CConstaterende datBeuningen
Koppel je AI →
Document · PDF

20 Proefsleuvenonderzoek archeologie, at20001988.pdf

Commissie Ruimte 25 mei 2021, gemeente BeuningenBij agendapunt: Deelsessie: Raadsvoorstel herziening bestemmingsplan ‘Locatie Asdonck’19.199 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Proefsleuvenonderzoek in plangebied Beuningen—De Asdonck, gemeente Beuningen Jelle van Hemert/ Johan van Kampen met bijdragen van: Valentijn van den Brink Mark Groenhuijzen Martijn van Haasteren

Zuidnederlandse Archeologische Notities

XXX

Amsterdam 2020 VUhbs archeologie

De serie Zuidnederlandse Archeologische Notities is een uitgave van VUhbs archeologie, Amsterdam

Colofon Opdrachtgever: Project: Bevoegd gezag: Plaats documentatie Projectcode: CIS-code: Centrum coördinaat:

Gemeente Beuningen Beuningen-De Asdonck Gemeente Beuningen Provinciaal Depot voor Bodemvondsten Gelderland BEU-AS-20 4765939100 181.651/430.765

Status: Auteur: Bijdragen: Illustraties: Omslagontwerp: ISBN:

conceptrapport J. van Hemert, J. van Kampen V.B. van den Brink, M. Groenhuijzen en M. van Haasteren V.B. van den Brink en J. van Hemert M. Kriek XXXXXXXXXXXXX

Autorisatie:

J. van Renswoude

©VUhbs archeologie, Amsterdam, maart 2020 VUhbs Archeologie De Boelelaan 1105 1081 HV Amsterdam

INHOUD

1

Inleiding 1.1 Kader en motivatie 1.2 Opbouw van hetrapport 2Het vooronderzoek 3D O ELSTELLING EN 4 Methode 4.1 Methodiek 4.2 Ligging van de proefsleuven 5 Fysische geografie 5.1 inleiding 5.2 achtergrond 5.3B o dem o pb o uw 5.4 Conclusies 6 S P O R E N EN STRUCTUREN 7 Vondsten 7.1 Aardewerk 7.1.1

inleiding

15

7.1.2

overzicht van de aan getroffen aardewerkcategorieīn

16

7.1.3

vondsten

7.1.4

conclusie

uit

relevante

contexten

7.2 Metaal

8

23 24

25

7.2.1 Inleiding

25

7.2.2 Beschrijving

25

7.2.3 Conclusie

26

7.3 Dierlijk bot

27

7.3.1

inleiding en methoden

27

7.3.2

resultaten

28

7.3.3

conclusie

29

7.4 Overige vondsten Waardering / Conclusie 8.1 Conclusie 8.2 Waardering

29 31 31 32

8.2.1 Inleiding

32

8.2.2 Waardestelling

33

8.3 Selectieadvies 9 Beantwoording onderzoeksvragen Literatuur

b ij la gen

1 2 3 4 5 6

1 1 1 2 3 4 4 4 7 7 7 8 8 10 15 15

Overzicht van de archeologische perioden Sporenlijst vondstenlijst Determinatielijst aardewerk Determinatielijst metaal Determinatielijst dierlijk bot

34 36 39

1

Inleiding

1.1 Kader en motivatie In het plangebied De Asdonck in de gemeente Beuningen is door de VUhbs archeologie een inventariserend veldonderzoek door middel van een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is in twee fases uitgevoerd. Op 20 en 21 januari 2020 zijn tien proefsleuven aangelegd. Naar aanleiding van de resultaten van dit onderzoek zijn op 6 februari nog vier extra proefsleuven aangelegd is er een aanvullend booronderzoek uitgevoerd. Het plangebied ligt direct ten noorden van de Van Heemstraweg, ter hoogte van de Sint Corneliuskerk (fig.1.1). De aanleiding van het onderzoek zijn de bouwplannen van gemeente Beuningen binnen het plangebied. Hierbij zullen verschillende diepgaande grondroerende activiteiten plaatsvinden die de eventuele aanwezige archeologische waarden zullen verstoren. Om inzicht te krijgen in de aan- of afwezigheid van archeologische resten was een proefsleuvenonderzoek noodzakelijk. Op basis hiervan kan een waardering van eventuele archeologische resten gegeven worden om zo een advies uit te brengen ten aanzien van de behoudenswaardigheid van deze resten. 181 "

IKľMO

Ě

i

Fig. 1.1. Beuningen-De Asdonck. Het plangebied binnen Beuningen. Inzet: Beuningen binnen Nederland. Schaal 1:1.250. Bron: Topografische Dienst Nederland.

1.2

Opbouw van het rapport

De opbouw van dit rapport is als volgt: In hoofdstuk 2 worden de resultaten van het vooronderzoek kort besproken. Hoofdstuk 3 is gewijd aan de doelstellingen van het onderzoek en hoofdstuk 4 aan de onderzoeksstrategie. In hoofdstuk 5 komt het landschap van het onderzoeksgebied en directe omgeving aan bod. De bij het onderzoek aangetroffen grondsporen worden beschreven in hoofdstuk 6 en in hoofdstuk 7 de aangetroffen vondsten. Hoofdstuk 8 omvat de conclusie, de waardering van de vindplaats en het selectieadvies.

2

Het vooronderzoek

Binnen het plangebied heeft nog niet eerder een archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Wel is er een proefsleuvenonderzoek met doorstart naar een opgraving uitgevoerd ten westen van het plangebied, ter hoogte van de kruising van de Kloosterstraat met de Van Heemstraweg.1 Dit onderzoek heeft bewoningssporen uit de Karolingische tijd tot en met de Nieuwe Tijd opgeleverd. De meeste sporen dateren echter uit de 11de tot 13de eeuw en worden beschouwd als bewoningssporen van een erf uit de Volle Middeleeuwen. De sporen uit deze periode zijn over het hele onderzoeksgebied aangetroffen en bestaan uit paalkuilen, twee waterputten, enkele kuilen en een greppel. Los van twee zespalige roedenbergen uit de Volle Middeleeuwen zijn er geen plattegronden herkend. Twee grote mest- of beerkuilen zijn in de 15de eeuw gedateerd. Verder zijn er ook jongere sporen gevonden uit de 18de eeuw of daarna, welke hoofdzakelijk in verband gebracht worden met het gebruik van het terrein als hoogstamboomgaard in de Nieuwe Tijd.2

1 Schuurman 2010. 2 Schuurman 2010. 5, 37-38

2

3

Doelstellingen

Het doel van het Inventariserend Veldonderzoek is het toetsen en aanvullen van de gespecificeerde archeologische verwachting. Het IVO gebeurt door middel van proefsleuven, waarbij extra informatie wordt verkregen over de bekende of verwachte archeologische waarden, en door het nader inventariseren en waarderen van eventuele archeologische vindplaatsen. Daarbij moet de aan- of afwezigheid van archeologische waarden vastgesteld te worden. Indien er delen van een vindplaatsen worden aangetroffen, moet worden vastgesteld wat de aard, de ouderdom, de globale omvang, de diepteligging, de gaafheid en de conservering van deze archeologische vindplaats(en) is. Op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek zal moeten worden bekeken of archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk is en zo ja, in welke vorm. In de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA 2.0) zijn voor allerlei onderwerpen binnen de Nederlandse archeologie onderzoeksvragen opgesteld. Het onderzoek aan de Van Heemstraweg kan wellicht bijdragen aan de beantwoording van een aantal van deze vragen. Op dit moment is het echter nog volledig onduidelijk in hoeverre er sprake is van een vindplaats binnen het plangebied en wat de datering hiervan zou zijn. Het weergegeven van de vragen uit de NOaA die mogelijk relevant zijn, is dan ook niet zinvol.

Zelfs wanneer de aanname juist is dat de middeleeuwse nederzetting zich uitstrekt binnen het plangebied, is de hoeveelheid vragen uit de NOaA waar het onderzoek mogelijk een raakvlak mee heeft zeer groot. Daarom zijn hier wel de onderwerpen uit de NOaA die mogelijk betrekking hebben op het onderzoek weergegeven. Indien relevant kan in het evaluatierapport worden aangegeven welke vragen alsnog relevant blijken. Naar verwachting vallen deze binnen de volgende onderwerpen: * het Utrechts Gelders rivierengebied * Vroege Middeleeuwen * Late Middeleeuwen * Nieuwe Tijd * Niet opgehoogde nederzetting zonder stedelijk karakter * Bewoning Vanuit deze bredere thema’s zijn in het Programma van Eisen een aantal vraagstellingen geformuleerd:3 1 2 3 4 5 6 7

8 9

Zijn er binnen het plangebied vindplaatsen aanwezig? Indien er vindplaatsen zijn aangetroffen: Wat is de aard, omvang en datering hiervan? Wat is de diepteligging van de vindplaats(en)? Wat is de gaafheid en conserveringstoestand van de aangetroffen vindplaatsen en de afzonderlijke materiaalcategorieën die hierbinnen zijn aangetroffen? Houden de aangetroffen vindplaatsen verband met de vindplaats die door RAAP is aangetroffen? Is de veronderstelde restgeul in het noordelijke deel van het plangebied aanwezig en zo ja, wat is hiervan de datering? In hoeverre zijn de resultaten van het onderzoek te rijmen met de archeologische beleidsadvies kaart? Ga bij de beantwoording in op zowel de archeologische als de fysisch geografische gegevens. Zijn er mogelijkheden tot bescherming van de archeologische resten? M.a.w. is behoud in situ mogelijk? Wanneer er geen vindplaatsen zijn aangetroffen: Hoe kan dit worden verklaard?

