CConstaterende datBeuningen
Koppel je AI →
Document · PDF

20 Proefsleuvenonderzoek archeologie, at20001988.pdf

Commissie Ruimte 25 mei 2021, gemeente BeuningenBij agendapunt: Deelsessie: Raadsvoorstel herziening bestemmingsplan ‘Locatie Asdonck’19.199 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Een fragment van een hoefijzer (V7.25) en een ovale ring of kettingschakel (V7.21) van ijzer zijn beide aangetroffen in de grachtvulling behorende tot fase 2 (werkput 7). De ring of kettingschakel vertoond op drie plekken diepe slijtagesporen. Het hoefijzer dateert vermoedelijk uit de nieuwe tijd, maar een laatmiddeleeuwse datering kan niet uitgesloten worden.

48 Verhelst 2010, 33; Hierbij wordt opgemerkt dat een ‘iets oudere datering niet uitgesloten kan worden’. 49 Nijhof/Jansen 2007, 204-205; Ottaway/Rogers 2002, 2870-2873; Egan 2010, 111-118. 50 Vgl. Braat 1977, 291, fig. 564; Dubbe 2002, 139, fig. 6-22; Van Hemert 2017, 121, 203-204. 51 Ottaway/Rogers, 2724-2727, fig. 1335.

25

Van de twee loden kogels is één exemplaar afkomstig uit de jonge grachtvulling in werkput 1. Het gaat hier om een bijzondere kogel want de kern bestaat uit een kiezelsteen en in het loden oppervlak zijn diepe kerven aangebracht (V1.34; fig. 7.6). Beide kenmerken zijn typerend voor kogels die gebruikt werden als vulling van een kartetsgranaat.52 Een kartets bestond uit een houten of blikken box, of een canvasdoek gevuld met loden kogels, eventueel gemengd met grind of ijzerwaar. Het werd afgeschoten met een drieponder, een mobiel kanon dat met maar twee paarden getrokken kon worden en daardoor geschikt was om de infanterie met snelvuur te ondersteunen.53 De kogelregen die door het kartetsvuur ontstond was zeer effectief tegen mfanteriemassa’s. De kerven in de kogels, worden in de Engelse battlefield archaeology aangeduid als een burr shot (‘braamschot’).54 Deze inkervingen werden aangebracht met een metalen werktuig, vermoedelijk om ernstigere verwondingen bij de vijand aan te brengen. De tweede loden kogel komt uit een recente verstoring en was gezien het kaliber (12 mm) bestemd voor een roer of karabijn (V1.6). De sporen van de kogel maken duidelijk dat het daadwerkelijk is afgeschoten. Twee metaalvondsten uit de grachtvulling behorende tot fase 3 zijn niet goed determineerbaar.

Het betreft een fragment van een gebogen bronzen plaatje (V1.3) en een beslagstuk in de vorm van een smalle gebogen bronzen plaat (V1.4).

1-V7.39

2-V14.60

3-V1.5

4-V14.58

5-V1.34

6-V4.12

Fig. 7.6. Beuningen-De Asdonck. Een selectie van de metaalvondsten. 1 grote opschep-Zpollepel of kolenschep/vuurlepel (V7.39); 2 beitel (V14.60); 3 Hollandse duit 1754 (V1.5); 4 Friese duit 1653 (V14.58); 5 musketkogel gevuld met grind, 'burr shot' (V1.34); 6 beslagstuk in de vorm van een kat (V4.12).

7.2.3 Conclusie

Los van de ijzeren sleutel zijn er nauwelijks vondsten die met zekerheid in de Late Middeleeuwen gedateerd kunnen worden. Wel zijn diverse voorwerpen van ijzer in de gracht aangetroffen, zoals het hoefijzer, de opscheplepel en de kettingschakel, die niet nauwkeurig dateerbaar zijn en daarom mogelijk nog (deels) uit de Late Middeleeuwen dateren. De Volle Middeleeuwen blijft beperkt tot het riembeslag in de vorm van een kat uit de gracht in werkput 4. Dit vormt een opvallend verschil ten opzichte van het onderzoek van RAAP waar de metaalvondsten juist hoofdzakelijk uit de Volle Middeleeuwen dateren. Gezien het relatief beperkte aantal metaalvondsten uit onderhavig onderzoek kunnen hier echter geen conclusies aan verbonden worden.

52 Van Hemert 2016, 127-128; Foard/Janaway/Wilson 2009, 22-23. 53 Nimwegen 2015, 86-87. 54 Foard 2009, 22-23; Van Hemert 2016, 129.

26

Er is geen metaal in de vullingen behorende tot de oudste grachtfase aangetroffen. De jongste metaalvondst uit de gracht komt uit S14.6 en betreft de duit uit 1653. Dit is een opvallend late datering aangezien op basis van het aardewerk verwacht mag worden dat de gracht in de vroege 17de eeuw gedempt is. Het metaal geeft geen inzicht in de functie van de gracht. 7.3 Dierlijk bot Martijn van Haasteren 7.3.1

INLEIDING EN METHODEN

Bij het veldonderzoek in Beuningen-De Asdonck is dierlijk bot gevonden. Op één fragment na is al het dierlijk bot afkomstig de grachten. Analyse van het dierlijk bot kan bijdragen aan het beantwoorden van de onderzoeksvragen uit het PvE en het evaluatierapport. In dit hoofdstuk wordt verslag gedaan van de determinatie en analyse van de dierlijke resten. Bij het determineren van het materiaal is gebruik gemaakt van de zoöarcheologische vergelijkings-collectie van de auteur. Waar mogelijk zijn fragmenten op soort en element gedetermineerd. Wanneer het niet mogelijk was om de soort te bepalen, is een fragment ingedeeld in een van drie grootteklassen: groot, middelgroot of klein zoogdier. Als ook de indeling in grootte niet mogelijk was is een fragment als ‘niet determineerbaar’ ingevoerd. Kwantificering is gebeurd op basis van het aantal fragmenten. Daarnaast zijn fragmenten die afkomstig zijn van hetzelfde bot geteld als één element. Zodoende zijn in totaal 66 fragmenten bewaard, die afkomstig zijn van ten minste 42 elementen. De compleetheid van een bot is vastgelegd met behulp van zes fragmentatie-categorieën. Om vast te leggen welke delen van een bepaald bot aanwezig waren, is een indeling in zones gebruikt.55 Ook zijn de conservering en verwering van het materiaal vastgelegd. Dit is gebeurd per vondstnummer.

Hiervoor zijn de methodes van Behrensmeyer en Huisman gebruikt.56 Voor de leeftijdsbepaling is gebruik gemaakt van de doorbraak en slijtage van tanden en kiezen uit de onderkaak. Slijtage van het gebit van runderen is vastgelegd met behulp van de slijtagestadia van Grant.57 Volgens haar methode is vervolgens een mandible wear stage vastgesteld. De mandible wear stages zijn omgezet naar absolute leeftijden volgens de methode van Hambleton.58 Voor het moment van doorbraak van gebitselementen en voor het moment van vergroeiing van de epifysen zijn de tabellen van Habermehl gebruikt.59 Maten zijn genomen volgens de standaard van Von den Driesch.60 Op basis daarvan is een schofthoogte van een paard berekend met behulp van de methode van May.61 Verder is het is niet mogelijk gebleken het geslacht van dieren te bepalen. Ook slachtsporen zijn niet aangetroffen. Een aantal resten had vraatsporen.

55 Serjeantson 1996, 195-200. 56 Behrensmeyer 1978; Huisman 2006. 57 Grant 1982. 58 Hambleton 1999, 64-65. 59 Habermehl 1975. 60 Von den Driesch 1976. 61 May 1985.

27

7.3.2

RESULTATEN

In totaal zijn 66 fragmenten dierlijk bot verzameld, die hebben toebehoord aan 42 elementen. Al het materiaal is goed geconserveerd en valt in de conserveringsklassen ‘sterk bot’ en ‘breekbaar, maar compleet bot’.62 Ook de verwering is beperkt. In de meeste gevallen zijn ‘geen sporen’ zichtbaar en in enkele gevallen zijn ‘barsten’ geconstateerd.63 In bijlage 6 zijn de resultaten weergegeven. Vanwege de beperkte omvang van de assemblage is het niet zinnig om in te gaan op verdelingen van diersoorten of elementen. Verder is ook geen inzicht te verkrijgen in slachtpatronen op basis van de paar leeftijdsgegevens. Wel is duidelijk dat de aangetroffen resten afkomstig zijn van de vier landbouwhuisdieren rund, paard, schaap/ geit en varken. Daarnaast zijn hond en kat gevonden. Uit de tabel wordt verder duidelijk dan het meeste materiaal afkomstig is uit de grote gracht. Daarbij gaat het om 29 van de 42 elementen. Binnen de gracht zijn drie fasen onderscheiden. Het meeste materiaal is toe te schrijven aan de oudste fase, fase 1, die dateert in de Middeleeuwen. Deze context bevatte de grootste diversiteit aan soorten. Zo zijn alle resten van paard, schaap/geit, varken en kat uit deze context afkomstig. Onder de resten van paarden zijn enkele elementen die meer gegevens opleveren. Zo is een scheenbeen afkomstig van een paard dat op een jonge leeftijd tussen 2 en 3.5 jaar is gestorven.

