CConstaterende datBeuningen
Koppel je AI →
Document · PDF

at22000749 04. Bijlagenboek bestemmingsplan.PDF

Commissie Ruimte 17 mei 2022, gemeente BeuningenBij agendapunt: Raadsvoorstel bestemmingsplan Koningstraat naast 1622.914 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

«1 «1 d

pg/kg ds pg/kg ds pg/kg ds pg/kg ds pg/kg ds

«1 «1 «1

<1 <1 <1 «1 «4,04

V

alfa-HCH beta-HCH gamma-HCH delta-HCH Drins (Aldrin+Dieldrin+Endrin) Hexachloorbutadieen Isodrin Telodrin Heptachloor Heptachloorepoxide Aldrin Dieldrin Endrin DDE (som) 2,4-DDE (ortho, para-DDE) 4,4-DDE (para, para-DDE) DDD (som) 2,4-DDD (ortho, para-DDD) 4,4-DDD (para, para-DDD) DDT (som) 2,4-DDT (ortho, para-DDT) 4,4-DDT (para, para-DDT) alfa-Endosulfan Chloordaan (cis + trans) cis-Chloordaan trans-Chloordaan OCB (0,7 som, grond) OCB (0,7 som, waterbodem) DDT (som, 0.7 factor) DDD (som, 0.7 factor) DDE (som, 0.7 factor) DDT,DDE,DDD (som, 0.7 factor) HCH (som, 0.7 factor) Heptachloorepoxide (som, 0.7 factor trans-Heptachloorepoxide Endosulfansulfaat cis-Heptachloorepoxide Som 21 Organochloorhoud. bestrijdingsm

0

Bijlage 4

8,88 8,88 8.88 6 # GSSD Index

Geen toetsnorm aanwezig kleiner dan de detectielimiet Achtergrondwaarde Interventiewaarde > Interventiewaarde Heeft geen normwaarde verhoogde rapportagegrens Gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD - AW) I (I - AW) - Getoetst via de BoToVa service, versie 3.1.0 -

Tabel 4: Normwaarden conform de Wet Bodembescherming AW

WO

IND

I

mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds

0,6 15 40 0,15 50 1,5 35 140

1,2 35 54 0,83 210 88 39 200

4,3 190 190 4,8 530 190 100 720

13 190 190 36 530 190 100 720

mg/kg ds

1,5

6,8

40

40

mg/kg ds mg/kg ds

0,02 0,0085

0,04 0,027

0,5 1,4

1 2

METALEN Cadmium Kobalt Koper Kwik Lood Molybdeen Nikkel Zink

PAK PAK 10 VROM

GECHLOREERDE KOOLWATERSTOFFEN PCB (som 7) Hexachloorbenzeen (HCB)

OVERIGE (ORGANISCHE) VERBINDINGEN Minerale olie (totaal)

mg/kg ds

190

190

500

5000

BESTRIJDINGSMIDDELEN alfa-HCH beta-HCH gamma-HCH Drins (Aldrin+Dieldrin+Endrin) Hexachloorbutadieen Heptachloor Heptachloorepoxide Aldrin DDE (som) DDD (som) DDT (som) alfa-Endosulfan Chloordaan (cis + trans) Som 21 Organochloorhoud. bestrijdingsm

Projectcode: B20.7925

mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds

0,001 0,002 0,003 0,015 0,003 0,0007 0,002

0,001 0,002 0,04 0,04

0,5 0,5 0,5 0,14

17 1,6 1,2 4

0,0007 0,002

0,1 0,1

0,1 0,02 0,2 0,0009 0,002 0,4

0,13 0,84 0,2 0,0009 0,002

1,3 34 1 0,1 0,1

4 4 0,32 2,3 34 1,7 4 4

Bijlage 4

Tabel 5: Gemeten concentraties in grondwater met beoordeling conform de Wet Bodembescherming Watermonster Datum Filterdiepte (m -mv) Datum van toetsinq Monsterconclusie

PB07 9-4-2021 2,00 - 3,00 14-4-2021 Overschrijding Streefwaarde

Meetw

GSSD

Index

METALEN Barium Cadmium Kobalt Koper Kwik Lood Molybdeen Nikkel Zink

t-ig/i pg/l pg/l pg/l pg/l pg/l pg/l pg/l pg/l

94 «0,20 «2 «2,0 «0,05 «2,0 «2 «3 «10

94 «0,14 «1 «1,4 «0,04 «1,4 «1 «2 «7

0,08 -0,05 -0,23 -0,23 -0,06 -0,23 -0,01 -0,22 -0,08

Mg/i pg/l Mg/i pg/l pg/l pg/l pg/l pg/l

«0,2 «0,2 «0,2 «0,2 «0,1

«0,1 -0 «0,1 -0,01 «0,1 -0,03 «0,1 «0,1 «0,21 0 «0,1 -0,02 «0,77(2'14)

Mg/i

«0,02

«0,01 «0,00020(11)

Mg/i pg/l pg/l

«0,1 «0,2

«0,1 «0,1 «0,14

0 -0,05 0,01

pg/l pg/l pg/l

«0,1 «0,1 «0,1

«0,1 «0,1 «0,1

0,01

pg/l

«0,2

«0,1

-0,01

pg/l pg/l pg/l pg/l pg/l pg/l pg/l pg/l pg/l pg/l pg/l

«0,2 «0,2 «0,1 «0,2 «0,1 «0,2 0,42 «0,2 «0,2 «0,1 «0,2

«0,1 «0,1 «0,1 «0,1 «0,1 «0,1 «0,42 «0,1 «0,1 «0,1 «0,1(14)

0 -0,01 0 -0,02 0 0,03 -0

pg/i

«0,2

«0,1

pg/i pg/l pg/l pg/l pg/i

«25 «25 «25 «25 «50

18(6) 18(6) 18(6) 18(6)