3 Van Kampen 2019, 10.

3

4

Methode

4.1 Methodiek Bij het onderzoek in plangebied De Asdonck zijn zowel het veldwerk als de uitwerking, de rapportage en de waardering uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie KNA-versie 4.1, protocol 4004, opgravingen en de bepalingen zoals vastgesteld in het PvE. De proefsleuven zijn gegraven met een graafmachine met een gladde bak. Na elke haal van de bak is het vrijgekomen vlak afgezocht met een metaaldetector, gehanteerd door een detectorspecialist. Na aanleg van het vlak zijn alle sporen en structuren ingekrast, beschreven, gefotografeerd, genummerd, ingemeten en getekend. Daarnaast zijn op het oog vondsten verzameld. Voor het inmeten van de vlakken, de archeologische sporen en de vondsten is gebruik gemaakt van een GPS. Tijdens het proefsleuvenonderzoek is fysisch geografisch onderzoek verricht om de landschappelijke context van de onderzoekslocatie. Hiertoe zijn, om de bodemopbouw binnen de onderzoekslocatie in kaart te brengen, de lengteprofielen van de proefsleuven gedocumenteerd door middel van kolomopnames. In iedere proefsleuf is ten minste één profielkolom met de hand verdiept, opgeschaafd, ingekrast en gedocumenteerd. Sporen zijn handmatig gecoupeerd, met uitzondering van een aantal greppels die met de machine zijn gecoupeerd.

Bij het documenteren van de profielen en de archeologische sporen zijn zowel lithologische lagen als archeologisch relevante lagen onderscheiden. Hierbij moet gedacht worden aan vegetatieniveaus, vondstlagen, cultuurlagen en eventuele sporen. De bodemopbouw is beschreven volgens de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB), die is gebaseerd op NEN5104. Deze ASB is ook gehanteerd tijdens het archeologisch booronderzoek, dat tijdens het tweede deel van het onderzoek is uitgevoerd ten einde het verloop van de grachten beter in beeld te krijgen. 4.2 Ligging van de proefsleuven Het oorspronkelijke puttenplan was opgesteld door gemeente Beuningen en bestond uit een tiental proefsleuven met verschillende afmetingen, te weten: drie sleuven van 5 x 5 m; zesmaal 4 x 10 m en eenmaal 4 x 20 m. De onregelmatige spreiding van de proefsleuven over het plangebied en de wisselende oriëntaties zijn primair ingegeven door de voorgenomen bouwplannen; de putten liggen grofweg ter hoogte van de te ontwikkelen locaties (fig. 4.1). Werkput 3 is verplaatst wegens de aanwezigheid van een boom. Het totale oppervlakte van deze tien proefsleuven omvat 509.48 m2 (tabel 4.1).

In verband met de aanwezigheid van verschillende watergangen waaronder een of zelfs meerdere vermoedelijke grachten, is in overleg met het bevoegd gezag besloten om nog vier extra proefsleuven aan te leggen (werkput 11 t/m 14), gecombineerd met een aanvullend booronderzoek (fig. 4.2). Deze vier extra proefsleuven hebben samen een oppervlakte van 135,59 m2. Er kon volstaan worden met de aanleg van één vlak, maar in werkput 1,3,7 en 11 zijn nog verdiepingen aangelegd die als vlak 2 gedocumenteerd zijn. Deze omvatten samen een oppervlak van 29.78 m2, waardoor de opgegraven oppervlakte in totaal uitkomt op 674.85 m2. Daarnaast zijn veertien archeologische boringen geplaatst.

4

Wp

1

vlak 1 oppervlakte m2

vlak 2 oppervlakte m2

93.19

7.75

Wp

vlak 1 oppervlakte m2

8

36.52

53.69

9

49.00

70.95

10

36.51

32.70

11

36.30

31.39

12

43.49

57.84

6.32

13

42.27

47.69

2.39

14

13.53

vlak 2 oppervlakte m2

13.32

181.820

ĩ ŭ 7:?‘î 'ĩ, ?

430.895

Tabel 4.1. Beuningen-De Asdonck. Oppervlakte per proefsleuf.

Ŷ Ÿ Y Ŷ 9 9 9 9 9 ?OĩC9ū9OfŰ9O9 9 9 9 9 9 9 9 9 9 7 ' Ÿ ' Ŷ „9 9 ř0 9ļ91 ? ' 9 9 9 9 9

f

f0ř„f0? v ? ?, ?9J ?? ?J.? 9 9 9 9 9 y

Bioscooi

9 9 9 9 9 9 9 ia9 , 9a 9B9„ ?„ 9 9 9 9 9 9 9 9 9.9„909 9 „? „9 ĩl?L?ļ? 9 9 9 9 9 9 ‘ 9 „9 „9 9„f ' 9 ' 9 9„?„9 9 9 9 9 9„90?0? 9 9 9 9

9 9

Va C50J

Heilig

Hartbeeld 181.500

Fig. 4.1. Beuningen-De Asdonck. Overzicht van de bouwplannen en het oorspronkelijke puttenplan geprojecteerd op een topografische kaart. Schaal 1:2.000. Bron: J.W. van Aalst, www.opentopo.nl.

5

9

?

9

?

?

?

9

?

9

?

?

?

9

?

9

?

?9 ?9 ?9 ?9 ?9 ?9 ?9?9 ? I

Ÿ

Ÿ

Ÿ

9

Ý

Y

Ŷ

Ÿ

430.895

181.820

9

-

Ÿ

? 9 ???9 9999 9 9 9 9 9 9 9 9 ü 9 9 9 9999 99? 9 9 9 9 9 9 9

9 ?T??????r9? 9 9 9 9 9 9 9 ?

9 9 9999999? 9 9 Ų 9 9 9 9 9 9 9 99 99 99 99 99 99 99 ? 9

Bioscooi

P9?????9? 99 9999999 9 5

»

9

9

? ? ' ? 9 99 9 9 9 9 9 9 9 9 9 9 9999999?

9 ? 9 9 ? 9 ? 9 ?' ? ? ? ? ? ? ?

9 CpOOĽOCOŲ 9 9 9 9 9 9 9 9

9

?

Ÿ

' 9

v

? 1 9

^

9

9

9

9

1999 9999 99 99 99 99 99 «?«9Ä?Ä?„?Ä?n?Ä?a onooOvPP?

WR14

9

WP12

,WP10 Heilig

Hartbeeld 181.500^ JM

f***J!A*

Nr;v

Fig. 4.2. Beuningen-De Asdonck. Overzicht van de aangelegde werkputten en boringen puttenplan geprojecteerd op een topografische kaart. Schaal 1:2.000. Bron: J.W. van Aalst, www.opentopo.nl.

6

9

5

Fysische geografie

Koen Hebinck 5.1

INLEIDING

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de ontwikkeling van het landschap van het onderzoeksterrein en de directe omgeving daarvan. Binnen het onderzoeksterrein zijn bij het proefsleuvenonderzoek in totaal twaalf profiel(kolomm)en gedocumenteerd waarin de natuurlijke, onverstoorde afzettingen werden bereikt. Daarnaast zijn ook de dagzomende, natuurlijke lagen in het vlak beschreven en zijn veertien boringen gezet waarin ook de natuurlijke afzettingen zijn bereikt. De profielen zijn met de hand opgeschaafd, ingekrast en gedocumenteerd. Hierbij zijn zowel lithologische lagen als archeologisch relevante lagen onderscheiden. Daarbij moet gedacht worden aan vegetatieniveaus, vondstlagen, cultuurlagen en eventuele sporen. Alle lagen in de profielen en boringen zijn beschreven op basis van textuur, kleur, het gehalte organische stof, andere lithologische en bodemkundige verschijnselen en eventuele insluitsels van natuurlijke of archeologische aard.4 5.2

ACHTERGROND

Het onderzoeksgebied ligt in het oosten van het Midden-Nederlandse Rivierengebied. Dit gebied maakte gedurende het grootste deel van de laatste ijstijd, het Weichselien (115.000 — 11.650 jaar geleden) deel uit van de riviervlakte van de Rijn. Tijdens het grootste deel van het Weichselien had deze rivier een vlechtend rivierpatroon en werd er onder periglaciale omstandigheden vooral grof zand en grind afgezet in brede, in oudere sedimenten ingesneden dalen. Deze afzettingen behoren tot de Formatie van Kreftenheye.5 Vanaf het Laat-Glaciaal tot in het Vroeg-Holoceen werd door inmiddels meanderende, maar zich nog steeds insnijdende rivieren, op deze sedimenten een pakket zandige klei afgezet, waarin bodemvorming heeft kunnen plaatsvinden. Deze laag staat bekend als de Laag van Wijchen. De top van deze pleistocene afzettingen ligt ten zuiden van het onderzoeksgebied op een diepte van 1 tot 2 m —mv.6 In het Laat-Glaciaal trad een relatief korte periode van felle koude op (Jonge Dryas; 12.850 — 11.650 jaar geleden). Door een toename van de piekafvoeren als gevolg van seizoenale sneeuwsmelt veranderde het rivierpatroon van de Rijn en de Maas gedurende deze periode tijdelijk terug van meanderend naar vlechtend en ontstond door de voortgaande insnijding een iets lagergelegen terras.