Normaliter zijn paarden pas in te zetten op een leeftijd van 5 jaar. Dit element kan er dus op wijzen dat in de omgeving van de vindplaats paarden zijn gefokt of afgericht. Daarnaast is een middenvoetsbeen van een paard enigszins krom of gedraaid gegroeid (fig. 7.7). Van dit element staat ook het distale gewricht schuin ten opzichte van de schacht. De afwijking wijst mogelijk op een pathologische verandering. Wat de oorzaak hiervan is, is niet te achterhalen, maar er kan gedacht worden aan vitaminetekort, of overbelasting. Vergelijkbare afwijkingen in metapodia van runderen worden bijvoorbeeld in verband gebracht met overbelasting van ploegdieren.64

Fig. 7.7. Beuningen-De Asdonck. Middenvoetsbeen van paard met pathologische afwijking.

Verder is van paard nog een associatie van een scheenbeen, hielbeen en sprongbeen aanwezig. Op deze elementen zijn vraatsporen aanwezig. Een tweede associatie uit fase 1 van de gracht betreft de kop van een kat (fig. 7.8). Hiervan zijn de schedel, onderkaken en een halswervel aanwezig. Uit hetzelfde vondstnummer zijn enkele teenkoten van kat afkomstig. Mogelijk behoren deze toe aan hetzelfde dier, maar dat is niet meer met zekerheid te zeggen.* * *

62 Huisman 2006. 63 Behrensmeyer 1978. 64 Bartosiewicz et al. 1993.

28

Uit fase 2 en 3 van de gracht zijn alleen enkele resten van rund afkomstig. Uit fase 3, die in de Nieuwe Tijd dateert, komt een runderkaak met leeftijdsinformatie. De kaak is afkomstig van een dier dat is geslacht op een leeftijd tussen 18 en 30 maanden.65 Andere contexten betreffen de middeleeuwse grachten S6.2 en S4.2. Uit S6.2 zijn resten van hond afkomstig. Het gaat om een schedel, halswervels en een aantal ribben. Mogelijk behoren de resten toe aan hetzelfde dier, maar ook in dit geval is dat niet met zekerheid te zeggen. Een element van rund, tot slot, is aangetroffen op het vlak (S2.1) en kan niet aan een periode of fase worden gerelateerd.

Fig. 7.8. Beuningen-De Asdonck. Kop van kat.

7.3.3 CONCLUSIE

Bij het onderzoek in Beuningen-De Asdonck is goed geconserveerd dierlijk bot aangetroffen. Het materiaal is grotendeels afkomstig uit de middeleeuwse vulling van een gracht. De resten behoren toe aan de vier gebruikelijke landbouwhuisdieren. Daarnaast zijn associaties van hond en kat gevonden. Het kleine aantal resten maakt het niet mogelijk om conclusies aan te verbinden. Een interpretatie is ook lastig, omdat niet geheel duidelijk is van wat voor soort vindplaats het materiaal afkomstig is, ofwel wat voor plek de gracht heeft omringd. Hierdoor is ook een vergelijking met andere sites weinig zinvol. De conclusie van het zoöarcheologische onderzoek is dan ook vooral waardestellend voor mogelijk toekomstig onderzoek. Het dierlijk bot is goed geconserveerd en heeft de potentie meer inzicht in veehouderij, economie en status van eventuele bewoners van het omgrachtte terrein te verschaffen. 7.4 Overige vondsten Mark Groenhuijzen I Jelle van Hemert Er zijn enkele vondsten aangetroffen die buiten de hierboven behandelde materiaalcategorieën vallen, namelijk één stuk hout, één kleine knikker van keramiek, twee glasfragmenten, vijf stuks natuursteen en wat fragmenten van baksteen. Gezien deze lage aantallen zijn deze groepen samengevoegd onder deze paragraaf en zal het kort benoemd zullen worden. De vondstcategorie van natuursteen omvat vijf exemplaren binnen vier vondstnummers.

Hiertoe behoren twee stukken zandsteen, één stuk siltsteen en één stuk kwartsiet, allen zonder sporen van antropogene bewerking. Eén object kan wel duidelijk als antropogeen worden gekenmerkt. Dit betreft een fragment van een maalsteen vervaardigd uit tefriet. Het meet circa 13.5x9.0 cm in oppervlak en 3.5 cm in hoogte. Het object is als maalsteen te herkennen op basis van het gemaalde oppervlak aan één van de platte zijden. Vanwege de blazige structuur van deze steensoort is deze ook bijzonder geschikt voor het gebruik als maalsteen. Het object lijkt typologisch gezien in de Middeleeuwen te plaatsen, al is het te klein om preciezer typologisch te duiden en dateren. Het maalsteenfragment is afkomstig uit een greppel in werkput 6 (S6.2). Het baksteen bestaat uit een elftal fragmenten verdeeld over 6 vondstnummers. De vier fragmenten uit werkput 9 zijn afkomstig uit de waterput en dateren uit de nieuwe tijd. Los van één fragment uit een recente verstoring zijn de overige stukken baksteen afkomstig uit de gracht in werkput 13 en 14. Er zijn ten minste twee fragmenten van Romeinse dakpannen (tegulae) aangetroffen. Een fragment komt uit de grote gracht (fase 2) en het andere is afkomstig uit een recente verstoring. Een 65 TWS M123: jfE. MWS: 28.

29

viertal fragmenten zijn dermate gefragmenteerd dat ze niet goed gedateerd kunnen worden. Deze fragmenten zouden mogelijk nog Romeins kunnen zijn. Ook bij de opgraving van RAAP ten westen van het plangebied zijn enkele Romeinse vondsten gedaan die als zwerfafval beschouwd zijn. Beide glasfragmenten dateren uit de nieuwe tijd. Een voetfragment van een glas dateert vermoedelijk uit de vorige eeuw. Hetzelfde geldt voor de keramische knikker die afkomstig is uit een recente kuil in werkput 10. Het houtfragment is aangetroffen in de humeuze grachtvulling behorende tot fase 2 en betreft een onbewerkt houtfragment. Het is afkomstig uit een venige laag in de gracht waar veel meer (drijf)hout in lag.

30

8

Waardering í Conclusie

In het plangebied De Asdonck in Beuningen is een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd met als doel gegevens te verzamelen over de inhoudelijke en fysieke kwaliteit (aard, ouderdom, omvang, gaafheid, conservering) van het ter plekke aanwezige archeologisch bodemarchief en tot een waardestelling van de archeologische vindplaats te kunnen komen. Het onderzoek moet leiden tot aanbevelingen over de behoudenswaardigheid van de vindplaats en de te nemen vervolgstappen ten aanzien van eventueel behoud in situ of nader onderzoek. In de volgende paragraaf worden de conclusies van het proefsleuvenonderzoek besproken. De waardering van de vindplaats is opgenomen in paragraaf 8.2 en het advies in paragraaf 8.3. 8.1 Conclusie Het proefsleuvenonderzoek heeft sporen opgeleverd die op grond van de datering tot één vindplaats gerekend worden, hoewel niet uitgesloten kan worden dat de aard van de sporen verschilt en er strikt genomen wellicht van meerdere vindplaatsen gesproken moet worden. Verspreid over het hele plangebied is wat vroegmiddeleeuws aardewerk aangetroffen. Dit materiaal is echter beperkt in aantal, sterk gefragmenteerd en hoofdzakelijk afkomstig uit sporen met jonger aardewerk afkomstig. Derhalve moet dit worden beschouwd als opspit of zwerfvuil. Mogelijk is het terrein dus ook in de Karolingische periode in gebruik geweest.

Deze constatering is ook gedaan bij de door RAAP uitgevoerde opgraving direct ten noordwesten van het plangebied. Gezien het feit dat in beide onderzoeken geen sporen uit deze periode zijn aangetroffen lijkt een verklaring als akkerland in de Karolingische periode het meest voor de hand te liggen. Voor beide onderzoeken geldt dat de oudste sporen uit de Volle Middeleeuwen stammen. De aard van de sporen lijkt binnen het onderhavige onderzoek echter sterk verschillend ten opzichte van het onderzoek van RAAP, waar sprake is van een rurale nederzetting uit de Volle Middeleeuwen. Los van twee volmiddeleeuwse kuilen bestaan de sporen in het plangebied namelijk uit drie verschillende grachten. In werkput 4 en 6 zijn twee volmiddeleeuwse grachten aangetroffen. In vijf werkputten ten oosten hiervan is een grote gracht aangetroffen die een terrein ten noorden van het plangebied omsluit. Hierin zijn drie verschillende fases onderscheidden. De oudste grachtfase dateert uit de Volle Middeleeuwen (1100-1300). De tweede fase dateert in de Late Middeleeuwen met een doorloop in de 16de eeuw en de jongste grachtfase dateert in de 16de eeuw tot in de eerste helft van de 17de eeuw. De gracht kent een langere doorlooptijd dan het nederzettingsterrein ten noordwesten van het plangebied, waar de jongste bewoningssporen uit de 15de eeuw dateren.