AROMATISCHE VERBINDINGEN Benzeen Tolueen Ethylbenzeen meta-Zpara-Xyleen (som) ortho-Xyleen Xylenen (som) Styreen (Vinylbenzeen) Som 16 Aromatische oplosmiddelen

«0,2

PAK Naftaleen PAK 10 VROM

0

GECHLOREERDE KOOLWATERSTOFFEN Tetrachlooretheen (Per) Trichlooretheen (Tri) cis + trans-1,2Dichlooretheen cis-1,2-Dichlooretheen trans-1,2-Dichlooretheen Tetrachloormethaan (Tetra) Trichloormethaan (Chloroform) Dichloormethaan 1,1-Dichloorethaan 1,1,1-Trichloorethaan 1,2-Dichloorethaan 1,1,2-Trichloorethaan Vinylchloride Dichloorpropaan 1,1-Dichloorpropaan 1,3-Dichloorpropaan 1,1-Dichlooretheen Tribroommethaan (bromoform) 1,2-Dichloorpropaan

0,01

OVERIGE (ORGANISCHE) VERBINDINGEN Minerale olie C10 - C12 Minerale olie C12 - C22 Minerale olie C22 - C30 Minerale olie C30 - C40 Minerale olie (totaal)

Projectcode: B20.7925

«35

-0,03

Bijlage 4

8,88 8,88 m

11 14

2 6 # GSSD Index

Geen toetsnorm aanwezig kleiner dan de detectielimiet Streefwaarde > Streefwaarde > Interventiewaarde Enkele parameters ontbreken in de berekening van de somfractie Streefwaarde ontbreekt zorgplicht van toepassing Enkele parameters ontbreken in de som Heeft geen normwaarde verhoogde rapportagegrens Gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD-Sļ/ţl-S) - Getoetst via de BoToVa service, versie 3.1.0 -

Tabel 6: Normwaarden conform de Wet Bodembescherming S

S Diep

Indicatief

I

METALEN Barium Cadmium Kobalt Koper Kwik Lood Molybdeen Nikkel Zink

MQ/I pg/l pg/l pg/l pg/l pg/l pg/l pg/l pg/l

50 0,4 20 15 0,05 15 5 15 65

200 0,06 0,7 1,3 0,01 1,7 3,6 2,1 24

625 6 100 75 0,3 75 300 75 800

MQ/I pg/l pg/l pg/l pg/l pg/l

0,2 7 4 0,2 6

MQ/I

0,01

70

MQ/I pg/l pg/l pg/l pg/l pg/l pg/l pg/l pg/l MQ/I pg/l pg/l pg/l pg/l

0,01 24 0,01 0,01 6 0,01 7 0,01 7 0,01 0,01 0,8 0,01

40 500 20 10 400 1000 900 300 400 130 5 80 10 630

M!_______

50

600

AROMATISCHE VERBINDINGEN Benzeen Tolueen Ethylbenzeen Xylenen (som) Styreen (Vinylbenzeen) Som 16 Aromatische oplosmiddelen

30 1000 150 70 300 150

PAK Naftaleen

GECHLOREERDE KOOLWATERSTOFFEN Tetrachlooretheen (Per) Trichlooretheen (Tri) cis + trans-1,2-Dichlooretheen Tetrachloormethaan (Tetra) Trichloormethaan (Chloroform) Dichloormethaan 1,1-Dichloorethaan 1,1,1-Trichloorethaan 1,2-Dichloorethaan 1,1,2-Trichloorethaan Vinylchloride Dichloorpropaan 1,1-Dichlooretheen Tribroommethaan (bromoform)

OVERIGE (ORGANISCHE) VERBINDINGEN Minerale olie (totaal)

Projectcode: B20.7925

Bijlage 2

Quickscan Wet natuurbescherming

H H H Blom Ecologie b.v. Ecologisch advies Sz onderzoek

Blom Ecologie b.v.

Buro Waalburg

ADVIES åc ONDERZOEK

T.a.v. mv. S. Rijcken Schoenaker 10

Zandweg 46

6641 SZ Beuningen

4181 PM Waardenburg

10418 820 288

Datum

24 november 2021

Kenmerk

BE/2021/1108/r

Uw kenmerk

Email d.d. 26 oktober 2021

Auteur(s)

ing. B.C.E. Vleeshouwers

e inŕo@'b!omeco]ogje-nl i www.blomecologíe.nl

KvK 67221904 BTW 856882999B01

IBAN NL21RAB00314240683

Collegiale toets

ir. ing. A.E. Vos

Quickscan Wet natuurbescherming Koningstraat ong. te Ewijk Aan de Koningstraat ong. te Ewijk is een grasperceel gelegen. De initiatiefnemer heeft het voornemen om op dit perceel een woning en garage te realiseren. Elet bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ontwikkeling en dient derhalve te worden gewijzigd van agrarisch naar wonen. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Tevens is de ligging van het gebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden en beschermde structuren in kaart gebracht en eventuele effecten beoordeeld. Buro Waalbrug begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan.

Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: » Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? » Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? » Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? » Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van het Gelders Natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone, Weidevogelgebied, Ganzenrustgebied en Beschermingszone natte landnatuur? » Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? » Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?

tXOdO'giľ (de; v) 1 wetenschap die de betrekkingen tussen de organismen en hun omgeving bestudeert, 2 die betrekkingen zelf; CCO-IO'įļiseh (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) 1 m.b.t. de ecologie, 2 milieuvriendelijk; fĩo- ríl (de; v(m); meervoud: flora's) 1 alle planten van een bep. gebied, 2 boek dat de opsomming en beschrijving ervan bevat; fllll-tUl (de; v(m); meervoud: fauna's) 1 de dierenwereld van een gebied.