Aan het begin van het Holoceen veranderde, door het verbeterde klimaat, het rivierpatroon van vlechtend naar meanderend. In het begin van het Holoceen sneed de meanderende Rijn zich nog in de oudere afzettingen, waardoor in het rivierdal van de Rijn een getrapt terrassenlandschap ontstond. Geleidelijk gaat de Rijn over van insnijdend naar aggraderend. Het punt waar de insnijding overging in accumulatie wordt de terrassenkruising genoemd. In het westen van de delta vindt deze verandering plaats onder invloed van de holocene zeespiegelstijging en is deze het eerst merkbaar. In het oosten van de delta, waar ook het onderzoeksgebied ligt, wordt deze verandering gestuurd door een toename van de sedimentlast in de Rijn en vindt deze pas later plaats.7 In de omgeving van het onderzoeksgebied (lijn Nijmegen-Elst-Arnhem) passeerde de terrassenkruising rond 5000 jaar geleden, en lag daar het eerste splitsingspunt van de Rijndelta.8 Vanaf die tijd is het terrassenlandschap geleidelijk afgedekt door jongere afzettingen. Deze fluviatiele afzettingen uit het Holoceen behoren tot de Formatie van Echteld.9 4 Beschreven is volgens de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB, Bosch 2007), die gebaseerd is op de NEN5104 (Nederlands Normalisatie Instituut 1989). 5 Busschers/Weerts 2003. 6 Cohen et aí, 2009. 7 Erkens 2009, 58. 8 Stouthamer et aí. 2011, 229. 9 Weerts/Busschers 2003.

7

Volgens de paleogeografische kaart van de gemeente Beuningen ligt het plangebied op de zuidelijke rand van de meandergordel van een oude fase van de Waal die actief was tussen ca. 210 voor Chr. en 500 na Chr.10 Volgens Cohen et al. 2012 ligt het plangebied niet op de beddinggordel zelf maar op een groot crevassecomplex. Ditzelfde beeld is terug te zien op de zanddieptekaart van het Rivierengebied waarop ter hoogte van het onderzoeksgebied een zandige laag binnen 2 m -mv is gekarteerd. Direct ten noorden van het plangebied is een restgeul behorende bij dit crevassecomplex aanwezig die nog steeds als laagte zichtbaar is in het landschap. Wanneer deze restgeul is dichtgeslibd is niet bekend. Bij het onderzoek van RAAP direct ten westen van het plangebied is in het noorden van het terrein een sterk gelaagde geulvulling aangetroffen die mogelijk in verband staat met deze restgeul. Verder is bij dit onderzoek onder de antropogene bovenlagen een pakket oeverafzettingen van sterk siltige klei met daaronder nog een dunne laag komafzettingen. De top van het zand is hier aantroffen op een diepte van 2.3 m -mv en bestaat uit zwak siltig zand met kleilagen.11 5.3

Bodem o pb o uw

De bodem bestaat binnen het grootste deel van het plangebied aan de top uit een 60 tot 92 cm dikke, geroerde bovenlaag. Deze laag bestaat uit een recent verstoorde, deels opgebrachte en puinhoudende bovenlaag (S999) met daaronder een laag die gezien moet worden als oudere bouwvoor (S998). Buiten de plaatselijk diepere verstoringen en de archeologische sporen zoals de grachten (zie hoofdstuk 6), zijn de onverstoorde, natuurlijke afzettingen aanwezig vanaf een diepte van 60 tot 92 cm onder het huidige maaiveld. Deze bestaan aan de top uit oeverafzettingen van sterk tot uiterst siltige of zwak zandige klei. Vooral in het zuidwesten van het terrein worden deze afzettingen naar onderen toe iets zwaarder om vervolgens weer zandiger of siltiger te worden. In de aanvullende boringen in het zuidwesten van het terrein (boring 1-9) gaan de oeverafzettingen op een diepte van 80 tot 100 cm -mv geleidelijk over in een 20 tot 30 cm dunne laag matig siltige klei die naar onderen toe weer overgaat in sterk tot uiterst siltige klei. In de profielen in werkput 9 en 12 is onderin, vanaf een diepte van 148 tot 166 cm -mv (6.82 — 7.06 m NAP), zwak tot matig siltig, matig tot zeer fijn zand met dunne kleilaagjes aanwezig (fig. 5.1). Ook is in acht van de veertien boringen is onderin zwak tot matig siltig zand aangeboord.

De top hiervan ligt in het grootste deel op een diepte van 150 tot 250 cm -mv (6.17 — 6.92 m NAP). Ter plaatse van boring 12 ligt de top van het zand al op een diepte van 95 cm -mv (7.37 m NAP). Een geulvulling zoals bij het onderzoek van RAAP direct ten westen van het plangebied is waargenomen, is bij het huidige onderzoek niet aangetroffen, ook niet in werkput 5 waar deze op basis van het aangrenzende onderzoek het meest verwacht wordt. 5.4

Conclusies

De bodemopbouw zoals waargenomen bij onderhavig onderzoek komt in grote lijnen overeen met de bodemopbouw zoals waargenomen bij het onderzoek direct ten westen van het plangebied. Onder de antropogene bovenlagen zijn overal kleiige oeverafzettingen aanwezig. Deze oeverafzettingen kunnen worden toegeschreven aan de Waal. Alle archeologische sporen zijn ingegraven vanaf dit niveau (zie hoofdstuk 6). Een natuurlijke geulvulling zoals bij het onderzoek van RAAP direct ten westen van het plangebied is waargenomen, is bij het huidige onderzoek niet aangetroffen. Voor zover deze aanwezig is, binnen het plangebied, zal deze verder naar het noorden aanwezig zijn. Vooral in het zuidwestelijke deel worden deze naar onderen toe zwaarder en is een laag komafzettingen aanwezig. Dit duidt op een fase van verminderde rivieractiviteit in de nabijheid van het plangebied. Hieronder zijn weer oever- op beddingafzettingen aanwezig. Onduidelijk is aan welke stroomgordel deze oever- en beddingafzettingen 0 Goossens 2010, kaartbijlage 1. 1 Schuurman 2010, 19.

8

moeten worden toegeschreven en daarmee welke ouderdom ze hebben. Op basis van de paleogeografische kaart van de gemeente Beuningen en ook het onderzoek in de directe omgeving kan verwacht worden dat deze afzettingen zijn gevormd vanuit de oude fase van de Waal die actief was tussen ca. 210 voor Chr. en 500 na Chr.12 De afdekkende komafzettingen in het zuidwesten van het terrein en ook de komafzettingen die zijn beschreven bij het onderzoek van RAAP direct ten westen van het plangebied, doen echter vermoeden dat het oudere afzettingen zijn, die zijn afgezet door een (mogelijk nog ingesneden) voorloper van de Waal. Dit past ook binnen het beeld zoals zichtbaar op de zanddieptekaart.13 Op basis van het huidige onderzoek is hierover echter geen duidelijke uitspraak te doen.

S12.999

SI 2.998

■m-i i zF

-1 Fig. 5.1. Beuningen — De Asdonck. Profiel 12.1 met de oeverafzettingen op zand (S12.6).

12 Goossens 2010, kaartbijlage 1. 13 Cohen et aí, 2009.

9

Sporen en structuren

6

Tijdens het archeologisch onderzoek in plangebied De Asdonck zijn sporen uit de middeleeuwen en nieuwe tijd aangetroffen. In totaal zijn er 45 spoornummers uitgeschreven aan antropogene sporen. Dit is exclusief de spoornummers die zijn toegekend aan de bodemlagen en recente verstoringen. Het aantal sporen ligt echter nog lager aangezien de verschillende vullingen van de gracht een apart spoornummer hebben gekregen. Tabel 6.1 toont de verdeling van alle uitgedeelde spoornummers over de verschillende categorieën. put

aantal sporennr.

natuurlijke greppel/gracht laag

1 2

8

3

22 10

4

kuil

paalkuil

uitbraaksleuf muurwerk waterput

recente verstoring

9 13

2

5

5

6

7

1

7

15

13

8

9

9

12

10 11 12

9

12 9

13

7

14

13

Tabel 6.1. Beuningen-De Asdonck. Alle uitgedeelde spoomumniers per werkput en spoordefinitie.