Het vondstmateriaal geeft geen inzicht in de functie van de gracht. Mogelijk gaat het om een restant van een omgracht nederzettingsterrein uit de Volle Middeleeuwen. Het is hierbij denkbaar dat er sprake is van een link met het nabijgelegen kasteel Blankenburg dat in de 15de eeuw gebouwd is. De fasering van de gracht sluit hier echter niet helemaal goed bij aan, aangezien de jongste grachtfase uit de nieuwe tijd dateert. Nader archeologisch en historisch onderzoek zou meer duidelijkheid moeten geven omtrent een eventuele link met kasteel Blankenburg. De conserveringstoestand van de sporen is redelijk tot goed, maar verspreid over het plangebied zijn wel vrij veel recente verstoringen waargenomen. De hoeveelheid verstoringen en ook het geringe aantal paalkuilen en kuilen geven waarschijnlijk een vertekend beeld weer. Dit beeld is het gevolg van het gehanteerde puttenplan. De kans dat sporen in kleine, ogenschijnlijk willekeurig geplaatste kijkvensters worden aangetroffen is niet groot. Tegelijkertijd wekken enkele grotere recente verstoringen zoals die in de werkputten 2, 10 en 11 de indruk dat het gebied sterk verstoord is. Deze verstoringen zijn waarschijnlijk echter vrij lokaal en beperken zich tot de zone waarbinnen de steenbouw uit de afgelopen twee eeuwen heeft gestaan.

Om dergelijke zaken beter in beeld te krijgen had een puttenplan met langere, systematisch geplande sleuven meer effect gehad. Een dergelijk plan had waarschijnlijk ook meer inzicht kunnen bieden in het vraagstuk of we hier met één of meerdere vindplaatsen te maken hebben. De

31

paalkuilen zouden namelijk tot een erf kunnen horen terwijl de grachten juist onderdeel uitmaken van een meer adellijk complex. Dit zal echter in de toekomst moeten blijken. 8.2 Waardering 8.2.1 Inleiding

Het doel van het proefsleuven onderzoek is het waarderen van het archeologisch bodemarchief van plangebied De Asdonck te Beuningen. Deze paragraaf presenteert de waardering van de betreffende vindplaats op basis van de hierboven besproken gegevens en analyses. De waardering is uitgevoerd conform de KNA-versie 4.1.66 Voordat we overgaan op de waardestelling zal er eerst nog een toelichting gegeven worden op het proces van waardering volgens het stroomschema van figuur 8.1.67 Ten eerste wordt nagegaan of de vindplaats vanwege de belevingswaarde, op basis van schoonheid of herinneringswaarde, als behoudenswaardig getypeerd kan worden. De vindplaats wordt vervolgens op fysieke kwaliteit beoordeeld. Een monument wordt op basis van fysieke kwaliteit in principe als behoudenswaardig aangemerkt, indien de criteria gaafheid en conservering samen bovengemiddeld (vijf of zes punten) scoren. De beoordeling van de fysieke kwaliteit is gerelateerd aan de archeoregio waarin de vindplaats zich bevindt, op deze wijze wordt de conserveringstoestand in relatie tot de andere relevante sites bekeken.

Beleving Fysieke kwaliteit

bovengemiddelde

bovengemiddelde

Inhoudelijke kwaliteit hoge Inhoudelijke kwaliteit?

Behoudens­ waardig

Voorstel tot selectie

lage score

Representativiteit

Niet behoudens­ waardig

Fig. 8.1. Waardecriteria (bron KNA-versie 4.1. Bijlage IV, figuur 1).

Bij een middelmatige tot lage score (vier punten of minder), wordt naar de inhoudelijke kwaliteitscriteria gekeken om te bepalen of een vindplaats toch behoudenswaardig is. Indien te verwachten is dat op een van de inhoudelijke criteria ‘hoog’ wordt gescoord, wordt de vindplaats ook in principe behoudenswaardig geacht. Dit ‘vangnet’ heeft tot doel ervoor te zorgen dat terreinen die van beperkte fysieke kwaliteit zijn, maar desondanks inhoudelijk van groot belang, uit de beoordeling vallen.

66 KNA versie 4.1, bijlage IV Waarderen van vindplaatsen. 67 Idem.

32

Vindplaatsen die op grond van hun fysieke kwaliteit als in principe behoudenswaardig zijn aangemerkt, worden vervolgens gewaardeerd op hun inhoudelijke kwaliteit. Eerst vindt een afweging plaats op de eerste drie inhoudelijke kwaliteitscriteria; zeldzaamheid, informatiewaarde en ensemblewaarde. Bij een bovengemiddelde score van zeven punten of meer wordt de vindplaats als behoudenswaardig aangemerkt. Na deze weging wordt bij vindplaatsen met een lagere inhoudelijke waardering (minder dan zeven punten) nagegaan of het criterium representativiteit van toepassing is. Zo ja, dan wordt een voorstel gedaan voor een als behoudenswaardig aan te merken steekproef per categorie. In het onderstaande worden de criteria kort uitgelegd en vervolgens beschreven en gescoord voor de vindplaats Beuningen-De Asdonck. Een overzicht van deze scores is weergegeven in tabel 8.1. 8.2.2 Waardestelling

In deze paragraaf wordt een waardestelling van de vindplaats gegeven volgens de richtlijnen van de KNAversie 4.1.68 Waardering gebaseerd op belevingsaspecten Dit criterium heeft alleen betrekking op nog zichtbare monumenten, daarom is er op dit punt geen sprake van een score. Waardering gebaseerd op fysieke kwaliteiten De fysieke kwaliteit scoort bovengemiddeld (totaalscore 5). Op het criterium van gaafheid wordt gemiddeld gescoord. De sporen zijn in feite goed bewaard gebleven, maar verspreid over het plangebied zijn wel vrij veel recente verstoringen aanwezig. De beperkte omvang van de proefsleuven maakt het moeilijk om een goede inschatting te geven hoeveel van het niet-onderzochte deel van het plangebied verstoord is. Daarnaast is er onder de parkeerplaats waarschijnlijk sprake van reductie wat de leesbaarheid van de sporen niet ten goede komt. Het maakt het herkennen van de sporen echter niet onmogelijk. Het aardewerk, bot en metaal is goed bewaard gebleven. Derhalve komt de score voor conservering uit op 3. Waardering gebaseerd op inhoudelijke kwaliteiten De inhoudelijke kwaliteit scoort bovengemiddeld (totaalscore 7). Wat de zeldzaamheid en informatiewaarde betreft scoort de vindplaats gemiddeld. Er is nog geen goed zicht op de functie van het grachtsysteem en wat het omsloten heeft.

Er zijn in directe omgeving wel bewoningsporen uit de Volle Middeleeuwen bekend, maar dit gaat om een rurale nederzetting, terwijl de middeleeuwse sporen van deze vindplaats een heel ander beeld geven. Mogelijk kan de vindplaats ook in verband gebracht worden met kasteel Blankenburg. Dit maakt dat de vindplaats op het gebied van ensemblewaarde maximaal scoort.

68 KNA versie 4.1, bijlage IV Waarderen van vindplaatsen.

33

Waarden

Criteria

Scores

Beleving

Schoonheid

n.v.t.

Herinneringswaarde

n.v.t.

Totaal

n.v.t.

Gaafheid

2

Conservering

3

Totaal

5

Zeldzaamheid Informatiewaarde

2 2

Ensemblewaarde

3

Totaal

7

Fysieke kwaliteit

Inhoudelijke kwaliteit

Tabel 8.1. Beuningen-De Asdonck. Waardering van de vindplaats.

8.3 Selectieadvies Op basis van de scores kan de vindplaats als behoudenswaardig beschouwd worden. Indien er sprake is van verstoring van de vindplaats kan zij ex situ behouden worden door middel van een opgraving. Op basis van de verstrekte gegevens kan de vindplaats opgedeeld worden in drie deelgebieden (fig. 8.2). Het uiterste westen van het plangebied lijkt vrij te zijn van archeologische resten en is dus niet als onderdeel van de vindplaats beschouwd. Voor deze zone wordt vrijgave geadviseerd. Op grond van de beschikbare gegevens lijkt het verder zo te zijn dat het overige deel van het plangebied volledig als onderdeel van de middeleeuwse vindplaats kan worden beschouwd. Omdat men in eerste instantie duidelijkheid wilde krijgen in de archeologische situatie ter hoogte van de zone waar appartementencomplexen komen te staan, is deze zone aangemerkt als deelgebied A. Deze zone door de voorgenomen bouwwerkzaamheden verstoord worden en de hier gelegen resten komen zeker in aanmerking voor behoud ex situ. in dit geval is een opgraving het meest voor de hand liggend. Wel wordt geadviseerd om de aanwezige kabels en leidingen voorafgaand aan het onderzoek onklaar te maken en/of te verwijderen opdat de archeologische graafwerkzaamheden zonder veel oponthoud kunnen voortgaan.