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Koningstraat ong. te Ewijk (figuur 1) en bestaat uit een grasweide voor vee. Er is geen verharding aanwezig op de planlocatie en er staan een tweetal lantaarnpalen langs de doorlopende weg. Aan de zuid- en oostzijde is sloot gelegen. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto's opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door Beuningen en Ewijk aan de noord- en oostzijde van planlocatie. Verder liggen er agrarische gebieden om de planlocatie heen. Op circa 1,9 km ten noorden ligt het Natura-2000 gebied 'Rijntakken'.

Legenda ] Planlocatie

Figuur 1

De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Koningstraat ong. te Ewijk (bron kaartmateriaal: arcgis. com).

LÜ

Figuur 2

2

Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.

Functieverandering en werkzaamheden De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een woonhuis en garage. De functie van het perceel dient te wijzigen van agrarisch naar wonen. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: » » »

egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

Koningstraat naast nr 16, Ewijk Landschappelijke inpassing Haag oostzijde optioneel, gebouwde erfafscheidingen en/of schutting niet toegestaan

—

Siertuin, vrij in te richten

—

Haag, evt. gemengd — hoogte: 1,5 tót 3 m, 5 st./ m, plantmaat min. 150-175cn streekeigen soorten: gewone beuk (Fagus sylvatica), yeldesdoorn (Acer campestre), meidoorn (Crataegus monogyna), hondsroos (Rosa canina) en/ofsleedoorn (Prunus spinosa) (Knot)bomen Ier begeleiding vista ■— streekeigen soorten: schietwìlg (Salix olba), gewone es (Fraxìnus excelsior) en/of zomereik (Quercus robur) Woning * bijgebouw langgerekt, met zadeldak, woning parallel aan het lint

'

Rooilijn verspringend tov nummer 16

—

Geschoren, lage haag (optioneel) — breedte: 0,5-i m; hoogte: 80 tot 120,tm, 5 st./m, plantmaat min. 40-60 cm, streekeigen soorten: gewone beuk (Fagus sylvatica) of veldesdoorn (Acer campestre) Beslaande bomenrij aanvullen Soorten zoals: Prunus ayium, prunus domestico, . Malus domestico ofPyrus communis. Plantmaat: min. 8-10 cm sţómomtrek

— ™

Groene voorruitme, behoudens oprit onverhard en onbebouwd

—

Natuurvriendelijke inrichting

—

Bestaande bomen behouden

—

Figuur 3

Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Buro Waalbrug).

Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 8 november 2021 en is uitgevoerd door ir. ing. D. Boers en ing. B.C.E. Vleeshouwers. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 6/8 bewolkt, 10o Celsius en windkracht 1-2 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie.

Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

3

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten.

In de Omgevingsverordening van Gelderland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland. Aarãmuis Gewone bosspitsmuis Ondergrondse woelmuis Bastaarãkikker Gewone pad Ree Bosmuis Blaas Rosse woelmuis Bruine kikker Huisspitsmuis Tweekleurige bosspitsmuis Dwergmuis Kleine watersalamander Veldmuis Dwergspitsmuis Konijn Vos Egel Meerkikker Woelrat (b) Gebiedsbescherming (landelijk beleid) Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en de provinciaal beschermde gebieden. Het beschermingsregime van overige op provinciaal niveau beschermde gebieden kan sterk verschillen tussen provincies. Natura 2 000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn.

(b) Gebiedsbescherming (provinciaal beleid) Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening.

4

Gelders Natuurnetwerk Binnen het Gelders Natuurnetwerk geldt het 'nee, tenzij'-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang van het natuurnetwerk aantasten. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang waarbij er geen reële alternatieven zijn. Bij aantasting van de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang geldt een compensatieplicht. Groene Ontwikkelingszone Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe grootschalige activiteiten mogelijk maakt die de kernkwaliteiten significant aantasten. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang waarbij er geen reële alternatieven zijn. Bij aantasting van de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang geldt een compensatieplicht. Kleinschalige ontwikkelingen zijn mogelijk als deze er toe leiden dat de kernkwaliteiten van het betreffende gebied, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo substantieel worden versterkt. Weiãevogelgebieã Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op weidevogelgebied laat de realisatie van een nieuwe windturbine of nieuw zonneveld niet toe. Een andere nieuwe activiteit of ontwikkeling is enkel toegestaan als deze geen nadelige gevolgen heeft voor de functie als broedgebied voor weidevogels.

Ganzenrustgebíeã Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een ganzenrustgebied laat een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als uit onderzoek blijkt dat deze activiteit of ontwikkeling wordt uitgevoerd op een locatie waar de nadelige gevolgen voor de functie als rustgebied voor overwinterende ganzen zoveel mogelijk worden beperkt, en na uitvoering minimaal 500 hectare in het betreffende ganzenrustgebied overblijft. Als door een activiteit het betreffende rustgebied kleiner wordt dan 500 hectare, kan deze activiteit alleen doorgaan als aansluitend voldoende hectare aan het betreffende ganzenrustgebied wordt toegevoegd. Beschermingszone natte landnatuur Natte landnatuur is natuur die direct afhankelijk is van de grondwatersituatie ter plaatse. Een bestemmingsplan voor gronden gelegen in een beschermingszone natte landnatuur maakt geen functies mogelijk die significant nadelige effecten kunnen hebben op de instandhouding van de natte landnatuur. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang waarbij er geen reële alternatieven zijn. (c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen.

Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

5

Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime 'Andere soorten') geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Planten In de directe omgeving van de planlocatie is het voorkomen bekend van het kluwenklokje (NDFF 2011-2021). Deze soort komt voor op kalkgrasland, ruderale plaatsen, zandige ruggen in uiterwaarden, lichte bossen en langs bermen, bosranden en rivierdijken. De standplaatsen van de soort zijn zonnige, matig voedselrijke, kalkhoudende en humus houdende gronden (FLORON Verspreidingsatlas, 2021). Op de planlocatie is er een hoge dominantie van Engels raaigras. Hierdoor kan er geconcludeerd worden dat de planlocatie zeer sterk geëutrofieerd is. Door de hoge voedselrijkheid en de concurrentie van Engels raaigras kan de aanwezigheid van kluwenklokje op de planlocatie uitgesloten worden.

Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: Engels raaigras, hondsdraf, paardenbloem, veldzuring en vijfvingerkruid. Binnen de grenzen van de planlocatie staat 1 boom en het gaat om een pruimenboom, deze blijft behouden in de beoogde ontwikkeling. Rondom de planlocatie zijn prunus varianten aanwezig. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende, stikstofarme of vochtige groeiplaatsen. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Negatieve effecten ten aanzien van beschermde planten derhalve kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bever, bruine rat, bunzing, das, egel, haas, huismuis, konijn, mol, ree, rosse woelmuis, steenmarter, vos en woelrat (NDFF 2011-2021). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, bunzing, das en steenmarter.

Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. De bever komt voor in uiterwaarden en moerasbossen met veel wilgen. Er zijn geen voedselbronnen en schuilmogelijkheden aanwezig op de planlcoatie. Daarnaast zijn de aanwezige sloten niet relevant voor de bever. De aanwezigheid en negatieve effecten op de bever zijn uitgesloten. De bunzing heeft een voorkeur voor kleinschalig landschap met houtwallen, greppels en sloten met overhangende vegetatie, ook dorpen en buitenwijken van steden vormen geschikt leefgebied (Zoogdiervereniging Bunzing, 2021). De planlocatie bestaat uit een grasveld zonder houtwallen of ruige vegetatie die als schuilmogelijkheden kunnen dienen. De greppel en sloot dat rondom de planlocatie gelegen is wordt niet aangetast in de beoogde ontwikkeling. De sloten zijn niet geschikt voor bunzing doordat er geen sprake is van ruige begroeiing. Negatieve effecten op de bunzing zijn uitgesloten. Dassen foerageren graag in (bemeste) graslanden. Echter is de planlocatie grotendeels niet toegankelijk voor dassen. De mazen van het schapengaas zijn kleiner dan een das, waardoor de dieren niet door het gaas heen kunnen. De dichtstbijzijnde waarneming van de das is circa 880 m ten zuiden van de planlocatie. Tevens zijn er geen dekkingsstructuren aanwezig. De aanwezigheid en negatieve effecten op de das zijn uitgesloten.

Het voorkeurshabitat van de steenmarter betreft een kleinschalig parklandschap. De soort wordt met name aangetroffen nabij steden, dorpen en boerderijen. Geschikte leefgebieden bestaan voornamelijk uit kleinschalige landbouw met oude schuren, heggen en geriefhoutbosjes (Zoogdiervereniging steenmarter, 2021).

6

Daarbij zijn de aanwezigheid van elementen als groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen die kunnen dienen als foerageer- en jachtgebied van belang. De planlocatie bestaat volledig uit gras en één boom. Er zijn geen schuilmogelijkheden aanwezig dat een geschikt habitat voor de steenmarter vormen. Negatieve effecten op steenmarter zijn uitgesloten. Door vorengenoemde is het uitgesloten dat de planlocatie een essentiële functie bevat voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde grondgebonden zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis en meervleermuis (NDFF 2011-2021).

Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). De boom op de planlocatie en de bomen rondom de planlocatie zijn te dun en te laag om te kunnen dienen als geschikte verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. Er is geen bebouwing aanwezig binnen de grenzen van de planlocatie. Negatieve effecten op gebouwbewonende vleermuizen zijn uitgesloten. Eloewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Binnen de grenzen van de planlocatie zijn er geen structuren aanwezig die als vlieg- en/of foerageerroute kunnen functioneren. De aanwezige stmcturen buiten de grenzen van de planlocatie worden niet aangetast in de beoogde ontwikkeling. In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing in de directe omgeving kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden.

Hierbij kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd.

7

Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kamsalamander, kleine watersalamander, knoflookpad en poelkikker (NDFF 2011-2021). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: kamsalamander, knoflookpad en poelkikker. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. De kamsalamander wordt waargenomen in bosrijk gebied met houtwallen of struweel. De sloten rondom de planlocatie stonden tijdens het veldbezoek grotendeels droog zondoende is er een dominantie van Engels raaigras in de omgliggende sloten. Flierdoor voldoen de sloten niet aan de gestelde eisen voor voortplantingswater van de soort. Daarnaast komen de bekende waarnemingen van de kamsalamander alle uit een gebied op circa 1,7 km ten noorden van de planlocatie. Deze afstand is te groot voor de kamsalamander om te overbruggen. De aanwezigheid en negatieve effecten op de soort zijn uitgesloten. De knoflookpad is een zeer zeldzame en bijzondere soort welke is gebonden aan de stroomdalen van beken en rivieren in het oosten en zuidoosten van Nederland.

Zijn leefgebied bestaat uit rivierduinen en kleinschalig agrarisch landschap met bos in de nabijheid (Ravon knoflookpad, 2021). Doordat de planlocatie een uniforme structuur en begroeiing heeft met weinig/ geen schuilmogelijkheden is het voorkomen van de knoflookpad op de planlocatie uitgesloten. De poelkikker leeft vooral in kleinschalige, stilstaande wateren met schoon en zwak zuur wateren. Buiten de voortplantingstijd kan de poelkikker ook voorkomen in weilanden en bossen verder gelegen van het water (BIJ12 kennisdocument Poelkikker, 2017). De sloten die rondom de planlocatie lopen waren tijdens het veldbezoek grotendeels droog gelegen. Deze reden kan ínhouden dat de sloten niet geschikt zijn als voortplantingswater/ leefgebied voor de poelkikker. De aanwezigheid en negatieve factoren op poelkikker zijn uitgesloten. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 2011­ 2021).

Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Gezien de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 2011-2021). Op de planlocatie bevindt zich geen oppervlaktewater. Het water binnen de invloedsfeer wordt niet aangetast. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde insecten of ongewervelden niet bekend (NDFF 2011-2021). Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten.

8

Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: ekster, huismus, merel, Turkse tortel, spreeuw en zwarte kraai. Vogels - ļaarronã beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Tijdens het veldbezoek zijn op het naastgelegen perceel huismussen waargenomen (cat. 2 soort). Vanwege afwezigheid van gebouw zijn nestlocaties op de planlocatie uit gesloten. Voor een geschikt foerageergebied moet er beschutting nabij de nestlocaties aanwezig zijn. Daarnaast zijn er nog enkele eisen voor een foerageergebied, namelijk voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). De planlocatie bestaat alleen uit een grasweide. In de beoogde ontwikkeling worden extra bomen en een heg toegevoegd. Hierdoor wordt het leefgebied van huismussen die in de omgeving voorkomen uitgebreid. De beoogde ontwikkeling leidt tot zeer beperkte aantasting van groene delen en resulteert niet in afname van essentieel leefgebied. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017).

Door de afwezigheid van bebouwing op de planlocatie kan de aanwezigheid van gierzwaluw uitgesloten worden. In de omgeving zijn er meerdere soortgelijke gebieden die als alternatief kunnen dienen als foerageergebied van uilen. Op de planlocatie is geen sprake van essentieel leefgebied van uilen. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. De directe omgeving biedt genoeg alternatieve foerageergebieden voor bovengenoemde roofvogels. Op de planlocatie is geen sprake van essentieel leefgebied van roofvogelsoorten. Grote gele kwikstaart broedt langs stromende watergangen in dichte vegetatie langs natuurlijke oevers of in kunstwerken als bruggen of stuwen. Voor deze soort zijn op de planlocatie geen geschikte nestlocaties of functioneel leefgebied aanwezig. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake. Vogels - Algemene broeãvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broeãperíoãe en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod voor algemene soorten.

De struiken, bomen en bebouwing in de directe omgeving vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en vogels die in slootkanten broeden. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de kapwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

9

Beoordeling (b) gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa l,8km ligt het Natura 2000-gebied 'Rijntakken' (figuur 4). Rijntakken

1,8 km fŵ-amj j

Legenda H Natura 2000-gebied

Figuur 4

De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,8 km tot het Natura 2000-gebied 'Rijntakken' (bron: nationaal Georegister PDOK).

Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een woonhuis en garage. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ontwikkeling in de gebruiksfase tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de bouwfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. De Wet natuurbescherming bevat ten gevolge van de Stikstofwet per d.d. 1 juli 2021 een partiële vrijstelling voor activiteiten gedurende de bouwfase. Hiermee kunnen de gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door aangewezen activiteiten van de bouwsector buiten beschouwing worden gelaten (Wet nb art. 2.9a). Momenteel is de juridische houdbaarheid van deze partiële vrijstelling onzeker.

Als activiteiten van de bouwsector worden aangewezen (algemene maatregelen van bestuur stikstofreductie en natuurverbetering): a. het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feítelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen; b. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen. Gezien er sprake is van een ontwikkeling van beperkte omvang en het natura-gebied niet stikstofgevoelig is. Kan er op voorhand uitgesloten worden dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven.

10

Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Gelders Natuurnetwerk, Groene Ontwikkelingszone, Weidevogelgebied, Ganzenrustgebied of Beschermingszone natte landnatuur. Op een afstand van circa 1,6 km ligt het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 1,7 km ligt de Groene Ontwikkelingszone (figuur 5). Op een afstand van circa 6,6 km ligt Weidevogelgebied. Ganzenrustgebied is gelegen op een afstand van circa 1,9 km van de planlocatie (figuur 6). Op een afstand van circa 3,4 km ligt de Beschermingszone natte landnatuur.

1,7 km 1,6 km

^Ānjį Legenda H Gelders Natuurnetwerk H Groene ontwikkelingszone

Figuur 5

De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,6 km tot het Gelders Natuurnetwerk en circa 1,7 km tot de Groene Ontwikkelingszone

Legenda Ganzenrustgebied

Figuur 6

De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,9 km tot het Ganzen rustgebied.

Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone, Weidevogelgebied, Ganzenrustgebied en Beschermingszone natte landnatuur geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Van negatieve effecten ten aanzien van Gelders Natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone, Weidevogelgebied, Ganzenrustgebied en Beschermingszone natte landnatuur is geen sprake.

11

Beoordeling (c) houťopsťanden In de beoogde ontwikkelingen zijn geen kapwerkzaamheden voorzien

Conclusies Samenvatting

(a) Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, amfibieën en insecten welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart -15 juli). (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland, Gelders Natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone, Weidevogelgebied, Ganzenrustgebied en Beschermingszone natte landnatuur. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS- berekening, Voortoets en/of 'nee, tenzij'-toets is niet noodzakelijk. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Tabel 2

Overzicht van de Soortenbescherming. Soortenbescherming Soortgroep BeschermingsSoortspecifiek regime Wnb. onderzoek

Planten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Amfibieën Reptielen Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels (cat. 1 t/m 4 Vogels (cat. 5) Tabel 3

Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee

Overzicht van beschermde gebieden in het kader van Gebiedsbescherming.

Gebiedsbescherming

Afstand

Effecten

Nader onderzoek

Natura 2000

1,8 km

Geen

N.v.t.

Gelders Natuurnetwerk

1,6 km

Geen

N.v.t.

Groene Ontwikkelingszone

1,7 km

Geen

N.v.t.

Ganzenrustgebied

1,9 km

Geen

N.v.t.

Weidevogelgebied

6,6 km

Geen

N.v.t.

Beschermingszone natte landnatuur

3,4 km

Geen

N.v.t.

Tabel 4

12

Mogelijk functie plangebied

Overzicht van beschermde Houtopstanden.