Werkput 1 is met een oppervlak van ca. 20 x 5 meter de grootste werkput van het onderzoek (fig. 4.1). Door de zuidelijke helft van werkput 1 loopt een gracht met een doorsnede van ongeveer 9 m. Er zijn verder geen andere sporen in deze werkput aangetroffen. De oudste vullingen van de gracht waren zeer schoon en bevatten slechts wat scherfmateriaal uit de Volle Middeleeuwen. De jongere vullingslagen waren beduidend vuiler en meer humeus. Het materiaal dat uit deze lagen afkomstig is dateert een paar honderd jaar later dan dat uit de oudste lagen. In werkput 2 zijn twee recente sonderingskuilen waargenomen. Een van verstoringen ligt precies binnen een kuil (S2.5) die op basis van het aardewerk in de Volle Middeleeuwen gedateerd wordt. Het centrale deel van werkput 3 werd ingenomen door een grote verstoring gevuld met grote brokken puin. Aan weerszijden van deze verstoring zijn verschillende lagen waargenomen die later van een gracht bleken te zijn (zie onder). De lagen waren vrij schoon. In één hiervan is ten noordoosten van de verstoring een vrij goed geconserveerd paalspoor aangetroffen (S3.3). Verondersteld wordt dat dit spoor een middeleeuwse datering heeft. In het westelijke deel van de put bleek een donkere laag aanwezig welke in eerste instantie als greppel gezien was. Hieruit is onder andere de bodem van een pot van blauwgrijs aardewerk afkomstig.

10

De sporen in werkput 4 bestaan uit twee kleinere grachten of greppels (S4.2 en S4.4) en een kleine paalkuil (S4.3) die S4.4 oversnijdt. Op grond van een stukje riembeslag moet S4.2 waarschijnlijk in de Volle Middeleeuwen gedateerd worden. In werkput 5 ontbreken grondsporen. Hier zijn enkel natuurlijke oeverafzettingen waargenomen. Door werkput 6 loopt een gracht met een noordoost-zuidwest oriëntatie en een diepte van 94 cm onder het vlak (S6.2). De lagen boven het vlakniveau waren door reductie blauw gekleurd. Hetzelfde is overigens waargenomen in werkputten 7, 9 en 13. Dit fenomeen wordt reductie genoemd. Het is een bacteriologisch proces dat optreedt onder zuurstofarme omstandigheden. In dit geval heeft het parkeerdek voor een gebrek aan zuurstof in de ondergrond gezorgd met de blauwe verkleuring tot gevolg. Werkput 7 wordt gedomineerd door de zuidelijke insteek van een gracht. Om een beter inzicht te krijgen in de opbouw van deze gracht is de werkput langs het oostprofiel verdiept. In werkput 8 zijn geen sporen aangetroffen. Wel kon hier worden vastgesteld dat de natuurlijke, zandige afzettingen van de Waal richting het noorden toe naar onder aflopen. 181.745

WP14

WP12

WP1C

181.585

Fig. 6.1. Beuningen-De Asdonck. Reconstructie van het verloop twee van de drie grachten in het plangebied. Schaal 1:1.000.

Het vlak in werkput 9 is in eerste instantie te diep aangelegd op een niveau onder de reductie. In dit deel zijn geen sporen gevonden, behalve een waterput van baksteen. Op basis van het

11

baksteenformaat en overig materiaal is geconcludeerd dat deze put van een vrij jonge datering is en waarschijnlijk heeft behoord tot het terrein van de hier gelegen villa. Even naar het oosten bleken twee kuilen uit de Volle Middeleeuwen aanwezig. Deze sporen waren goed geconserveerd en opmerkelijk goed zichtbaar ondanks de reductie in deze zone. Werkput 10 bestaat uit een grote kuil of uitbraaksleuf gevuld met vrij veel puin en materiaal uit de vorige eeuw. Hieruit zijn enkele stukken aardewerk en één glasfragment afkomstig. De eerste van de vier extra proefsleuven, werkput 11, sluit aan op werkput 9 en diende om vast te kunnen stellen of er meer middeleeuwse sporen in deze zone aanwezig zijn. Een groot deel van het vlak in deze werkput werd echter ingenomen door de resten van de villa die hier in de 19de en 20ste eeuw heeft gestaan. Het gaat hierbij om enkele uitbraaksleuven van de funderingen alsmede een kleine kelder. Hoewel deze put dus geen archeologische sporen heeft opgeleverd, is wel gebleken dat in de zones waar geen bouwresten zijn aangetroffen, i.e. de zones tussen de funderingen, de bodem nagenoeg ongeschonden is en hier dus zeker sporen verwacht kunnen worden. Het doel van de overige drie proefsleuven was het lokaliseren van de vermoedelijke gracht in werkput 1,3 en 7. In werkput 12 zijn deze echter niet aangetroffen. Hier lagen enkel schone oeverafzettingen.

Werkput 13 is in het verlengde van werkput 7 aangelegd en had tot doel de tegenoverliggende insnijding van de gracht op te sporen. Dit bleek echter niet mogelijk daar deze werkput volledig werd ingenomen door grachtvullingen. Dit duidde erop dat de put waarschijnlijk zeer ongelukkig over de gracht was gelegd. Waarschijnlijk precies op het deel waar de gracht richting het noorden liep. Om deze hypothese te toetsen zijn eerst een tweetal boringen gezet waarbij de vulling van de gracht in de noordelijke boring (boring 10) niet en in de zuidelijke boring (boring 11) wel is aangetroffen. Vervolgens is werkput 14 aangelegd. Deze put zou worden aangelegd totdat de vulling van de gracht aangesneden zou worden. Dit bleek al vrij snel het geval te zijn. Uit deze insnijding bleek dat de gracht inderdaad richting het noorden afbuigt. Voorts is middels archeologische boringen getracht het verloop van de brede greppel in werkput 6 (S6.2) beter in beeld te krijgen. Dit kon alleen langs de rand van het plangebied in de hier gelegen groenstrook, daar de verharding op de parkeerplaats belette dat hier handmatig boringen konden worden geplaatst. Uiteindelijk is de gracht gelokaliseerd, hetgeen erop wijst dat deze gracht in ieder geval nog (ver) in zuidwestelijke richting doorloopt.

Het was niet mogelijk om de gracht in het noorden verder te volgen, daar uit de boringen niet zou blijken welke gracht aangeboord werd. Dit zou zowel de gracht uit werkput 4 (S4.2) als de gracht uit werkput 6 (S6.2/4.4) zijn. Omwille van een beperkt tijdsbestek in combinatie met het feit dat deze zone niet direct bedreigd leek te worden door de voorgenomen ontwikkelingen is besloten om het verduidelijken van de gracht in werkput 1 en 7 prioriteit te geven. Daarom is hier niet een extra sleuf getrokken. Het verloop van de grachten hier zal tijdens een eventueel vervolgonderzoek duidelijk moeten worden. De laatste drie boringen zijn gezet tegen de oostelijke rand van het plangebied. Ook deze boringen hadden tot doel het verloop van de brede gracht nader te duiden. Opmerkelijk genoeg is de gracht alleen herkend in boring 13, de middelste van de drie. Dit kan betekenen dat de gracht hier een schone vulling had en zich moeilijk laat onderscheiden van de natuurlijke ondergrond, een probleem dat ook in werkput 1 is ervaren, maar het kan ook betekenen dat de gracht hier al weer een bocht maakt en afbuigt naar het noorden. Dit laatste zou betekenen dat het binnenterrein dat door de gracht werd omsloten in dit deel van het plangebied een breedte heeft van ca. 50 m.

Op grond van het voorgaande moet dus geconcludeerd worden dat binnen het plangebied een tweetal grachten uit de Volle Middeleeuwen liggen waarvan de functie of een relatie met overige sporen moeilijk te bepalen is. Wel kan worden gesteld dat de sporen in werkput 2 en 9 een gelijkaardige datering kennen, maar of het hier gaat om nederzettingssporen of om sporen van een terrein met een andere functie is lastig te zeggen. Wel is het zo dat de grachten in werkput 4 en 6 te breed zijn om als reguliere nederzettings- of erfgreppels te worden beschouwd.

12

Daarnaast is sprake van een vrij grote gracht welke een terrein ten noorden van het plangebied omsluit. (flg. 6.1). Het is opmerkelijk dat de gracht richting het noorden afbuigt omdat de hoogte van het terrein, zo blijkt ook uit de bevindingen in werkput 8, richting het noorden juist afneemt. Daarbij komt dat langs de noordgrens van het plangebied een restgeul zou moeten liggen waarvan de aard en datering onbekend zijn.14 Er mag echter worden aangenomen dat deze geul ouder is dan het grachtenstelsel en dus al in de Volle Middeleeuwen als laagte in het land aanwezig was. Deze restgeul loopt vanuit het oosten richting het westen. Hiermee komt de oriëntatie overeen met de zuidelijke zone van de gracht die tijdens het onderhavige onderzoek is aangesneden. Wellicht dat het stelsel richting een restant van de restgeul loopt en dat de laagte gebruikt is voor de aanleg van het noordelijke deel van de gracht. Dit lijkt echter niet heel waarschijnlijk daar de geul direct ten noorden van het plangebied wordt gesitueerd. Dit zou betekenen dat de gracht in deze interpretatie een terrein van nog geen 50 bij 50 meter omsluit. Wanneer we kijken naar de datering van het complex biedt het noordelijke putwand profiel van werkput 7 uitkomst. Hierin zijn drie fasen onderscheiden waarvan de oudste twee zich goed laten dateren. (fig. 6.2).