De mate van verstoring door de voorgenomen bouwwerkzaamheden in deelgebied B is niet bekend, maar gezien de beschikbaar gestelde bouwplannen, zullen ook hier grondroerende werkzaamheden plaats gaan vinden. Mochten de bodemingrepen die met deze bouwwerkzaamheden dieper reiken dan ca. 80 cm onder het maaiveld, dat wil zeggen dieper dan 7.5 m NAP, dan zal behoud ex situ door middel van een opgraving noodzakelijk zijn. Voor deelgebied c zijn vooralsnog geen bouwplannen bekend. Mochten er in de toekomst bodemingrepen plaatsvinden dan geldt voor dit deel hetzelfde advies als voor deelgebied B. Wel is het raadzaam om hier eerst aanvullende proefsleuven te trekken om een betere inschatting te kunnen maken van hetgeen hier verwacht kan worden.

34

181.820

Heilig

Hartbeeld 181.500

Fig. 8.2. Beuningen-De Asdonck. Het advies voor de verschillende delen van de vindplaats geprojecteerd op een topografische kaart. Schaal 1:2.000. . Bron: J.W. van Aalst, www.opentopo.nl. A ex situ behoud door middel van een opgraving; B ex situ behoud door middel van een opgraving als de bodemingrepen dieper reiken dan ca. 80 cm onder het maaiveld; C ex situ behoud door middel van een opgraving als toekomstige bodemingrepen dieper reiken dan ca. 80 cm onder het maaiveld.

Let op: dit is slechts een selectieadvies. Het selectieadvies is gebaseerd op archeologische gronden. Het is aan burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente om dit om te zetten in een selectiebesluit. Bij dit selectiebesluit kunnen andere dan archeologische motieven een rol spelen. Pas nadat er een selectiebesluit genomen is kunnen eventuele bodemverstorende activiteiten uitgevoerd worden. De archeologische meldingsplicht blijft hoe dan ook van kracht. Wanneer tijdens de graafwerkzaamheden archeologische sporen of resten worden aangetroffen, dan dient dit, conform art. 5.10 van de Erfgoedwet 2016, direct te worden gemeld bij de bevoegde overheid.

35

9

Beantwoording onderzoeksvragen

1

Zijn er binnen het plangebied vindplaatsen aanwezig? Ja, het plangebied kan beschouwd worden als één vindplaats.

2

Indien er vindplaatsen zijn aangetroffen: Wat is de aard, omvang en datering hiervan? De sporen die zijn aangetroffen lijken te behoren tot een vindplaats met meerdere gebruiksfasen. De oudste sporen dateren uit de Volle Middeleeuwen. De vindplaats loopt door tot in het begin van de Nieuwe Tijd. De aard van de vindplaats is lastiger te duiden. In eerste instantie lijkt de vindplaats qua datering overeen te komen met het onderzoek van RAAP dat even ten westen van het onderhavige onderzoek is uitgevoerd. In dat geval zouden we spreken van een rurale nederzetting uit de Middeleeuwen. De sporen die zijn aangetroffen tijdens het onderzoek geven echter een ander beeld. Deze bestaan namelijk hoofdzakelijk uit grachten. In totaal zijn drie grachten onderscheiden. De grootste hiervan kent drie fasen, waarvan de oudste in de Volle Middeleeuwen valt en de jongste in de Nieuwe Tijd. Deze gracht lijkt een terrein ten noorden van plangebied te omsluiten. Het is niet duidelijk of er een directe relatie is tussen de overige grachten en deze gracht. Ook een relatie met het onderzoek van RAAP is als gevolg van de lage dekkingsgraad van het onderzoek, lastig vast te stellen. Tot slot zijn op twee plekken (paal)kuilen aangetroffen die lijken te dateren in de Volle Middeleeuwen.

Gezien de overeenkomsten in datering tussen de verschillende sporen lijkt het dus legitiem om te spreken van één vindplaats.

3

Wat is de diepteligging van de vindplaats(en)? De bovenkant van de grachten bevinden zich op een diepte tussen 7,5 en 7,8 m +NAP, wat gelijk is aan ongeveer 60 tot 90 cm onder het maaiveld.

4

Wat is de gaafheid en conserveringstoestand van de aangetrojfen vindplaatsen en de afzonderlijke materiaalcategorieën die hierbinnen zijn aangetrojfen? De gaafheid en conserveringstoestand van de vindplaats is redelijk tot goed. Verspreid over het plangebied zijn wel vrij veel recente verstoringen waargenomen. Dit in combinatie met de kleine omvang van de meeste proefsleuven maakt het moeilijk om in te schatten hoeveel van het niet-onderzochte deel van het plangebied verstoord is. De vertegenwoordigde materiaalcategorieën verkeren over het algemeen in een goede staat. Het botmateriaal, dat hoofdzakelijk uit de gracht afkomstig is, is goed bewaard gebleven. De non-ferro metalen zijn eveneens goed geconserveerd. Voor het ferro metaal is gezien de mate van ijzercorrosie eerder sprake van een redelijke tot matige conservering.

5

Houden de aangetroffen vindplaatsen verband met de vindplaats die door RAAP is aangetroffen? Deze vraag is momenteel nog moeilijk te beantwoorden, maar is zeker relevant. De middeleeuwse grachten die in het westelijke deel van het plangebied zijn aangetroffen zouden mogelijk verband kunnen houden met de door RAAP onderzochte vindplaats ten westen van het plangebied. De datering van het vondstmateriaal uit beide vindplaatsen, in het bijzonder van het gedraaid aardewerk komt in grote mate overeen. Er zijn verder echter geen nederzettingssporen uit de Volle Middeleeuwen aangetroffen die tot hetzelfde erf behoord kunnen hebben.

6

Is de veronderstelde restgeul in het noordelijke deel van het plangebied aanwezig en zo ja, wat is hiervan de datering? Deze restgeul is niet waargenomen en moet daarom ten noorden van het plangebied liggen. Wel is hierboven al gesuggereerd dat (een restant van) deze restgeul mogelijk deels is opgenomen in het grachtsysteem.

36

7

In hoeverre zijn de resultaten van het onderzoek te rijmen met de archeologische beleidsadvies kaart? Ga bij de beantwoording in op zowel de archeologische als de fysisch geografische gegevens. Centraal in het plangebied zijn op de archeologische beleidsadvieskaart twee woonlocaties aangegeven welke ook op het kadastraal minuutplan zijn weergegeven. Los van de restanten van villa Asdonck zijn er geen bewoningssporen in deze zone aangetroffen. Op de beleidsadvieskaart staat binnen het plangebied ook een Romeinse vindplaats aangeduid, maar zoals in het PvE al is aangegeven, hangt dit vermoedelijk samen met Romeins zwerfvuil dat tijdens de opgraving van RAAP is aangetroffen. Los van enkele fragmenten van Romeinse dakpannen uit de gracht in werkput 13 zijn er bij onderhavig onderzoek geen vondsten uit de Romeinse tijd gedaan. De noordoostelijke hoek van het plangebied valt nog net binnen een zone die op de beleidsadvieskaart aangeduid is als oude woongrond. Aangezien dit deel waarschijnlijk binnen het omgrachtte gebied valt, lijkt dit goed overeen te komen. Volgens de beleidsadvieskaart zou de bodem binnen het plangebied moeten bestaan uit oeverafzettingen van de Waal, wat overeenkomt met de bevindingen in het veld.

8

Zijn er mogelijkheden tot bescherming van de archeologische resten? M.a.w. is behoud in situ mogelijk? De ligging en loop van de grachten maakt het erg moeilijk tot onmogelijk om archeologiebesparend te bouwen. Daarbij komt dat het nog onduidelijk is in hoeverre er archeologische resten in de directe omgeving van de grachten liggen. Deze zijn niet gevonden, maar worden hier zeker verwacht. Ook deze resten zullen verstoord worden bij toekomstige activiteiten.

9

Wanneer er geen vindplaatsen zijn aangetroffen: Hoe kan dit worden verklaard? n.v.t.

10

Is er sprake van één gracht of zijn er meerdere grachten aanwezig? Er zijn drie verschillende grachten te onderscheiden.

11

Indien er sprake is van meerdere grachten; wat kan er gezegd worden over de onderlinge samenhang? De twee kleinere grachten oversnijden elkaar, maar dateren beide uit de Volle Middeleeuwen wat overeenkomt met de oudste fase van de grote gracht. De onderlinge samenhang tussen de drie grachten is verder nog onduidelijk.

12

In hoeverre kan er een fasering aangebracht worden en wat zijn de bijbehorende dateringen? Het noordprofiel van werkput 7 is belangrijk voor de fasering van de gracht. Hier zijn twee heringraving zichtbaar, waardoor er nu drie verschillende fases te onderscheiden zijn. Op basis van het aardewerk uit de oudste grachtvulling is vastgesteld dat de gracht al in de Volle Middeleeuwen open lag. De tweede fase wordt gedateerd in de late middeleeuwen tot in de 16e eeuw en de jongste fase dateert vanaf de 16e eeuw tot in de eerste helft van de 17e eeuw.