Houtopstanden

Aanwezig

Kap

Melding

Struiken

Nee

Nee

N.v.t.

Bomen

Ja

Nee

N.v.t.

Uitvoerbaarheid

De bouw van een nieuw woonhuis aan de Koningstraat ong. te Ewijk leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren, amfibieën en algemene broedvogels (in het kader van Algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Conclusie

De bouw van een nieuw woonhuis aan de Koningstraat ong. te Ewijk is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

Vervolgstappen De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.

Te treffen maatregelen » Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). » Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. » Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. » De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).

13

Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Bever Castor fiber, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Das Meles meles, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Heikikker Rana arvalis, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Kamsalamander Triturus cristatus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Poelkikker Pelophylax lessonae, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters ík J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. - Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center ík EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M ík J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Heiversen, D. Nill ík P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert ík W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen.

Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bijl2.nl www.gelderland.maps.arcgis.com www.gldanders.planoview.nl www.nationaalgeoregister.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.s3mbi0sys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl

14

We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,

Blom Ecologie B.V., ing. B.C.E. Vleeshouwers Auteur

Blom Ecologie B.V., ir. ing. A.E. Vos Collegiale toets

Bijlage 1 Fotografische impressie

© Blom Ecologie B.V. Zandweg 46a - 4181 PM Waardenburg Niets uit deze rapportage mag zonder schríftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/oŕ gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.

15

Bijlage 1 Fotografische impressie

rŕF': rÄ'

ĚįlpļpË r ' : -;'

ïįptfåt Figuur 1

De planlocatie is gelegen aan de Koningstraat ong. te Ewijk en bestaat uit een grasveld.

ţÈįĒģäŝ ŚįŻ. *

Figuur 2

16

Bíj liet naastgelegen perceel zijn huismussen waargenomen.

— 7^

5'V/ţv,

&SÎSSÎ

'ĝţïWj

Fi^ 'įgļļĵĝáļ

Nľ'.Vvļi'v

ìt' âV

r á,

--

yjļ

a^ jfeíĩto

■‘ - Figuur 3

In de nnnstgelegen sloot stond tijdens het veldbezoek nauwelijks water.

if FöL í

■**

-ĩ* j ĮK***-

Figuur 4

17

■fi/

De enige boom op de planlocatie deze zal behouden blijven in de beoogde ontwikkeling.

_______

ąpťí* sŵ

Bijlage 3 Stikstofdepositie onderzoek

____________________ *

ro/nsultancy ONDERZOEK STIKSTOFDEPOSITIE OOSTZIJDE VAN DE KONINGSTRAAT 16 TE EWIJK

©O Omgeving

©a

Onderzoek stikstofdepositie Oostzijde van de Koningstraat 16 te Ewijk Opdrachtgever

Buro Waalbrug Schoenaker 10 6641 SZ Beuningen

Rapportnummer Versienummer Datum

15629.001 D1 22 april 2021

Vestiging

Limburg Rijksweg Noord 39 6071 KS Swalmen 088 -5001600 swalmen@econsultancy.nl

Opsteller

De heerN. Berends, BSc

z

Paraaf

w Kwaliteitscontrole Paraaf

De heerS.D.F. Slange, MSc

-íir

Eco/ńsultancy

INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING................................................................................................................................. 1 1

INLEIDING...................................................................................................................................2

2

TOETSINGSKADER....................................................................................................................3 2.1

3

UITGANGSPUNTEN...................................................................................................................4 3.1

3.2 4

Geen significante toename................................................................................................3

Aanlegfase.........................................................................................................................4 3.1.1 Mobiele werktuigen.............................................................................................. 4 3.1.2 Verkeersbewegingen.......................................................................................... 4 Gebruiksfase......................................................................................................................6 3.2.1 Verkeersbewegingen............................................................................................6

BEREKENINGSRESULTATEN EN TOETSING........................................................................ 8

BIJLAGEN:

1. 2. 3.

- Invoergegevens mobiele werktuigen aanlegfase - AERIUS-berekening projecteffect aanlegfase -AERIUS-berekening projecteffect gebruiksfase 15629.001

Eco/ńsultancy

SAMENVATTING

Aan de oostzijde van de Koningstraat 16 te Ewijk is men voornemens een vrijstaande woning met schuur te realiseren. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een onderzoek noodzakelijk naar de stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming. In zowel de Habitat- als de Vogelrichtlijn zijn de gebieden opgenomen welke als Natura 2000-gebied worden aan­ gemerkt. Ten behoeve van de instandhouding van de natuurgebieden dienen negatieve effecten te worden uitgesloten, waardoor onder andere onderzoek plaats dient te vinden naar de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) tijdens de aanlegfase vinden plaats door de verkeersbewegingen ten behoeve van de af- en aanvoer van materialen, het vervoer van personeel en de inzet van mobiele werktuigen tijdens de constructie. De relevante emissies tij­ dens de gebruiksfase vinden plaats door de verkeersbewegingen van en naar het plan. De berekening van het projecteffect van zowel de aanleg- als de gebruiksfase is verricht met behulp van het programma AERIUS Calculator (versie 2020). Het maximale projecteffect ten gevolge van de aanlegfase bedraagt 0,02 mol/ha/jaar.

Aangezien het om een tijdelijke depositie < 0,10 mol/ha/jaar gaat, kunnen significant negatieve effecten worden uit­ gesloten. De werkzaamheden ten behoeve van de aanlegfase worden hiermee niet vergunningsplichtig geacht in het kader van de Wet natuurbescherming. Uit de berekening van de gebruiksfase blijkt dat het projecteffect op het Natura 2000-gebieden kleiner of gelijk is aan 0,00 mol/ha/jaar. Hierdoor kunnen negatieve effecten worden uitgesloten en wordt de gebruiksfase niet vergunningsplichtig ge­ acht in het kader van de Wet natuurbescherming.