De oudste grachtvulling, fase 1, bevat fragmenten van kogelpot en Elmpter waar op basis waarvan deze fase in de Volle Middeleeuwen gedateerd wordt. Deze grachtvulling is niet aanwezig in het profiel van de aangrenzende put, werkput 13, en ook 14 zijn alleen de twee daaropvolgende fases (fase 2-3) aanwezig. De bodem van de tweede faes bestaat uit een donker, sterk humeus pakket. In deze grachtvulling is vondstmateriaal, waaronder een groot deel van een vetvanger, uit de Late Middeleeuwen en het begin van de Nieuwe Tijd aangetroffen. Op basis van het aardewerk wordt voor deze fase uitgegaan van een datering in de 15de en 16de eeuw. De grachtvullingen van de jongste fase (fase 3) zijn relatief schoon. Het zuidprofiel van werkput 14 bevat de insteek van de jongste grachtfase met daarin vondstmateriaal voor de einddatering van de gracht (fig. 6.3). Het aardewerk geeft een post quem datering van 1575. Op grond van het aardewerkspectrum mag aangenomen worden komt de einddatering van de gracht in de eerste helft van de 17de eeuw gezocht moet worden.

Fig. 6.2. Beuningen-De Asdonck. De grachtinsteek in het noordprofiel van werkput 7. Grijs: recente ophogingslagen en begraven bouwvoor; geel: natuurlijke lagen; paars: grachtfase 1; donkerblauw: grachtfase 2; lichtblauw grachtfase 3.

14 Van Kampen 2019, 6-7.

13

8.50

- I

Fig. 6.3. Beuningen-De Asdonck. De grachtinsteek in het zuidprofiel van werkput 3. Grijs: recente ophogingslagen en begraven bouwvoor; geel: natuurlijke lagen; donkerblauw: grachtfase 2; lichtblauw grachtfase 3.

Het antwoordt op de vraag wat de grachten omsloten hebben blijft vooralsnog sterk hypothetisch. Niet ver ten zuidoosten van het plangebied aan de Wilhelminalaan ligt de ruïne van kasteel Blankenburg (Blanckenborch) dat uit de eerste helft van de 15de eeuw dateert.15 Het is denkbaar dat dit kasteel een voorganger heeft gehad dat in De Asdonck stond, mogelijk nog in de vorm van een donjon of moerasburcht, en dat het kasteel later herbouwd is op de huidige locatie. Opmerkelijk is dat de twee oudste fasen van de gracht op het Asdonckterrein stammen uit de periode vóór en na de fase van het kasteel Blankenburg. Een voorbeeld van een vergelijkbare situatie van de herbouw van een kasteel op een nabij gelegen locatie is bekend uit Groesbeek.16 Hier is een omgracht tufstenen bouwwerk uit de Volle Middeleeuwen opgegraven. Hier overheen had men in de 16de eeuw een nieuw kasteel gebouwd. Echter in de tussenliggende periode had men zijn intrek genomen in een moerasburcht even ten oosten van de locatie van het tufstenen gebouw en het latere kasteel. Of een dergelijk scenario ook voor het kasteel of mogelijk dus de kastelen van Beuningen opgaat, zal uit toekomstig onderzoek moeten blijken.

15 Jas 2013, 136-137. 16 Van Kampen 2015, 114-119.

14

Vondsten

7

7.1 Aardewerk Valentijn van den Brink 7.1.1

INLEIDING

Tijdens het archeologische onderzoek in het plangebied Beuningen-De Asdonck zijn 145 scherven aardewerk verzameld met een totaalgewicht van 6.788 gram (tabel 7.1). Dit vondstmateriaal biedt handvatten voor de datering en waardering van de vindplaatsen en kan vergeleken worden met het vondstmateriaal dat is aangetroffen bij het onderzoek van RAAP direct ten westen van het plangebied.17 Het aardewerk is op scherfniveau bekeken en ingevoerd in een database. Scherven waarvan aangenomen kan worden dat zij tot hetzelfde voorwerp behoord hebben zijn opgenomen onder hetzelfde catalogusnummer. Naast de aantallen en het gewicht is, waar mogelijk, het Estimated Vessel Equivalent (EVE) bepaald. Dit is een methode waarbij aan de hand van delen van de rand (of bodem) een schatting gemaakt kan worden van het oorspronkelijk aantal aanwezige voorwerpen. De scherven zijn gedetermineerd volgens het Deventer-Systeem. Dit is een classificatiesysteem dat voor het eerst is gebruikt in een publicatie van vondstcomplexen uit Deventer.18 Nadien is het de standaardmethode geworden om (post)middeleeuws aardewerk te beschrijven. Ieder voorwerp kan zo omschreven worden met een code die in drie delen uiteenvalt. Het eerste deel geeft het baksel van het aardewerk weer. Het tweede deel bestaat uit de eerste drie letters van de functie van het voorwerp.

Het laatste deel is het volgnummer dat door de redactie van het Deventer-Systeem aan specifieke typen is gegeven.

aantal

'll)

gewicht (g)

Vo

1 10 1 6 6

0,69

2

0,03

6,90

38

0,56

0,69

3

0,04

4,14

490

7,22

0,18

4,14

363

5,35

1,25

ongeglazuurd steengoed

9

6,21

326

4,80

1

steengoed met oppervlaktebehandeling

14

9,66

1.130

16,65

2,4

categorie

Walberbergaardewerk Badorfaardewerk Pingsdorfaardwerk proto-steengoed bijna-steengoed

EVE

0,2

“/o

begin

eind

750

900

725

1000

900

1200

1,96

1200

1300

13,60

1275

1325

10,88

1300

1550

26,12

1300

1950

2,18

kogelpotaardewerk

2

1,38

6

0,09

800

1350

blauwgrijs aardewerk

36

24,83

1.276

18,80

2,15

23,39

900

1400

roodbakkend aardewerk

51

35,17

2.970

43,75

1,56

16,97

1150

1950

witbakkend Maaslands aardewerk

1,38

15

0,22

900

1550

Europees porselein

2 2

1,38

100

1,47

0,35

3,81

1775

1950

industrieel witbakkend aardewerk

5

3,45

69

1,02

0,1

1,09

1750

1950

145

100

100

9,19

100

totaal

Tabel 7.1. Beuningen-De Asdonck. Verhouding tussen de aardewerkcategorieën in aantallen scherven, gewicht (gram), EVE en percentages. Daarnaast de globale datering van deze aardewerkcategorieën binnen het Deventer-systeem.

7 Schuurman 2010. 8 Clevis/Kottman 1989.

15

7.1.2 OVERZICHT VAN DE AAN GETROFFEN AARDEWERKCATEGORIEËN

Badorf- en Walberbergaardewerk Deze productieplaatsen liggen in het Vorgebirge, tussen Keulen en Bonn. Daarnaast is ook in de productieplaats Pingsdorf aardewerk van dit type vervaardigd in de vroegste periode die door Sanke onderscheiden is.19 Het aardewerk kenmerkt zich door een lichte (geel, wit, beige) kleur en radstempelindrukken. Tussen 720 en 869 bestaat de productie voornamelijk uit bol- en tuitpotten.20 Deze vormen kunnen nog voorkomen tot in de eerste helft van de 10de eeuw. De kenmerkende Reliëfbandamforen (ba-pot-5) dateren uit een latere periode, vanaf de 9de tot in de tweede helft van de 11de eeuw. De aangetroffen scherven binnen deze categorie zijn over het algemeen zwaar gefragmenteerd en komen over het algemeen samen met jongere typen aardewerk voor. Zij zullen als opspit in deze sporen terecht zijn gekomen. Het voorkomen geeft echter wel aan dat het plangebied al in de Karolingische tijd in gebruik is genomen. Pingsdorf-type aardewerk Onder dit type aardewerk wordt binnen het Deventer-systeem witbakkend Rijnlands aardewerk bedoeld dat in de Pingsdorftraditie is te plaatsen.21 Het aardewerk bestaat uit bleke baksels die van tertiaire klei zijn vervaardigd en vaak zijn voorzien van versiering met rode of paarse verf op basis van ijzeroxide. De productie vond in eerste instantie plaats in de regio rond Pingsdorf.