13

Zijn er archeologische en historische aanwijzingen voor de specifieke functie van de gracht? Wat kan het omsloten hebben? De breedte en de loop van de grote gracht doet vermoeden dat het gaat om een omgrachting van een bouwwerk. Er zijn onder het vondstmateriaal echter geen aanwijzingen voor de functie van de gracht.

14

Hoe verhouden de sporen uit de werkputten 2 en 9 zich tot de overige resultaten. In beide werkputten is één spoor uit de Volle Middeleeuwen aangetroffen die vooralsnog op zichzelf lijken te staan. Los van de grachten zijn er in de andere werkputten geen sporen uit deze periode aangetroffen. In de zone rondom werkput 2 en 9, in de zuidoostelijke hoek van het plangebied, zouden daarom nog meer sporen uit de Volle Middeleeuwen verwacht kunnen worden.

15

Wat is de beste strategie om de vindplaats verder in kaart te brengen?

37

Voor de oostelijke helft van het plangebied wordt een opgraving geadviseerd. Hierbij zou de loop van de grote gracht in kaart gebracht moeten worden, alsmede de zone binnen de gracht langs de noordelijke grens van het plangebied. Belangrijk is dat ook de zone ten zuiden van de gracht in het onderzoek meegenomen wordt, omdat hier mogelijk nog meer sporen uit de Volle Middeleeuwen aanwezig kunnen zijn. Om een compleet beeld te krijgen is het ook van belang dat een deel van het gebied ten westen van de grote gracht meegenomen wordt in het onderzoek. Dit zou meer inzicht kunnen geven in de onderlinge samenhang met de twee kleinere grachten.

38

Literatuur Baart, J., W. Krook/A. Lagerweij/N. Ockers/H. van Regteren Altena/T. Stam/G. Stouthart/M. van der Zwan 1977: Opgravingen in Amsterdam. 20 jaar stadskernonderzoek, Amsterdam. Bartels, M., 1999: Steden in Scherven. Vondsten uit beerputten in Deventer, Dordrecht, Nijmegen en Tiel (1250­ 1900), Zwolle/Amersfoort. Bartosiewicz, L., W. Van Neer & A. Lentacker, 1993: Metapodial asymmetry in draft cattle. International Journal of Osteoarchaeology 3, 69-75 Behrensmeyer, A.K., 1978: Taphonomic and ecologic information from bone weathering, Paleobiology 4 (2), 150-162. Bogaers, M.R., 1992: Drukdecors op Maastrichts aardewerk 1850-1900, Lochem. Bosch, J.H.A., 2007: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode. Op basis van de Standaard Boor Beschrijvingsmethode versie 5.2, Utrecht (TNO-rapport NITG 2007-U-R0246/A). Busschers, F.S./H.J.T. Weerts, 2003: Formatie van Kreftenheye, (Lithostratigrafische Nomenclator van de Ondiepe Ondergrond), https://www.dinoloket.nl/formatie-van-kreftenheye. Clevis, H./J. Kottman, 1989: Weggegooid en teruggevonden. Aardewerk en glas uit Deventer vondstcomplexen 1375-1750, Kampen. Clevis, H./J. Thijssen, 1989: Kessel, huisvuil uit een kasteel, Zwolle (mededelingenblad nederlandse vereniging van vrienden van de ceramiek 136). Cohen, K.M./E. Stouthamer/W.Z. Hoek/HJ.A. Berendsen/H.FJ.

Kempen 2009: Zand in banen Zanddieptekaarten van het Rivierengebied en het IJsseldal in de provincies Gelderland en Overijssel. Arnhem. Cohen, K.M./E. Stouthamer/HJ. Pierik/A.H. Geurts 2012: Digitaal Basisbestand Paleogeografie van de Rijn—Maas Delta. Digitale Dataset, http://easy.dans.knaw.nl. Dijkstra, J., 1998: Archeologisch Onderzoek in de binnenstad van Tiel, juni t/m september 1996. Lokaties Koornmarkt en Tol-Zuid, Amersfoort (Rapportage Archeologische Monumentenzorg 57). Dubbe, B., 2012: Huusraet. Het stedelijke woonhuis in de Bourgondische tijd, Hoorn. Egan, G., 2010 [1998]: The medieval household. Daily living c.1150—1450, Londen (Medieval finds from excavations in Londen 6). Erkens, G., 2009: Sediment dynamics in the Rhine catchment. Quantification offluvial response to climate change and human impact, Utrecht (Nederlandse Geografische Studies 388). Foard, G., R. Janaway & A. Wilson 2009, The scientific study and conservation of battlefield assemblages. AHRC / EPSRC Science and Heritage Programme (URL : http : // www. heritagescience.ac.uk/Research_Projects/projects/Projectposters/Conservation_of_ Battlefield_Archaeology_project_report). Goossens, E., 2010: Archeologische monumentenzorg in de gemeente Beuningen Actualisatie van de archeologische waarden en verwachtingenkaart en vervaardiging van archeologische beleidsadvieskaart, Weesp (RAAPrapport 2170). Grant, A.

1982: The use of tooth wear as a guide to the age of domestic ungulates, in B. Wilson/ C. Grigson/ S. Payne (eds), Ageing and Sexing Animal Bones from Archaeological Sites, Oxford (BAR British Series 109), 91-108. Griffioen, A./S. Ostkamp, 2008: Het pottenbakkersafval, in M. Nokkert, Pottenbakkers aan de Anthoniedijk. Inventariserend onderzoek m.b.v. proefsleuven en definitief archeologisch onderzoekvoorafgaand aan het nieuwbouwproject 'Hoogstraat aan de Vecht' te Utrecht, Utrecht (Basisrapportage archeologie 34), 55­ 65. Groot, M., 2010: Handboek zoöarcheologie, Amsterdam (Materiaal & Methoden 1). Habermehl, K.-H., 1975: Die Altersbestimmung bei Haus- und Labortieren, Berlijn. Hambleton, E., 1999: Animal husbandry regimes in Iron Age Britain. A comparative study of faunal assemblages from British Iron Age sites, Oxford: Archaeopress (BAR British Series 282). Hemert, J. van, 2016: Duizend kogels en granaten!!!, in: C.W. Koot/E.N.A. Heirbaut (red.): Archeologische monumentenzorg in het plangebied van de dijkteruglegging bij Lent. 6. Schans Knodsenburg,

39

de nieuwetijdse bewoningsgeschiedenis, Nijmegen (Archeologische Berichten Nijmegen - Rapport 63), 117-158. Hemert, J. van, 2017: Catalogus metaal, in: S. Brussé/C.W. Koot (red.), De Lentse Lus archeologisch ontrafeld. Bewoningsporen uit de middeleeuwen en vondsten uit de Tweede Wereldoorlog, Nijmegen (Archeologische Berichten Nijmegen — Rapport 68), 189-228. Hiddink, H.A.H./M. Schabbink, 2005: Midddeleeuws aardewerk, in H.A.H. Hiddink, Opgravingen op het Rosveld bij Nederweert 1. Landschap en bewoning in de IJzertijd, Romeinse tijd en Middeleeuwen, Amsterdam (Zuidnederlandse Archeologische Rapporten 22), 153-166. Huisman, D.J., 2006: Eerste hulp bij kwetsbaar vondstmateriaal, Gouda. Jas, J., 2013: Kastelen in Gelderland, Utrecht. Janssen, H.L., 1983: Het middeleeuwse aardewerk: ca. 1200 — ca. 1550, in, H.L. Janssen (ed.), Van Bos tot Stad. Opgravingen in ’s-Hertogenbosch, ’s-Hertogenbosch. Kampen. J.C.G. van, 2015: Archeologisch onderzoek op een adellijk terrein in Groesbeek, Amsterdam (Zuidnederlandse Archeologische Notities 336). Kampen, J.C.G. van, 2019: Programma van Eisen Beuningen-Asdonck, Amsterdam. Kaneda, A./R. van Genabeek/T. de Ridder, 2002: ‘d’ Engelsche Boomgaert’ 6.123. Het aardewerk uit een middeleeuwse kasteelgracht, Vlaardingen (VLAK verslag 4.4).

May, E., 1985: Wideristhöhe und LangknochenmaBe bei Pferden — ein immer noch aktuelles Problem, Zeitschrift für Säugetierkunde 50, 368-382. Nederlands Normalisatie-instituut, 1989: Nederlandse Norm NEN 5104, Classificatie van onverharde grondmonsters, Delft. Nijhof, E./H.L. Janssen, 2007: Huisraad, in: H.L. Janssen/A.A. Thelen (eds), Tekens van Leven. Opgravingen en vondsten in het Tolbrugkwartier in ’s-Hertogenbosch, Utrecht, 190-217. Nimwegen, O. van, 2015: Te vuur en te zwaard. De militaire ontwikkeling van Europa, 1315-1914, Amsterdam. Ostkamp, S., 2012: Het middeleeuwse aardewerk uit de opgraving Someren-Waterdael III, in E. de Boer/H.A.H. hiddink (eds), Opgravingen in Waterdael III te Someren. Deel 2. Bewoningssporen uit de latere prehistorie, de Vroege en Volle Middeleeuwen, Amsterdam (Zuidnederlandse Archeologische Rapporten 50), 229-248. Ostkamp, S., 2013: Aardewerk, in E. Vreenegoor/J. van Doesburg (eds), Een middeleeuwse hoeve in Swalmen-Nieuwenhof Archeologie in de A73-Zuid, Amersfoort (Rapportage Archeologische Monumentenzorg 204), 63-94. Ottaway, P./N. Rogers, 2002: Craft, Industry and Everyday life: Finds from Medieval York, York (The Archaeology of York. The small finds 17/15). Sanke, M., 2002: Die mittelalterliche Keramikproduktion in Brühl-Pingsdorf, Mainz (Rheinische Ausgrabungen 50). Schabbink, M., 2010: Aardewerk, in E.I.

