgeneratie uit de CROW-publicatie ‘van parkeerencijfers naar parkeernorm’. Voor een vrijstaande woning geldt een verkeersgeneratie tussen 7,8 tot 8,6 per gemiddelde weekdag. Voor de berekening wordt uitgegaan van 8,2 verkeersbewegingen per gemiddelde weekdag per woning. Dit resulteert in 246 verkeersbewegingen per maand per woning en derhalve 492 verkeersbewegingen per maand voor twee woningen. Totale verkeersgeneratie In totaal ontstaan er 690 zware verkeersbewegingen en 6.642 lichte verkeersbewegingen van en naar de locatie per maand. Beoogde situatie In de beoogde situatie wordt een gebruiksgerichte paardenhouderij geëxploiteerd. Deze functie komt in CROW uitgave ‘parkeerkencijfers naar parkeernormen’ niet voor. Er is een norm voor de verkeersgeneratie voor maneges vastgelegd, maar de verkeersgeneratie van een gebruiksgerichte paardenhouderij ligt vele malen lager dan deze norm. Beoogde activiteiten omvatten het stallen en verzorgen van paarden van derden. In totaal zal er