Vanaf de 11de eeuw werd er ook in Zuid-Limburg (Brunsum-Schinveld, Nieuwenhage, Waubach) dergelijk aardewerk vervaardigd. Vanaf ca. 1200 na Chr. verdwijnt de beschildering op het aardewerk.22 In de daaropvolgende periode, na ca. 1250 na Chr., wordt eerst bijna-steengoed bedekt met een ijzerengobe en vervolgens echt steengoed gebakken. Deze categorie heeft slechts één scherf opgeleverd. Hoewel de scherf onversierd is, is het baksel wel te onderscheiden van het hierboven beschreven Badorf-type aardewerk. Steengoed Steengoed is een aardewerksoort waarbij het baksel geheel versinterd is door het bakken op een hogere temperatuur. In tegenstelling tot zachtere baksels is steengoed geheel waterdicht. In de loop van de 13de eeuw worden de baksels in het Eiffelgebied steeds harder.23 Via proto-steengoed (s5) en bijna-steengoed (s4) kwam men in het laatste kwart van deze eeuw tot het echte steengoed. Deze laatste categorie bestaat uit steengoed zonder oppervlaktebehandeling in de vorm van engobes of glazuur (s1, met name uit Siegburg) en steengoed met oppervlaktebehandeling (s2). De middeleeuwse productie uit Siegburg bestond voornamelijk uit drinkgerei zoals kannen, drinkschaaltjes en (trechter)bekers.24 In Langerwehe daarentegen werden vooral grote voorraadkannen gemaakt.25 Na de Middeleeuwen verandert het steengoed aanzienlijk van uiterlijk.

De horizontale lijnen in de vormen worden meer benadrukt en er verschijnt versiering, voornamelijk in de vorm van appliques, op het steengoed. De versiering was aanvankelijk nog elegant en beheerst. In het derde kwart van de 16de eeuw komt hier verandering in, de versiering wordt uitbundiger en zelf overdreven druk. Deze trend hield aan tot ca. 1680. Geheel versierde vormen met een soms duizelingwekkend spel van appliques, passerwerk en kleuren overheersen. 19 Sanke 2002, 179-180. 20 Wesdorp 2014, 155. 21 Wesdorp 2014, 156. 22 Sanke 2002, 182. 23 Bartels 1999, 43-91. 24 Janssen 1983, 199. 25 Clevis/Thijssen 1989, 10.

16

Na ca. 1680 worden de uitbundige vormen en versiering losgelaten. De vormen worden doelmatiger en de versieringen verdwijnen of worden vervangen door simpeler lijnwerk. De productiecentra legden zich toe op massaproductie en hielden de producten zo goedkoop mogelijk. Er werden voornamelijk utilitaire vormen vervaardigd zoals pispotten, mineraalwaterflessen en zogenaamde Keulse potten bedoeld om voedsel in te maken. Het steengoed is al beter vertegenwoordigd en lijkt te wijzen op een intensivering van het gebruik van het plangebied vanaf de 13de eeuw. Binnen het bijna-steengoed is een kan te onderscheiden van een onbekend type (V7.27). Het Siegburgse ongeglazuurde steengoed bestaat zoals gebruikelijk uit drinkwaar (fig. 7.1). Tot de herkenbare typen behoren een kan van het type s1-kan-53 (V13.55) en een beker van het type s1-bek-5 (V12.47), beiden dateren tussen 1350 en 1450. Hoewel de kan tot het ongeglazuurde steengoed gerekend kan worden is er onbedoeld glazuur op de hals en schouder terecht gekomen. Tot het laatmiddeleeuwse geglazuurde steengoed behoren producten uit Langerwehe, waaronder een kan (V14.59) uit grachtfase 2.

ī

-

7-

S'

Fig. 7.1. Beuningen-De Asdonck. Drinkwaar uit Siegburg. Een s1-kan-53 (V13.55) en een s1-bek-5 (V12.47).

17

t -'

■vV-V

S«r*tì

Sŭĩ^-Ŵ RSK&

ĩļt^ŕ

Fig. 7.2. Beuningen-De Asdonck. Een kan van het type s2-kan-63 uit Raeren (V13.45).

Het steengoed uit de Nieuwe tijd komt voornamelijk uit het Westerwald en Raeren. In de vullingen van de gracht die tot fase 2 behoren is een kan uit die laatste productieplaats aangetroffen, het betreft een kan van het type s2-kan-63 (V13.45, fig. 7.2) die geproduceerd is tussen 1525 en 1575.

18

Kogelpotaardewerk Met de term kogelpot wordt in de eerste plaats een type kookpot aangeduid dat in diverse baksels geproduceerd kan zijn. Meer specifiek wordt er binnen de archeologie een handgevormde pot van dit type bedoeld die afkomstig is van productie op huishoudelijk niveau.26 Dit in tegenstelling tot de meer georganiseerde productie van kogelpotten die onder verschillende andere categorieën binnen het Deventer-systeem vallen. De productie van dit type aardewerk vond uitsluitend op kleinschalig niveau plaats tussen het begin van de 8ste en het einde van de 12de eeuw.27 In de loop van de 13de eeuw komen er op een aantal plaatsen, zoals Utrecht, Haarlem, Arnhem, Oosterbeek en Woold, productiecentra op die een meer regionale afzetmarkt bedienen. Het vormenspectrum wordt dan ook uitgebreid met onder andere bakpannen, grapen en kannen. Daarnaast treedt er een standaardisatie op in de randvormen en komt versiering in de vorm van bezemvegen en vingervegen in zwang. Uiteindelijk wordt het kogelpotaardewerk in de 14de eeuw verdrongen door het grijs- en roodbakkende aardewerk. Het kogelpotaardewerk bestaat uit slechts twee kleine scherven uit een van de diepere lagen van de gracht (V7.41).

Blauwgrijs aardewerk Blauwgrijs aardewerk bestaat uit grijsbakkend aardewerk dat over het algemeen handgevormd is en uit Duitsland en het Duits-Limburgse grensgebied afkomstig is.28 De categorie omvat in ieder geval de soorten Paffrath en Elmpt, daarnaast kunnen veel andere varianten die in Duitsland onder de noemer blaugraue Irdenware vallen onder deze groep geschaard worden. Paffrath-type aardewerk is vernoemd naar de plaats Paffrath in het Duitse Rijnland. Inmiddels is duidelijk geworden dat het ook in andere productieplaatsen werd vervaardigd, waaronder Pingsdorf.29 Het aardewerk wordt gekenmerkt door een metaalachtige glans op het oppervlak en een witte breuk met een 'bladerdeegachtige' structuur. De productie vond plaats tussen de 10de en de 13de eeuw. Dit type aardewerk werd al vroeg geïmporteerd in Tiel, het komt al voor in vondstcomplexen vanaf het eerste kwart van de 10de eeuw.30 Elmpter waar werd voornamelijk geproduceerd in de regio Elmpt-Brüggen, daarnaast werd het ook vervaardigd in Oosterbeek, Meckerheim en Brunssum-Schinveld.31 De laatstgenoemde productiecentra bedienden echter waarschijnlijk enkel de lokale markt.32 Vanaf de late 12de eeuw werd het geïmporteerd in de westelijker gelegen gebieden in Nederland. Aanvankelijk kende het een eigen vormenrepertoire die voornamelijk uit kogelpotten, potten en drinkgerei als kannen en bekers bestond.

In de 14de eeuw gaat met echter steeds meer de vormen toepassen zoals die bestonden in de productie van het grijsbakkend aardewerk.33 Binnen de Elmpter waar kunnen drie bakselgroepen onderscheiden worden. Het 'Elmpt 1' baksel is het klassieke Elmpter baksel met een (donker)grijs oppervlak en een witte kleur op de breuk. Een klinkend hard gebakken variant die soms roodbruin op de breuk is wordt 'Elmpt 2' genoemd.34 Oorspronkelijk werd gedacht dat dit baksel gedateerd moet worden in de tweede helft van de 12de eeuw. De reden hiervoor was dat het grootste aandeel scherven in dit baksel uit de opgraving NederweertRosveld van een erf afkomstig zijn dat in deze periode gedateerd is. Onderzoek in Swalmen heeft echter

26 Verhoeven 1992, 77. 27 Verhoeven1998, 260. 28 Ostkamp 2012, 245. 29 Ostkamp 2012, 245. 30 Dijkstra 1998, 36. 31 Wesdorp 2014, 157. 32 Ostkamp 2013, 83. 33 Janssen 1983, 197. 34 Hiddink/Schabbink 2005, 161.

19

aangetoond dat dit baksel in alle perioden voorkomt, zij het relatief meer in latere perioden.35 Bij dit laatste onderzoek is tevens het 'Elmpt 3' baksel onderscheiden. Dit is een zachter baksel dat veel overeenkomsten vertoont met Zuid-Limburgs aardewerk.36 Hoewel van te voren gedacht werd dat dit baksel tot de vroegste productie gerekend moest worden bleek ook hier geen sprake te zijn van een chronologische scheiding. Het blauwgrijze aardewerk is een van de grotere categorieën die qua aantal bijna een kwart van het totaal uitmaakt. Het merendeel van de 36 scherven, 29 stuks, bestaat uit Elmpter waar. Uit grachtfase 1 komen twee grote randscherven Elmpter waar die afkomstig kunnen zijn van een bg-kog-2 of een bgpot-2 (V7.27, fig. 7.3). De randen zijn bij deze typen identiek, de pot onderscheid zich door de aanwezigheid van een standring. Tussen beide typen zit een dateringsverschil, de kogelpotten komen voornamelijk in de 12de en 13de eeuw voor terwijl de potten met standring eerder in de 14de eeuw dateren. Uit grachtfase 2 komen dan weer wel twee grote, passende scherven Elmpter waar met een standring (V3.15 en V3.38). Bij gebrek aan verdere scherven kan echter niet bepaald worden of zij van een pot of van een andere vorm zoals een kan afkomstig zijn.