Schuuring, Plangebied De Asdonck, Gemeente Beuningen. Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (proefsleuven) en opgraving, Weesp (RAAPrapport 2135), 27-30. Schuurman, E.I., 2010: Plangebied De Asdonck, Gemeente Beuningen. Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (proefsleuven) en opgraving, Weesp (RAAP-rapport 2135). Serjeantson, D., 1996: The animal bones, in S. Needham/T. Spence, Refuse and Disposal at Area 16 East Runnymede, London (Runnymede Bridge Research Excavations 2), 194-253. Stouthamer, E./K.M. Cohen/MJ.P. Gouw, 2011: Avulsion and its implications for fluvial-deltaic architecture: Insights from the Holocene Rhine-Meuse Delta. In: S.K. Davidson/S. Leleu/C.P. North (eds). From River to Rock Record: The preservation offluvial sediments and their subsequent interpretation. (Society for Sedimentary Geology, Special Publication 97).

40

Verhelst, E.M.P., 2010: Metaal, in: E.I. Schuurman, Plangebied De Asdonck, Gemeente Leuningen. Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (proefsleuven) en opgraving, Weesp (RAAPrapport 2135), 30-37. Verhoeven, A.A.A., 1992: Verspreidingsgebieden van aardewerk in de Vroege en Volle Middeleeuwen, in A. Carmiggelt (ed.), Rotterdam papers VII : a contribution to medieval archaeology, Rotterdam (Rotterdam papers 8), 75-84. Verhoeven, A.A.A, 1998: Middeleeuws gebruiksaardewerk in Nederland (8ste-13de eeuw), Amsterdam (Amsterdam Archaeological Studies 3). Weerts, HJ.T./F.S. Busschers, 2003: Formatie van Echteld (Lithostratigrafische Nomenclator van de Ondiepe Ondergrond), https://www.dinoloket.nl/formatie-van-echteld. Wesdorp, M, 2014: Aardewerk, in J. van Renswoude/D.S. Habermehl, Archeologische opgravingen te TielDominicuskwartier. Onderzoek naar een vroegmiddeleeuwse ringwalburg, een motteversterking, Ottoonse nederzettingsresten, een versterkt huis en laat- en post-middeleeuwse resten in de oude binnenstad, Amsterdam (Zuidnederlandse Archeologische Rapporten 56), 153-197.

41

BIJLAGE 1

OVERZICHT VAN DE ARCHEOLOGISCHE PERIODEN

begin

einde

periode

1750 na Chr. 1500 na Chr.

-

heden 1750 na Chr.

Nieuwste Tijd Nieuwe Tijd

1300 na Chr. 1000 na Chr. 450 na Chr.

-

1500 na Chr. 1300 na Chr. 1000 na Chr.

Late Middeleeuwen Volle Middeleeuwen Vroege Middeleeuwen

270 na Chr. 70 na Chr. 12 voor Chr.

-

450 na Chr. 270 na Chr. 70 na Chr.

laat-Romeinse tijd midden-Romeinse tijd vroeg-Romeinse tijd

250 voor Chr. 500 voor Chr. 775 voor Chr.

-

12 voor Chr. 250 voor Chr. 500 voor Chr.

Late IJzertijd Midden IJzertijd Vroege IJzertijd

1050 voor Chr. 1800 voor Chr. 2000 voor Chr.

-

775 voor Chr. 1050 voor Chr. 1800 voor Chr.

Late Bronstijd Midden Bronstijd Vroege Bronstijd

5300 voor Chr.

-

2000 voor Chr.

Neolithicum

8800 voor Chr.

-

4900 voor Chr.

Mesolithicum

tot 8800 voor Chr.

Paleolithicum

BIJLAGE

2

SPORENLIJST

In deze bijlage is de sporenlijst opgenomen met daarin de volgende velden en afkortingen: WP SN spoordefnitie diepte LN kleur grondsoort

WP

werkputnummer spoornummer aard van het spoor of de verzameleenheid maximale diepte van het spoor in cm ten opzichte van het opgravingsvlak; indien geen diepte is opgegeven, is het spoor niet gecoupeerd laagnummer de kleur van het spoor de samenstelling van de grond, beschreven volgens de ASB1

SN spoordefinitie

diepte

LN kleur

grondsoort

2 natuurlijke laag

gnjs

KZ1

3 natuurlijke laag

lichtblauwgrijs

KZ1

4 greppel

donkerbruingrijs

KS4

bruingrijs

KS4

bruingrijs

KS4

grijsbruin

KS4

blauwg rijs

KZ1

donkerblauwgrijs

KS4

grijs

KS4

8 lichtgrijsbruin

KS4

donkergrijs

KS4

recente verstoring

donkerblauwgrijs

KZ1

natuurlijke laag

donkergrijsblauw

KZ1

recente verstoring

lichtgeelbruin

ZS2

natuurlijke laag

lichtbruingrijs

KS4

donkergrijs

KS4

paalkuil

6

donkergrijs

KS4

paalkuil

40

donkergrijsbruin

KS4

paalkuil

48

blauwg rijs

KS4

bruingrijs

KS4

6 natuurlijke laag

lichtbruingrijs

KS4

7 natuurlijke laag

lichtbruingrijs

KS4

1

natuurlijke laag

lichtbruingrijs

KS4

2 recente verstoring

donkergrijs

KS4

bruingrijs

KZ1

4 greppel

donkerblauwgrijs

KS4

recente verstoring

3 paalkuil

18

5 recente verstoring

donkergrijszwart

KS4

6 kuil

grijs

KS3

7 natuurlijke laag

grijs

KS4

8 natuurlijke laag

lichtgrijs

KS4

9 greppel

donkerblauwgrijs

KZ1

blauwg rijs

KZ1

10 greppel

lichtgrijs

KZ2

11

lichtgrijs

KS4

greppel

Archeologische standaard boorbeschrijving.