R 15629.001 versie D1

Pagina 1 van 8

Eco/ńsultancy

1

INLEIDING

Aan de oostzijde van de Koningstraat 16 te Ewijk is men voornemens een vrijstaande woning met schuur te realiseren. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een onderzoek noodzakelijk naar de stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden. In figuur 1.1 is de situering van het plan en de omliggende Natura 2000-gebieden weergegeven. [Makken Slųk-Ewijk

Wi nssen

Vordmg

Hóeve

Beuningen

De Hoeven

/â;W Beuningse Plas

*•A* V*

Neettoost h-' N847

| şoo r |

Wezel

Figuur 1.1

Situering plan en omliggende Natura 2000-gebieden

Het plan is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000gebied. Het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ ligt op circa 2 kilometer afstand het meest nabij het plan.

R 15629.001 versie D1

Pagina 2 van 8

Eco/ńsultancy

2

TOETSINGSKADER

De bescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming. In zowel de Habitat- als de Vogelrichtlijn zijn de gebieden opgenomen welke als Natura 2000-gebied worden aan­ gemerkt. Ten behoeve van de instandhouding van de natuurgebieden dienen negatieve effecten te worden uitgesloten, waardoor onder andere onderzoek plaats dient te vinden naar de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. 2.1

Geen significante toename

Het beoogde plan mag in beginsel geen negatieve effecten veroorzaken op de omliggende Natura 2000-gebieden. Met het voorgeschreven programma AERIUS Calculator wordt de depositie van stik­ stofverbindingen in de vorm van ammoniak (NH3) en stikstofoxiden (NOx) op het oppervlak van de omliggende Natura 2000-gebieden inzichtelijk gemaakt. Bij een projecteffect kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar zorgt het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Daarnaast heeft de provincie Gelderland een redeneerlijn vastgesteld voor projecten met een tijdelijke stikstofdepositie. De redeneerlijn houdt in dat projecten met een kleine, tijdelijke depositie in de aanlegfase op voorhand niet zullen leiden tot significant negatieve effecten. Uitgangspunt hierbij is dat een project met een tijdelijke depositie kleiner dan of gelijk aan 0,05 mol/ha/jaar gedurende maximaal 2 jaar (of een equivalent hiervan) in beginsel niet vergunningsplichtig is1. Met het equivalent hiervan wordt bijvoorbeeld 0,02 mol/ha/jaar in 5 jaar, of 0,1 mol/ha/jaar in 1 jaar bedoeld.

1 BİĴ12, Projecten met een kleine, tijdelijke depositie, Veelgestelde vragen ‘Vergunningen’ vraag 11, verkregen van: https://www.bij12.nlZonderwerpenZstikstof-en-natura2000Zveelgestelde-vragen/, op 09-09-2020.

R 15629.001 versie D1

Pagina 3 van 8

Eco/ńsultancy

3

UITGANGSPUNTEN

Zowel de aanleg- als de gebruiksfase van het plan kunnen negatieve gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen binnen omliggende beschermde natuurgebieden. De projecteffecten van beide fases dienen inzichtelijk te worden gemaakt. 3.1

Aanlegfase

Met het plan wordt de bouw van een vrijstaande woning met schuur mogelijk gemaakt. De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (Nhb) tijdens de aanlegfase vinden plaats door de verkeersbewegingen ten behoeve van de af- en aanvoer van materialen, het vervoer van personeel en de inzet van mobiele werktuigen tijdens de constructie. De aanlegfase betreft een tijdelijke ontwik­ keling en zal minder dan één jaar duren. De werkzaamheden zullen in 2021 worden uitgevoerd. 3.1.1

Mobiele werktuigen

De benodigde gegevens (bouwjaar, brandstof, vermogen en draaiuren) voor de aanlegfase zijn be­ paald uit kentallen van vergelijkbare projecten uitgevoerd door Econsultancy. De emissiefactoren van de werktuigen zijn tevens gebaseerd op het in AERIUS Calculator opgenomen kentallen bij reguliere werkzaamheden. De totale hoeveelheid draaiuren bestaat uit zowel gebruiks- als stationaire uren. Gemiddeld draait een mobiel werktuig 30o7o stationair van de totale hoeveelheid draaiuren2. De emis­ sies ten gevolge van het stationair draaien van de mobiele werktuigen zijn berekend conform de In­ structie gegevensinvoer AERIUS2. Voorde aanlegfase is de inzet van de in bijlage 1 opgenomen mobiele werktuigen voorzien. De totale emissie mag in de praktijk niet hoger zijn dan in de AERIUS berekening (zie bijlage 2) staat weerge­ geven. Met betrekking tot de inzet van materieel is een worstcasescenario gehanteerd waarbij zowel de draaiuren als emissiefactoren in de praktijk waarschijnlijk lager zullen uitvallen. 3.1.2

Verkeersbewegingen

Naast de inzet van werktuigen vinden er ook verkeersbewegingen plaats voor het vervoer van mate­ rialen en personen van en naar het plan. Naar verwachting zullen voor de gehele aanlegfase 500 en 200 verkeersbewegingen met respectievelijk lichte en zware motorvoertuigen plaatsvinden. Voor het laden en lossen van goederen wordt een stagnatiefactor van 50o7o gehanteerd voor het zwaar verkeer. De ontsluiting van het verkeer kan in verschillende richtingen plaatsvinden. In het onderhavig onder­ zoek is een volledige ontsluiting in oostelijke richting gehanteerd. Een criterium voor wanneer verkeer in het heersende verkeersbeeld is opgenomen wordt gegeven in de instructie2, namelijk: ‘op het mo­ ment dat het aan- en afvoerende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag niet meer on­ derscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt. Hierbij weegt ook mee hoe de verhouding is tussen de hoeveelheid verkeer dat door de voorgenomen ontwikkeling wordt aange­ trokken en het reeds op de weg aanwezige verkeer.