Fig. 7.3. Beuningen-De Asdonck. Een typisch Elmpt-randje van een bg-kog-2 of een bg-pot-2. Schaal 1:3.

roodbakkend aardewerk Vanaf de tweede helft van de 13de eeuw is in onze streken sprake van een bevolkingstoename en neemt de verstedelijking toe. Het aardewerk, dat voorheen in huishoudelijke kring met de hand vervaardigd werd, zou in toenemende mate in stedelijke ateliers geproduceerd worden met behulp van het pottenbakkerswiel.37 In de stedelijke productiecentra is hoofdzakelijk eenvoudig gebruiksgoed op grote schaal geproduceerd. Het gebruiksaardewerk kent een groot vormenspectrum en is aan het eind van de 13de eeuw in twee varianten aanwezig: het grijs- en het roodbakkend aardewerk. De potten van beide varianten zijn vervaardigd van dezelfde lokale, ijzerhoudende klei en het kleurverschil is veroorzaakt door de het wel of niet toevoegen van zuurstof tijdens het bakproces.38 Het roodbakkend aardewerk is vaak bedekt met een loodglazuur dat tijdens de vroege productie spaarzaam is aangebracht. In de loop van de 14de en 15de eeuw wordt het aardewerk steeds royaler van glazuur voorzien.39 Het oppervlak van grijsbakkende vormen is ongeglazuurd en bijna nooit versierd. In het algemeen is het grijsbakkend aardewerk (g) vooral tussen 1200 en 1450 na Chr. geproduceerd; het roodbakkend aardewerk (r) heeft dezelfde begindatering maar is tot in de 19de eeuw gemaakt.40

35 Ostkamp 2013, 83-86. 36 Binnen het Deventer-systeem valt Zuid-Limburgs aardewerk onder het Pingsdorf-type aardewerk. 37 Bartels 1999, 93. 38 Clevis/Kottman 1989, 26. 39 Kaneda/van Genabeek/de Ridder 2002, 15. 40 Bartels 1999, 105.

20

Met 51 scherven is roodbakkend aardewerk de grootste categorie. Ongeveer de helft van het totaal aantal scherven, 26 stuks, is echter afkomstig van één vetvanger van het type r-vet-1 die afkomstig is uit grachtfase 2 (V7.21 en V7.23, fig. 7.4). Dit type vetvanger dateert voornamelijk in de 15de of 16de eeuw. Op vijf scherven van niet identificeerbare objecten na is al het overige roodbakkende aardewerk eveneens uit de gracht afkomstig. In werkput 1 is een randscherf van een vergiet van het type r-ver-5 en een fragment van een onbekend type kop aangetroffen (V1.6). Beiden dateren in de Nieuwe Tijd. Werkput 3 leverde twee fragmenten van borden op waarvan één met een spiegel die is bedekt met een sliblaag en groen geglazuurd (beiden V3.11). Dit geeft een datering vanaf de 16de eeuw. Naast de eerder genoemde vetvanger werd in jongste grachtvulling in werkput 7 nog een klein fragment van een roodbakkende kogelpot aangetroffen (V7.26). In werkput 13 werd er uit de jongste grachtfase (fase 3) nog een klein fragment van een bord aangetroffen (V13.52). Uit dezelfde grachtfase in werkput 14 werden fragmenten van een kop en een bord verzameld (V14.58). Het bord is geproduceerd in Oosterhout en kan vanaf het laatste kwart van de 16de eeuw gedateerd worden. Door het ontbreken van de voet kan het exacte type, en dus mogelijk een scherpere datering, niet bepaald worden.

r t*

Fig. 7.4. Beuningen-De Asdonck. Een vetvanger van het type r-vet-1.

Witbakkend Maaslands aardewerk Witbakkend Maaslands aardewerk werd vanaf het eind van de 11de tot in de 16de eeuw geproduceerd in het oosten van België. De productieplaatsen lagen langs de Maas, ruwweg tussen Namen en Hoei.41 41 Wesdorp 2014, 156.

21

Het bestaat uit een witgeel tot roze baksel dat soms voorzien is van spaarzaam aangebracht glazuur en versiering in de vorm van radstempels of kleistrips. De twee scherven uit deze categorie zijn afkomstig van een rammelaar van het type wm-ram-1 (V7.26, fig. 7.5). Hoewel de rammelaar afkomstig is uit de jongste grachtfase, worden dergelijke rammelaars gedateerd tussen 1175 en 1250.

Fig. 7.5. Beuningen-De Asdonck. fragmenten van een rammelaar van het type wm-ram-1.

Aziatisch en Europees porselein Porselein is een harde aardewerksoort gebakken van kaolien, een speciale soort klei.42 Oorspronkelijk werd het enkel geproduceerd in Azië. Vanaf de tweede helft van de 16de eeuw werd het geïmporteerd naar Nederland. Het gold als een luxeproduct en werd zeer populair. Dit brengt tegelijkertijd ook een probleem met zich mee. De hoge status van deze aardewerksoort maakte dat men er zeer voorzichtig mee om ging. Tegen de tijd dat deze voorwerpen in het archeologisch bestand terecht komen kennen ze vaak al een hoge ouderdom. Met name vanaf de 17de eeuw hebben de vormen en decoraties een grote invloed uitgeoefend op het tinglazuuraardewerk die in Europa geproduceerd werden. Pas in de 18de eeuw lukt het om in Europa porselein te produceren. Dit proces was echter vrij kostbaar, het Aziatische en Europese porselein bleef een luxeproduct. Over het algemeen moest men genoegen nemen met imitaties in andere aardewerksoorten. Na de opkomst van het industriële aardewerk namen de importen vanuit Azië af waarbij in de eerste helft van de 19de eeuw desondanks een kleine opleving plaatsvond. In de tweede helft van de 19de eeuw werd het productieproces in Azië geïndustrialiseerd waarbij het porselein en andere industriële aardewerksoorten uit deze regio goedkoper werden.

Het vervoer bleef echter de prijs opdrijven, ze hebben de populariteit van het Aziatische aardewerk in eerdere perioden niet meer kunnen evenaren. Het Europese porselein is afkomstig uit de vulling van de kelder van villa De Asdonck. Het bestaat uit een schoteltje van het type ep-bor-5 en een schaaltje van het type ep-sch-3 (V11.50). Beide voorwerpen kunnen in de tweede helft van de 19de eeuw gedateerd worden. industrieel aardewerk

42 Bartels 1999, 183-200.

22

Vanaf ca. 1700 komt de productie van industrieel steengoed in Engeland op gang.43 Dit werd voornamelijk gestuurd door de vondst van kaoline-aarde in Devon en Dorset. Deze klei vormt, samen met verbrand en vermalen vuursteen, het basisbestanddeel van het industriële steengoed. Er worden aanvankelijk vooral fijnere vormen als koppen, schotels, theepotten en kommen geproduceerd. Gedurende de gehele 18de eeuw wordt gebruiksaardewerk in brown stoneware geproduceerd, in de 19de eeuw werden dat voornamelijk flessen, potten en bouwkeramiek. Vanaf ca. 1720 komt de productie van saltglazed stoneware op gang. Tussen 1745 en 1775 komt er een versiering voor die bestaat uit ingekraste lijnen waarna het glazuur op die plaatsen blauw verkleurd, het scratch-blue aardewerk. Het saltglazed stoneware wordt in de periode 1760-1780 door het creamware verdrongen. Na de introductie van het industriële steengoed volgde in Engeland al vrij snel het industriële aardewerk.44 In Staffordshire nemen de pottenbakkers verschillende technieken die bij de productie van industrieel steengoed gebruikt werden over. Toevoeging van de ingrediënten uit de steengoedindustrie, kaolien en verbrande, vermalen vuursteen, aan lokale kleisoorten maakt een harder baksel mogelijk.