SN

spoordefinitie

diepte

LN

kleur

grondsoort

3

12 greppel

1

donkergrijsbruin

KS4

3

13 greppel

1

lichtbruingrijs

KS4

3

14 greppel

1

grijs

KS4

3

15 greppel

1

donkergrijs

KS4

3

16 greppel

1

grijs

KS4

3

17

greppel

1

donkergrijs

ZS1

3

18 greppel

1

donkergrijs

KS4

3

19 greppel

1

grijsbruin

KS4

3

20 greppel

1

lichtgrijs

KS4

3

998 bouwvoor

1

donkerbruin

KS4

3

999 ophogingslaag

1

donkergrijs

KZ1

1

bruingrijs

KZ1

1

grijs

KS4

2

bruingrijs

KS4

3 donkergrijs

KS4 KZ1

4

1

4

2 greppel

natuurlijke laag 102

4

3 paalkuil

1

donkergrijs

4

4 greppel

1

grijsbruin

4

5 natuurlijke laag

1

grijsbruin

4

6 natuurlijke laag

1

grijs

KS4

4

7

natuurlijke laag

1

grijs

ZS4

4

8 natuurlijke laag

1

grijs

KZ2

5

1

natuurlijke laag

1

lichtgrijsbruin

KS4

5

2 natuurlijke laag

1

lichtbruingrijs

KZ1

5

3 natuurlijke laag

1

lichtgrijs

KZ1

6 6

1

1

lichtgrijsbruin

KS4

1

lichtbruingrijs

KS4

natuurlijke laag

2 greppel

94

KS4

2 grijs

KS3

3 lichtgrijs

KS3

4 lichtblauwgrijs

KZ3

5 lichtblauwgrijs

KS4

6 6 6

3 kuil

1

blauwg rijs

KS4

4 natuurlijke laag

1

blauwg rijs

KS4

5 natuurlijke laag

1

grijs

KS4

7

1

laag

1

grijsbruin

KS4

7

2 laag

1

grijsbruin

KS4

7

3 gracht

1

grijs

KZ1

7

4 gracht

1

blauwg rijs

KZ1

7

5 gracht

1

donkergrijsbruin

KZ2

7

6 laag

1

donkerblauwgrijs

KZ1

7

7

1

grijsbruin

KS4

7

8 laag

1

bruingrijs

KS4

7

9 laag

1

bruingrijs

KZ1

7

10 laag

1

bruingrijs

KZ1

7

11

gracht

1

donkergrijsbruin

KS3

7

12 gracht

1

lichtblauwgrijs

7

13 gracht

1

1

8 8 8 8 8

gracht

KS4 ZS1

natuurlijke laag

1

grijsbruin

KZ2

2 natuurlijke laag

1

bruingrijs

KZ1

3 natuurlijke laag

1

bruingrijs

KZ2

4 natuurlijke laag

1

grijs

KZ3

5 natuurlijke laag

1

lichtgrijs

ZS4

WP

SN

spoordefinitie

diepte

LN

kleur

grondsoort

8

natuurlijke laag

1

lichtgrijs

ZS3

9

natuurlijke laag

1

bruingrijs

KS4

9

waterput

1

donkergrijsbruin

KZ1

9

waterput

2

9

waterput

3

bruin

KS4

9

natuurlijke laag

1

bruingrijs

KS4

9

natuurlijke laag

1

grijsbruin

KS4

9

natuurlijke laag

1

lichtbruingrijs

ZS1

9

natuurlijke laag

1

lichtgrijs

ZS2

9

recente verstoring

1

donkergrijsbruin

KZ1

1

donkerbruingrijs

KZ1

9

8 kuil

9

9 kuil

1

donkerbruingrijs

KS4

9

10 natuurlijke laag

1

grijsbruin

KS4

10 10 10 10

natuurlijke laag

1

bruingrijs

KZ1

kuil

1

grijsbruin

KS4

natuurlijke laag

1

blauwgrijs

KZ1

1

donkerbruingrijs

KZ2

10 10 10 11 11 11 11

38

kuil

2 bruingrijs

KZ1

3 grijsbruin

KZ1

5 kuil

1

grijs

KZ2

6 kuil

1

lichtgrijs

KZ2

7 natuurlijke laag

1

lichtgrijsbruin

KZ3

1

1

bruin

KZ1

2 funderingssleuf

1 2

grijsbruin

ZS1

3 kuil

1

bruingrijs

ZS1

4 kuil

1

grijsbruin

ZS1

1

grijs

ZS1

1

donkerbruingrijs

ZS1

laag

11

5 recente verstoring

11

6 greppel

11

7 muurwerk

11

7 muurwerk

1 2

bruingeel

ZS1

11

8 laag

1

lichtbruin

KZ2

11

9 recente verstoring

1

grijsbruin

ZS1

24

2 3 11

10 recente verstoring

1

lichtgrijs

ZS1

12 12 12 12 12 12

laag

1

bruingrijs

KZ1

laag

1

lichtbruingrijs

KS4

natuurlijke laag

1

bruingrijs

KZ1

natuurlijke laag

1

geelgrijs

KZ3

natuurlijke laag

1

donkergeel

ZS2

natuurlijke laag

1

lichtgrijs

KZ3

13

laag

1

grijsbruin

KS4

13

laag

1

grijsbruin

KS4

13

laag

1

grijs

KS3

13

laag

1

grijsblauw

KS3

13

laag

1

grijszwart

KS3

14

laag

1

grijs

KS4

14

laag

1

bruingrijs

KS4

14

laag

1

bruingrijs

KS4

14

laag

1

bruingrijs

KS4

WP

SN

spoordefinitie

diepte

LN

kleur

grondsoort

14

laag

1

bruingrijs

KZ1

14

laag

1

blauwgrijs

KS4

14

laag

1

lichtblauwgrijs

KS4

14

8 laag

1

bruingrijs

KS4

14

9 laag

1

donkerbruingrijs

KS4

14

10 ophogingslaag

1

bruingeel

KZ1

14

11

1

donkergrijs

KS4

14

12 laag

1

donkergrijs

KS4

ophogingslaag

BIJLAGE

3

VONDSTENLIJST

In deze bijlage is de vondstenlijst opgenomen met daarin de volgende velden en afkortingen: WP VN SN spoordefnitie inhoud aantal gewicht

WP

werkputnummer vondstnumer spoornummer aard van het spoor of de verzameleenheid de materiaalcategorie waartoe het vondstmateriaal behoort het aantal vondsten of fragmenten het gewicht in grammen

VN

SN spoordefinitie

4 greppel

inhoud

aantal

gewicht (g)