In de regel wordt het verkeer meegenomen tot het zich verdund heeft tot enkele procenten van het reeds aanwezige verkeer.’ Het bevoegd gezag voorde Natura 2000-gebieden (provincie Gelderland) hanteert voor de ontsluiting van het verkeer de vuistregel dat licht en zwaar verkeer binnen de bebouwde kom na respectievelijk 50 en 150 meter is opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Voor het in kaart brengen van een worstcasescenario is circa 450 meter gehanteerd voorde ontsluiting van het verkeer.

2 Expertiseteam Stikstof en Natura 2000, Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2020, Versie 2020 3.0

R 15629.001 versie D1

Pagina 4 van 8

Eco/ńsultancy

In figuur 3.1 zijn de emissiebronnen van aanlegfase weergegeven. Bron 1 betreft de emissies ten gevolge van het gebruik de mobiele werktuigen, bron 2 het de emissies ten gevolge van het stationair draaien van de mobiele werktuigen en bron 3 de emissies van het (bouw)verkeer.

Figuur 3.1

Emissiebronnen aanlegfase

R 15629.001 versie D1

Pagina 5 van 8

Eco/ńsultancy

3.2

Gebruiksfase

Met het plan wordt de bouw van één vrijstaande woning mogelijk gemaakt. De nieuwbouw zal niet worden aangesloten op het gasnet. De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (Nhb) tijdens de gebruiksfase vinden plaats door de verkeersbewegingen van en naar het plan. Voor de berekening van de gebruiksfase is uitgegaan van het rekenjaar opvolgend aan de aanlegfase (2022).

3.2.1

Verkeersbewegingen

De verkeersgeneratie is berekend aan de hand van de CROW-publicatie 381 Toekomstbestendig parkeren en verkeersgeneratie. De gemeente Beuningen is conform de demografisch kencijfers van het CBS, aan te merken als een weinig stedelijke gemeente. De locatie van het plan is gelegen in de stedelijke zone ‘rest bebouwde kom’. In tabel 3.2 is de volledige berekening van de verkeersgeneratie van één vrijstaande woningen opgenomen. Tabel 3.1 verkeersgeneratie plan

functie

plan

eenheid

koop, vrijstaand, woning

1 woningen

1 woning

verkeers generatie per ee nheid min max 7,8

8,6

verke srsgenerat eplan min max gem 7,8

8,6

8,2

Uitgaande van de maximale bandbreedte genereert het totale plan 8,6 verkeersbewegingen per weekdag, hiervan is één verkeersbeweging opgenomen als middelzwaar vrachtverkeer. Voor de ont­ sluiting van het verkeer wordt verwezen naar paragraaf 3.1.2.

R 15629.001 versie D1

Pagina 6 van 8

Eco/ńsultancy

In figuur 3.2 zijn de emissiebronnen tijdens het toekomstig gebruik weergegeven. Bron 1 betreft de emissie van het verkeer van en naar het plan.

Figuur 3.2

Emissiebronnen gebruiksfase

R 15629.001 versie D1

Pagina 7 van 8

Eco/ńsultancy

4

BEREKENINGSRESULTATEN EN TOETSING

De berekening van het projecteffect van zowel de aanleg- als de gebruiksfase is verricht met behulp van het programma AERIUS Calculator (versie 2020). Onderstaand zijn de screenshots van de berekeningsresultaten weergegeven. In bijlage 2 en 3 zijn de AERIUS berekeningen van respectievelijk de aanlegfase en de gebruiksfase opgenomen. aanlegfase t

iebruiksfase...

Deposities per natuurgebied en habītattype: aanlegfase Maximum

—

V

Rijntakken

Er zijn geen rekenresultaten hoger dan o,oo mol/ha/j. mol/ha/j K 7\ LĊÜ

ZGLgl 1

Kamgrasweide b Bloemrijk weidevogelgrasland van bet rivieren- en zeekteīgebied

0,02

LgOZ

Geïsoleerde meander en petgat

0,02

ZGLg02

Geïsoleerde meander en petgat

0,02

H G12.0

Stroomdalgraslanden

0,01

ZGLgOS

Nat, matig voedselrijk grasland

0,01

Uit de berekening van de aanlegfase blijkt dat het projecteffect op het Natura 2000-gebied ‘Rijntak­ ken’ maximaal 0,02 mol/ha/jaar bedraagt. Het projecteffect ten gevolge van de aanlegfase op het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ is groter dan 0,00 mol/ha/jaar. De aanlegfase bevat echter werkzaamheden welke van tijdelijke aard zijn. Conform de redeneerlijn (zie hoofdstuk 2) geldt dat projecten met een kleine, tijdelijke depositie in de aanlegfa­ se op voorhand niet zullen leiden tot significant negatieve effecten. Uitgangspunt hierbij is dat pro­ jecten met een depositie kleiner dan of gelijk aan 0,05 mol/ha/jaar gedurende twee jaar in beginsel niet vergunningsplichtig zijn. Het maximale projecteffect ten gevolge van de aanlegfase bedraagt 0,02 mol/ha/jaar. Aangezien het om een tijdelijke depositie < 0,10 mol/ha/jaar gaat, kunnen significant negatieve effecten worden uit­ gesloten. De werkzaamheden ten behoeve van de aanlegfase worden hiermee niet vergunningsplich­ tig geacht in het kader van de Wet natuurbescherming. Gebruiksfase

Uit de berekening van de gebruiksfase blijkt dat het projecteffect op het Natura 2000-gebieden kleiner of gelijk is aan 0,00 mol/ha/jaar. Hierdoor kunnen negatieve effecten worden uitgesloten en wordt de gebruiksfase niet vergunningsplichtig geacht in het kader van de Wet natuurbescherming.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beuningen&id=5eff1975-2a27-4118-9283-f711895beb1e