Door daarbij witmakende ingrediënten te gebruiken en de vormen in loodglazuur onder te dompelen ontstond waarschijnlijk al vóór 1750 het creamware. Het duurde echter tot 1765, toen Josiah Wedgwood het productieproces optimaliseerde, dat het een hoge vlucht nam. Een tweede innovatie was die van het bedrukken van het aardewerk.45 Vanaf 1755 was het mogelijk bovenglazuur drukdecors aan te brengen. In eerste instantie werd enkel industrieel porselein bedrukt. Nadat rond 1780 een blauwe inkt werd ontwikkeld die tegen de hoge temperatuur van het bakken van aardewerk bestand was begon men ook op witbakkend industrieel aardewerk drukdecors aan te brengen. Bruin en zwart volgden in het begin van de 19de eeuw en vanaf ca. 1835 konden ook andere kleuren als rood en groen gebruikt worden.46 In Staffordshire neemt de productie van het bedrukte aardewerk dan al langzaam af. Dit zal te maken hebben met de opkomst van de productie op het Europese vasteland. De eerste aardewerkfabriek binnen Nederland was die van Henri Piccardt in Delft, opgericht in 1806. Deze fabriek is nooit echt succesvol geweest. Dit in tegenstelling tot de productie in Maastricht. Vanaf de oprichting van de fabriek van Petrus Regout in 1836 is de Maastrichtse aardewerkfabricage de gehele 19de eeuw gegroeid. In eerste instantie waren het slechts de fabrieken van Regout zelf, na 1853 volgen diverse andere fabrieken.

De productie van vaatwerk is in 1969 weer opgeheven, tegenwoordig produceert de fabriek van Regout sanitair onder de naam N.V. Koninklijke Sphinx. Net als het Europese porselein is het Industrieel witbakkend aardewerk afkomstig uit de vulling van de kelder van villa De Asdonck. Het bestaat uit een schoteltje met een rode vlag en een onleesbaar stempel en een klein pastelblauw bloempotje (V11.50). Beide objecten kunnen in de 20ste eeuw gedateerd worden. 7.1.3

VONDSTEN

UIT RELEVANTE

CONTEXTEN

Uit de vullingen van de gracht zijn in totaal 90 scherven aardewerk verzameld met een totaalgewicht van 5.385 gram (tabel 7.2). Het vroegste materiaal, het Badorfaardewerk, komt verspreid over het hele plangebied en de opgraving van RAAP ten westen van het plangebied voor. Deze vondsten kunnen geen bijdrage leveren aan de begindatering van de gracht. De oudste aangetroffen grachtfase met vondstmateriaal, spoor S7.12, grachtfase 1, heeft zes fragmenten Elmpter waar en twee fragmenten kogelpot opgeleverd. Dit geeft aan dat de gracht al in de Volle Middeleeuwen bestaan heeft. Belangrijker is spoor S7.7 uit de daaropvolgende grachtfase. Hieruit komen relatief grote stukken proto- en bijnasteengoed en Elmpter waar. Dit complex plaatst deze fase in de 13de eeuw. Na een heringraving zoals te 43 Bartels 1999. 85-88. 44 Bartels 1999, 237-259. 45 Bogaers 1992, 10-14. 46 Bogaers 1992, 25.

23

zien in het profiel van werkput 7 (fig. 6.2), bevatten de grachtvullingen uit grachtfase 2 de steengoed kannen uit Siegburg en Raeren en de vetvanger. De fase dateert waarschijnlijk in de 15de en 16de eeuw. Voor de einddatering van de gracht is spoor S14.6 uit werkput 14 van belang. Dit is een van de jongste fasen van de gracht en het fragment van een bord uit Oosterhout geeft deze fase een post quem datering van 1575. Binnen de aangetroffen vormen komen vooral voorwerpen uit de functiegroepen eten/drinken en koken voor. Het geeft in ieder geval aan dat het huishoudelijk afval betreft. In dat opzicht is het ontbreken van majolica een aanwijzing dat de gracht vroeg in de 17de eeuw geheel gedempt moet zijn geweest. Had de gracht dan nog bestaan dan is die aardewerkcategorie wel te verwachten. categorie

vorm

aantal

gewicht (g)

3

21

proto-steengoed

1

271

bijna-steengoed

4

214 146

Badorfaardewerk

type

bijna-steengoed

kan

ongeglazuurd steengoed

kan

1 1

ongeglazuurd steengoed

kan

5

12 220

1

13

steengoed met oppervlaktebehandeling steengoed met oppervlaktebehandeling

kan

7

582

kogelpotaardewerk

2

6

blauwgrijs aardewerk

17

1.065

roodbakkend aardewerk

10

274

roodbakkend aardewerk

bord

5

189

roodbakkend aardewerk

kogelpot

6

roodbakkend aardewerk

kom

roodbakkend aardewerk

kop

roodbakkend aardewerk

vergiet

1 1 2 1

roodbakkend aardewerk

vetvanger

26

2.221

witbakkend Maaslands aardewerk

rammelaar

2

15

totaal

29 13

88

90

Tabel 7.2. Beuningen-De Asdonck. De verschillende categorieen en typen uit de vullingen van de gracht.

7.1.4

CONCLUSIE

Het aardewerk uit het plangebied Beuningen-De Asdonck is in samenstelling grotendeels gelijk aan dat uit de westelijker gelegen opgraving van RAAP. De lichte spreiding vroegmiddeleeuws aardewerk in volmiddeleeuwse sporen is daar ook waargenomen. Een andere overeenkomst is dat het grootste deel van het volmiddeleeuwse aardewerk geïmporteerd is.47 Het is duidelijk dat de gracht ten tijde van de bewoning van het plangebied van RAAP al bestaan heeft. Waar het verschilt is dat de gracht langer doorloopt dan de bewoning uit het onderzoek van RAAP. De functie van de gracht is niet uit de aardewerkvondsten te achterhalen. Het lijkt te gaan om gebruiksaardewerk van huishoudelijk niveau.

47 Schabbink 2010, 28.

24

7.2 Metaal Jelle van Hemert 7.2.1 Inleiding

Het onderzoek heeft in totaal 19 metalen voorwerpen opgeleverd. Het gaat om zes vondsten van een koperlegering, elf ijzeren voorwerpen en twee loden kogels. Het non-ferro metaal is in een redelijke tot goede staat. De ijzeren voorwerpen verkeren gezien de mate van corrosie in een matige tot redelijke staat. Naast vijf vondsten uit recente bodemlagen en één vondst uit een paalkuil, zijn alle metaalvondsten afkomstig uit de grachten. 7.2.2 Beschrijving

De enige metaalvondst die met zekerheid in de Volle Middeleeuwen gedateerd kan worden is een beslagstuk in de vorm van een kat (V4.12; fig. 7.6). Het is afkomstig uit de gracht in werkput 4. Het beslag heeft een afmeting van 19 x 20 mm en is versierd met groeven. In twee van de drie bevestigingsogen aan de onderzijde zitten nog restanten van ijzeren nagels met een kegelvormige kop. Vermoedelijk heeft het gediend als decoratief riembeslag of riemtong. Op basis van de stijl wordt uitgegaan van een datering in de Volle Middeleeuwen of het einde van de Vroege Middeleeuwen. Opvallend is dat bij de opgraving van het RAAP, direct ten westen van het plangebied, een klein beslagstuk is aangetroffen met een vergelijkbare versieringsstijl. Dit beslagstuk lijkt de vorm van een bebaard hoofd te hebben en wordt beschouwd als een riemtong uit de Volle Middeleeuwen.48 Er zijn twee munten aangetroffen die beide uit de nieuwe tijd dateren. Een duit van Frisia is geslagen in 1653 en komt uit de jongste grachtvulling (V14.58; fig. 7.6), de andere duit is van Hollandia en dateert uit 1754 (V1.5; fig. 7.6). Twee ijzervondsten kunnen tot het hang- en sluitwerk gerekend worden. Beide vondsten zijn afkomstig uit de grachtvulling. Het betreft een duimgeheng (grachtfase 3) dat onderdeel geweest is van een deurscharnier en niet goed dateerbaar is (V1.2).

De tweede vondst is een massieve sleutel (grachtfase 2) met een ovaal oog, waarvan de baard is afgebroken (V14.59; fig. 7.6). Deze sleutel dateert vermoedelijk uit de late middeleeuwen.49 Een grote ijzeren opscheplepel of vuurlepe^/kolenschep) uit de grachtvulling van fase 2 kan tot het kookgerei gerekend worden (V7.39; fig. 7.6). Het betreft een deel van de plaatvormige greep en de steel, van de lepelbak is slechts een klein deel bewaard gebleven, maar genoeg om vast te kunnen stellen dat het een ronde vorm had. Dergelijke lepels waren al in de Late Middeleeuwen in gebruik, maar maakte ook in de Nieuwe Tijd nog deel uit van de huisraad. In de kleinere gracht in werkput 14 is een voorwerp van ijzer aangetroffen dat mogelijk ook tot het kookgerei behoord. Het betreft een krom gebogen fragment bestaande uit een plat handvat dat overloopt in een steel met een vierkante doorsnede. De steel is afgebroken ter hoogte van het begin van een tordering. Het lijkt hier te gaan om een deel van een vleesvork.50 In de jonge grachtvulling in werkput 14 is nog een fragment gevonden van een ijzeren lepelboor.51 Voor beide voorwerpen geldt dat ze vanaf de Late Middeleeuwen tot in de Nieuwe Tijd in gebruik zijn geweest, waarbij verder geen grote vormveranderingen hebben plaatsgevonden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beuningen&id=79a8f42f-e65d-409f-87cd-48817da290df