aardewerk

3

94

bot

7

recente verstoring

baksteen/dakpan

8

paalkuil

aardewerk

9

natuurlijke laag

bot

10 11

greppel

aardewerk

2 1 1 1 2 2 2 1 1 2 2 2

natuurlijke laag

bot

1

9

aardewerk

3

54 9

greppel

metaal ferro

greppel

metaal non-ferro

greppel

aardewerk

recente verstoring

metaal non-ferro metaal ferro

5 recente verstoring

aardewerk metaal non-ferro

26 140 3 15 17 64 93 13 319

6 44 36

12

greppel

metaal non-ferro

13

paalkuil

metaal ferro

14

paalkuil

aardewerk

15

greppel

aardewerk

16

greppel

aardewerk

1 1 2 1 2

17

natuurlijke laag

aardewerk

3

6

18

greppel

metaal ferro

40

bot

1 1 2

aardewerk

10 7 343 245

9 17

19

3 kuil

aardewerk

3

10

20

2 greppel

natuursteen

2

366

aardewerk

4

193

21

4 gracht

metaal ferro

2

70

aardewerk

15

1267

hout

bot

1 11 1 1 2 1 2

aardewerk

3

20

natuursteen

1

362

23

gracht

aardewerk

24

natuurlijke laag

aardewerk

25

gracht

metaal ferro bot metaal ferro

26

2 laag

954 43 400 106 400 106

WP

VN

7

27

SN spoordefinitie

7 gracht

ínhoud

aantal

bot

6

749

aardewerk

9

973

natuursteen

1

274

9

28

9 kuil

aardewerk

3

35

9

29

8 kuil

aardewerk

5

69

baksteen/dakpan

4

330

9

30

2 waterput

10

31

4 kuil

keramisch object

1

5

9

32

9 kuil

aardewerk

9

63

1 1

33

4 greppel

metaal ferro

1

7

34

4 greppel

aardewerk

4

63

metaal non-ferro

30

1 1

35

998 bouwvoor

aardewerk

36

4 greppel

aardewerk

4

37

2 greppel

aardewerk

1 1 2 1

3

38

9 greppel

bot

3

372

aardewerk

168 597 107

38 23

2

7

39

4 gracht

metaal ferro

6

40

2 greppel

natuursteen

1 1 1

bot

23

aardewerk

4

55

bot

4

178

aardewerk

3

21 51

7

41

12 gracht

105

7

42

12 gracht

aardewerk

5

13

43

laag

bot

13

27

13

44

laag

baksteen/dakpan

35

bot

2 1

13

45

laag

aardewerk

7

582

13

46

laag

baksteen/dakpan

2

29

bot

1

9

aardewerk

1

3

11

12 12

47

998 begraven bouwvoor

aardewerk

1

80

48

998 begraven bouwvoor

aardewerk

2

85

glas

1

39

11 11

49

greppel

aardewerk

1

2

50

kuil

aardewerk

6

167

13

51

laag

aardewerk

1

64

13

52

laag

aardewerk

1

21

1

240

13

53

laag

bot

13

54

laag

bot

4

638

13

55

laag

aardewerk

5

220

13

56

laag

baksteen/dakpan

1

307

bot

2

50

13

57

2 laag

aardewerk

3

19

14

58

6 laag

aardewerk

7

354

baksteen/dakpan

1

metaal non-ferro

1

metaal ferro

1

21 2 88

aardewerk

1

225

14

59

7 laag

14

60

1

laag

metaal ferro

1

66

14

61

8 laag

aardewerk

1

5

BIJLAGE 4 A ARDE WERKDETEMIN ATIES Valentijn van den Brink WP

VN

catnr soort

baksel

type

vorm

aantal

gewicht

begindatering

einddatering

1

1

blauwgrijs aardewerk

-

3

94

900

1400

4

1

badorfaardewerk

-

15

725

1000

6

1

roodbakkend aardewerk

-

1 1 1 2 1 1

88

1500

1725

5

1500

1800

6

725

1000

16

1150

1950

20

1500

1680

38

1250

1800

16

1500

1800

2 roodbakkend aardewerk

-

8

1

badorfaardewerk

-

10

1

roodbakkend aardewerk

-

2 Steengoed met oppervlaktebehandeling

Keulen/Frechen

1

roodbakkend aardewerk

-

bord

2 roodbakkend aardewerk

-

bord

14

1

roodbakkend aardewerk

-

15

1

blauwgrijs aardewerk

-

16

1

roodbakkend aardewerk

-

11

2 roodbakkend aardewerk

-

18

1

Proto-steengoed

-

2 1 2 1 1 1 2 1 1

19

1

blauwgrijs aardewerk

-

20

1

blauwgrijs aardewerk

-

17

2 Steengoed met oppervlaktebehandeling

Raeren

1

-

badorfaardewerk

2 badorfaardewerk

kan

-

7

1150

1950

343

900

1400

84

1150

1950

160

1500

1680

6

725

1000

1

1150

1950

9

1200

1300

3

10

900

1400

1 1 2

5

900

1400

1

725

1000

187

1200

1300

15

1267

1400

1600

3 Proto-steengoed

-

1

roodbakkend aardewerk

-

1

Steengoed met oppervlaktebehandeling

Langerwehe

1

12

1280

1500

2 ũngeglazuurd steengoed

Siegburg

8

1280

1500

3 blauwgrijs aardewerk

-

1 1

7

900

1400

23

1

roodbakkend aardewerk

-

954

1400

1600

24

1

roodbakkend aardewerk

-

43

1150

1450

26

1

roodbakkend aardewerk

-

kogelpot

6

1150

1350

-

rammelaar

15

1175

1250

21 22

2 Witbakkend Maaslands aardewerk

vetvanger

vetvanger

11 1 1 2

WP

VN

7

27

catnr soort

1

baksel

Bijna-steengoed

type

vorm

aantal

gewicht

begindatering

einddatering

s4-kan-

kan

1

146

1275

1325

2 Bijna-steengoed

s4- -

-

1

72

1275

1325

3 Bijna-steengoed

s4- -

-

1

43

1275

1325

4 Bijna-steengoed

s4- -

-

1

35

1275

1325

5 Proto-steengoed

s5- -

-

1

271

1200

1300

24

6 blauwgrijs aardewerk

bg--

-

1

900

1400

7 blauwgrijs aardewerk

bg--

-

2

354

1100

1400 1400

9

28

1

blauwgrijs aardewerk

bg--

-

3

35

900

9

29

1

blauwgrijs aardewerk

bg--

-

3

47

900

1400

2 Proto-steengoed

s5- -

-

1

14

1200

1300

3 Proto-steengoed

s5- -

-

1

9

1200

1300

1

9

1

32

34

blauwgrijs aardewerk

bg--

-

1

9

900

1400

2 blauwgrijs aardewerk

bg--

-

2

3

900

1400

3 blauwgrijs aardewerk

bg--

-

1

1

900

1400

4 blauwgrijs aardewerk

bg--

-

1

43

900

1400

5 Walberbergaardewerk

wb- -

-

1

2

750

900

6 badorfaardewerk

ba- -

-

2

4

725

1000

7 badorfaardewerk

ba- -

-

1

725

1000

1

r- -

-

1

1150

1950

s1-kan-

kan

1

1 12 12

1400

1500

r- -

-

1

9

1150

1950

1

29

roodbakkend aardewerk

2 Ongeglazuurd steengoed

Siegburg

3 roodbakkend aardewerk

r-kom-

kom

1250

1700

1

Steengoed met oppervlaktebehandeling

Westerwald

s2- -

-

1

38

1632

1950

1

Steengoed met oppervlaktebehandeling

Langerwehe

1400

4 roodbakkend aardewerk 1

35

1

36

s2- -

-

1

13

1280

2 roodbakkend aardewerk

r- -

-

1

10

1150

1950

4

37

1

Pingsdorfaardwerk

pi--

-

1

3

900

1200

3

38

1

blauwgrijs aardewerk

bg--

-

1

168

900

1400

6

40

1

7 7

41 42

Bijna-steengoed

s4- -

-

1

3

1275

1325

2 blauwgrijs aardewerk

bg--

-

3

51

900

1400

1

bg-kp--

-

1

15

900

1400

2 Kogelpotaardewerk

-

2

6

800

1350

1

bg--

-

5

51

900

1400

blauwgrijs aardewerk blauwgrijs aardewerk

WP

VN

13

45

1

Steengoed met oppervlaktebehandeling

Raeren

13

46

1

blauwgrijs aardewerk

-

12 12

47

1

ũngeglazuurd steengoed

Siegburg

48

1

Ongeglazuurd steengoed

11 11

catnr soort

gewicht

begindatering

einddatering

582

1525

1575

4

900

1400

80

1350

1450

Siegburg

6

1280

1500

2 Steengoed met oppervlaktebehandeling

Westerwald

80

1632

1950

49

1

Industrieel witbakkendaardewerk

-

2

1750

1950

50

1

Industrieel witbakkend aardewerk

-

bloempot

45

1930

1960

2 Industrieel witbakkend aardewerk

-

bord

22

1900

1950

3 Europees porselein

-

bord

31

1850

1950

4 Europees porselein

-

schaal

69

1863

1950

64

1275

1325

1250

1800

1350

1450

1150

1450

baksel

type

vorm

kan beker

aantal

13

51

1

Bijna-steengoed

-

13

52

1

roodbakkend aardewerk

-

bord

13

55

1

Ongeglazuurd steengoed

Siegburg

kan

13

57

1

roodbakkend aardewerk

-

21 220 6

2 blauwgrijs aardewerk

-

3

900

1400

3 blauwgrijs aardewerk

-

9

900

1400

1

-

14

58

11

1150

1950

114

1600

1800

-

33

1150

1950

4 roodbakkend aardewerk

-

26

1150

1950

5 roodbakkend aardewerk

-

8

1500

1800

6 roodbakkend aardewerk

-

9

1150

1950

7 roodbakkend aardewerk

-

157

1150

1950

225

1280

1400

5

725

1000

roodbakkend aardewerk

2 roodbakkend aardewerk

Oosterhout

3 roodbakkend aardewerk

14

59

1

Steengoed met oppervlaktebehandeling

Langerwehe

14

61

1

badorfaardewerk

-

bord

kop

kan

BIJLAGE 5 DETERMINATIES METAAL ļeüe van Hemert WP spoordefinitie

VN

soort

hoofdgroep

type

scharnier

type specifiek

subtype

begin

eind

periode

1

greppel

ijzer

hang- en sluitwerk

1

greppel

brons

onbekend

onbekend onbekend

1

greppel

brons

beslag

onbekend

1

recente verstoring

brons

munt

duit

1

recente verstoring

ijzer

onbekend

recent

1

recente verstoring

ijzer

ring

massief, in doorsnede rechthoekig

1

recente verstoring

brons

overig

dop

cylindrisch

1

recente verstoring

lood

militaria

aanvalswapen

musketkogel

4 greppel

12 brons

beslag

dierfiguur

2 paalkuil

13 ijzer

spijker

4 greppel

18 ijzer

overig

staaf

onbekend

7 gracht

21

ijzer

overig

kettingschakel

onbekend

7 gracht

21

ijzer

spijker

onbekend

7 gracht

25 ijzer

overig

Nieuwe Tijd

1

Holland

1754 1754 Nieuwe Tijd onbekend Recent Nieuwe Tijd Nieuwe Tijd Volle Middeleeuwen onbekend

aanvalswapen

musketkogel

greppel

34 lood

militaria

7 gracht

39 ijzer

vaatwerk

Nieuwe Tijd

14 laag

58 brons

munt

duit

14 laag

59 ijzer

hang- en sluitwerk

sleutel

Nieuwe Tijd

14 laag

60 ijzer

gereedschap

beitel

onbekend

onbekend Frisia

1653 1653 Nieuwe Tijd

BIJLAGE 6 DETERMINATIES DIERLIJK BOT

Martijn van Haasteren WP

Spoor Vnr

1 1 2

4 4

1 1

1

9

3 3 4

7

11

9

7 7 7 7 7 7 7

2 2 2 2 12 12 12

38 18 40 40 40 41 41 41

5 5 7 7

25 25 27 27

7 7 7 7

7 7 7 7

27 27 27 27

13 13 13 13 13 13

5 5 5 5 5 5

13 13 13 13 13

5 5 5 5 5

43 43 43 43 43 53 54 54 54 54

29001 29001 29001 29001 29001 29001 29001 29001 29001 29001 29001 29001 29001 29001

56

29001

6 6 6

structuur fase

soort

element

29001 29001

zoogdieren

indet. spaakbeen scheenbeen

29001 29001 29002 29003 29003 29003 29001 29001 29001 29001 29001 29001 29001

rund rund rund rund grote zoogdieren hond hond hond schaap/ geit varken rund rund grote zoogdieren rund paard rund paard paard paard kat kat kat kat kat paard paard paard paard paard varken

prox. epifyse

dist. epifyse

niet vergroeid

schouderblad spaakbeen

vergroeid

19 71 37 vergroeid

vergroeid vergroeid

MWS: 28. Leeftijd: 18-30 mnd A A A

V

5 135 90 16 99 233 73

V

100 62 vergroeid vergroeid

vergroeid

220

0 0 1 8

axis onderkaak

schouderblad

opmerkingen

23 44 9 372 17 17

halswervel rib schedel scheenbeen gebitselement opperarmbeen scheenbeen indet. scheenbeen scheenbeen

schedel middenvoetsbeen sprongbeen hielbeen scheenbeen eerste teenkoot

gewicht associatie vraat

4 vergroeid vergroeid

ellepijp onderkaak indet.

gebitselement opperarmbeen middenvoetsbeen teenkoot

aantal

vergroeid

18 241

vergroeid

96 78 392

vergroeid

76 50

vergroeid vergroeid

B B B Pathologie. Schofthoogte: 142,5 cm C C C

V V

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beuningen&id=79a8f42f-e65d-409f-87cd-48817da290df